Damnieuws

In de tiende ronde van het toernooi om het Nederlands kampioenschap
2006 (ja - ik weet wat u zeggen wilt; maar beter laat dan nooit,
zullen we maar denken) boekte - toen nog - drievoudig titelhouder
Kees Thijssen een stijlvolle zege op debutant Toby Hage. Dat dat
resultaat vanuit een klassiek speltype tot stand kwam, was
beslist geen vanzelfsprekendheid voor dìe toeschouwers die het
eerste partijgedeelte van nabij hadden gevolgd. Want die eerste 25
zetten kenmerkten zich juist door onversneden flankspel.
Maar nadat Hage het witte stuk op 29 in achterwaartse richting had
afgeruild (24...20-24) en Thijssen met behulp van de manoeuvre
32-27x27 veld 27 voor zich had opgeëist, ontstond er langzaam maar
zeker een gesloten klassieke positie die ontegenzeggelijk beter
voor wit was.
Maar “beter” is natuurlijk nog geen synoniem voor “gewonnen”. Bovendien was Hage wel zo verstandig om met 31...14-20 althans de mogelijkheid te creëren de stelling opnieuw open te breken. Vandaar dat Thijssen besloot het wapen van de tactiek in de strijd te werpen. Om de spanningen zo ver mogelijk op te voeren, accepteerde de latere toernooiwinnaar geheel vrijwillig een opsluiting van zijn rechter vleugel, waardoor er allerlei spectaculaire combinaties in de stand kwamen. Dat bleek een gouden greep, want Thijssen slaagde erin zijn tegenstander binnen acht zetten twee forse fouten te ontlokken. En waar Hage’s eerste fout nog wel te herstellen was, bleek de laatste vrijwel op slag beslissend.
Thijssen-Hage
(NK 2006)
1.33-28 18-22 2.38-33 12-18 3.31-26 19-23
Door bij de eerste de beste gelegenheid naar 23 te ruilen, omzeilt zwart de diverse hekstelling-varianten die na 3...7-12 4.37-31!? in het vizier zouden zijn gekomen. Daarvan zijn 4...19-23 5.28x19 14x23 6.32-27 (de Wiersma-variant) en de - relatief lange - spelgang 4...1-7 5.42-38 20-25 6.47-42 14-20 7.41-37 10-14 8.46-41 5-10 9.32-27 19-23 10.28x19 14x23 11.34-30 25x34 12.40x29 23x34 13.39x30 20-25 14.44-39 25x34 15.39x30 veruit het populairst, veel populairder althans dan het principiële doch helaas zelden voorkomende (3...7-12 4.37-31) 4...1-7 5.42-38 19-23 6.28x19 14x23 7.32-28 23x32 8.38x27 10-14.
Het mag overigens verrassend heten dat van de beide combattanten juist Hage de meeste praktijkvoorbeelden (als witspeler, welteverstaan) met de Wiersma-variant op zijn naam heeft staan! De tòch al schaarse keren dat Thijssen de stand na 1.33-28 18-22 2.38-33 12-18 3.31-26 op het bord bracht c.q. kreeg, gooiden zijn tegenstanders roet in het eten door òf (zoals in het onderhavige duel) met 3...19-23 4.28x19 14x23 te vervolgen, òf na 3...7-12 4.37-31 een andere zet dan 4...19-23 te doen.
4.28x19 14x23 5.32-28
Als we de 2x2-ruil 5.33-28 enz. even niet meerekenen, zijn er slechts twee manieren waarop wit kan verhinderen dat zwart met (5.42-38) 5...7-12 en 6...22-27 enz. een voorpost op 27 inneemt: door veld 32 middels 5/6.32-28 en 6/7.37x28 te ontruimen, of door diezelfde doelstelling middels 5.34-29 23x34 6.40x29 7-12 7.32-28 te verwezenlijken. Van die beide methodes draagt de laatste (5.34-29 enz.) het meest bij aan de harmonie in de witte stand, maar de eerste heeft weer de verdienste dat wit zijn tegenstander berooft van dat aanknopingspunt op veld 29.
Er is overigens een klein doch niet geheel verwaarloosbaar verschil tussen enerzijds 5.42-38 7-12 6.32-28 23x32 7.37x28 en anderzijds direct 5.32-28. In het eerste geval namelijk moet wit na 7...16-21!? 8.41-37 21-27 al meteen een keuze maken tussen 9.37-31 of 9.37-32, aangenomen tenminste dat hij er niet voor voelt de 4x4-ruil 9.48-42 27-32 enz. toe te laten. Na onmiddellijk 5.32-28 23x32 6.37x28 7-12 7.41-37 daarentegen kàn hij 7...16-21 ook met 8.46-41/43-38!? 21-27 9.43-38/46-41!? beantwoorden. De verdienste van die opstelling is dat wit zich links nog niet heeft vastgelegd (voorlopig zal zwart zowel met 37-31 als met 37-32 rekening moeten blijven houden), terwijl - “onder omstandigheden”, zoals dat heet - de zwarte Roozenburg-aanval zelfs met 37-31 en 49-43!!? zou kunnen worden bestreden.
Maar het is allemaal lood om oud ijzer wanneer zwart, zoals Hage zal doen, van de speelwijze met 16-21-27 afziet.
