Damnieuws
VKBlog Headerimage

Analyse Van den Akker-Van Berkel 2007 (deel I)

zaterdag 31 maart 2007 05:35 door Ton Sijbrands
Het lijkt mij een goede gedachte om tijdens het toernooi om het Nederlands kampioenschap 2007, dat afgelopen woensdag in Soest van start is gegaan en tot volgende week zaterdag duurt, eens in de drie à vier dagen (afhankelijk van tijd en/of inspiratie) een partij integraal onder de loep te nemen. De eerste partij die ik in dit kader bespreek, is die uit de openingsronde tussen Jeroen van den Akker (wit) en Anton van Berkel.
Mijn keuze voor dit duel, waaraan ik eigenlijk al vanaf het allereerste moment ben blijven haken, is niet moeilijk te begrijpen voor wie zich nog herinnert dat ik ooit een artikelenserie in het vaktijdschrift DAMMEN als titel “De onweerstaanbare charme van de onvoltooide hekstelling” meegaf. En inderdaad: de door Van den Akker en Van Berkel gekozen openingsvariant behoort voor mij tot de mooiste en meest inspirerende openingsvarianten die het damspel kent!
Maar het speltype dat, nadat de onvoltooide hekstelling eenmaal is verbroken, langzaam maar zeker gestalte krijgt, te weten dat van de klaverblad-opsluiting, mag zich - zoals de trouwe Volkskrant-lezer in de loop der jaren ervaren heeft - eveneens in mijn warme belangstelling verheugen. Dit ondanks - of wellicht juist dankzij - het feit dat ik er eens hardhandig mee verloor (Sijbrands-Fijn van Draat, Utrechtse Bekercompetitie 1999), èn dat ik er in teampartij tegen Bram Goedhart heel even heel erg verloren mee kwam te staan. (Zie de rubriek van 1 oktober 1994.) Die belangstelling - om geen sterkere termen als fascinatie en dergelijke te bezigen - heeft primair betrekking op de vraag welke nu precies de voorwaarden zijn die maken dat zo’n opsluiting nu eens gunstig voor de opsluiter, dan weer gunstig voor de opgeslotene blijkt. Maar ook de vele, vaak buitengewoon verrassende tactische mogelijkheden die de fase vlak voor de 25ste zet bevat, maken voor mij deel uit van de bijzondere charme die van onderstaand duel uitgaat.
Maar oordeelt u vooral zèlf.

Van den Akker-Van Berkel
(1ste ronde NK 2007)

1.33-29 18-22 2.31-26 20-24 3.29x20 15x24
Deze openingsvariant, die (pas) in 1985 door drievoudig Nederlands kampioen Hans Jansen in de wedstrijdpraktijk geïntroduceerd werd en sindsdien in een kleine 150 partijen is voorgekomen, geniet ook onder top-grootmeesters een zekere populariteit. Een denkbaar bezwaar is dat wit met het saaie 4.32-28 22x33 5.38x20 14x25 zou kunnen reageren, zoals onder meer in de competitiepartij Watoetin-Wiersma van februari 2006 het geval was. Maar bij het scherpste tegenspel (en daar zal Van den Akker gelukkig voor kiezen!) kan er juist een buitengewoon interessante strijd uit voortvloeien.
4.34-30 13-18
Zwart gaat indirect akkoord met de formering van een onvoltooide hekstelling via 5.36-31 (5...18-23) en 6.32-27. Die had hij - desgewenst - uit de weg kunnen gaan door met 4...12-18 5.36-31 7-12 op te bouwen. 6.32-27(?) is dan namelijk hoogst onaantrekkelijk vanwege de opstoot 6...22-28!, zodat de witspelers doorgaans eerst 6.41-36 doen, om pas na 6...18-23 met 7.32-27 12/13-18 (onder meer Stokkel-H. Jansen, Groningen 1986) een orthodoxe of - zo men wil - ‘voltooide’ hekstelling op het bord te brengen. Datzelfde speltype kan wit ook nastreven door 4...12-18 niet met 5.36-31 maar met 5.37-31 18-23(*) en - op enig moment - 32-27 te beantwoorden. Zie bijvoorbeeld Gantwarg-Van der Wal, Nederland-USSR 1986, of de partij Wiersma-T. Delmotte uit het WK 1992, welk duel ook in mijn analyse van Van den Akker-Thijssen 2006 (eerder deze week op ditzelfde weblog) heel even ter sprake kwam.
5.36-31 18-23 6.32-27 12-18 7.37-32
De onvoltooide hekstelling, die zich (zoals wij allen weten of anders wel uit de vorige aantekening hadden begrepen) van de ‘gewone’ hekstelling onderscheidt door de afwezigheid van een witte schijf op veld 36, is een feit.
7...8-13
De gebruikelijke opbouw. Enkel en alleen in de partij Baljakin-Bromberg, kamp. USSR 1988, richtte de zwartspeler (na eerst nog 7...7-12 8.41-37) zijn stand met 8...9-13 en 9...4-9 in. (Baljakin zou dit duel, dat in de Volkskrant van 2 april 1988 besproken werd, op prachtige wijze winnen.)
8.41-37 7-12 (zie diagram)



