Damnieuws

Naar mijn smaak (maar eenieder heeft het volste recht daar anders
over te denken) behoort de partij die Kees Thijssen in de elfde
ronde van het Nederlands kampioenschap 2006 van Jeroen van den
Akker won, niet echt tot de hoogpunten uit het almaar groeiende
oeuvre van de viervoudige titelhouder. Dat heeft alles te
maken met het verloop van de openingsfase, waarin dermate veel
vereenvoudigingen plaatsvonden dat er na achttien zetten wederzijds
nog maar dertien schijven op het bord stonden. En het lijkt mij
sterk dat Thijssen de partij óók zou hebben gewonnen wanneer Van
den Akker op de 31ste zet, in een nog altijd volkomen
gelijkwaardige stelling, niet een levensgrote fout had
gemaakt.
Maar Van den Akker-Thijssen was wél van grote invloed op de einduitslag van het toernooi. Dankzij zijn zege hield Thijssen namelijk gelijke tred met Auke Scholma (die diezelfde ronde in een onderhoudend duel Sekongo versloeg), zodat hij met gelijke kansen het toptreffen met zijn mede-koploper inging. En eigenlijk zelfs meer dan dat. Want de bepaling dat bij gelijke aankomst de titel toegewezen wordt aan de speler met het grootste aantal winstpartijen (en dat was Thijssen, die - anders dan Scholma - eerder in het toernooi óók een partij - zij het volstrekt onnodig en onterecht - verloren had), werkte zozeer in Thijssens voordeel dat Scholma een onverantwoorde winstpoging zou ondernemen en het spreekwoordelijke lid op de neus kreeg. Daarmee was de strijd om de titel, ook al was er nog een ronde te gaan, in één klap beslist.
Overigens: mijn voorzichtige kritiek op het spel van de kampioen, een kritiek die wellicht ook generatie-gebonden is (zie het uitvoerige commentaar bij wits 10de zet), heeft enkel en alleen betrekking op de openingsfase. Zijn behandeling van het klassieke middenspel is juist voorbeeldig, en de accurate wijze waarop Thijssen het eenmaal verkregen voordeel vasthoudt en - uiteindelijk - in winst weet om te zetten, verdient niets dan lof!
Van den Akker-Thijssen
(NK 2006)
1.32-28 17-21 2.34-29 11-17 3.40-34 21-26 4.45-40 17-21 5.38-32
Thijssen en Van den Akker hebben zo’n beetje alle denkbare vertakkingen van de 1.32-28 16-21-opening of de 1.32-28 17-21-opening (die soms zelfs via 1.34-29 18-22 2.32-28 16-21 tot stand kwam) wel eens tegen elkaar op het bord gehad. Met de tekstzet wijkt Van den Akker af van hun duel uit het Bijlmer-toernooi 2003; daarin had hij vervolgd met 5.37-32 26x37 6.42x31, wat via 6...19-23 (het alternatief is 6...21-26) 7.28x19 14x23 8.41-37 10-14 9.35-30 20-25 10.47-41 21-26 11.40-35 5-10 12.32-28 23x32 13.37x28 26x37 14.41x32 tot een principiële strijd van aanval versus omsingeling leidde.
De mededeling dat dit achtste onderlinge treffen in een puntendeling zou eindigen, is overigens allerminst de open deur die het bij een beschouwing over partijen tussen àndere grootmeesters was geweest. Thijssen en Van den Akker hebben namelijk de (aangename) gewoonte tegen elkaar meer winst- dan remisepartijen te produceren: op het moment dat ik deze regels schrijf hebben zij - als ik de computer mag geloven - 13 maal de degens gekruist, en van die 13 partijen eindigden er 8 in een beslissing! Waarbij het, gezien de veel aansprekender resultaten van Thijssen in met name de NK-toernooien van de laatste vier jaar, toch verrassend mag heten dat de (tussen)stand nog altijd in evenwicht is: 4-4!
5...20-24 6.29x20 15x24 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negentien zwarte schijven op 1 t/m 10, 12 t/m 14, 16, 18, 19, 21, 24 en 26; negentien witte schijven op 28, 31 t/m 37, 39 t/m 44 en 46 t/m 50.]
De keuze voor de klassieke speelwijze met (5...)20-24 en (6...)15x24 moet op z’n minst een kleine verrassing voor Van den Akker zijn geweest: tot dusver had Thijssen hier vrijwel uitsluitend het naar Schwarzman vernoemde 5/6…21-27 gedaan.
