Damnieuws

Van de vier partijen die Kees Thijssen in het NK 2007 won en die
(ruimschoots) voldoende zouden blijken voor een vijfde(!) nationale
titel op rij, vond ik die uit de derde ronde tegen Bennie Provoost
het mooist. En misschien betrof het ook wel Thijssens
belangrijkste partij. In elk geval was het de eerste
overwinning die Thijssen, na een moeizame start (met onder meer een
zeer nipte puntendeling tegen Sven Winkel), in Soest liet
aantekenen. De fraaie zege op Provoost, tot stand gekomen in een
(hekstelling)partij-uit-één-stuk, bleek de opmaat te vormen tot een
tweetal nieuwe overwinningen (ten koste van Schuitema en Sekongo)
en - uiteindelijk - een onbedreigde prolongatie van zijn
titel!
Thijssen-Provoost
(3de ronde NK 2007)
1.34-30 18-22 2.30-25 12-18 3.31-26 19-23 4.33-29 23x34 5.40x29
Thijssen bedient zich van een speelwijze die al langer bekend was maar waaraan sinds een jaar of acht de naam van Alfons Ottink (Ons Genoegen/Utrecht) is verbonden. Door veld 33 te ontruimen probeert wit tot 37-31 of 36-31 te komen en met 32-27 een hekstelling te formeren.
5...7-12
In de loop van 1999 wijdde ik in het tijdschrift DAMMEN een aantal afleveringen van de rubriek Openingstheorie aan de Ottink-variant. In het eerste van die drie artikelen legde ik uit dat wit na 5...7-12 uit twee wezenlijk verschillende systemen moet kiezen. Enerzijds kan hij met 6.37-31 zijn belangrijkste troef al meteen op tafel leggen. Anderzijds kan hij, door een afwachtende opstelling met 6.44/45-40, 7.50-44/45 en eventueel nog 8.39-34 in te nemen, de betreding van veld 31 net zo lang uitstellen tot daar het in zijn ogen meest geschikte moment voor is aangebroken.
Ottink zelf pleegt zonder uitzondering 6.37-31 spelen; daarbij ervaart hij de scherpe reactie 6...22-27 7.32x21 16x27 8.31x22 17x28!? (zie bijvoorbeeld Ottink-Watoetin, Clubcompetitie 1995/1995, maar - te zijner tijd! - óók de spannende partij Sijbrands-Wielaard, onderlinge competitie ADG 2004/2005) klaarblijkelijk niet als een onoverkomelijk bezwaar. Thijssen daarentegen geeft de voorkeur aan de tweede methode:
6.44-40 13-19 7.39-34
Met een minuscule wijziging (50 op 45 en 9 op 13) speelde Alexander Dybman voor het eerst zo in zijn partij tegen Sjtsjogoljew, Minsk 1983. De gedachte is dat wit er verstandig aan doet om, alvorens veld 31 te betreden, eerst de opstoot 22-28x28 te elimineren.
7...1-7 8.37-31 19-23 9.34-30 23x34 10.30x39 18-23
Zeker nu de vijandelijke hekstelling een zo goed als voldongen feit is, dient zwart alles in het werk te stellen om zijn linker vleugel zodanig te ontwikkelen dat hij het centrumveld 23 blijft controleren. In dat licht bezien zou een plan als 10...8-13(?) 11.32-27! 20-24? uiterst discutabel zijn, omdat na 12.38-33! 14-20 13.25x14 10x19 14.40-34! de weg naar 23 voor langere tijd - om niet te zeggen permanent - is afgesneden.
11.32-27(!) 12-18 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 2 t/m 11, 14 t/m 18, 20, 22 en 23;
achttien witte schijven op 25 t/m 27, 31, 35, 36, 38 t/m 43 en 45 t/m 50.]
De diagramstand is, al dan niet met verwisselde kleuren of met andere kleine verschilletjes (zoals met 50 op 40 en 4 al op 13), in een zestal partijen voorgekomen. Maar alleen in Watoetin-Kats, Oost-Europees Zone-toernooi 1992, deed zich exact dezelfde positie voor. Teneinde het voortbestaan van de hekstelling te garanderen, vervolgde Watoetin met 12.41-37 14-19 13.25x14 9x20 14.37-32 (14...7-12), maar hij zou nog in het middenspel ten onder gaan... (Zie DAMMEN 136, pag. 74.)
Hoewel er natuurlijk geen rechtstreeks verband tussen 12.41-37 en Watoetins nederlaag hoeft te zijn, geloof ik toch dat Thijssens volgende zet de voorkeur verdient:
12.38-33(!)
Nu is 12...14-19 13.25x14 9x20 op z’n minst onaantrekkelijk vanwege de 4x4-ruil 14.27-21! en 15.33-28. Ook zou ik mij kunnen voorstellen dat een zwartspeler op 12...8-13 de manoeuvre 13.33-29 23x34 14.40x29 vervelend vindt: tegen de (dam)dreiging 15.29-24! enz. vormt 14...20-24? 15.29x20 15x24 geen bevredigende parade wegens 16.39-34! (bezetting van veld 19 wordt dan immers altijd met 34-30! beantwoord), zodat hij geen betere optie dan het schijnoffer 14...18-23 15.29x18 13-19 zou hebben.
Vandaar dat Provoost voor een andere methode kiest om zijn linker vleugel te ontwikkelen:
12...20-24 13.40-34(!)
Weer zo’n stekelig zetje waarmee Thijssen de rust in het vijandelijke kamp verstoort. Op alle andere zetten had zwart 13...14-20 14.25x14 10x19 en desgewenst 15...17-21 16.26x28 23x21 kunnen doen. Maar na de alerte tekstzet zou datzelfde 14-20x19? een ernstige positionele misgreep zijn wegens 15.34-29! 23x34 16.39x30. Zie in dit verband andermaal de aantekening bij de 10de zet.