[Stand in cijfers:
negentien zwarte schijven op 1 t/m 6, 9 t/m 14, 16 t/m 19 en 22 t/m 24;
negentien witte schijven op 26, 27, 30 t/m 32, 35, 37 t/m 40 en 42 t/m 46.]


9.30-25
Dit is, ook al zijn we nog maar acht luttele zetten onderweg, beslist geen moment om achteloos aan voorbij te gaan. Ik zal proberen uit te leggen wat er aan de hand is.
In de onvoltooide hekstelling gaat wit, behalve 36, ook bezetting van veld 33 doorgaans liever uit de weg. Daarom zal hij vanuit de diagramstand bij voorkeur naar de formering van het klaverblad 35/30/25 streven. De tekstzet lijkt daar een logische aanzet toe te vormen. Maar of het ook werkelijk de meest geschikte beginzet is, staat nog te bezien. Want na 9.30-25 1-7 kan zwart op 10.39-34 (of eerst nog 10.46-41 2-8 en dan pas 11.39-34) met de 2x2-ruil 10/11...24-30 11/12.35x24 19x39 12/13.43x34 reageren, terwijl 10.40-34 (of eerst nog 10.46-41 2-8 en dan pas 11.40-34) de decorwisseling 10/11...23-28 mogelijk zou maken.
Om die beide varianten te omzeilen, houdt men de zet 30-25 ook wel achter de hand, om in plaats daarvan met 9.40-34 van start te gaan. De achterliggende gedachte is dat wit dan na 9...1-7 10.45-40(!) via een kleine omweg (en - vooral - onder vermijding van de zojuist genoemde decorwisseling!) alsnog tot een opstelling met 30-25 en 34-30 komt. (Zie onder meer Baljakin-Korenjewski, kamp. USSR 1989.) Maar ook die speelwijze kan zwart - indien gewenst - ‘torpederen’. Hij zou 9.40-34 namelijk ook met 9...14-20 10.30-25 en nu het temporiserende 10...24-29 11.25x14 29x40 12.45x34 9x20 kunnen beantwoorden. Niet dat dat op zich zo rampzalig zou zijn: er is geen reden te bedenken waarom wit in de stand na 12...9x20 niet op z’n minst gelijkwaardig zou staan. Maar de romantische spelbeelden die kunnen optreden wanneer zwart nìet de gelegenheid krijgt zich van het eigen stuk op 24 te ontdoen en derhalve binnen afzienbare tijd de vijandelijke bordhelft zal moeten betreden (22-28 dan wel 23-28x28), zijn toch een beetje van de baan. En inderdaad: in de drie partijen waarin dit specifieke variantje tot dusver is voorgekomen (in chronologische volgorde zijn dat Tsjizjow-Clerc, WK-rapid 1999; M. Nas-Wiersma, clubcompetitie 2000/2001; en B. Zwart-Krajenbrink, Nijmegen 2003), verdween de hekstelling al in een betrekkelijk vroeg stadium (nog vóór de 26ste zet) van het bord, met drie puntendelingen als resultaat...
Daarom bestaat wits meest nauwkeurigste zet naar mijn smaak (en het is goed voor ogen te houden dat het in de openingsfase vaak letterlijk een kwestie van - zeer persoonlijke - smaak betreft) niet uit 9/10.30-25, noch uit 9.40-34 maar uit 9.39-34(!) Alleen daarmee lukt het wit alle zojuist gesignaleerde ‘bezwaren’ te ondervangen. Immers: anders dan na 9.40-34 enz. heeft zwart na 9.39-34 14-20 10.30-25(!) geen mogelijkheden om 24 op te lossen. En in vrijwel alle andere gevallen komt wit via 10.44-39 (en eventueel nog 11.46-41) langzaam maar zeker tot de gewenste opstelling met 11/12.30-25 en 12/13.34-30.
Moeilijk te vinden? Nee hoor, althans nìet voor wie zijn “klassieken” kent. Want 9.39-34(!) werd nota bene al gespeeld in de allereerste partij waarin de stand na 1.33-29 18-22 2.31-26 20-24 3.29x20 15x24 vóórkwam, te weten het competitieduel Wiersma-H. Jansen van november 1985! En ook in menig andere grootmeesterpartij (ik noem slechts Baljakin-Valneris, kamp. USSR 1990, en Scholma-Valneris, Westerhaar-Riga 1990) namen de witspelers een opstelling met 9.39-34 in. Overigens ging het in de ‘stampartij’ na 9.39-34 1-7 10.44-39 verder met 10...10-15 11.30-25 14-20 12.25x14 19x10 13.50-44 en nu het opmerkelijke 13...24-29. De fraaie wijze waarop Wiersma als het ware om de vijandelijke voorpost heen speelde en zijn tegenstander uiteindelijk in beslissende temponood wist te brengen, heb ik destijds in mijn Volkskrant-rubriek (23-11-1985) beschreven.
9...1-7 (zie diagram)