7.42-38
Er is een wezenlijk verschil tussen een opbouw met 43-38 en 49-43 (al dan niet voorafgegaan door 7.31-27) en de manier waarop Van den Akker zijn stand inricht. In het eerste geval namelijk beschikt wit, dankzij het feit dat er nog een schijf op veld 47 staat, over méér mogelijkheden om zijn linker vleugel te ontwikkelen. Er staat tegenover (tenslotte heeft elk voordeel haast per definitie ook zijn nadeel) dat wit, mocht hij ooit van plan zijn een aanval met zijn rechter vleugel te lanceren, het aan die bordrand met een schijf minder zal moeten stellen.
Overigens: aan de (enkele) lezers die zich afvragen naar welke van de twee speelwijzen de voorkeur van ondergetekende nu precies uitgaat, wil ik wel kwijt dat ik in het begin van mijn carrière in een tweetal partijen (waarvan er één straks heel even ter sprake zal komen) voor een opstelling met 42-38 en 47-42 koos. Nà december 1969 bekeerde ik mij echter radicaal tot het systeem met 43-38 en 49-43, dat ik sindsdien in een kleine veertig(!) partijen toepaste en dat ik mijn verdere (dam)leven lang trouw zou blijven. Op één uitzondering na. Want toen ik in de 7de partij van de WK-match tegen Tsjizjow (Amersfoort, februari 1990) bijna dezelfde stand als Van den Akker tegen Thijssen op het bord kreeg (het enige verschil was dat - doordat ik met 1.33-29 was begonnen - schijf 44 op veld 45 stond), greep ik juist weer terug op 7.42-38. De bedoeling van die revisionistische koerswijziging was op 7...18-23 (waar Tsjizjow overigens wèl even over leek na te denken) 8.34-29 23x34 9.40x20 14x25 te kunnen doen en op 7...10-15 (zoals daadwerkelijk gespeeld werd) de opstoot 8.28-22 18x27 9.31x22 te plaatsen.
7...18-23
Ik had het zo-even over het “wezenlijke verschil” tussen (7.)43-38 en het gespeelde (7.)42-38. Hoe relevant het is durf ik niet te zeggen, maar ik constateer nog een ander verschil. Met schijf 43 op veld 42 namelijk zou wit na 7...18-23 8.31-27 12-18 de vijandelijke opbouw kunnen verstoren (en bovenal de eigen linker vleugel ontwikkelen!) met behulp van de manoeuvre 9.27-22(!) 26x37 10.37-31 26x37 11.42x22, bijvoorbeeld 11...21-26?! (zinvoller lijkt 11...7-11, teneinde 12.47-42 met 12...11-17 13.22x11 16x7 te beantwoorden) 12.47-42! In de gegeven situatie echter heeft wit een dergelijke mogelijkheid nìet, en wel omdat hij links als het ware een tempootje te kort komt (8.31-27 12-18 9.47-42 7-12!?).
8.47-42 12-18 9.50-45 10-15 10.31-27 7-12 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negentien zwarte schijven op 1 t/m 6, 8, 9, 12 t/m 16, 18, 19, 21, 23, 24 en 26;
negentien witte schijven op 27, 28, 32 t/m 46, 48 en 49.]
11.34-29
De inleiding tot een 4x4-, ja eigenlijk zelfs 6x6-ruil, waarmee eventuele spanningen op z’n minst naar een (veel) later stadium worden dóórgeschoven. Voor dìe toeschouwers die - indachtig de vorige ontmoetingen tussen Van den Akker en Thijssen - op “vuurwerk” hadden gerekend, moet dat een teleurstellende ontwikkeling zijn. Toch vind ik dat de witspeler weinig of niets te verwijten valt: wie eenmaal in de diagramstand verzeild is geraakt en er niet voor voelt zijn hoofd in de strop te steken, heeft inderdaad niet beter dan te vereenvoudigen met 11.34-29 en 13.27-22 enz. Toegegeven: de praktijk heeft uitgewezen dat wit met 6 op 11 en 12 nog op 7 uitstekend 11.27-22! 18x27 12.37-31 26x37 13.42x22 (13...14-20* 14.34-29! 23x34 15.40x29 13-18* 16.22x13 9x18 17.44-40/39-34 enz.) kan spelen; zie bijvoorbeeld Sijbrands-Palmer, GS-jubileumtoernooi 1967, het competitieduel Virni-Kousemaker 1993 of de partij Samb-Berçot uit het toernooi van Cannes 2002. En het is eveneens waar dat er heel wat partijen zijn waarin de witspelers zich met 11.36-31 en 12.41-36 opstelden en daar bevredigend spel mee kregen; ik noem slechts Koeperman-Hisard, Suikertoernooi 1969, en Valneris-Bakker, Junioren-WK 1986.