5...23x32 6.37x28 10-14 7.41-37 7-12 8.46-41
Mogelijk hoopte Thijssen in deze fase nog steeds op 16-21-27. Had de witspeler echter zeker geweten dat zwart op een hernieuwde afruil van 28 zou aansturen, dan had hij wellicht voor 8.42-38 5-10/1-7 9.37-32 1-7/5-10 10.36-31 gekozen. Die van Andreiko afkomstige opstelling (zie diens stijlvolle duel met Mansjien uit het internationale toernooi van Jalta 1961) heeft ten opzichte van het partijverloop het voordeel dat wit na 10...18-23 (Mansjien speelde overigens 10...16-21) 11.28x19 14x23 12.31-27 22x31 13.26x37 het randstuk op 36 heeft opgelost, zodat hij zich betrekkelijk ongestoord op een (eventueel) aanvalsspel langs de andere bordrand kan richten. (De partij Sijbrands-Van der Sluis, NK 1973, geeft daar een - al zeg ik het zelf - geslaagd voorbeeld van.) Desgewenst zou wit diezelfde doelstelling ook met (8/9.)43-38 in plaats van (8/9.)42-38 kunnen nastreven, zoals onder meer in Wiersma-Cazemier, Genève 1980, en een tweetal (wit-)partijen van Sjtsjogoljew het geval was.
De keerzijde van Andreiko’s speelwijze is dat zwart natuurlijk allerminst verplicht is 10...18-23 11.28x19 14x23 te doen. In plaats daarvan kan hij namelijk ook met 10...22-27 11.31x22 18x27 12.32x21 16x27 (zie bijvoorbeeld Sjtsjogoljew-Koljesnik, kamp. USSR 1991, of Sjtsjogoljew-Kolesow, Russisch Ploegenkamp. 2005) dan wel eerst 10...20-24 (zoals in de partijen van - alweer - Sjtsjogoljew tegen Vjerchovich en Foerman uit de Sowjet-Russische kampioenstoernooien van respectievelijk 1985 en 1991) een speltype op het bord brengen waarin al iets zichtbaar wordt van de disharmonie in de witte stand waar ik in de vorige aantekening op doelde. Het laat zich dan ook begrijpen dat lang niet iedere (wit)speler gecharmeerd is van de gelijktijdige bezetting van de velden 32 en 31.
8...1-7 9.37-32
Een ander beproefd idee is 9.42-38 5-10 10.48-42, om op 10...18-23 11.28x19 14x23 te vervolgen met hetzij 12.35-30 20-25 13.30-24 (zie zowel Baljakin-Guinard, Cannes 1990, als Wiersma-G. Jansen, 1ste barragepartij NK 1998; waaraan ik nog toevoeg dat deze zelfde variant - maar dan met schijf 47 op veld 48 - óók in de competitiepartij Scholma-Binenbaum 1992 is voorgekomen), hetzij 12.34-29 23x34 13.40x29 (Van den Akker-Brouwers, clubcompetitie 2002/2003).
Overigens wil ik er (al is het wellicht overbodig) tòch even op wijzen dat met de tekstzet een stelling op het bord is verschenen die ook net zo goed uit de 1.32-28 18-22-opening had kunnen voortvloeien; men zie: 2.37-32 12-18 3.41-37 7-12 4.46-41 1-7 5.31-26 19-23 6.28x19 14x23 7.32-28 23x32 8.37x28 10-14 9.38-32 q.e.d.
9...5-10 10.42-38 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6 t/m 18, 20 en 22;
achttien witte schijven op 26, 28, 32 t/m 36, 38 t/m 41, 43 t/m 45 en 47 t/m 50.]
10...18-23
De vraag wat er allemaal had kunnen gebeuren wanneer zwart hetzij hier, hetzij op een van de vorige zetten of na eerst nog 10...20-24 (11.47/48-42) het scherpe 7/11...16-21 zou hebben gespeeld, valt buiten het bestek van deze partijbespreking. Gezegd zij slechts dat de Roozenburg-opstelling vanuit deze specifieke openingsvariant zowel kansen als (niet te onderschatten) risico’s met zich meebrengt.
11.28x19 14x23 12.32-27
In een relatief oude partij tegen Friedman, Junioren-WK 1994, had Thijssen hier 12.41-37 (12...22-27 13.32x21 16x27 14.34-29 23x34 15.39x30) gedaan.
Met het bescheiden terugruiltje waartoe de tekstzet de inleiding vormt (en dat ditmaal dus niet eens gepaard gaat met het oplossen van 36!), erkent de witspeler impliciet hoe moeilijk het is om in deze openingsvariant ‘spel’ te maken wanneer de tegenstander dat niet wil.
12...22x31 13.26x37 13-19 14.35-30!?
Maar door de terugtocht naar 37 onmiddellijk te laten volgen door het opkomen van schijf 35, laat Thijssen er niet de geringste onduidelijkheid over bestaan dat hij wel degelijk strijd wenst. Hage, die zich kennelijk minder aangetrokken voelt tot 14...10-14 15.30-25 12-18/8-13 16.34-29 23x34 17.40x29, neemt de uitdaging aan:
14...20-25 15.30-24!? 19x30 16.40-35 12-18 17.35x24 7-12 18.33-29(!)
Thijssen maakt er terecht een (soort) Roozenburg-opstelling van: in de open stand na 18.33-28(?) 23x32 19.37x28 had het zwart weinig moeite gekost de vijandelijke aanval tot de grond toe af te breken en het initiatief zelfs over te nemen.