13...24-29 14.33x24 14-20 15.25x14 9x40 16.45x34 10-14 17.42-38 14-19 18.34-29 23x34 19.39x30
Voorlopig bedient Thijssen zich (nog) van de oudste en bekendste methode om de verbreking van de hekstelling middels 18...17-21 onmogelijk te maken: door de zwarte centrumschijf 23 af te ruilen.
19...19-23 20.38-33 8-13 21.47-42 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 2 t/m 7, 11, 13, 15 t/m 18, 22 en 23;
veertien witte schijven op 26, 27, 30, 31, 33, 35, 36, 41 t/m 43, 46 en 48 t/m 50.]
21...5-10
Een belangrijk, of op z’n minst opmerkelijk moment. Zwart kòn namelijk met 21...13-19 en 22...17-21 de spanningen opheffen (ook al had wit dan iets beter gestaan). Maar Provoost ziet kennelijk geen reden - en waarom zou hij ook? - om de hekstelling nu al te verbreken. Die beslissing is weinig minder dan een zegen voor de partij. Maar tegelijkertijd is het goed te bedenken dat zwart géén herkansing meer zal krijgen en dat het straks een kwestie van buigen of barsten wordt...
22.30-25(!) 10-14 23.35-30(!) 14-19 24.33-29(!) 23x34 25.30x39 19-23 26.41-37(!!)
Nu zich er, dankzij de ruilen op de 13de en de 24ste zet, géén overtollige stukken meer op de diagonaal 47/15 bevinden, acht Thijssen de tijd rijp voor de ambitieuze strategie die ooit door oud-kampioen Wim de Jong is geïntroduceerd: het hermetisch afgrendelen van de (hek)stelling door met 41-37-32 en aansluitend 46-41-37 op te bouwen.
26...13-19 27.37-32(!!)
Zo haalt wit het vereenvoudigende (27...)17-21 voorgoed uit de stand. Daar 27...22-28?? voorlopig tòch taboe is (wit zou liefst twee schijven winnen), krijgt hij ruimschoots voldoende gelegenheid om het stuk op 46 in het spel te betrekken.
27...7-12 28.42-38(!) (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6, 11, 12, 15 t/m 19, 22 en 23;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 36, 38, 39, 43, 46 en 48 t/m 50.]
En ditmaal zou 28...22-28?? op 29.27-22 + falen. Maar daarmee is het halve uitroepteken achter de tekstzet natuurlijk nog lang niet verklaard. Nee - 28.42-38 verdient naar mijn mening hìerom een uitroeptekentje omdat wit met de tekstzet toewerkt naar een situatie waarin al zijn stukken maximaal tot hun recht komen. Dat had hij bij een - op zich bekende en vaak voorkomende - opstelling met 28.43-38(?) nog maar moeten afwachten. In dat geval was het namelijk denkbaar geweest dat schijf 42 ooit ‘buitenspel’ was komen te staan, een kans die des te groter was geweest wanneer men bedenkt dat de stellingsstructuur op één onderdeel wezenlijk afwijkt van de geijkte patronen. Immers: in een hekstellingpartij bezet de ‘opgeslotene’ doorgaans (en niet zonder reden, voeg ik er onmiddellijk aan toe) veld 7. Provoost daarentegen heeft zich, door de zet 2-7 zo lang mogelijk uit te stellen, de mogelijkheid voorbehouden schijf 2 desgewenst in de andere richting te dirigeren (2-8-13). Zuiver getalsmatig bezien betekent dit dus dat er in het gevorderde middenspel situaties zouden kunnen ontstaan waarin zwart aan dìe vleugel waar de strijd in feite wordt uitgevochten, over meer mankracht beschikt dan in een ‘gewone’ hekstellingpartij.
Het is dàt besef dat - naar ik althans vermoed - ten grondslag lag aan de beslissing van de zwartspeler om de hekstelling intact te laten (21...5-10). Voorts vermoed ik dat Thijssens weigering om de hekstelling al in een eerder stadium een permanent karakter te geven (behalve op de 12de zet had hij bijvoorbeeld ook op de 17de of de 20ste zet voor 41-37-32 enz. kunnen kiezen), uit dezelfde overweging voortsproot. En ik weet haast wel zeker dat de witspeler zich bij zijn keuze voor 28.42-38 eveneens heeft laten leiden door de gedachte dat hij, voor het geval zwart ooit 2-8-13 mocht spelen, zelf óók een zo groot mogelijke troepenmacht aan de rechter flank moest kunnen samentrekken.
28...3-9
Uiteraard niet 28...2-8?? of 28...4-9?? wegens 29.26-21! en 30.38-33 +.
29.46-41 9-13 30.41-37 4-9 31.49-44 9-14 32.44-40 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 2, 6, 11 t/m 19, 22 en 23;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 36 t/m 40, 43, 48 en 50.]
32...14-20?
Deze terugruil, ingegeven wellicht door de wens de weg vrij te maken voor de stukken op 13 en 2, betekent - zeker bij het vervolg dat Provoost er straks aan zal geven - niets minder dan het begin van het einde. Daarom geloof ik dat de zwartspeler er verstandig aan had gedaan de strijd zo scherp mogelijk voort te zetten en 32...15-20(!) te doen. Er had dan onder meer kunnen volgen 33.40-35 20-24 en nu:
1) 34.39-34.
Hierop zou de 2x2-ruil 34...24-30? 35.35x24 19x39 36.43x34 zwart geen verlichting brengen, zelfs niet wanneer hij, om zich te bevrijden, van een vervolg met 2-8 afziet en een opstelling met 2-7 inneemt. Een lange, maar daarom niet minder plausibele variant ter illustratie:
36...13-19 37.34-30! 2-7 38.50-44! 14-20 39.25x14 19x10 40.44-39! 10-14 41.30-25! (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 7, 11, 12, 14, 16 t/m 18, 22 en 23;
tien witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 36 t/m 39 en 48.]