Maar die wetenschap brengt Van den Akker geen stap verder. Wat de eerste van de twee genoemde speelwijzen betreft, volstaat de nuchtere constatering dat het domweg niet zo staat en dat, met 7 al op 12, de manoeuvre 11.27-22 en 12.37-31 geen serieuze optie is. En ook ten aanzien van het plan 11.36-31 annex 12.41-36 dient te worden opgemerkt dat het bij Hisard en (Andries) Bakker c.s. nèt even anders stond dan bij Thijssen. Beide zwartspelers hadden namelijk hun stelling met 7-11 in plaats van 7-12 ingericht (dat hadden zij al in de 20x20-fase gedaan), zodat Koeperman en Valneris c.s. ongestoord tot 13.27-22 18x27 14.31x22 dan wel 13.34-29 gevolgd door 15.27-22 18x27 16.31x22 kwamen. Met schijf 11 op veld 12 daarentegen beschikt zwart over een mogelijkheid die men met een gerust hart als de weerlegging van 11.36-31? kan beschouwen, te weten 11...5-10 (of ook 11...1-7 dan wel direct de opstoot waar het allemaal om draait) 12.41-36 23-29!! 13.34x23 18x29. Omdat 14.39-34?? dan is uitgeschakeld in verband met een simpel damzetje naar 50, heeft wit niet beter dan hetzij 14.40-34 29x40 15.45x34, hetzij 14.35-30 24x35 15.33x24 19x30 16.40-34 te spelen en in de permanente (klaverblad-)opsluiting van zijn linker vleugel te berusten. Een dergelijk verloop resulteerde in een oude NK-partij Laros-Bom (1953), opmerkelijk genoeg het enige praktijkvoorbeeld trouwens waarin die manoeuvre 23-29x29! is voorgekomen (terwijl er toch heel wat spelers geweest zijn die diezelfde mogelijkheid hadden!), in een strategisch fiasco voor wit.
Overigens betwijfel ik sterk of ik, in dezelfde situatie verkerend als de zwartspeler bij de aanvang van de elfde ronde (alleen met een overwinning kon Thijssen gelijke tred met Scholma houden), de opening zelf óók zo zou hebben behandeld. En ik vermoed, nee: weet haast wel zeker, dat dit evenzeer geldt voor spelers als Harm Wiersma en Anatoli Gantwarg. De grootmeesters van mijn generatie zijn namelijk opgegroeid met het leerstuk dat wie tot elke prijs wil winnen, al te grote vereenvoudigingen uit de weg dient te gaan; in de bijna contactloze, althans ‘contactarme’ 13x13-stand waarin de stelling van het diagram binnen enkele zetten zal uitmonden, zouden wij domweg te weinig fiducie hebben gehad.
Laat ik mij haasten hieraan toe te voegen dat er, ook voor “de zestigers” (waarmee ik dìe generatie bedoel die in de jaren zestig dóórbrak), wel degelijk omstandigheden denkbaar zijn waaronder een 2x2-terugruil zoals Van den Akker die straks zal nemen (13.27-22 enz.) zonder bezwaar kan worden toegelaten. Maar er moet dan wèl een zeker aanknopingspunt in de vorm van - bij voorkeur - een witte randschijf op 25 tegenover staan. Zie bijvoorbeeld de partijen van Wiersma tegen achtereenvolgens Twiest (Clubcompetitie 1991/1992), Thierry Delmotte (WK 1992) en Koeperman (WK 1994), het spannende duel Tokoesarow-Gantwarg uit het toernooi van Salou 2002, of mijn eigen competitiepartijen tegen Rigterink (1990), Andries Bakker (1995) en Wijninga (1997).