18...9-13 19.39-33 17-22 20.44-39 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6, 8, 10 t/m 13, 15, 16, 18, 22, 23 en 25;
vijftien witte schijven op 24, 29, 33, 34, 36 t/m 39, 41, 43, 45 en 47 t/m 50.]
20...13-19
Voor de hand liggend, maar daarmee nog niet noodzakelijkerwijs de beste. Zo zou zwart er baat bij hebben gehad eerst het randstuk op 16 op te lossen, alvorens de vijandelijke voorpost af te ruilen. Bijvoorbeeld 20...16-21 21.38-32 11-17(!) met zowel na 22.32-28 23x32 23.37x28 13-19 (of eerst nog 23...3-9 of zelfs 23...10-14) 24.24x13 8x19 als na 22.50-44 13-19 23.24x13 8x19 uitstekend spel voor zwart, om van 22.36-31? 21-27! 23.32x21 17x26 maar te zwijgen.
Maar ik moet hier ogenblikkelijk aan toevoegen dat dit voorbeeldje weinig relevant is. Ik vermoed namelijk dat Thijssen 20...16-21 niet met 21.38-32(?) maar met 21.37-31(!) of met 21.37-32(!) had beantwoord. (Waarbij volledigheidshalve zij opgemerkt dat wit in het laatste geval niet bovenmatig bevreesd hoeft te zijn voor de kaalslag-variant 21...21-27 22.32x21 22-27 23.21x32 13-19 24.24x22 12-17 25.29x18 17x46 26.18-13! 8x19 27.47-41 46x40 28.45x34, omdat hij daar onmiskenbaar voordeel aan overhoudt.) Met 37 op 31 zou zwart de positionele dreiging 22.31-27! 21x32 23.38x27 22x31 24.36x27 12-17 25.27-22 enz. wellicht nog kunnen tegengaan met 21...3/4-9 of het scherpe - en bepaald niet van risico’s ontblote! - 21...12-17. (Niet echter 21...21-27?? wegens 22.33-28! +.) Maar (20...16-21) 21.37-32 laat hem haast geen andere constructieve optie dan 21...21-27 22.32x21 11-16, wat via 23.41-37 16x27 24.37-32 6-11 25.32x21 11-16 26.47-41!? 16x27 27.41-37 12-17 (met 48 op 47 had zwart kunnen volstaan met simpel 27...13-19 28.24x13 8x19, daar 29.37-32?? in dat geval faalt op het damzetje 29...10-14!, 30...25-30! en 32...12-17 +) 28.37-31! (zie analyse-diagram) tot grote spanningen had kunnen leiden.

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 2 t/m 4, 8, 10, 13, 15, 17, 18, 22, 23, 25 en 27;
dertien witte schijven op 24, 29, 31, 33, 34, 36, 38, 39, 43, 45 en 48 t/m 50.]
Nu bezweert de computer mij dat na 28...23-28 29.48-42 13-19 [de enige parade tegen de dreiging (29...8-12?) 30.42-37! en 31.38-32 +] 30.24x13 8x19 31.42-37 19-24 32.29x20 15x24 33.45-40 (dreigt 34.38-32 +) 33...18-23 34.40-35 (met de nieuwe dreiging 35.35-30! en 36.33-29 +) het offer 34...25-30!!? 35.34x25 10-14 goed speelbaar is. Maar zelfs als de zwartspeler deze lange spelgang al aan zijn geestesoog voorbij heeft zien trekken, dan nog kan men zich levendig voorstellen dat hij het er liever niet op aan liet komen...
[Met bovenstaande wetenschap gewapend zou men zich kunnen afvragen of, in plaats van het schijnbaar zo logische 18...9-13, direct 18...17-22 of 18...16-21 wellicht nauwkeuriger was geweest: bij hetzelfde witte spel als in de partij (19.39-33 en 20.44-39) was zwart dan mogelijk wèl tot de gewenste opstelling uit het allereerste variantje gekomen. Maar daarmee zouden we wel erg ver van het werkelijke verloop afdwalen.]
21.24x13 8x19 22.38-32(!)
Nu wèl.
22...3-8 23.48-42
Wit heeft de formatie 41/37/32 in stelling gebracht, maar dat niet alleen: met een schuin oog kijkt hij nu óók naar veld 27, op de bezetting waarvan zwart vanaf dit moment voortdurend bedacht moet zijn.
23...15-20 24.50-44 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 2, 4, 6, 8, 10 t/m 12, 16, 18 t/m 20, 22, 23 en 25;
veertien witte schijven op 29, 32 t/m 34, 36, 37, 39, 41 t/m 45, 47 en 49.]
24...20-24
Flankstanden als deze mogen op het eerste gezicht misschien een overzichtelijke indruk maken - in werkelijkheid laten zij zich helemaal niet zo gemakkelijk doorgronden. Ik heb op dit punt enig recht van spreken, daar ik er tijdens mijn carrière een behoorlijk aantal keren mee te maken hebben gehad. Zoals (een kleine greep slechts) in mijn partijen tegen Fokke de Jong (Den Haag 1970), Van Heerde (Diemen 1971), Lesjtsjinski (Moskou 1979) en Stokkel (WK 1990), of in de competitieduels met Varkevisser (1969), Scholma (1979), Visser (1982) en Bastiaannet (1988). Al is het waar dat in geen van de genoemde voorbeelden het verschil-in-ontwikkeling zo groot was (8 tempi!) als in Thijssen-Hage 2006.