41...23-28 (geen keus: 41...14-19? 42.25-20! 19-24 43.20x29 23x43 44.48x39/38x49 +) 42.32x23 18x29 43.27x18 12x23 44.37-32! 17-21 (nog slechter is 44...16-21? 45.48-43! 11-16?? 46.38-33 +) 45.26x17 11x22 46.39-33!! 29-34 (na 46...22-28 47.33x24! 28x26 48.24-19 wint wit op z’n minst door overmacht) 47.32-28!! 23x43 48.48x30 16-21 49.30-24 21-27 50.24-20 14-19 51.20-15 en nu bijvoorbeeld nog 51...27-32 52.15-10 22-28 53.33x22 32-38 54.10-5 19-24 55.5-23! 7-11 (merk op dat 55...38-43 56.23x1 43-48 na de dammenruil 57.1-34!! 48x26 58.36-31! 26x30 59.25x34 6-11 60.22-18 enz. op tempo verliest!) 56.23-37! 38-43 57.37-32!! 43-49 (of 57...43-48 58.27-16! met een gewonnen 4x2-eindspel) 58.27-16!! en zwart kan het opgeven.
Dit lijkt dus sterk voor een opstelling met 33.40-35 (33...20-24) en 34.39-34 te pleiten. Maar als zwart niet 34...24-30 maar 34...2-8! speelt (en daarmee 35.34-30?? verhindert door 35...14-20! +), ziet het er voor wit plotseling een stuk minder florissant uit. Zo is op 35.43-39 de manoeuvre 35...24-30! 36.35x24 19x30 vervelend. En na 35.50-45 14-20! (nu pas) 36.25x14 19x10 37.43-39 10-14 kampt wit met het probleem dat hij, als gevolg van de weggevallen controle over veld 44, niet meer zo gemakkelijk tot 34-30 komt. Daardoor zou het kunnen verder gaan met 38.39-33 (op 38.48-43 doet zwart 38...14-20!) 38...14-20! (maar onder geen beding 38...13-19? vanwege de damzet-annex-rondslag 39.33-29!! enz.) 39.34-30 (ook 39.48-42 13-19! levert bij het sterkste spel van beiden niet meer dan remise op) 39...22-28!! 40.33x22* 17x28 41.30x19 23x14 42.32x23 18x29 en zwart staat niet slechter.
2) 34.39-33 2-8! 35.43-39 [slecht is 35.50-45? wegens 35...23-29!! met belangrijk voordeel voor zwart na 36.43-39 (gedwongen in verband met de dreiging 36...22-28!, 37...17-21 en 39...24-30 +) 36...22-28! 37.32x34 17-21 38.26x17 12x43 39.34-30 43x34 40.30x39; zie analyse-diagram]

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 6, 8, 11 t/m 14, 16 t/m 19 en 22 t/m 24;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 31 t/m 33, 35 t/m 39, 45 en 48.]
35...23-28! (al het andere lijkt te verliezen; overigens heeft de diagramstand zich, maar dan met - belangrijk verschil! - 8 op 7 en 50 al op 40, daadwerkelijk voorgedaan in de partij Stokkel-Bastiaannet, NK 1984; zie ook DAMMEN 135, pp. 58-63) 36.32x23 19x28 37.37-32 28x37 38.31x42 22x31 39.26x37 18-23 en hoewel de belegering van de zwarte veste nog niet helemaal achter de rug is, lijkt het mij toch dat wit (ook) aan deze spelgang onvoldoende voordeel overhoudt.
33.25x14 19x10 34.39-34! 13-19 35.43-39! 10-14 36.34-30! (zie diagram)
Thijssen richt zijn positie zo flexibel mogelijk in.

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 2, 6, 11, 12, 14 t/m 19, 22 en 23;
twaalf witte schijven op 26, 27, 30 t/m 32, 36 t/m 40, 48 en 50.]
Met de diagramstand is - in analytische zin - het laatste werkelijk spannende moment van de partij aangebroken...
36...2-8(?)
Provoost besluit definitief zijn onderste schijf een andere dan de gebruikelijke bestemming te geven. Maar dit gaat dus - zoals eerder betoogd - ten koste van de controle over veld 7. En zowel het partijverloop als de analyse daarvan laten er geen twijfel over bestaan dat zwart - onder de gegeven omstandigheden althans - zònder dit steunpunt domweg niet kan “leven”!
Nu was de zwarte stelling, sinds de terugruil op de 32ste zet, sowieso al kritiek. Desondanks had hij beter op een opstelling met 2-7 kunnen aansturen, in de hoop zich onder althans enigszins acceptabele omstandigheden uit de hekstelling te kunnen bevrijden. Bijvoorbeeld 36...15-20 37.40-35 2-7(!), waarop ik twee verschillende winstpogingen van wit onderzoek:
1) 38.50-45 (bedoeld om op 38...20-24? met 39.39-33! + te kunnen reageren) 38...20-25! 39.48-43 25x34 40.39x30 23-29! (dit is exacter dan meteen 40...23-28) 41.45-40 19-23 42.40-34 29x40 43.35x44 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 7, 11, 12, 14, 16 t/m 18, 22 en 23;
tien witte schijven op 26, 27, 30 t/m 32, 36 t/m 38, 43 en 44.]
43...23-28! (nu pas; merk overigens op dat wit 43...14-20? niet met 44.30-25? beantwoordt maar met het fraaie schijnoffer 44.30-24!! 20x29 45.43-39!! +) 44.32x23 18x29 45.27x18 12x23 46.37-32 14-19! (dreigt 47...19-24 +) 47.30-25 19-24 48.44-40 17-21 49.26x17 11x22 50.31-27 22x31 51.36x27
[opmerkelijke parallel: met verwisselde kleuren en schijf 43 al op veld 39 figureerde dit 6x6-standje óók in mijn (overigens bepaald niet foutloze!) analyse van de partij Mansjien-Andreiko, kamp. USSR 1961 (zie Andris Andreiko - een damtechnische monografie, pag. 20); toen stond zwart machteloos tegen de dreiging 39-33-28 + (bijvoorbeeld 51...6-11 52.39-33 11-17 53.33-28 17-22 54.28x30 22x31 55.32-27! 31x22 56.30-24 29x20 57.25x14 enz.), maar het verschil van één tempo blijkt precies het verschil tussen verlies en remise uit te maken:]
51...7-12! (dit is veiliger dan 51...6-11, waarop wit 52.27-22! 7-12* 53.22-18! 12-17 en nu, ter vermijding van 54.18-13? 24-30! 55.25x34 23-28 =, de tussenzet 54.25-20!! laat volgen) 52.43-39 12-18 53.39-33 18-22! 54.27x18 23x12 55.25-20 24x15 56.33x24 12-18 57.24-19 15-20 en ondanks zijn voorpost op de zevende rij blijkt wit niet meer te kunnen winnen.