Behalve uit een randschijf op 25 zou dat “aanknopingspunt” eveneens kunnen bestaan uit de aanwezigheid van vijandelijke stukken op de velden 35, 34, 40 en 45. Immers: zeker sinds de partijen van Tsjizjow weten we (maar dat konden we ook al sinds de partijen van Andreiko weten) dat wit dan beslist nog geen gelijk spel heeft; de gevreesde puntendeling staat bijgevolg nog lang niet vast. Bij Van den Akker en Thijssen daarentegen is van een soortgelijke “compensatie” voor het verdwijnende materiaal geen sprake, en die constatering maakt de zwarte openingsbehandeling naar mijn overtuiging tè “remise-gevoelig”.
Maar ik moet toegeven dat het partijverloop mij zwaar in het ongelijk zal stellen...
11...23x34 12.40x20 15x24 13.27-22
Uitstel van deze hergroepering heeft weinig zin en zou zwart bovendien in de gelegenheid stellen met 13...18-23! (zelfs ingeval van een vijandelijke opstelling met 13.44-40 en 14.39-34) de zo noodzakelijke ontwikkeling van de witte linker vleugel te belemmeren.
13...18x27 14.28-23 19x28 15.33x31 12-18
Dit kleine maar nuttige zetje is primair bedoeld om wit te ontmoedigen eerst schijf 24 af te ruilen (bijvoorbeeld via 45-40-34-29x29) en daarna pas 32-27x28x32 te doen: zodra veld 38 onbezet is, speelt zwart 21-27! (32x21) en 26x17 met onmiskenbaar voordeel. En passant verhindert de tekstzet 16.39-33?? door het damzetje 16...24-30!, 17...13-19 en 18...21-27 +.
16.32-27 21x32 17.37x28 26x37 18.41x32 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 1 t/m 6, 8, 9, 13, 14, 16, 18 en 24;
dertien witte schijven op 28, 32, 35, 36, 38, 39, 42 t/m 46, 48 en 49.]
In de (papieren) krant van zaterdag 22 april 2006 schreef ik over de stand na 18.41x32 (en het is wellicht goed te bedenken dat dit - in flagrante tegenstelling tot de voor u liggende analyse - pas het allereerste commentaar was dat ik aan het verloop van de openingsfase wijdde!):
“De opening is achter de rug, aan weerskanten staan er nog maar 13 schijven op het bord. Zwart geniet weliswaar een ontwikkelingsachterstand van 2 tempi (plus de nazet), maar kan dat op hoog niveau voldoende zijn voor de winst? Thijssen laat zien dat het kan.”
Inmiddels weet de lezer dus hoe ik er echt over denk. Maar in de gedecimeerde rubriek die ik sinds januari 2005 mag redigeren, is het nu eenmaal onmogelijk dieper op de zaken in te gaan; noodgedwongen praat je als “analysator” dan maar min of meer naar het eindresultaat toe...
18…5-10 19.46-41 14-19 20.41-37 1-7 21.39-33 10-14 22.44-39 7-12 23.49-44 2-7 24.37-31 18-23
Na een korte periode van opbouw maakt Thijssen de stand weer klassiek.
25.44-40 4-10 26.39-34 10-15 27.31-27 14-20 28.36-31 13-18
Gespeeld om onder omstandigheden (bijvoorbeeld na 29.31-26) desgewenst óók een opstelling met (29...)9-13 in te kunnen nemen. Die is na wits volgende zet uiteraard meteen weer van de baan:
29.34-30 8-13 30.30-25 9-14!? (zie diagram)
Een lovenswaardige poging om in elk geval zoveel mogelijk “spel” te houden. Thijssen zal er eerder voor beloond worden dan hij ooit had durven hopen:

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 3, 6, 7, 12 t/m 16, 18 t/m 20, 23 en 24;
dertien witte schijven op 25, 27, 28, 31 t/m 33, 35, 38, 40, 42, 43, 45 en 48.]
31.40-34??
In mijn rubriek noemde ik dit een “slordigheid”, maar dat was bepaald een understatement. De tekstzet is namelijk een regelrechte blunder. Na eerst 31.31-26(!) 7-11 en dan pas 32.40-34 waren de stellingen volkomen in evenwicht geweest. Van den Akker was ongetwijfeld van plan 31...7-11 alsnog met 32.31-26 te beantwoorden maar moet het zwarte antwoord totaal hebben gemist:
31…12-17!
Door de dreiging 32...17-22! en 33...24-30 + in de stand te vlechten, berooft Thijssen zijn tegenstander van de mogelijkheid (32.)31-26, zodat deze met een ernstige zwakte op veld 31 wordt opgezadeld. En hoewel het evenwicht in zuiver analytische zin nog niet verbroken is (zie vooral de aantekening bij wits 41ste zet), wijst het partijverloop uit dat Van den Akker deze gevoelige tegenslag niet meer te boven zal komen.