Heel in het algemeen kan men - denk ik - wel stellen dat de speler die het centrum beheerst (en die doorgaans ook op tempovoordeel zal kunnen bogen), de beste kansen heeft. Dat geldt zeker voor díe gevallen waarin zijn tegenstander hardnekkig probeert hem de controle over de velden 28 en 23 te betwisten, om uiteindelijk tot de ontdekking te komen dat het allemaal tevergeefs is geweest en dat het openen der stellingen alleen maar als een boemerang heeft gewerkt. Het wordt echter een heel ander verhaal wanneer de ‘tegenspeler’ het centrum gesloten houdt en daarbij een strategie toepast die erop gericht is om:
a) de aanvaller in temponood te brengen;
of
b) veld 27 te veroveren (32-27x27) en de vijandelijke positie middels de manoeuvre 27-22! (18x27) en 29x18 uiteen te rijten (zoals in de prachtige partij Dybman-Van den Borst, WK 1986, of in de partij die Schwarzman in het WK-rapid 2005 van Heusdens won). In dit laatste geval zal veel afhangen van de vraag hoe stevig het zwarte centrum is (kan hij bijvoorbeeld de velden 13 en 9 nog dichten?), èn - vooral - van de uitkomst van de kettingstelling die hij met 19-24 op het bord kan brengen. Onnodig te zeggen dat een dergelijke speelwijze grote, schier onberekenbare complicaties tot gevolg kan hebben!
Ziedaar dus waarom ik niet zonder meer zou durven beweren dat Hage de achterwaartse afruil van schijf 29 beter had kunnen uit- of afstellen. Maar door al in zo’n relatief vroeg stadium tot 20-24 en 25x14 over te gaan, maakt de zwartspeler het zijn tegenstander wèl gemakkelijker.
25.29x20 25x14 26.32-27! 22x31 27.36x27
Zo maakt Thijssen van de nood (de randschijf op 36) een deugd. Door veld 27 in bezit te nemen en langzaam maar zeker gesloten klassieke structuren aan te brengen, trekt de witspeler het voordeel (of op z’n minst de gemakkelijker, want veruit meest flexibele stelling) naar zich toe.
27…11-17 28.43-38 10-15 29.34-30 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 2, 4, 6, 8, 12, 14 t/m 19 en 23;
twaalf witte schijven op 27, 30, 33, 37 t/m 39, 41, 42, 44, 45, 47 en 49.]
Mogelijk omdat het na 29.37-32 8-13 tòch nog te vroeg is voor 30.33-28? (30...17-22! 31.28x8 23-29 32.34x12 13-18 33.12x23 19x48! 34.8-3 48x25 +) of omdat hij op 29.37-32 de reactie 29...6-11!? (met de dreiging 30...23-29 +) vervelend vindt, ontruimt Thijssen eerst veld 34. Daarbij koestert de witspeler geen bezwaar tegen 29...17-22 30.41-36 22x31 31.36x27 12-17, daar zwart na 32.37-32(!) tòch niet opnieuw 32...17-22?? mag spelen wegens 33.30-24! 19x30 34.33-28 +. Datzelfde effect kan niet met 32.38-32 17-22 33.30-24(?) worden bereikt, omdat zwart in dat geval via 33...22x31(!!) 34.24x22 2-7! 35.37x26 23-29 36.33x24 14-19 37.24x11 6x48 (38.47-41* 48x25 39.44-39/49-43 25x48 40.41-37 48x31 41.36x47) linea recta naar een puntendeling afwikkelt.
Wel kan wit in deze variant (29...17-22 30.41-36 22x31 31.36x27 12-17 32.38-32 17-22) goed 33.37-31! spelen, bijvoorbeeld 33...15-20 34.33-28! 22x33 35.39x28 (zie analyse-diagram).

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 2, 4, 6, 8, 14, 16, 18 t/m 20 en 23;
tien witte schijven op 27, 28, 30 t/m 32, 42, 44, 45, 47 en 49.]
In de stand van het analyse-diagram heeft zwart met moeilijkheden van zowel strategische als tactische aard te kampen. Zo mag hij - om te beginnen - schijf 20 om voor de hand liggende redenen niet beroeren (bijvoorbeeld 35...20-25?? 36.28-22! 25x34 37.22x24 23-29 38.24x33 34-39 39.32-28 39x50 40.49-44 +). Onmiddellijk sluiten van veld 13 (35...8-13?) komt echter evenmin in aanmerking; immers: na 36.30-25 20-24 37.42-38/31-26 is zwart rechts al zijn formaties kwijt, terwijl het overtollige stuk op 4 tot een troosteloos verblijf op de velden 9 of 15 veroordeeld lijkt. Maar dit betekent nog geenszins dat hij ‘dus’ maar met 35...4-9? moet opbouwen, want in dat geval combineert wit met 36.30-24!! 20x29 37.27-21! 16x36 38.28-22 18x38 39.42x4 + naar dam!
Daarom is de decorwisseling 35...16-21(!) 36.27x16 20-24 (met als rechtvaardiging 37.30-25?? 18-22!, 38...24-30, 39...23-29 en 40...19x48 +) 37.31-27 24x35 vermoedelijk nog het beste. Maar zelfs dan heeft zwart nog lang geen gelijk spel.
