Forum

Het competentiegericht onderwijs
is volgens Ad Verbrugge e.a. geen variant van het nieuwe leren,
maar een vorm van onderwijs die veel van docenten
vraagt.
Het competentiegericht onderwijs (CGO) ligt onder vuur (Binnenland, 4 mei). Volgens een onderzoek van adviesbureau Berenschot is het CGO ondoordacht ingevoerd; het toezicht op de kwaliteit ontbreekt en leraren zijn onvoldoende geïnformeerd over hun nieuwe rol.
Dat het CGO ondoordacht is ingevoerd, zal niemand ontkennen. Veel belangrijker is de constatering dat in zijn huidige vorm en onder de huidige omstandigheden het CGO ongeschikt is voor het onderwijs in Nederland.
Competentiegericht onderwijs had een middel moeten zijn om de aansluiting met het bedrijfsleven te verbeteren. Bovendien had het de grote uitval in het beroepsonderwijs moeten verminderen. Het bedrijfsleven had daar wel oren naar, want sinds jaar en dag werd daar geklaagd dat leerlingen en studenten te weinig praktijkgericht werden opgeleid. Het is daarom ook begrijpelijk dat men in eerste instantie blij was met het idee van het competentiegericht onderwijs, zonder overigens precies te weten wat het inhield.
Helaas is het in de praktijk anders verlopen: leraren, ouders en studenten zijn ontevreden. Leerlingen en nieuwe leraren weten minder, er is lesuitval, de vakdocent werd uitgeschakeld, de didactiek op scholen is veranderd en de kwaliteit heeft daar zeer onder geleden. Weinigen willen nog werken in het onderwijs en de scholen dijen almaar uit.
De kern van de zaak is dat nooit eenduidig is vastgesteld wat CGO nu eigenlijk is. Ook in het onderzoek van Berenschot is nergens een definitie te vinden. De scholen zelf definiëren CGO als een onderwijsvorm die zich richt op de gecombineerde ontwikkeling van kennis, vaardigheden en houding. Dat klinkt prachtig en daarom werd het gretig omarmd door het bedrijfsleven. En dat is heel begrijpelijk, want wie kan hier tegen zijn? Maar juist deze vage uitleg is de basis geweest van veel ellende.
De invoering van het CGO is de grootste onderwijsvernieuwing sinds de jaren zeventig, terwijl niet eens duidelijk is wat het nu eigenlijk is. Elke school definieert CGO zoals het hem uitkomt en zo ontstaat er een lappendeken van onderwijsvisies en onderwijsvormen. Kortom, iedereen doet maar wat.
Competenties zijn de gedrags- en houdingselementen die een beroepsbeoefenaar naast zijn kennis en vaardigheden nodig heeft om succesvol te zijn. Het gaat om zaken als klantgerichtheid, organiseren en sensitiviteit. Wanneer je CGO goed uitvoert, moeten studenten eerst kennis opdoen. Daarna moeten ze de technische vaardigheid van het beroep meester worden, zoals een schroevendraaier leren vasthouden, of een CT-scan maken. Pas dan kan er aandacht worden besteed aan de competenties, de beroepshouding en het gedrag en dan liefst in een omgeving waarin dit te toetsen is; hoe gaat bijvoorbeeld een student verpleegkunde in een ziekenhuis met patiënten om?
Op bijna alle scholen is alles anders gegaan. Op de eerste plaats is er enorm in de kennis gesneden, soms tot 80 procent, om plaats te maken voor slecht gedefinieerde competenties die ingebed zijn in allerlei wazige projecten.
Omdat scholen autonoom zijn geworden in de inrichting van het onderwijs en meer bedrijfsmatig zijn gaan denken, hebben zij helaas maar al te vaak gekozen voor het goedkoopste onderwijs. Goedkoop wil zeggen: zo weinig mogelijk gekwalificeerde vakdocenten, veel coaches en instructeurs (met lagere salarissen) en natuurlijk een van bovenaf aan docenten opgelegde didactiek: het Nieuwe Leren (HNL). Dit is een afgestofte onderwijsvorm uit de jaren zeventig waarbij de regie van het onderwijsproces primair bij de student of leerling zelf gelegd wordt. HNL gaat ervan uit dat leerlingen in staat zijn hun onderwijsproces zelf vorm te geven, waardoor zij er als vanzelf zouden achterkomen welke kennis ze nodig hebben, die ze dan in de praktijk veelal van het internet plukken. Leraren in de eigenlijke zin van het woord bestaan dan niet meer. Klaslokalen zijn verbouwd tot ‘leerpleinen’ en ‘studielandschappen’. Leraren zijn activiteitenbegeleiders in een sociale werkplaats geworden, een beschrijving die verre van karikaturaal is. In dit proces is ook niet zozeer een vakdocent noodzakelijk, maar iemand die je helpt je ontwikkelingsproces vorm te geven, zo is de gedachte.