(WORDT VERVOLGD)
Maar Van den Akker-Thijssen was wél van grote invloed op de einduitslag van het toernooi. Dankzij zijn zege hield Thijssen namelijk gelijke tred met Auke Scholma (die diezelfde ronde in een onderhoudend duel Sekongo versloeg), zodat hij met gelijke kansen het toptreffen met zijn mede-koploper inging. En eigenlijk zelfs meer dan dat. Want de bepaling dat bij gelijke aankomst de titel toegewezen wordt aan de speler met het grootste aantal winstpartijen (en dat was Thijssen, die - anders dan Scholma - eerder in het toernooi óók een partij - zij het volstrekt onnodig en onterecht - verloren had), werkte zozeer in Thijssens voordeel dat Scholma een onverantwoorde winstpoging zou ondernemen en het spreekwoordelijke lid op de neus kreeg. Daarmee was de strijd om de titel, ook al was er nog een ronde te gaan, in één klap beslist.
Overigens: mijn voorzichtige kritiek op het spel van de kampioen, een kritiek die wellicht ook generatie-gebonden is (zie het uitvoerige commentaar bij wits 10de zet), heeft enkel en alleen betrekking op de openingsfase. Zijn behandeling van het klassieke middenspel is juist voorbeeldig, en de accurate wijze waarop Thijssen het eenmaal verkregen voordeel vasthoudt en - uiteindelijk - in winst weet om te zetten, verdient niets dan lof!
Van den Akker-Thijssen
(NK 2006)
1.32-28 17-21 2.34-29 11-17 3.40-34 21-26 4.45-40 17-21 5.38-32
Thijssen en Van den Akker hebben zo’n beetje alle denkbare vertakkingen van de 1.32-28 16-21-opening of de 1.32-28 17-21-opening (die soms zelfs via 1.34-29 18-22 2.32-28 16-21 tot stand kwam) wel eens tegen elkaar op het bord gehad. Met de tekstzet wijkt Van den Akker af van hun duel uit het Bijlmer-toernooi 2003; daarin had hij vervolgd met 5.37-32 26x37 6.42x31, wat via 6...19-23 (het alternatief is 6...21-26) 7.28x19 14x23 8.41-37 10-14 9.35-30 20-25 10.47-41 21-26 11.40-35 5-10 12.32-28 23x32 13.37x28 26x37 14.41x32 tot een principiële strijd van aanval versus omsingeling leidde.
De mededeling dat dit achtste onderlinge treffen in een puntendeling zou eindigen, is overigens allerminst de open deur die het bij een beschouwing over partijen tussen àndere grootmeesters was geweest. Thijssen en Van den Akker hebben namelijk de (aangename) gewoonte tegen elkaar meer winst- dan remisepartijen te produceren: op het moment dat ik deze regels schrijf hebben zij - als ik de computer mag geloven - 13 maal de degens gekruist, en van die 13 partijen eindigden er 8 in een beslissing! Waarbij het, gezien de veel aansprekender resultaten van Thijssen in met name de NK-toernooien van de laatste vier jaar, toch verrassend mag heten dat de (tussen)stand nog altijd in evenwicht is: 4-4!
5...20-24 6.29x20 15x24 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negentien zwarte schijven op 1 t/m 10, 12 t/m 14, 16, 18, 19, 21, 24 en 26; negentien witte schijven op 28, 31 t/m 37, 39 t/m 44 en 46 t/m 50.]
De keuze voor de klassieke speelwijze met (5...)20-24 en (6...)15x24 moet op z’n minst een kleine verrassing voor Van den Akker zijn geweest: tot dusver had Thijssen hier vrijwel uitsluitend het naar Schwarzman vernoemde 5/6…21-27 gedaan.
7.42-38
Er is een wezenlijk verschil tussen een opbouw met 43-38 en 49-43 (al dan niet voorafgegaan door 7.31-27) en de manier waarop Van den Akker zijn stand inricht. In het eerste geval namelijk beschikt wit, dankzij het feit dat er nog een schijf op veld 47 staat, over méér mogelijkheden om zijn linker vleugel te ontwikkelen. Er staat tegenover (tenslotte heeft elk voordeel haast per definitie ook zijn nadeel) dat wit, mocht hij ooit van plan zijn een aanval met zijn rechter vleugel te lanceren, het aan die bordrand met een schijf minder zal moeten stellen.