Hage laat het witte stuk op 27 dan ook wijselijk ongemoeid:
29...8-13 30.37-32 2-8 31.33-28
Thijssen probeert zijn tegenstander een gesloten klassiek middenspel op te dringen.
(WORDT VERVOLGD)
Maar “beter” is natuurlijk nog geen synoniem voor “gewonnen”. Bovendien was Hage wel zo verstandig om met 31...14-20 althans de mogelijkheid te creëren de stelling opnieuw open te breken. Vandaar dat Thijssen besloot het wapen van de tactiek in de strijd te werpen. Om de spanningen zo ver mogelijk op te voeren, accepteerde de latere toernooiwinnaar geheel vrijwillig een opsluiting van zijn rechter vleugel, waardoor er allerlei spectaculaire combinaties in de stand kwamen. Dat bleek een gouden greep, want Thijssen slaagde erin zijn tegenstander binnen acht zetten twee forse fouten te ontlokken. En waar Hage’s eerste fout nog wel te herstellen was, bleek de laatste vrijwel op slag beslissend.
Thijssen-Hage
(NK 2006)
1.33-28 18-22 2.38-33 12-18 3.31-26 19-23
Door bij de eerste de beste gelegenheid naar 23 te ruilen, omzeilt zwart de diverse hekstelling-varianten die na 3...7-12 4.37-31!? in het vizier zouden zijn gekomen. Daarvan zijn 4...19-23 5.28x19 14x23 6.32-27 (de Wiersma-variant) en de - relatief lange - spelgang 4...1-7 5.42-38 20-25 6.47-42 14-20 7.41-37 10-14 8.46-41 5-10 9.32-27 19-23 10.28x19 14x23 11.34-30 25x34 12.40x29 23x34 13.39x30 20-25 14.44-39 25x34 15.39x30 veruit het populairst, veel populairder althans dan het principiële doch helaas zelden voorkomende (3...7-12 4.37-31) 4...1-7 5.42-38 19-23 6.28x19 14x23 7.32-28 23x32 8.38x27 10-14.
Het mag overigens verrassend heten dat van de beide combattanten juist Hage de meeste praktijkvoorbeelden (als witspeler, welteverstaan) met de Wiersma-variant op zijn naam heeft staan! De tòch al schaarse keren dat Thijssen de stand na 1.33-28 18-22 2.38-33 12-18 3.31-26 op het bord bracht c.q. kreeg, gooiden zijn tegenstanders roet in het eten door òf (zoals in het onderhavige duel) met 3...19-23 4.28x19 14x23 te vervolgen, òf na 3...7-12 4.37-31 een andere zet dan 4...19-23 te doen.
4.28x19 14x23 5.32-28
Als we de 2x2-ruil 5.33-28 enz. even niet meerekenen, zijn er slechts twee manieren waarop wit kan verhinderen dat zwart met (5.42-38) 5...7-12 en 6...22-27 enz. een voorpost op 27 inneemt: door veld 32 middels 5/6.32-28 en 6/7.37x28 te ontruimen, of door diezelfde doelstelling middels 5.34-29 23x34 6.40x29 7-12 7.32-28 te verwezenlijken. Van die beide methodes draagt de laatste (5.34-29 enz.) het meest bij aan de harmonie in de witte stand, maar de eerste heeft weer de verdienste dat wit zijn tegenstander berooft van dat aanknopingspunt op veld 29.
Er is overigens een klein doch niet geheel verwaarloosbaar verschil tussen enerzijds 5.42-38 7-12 6.32-28 23x32 7.37x28 en anderzijds direct 5.32-28. In het eerste geval namelijk moet wit na 7...16-21!? 8.41-37 21-27 al meteen een keuze maken tussen 9.37-31 of 9.37-32, aangenomen tenminste dat hij er niet voor voelt de 4x4-ruil 9.48-42 27-32 enz. toe te laten. Na onmiddellijk 5.32-28 23x32 6.37x28 7-12 7.41-37 daarentegen kàn hij 7...16-21 ook met 8.46-41/43-38!? 21-27 9.43-38/46-41!? beantwoorden. De verdienste van die opstelling is dat wit zich links nog niet heeft vastgelegd (voorlopig zal zwart zowel met 37-31 als met 37-32 rekening moeten blijven houden), terwijl - “onder omstandigheden”, zoals dat heet - de zwarte Roozenburg-aanval zelfs met 37-31 en 49-43!!? zou kunnen worden bestreden.
Maar het is allemaal lood om oud ijzer wanneer zwart, zoals Hage zal doen, van de speelwijze met 16-21-27 afziet.
5...23x32 6.37x28 10-14 7.41-37 7-12 8.46-41
Mogelijk hoopte Thijssen in deze fase nog steeds op 16-21-27. Had de witspeler echter zeker geweten dat zwart op een hernieuwde afruil van 28 zou aansturen, dan had hij wellicht voor 8.42-38 5-10/1-7 9.37-32 1-7/5-10 10.36-31 gekozen. Die van Andreiko afkomstige opstelling (zie diens stijlvolle duel met Mansjien uit het internationale toernooi van Jalta 1961) heeft ten opzichte van het partijverloop het voordeel dat wit na 10...18-23 (Mansjien speelde overigens 10...16-21) 11.28x19 14x23 12.31-27 22x31 13.26x37 het randstuk op 36 heeft opgelost, zodat hij zich betrekkelijk ongestoord op een (eventueel) aanvalsspel langs de andere bordrand kan richten. (De partij Sijbrands-Van der Sluis, NK 1973, geeft daar een - al zeg ik het zelf - geslaagd voorbeeld van.) Desgewenst zou wit diezelfde doelstelling ook met (8/9.)43-38 in plaats van (8/9.)42-38 kunnen nastreven, zoals onder meer in Wiersma-Cazemier, Genève 1980, en een tweetal (wit-)partijen van Sjtsjogoljew het geval was.