Goeroes van HNL, veel onderwijskundigen en adviseurs van de pedagogische centra, beschouwen het CGO als een door het bedrijfsleven geaccepteerde vorm van het Nieuwe Leren. Zij presenteren het dan ook schaamteloos en bovendien onterecht als een vorm van het door hen gepropageerde Nieuwe Leren. CGO als zodanig heeft echter niets en dan ook helemaal niets met HNL te maken. Het is daarom geen wonder dat er erg veel misgaat.
Het slechtste wat scholen hebben kunnen doen, is vormen van HNL combineren met competentiegericht onderwijs. De didactiek die HNL heet, verdraagt zich heel slecht met CGO. Sterker, ze werkt zelfs averechts, getuige de huidige situatie. Goed CGO is juist gebaat bij een sterke kenniscomponent, aangeboden in een duidelijk gestructureerde schoolomgeving door goede, hoogopgeleide vakdocenten die een realistisch beeld hebben van de praktijk. In het bedrijfsleven zijn competentietrainers allen hoog opgeleid en hebben zij naast hun hbo- of academische initiële opleiding een stevige cursus van enkele maanden in het beoordelen van competenties gehad. In het onderwijs denkt men daar anders over. Hoe meer je begeleidt en hoe meer je met competenties werkt, des te minder je hoeft te weten en slechter je als docent betaald krijgt.
Om een onderwijsvernieuwing goed te laten verlopen, moet van tevoren duidelijk zijn wat een dergelijke vernieuwing inhoudt, en wat de opbrengst daarvan is: welk minimum eindniveau moet er bereikt worden. Dat doe je door gedegen vooronderzoek te doen en vooral door te kijken naar dat wat er in het buitenland op dit terrein heeft plaatsgevonden. Daarnaast is het zaak dat een vernieuwing van onder uit de organisatie gedragen wordt door de professionals: de leraren en zelfs door de studenten en leerlingen.
Het is ook buitengewoon naïef om de uitvoering van een nieuw onderwijssysteem alleen aan besturen van scholen of onderwijskoepels over te laten. Die willen vaak voor een dubbeltje op de eerste rang zitten en kiezen dan voor de weg van de minste weerstand, maar die weg heeft een slecht wegdek getuige het huidige oproer in het onderwijs. Zijn wij daarmee tegen CGO? Niet per definitie, maar men moet dan wel beseffen dat CGO, wil het goed uitgevoerd worden, bijzonder duur onderwijs is en veel van docenten vraagt.
Het is ook niet zo dat er daardoor iets van het vroegere curriculum af kan, er komt veeleer iets bij, namelijk het doelgericht oefenen van competenties. Alleen door een aanzienlijke extra investering kan de invoering van CGO tot verhoging van de kwaliteit van het onderwijs leiden. Maar dat geld willen de meeste besturen van scholen en zelfs de overheid er waarschijnlijk niet aan uitgeven. Men lijkt het CGO eerder als een ‘didactisch verantwoorde bezuiniging’ te willen hanteren, wat een enorme vergissing is.
Nu komt er een parlementaire enquête over de vraag hoe de invoering van de huidige onderwijsvernieuwingen heeft plaatsgevonden. De vraag of dergelijke vernieuwingen onder de gegeven omstandigheden en in de gegeven vorm tot verhoging van de onderwijskwaliteit hebben geleid of zullen leiden, is veel relevanter.
Ad Verbrugge is filosoof, Presley Bergen is hbo-docent en en Harm Beertema is mbo-docent. Zij zijn (bestuurs-)lid van Beter Onderwijs Nederland (BON).
Het competentiegericht onderwijs (CGO) ligt onder vuur (Binnenland, 4 mei). Volgens een onderzoek van adviesbureau Berenschot is het CGO ondoordacht ingevoerd; het toezicht op de kwaliteit ontbreekt en leraren zijn onvoldoende geïnformeerd over hun nieuwe rol.
Dat het CGO ondoordacht is ingevoerd, zal niemand ontkennen. Veel belangrijker is de constatering dat in zijn huidige vorm en onder de huidige omstandigheden het CGO ongeschikt is voor het onderwijs in Nederland.