[Stand in cijfers:
negentien zwarte schijven op 2 t/m 7, 9 t/m 14, 16 t/m 19 en 22 t/m 24;
negentien witte schijven op 25 t/m 27, 31 32, 35, 37 t/m 40 en 42 t/m 50.]


10.40-34
Het alternatief luidt - zoals gezegd - 10.39-34, al zou ik mij goed kunnen voorstellen dat een witspeler die op het volle pond uit, de kaalslag-variant 10...24-30 11.35x24 19x39 12.43x34 23-28 13.32x23 18x29 14.34x23 2-8 15.27x18 13x22 liever niet toelaat. Eerst 10.46-41 2-8 en dan pas 11.39-34 brengt daar niet veel verandering in, omdat wit zich na 11...24-30 12.35x24 19x39 13.43x34 23-28 14.32x23 18x29 15.34x23 10-15 16.27x18 13x22 nog steeds niet aan het (ambitieuze) tegenoffer 17.31-27 22x31 mag vergrijpen: anders dan in (iets) ‘dunnere’ standen kan zwart de vijandelijke voorpost middels 18/19...4-10! onder zware druk zetten.
Daarentegen was 10.46-41 2-8 11.40-34 wellicht een fractie subtieler geweest. Immers: na 11...23-28 12.32x23 18x40 13.45x34(!) zou zwart - aangenomen tenminste dat deze niet voor 13...24-30 voelt - het tempo 13...10-15 14.27x18 12x23 moeten maken, welke zet hij in de partij kan uitsparen. Een vierde en laatste alternatief voor de tekstzet had wit in 10.46-41 2-8 11.41-36, om pas op 11...10-15 met 12.40-34 te vervolgen: de 3x3-ruil 12...23-28 zou zwart dan wel erg compromitteren. Maar wit moet in dat geval wèl bereid zijn de stand na 11...23-28 12.32x23 19x28 13.47-41 17-21 14.26x17 12x32 15.38x27 te spelen, èn hij zou over zijn (eventuele) bezwaren tegen de transformatie van een onvoltooide in een orthodoxe hekstelling moeten heenstappen.
Ten slotte wil ik er nog op wijzen dat, hoe zelden de precieze stand na 9...1-7 (of die na 10.46-41 2-8) zich ook moge hebben voorgedaan, de bedoelde stelling met verwisselde kleuren en 10 op 15 juist menigmaal is voorgekomen. Toegegeven: vanuit de bekende openingsvariant 1.32-28 18-23 2.33-29 23x32 3.37x28 20-25 4.41-37 17-21 zullen de witspelers, als zij al niet de opstoot 5.29-24 19x30 6.35x24 plaatsen, doorgaans met (5/8.)37-32 opbouwen; men denke in dit verband bijvoorbeeld aan de legendarische partij Sjtsjogoljew-Bronstring uit het toernooi van Den Haag 1967.
(Voor wie het vergeten mocht zijn: het vervolg luidde 5.37-32 15-20 6.39-33 19-24 7.44-39 21-26 8.50-44 26x37 9.42x31 14-19 10.46-41 16-21 11.41-37 10-14 12.31-26 5-10 13.26x17 12x21 14.28-23!? 19x28 15.32x23 21-27!? enz. enz. Nog altijd prijs ik mij gelukkig de prachtige tijd te hebben meegemaakt waarin er zo weldadig gedamd werd!)
Maar het komt eveneens voor dat de witspelers, na bijvoorbeeld eerst 5.39-33 15-20 6.44-39 19-24 en eventueel nog 7.50-44 14-19 te hebben gedaan, de behoefte voelen schijf 49 te activeren en hun stand met 8.38-32 en 9.43-38 inrichten. En als zwart schijf 21 dan aan de bordrand parkeert (8/9...21-26) en wit op enig moment 31-27 doet, is in feite dezelfde positie als in het diagram ontstaan! Het enige verschil is dat de ‘aanvaller’ een tempo méér heeft, maar so what?