Overigens: aan de (enkele) lezers die zich afvragen naar welke van de twee speelwijzen de voorkeur van ondergetekende nu precies uitgaat, wil ik wel kwijt dat ik in het begin van mijn carrière in een tweetal partijen (waarvan er één straks heel even ter sprake zal komen) voor een opstelling met 42-38 en 47-42 koos. Nà december 1969 bekeerde ik mij echter radicaal tot het systeem met 43-38 en 49-43, dat ik sindsdien in een kleine veertig(!) partijen toepaste en dat ik mijn verdere (dam)leven lang trouw zou blijven. Op één uitzondering na. Want toen ik in de 7de partij van de WK-match tegen Tsjizjow (Amersfoort, februari 1990) bijna dezelfde stand als Van den Akker tegen Thijssen op het bord kreeg (het enige verschil was dat - doordat ik met 1.33-29 was begonnen - schijf 44 op veld 45 stond), greep ik juist weer terug op 7.42-38. De bedoeling van die revisionistische koerswijziging was op 7...18-23 (waar Tsjizjow overigens wèl even over leek na te denken) 8.34-29 23x34 9.40x20 14x25 te kunnen doen en op 7...10-15 (zoals daadwerkelijk gespeeld werd) de opstoot 8.28-22 18x27 9.31x22 te plaatsen.
7...18-23
Ik had het zo-even over het “wezenlijke verschil” tussen (7.)43-38 en het gespeelde (7.)42-38. Hoe relevant het is durf ik niet te zeggen, maar ik constateer nog een ander verschil. Met schijf 43 op veld 42 namelijk zou wit na 7...18-23 8.31-27 12-18 de vijandelijke opbouw kunnen verstoren (en bovenal de eigen linker vleugel ontwikkelen!) met behulp van de manoeuvre 9.27-22(!) 26x37 10.37-31 26x37 11.42x22, bijvoorbeeld 11...21-26?! (zinvoller lijkt 11...7-11, teneinde 12.47-42 met 12...11-17 13.22x11 16x7 te beantwoorden) 12.47-42! In de gegeven situatie echter heeft wit een dergelijke mogelijkheid nìet, en wel omdat hij links als het ware een tempootje te kort komt (8.31-27 12-18 9.47-42 7-12!?).
8.47-42 12-18 9.50-45 10-15 10.31-27 7-12 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negentien zwarte schijven op 1 t/m 6, 8, 9, 12 t/m 16, 18, 19, 21, 23, 24 en 26;
negentien witte schijven op 27, 28, 32 t/m 46, 48 en 49.]
11.34-29
De inleiding tot een 4x4-, ja eigenlijk zelfs 6x6-ruil, waarmee eventuele spanningen op z’n minst naar een (veel) later stadium worden dóórgeschoven. Voor dìe toeschouwers die - indachtig de vorige ontmoetingen tussen Van den Akker en Thijssen - op “vuurwerk” hadden gerekend, moet dat een teleurstellende ontwikkeling zijn. Toch vind ik dat de witspeler weinig of niets te verwijten valt: wie eenmaal in de diagramstand verzeild is geraakt en er niet voor voelt zijn hoofd in de strop te steken, heeft inderdaad niet beter dan te vereenvoudigen met 11.34-29 en 13.27-22 enz. Toegegeven: de praktijk heeft uitgewezen dat wit met 6 op 11 en 12 nog op 7 uitstekend 11.27-22! 18x27 12.37-31 26x37 13.42x22 (13...14-20* 14.34-29! 23x34 15.40x29 13-18* 16.22x13 9x18 17.44-40/39-34 enz.) kan spelen; zie bijvoorbeeld Sijbrands-Palmer, GS-jubileumtoernooi 1967, het competitieduel Virni-Kousemaker 1993 of de partij Samb-Berçot uit het toernooi van Cannes 2002. En het is eveneens waar dat er heel wat partijen zijn waarin de witspelers zich met 11.36-31 en 12.41-36 opstelden en daar bevredigend spel mee kregen; ik noem slechts Koeperman-Hisard, Suikertoernooi 1969, en Valneris-Bakker, Junioren-WK 1986.