Competentiegericht onderwijs had een middel moeten zijn om de aansluiting met het bedrijfsleven te verbeteren. Bovendien had het de grote uitval in het beroepsonderwijs moeten verminderen. Het bedrijfsleven had daar wel oren naar, want sinds jaar en dag werd daar geklaagd dat leerlingen en studenten te weinig praktijkgericht werden opgeleid. Het is daarom ook begrijpelijk dat men in eerste instantie blij was met het idee van het competentiegericht onderwijs, zonder overigens precies te weten wat het inhield.
Helaas is het in de praktijk anders verlopen: leraren, ouders en studenten zijn ontevreden. Leerlingen en nieuwe leraren weten minder, er is lesuitval, de vakdocent werd uitgeschakeld, de didactiek op scholen is veranderd en de kwaliteit heeft daar zeer onder geleden. Weinigen willen nog werken in het onderwijs en de scholen dijen almaar uit.
De kern van de zaak is dat nooit eenduidig is vastgesteld wat CGO nu eigenlijk is. Ook in het onderzoek van Berenschot is nergens een definitie te vinden. De scholen zelf definiëren CGO als een onderwijsvorm die zich richt op de gecombineerde ontwikkeling van kennis, vaardigheden en houding. Dat klinkt prachtig en daarom werd het gretig omarmd door het bedrijfsleven. En dat is heel begrijpelijk, want wie kan hier tegen zijn? Maar juist deze vage uitleg is de basis geweest van veel ellende.
De invoering van het CGO is de grootste onderwijsvernieuwing sinds de jaren zeventig, terwijl niet eens duidelijk is wat het nu eigenlijk is. Elke school definieert CGO zoals het hem uitkomt en zo ontstaat er een lappendeken van onderwijsvisies en onderwijsvormen. Kortom, iedereen doet maar wat.
Competenties zijn de gedrags- en houdingselementen die een beroepsbeoefenaar naast zijn kennis en vaardigheden nodig heeft om succesvol te zijn. Het gaat om zaken als klantgerichtheid, organiseren en sensitiviteit. Wanneer je CGO goed uitvoert, moeten studenten eerst kennis opdoen. Daarna moeten ze de technische vaardigheid van het beroep meester worden, zoals een schroevendraaier leren vasthouden, of een CT-scan maken. Pas dan kan er aandacht worden besteed aan de competenties, de beroepshouding en het gedrag en dan liefst in een omgeving waarin dit te toetsen is; hoe gaat bijvoorbeeld een student verpleegkunde in een ziekenhuis met patiënten om?
Op bijna alle scholen is alles anders gegaan. Op de eerste plaats is er enorm in de kennis gesneden, soms tot 80 procent, om plaats te maken voor slecht gedefinieerde competenties die ingebed zijn in allerlei wazige projecten.
Omdat scholen autonoom zijn geworden in de inrichting van het onderwijs en meer bedrijfsmatig zijn gaan denken, hebben zij helaas maar al te vaak gekozen voor het goedkoopste onderwijs. Goedkoop wil zeggen: zo weinig mogelijk gekwalificeerde vakdocenten, veel coaches en instructeurs (met lagere salarissen) en natuurlijk een van bovenaf aan docenten opgelegde didactiek: het Nieuwe Leren (HNL). Dit is een afgestofte onderwijsvorm uit de jaren zeventig waarbij de regie van het onderwijsproces primair bij de student of leerling zelf gelegd wordt. HNL gaat ervan uit dat leerlingen in staat zijn hun onderwijsproces zelf vorm te geven, waardoor zij er als vanzelf zouden achterkomen welke kennis ze nodig hebben, die ze dan in de praktijk veelal van het internet plukken. Leraren in de eigenlijke zin van het woord bestaan dan niet meer. Klaslokalen zijn verbouwd tot ‘leerpleinen’ en ‘studielandschappen’. Leraren zijn activiteitenbegeleiders in een sociale werkplaats geworden, een beschrijving die verre van karikaturaal is. In dit proces is ook niet zozeer een vakdocent noodzakelijk, maar iemand die je helpt je ontwikkelingsproces vorm te geven, zo is de gedachte.
Goeroes van HNL, veel onderwijskundigen en adviseurs van de pedagogische centra, beschouwen het CGO als een door het bedrijfsleven geaccepteerde vorm van het Nieuwe Leren. Zij presenteren het dan ook schaamteloos en bovendien onterecht als een vorm van het door hen gepropageerde Nieuwe Leren. CGO als zodanig heeft echter niets en dan ook helemaal niets met HNL te maken. Het is daarom geen wonder dat er erg veel misgaat.