Overigens: ook met betrekking tot de stelling met verwisselde kleuren (en schijf 10 dus al op veld 15) bestaat er weinig eensgezindheid over de vraag wat de beste dan wel aantrekkelijkste zet is. Vrijwel iedereen speelt wel eerst “10.46-41”, maar na “10...2-8” (en vanaf nu stop ik met het gebruik van aanhalingstekentjes; de lezer dient zèlf maar te onthouden dat 10 op 15 staat) doet men zowel 11.39-34 (belangrijkste pleitbezorger: Tjeerd Harmsma) als 11.40-34. Die laatste zet is weliswaar in de minderheid maar heeft wèl aanhangers in (onder anderen) Virni, Goloebjewa en Kirzner...
Maar keren wij na dit openings-theoretisch uitstapje weer terug naar dìe partij waar het allemaal om begonnen was.
10...23-28
In de tot op heden enige(!) partij waarin de stand na 10.40-34 zich heeft voorgedaan, te weten die tussen Bert Zwart (wit) en het Oekraïense talent Joeri Anikejew (Salou 2004), werd hier vervolgd met 10...24-30 11.35x24 19x30. Met de tekstzet daarentegen verbreekt Van Berkel de (onvoltooide) hekstelling, wellicht in de hoop te zijner tijd van de vijandelijke randschijf op 26 te kunnen profiteren. Maar afgezien van het feit dat die hoop ijdel zal blijken (en dat het - integendeel - juist wit is die de onvoldoende ontwikkelde linker vleugel van zijn tegenstander op de korrel gaat nemen!), zou men kunnen opmerken dat de zwartspeler zijn licht enigszins(?) onder de korenmaat laat schijnen. Want was het niet Van Berkel die, bij zijn rentree in het NK van vorig jaar, niemand minder dan Baljakin in - uitgerekend - een hekstellingpartij wist te verrassen en een sensationele nederlaag toe te brengen?
Hoe dan ook - voor de liefhebbers van de hekstelling in het algemeen, en de onvoltooide of (ook wel) “Bronstring-hekstelling” in het bijzonder, is het jammer dat de zwartspeler tot de vereenvoudiging 10...23-28 overgaat. Maar voor de liefhebbers van klaverblad-opsluitingen zal de tekstzet juist een zegen blijken...
11.32x23 18x40 12.45x34 2-8 13.27x18 12x23 14.46-41 13-18 15.38-33(!) 9-13
Via een kleine omwisseling-van-zetten (in plaats van 9.30-25 was er 9.46-41 1-7 10.40-34 23-28 gespeeld) ontstond deze zelfde stelling ook in het competitieduel Mathijsen-Korenjewski van maart 1990. Maar anders dan Van Berkel liet Korenjewski het zich niet bewijzen: voordat het er te laat voor zou zijn, bracht de Russische grootmeester (die begin jaren tachtig zelfs een serieuze WK-kandidaat was maar inmiddels geheel uit de damwereld verdwenen lijkt) zijn linker vleugel met 15...14-20 16.25x14 9x20 tot ontwikkeling. Mathijsen verkreeg/behield echter bevredigend spel, met een volkomen gelijkwaardige remise als resultaat.
16.34-29(!) 23x34 17.39x30
Legt de vijandelijke linker vleugel aan banden.
17...4-9 18.43-38 18-23 19.49-43 7-12 20.41-36 13-18 21.47-41(!) 9-13 22.31-27(!) 10-15 23.37-32 (zie diagram)



