In de zomer van 2004 was Joyce verhuisd naar een etage aan de andere kant van de stad. Ze was er hoofdhuurster, en woonde er met Polen en andere buitenlanders voor 1000 euro per maand. Op haar werk ontmoette ze later dat jaar een Duitse jongen waar ze goed mee op kon schieten. Hij dronk nog meer dan haar en was een van de weinige schoonmakers die samen met haar rookte in de pauzes. Maar ze waren gewoon vrienden en ik was toen nog steeds haar man. En we hadden het toen soms nog steeds fijn samen. Vaak sliep ze bij mij en soms ging ik op bezoek in haar nieuwe huis. Ze was blij met haar huis en had het kleurig ingericht. Haar mountainbike en Dylan-cd's had ze inmiddels verkocht, 'omdat ze het geld nodig had' legde ze half boos uit. Mij kon het niet zoveel schelen. Zo was ze nou eenmaal en ik was er aan gewend geraakt. Ze had ook een nieuwe sprei gemaakt, van zijde ditmaal, en had die aan de muur hangen.
Maar begin 2005 kreeg ze ruzie met al haar medebewoners en werd
ze uit haar huis gezet. Ik hoorde van een van de Polen dat het
onmogelijk was om met haar samen te leven, en tegen mij
persoonlijk zei hij dat ze er soms ook andere mannen over de
vloer kreeg. Na een week of twee mocht ze na tussenkomst van de
politie terugkomen en vertrokken de andere bewoners. Joyce ging
er toen wonen met haar Duitse vriend, maar in die twee weken
ervoor logeerde ze nog eenmaal bij mij. Alle problemen en ruzies
hadden haar geen goed gedaan. Ze was vermagerd en zag er slecht
uit, maar ik zorgde goed voor haar. En toen op een dag kwam ze
niet terug na haar werk. Ik had eten gemaakt en wachtte. Ik was
bezorgd dat er iets met haar gebeurd was, maar na drie dagen
hoorde ik dat ze bij haar Duitse vriend was blijven slapen. Toen,
in februari 2005, was het echt over voor mij. Ze had voor een
ander gekozen, en een Duitser nog wel. Ik heb een halve dag door
de stad gelopen.
In april lag Joyce in het ziekenhuis. Ze had een goedaardige
tumor in haar onderbuik en moest geopereerd worden. Ik ging op
bezoek na de operatie. Ze was blij me te zien en zei hoe ze zich
verveelde. Ze kon niet drinken en bijna niet roken. Ze vroeg me
of ik haar litteken wou zien maar dat hoefde ik niet. Ik had
medelijden met haar maar hoefde haar onderbuik niet meer te zien.
Ik gaf haar bloemen en het boek Kronieken van Bob Dylan en na een
uurtje ging ik weer. Twee dagen later was ze weer thuis. Ze wou
niet in het ziekenhuis blijven en was gewoon weggegaan. Haar
medicijnen kreeg ze later via de apotheek thuisbezorgd. In de
zomer spraken we nog een keer af bij een muziekwinkel in de
Utrechtse straat. En we gingen wat drinken in een café, maar toen
ze zei dat haar Duitse vriend in een café verderop zat had ik
geen zin meer en ben weggegaan.
Eenmaal heb ik haar daarna nog gezien, in haar huis in Bos en
Lommer. Ze had gezegd dat haar huiskamer een jungle was geworden
en ik bracht haar twee planten uit de kas waar ik toen werkte. Ze
maakte een kop thee voor me, en toen opeens kwam ze nog een keer
op m'n schoot zitten. We begonnen weer te kussen maar toen dat te
intens werd hield ze er ineens mee op. Ze zei dat ze opgewonden
werd en we er maar beter mee konden stoppen. In november nam ik
de Dylan-documentaire No Direction Home op en we spraken af dat
we die samen zouden gaan zien. En toen hoorde ik maanden niets
meer van haar tot ik in april 2006 een brief kreeg uit Polen. Ze
schreef dat ze een rottijd had gehad, stuurde krantenknipsels
over Dylan en Springsteen mee, en sloot af met love, Joyce. Maar
ik heb haar niet meer geantwoord. Ik was boos dat ze me niet
normaal gedag had gezegd. In de zomer kreeg ik nog een email. Ze
woonde inmiddels in Duitsland en op weg naar Engeland zou ze in
Amsterdam overstappen. Ik heb haar niet teruggemaild en dat is
het laatste contact tussen ons geweest.
Een jaar lang heb ik elke dag aan haar gedacht. Niet dat ik haar
terug wou of haar miste, maar ik moest wel steeds weer aan haar
denken. Ik wou het niet maar deed het wel. Bij elke Dylan-song
die ik hoorde was zij weer in m'n gedachten. Bij elk nh-hotel dat
ik voorbij reed moest ik aan haar denken en als ik langs Schiphol
fietste keek ik altijd of ik haar Hilton kon zien. Als ik naar de
Albert Cuyp liep zag ik altijd de etage waar ze woonde. En dan
dacht ik aan haar en was blij dat ze weg was, maar vergeten deed
ik haar niet. Ook nu nog niet. Ik denk nog steeds aan de fijne
momenten die we samen hadden. Hoe blij ze was met haar fiets, hoe
fijn het was om met haar op stap te gaan en hoe ze soms op tafel
ging staan om eens goed te kunnen kussen. Niemand zal ooit zo bij
mij passen als zij op die momenten.
Waar ze nu is weet ik niet. Polen? Duitsland? Gewoon weer
Engeland? Of dood, ik weet het niet. Al haar brieven heb ik
weggegooid. De lappendeken heb ik gekregen en van de dag dat ze
toen al haar haar afknipte heb ik een pluk bewaard. Misschien
wordt ze ooit een oud vrouwtje dat gaat genieten van haar tuin,
misschien gaat ze drinkend ten onder. Ik denk niet dat ik het ga
weten. Ook als ze nu iets van haar zou laten horen, ik zal haar
niet antwoorden. Maar ik blijf wel aan haar denken. Aan mijn
meisje. Die kleine meid in een grote, gevaarlijke wereld.
Inloggen is niet verplicht om je commentaar achter te laten.
Beperkt HTML (<b>vet</b>, <i>cursief</i> en <u>onderstreept</u> toegestaan; webadressen worden automatisch omgezet in werkende links).