Het slechtste wat scholen hebben kunnen doen, is vormen van HNL combineren met competentiegericht onderwijs. De didactiek die HNL heet, verdraagt zich heel slecht met CGO. Sterker, ze werkt zelfs averechts, getuige de huidige situatie. Goed CGO is juist gebaat bij een sterke kenniscomponent, aangeboden in een duidelijk gestructureerde schoolomgeving door goede, hoogopgeleide vakdocenten die een realistisch beeld hebben van de praktijk. In het bedrijfsleven zijn competentietrainers allen hoog opgeleid en hebben zij naast hun hbo- of academische initiële opleiding een stevige cursus van enkele maanden in het beoordelen van competenties gehad. In het onderwijs denkt men daar anders over. Hoe meer je begeleidt en hoe meer je met competenties werkt, des te minder je hoeft te weten en slechter je als docent betaald krijgt.
Om een onderwijsvernieuwing goed te laten verlopen, moet van tevoren duidelijk zijn wat een dergelijke vernieuwing inhoudt, en wat de opbrengst daarvan is: welk minimum eindniveau moet er bereikt worden. Dat doe je door gedegen vooronderzoek te doen en vooral door te kijken naar dat wat er in het buitenland op dit terrein heeft plaatsgevonden. Daarnaast is het zaak dat een vernieuwing van onder uit de organisatie gedragen wordt door de professionals: de leraren en zelfs door de studenten en leerlingen.
Het is ook buitengewoon naïef om de uitvoering van een nieuw onderwijssysteem alleen aan besturen van scholen of onderwijskoepels over te laten. Die willen vaak voor een dubbeltje op de eerste rang zitten en kiezen dan voor de weg van de minste weerstand, maar die weg heeft een slecht wegdek getuige het huidige oproer in het onderwijs. Zijn wij daarmee tegen CGO? Niet per definitie, maar men moet dan wel beseffen dat CGO, wil het goed uitgevoerd worden, bijzonder duur onderwijs is en veel van docenten vraagt.
Het is ook niet zo dat er daardoor iets van het vroegere curriculum af kan, er komt veeleer iets bij, namelijk het doelgericht oefenen van competenties. Alleen door een aanzienlijke extra investering kan de invoering van CGO tot verhoging van de kwaliteit van het onderwijs leiden. Maar dat geld willen de meeste besturen van scholen en zelfs de overheid er waarschijnlijk niet aan uitgeven. Men lijkt het CGO eerder als een ‘didactisch verantwoorde bezuiniging’ te willen hanteren, wat een enorme vergissing is.
Nu komt er een parlementaire enquête over de vraag hoe de invoering van de huidige onderwijsvernieuwingen heeft plaatsgevonden. De vraag of dergelijke vernieuwingen onder de gegeven omstandigheden en in de gegeven vorm tot verhoging van de onderwijskwaliteit hebben geleid of zullen leiden, is veel relevanter.
Ad Verbrugge is filosoof, Presley Bergen is hbo-docent en en Harm Beertema is mbo-docent. Zij zijn (bestuurs-)lid van Beter Onderwijs Nederland (BON).
coming soon 14-05-2007 18:22
De titel van het stuk: Competenties krijg je niet voor een appel
en een ei, bevalt me wel.
Met de inhoud heb ik meer moeite.
Het begrip competentie is wel degelijk omschreven. De meest eenvoudige omschrijving is dat een competentie het geheel is van kennis, vaardigheden, houding en inzicht dat nodig is om een (kern)taak uit te kunnen voeren. Competentiegericht onderwijs zou dan ook zo ingericht moeten zijn dat het aanbod bestaat uit deze vier onlosmakelijk met elkaar verbonden elementen. Tegelijkertijd, en niet na elkaar. De inrichting van CGO volgens deze opvatting krijg je inderdaad niet voor een appel en een ei. Nadat je een algemene leerlijn hebt uitgezet, zul je tijdens het schooljaar voortdurend bezig moeten zijn met concretiseren van de leerlijn. Geen leerling is hetzelfde en ook de ene groep verschilt van de andere wat betreft het lerend vermogen. Toch zullen ze bij de eindstreep allemaal hetzelfde moeten kunnen om het diploma te verwerven (kwaliteitsbewaking). Als docent zul je alle ins en outs van je eigen vakgebied moeten beheersen en daarnaast moeten kunnen beoordelen bij welke vakgebieden (onderdelen van) competenties kunnen worden verworven.
Deze manier van werken vereist ook van de leerling/student de leervaardigheid van de transfer. Hiermee wordt bedoeld dat de leerling/student het geleerde ook in een andere situatie kan toepassen.