[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 3, 5, 6, 8, 11 t/m 19, 23 en 24;
vijftien witte schijven op 25 t/m 27, 30, 32, 33, 35, 36, 38, 41 t/m 44, 48 en 50.]


Van den Akker speelt het mooi: pas nu 10 op 15 staat, laat hij de terugruil 23...24-29, 24...23-28 en 25...18x20 toe. Zwart zou dan namelijk nog lang geen gelijk spel hebben, ook niet na de nieuwe terugtocht 26...19-23, 27...14-19 en 28...19x10.

(WORDT VERVOLGD)

Volgend artikel in dit blog

0reacties Volg reacties met RSS   aanbevelen afbevelen Waarschuw de redactie Je moet inloggen om het bericht in een van je groepen onder te brengen Attendeer je vrienden Delen op nujij.nl Delen op ekudos.nl Delen op del.icio.us

Inloggen is niet verplicht om je commentaar achter te laten.

Beperkt HTML (<b>vet</b>, <i>cursief</i> en <u>onderstreept</u> toegestaan; webadressen worden automatisch omgezet in werkende links).

  •  
Profielfoto Ton  Sijbrands

Ton Sijbrands

Woonplaats: Muiden
  • Niet verplicht
  • Je boodschap moet minstens 5 en hoogstens 1500 tekens bevatten
  •  

Links

Groepen

Favorieten van Ton Sijbrands

Damblog

Ton Sijbrands, voormalig wereldkampioen dammen en dammedewerker van de Volkskrant, houdt u via dit weblog op de hoogte van de laatste nieuwtjes uit het damcircuit.

Laatste reacties

persona

Analyse Van den Akker-Van Berkel 2007 (slot)
Fred Roedolph: Geweldige analyse, ik krijg heimwee naar het blad "Dammen" als …

persona

Analyse Van den Akker-Van Berkel 2007 (slot)
Theo Berends: geweldige weblog. dat is weer genieten. Super Ton

persona

Analyse Van den Akker-Van Berkel 2007 (slot)
Pleuntje: Geweldig zo'n schaakblog. Schaak graag en vooral mat.

persona

Ton Sijbrands beëindigt damcarrière
hblock: Wat baat de kostprijs in de hand van de bond …

Archief / RSS

Bekijk het hele archief van Ton Sijbrands, of klik op een van de jaren hieronder om een deel van het archief te ontsluiten.

2007
2006

Zoek in het archief



Zoeken

Abonnementen

Alle blogs rss google netvibes
Deze gebruiker rss google netvibes

Statistieken

TelMiep
  •