Herman Koch

Pas toen zij het ontzielde lichaam van hoofdlakei Verburgh op de
marmerbetegelde badkamervloer aantrof, begreep de vorstin dat de
machtsstrijd om haar opvolging nu in volle ernst was losgebrand.
Binnensmonds gromde zij de naam van een van de prinsen - het waren
er zoveel dat ook de vorstin ze soms moeilijk uit elkaar kon
houden: welke van haar waren en welke van een van haar vele
zusters.
Zij boog zich voorover, voelde de pols van de hoofdlakei en keek op haar horloge. Nul slagen per minuut, meer had zij ook eigenlijk niet verwacht. Vervolgens raakte zij met twee vingertoppen de hals van Verburgh aan. ‘Koud nog warm,' mompelde de vorstin; ze moest aan een voorgerecht denken dat zij onlangs in een Nederlands driesterren-restaurant had gegeten en dat ongeveer net zo had aangevoeld op haar tong. ‘Amper drie uur dood...'
Voetje voor voetje schuifelde zij terug naar de slaapkamer. De halflege fles witte wijn op haar nachtkastje zou inmiddels wel op kamertemperatuur zijn, maar om nu helemaal naar de keuken te lopen...- ach, wat maakte het ook uit! Met haar tanden trok ze de kurk uit de hals en zette de fles aan haar mond.
‘Brrr!' zei ze. Daarna stak de vorstin de derde sigaret van die ochtend op. Het was pas toen zij de goudomfloerste Zippo-aansteker op het nachtkastje teruglegde, dat zij het briefje zag liggen. De laatste tijd bediende zij zich vaker van dit soort briefjes: kleine geheugensteuntjes waren het, vaak stond er niet veel meer op dan ‘wijn' of ‘sigaretten' of de verjaardag van een van haar tientallen klein- of achternichtjes. Ze pakte het briefje op, las het nog eens over en kreunde toen zachtjes.
‘Koninginnendag. Makkum,' stond er te lezen.
‘Oh, shit!' zei de vorstin. ‘Net nu weer vandaag!'
Ze dacht aan zaklopers en aan klompen, aan een kinderkoor van achterlijke kinderen dat Heb je even voor mij zong, aan een pension voor zwakzinnige huisdieren dat net was geopend en aan de Friese vlag die tegelijkertijd ook de merknaam van een koffieroommerk was, aan paalschieten en aan ganszitten, aan de varkenshengst en aan de uit Jorwerd vertrokken God, aan de commisaris van de koningin die burgemeester van Amsterdam wilde worden.
Ze dacht aan de Amsterdamse vrijmarkt - aan de Nederlandse handelsgeest die de nationale feestdag doordesemde als stront een mestslachterij.
‘Vuile, vuile...' begon de vorstin, maar ze kon niet zo gauw op een zelfstandig naamwoord komen dat haar gevoelens afdoende kon verwoorden. Daarom zei ze nog een paar keer ‘Vuile, vuile...' Vervolgens smeet zij de fles wijn stuk tegen de muur. ‘Ik doop u HMS Lage Landen en wens u een behouden vaart!' sprak zij luid en plechtig en kreeg de slappe lach.
Ze dacht aan de oproep van cabaretiers om het EK in Oostenrijk te boycotten vanwege de nieuwe schendingen van kinder- en incestrechten. Ze dacht aan andere kelders in dat duistere en achterlijke land, waarvover pas over achttien jaar iets bekend zou worden, lang nadat Nederland bij de strafschoppenserie in de halve finale zou zijn uitgeschakeld.
Er werd drie keer op de deur geklopt. Daarna werd deze geopend en kwam de inspecteur binnen. Hij leek op een kruising van George Clooney in Michael Clayton en die voormalige politievoorlichter die nu iets voor de Belastingdienst deed.
‘Komt u even mee,' zei de inspecteur. De verschijning van de inspecteur luchtte de vorstin op. Net als in een Agatha Christie-roman kon het alleen maar betekenen dat het einde nabij was. De ontknoping.
En inderdaad waren in het aangrenzende vertrek al haar familieden verzameld. De inspecteur hield een lang referaat. Tot slot zei hij: ‘De laatste die hoofdlakei Verburgh nog levend gezien heeft is...' hij wees naar een achter- of ander neefje en noemde diens naam.
De vorstin kneep in haar arm: naam noch gezicht van het neefje of nichtje zeiden haar iets
Zij boog zich voorover, voelde de pols van de hoofdlakei en keek op haar horloge. Nul slagen per minuut, meer had zij ook eigenlijk niet verwacht. Vervolgens raakte zij met twee vingertoppen de hals van Verburgh aan. ‘Koud nog warm,' mompelde de vorstin; ze moest aan een voorgerecht denken dat zij onlangs in een Nederlands driesterren-restaurant had gegeten en dat ongeveer net zo had aangevoeld op haar tong. ‘Amper drie uur dood...'