Maar die wetenschap brengt Van den Akker geen stap verder. Wat de eerste van de twee genoemde speelwijzen betreft, volstaat de nuchtere constatering dat het domweg niet zo staat en dat, met 7 al op 12, de manoeuvre 11.27-22 en 12.37-31 geen serieuze optie is. En ook ten aanzien van het plan 11.36-31 annex 12.41-36 dient te worden opgemerkt dat het bij Hisard en (Andries) Bakker c.s. nèt even anders stond dan bij Thijssen. Beide zwartspelers hadden namelijk hun stelling met 7-11 in plaats van 7-12 ingericht (dat hadden zij al in de 20x20-fase gedaan), zodat Koeperman en Valneris c.s. ongestoord tot 13.27-22 18x27 14.31x22 dan wel 13.34-29 gevolgd door 15.27-22 18x27 16.31x22 kwamen. Met schijf 11 op veld 12 daarentegen beschikt zwart over een mogelijkheid die men met een gerust hart als de weerlegging van 11.36-31? kan beschouwen, te weten 11...5-10 (of ook 11...1-7 dan wel direct de opstoot waar het allemaal om draait) 12.41-36 23-29!! 13.34x23 18x29. Omdat 14.39-34?? dan is uitgeschakeld in verband met een simpel damzetje naar 50, heeft wit niet beter dan hetzij 14.40-34 29x40 15.45x34, hetzij 14.35-30 24x35 15.33x24 19x30 16.40-34 te spelen en in de permanente (klaverblad-)opsluiting van zijn linker vleugel te berusten. Een dergelijk verloop resulteerde in een oude NK-partij Laros-Bom (1953), opmerkelijk genoeg het enige praktijkvoorbeeld trouwens waarin die manoeuvre 23-29x29! is voorgekomen (terwijl er toch heel wat spelers geweest zijn die diezelfde mogelijkheid hadden!), in een strategisch fiasco voor wit.
Overigens betwijfel ik sterk of ik, in dezelfde situatie verkerend als de zwartspeler bij de aanvang van de elfde ronde (alleen met een overwinning kon Thijssen gelijke tred met Scholma houden), de opening zelf óók zo zou hebben behandeld. En ik vermoed, nee: weet haast wel zeker, dat dit evenzeer geldt voor spelers als Harm Wiersma en Anatoli Gantwarg. De grootmeesters van mijn generatie zijn namelijk opgegroeid met het leerstuk dat wie tot elke prijs wil winnen, al te grote vereenvoudigingen uit de weg dient te gaan; in de bijna contactloze, althans ‘contactarme’ 13x13-stand waarin de stelling van het diagram binnen enkele zetten zal uitmonden, zouden wij domweg te weinig fiducie hebben gehad.
Laat ik mij haasten hieraan toe te voegen dat er, ook voor “de zestigers” (waarmee ik dìe generatie bedoel die in de jaren zestig dóórbrak), wel degelijk omstandigheden denkbaar zijn waaronder een 2x2-terugruil zoals Van den Akker die straks zal nemen (13.27-22 enz.) zonder bezwaar kan worden toegelaten. Maar er moet dan wèl een zeker aanknopingspunt in de vorm van - bij voorkeur - een witte randschijf op 25 tegenover staan. Zie bijvoorbeeld de partijen van Wiersma tegen achtereenvolgens Twiest (Clubcompetitie 1991/1992), Thierry Delmotte (WK 1992) en Koeperman (WK 1994), het spannende duel Tokoesarow-Gantwarg uit het toernooi van Salou 2002, of mijn eigen competitiepartijen tegen Rigterink (1990), Andries Bakker (1995) en Wijninga (1997).
Behalve uit een randschijf op 25 zou dat “aanknopingspunt” eveneens kunnen bestaan uit de aanwezigheid van vijandelijke stukken op de velden 35, 34, 40 en 45. Immers: zeker sinds de partijen van Tsjizjow weten we (maar dat konden we ook al sinds de partijen van Andreiko weten) dat wit dan beslist nog geen gelijk spel heeft; de gevreesde puntendeling staat bijgevolg nog lang niet vast. Bij Van den Akker en Thijssen daarentegen is van een soortgelijke “compensatie” voor het verdwijnende materiaal geen sprake, en die constatering maakt de zwarte openingsbehandeling naar mijn overtuiging tè “remise-gevoelig”.
Maar ik moet toegeven dat het partijverloop mij zwaar in het ongelijk zal stellen...