2) 38.50-44 en nu:
2.1) 38...20-25? 39.48-43 25x34 40.39x30 23-28 (nu 45 op 44 staat, faalt 40...23-29 op simpel 41.44-39 +) 41.32x23 18x29 (niet beter is 41...19x28 wegens 42.38-32! met dodelijke tempodwang) 42.27x18 12x23 43.44-39! (het eenvoudigst) 43...23-28 44.37-32! 28x37 45.31x42 en 46.39-33 met schijf- en partijwinst.
2.2) 38...20-24(!) 39.44-40 23-28 40.32x23 18x29 41.27x18 12x23 42.37-32 (zie analyse-diagram) en nu een laatste splitsing:

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 7, 11, 14, 16, 17, 19, 23, 24 en 29;
tien witte schijven op 26, 30 t/m 32, 35, 36, 38 t/m 40 en 48.]
2.2.1) 42...17-21? (het in dergelijke standen thematische vervolg; overigens verliest 42...7-12? eveneens door 43.32-27!, terwijl voor 42...14-20? hetzelfde geldt) 43.26x17 11x22 44.32-27!! (de niet zo heel erg thematische weerlegging) 44...14-20 (de enige parade tegen de verschrikkelijke dreiging 46.39-34 +) 45.27x18 23x12 46.30-25! 29-34 47.25x23 34x32 48.40-34 en redding voor zwart is in de verste verte niet te zien.
2.2.2) 42...17-22(!).
Het spreekt boekdelen dat zwarts enige overlevingskans in deze a-positionele voortzetting schuilt. Maar zelfs met de assistentie van de computer is het mij - merkwaardig genoeg - nìet gelukt een waterdichte winst voor wit boven tafel te krijgen.
37.40-35 15-20 38.30-25 20-24
Evenals op de vorige zet ging 38...23-28?? 39.32x23 19x28 niet wegens 40.38-32! 28-33 41.39x28 22x33 42.27-21 met dam.
39.39-34! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 6, 8, 11, 12, 14, 16 t/m 19 en 22 t/m 24;
twaalf witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 34 t/m 38, 48 en 50.]
39...24-29
39...8-13 kwam nauwelijks in aanmerking omdat wit na 40.34-30 24-29(*) desgewenst altijd kan terugruilen met (41.)38-33! en (42.)32x43, waarna materiaalverlies voor zwart op den duur onvermijdelijk is. En op 39...14-20 40.25x14 19x10 had kunnen volgen 41.48-43! (ter voorbereiding van 42.34-30) en nu:
1) 41...8-13/10-14 42.43-39 10-14/8-13 43.34-30 13-19 44.50-45! (dit is veiliger dan 44.39-33 16-21!? enz.) en na het vrijwel gedwongen 44...16-21 45.27x7 12x1 46.45-40(!) 1-7 47.40-34(!) heeft zwart onvoldoende compensatie voor de verloren schijf.
2) 41...24-29 42.43-39 29x40 43.35x44 8-13 44.44-40 13-19 45.39-34 en nu luidt de naar mijn smaak meest karakteristieke variant 45...19-24 [eveneens kansloos is 45...10-14 46.40-35 14-20 47.50-44 19-24 (of 47...20-25 48.35-30! +) 48.34-30! 24-29 49.38-33! 29x38 50.32x43] 46.40-35 24-29 47.50-45 29x40 48.35x44 10-14 49.44-39 14-20 50.45-40 20-24 51.40-35! (zie analyse-diagram) en zwart moet binnen enkele zetten een schijf geven.

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 6, 11, 12, 16 t/m 18 en 22 t/m 24;
negen witte schijven op 26, 27, 31, 32 en 35 t/m 39.]
40.34-30! 14-20 41.25x14 19x10 42.30-25! 29-34
Wanhoop. Maar er viel al niets meer te redden; een enkel voorbeeldje: 42...10-14 43.35-30 8-13 44.38-33 29x38 45.32x43 23-29 46.37-32 13-19 (of 46...29-33 47.43-39 33x44 48.50x39 +) 47.30-24!! +.
43.48-43! (zie diagram)
De meest voor de hand liggende reactie. Maar wit staat inmiddels dermate superieur dat hij zich zelfs het frivole 43.50-45 had kunnen permitteren. Bijvoorbeeld 43...34-39 44.45-40 10-14 45.48-42! (niet 45.35-30? wegens 45...23-28! enz.) 45...8-13 46.35-30! (nu pas) 46...23-29 (wat anders?) 47.30-24! 29x20 48.38-33 39x28 49.32x23 18x29 50.27x9 14x3 51.25x14 +.

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 6, 8, 10 t/m 12, 16 t/m 18, 22, 23 en 34;
elf witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 35 t/m 38, 43 en 50.]
43...8-13
Op 43...23-29 had 44.35-30! de beslissing gebracht. En na 43...10-14 44.50-45! ontbreekt het zwart aan een geschikte tempozet om 45.35-30 door de doorbraak 45...34-40 en 46...23-28 te (blijven) verhinderen.
Misschien was 43...10-14 44.50-45 23-29 45.35-30 22-28 46.30x39! (maar vooral niet 46.32x23? wegens 46...17-22!!, 47...29-33!, 48...12x41, 49...41-47 en 50...47x15 =) 46...28-33 (merk op dat zwart na 46...29-33?? 47.38x29! opnieuw in tempodwang zou verkeren!) 47.39x28 17-21 48.26x17 11x42 49.37x48 29-33 relatief nog het beste. Maar ook dan had zwart nauwelijks serieus tegenspel voor het verloren materiaal gehad.