Buiten de organisatorische miskleunen die bij de invoering van CGO zijn gemaakt, wordt de noodzaak van de transfer vaak onderschat. En zo kon het gebeuren dat op het MBO het CGO werd ingevoerd als ware het een organisatorische maatregel. De transfer is alleen mogelijk wanneer er gedacht kan worden op metacognitief niveau. De studenten op het MBO, niveau 1 en 2, hoeven dit niet te kunnen. Ze worden opgeleid voor routinematig handelen binnen het beroep of de sector. In Jip en Janneke taal: gewoon doen wat je gezegd wordt. En dan worden ze plotseling in een onderwijsleersituatie geplaatst waarin daarop haaks staande vragen worden gesteld: zoek zelf uit welke oplossingen je voor dit probleem kunt bedenken, bijvoorbeeld.
Ik ben dan ook niet verbaasd over de roep om meer begeleiding en meer docenten die "gewoon" lesgeven. De onzekerheid is voor deze groep leerlingen zeker, te groot.
Betekent dit nou dat we CGO maar moeten vergeten voor het MBO niveau 1/2?
Juist niet, zou ik zeggen.
De leerling met een startkwalificatie (MBO 1/2) die zich met diploma meldt bij de baas, zal al vlug in complete verwarring verkeren als hij nooit geleerd heeft om de kennis in verschillende situaties toe te passen. Vandaag de dag veranderen beroepen, veranderen werksituaties sneller dan ooit. De werknemer met een startkwalificatie zal zo weer buitenstaan wanneer hij niet meekan in die veranderingen, wanneer hij niet in staat is om bij- en herscholingen te volgen.
Het CGO kan een belangrijk handvat zijn, mits het aangepast wordt aan het niveau van MBO 1/2. Dat betekent juist extra begeleiding ipv talloze uren zelfstudie en docenten die werkelijk begrijpen wat geleide sturing betekent.
Met de inhoud heb ik meer moeite.
Het begrip competentie is wel degelijk omschreven. De meest eenvoudige omschrijving is dat een competentie het geheel is van kennis, vaardigheden, houding en inzicht dat nodig is om een (kern)taak uit te kunnen voeren. Competentiegericht onderwijs zou dan ook zo ingericht moeten zijn dat het aanbod bestaat uit deze vier onlosmakelijk met elkaar verbonden elementen. Tegelijkertijd, en niet na elkaar. De inrichting van CGO volgens deze opvatting krijg je inderdaad niet voor een appel en een ei. Nadat je een algemene leerlijn hebt uitgezet, zul je tijdens het schooljaar voortdurend bezig moeten zijn met concretiseren van de leerlijn. Geen leerling is hetzelfde en ook de ene groep verschilt van de andere wat betreft het lerend vermogen. Toch zullen ze bij de eindstreep allemaal hetzelfde moeten kunnen om het diploma te verwerven (kwaliteitsbewaking). Als docent zul je alle ins en outs van je eigen vakgebied moeten beheersen en daarnaast moeten kunnen beoordelen bij welke vakgebieden (onderdelen van) competenties kunnen worden verworven.
Deze manier van werken vereist ook van de leerling/student de leervaardigheid van de transfer. Hiermee wordt bedoeld dat de leerling/student het geleerde ook in een andere situatie kan toepassen.
Buiten de organisatorische miskleunen die bij de invoering van CGO zijn gemaakt, wordt de noodzaak van de transfer vaak onderschat. En zo kon het gebeuren dat op het MBO het CGO werd ingevoerd als ware het een organisatorische maatregel. De transfer is alleen mogelijk wanneer er gedacht kan worden op metacognitief niveau. De studenten op het MBO, niveau 1 en 2, hoeven dit niet te kunnen. Ze worden opgeleid voor routinematig handelen binnen het beroep of de sector. In Jip en Janneke taal: gewoon doen wat je gezegd wordt. En dan worden ze plotseling in een onderwijsleersituatie geplaatst waarin daarop haaks staande vragen worden gesteld: zoek zelf uit welke oplossingen je voor dit probleem kunt bedenken, bijvoorbeeld.
Ik ben dan ook niet verbaasd over de roep om meer begeleiding en meer docenten die "gewoon" lesgeven. De onzekerheid is voor deze groep leerlingen zeker, te groot.
Betekent dit nou dat we CGO maar moeten vergeten voor het MBO niveau 1/2?
Juist niet, zou ik zeggen.
De leerling met een startkwalificatie (MBO 1/2) die zich met diploma meldt bij de baas, zal al vlug in complete verwarring verkeren als hij nooit geleerd heeft om de kennis in verschillende situaties toe te passen. Vandaag de dag veranderen beroepen, veranderen werksituaties sneller dan ooit. De werknemer met een startkwalificatie zal zo weer buitenstaan wanneer hij niet meekan in die veranderingen, wanneer hij niet in staat is om bij- en herscholingen te volgen.