11...23x34 12.40x20 15x24 13.27-22
Uitstel van deze hergroepering heeft weinig zin en zou zwart bovendien in de gelegenheid stellen met 13...18-23! (zelfs ingeval van een vijandelijke opstelling met 13.44-40 en 14.39-34) de zo noodzakelijke ontwikkeling van de witte linker vleugel te belemmeren.
13...18x27 14.28-23 19x28 15.33x31 12-18
Dit kleine maar nuttige zetje is primair bedoeld om wit te ontmoedigen eerst schijf 24 af te ruilen (bijvoorbeeld via 45-40-34-29x29) en daarna pas 32-27x28x32 te doen: zodra veld 38 onbezet is, speelt zwart 21-27! (32x21) en 26x17 met onmiskenbaar voordeel. En passant verhindert de tekstzet 16.39-33?? door het damzetje 16...24-30!, 17...13-19 en 18...21-27 +.
16.32-27 21x32 17.37x28 26x37 18.41x32 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 1 t/m 6, 8, 9, 13, 14, 16, 18 en 24;
dertien witte schijven op 28, 32, 35, 36, 38, 39, 42 t/m 46, 48 en 49.]
In de (papieren) krant van zaterdag 22 april 2006 schreef ik over de stand na 18.41x32 (en het is wellicht goed te bedenken dat dit - in flagrante tegenstelling tot de voor u liggende analyse - pas het allereerste commentaar was dat ik aan het verloop van de openingsfase wijdde!):
“De opening is achter de rug, aan weerskanten staan er nog maar 13 schijven op het bord. Zwart geniet weliswaar een ontwikkelingsachterstand van 2 tempi (plus de nazet), maar kan dat op hoog niveau voldoende zijn voor de winst? Thijssen laat zien dat het kan.”
Inmiddels weet de lezer dus hoe ik er echt over denk. Maar in de gedecimeerde rubriek die ik sinds januari 2005 mag redigeren, is het nu eenmaal onmogelijk dieper op de zaken in te gaan; noodgedwongen praat je als “analysator” dan maar min of meer naar het eindresultaat toe...
18…5-10 19.46-41 14-19 20.41-37 1-7 21.39-33 10-14 22.44-39 7-12 23.49-44 2-7 24.37-31 18-23
Na een korte periode van opbouw maakt Thijssen de stand weer klassiek.
25.44-40 4-10 26.39-34 10-15 27.31-27 14-20 28.36-31 13-18
Gespeeld om onder omstandigheden (bijvoorbeeld na 29.31-26) desgewenst óók een opstelling met (29...)9-13 in te kunnen nemen. Die is na wits volgende zet uiteraard meteen weer van de baan:
29.34-30 8-13 30.30-25 9-14!? (zie diagram)
Een lovenswaardige poging om in elk geval zoveel mogelijk “spel” te houden. Thijssen zal er eerder voor beloond worden dan hij ooit had durven hopen:

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 3, 6, 7, 12 t/m 16, 18 t/m 20, 23 en 24;
dertien witte schijven op 25, 27, 28, 31 t/m 33, 35, 38, 40, 42, 43, 45 en 48.]
31.40-34??
In mijn rubriek noemde ik dit een “slordigheid”, maar dat was bepaald een understatement. De tekstzet is namelijk een regelrechte blunder. Na eerst 31.31-26(!) 7-11 en dan pas 32.40-34 waren de stellingen volkomen in evenwicht geweest. Van den Akker was ongetwijfeld van plan 31...7-11 alsnog met 32.31-26 te beantwoorden maar moet het zwarte antwoord totaal hebben gemist:
31…12-17!
Door de dreiging 32...17-22! en 33...24-30 + in de stand te vlechten, berooft Thijssen zijn tegenstander van de mogelijkheid (32.)31-26, zodat deze met een ernstige zwakte op veld 31 wordt opgezadeld. En hoewel het evenwicht in zuiver analytische zin nog niet verbroken is (zie vooral de aantekening bij wits 41ste zet), wijst het partijverloop uit dat Van den Akker deze gevoelige tegenslag niet meer te boven zal komen.
(WORDT VERVOLGD)
boeiend beschreven
Inloggen is niet verplicht om je commentaar achter te laten.
Beperkt HTML (<b>vet</b>, <i>cursief</i> en <u>onderstreept</u> toegestaan; webadressen worden automatisch omgezet in werkende links).