44.50-45 13-19 45.35-30 19-24 46.30x28 22x42 47.37x48
Zwart geeft het op.
Thijssen-Provoost
(3de ronde NK 2007)
1.34-30 18-22 2.30-25 12-18 3.31-26 19-23 4.33-29 23x34 5.40x29
Thijssen bedient zich van een speelwijze die al langer bekend was maar waaraan sinds een jaar of acht de naam van Alfons Ottink (Ons Genoegen/Utrecht) is verbonden. Door veld 33 te ontruimen probeert wit tot 37-31 of 36-31 te komen en met 32-27 een hekstelling te formeren.
5...7-12
In de loop van 1999 wijdde ik in het tijdschrift DAMMEN een aantal afleveringen van de rubriek Openingstheorie aan de Ottink-variant. In het eerste van die drie artikelen legde ik uit dat wit na 5...7-12 uit twee wezenlijk verschillende systemen moet kiezen. Enerzijds kan hij met 6.37-31 zijn belangrijkste troef al meteen op tafel leggen. Anderzijds kan hij, door een afwachtende opstelling met 6.44/45-40, 7.50-44/45 en eventueel nog 8.39-34 in te nemen, de betreding van veld 31 net zo lang uitstellen tot daar het in zijn ogen meest geschikte moment voor is aangebroken.
Ottink zelf pleegt zonder uitzondering 6.37-31 spelen; daarbij ervaart hij de scherpe reactie 6...22-27 7.32x21 16x27 8.31x22 17x28!? (zie bijvoorbeeld Ottink-Watoetin, Clubcompetitie 1995/1995, maar - te zijner tijd! - óók de spannende partij Sijbrands-Wielaard, onderlinge competitie ADG 2004/2005) klaarblijkelijk niet als een onoverkomelijk bezwaar. Thijssen daarentegen geeft de voorkeur aan de tweede methode:
6.44-40 13-19 7.39-34
Met een minuscule wijziging (50 op 45 en 9 op 13) speelde Alexander Dybman voor het eerst zo in zijn partij tegen Sjtsjogoljew, Minsk 1983. De gedachte is dat wit er verstandig aan doet om, alvorens veld 31 te betreden, eerst de opstoot 22-28x28 te elimineren.
7...1-7 8.37-31 19-23 9.34-30 23x34 10.30x39 18-23
Zeker nu de vijandelijke hekstelling een zo goed als voldongen feit is, dient zwart alles in het werk te stellen om zijn linker vleugel zodanig te ontwikkelen dat hij het centrumveld 23 blijft controleren. In dat licht bezien zou een plan als 10...8-13(?) 11.32-27! 20-24? uiterst discutabel zijn, omdat na 12.38-33! 14-20 13.25x14 10x19 14.40-34! de weg naar 23 voor langere tijd - om niet te zeggen permanent - is afgesneden.
11.32-27(!) 12-18 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 2 t/m 11, 14 t/m 18, 20, 22 en 23;
achttien witte schijven op 25 t/m 27, 31, 35, 36, 38 t/m 43 en 45 t/m 50.]
De diagramstand is, al dan niet met verwisselde kleuren of met andere kleine verschilletjes (zoals met 50 op 40 en 4 al op 13), in een zestal partijen voorgekomen. Maar alleen in Watoetin-Kats, Oost-Europees Zone-toernooi 1992, deed zich exact dezelfde positie voor. Teneinde het voortbestaan van de hekstelling te garanderen, vervolgde Watoetin met 12.41-37 14-19 13.25x14 9x20 14.37-32 (14...7-12), maar hij zou nog in het middenspel ten onder gaan... (Zie DAMMEN 136, pag. 74.)
Hoewel er natuurlijk geen rechtstreeks verband tussen 12.41-37 en Watoetins nederlaag hoeft te zijn, geloof ik toch dat Thijssens volgende zet de voorkeur verdient:
12.38-33(!)
Nu is 12...14-19 13.25x14 9x20 op z’n minst onaantrekkelijk vanwege de 4x4-ruil 14.27-21! en 15.33-28. Ook zou ik mij kunnen voorstellen dat een zwartspeler op 12...8-13 de manoeuvre 13.33-29 23x34 14.40x29 vervelend vindt: tegen de (dam)dreiging 15.29-24! enz. vormt 14...20-24? 15.29x20 15x24 geen bevredigende parade wegens 16.39-34! (bezetting van veld 19 wordt dan immers altijd met 34-30! beantwoord), zodat hij geen betere optie dan het schijnoffer 14...18-23 15.29x18 13-19 zou hebben.
Vandaar dat Provoost voor een andere methode kiest om zijn linker vleugel te ontwikkelen:
12...20-24 13.40-34(!)
Weer zo’n stekelig zetje waarmee Thijssen de rust in het vijandelijke kamp verstoort. Op alle andere zetten had zwart 13...14-20 14.25x14 10x19 en desgewenst 15...17-21 16.26x28 23x21 kunnen doen. Maar na de alerte tekstzet zou datzelfde 14-20x19? een ernstige positionele misgreep zijn wegens 15.34-29! 23x34 16.39x30. Zie in dit verband andermaal de aantekening bij de 10de zet.
13...24-29 14.33x24 14-20 15.25x14 9x40 16.45x34 10-14 17.42-38 14-19 18.34-29 23x34 19.39x30
Voorlopig bedient Thijssen zich (nog) van de oudste en bekendste methode om de verbreking van de hekstelling middels 18...17-21 onmogelijk te maken: door de zwarte centrumschijf 23 af te ruilen.
19...19-23 20.38-33 8-13 21.47-42 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 2 t/m 7, 11, 13, 15 t/m 18, 22 en 23;
veertien witte schijven op 26, 27, 30, 31, 33, 35, 36, 41 t/m 43, 46 en 48 t/m 50.]