Voetje voor voetje schuifelde zij terug naar de slaapkamer. De halflege fles witte wijn op haar nachtkastje zou inmiddels wel op kamertemperatuur zijn, maar om nu helemaal naar de keuken te lopen...- ach, wat maakte het ook uit! Met haar tanden trok ze de kurk uit de hals en zette de fles aan haar mond.
‘Brrr!' zei ze. Daarna stak de vorstin de derde sigaret van die ochtend op. Het was pas toen zij de goudomfloerste Zippo-aansteker op het nachtkastje teruglegde, dat zij het briefje zag liggen. De laatste tijd bediende zij zich vaker van dit soort briefjes: kleine geheugensteuntjes waren het, vaak stond er niet veel meer op dan ‘wijn' of ‘sigaretten' of de verjaardag van een van haar tientallen klein- of achternichtjes. Ze pakte het briefje op, las het nog eens over en kreunde toen zachtjes.
‘Koninginnendag. Makkum,' stond er te lezen.
‘Oh, shit!' zei de vorstin. ‘Net nu weer vandaag!'
Ze dacht aan zaklopers en aan klompen, aan een kinderkoor van achterlijke kinderen dat Heb je even voor mij zong, aan een pension voor zwakzinnige huisdieren dat net was geopend en aan de Friese vlag die tegelijkertijd ook de merknaam van een koffieroommerk was, aan paalschieten en aan ganszitten, aan de varkenshengst en aan de uit Jorwerd vertrokken God, aan de commisaris van de koningin die burgemeester van Amsterdam wilde worden.
Ze dacht aan de Amsterdamse vrijmarkt - aan de Nederlandse handelsgeest die de nationale feestdag doordesemde als stront een mestslachterij.
‘Vuile, vuile...' begon de vorstin, maar ze kon niet zo gauw op een zelfstandig naamwoord komen dat haar gevoelens afdoende kon verwoorden. Daarom zei ze nog een paar keer ‘Vuile, vuile...' Vervolgens smeet zij de fles wijn stuk tegen de muur. ‘Ik doop u HMS Lage Landen en wens u een behouden vaart!' sprak zij luid en plechtig en kreeg de slappe lach.
Ze dacht aan de oproep van cabaretiers om het EK in Oostenrijk te boycotten vanwege de nieuwe schendingen van kinder- en incestrechten. Ze dacht aan andere kelders in dat duistere en achterlijke land, waarvover pas over achttien jaar iets bekend zou worden, lang nadat Nederland bij de strafschoppenserie in de halve finale zou zijn uitgeschakeld.
Er werd drie keer op de deur geklopt. Daarna werd deze geopend en kwam de inspecteur binnen. Hij leek op een kruising van George Clooney in Michael Clayton en die voormalige politievoorlichter die nu iets voor de Belastingdienst deed.
‘Komt u even mee,' zei de inspecteur. De verschijning van de inspecteur luchtte de vorstin op. Net als in een Agatha Christie-roman kon het alleen maar betekenen dat het einde nabij was. De ontknoping.
En inderdaad waren in het aangrenzende vertrek al haar familieden verzameld. De inspecteur hield een lang referaat. Tot slot zei hij: ‘De laatste die hoofdlakei Verburgh nog levend gezien heeft is...' hij wees naar een achter- of ander neefje en noemde diens naam.
De vorstin kneep in haar arm: naam noch gezicht van het neefje of nichtje zeiden haar iets
Oboema
30-04-2008 17:18
Raarrr!
lidy 30-04-2008
17:45
Zo is het, er kan maar 1 de Konegin zijn van Makkem en Mokum. Wat
heeft-ie Verburgh nu weer gedaan? Weer iets raars gezegd?
Terracidus 30-04-2008 19:55
"Vuile, vuile...' begon de vorstin, maar ze kon niet zo gauw op
een zelfstandig naamwoord komen .." De könnegin kon niet op de
vuile was komen. Desalniettemin groetend, T.
cor
verhoef 01-05-2008 08:04
Een in hoge mate verontrustend blog weer, Herman.
Cees-de-vader 01-05-2008
20:44
Wordt vervolgd?
Inloggen is niet verplicht om je commentaar achter te laten.
Beperkt HTML (<b>vet</b>, <i>cursief</i> en <u>onderstreept</u> toegestaan; webadressen worden automatisch omgezet in werkende links).