De keerzijde van Andreiko’s speelwijze is dat zwart natuurlijk allerminst verplicht is 10...18-23 11.28x19 14x23 te doen. In plaats daarvan kan hij namelijk ook met 10...22-27 11.31x22 18x27 12.32x21 16x27 (zie bijvoorbeeld Sjtsjogoljew-Koljesnik, kamp. USSR 1991, of Sjtsjogoljew-Kolesow, Russisch Ploegenkamp. 2005) dan wel eerst 10...20-24 (zoals in de partijen van - alweer - Sjtsjogoljew tegen Vjerchovich en Foerman uit de Sowjet-Russische kampioenstoernooien van respectievelijk 1985 en 1991) een speltype op het bord brengen waarin al iets zichtbaar wordt van de disharmonie in de witte stand waar ik in de vorige aantekening op doelde. Het laat zich dan ook begrijpen dat lang niet iedere (wit)speler gecharmeerd is van de gelijktijdige bezetting van de velden 32 en 31.
8...1-7 9.37-32
Een ander beproefd idee is 9.42-38 5-10 10.48-42, om op 10...18-23 11.28x19 14x23 te vervolgen met hetzij 12.35-30 20-25 13.30-24 (zie zowel Baljakin-Guinard, Cannes 1990, als Wiersma-G. Jansen, 1ste barragepartij NK 1998; waaraan ik nog toevoeg dat deze zelfde variant - maar dan met schijf 47 op veld 48 - óók in de competitiepartij Scholma-Binenbaum 1992 is voorgekomen), hetzij 12.34-29 23x34 13.40x29 (Van den Akker-Brouwers, clubcompetitie 2002/2003).
Overigens wil ik er (al is het wellicht overbodig) tòch even op wijzen dat met de tekstzet een stelling op het bord is verschenen die ook net zo goed uit de 1.32-28 18-22-opening had kunnen voortvloeien; men zie: 2.37-32 12-18 3.41-37 7-12 4.46-41 1-7 5.31-26 19-23 6.28x19 14x23 7.32-28 23x32 8.37x28 10-14 9.38-32 q.e.d.
9...5-10 10.42-38 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6 t/m 18, 20 en 22;
achttien witte schijven op 26, 28, 32 t/m 36, 38 t/m 41, 43 t/m 45 en 47 t/m 50.]
10...18-23
De vraag wat er allemaal had kunnen gebeuren wanneer zwart hetzij hier, hetzij op een van de vorige zetten of na eerst nog 10...20-24 (11.47/48-42) het scherpe 7/11...16-21 zou hebben gespeeld, valt buiten het bestek van deze partijbespreking. Gezegd zij slechts dat de Roozenburg-opstelling vanuit deze specifieke openingsvariant zowel kansen als (niet te onderschatten) risico’s met zich meebrengt.
11.28x19 14x23 12.32-27
In een relatief oude partij tegen Friedman, Junioren-WK 1994, had Thijssen hier 12.41-37 (12...22-27 13.32x21 16x27 14.34-29 23x34 15.39x30) gedaan.
Met het bescheiden terugruiltje waartoe de tekstzet de inleiding vormt (en dat ditmaal dus niet eens gepaard gaat met het oplossen van 36!), erkent de witspeler impliciet hoe moeilijk het is om in deze openingsvariant ‘spel’ te maken wanneer de tegenstander dat niet wil.
12...22x31 13.26x37 13-19 14.35-30!?
Maar door de terugtocht naar 37 onmiddellijk te laten volgen door het opkomen van schijf 35, laat Thijssen er niet de geringste onduidelijkheid over bestaan dat hij wel degelijk strijd wenst. Hage, die zich kennelijk minder aangetrokken voelt tot 14...10-14 15.30-25 12-18/8-13 16.34-29 23x34 17.40x29, neemt de uitdaging aan:
14...20-25 15.30-24!? 19x30 16.40-35 12-18 17.35x24 7-12 18.33-29(!)
Thijssen maakt er terecht een (soort) Roozenburg-opstelling van: in de open stand na 18.33-28(?) 23x32 19.37x28 had het zwart weinig moeite gekost de vijandelijke aanval tot de grond toe af te breken en het initiatief zelfs over te nemen.
18...9-13 19.39-33 17-22 20.44-39 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6, 8, 10 t/m 13, 15, 16, 18, 22, 23 en 25;
vijftien witte schijven op 24, 29, 33, 34, 36 t/m 39, 41, 43, 45 en 47 t/m 50.]