21...5-10
Een belangrijk, of op z’n minst opmerkelijk moment. Zwart kòn namelijk met 21...13-19 en 22...17-21 de spanningen opheffen (ook al had wit dan iets beter gestaan). Maar Provoost ziet kennelijk geen reden - en waarom zou hij ook? - om de hekstelling nu al te verbreken. Die beslissing is weinig minder dan een zegen voor de partij. Maar tegelijkertijd is het goed te bedenken dat zwart géén herkansing meer zal krijgen en dat het straks een kwestie van buigen of barsten wordt...
22.30-25(!) 10-14 23.35-30(!) 14-19 24.33-29(!) 23x34 25.30x39 19-23 26.41-37(!!)
Nu zich er, dankzij de ruilen op de 13de en de 24ste zet, géén overtollige stukken meer op de diagonaal 47/15 bevinden, acht Thijssen de tijd rijp voor de ambitieuze strategie die ooit door oud-kampioen Wim de Jong is geïntroduceerd: het hermetisch afgrendelen van de (hek)stelling door met 41-37-32 en aansluitend 46-41-37 op te bouwen.
26...13-19 27.37-32(!!)
Zo haalt wit het vereenvoudigende (27...)17-21 voorgoed uit de stand. Daar 27...22-28?? voorlopig tòch taboe is (wit zou liefst twee schijven winnen), krijgt hij ruimschoots voldoende gelegenheid om het stuk op 46 in het spel te betrekken.
27...7-12 28.42-38(!) (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6, 11, 12, 15 t/m 19, 22 en 23;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 36, 38, 39, 43, 46 en 48 t/m 50.]
En ditmaal zou 28...22-28?? op 29.27-22 + falen. Maar daarmee is het halve uitroepteken achter de tekstzet natuurlijk nog lang niet verklaard. Nee - 28.42-38 verdient naar mijn mening hìerom een uitroeptekentje omdat wit met de tekstzet toewerkt naar een situatie waarin al zijn stukken maximaal tot hun recht komen. Dat had hij bij een - op zich bekende en vaak voorkomende - opstelling met 28.43-38(?) nog maar moeten afwachten. In dat geval was het namelijk denkbaar geweest dat schijf 42 ooit ‘buitenspel’ was komen te staan, een kans die des te groter was geweest wanneer men bedenkt dat de stellingsstructuur op één onderdeel wezenlijk afwijkt van de geijkte patronen. Immers: in een hekstellingpartij bezet de ‘opgeslotene’ doorgaans (en niet zonder reden, voeg ik er onmiddellijk aan toe) veld 7. Provoost daarentegen heeft zich, door de zet 2-7 zo lang mogelijk uit te stellen, de mogelijkheid voorbehouden schijf 2 desgewenst in de andere richting te dirigeren (2-8-13). Zuiver getalsmatig bezien betekent dit dus dat er in het gevorderde middenspel situaties zouden kunnen ontstaan waarin zwart aan dìe vleugel waar de strijd in feite wordt uitgevochten, over meer mankracht beschikt dan in een ‘gewone’ hekstellingpartij.
Het is dàt besef dat - naar ik althans vermoed - ten grondslag lag aan de beslissing van de zwartspeler om de hekstelling intact te laten (21...5-10). Voorts vermoed ik dat Thijssens weigering om de hekstelling al in een eerder stadium een permanent karakter te geven (behalve op de 12de zet had hij bijvoorbeeld ook op de 17de of de 20ste zet voor 41-37-32 enz. kunnen kiezen), uit dezelfde overweging voortsproot. En ik weet haast wel zeker dat de witspeler zich bij zijn keuze voor 28.42-38 eveneens heeft laten leiden door de gedachte dat hij, voor het geval zwart ooit 2-8-13 mocht spelen, zelf óók een zo groot mogelijke troepenmacht aan de rechter flank moest kunnen samentrekken.
28...3-9
Uiteraard niet 28...2-8?? of 28...4-9?? wegens 29.26-21! en 30.38-33 +.
29.46-41 9-13 30.41-37 4-9 31.49-44 9-14 32.44-40 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 2, 6, 11 t/m 19, 22 en 23;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 36 t/m 40, 43, 48 en 50.]
32...14-20?
Deze terugruil, ingegeven wellicht door de wens de weg vrij te maken voor de stukken op 13 en 2, betekent - zeker bij het vervolg dat Provoost er straks aan zal geven - niets minder dan het begin van het einde. Daarom geloof ik dat de zwartspeler er verstandig aan had gedaan de strijd zo scherp mogelijk voort te zetten en 32...15-20(!) te doen. Er had dan onder meer kunnen volgen 33.40-35 20-24 en nu:
1) 34.39-34.
Hierop zou de 2x2-ruil 34...24-30? 35.35x24 19x39 36.43x34 zwart geen verlichting brengen, zelfs niet wanneer hij, om zich te bevrijden, van een vervolg met 2-8 afziet en een opstelling met 2-7 inneemt. Een lange, maar daarom niet minder plausibele variant ter illustratie:
36...13-19 37.34-30! 2-7 38.50-44! 14-20 39.25x14 19x10 40.44-39! 10-14 41.30-25! (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 7, 11, 12, 14, 16 t/m 18, 22 en 23;
tien witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 36 t/m 39 en 48.]
41...23-28 (geen keus: 41...14-19? 42.25-20! 19-24 43.20x29 23x43 44.48x39/38x49 +) 42.32x23 18x29 43.27x18 12x23 44.37-32! 17-21 (nog slechter is 44...16-21? 45.48-43! 11-16?? 46.38-33 +) 45.26x17 11x22 46.39-33!! 29-34 (na 46...22-28 47.33x24! 28x26 48.24-19 wint wit op z’n minst door overmacht) 47.32-28!! 23x43 48.48x30 16-21 49.30-24 21-27 50.24-20 14-19 51.20-15 en nu bijvoorbeeld nog 51...27-32 52.15-10 22-28 53.33x22 32-38 54.10-5 19-24 55.5-23! 7-11 (merk op dat 55...38-43 56.23x1 43-48 na de dammenruil 57.1-34!! 48x26 58.36-31! 26x30 59.25x34 6-11 60.22-18 enz. op tempo verliest!) 56.23-37! 38-43 57.37-32!! 43-49 (of 57...43-48 58.27-16! met een gewonnen 4x2-eindspel) 58.27-16!! en zwart kan het opgeven.