Het CGO kan een belangrijk handvat zijn, mits het aangepast wordt aan het niveau van MBO 1/2. Dat betekent juist extra begeleiding ipv talloze uren zelfstudie en docenten die werkelijk begrijpen wat geleide sturing betekent.
Rene scheffer
14-05-2007 23:59
Te weinig toezicht, cq. monitoring?
Kan wel zijn, maar...dat zeggen alle adviesbureaus en dat zeggen alle Rekenkamers, ook gemeentelijke, in Nederland continue over bijna elk beleidsveld. Dergelijke adviezen opvolgen betekent dus weer meer ambtenaren in Zoetermeer, en hogere overhead en minder inzet (geld kan maar een keer worden uitgegeven) voor het primair proces. Doorgaan met CGO dus, maar maak er iets minder zwaars van.
Kan wel zijn, maar...dat zeggen alle adviesbureaus en dat zeggen alle Rekenkamers, ook gemeentelijke, in Nederland continue over bijna elk beleidsveld. Dergelijke adviezen opvolgen betekent dus weer meer ambtenaren in Zoetermeer, en hogere overhead en minder inzet (geld kan maar een keer worden uitgegeven) voor het primair proces. Doorgaan met CGO dus, maar maak er iets minder zwaars van.
Ruud Zweistra
15-05-2007 11:37
@coming soon,
Het punt dat je maakt onderstreept juist de boodschap van het stuk: om leerlingen die competenties eigen te maken, moet je juist veel meer moeite en tijd in de leerlingen steken.
Het nieuwe leren, gebruikt wel de taal, maar bezuinigd op de moeite en tijd die in leerlingen gestoken worden. En wel omdat de doelen van de mensen die het uitvoeren niet deugen: bezuinigingen, "efficientie", en machtsuitoefening.
Voorbeeldje: je noemt houding en inzicht. Dit zijn zaken die alleen onder intensieve begeleiding van een zeer geoefend docent te verwerven zijn, en zelfs dan is het moeilijk - kijk maar naar alle volwassenen-trainingen op dit gebied. Dit is volstrekt maar dan ook volstrekt onmogelijk onder een methodiek waarin een docent voor 30 leerlingen 10 uur in de week beschikbaar is om vragen te beantwoorden, en ze het verder zelf moeten uitzoeken.
Reactie is geredigeerd
Het punt dat je maakt onderstreept juist de boodschap van het stuk: om leerlingen die competenties eigen te maken, moet je juist veel meer moeite en tijd in de leerlingen steken.
Het nieuwe leren, gebruikt wel de taal, maar bezuinigd op de moeite en tijd die in leerlingen gestoken worden. En wel omdat de doelen van de mensen die het uitvoeren niet deugen: bezuinigingen, "efficientie", en machtsuitoefening.
Voorbeeldje: je noemt houding en inzicht. Dit zijn zaken die alleen onder intensieve begeleiding van een zeer geoefend docent te verwerven zijn, en zelfs dan is het moeilijk - kijk maar naar alle volwassenen-trainingen op dit gebied. Dit is volstrekt maar dan ook volstrekt onmogelijk onder een methodiek waarin een docent voor 30 leerlingen 10 uur in de week beschikbaar is om vragen te beantwoorden, en ze het verder zelf moeten uitzoeken.
Reactie is geredigeerd
Janna Lagerweij-Voogt 15-05-2007 12:53
Tja.... nu krijgen de BON-mensen de boemerang terug.
Eerst in alle toonaarden Het Nieuwe Leren (HNL) verketteren en dan ontdekken dat het Competentie Gericht Onderwijs (CGO) in de praktijk ermee verstrengeld is.
Wie een beetje weet heeft van onderwijsinnovatie (praktijk/onderzoek/theorie), weet ook dat
- de zwakste schakel in vernieuwingen de mate is waarin men (betrokkenen) bekend zijn met het onderliggende concept
- (mede daardoor) vernieuwingen in de praktijk en in de media vrijwel altijd eenzijdig, meestal verminkt terechtkomen
- dat eenmaal postgevatte meningen en misconcepten vrijwel niet zijn terug te draaien.
Helaas, HNL en CGO zijn verknoopt en dat betekent dat ze of beide worden gehandhaafd (met verminkingen), of beide (kind en badwater) door de gootsteen worden gegooid.
Overigens zijn er binnen het competentie-denken ook twee tegenstellende benaderingen: 1. de jaren 60-methode en 2. de jaren 90-methode.