20...13-19
Voor de hand liggend, maar daarmee nog niet noodzakelijkerwijs de beste. Zo zou zwart er baat bij hebben gehad eerst het randstuk op 16 op te lossen, alvorens de vijandelijke voorpost af te ruilen. Bijvoorbeeld 20...16-21 21.38-32 11-17(!) met zowel na 22.32-28 23x32 23.37x28 13-19 (of eerst nog 23...3-9 of zelfs 23...10-14) 24.24x13 8x19 als na 22.50-44 13-19 23.24x13 8x19 uitstekend spel voor zwart, om van 22.36-31? 21-27! 23.32x21 17x26 maar te zwijgen.
Maar ik moet hier ogenblikkelijk aan toevoegen dat dit voorbeeldje weinig relevant is. Ik vermoed namelijk dat Thijssen 20...16-21 niet met 21.38-32(?) maar met 21.37-31(!) of met 21.37-32(!) had beantwoord. (Waarbij volledigheidshalve zij opgemerkt dat wit in het laatste geval niet bovenmatig bevreesd hoeft te zijn voor de kaalslag-variant 21...21-27 22.32x21 22-27 23.21x32 13-19 24.24x22 12-17 25.29x18 17x46 26.18-13! 8x19 27.47-41 46x40 28.45x34, omdat hij daar onmiskenbaar voordeel aan overhoudt.) Met 37 op 31 zou zwart de positionele dreiging 22.31-27! 21x32 23.38x27 22x31 24.36x27 12-17 25.27-22 enz. wellicht nog kunnen tegengaan met 21...3/4-9 of het scherpe - en bepaald niet van risico’s ontblote! - 21...12-17. (Niet echter 21...21-27?? wegens 22.33-28! +.) Maar (20...16-21) 21.37-32 laat hem haast geen andere constructieve optie dan 21...21-27 22.32x21 11-16, wat via 23.41-37 16x27 24.37-32 6-11 25.32x21 11-16 26.47-41!? 16x27 27.41-37 12-17 (met 48 op 47 had zwart kunnen volstaan met simpel 27...13-19 28.24x13 8x19, daar 29.37-32?? in dat geval faalt op het damzetje 29...10-14!, 30...25-30! en 32...12-17 +) 28.37-31! (zie analyse-diagram) tot grote spanningen had kunnen leiden.

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 2 t/m 4, 8, 10, 13, 15, 17, 18, 22, 23, 25 en 27;
dertien witte schijven op 24, 29, 31, 33, 34, 36, 38, 39, 43, 45 en 48 t/m 50.]
Nu bezweert de computer mij dat na 28...23-28 29.48-42 13-19 [de enige parade tegen de dreiging (29...8-12?) 30.42-37! en 31.38-32 +] 30.24x13 8x19 31.42-37 19-24 32.29x20 15x24 33.45-40 (dreigt 34.38-32 +) 33...18-23 34.40-35 (met de nieuwe dreiging 35.35-30! en 36.33-29 +) het offer 34...25-30!!? 35.34x25 10-14 goed speelbaar is. Maar zelfs als de zwartspeler deze lange spelgang al aan zijn geestesoog voorbij heeft zien trekken, dan nog kan men zich levendig voorstellen dat hij het er liever niet op aan liet komen...
[Met bovenstaande wetenschap gewapend zou men zich kunnen afvragen of, in plaats van het schijnbaar zo logische 18...9-13, direct 18...17-22 of 18...16-21 wellicht nauwkeuriger was geweest: bij hetzelfde witte spel als in de partij (19.39-33 en 20.44-39) was zwart dan mogelijk wèl tot de gewenste opstelling uit het allereerste variantje gekomen. Maar daarmee zouden we wel erg ver van het werkelijke verloop afdwalen.]
21.24x13 8x19 22.38-32(!)
Nu wèl.
22...3-8 23.48-42
Wit heeft de formatie 41/37/32 in stelling gebracht, maar dat niet alleen: met een schuin oog kijkt hij nu óók naar veld 27, op de bezetting waarvan zwart vanaf dit moment voortdurend bedacht moet zijn.
23...15-20 24.50-44 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 2, 4, 6, 8, 10 t/m 12, 16, 18 t/m 20, 22, 23 en 25;
veertien witte schijven op 29, 32 t/m 34, 36, 37, 39, 41 t/m 45, 47 en 49.]
24...20-24
Flankstanden als deze mogen op het eerste gezicht misschien een overzichtelijke indruk maken - in werkelijkheid laten zij zich helemaal niet zo gemakkelijk doorgronden. Ik heb op dit punt enig recht van spreken, daar ik er tijdens mijn carrière een behoorlijk aantal keren mee te maken hebben gehad. Zoals (een kleine greep slechts) in mijn partijen tegen Fokke de Jong (Den Haag 1970), Van Heerde (Diemen 1971), Lesjtsjinski (Moskou 1979) en Stokkel (WK 1990), of in de competitieduels met Varkevisser (1969), Scholma (1979), Visser (1982) en Bastiaannet (1988). Al is het waar dat in geen van de genoemde voorbeelden het verschil-in-ontwikkeling zo groot was (8 tempi!) als in Thijssen-Hage 2006.