Dit lijkt dus sterk voor een opstelling met 33.40-35 (33...20-24) en 34.39-34 te pleiten. Maar als zwart niet 34...24-30 maar 34...2-8! speelt (en daarmee 35.34-30?? verhindert door 35...14-20! +), ziet het er voor wit plotseling een stuk minder florissant uit. Zo is op 35.43-39 de manoeuvre 35...24-30! 36.35x24 19x30 vervelend. En na 35.50-45 14-20! (nu pas) 36.25x14 19x10 37.43-39 10-14 kampt wit met het probleem dat hij, als gevolg van de weggevallen controle over veld 44, niet meer zo gemakkelijk tot 34-30 komt. Daardoor zou het kunnen verder gaan met 38.39-33 (op 38.48-43 doet zwart 38...14-20!) 38...14-20! (maar onder geen beding 38...13-19? vanwege de damzet-annex-rondslag 39.33-29!! enz.) 39.34-30 (ook 39.48-42 13-19! levert bij het sterkste spel van beiden niet meer dan remise op) 39...22-28!! 40.33x22* 17x28 41.30x19 23x14 42.32x23 18x29 en zwart staat niet slechter.
2) 34.39-33 2-8! 35.43-39 [slecht is 35.50-45? wegens 35...23-29!! met belangrijk voordeel voor zwart na 36.43-39 (gedwongen in verband met de dreiging 36...22-28!, 37...17-21 en 39...24-30 +) 36...22-28! 37.32x34 17-21 38.26x17 12x43 39.34-30 43x34 40.30x39; zie analyse-diagram]

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 6, 8, 11 t/m 14, 16 t/m 19 en 22 t/m 24;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 31 t/m 33, 35 t/m 39, 45 en 48.]
35...23-28! (al het andere lijkt te verliezen; overigens heeft de diagramstand zich, maar dan met - belangrijk verschil! - 8 op 7 en 50 al op 40, daadwerkelijk voorgedaan in de partij Stokkel-Bastiaannet, NK 1984; zie ook DAMMEN 135, pp. 58-63) 36.32x23 19x28 37.37-32 28x37 38.31x42 22x31 39.26x37 18-23 en hoewel de belegering van de zwarte veste nog niet helemaal achter de rug is, lijkt het mij toch dat wit (ook) aan deze spelgang onvoldoende voordeel overhoudt.
33.25x14 19x10 34.39-34! 13-19 35.43-39! 10-14 36.34-30! (zie diagram)
Thijssen richt zijn positie zo flexibel mogelijk in.

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 2, 6, 11, 12, 14 t/m 19, 22 en 23;
twaalf witte schijven op 26, 27, 30 t/m 32, 36 t/m 40, 48 en 50.]
Met de diagramstand is - in analytische zin - het laatste werkelijk spannende moment van de partij aangebroken...
36...2-8(?)
Provoost besluit definitief zijn onderste schijf een andere dan de gebruikelijke bestemming te geven. Maar dit gaat dus - zoals eerder betoogd - ten koste van de controle over veld 7. En zowel het partijverloop als de analyse daarvan laten er geen twijfel over bestaan dat zwart - onder de gegeven omstandigheden althans - zònder dit steunpunt domweg niet kan “leven”!
Nu was de zwarte stelling, sinds de terugruil op de 32ste zet, sowieso al kritiek. Desondanks had hij beter op een opstelling met 2-7 kunnen aansturen, in de hoop zich onder althans enigszins acceptabele omstandigheden uit de hekstelling te kunnen bevrijden. Bijvoorbeeld 36...15-20 37.40-35 2-7(!), waarop ik twee verschillende winstpogingen van wit onderzoek:
1) 38.50-45 (bedoeld om op 38...20-24? met 39.39-33! + te kunnen reageren) 38...20-25! 39.48-43 25x34 40.39x30 23-29! (dit is exacter dan meteen 40...23-28) 41.45-40 19-23 42.40-34 29x40 43.35x44 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 7, 11, 12, 14, 16 t/m 18, 22 en 23;
tien witte schijven op 26, 27, 30 t/m 32, 36 t/m 38, 43 en 44.]
43...23-28! (nu pas; merk overigens op dat wit 43...14-20? niet met 44.30-25? beantwoordt maar met het fraaie schijnoffer 44.30-24!! 20x29 45.43-39!! +) 44.32x23 18x29 45.27x18 12x23 46.37-32 14-19! (dreigt 47...19-24 +) 47.30-25 19-24 48.44-40 17-21 49.26x17 11x22 50.31-27 22x31 51.36x27
[opmerkelijke parallel: met verwisselde kleuren en schijf 43 al op veld 39 figureerde dit 6x6-standje óók in mijn (overigens bepaald niet foutloze!) analyse van de partij Mansjien-Andreiko, kamp. USSR 1961 (zie Andris Andreiko - een damtechnische monografie, pag. 20); toen stond zwart machteloos tegen de dreiging 39-33-28 + (bijvoorbeeld 51...6-11 52.39-33 11-17 53.33-28 17-22 54.28x30 22x31 55.32-27! 31x22 56.30-24 29x20 57.25x14 enz.), maar het verschil van één tempo blijkt precies het verschil tussen verlies en remise uit te maken:]
51...7-12! (dit is veiliger dan 51...6-11, waarop wit 52.27-22! 7-12* 53.22-18! 12-17 en nu, ter vermijding van 54.18-13? 24-30! 55.25x34 23-28 =, de tussenzet 54.25-20!! laat volgen) 52.43-39 12-18 53.39-33 18-22! 54.27x18 23x12 55.25-20 24x15 56.33x24 12-18 57.24-19 15-20 en ondanks zijn voorpost op de zevende rij blijkt wit niet meer te kunnen winnen.