Volgens de eerste benadering worden competenties (hoe dan ook gedefinieerd) uiteengelegd in steeds kleinere delen (steeds verdergaand versnipperd). Leerlingen worden dan geconfronteerd met afzonderlijke deelvaardigheidjes, deelkennis, etc. Zo ontstonden de waslijsten met exameneisen/onderdelen in met name het beroepsonderwijs. Een bak met snippers waarvoor niemand de verantwoordelijk had/heeft om er weer een geheel van te maken. (Eén van de redenen om de examenprogramma's te wijzigen). In het bedrijfsleven doen de competentie-bedrijfjes en -trainers van dit ogenblik niet anders.
Volgens de tweede benadering moet het geheel worden benadrukt (holistisch) en detaillering worden beperkt. Het gaat dan om kerncompetenties. Het nadeel daarvan is dat de formulering ervan erg algemeen, globaal en vaag wordt. Deze benadering heeft in het onderwijs postgevat. Het detail wordt uit het oog verloren, met name het leggen van relaties tussen kennis, vaardigheden, inzicht en attitudes en de context waarin de toepassing wordt gevraagd. Veelal is een van die contexten de stageplek van de leerling in.... het bedrijfsleven, waar het maar de vraag is of men hetzelfde beeld heeft van het concept competenties.
De twee benaderingen zijn en blijven verstrengeld. Uit elkaar halen lukt niet.
Het enige wat er gebeurt op basis van gekrakeel is, dat er weer een of andere politicus meent iets te moeten veranderen en besluiten waar niemand op zit te wachten.
Reactie is geredigeerd
hippocampi 15-05-2007 13:41
Helemaal eens met de primaire boodschap van het stuk. Het is
daarbij een gotspe, dat er kennelijk zoveel verschillende
definities circuleren van het begrip competentie.
Hoeveel regie en overhead heb je nodig om een emmer water naar de zee te dragen?
Ik weet niet beter, dan dat de competentie het geheel van vaardigheden, kennis en attitude voorstelt om een praktijksituatie conform een gezamenlijk afgesproken norm het hoofd te bieden. Kan iemand het kunstje niet naar behoren uitvoeren, dan vraagt dit een analyse, waarbij de diagnose voor elke "incompetente" uitvoering kan verschillen. In het ene geval, zal de kennis simpelweg ontbreken om een spreekbeurt te houden over bijen; in een ander geval zal de vaardigheid om voor een groep een verhaal te vertellen voor verbetering vatbaar zijn en in weer een ander geval, zal het idee van een spreekbeurt houden en hoe dat eruit dient te zien onderwerp van discussie kunnen zijn. Voorwaar geen sinecure om dat voor dertig leerlingen bij elke getoetste competentie te analyseren en toch is dat hetgene wat zou moeten gebeuren. CGO vraagt daarbij een zeer uitgebreid en divers toetsingsapparaat en een uitgebreide analyse en coaching in navolging van de toets. Daar is kennelijk onvoldoende over nagedacht.
Ik ben zelf werkzaam in de zorg en ook daar komt het mij niet vreemd voor, dat we iets relatiefs eenvoudigs helemaal laten stranden door een enorme overshoot van ongerichte activiteiten in het randgebeuren. Het doet me denken aan die grap over de boot met tien nederlandse roeiers, die jaarlijks een wedstrijd houdt met een boot met tien japanse roeiers.
De nederlanders verliezen jammerlijk hun eerste wedstrijd met slechts een aantal meter verschil. Een jaar later hebben ze bedacht, dat één van de tien roeiers gedurende het roeien moet zorgen dat er meer afstemming is. De roeiers verliezen deze keer met vijftig meter verschil. De koppen worden wederom bij elkaar gestoken en het volgende jaar verschijnen de nederlanders met een boot met acht roeiers en twee "afstemmers". Het dramatisch verlies is nu een slordige tweehonderd meter.....
Mensen helpen leren, is eerst en vooral een tijds- en arbeidsintensief ambacht gebaseerd op een helder idee over hoe mensen het best tot leren komen. Daar is gelukkig inmiddels veel verstandigs over geschreven. Dit is een verre van vrijblijvend proces. Decimeer het papierrondpompende en te overmatig zichzelf financieel waarderende waterhoofd en investeer, als ware het een nieuw deltaplan in dat heldere concept en investeer vervolgens kwalitatief en kwantitatief in de vakleerkrachten van het nieuwe leren.
Aan het werk met zijn allen!!
Hoeveel regie en overhead heb je nodig om een emmer water naar de zee te dragen?