Heel in het algemeen kan men - denk ik - wel stellen dat de speler die het centrum beheerst (en die doorgaans ook op tempovoordeel zal kunnen bogen), de beste kansen heeft. Dat geldt zeker voor díe gevallen waarin zijn tegenstander hardnekkig probeert hem de controle over de velden 28 en 23 te betwisten, om uiteindelijk tot de ontdekking te komen dat het allemaal tevergeefs is geweest en dat het openen der stellingen alleen maar als een boemerang heeft gewerkt. Het wordt echter een heel ander verhaal wanneer de ‘tegenspeler’ het centrum gesloten houdt en daarbij een strategie toepast die erop gericht is om:
a) de aanvaller in temponood te brengen;
of
b) veld 27 te veroveren (32-27x27) en de vijandelijke positie middels de manoeuvre 27-22! (18x27) en 29x18 uiteen te rijten (zoals in de prachtige partij Dybman-Van den Borst, WK 1986, of in de partij die Schwarzman in het WK-rapid 2005 van Heusdens won). In dit laatste geval zal veel afhangen van de vraag hoe stevig het zwarte centrum is (kan hij bijvoorbeeld de velden 13 en 9 nog dichten?), èn - vooral - van de uitkomst van de kettingstelling die hij met 19-24 op het bord kan brengen. Onnodig te zeggen dat een dergelijke speelwijze grote, schier onberekenbare complicaties tot gevolg kan hebben!
Ziedaar dus waarom ik niet zonder meer zou durven beweren dat Hage de achterwaartse afruil van schijf 29 beter had kunnen uit- of afstellen. Maar door al in zo’n relatief vroeg stadium tot 20-24 en 25x14 over te gaan, maakt de zwartspeler het zijn tegenstander wèl gemakkelijker.
25.29x20 25x14 26.32-27! 22x31 27.36x27
Zo maakt Thijssen van de nood (de randschijf op 36) een deugd. Door veld 27 in bezit te nemen en langzaam maar zeker gesloten klassieke structuren aan te brengen, trekt de witspeler het voordeel (of op z’n minst de gemakkelijker, want veruit meest flexibele stelling) naar zich toe.
27…11-17 28.43-38 10-15 29.34-30 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 2, 4, 6, 8, 12, 14 t/m 19 en 23;
twaalf witte schijven op 27, 30, 33, 37 t/m 39, 41, 42, 44, 45, 47 en 49.]
Mogelijk omdat het na 29.37-32 8-13 tòch nog te vroeg is voor 30.33-28? (30...17-22! 31.28x8 23-29 32.34x12 13-18 33.12x23 19x48! 34.8-3 48x25 +) of omdat hij op 29.37-32 de reactie 29...6-11!? (met de dreiging 30...23-29 +) vervelend vindt, ontruimt Thijssen eerst veld 34. Daarbij koestert de witspeler geen bezwaar tegen 29...17-22 30.41-36 22x31 31.36x27 12-17, daar zwart na 32.37-32(!) tòch niet opnieuw 32...17-22?? mag spelen wegens 33.30-24! 19x30 34.33-28 +. Datzelfde effect kan niet met 32.38-32 17-22 33.30-24(?) worden bereikt, omdat zwart in dat geval via 33...22x31(!!) 34.24x22 2-7! 35.37x26 23-29 36.33x24 14-19 37.24x11 6x48 (38.47-41* 48x25 39.44-39/49-43 25x48 40.41-37 48x31 41.36x47) linea recta naar een puntendeling afwikkelt.
Wel kan wit in deze variant (29...17-22 30.41-36 22x31 31.36x27 12-17 32.38-32 17-22) goed 33.37-31! spelen, bijvoorbeeld 33...15-20 34.33-28! 22x33 35.39x28 (zie analyse-diagram).

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 2, 4, 6, 8, 14, 16, 18 t/m 20 en 23;
tien witte schijven op 27, 28, 30 t/m 32, 42, 44, 45, 47 en 49.]
In de stand van het analyse-diagram heeft zwart met moeilijkheden van zowel strategische als tactische aard te kampen. Zo mag hij - om te beginnen - schijf 20 om voor de hand liggende redenen niet beroeren (bijvoorbeeld 35...20-25?? 36.28-22! 25x34 37.22x24 23-29 38.24x33 34-39 39.32-28 39x50 40.49-44 +). Onmiddellijk sluiten van veld 13 (35...8-13?) komt echter evenmin in aanmerking; immers: na 36.30-25 20-24 37.42-38/31-26 is zwart rechts al zijn formaties kwijt, terwijl het overtollige stuk op 4 tot een troosteloos verblijf op de velden 9 of 15 veroordeeld lijkt. Maar dit betekent nog geenszins dat hij ‘dus’ maar met 35...4-9? moet opbouwen, want in dat geval combineert wit met 36.30-24!! 20x29 37.27-21! 16x36 38.28-22 18x38 39.42x4 + naar dam!
Daarom is de decorwisseling 35...16-21(!) 36.27x16 20-24 (met als rechtvaardiging 37.30-25?? 18-22!, 38...24-30, 39...23-29 en 40...19x48 +) 37.31-27 24x35 vermoedelijk nog het beste. Maar zelfs dan heeft zwart nog lang geen gelijk spel.
Hage laat het witte stuk op 27 dan ook wijselijk ongemoeid:
29...8-13 30.37-32 2-8 31.33-28
Thijssen probeert zijn tegenstander een gesloten klassiek middenspel op te dringen.
(WORDT VERVOLGD)


Inloggen is niet verplicht om je commentaar achter te laten.
Beperkt HTML (<b>vet</b>, <i>cursief</i> en <u>onderstreept</u> toegestaan; webadressen worden automatisch omgezet in werkende links).