2) 38.50-44 en nu:
2.1) 38...20-25? 39.48-43 25x34 40.39x30 23-28 (nu 45 op 44 staat, faalt 40...23-29 op simpel 41.44-39 +) 41.32x23 18x29 (niet beter is 41...19x28 wegens 42.38-32! met dodelijke tempodwang) 42.27x18 12x23 43.44-39! (het eenvoudigst) 43...23-28 44.37-32! 28x37 45.31x42 en 46.39-33 met schijf- en partijwinst.
2.2) 38...20-24(!) 39.44-40 23-28 40.32x23 18x29 41.27x18 12x23 42.37-32 (zie analyse-diagram) en nu een laatste splitsing:

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 7, 11, 14, 16, 17, 19, 23, 24 en 29;
tien witte schijven op 26, 30 t/m 32, 35, 36, 38 t/m 40 en 48.]
2.2.1) 42...17-21? (het in dergelijke standen thematische vervolg; overigens verliest 42...7-12? eveneens door 43.32-27!, terwijl voor 42...14-20? hetzelfde geldt) 43.26x17 11x22 44.32-27!! (de niet zo heel erg thematische weerlegging) 44...14-20 (de enige parade tegen de verschrikkelijke dreiging 46.39-34 +) 45.27x18 23x12 46.30-25! 29-34 47.25x23 34x32 48.40-34 en redding voor zwart is in de verste verte niet te zien.
2.2.2) 42...17-22(!).
Het spreekt boekdelen dat zwarts enige overlevingskans in deze a-positionele voortzetting schuilt. Maar zelfs met de assistentie van de computer is het mij - merkwaardig genoeg - nìet gelukt een waterdichte winst voor wit boven tafel te krijgen.
37.40-35 15-20 38.30-25 20-24
Evenals op de vorige zet ging 38...23-28?? 39.32x23 19x28 niet wegens 40.38-32! 28-33 41.39x28 22x33 42.27-21 met dam.
39.39-34! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 6, 8, 11, 12, 14, 16 t/m 19 en 22 t/m 24;
twaalf witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 34 t/m 38, 48 en 50.]
39...24-29
39...8-13 kwam nauwelijks in aanmerking omdat wit na 40.34-30 24-29(*) desgewenst altijd kan terugruilen met (41.)38-33! en (42.)32x43, waarna materiaalverlies voor zwart op den duur onvermijdelijk is. En op 39...14-20 40.25x14 19x10 had kunnen volgen 41.48-43! (ter voorbereiding van 42.34-30) en nu:
1) 41...8-13/10-14 42.43-39 10-14/8-13 43.34-30 13-19 44.50-45! (dit is veiliger dan 44.39-33 16-21!? enz.) en na het vrijwel gedwongen 44...16-21 45.27x7 12x1 46.45-40(!) 1-7 47.40-34(!) heeft zwart onvoldoende compensatie voor de verloren schijf.
2) 41...24-29 42.43-39 29x40 43.35x44 8-13 44.44-40 13-19 45.39-34 en nu luidt de naar mijn smaak meest karakteristieke variant 45...19-24 [eveneens kansloos is 45...10-14 46.40-35 14-20 47.50-44 19-24 (of 47...20-25 48.35-30! +) 48.34-30! 24-29 49.38-33! 29x38 50.32x43] 46.40-35 24-29 47.50-45 29x40 48.35x44 10-14 49.44-39 14-20 50.45-40 20-24 51.40-35! (zie analyse-diagram) en zwart moet binnen enkele zetten een schijf geven.

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 6, 11, 12, 16 t/m 18 en 22 t/m 24;
negen witte schijven op 26, 27, 31, 32 en 35 t/m 39.]
40.34-30! 14-20 41.25x14 19x10 42.30-25! 29-34
Wanhoop. Maar er viel al niets meer te redden; een enkel voorbeeldje: 42...10-14 43.35-30 8-13 44.38-33 29x38 45.32x43 23-29 46.37-32 13-19 (of 46...29-33 47.43-39 33x44 48.50x39 +) 47.30-24!! +.
43.48-43! (zie diagram)
De meest voor de hand liggende reactie. Maar wit staat inmiddels dermate superieur dat hij zich zelfs het frivole 43.50-45 had kunnen permitteren. Bijvoorbeeld 43...34-39 44.45-40 10-14 45.48-42! (niet 45.35-30? wegens 45...23-28! enz.) 45...8-13 46.35-30! (nu pas) 46...23-29 (wat anders?) 47.30-24! 29x20 48.38-33 39x28 49.32x23 18x29 50.27x9 14x3 51.25x14 +.

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 6, 8, 10 t/m 12, 16 t/m 18, 22, 23 en 34;
elf witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 35 t/m 38, 43 en 50.]
43...8-13
Op 43...23-29 had 44.35-30! de beslissing gebracht. En na 43...10-14 44.50-45! ontbreekt het zwart aan een geschikte tempozet om 45.35-30 door de doorbraak 45...34-40 en 46...23-28 te (blijven) verhinderen.
Misschien was 43...10-14 44.50-45 23-29 45.35-30 22-28 46.30x39! (maar vooral niet 46.32x23? wegens 46...17-22!!, 47...29-33!, 48...12x41, 49...41-47 en 50...47x15 =) 46...28-33 (merk op dat zwart na 46...29-33?? 47.38x29! opnieuw in tempodwang zou verkeren!) 47.39x28 17-21 48.26x17 11x42 49.37x48 29-33 relatief nog het beste. Maar ook dan had zwart nauwelijks serieus tegenspel voor het verloren materiaal gehad.
44.50-45 13-19 45.35-30 19-24 46.30x28 22x42 47.37x48
Zwart geeft het op.


Inloggen is niet verplicht om je commentaar achter te laten.
Beperkt HTML (<b>vet</b>, <i>cursief</i> en <u>onderstreept</u> toegestaan; webadressen worden automatisch omgezet in werkende links).