Ik weet niet beter, dan dat de competentie het geheel van vaardigheden, kennis en attitude voorstelt om een praktijksituatie conform een gezamenlijk afgesproken norm het hoofd te bieden. Kan iemand het kunstje niet naar behoren uitvoeren, dan vraagt dit een analyse, waarbij de diagnose voor elke "incompetente" uitvoering kan verschillen. In het ene geval, zal de kennis simpelweg ontbreken om een spreekbeurt te houden over bijen; in een ander geval zal de vaardigheid om voor een groep een verhaal te vertellen voor verbetering vatbaar zijn en in weer een ander geval, zal het idee van een spreekbeurt houden en hoe dat eruit dient te zien onderwerp van discussie kunnen zijn. Voorwaar geen sinecure om dat voor dertig leerlingen bij elke getoetste competentie te analyseren en toch is dat hetgene wat zou moeten gebeuren. CGO vraagt daarbij een zeer uitgebreid en divers toetsingsapparaat en een uitgebreide analyse en coaching in navolging van de toets. Daar is kennelijk onvoldoende over nagedacht.
Ik ben zelf werkzaam in de zorg en ook daar komt het mij niet vreemd voor, dat we iets relatiefs eenvoudigs helemaal laten stranden door een enorme overshoot van ongerichte activiteiten in het randgebeuren. Het doet me denken aan die grap over de boot met tien nederlandse roeiers, die jaarlijks een wedstrijd houdt met een boot met tien japanse roeiers.
De nederlanders verliezen jammerlijk hun eerste wedstrijd met slechts een aantal meter verschil. Een jaar later hebben ze bedacht, dat één van de tien roeiers gedurende het roeien moet zorgen dat er meer afstemming is. De roeiers verliezen deze keer met vijftig meter verschil. De koppen worden wederom bij elkaar gestoken en het volgende jaar verschijnen de nederlanders met een boot met acht roeiers en twee "afstemmers". Het dramatisch verlies is nu een slordige tweehonderd meter.....
Mensen helpen leren, is eerst en vooral een tijds- en arbeidsintensief ambacht gebaseerd op een helder idee over hoe mensen het best tot leren komen. Daar is gelukkig inmiddels veel verstandigs over geschreven. Dit is een verre van vrijblijvend proces. Decimeer het papierrondpompende en te overmatig zichzelf financieel waarderende waterhoofd en investeer, als ware het een nieuw deltaplan in dat heldere concept en investeer vervolgens kwalitatief en kwantitatief in de vakleerkrachten van het nieuwe leren.
Aan het werk met zijn allen!!
Ruud Zweistra
15-05-2007 14:52
@hoppocampi,
De roeiwedstrijd moest ik net ook aan denken. De originale versie is Duits, en heet Das Wettrudern, en gaat over bedrijven. De onderwijsversie staat hier.
Als er één land is waarvoor dit geldt, is het Nederland wel.
De roeiwedstrijd moest ik net ook aan denken. De originale versie is Duits, en heet Das Wettrudern, en gaat over bedrijven. De onderwijsversie staat hier.
Als er één land is waarvoor dit geldt, is het Nederland wel.
admee
21-05-2007 21:53
waar kan ik dingen van appel voor mijn broerje van 6 jaar zo als
,hoe groot kan een appel worden,hoe veel appel hebben we in de
wereld
coming soon 21-05-2007 22:13
Een appel wordt zo groot als zijn schil en als je deze appel
opeet is er weer eentje minder.
Met dit antwoord zal je broertje niet tevreden zijn. Een school waar wel serieus op dit soort vragen antwoord gegeven wordt?
Misschien moeten ouders deze vragen stellen aan de leerkrachten als ze hun kind komen aanmelden. Als een testje. Verbaasde blikken? Hoongelach? Vlug naar een andere school gaan.
Met dit antwoord zal je broertje niet tevreden zijn. Een school waar wel serieus op dit soort vragen antwoord gegeven wordt?
Misschien moeten ouders deze vragen stellen aan de leerkrachten als ze hun kind komen aanmelden. Als een testje. Verbaasde blikken? Hoongelach? Vlug naar een andere school gaan.
Ellen
25-11-2007 01:54
CGO klinkt zo mooi en het had zo mooi kunnen zijn als er goed
over was nagedacht hoe het toe te passen. Op het HBO is er
inderdaad veel in kennisvakken gesneden. Het ontwikkelingsniveau
van een land kun je aflezen aan het niveau van het onderwijs. In
Nederland gaat dat dus achteruit. Erg zonde!
Reactie is geredigeerd
Reactie is geredigeerd
Inloggen is niet verplicht om je commentaar achter te laten.
Beperkt HTML (<b>vet</b>, <i>cursief</i> en <u>onderstreept</u> toegestaan; webadressen worden automatisch omgezet in werkende links).

Hulde!