Cuba
Mensenrechten

Verblinde intellectuelen likten de hielen van Fidel Castro - Kees van Kortenhof
zondag 19 oktober 2008 14:59 door Kees van Kortenhof
Het kortstondige enthousiasme voor de Cubaanse revolutie
bij een groep intellectuelen en kunstenaars in ons land wordt in
NRC Handelsblad van 7 januari een vrucht van de tijdgeest
in Nederland rond 1960 genoemd. Het begrip tijdgeest degradeert de
spelers in een historische periode echter gemakkelijk tot
passievelingen. In dat artikel fungeert het tevens als excuus voor
gemaakte intellectuele en morele misstappen. De
tijdgeest in de jaren dertig maakt de bewondering van kunstenaars
als de schrijver Albert Kuyle en de schilder Wichman voor het
fascisme ook begrijpelijk. De Castro van toen heette Mussolini. De
inspiratie van de Russische revolutie van 1917 maakte dat een.
schrijver als Theun de Vries en een cineast als Joris Ivens in
kritiekloze bewondering naar Stalin opkeken.

Zowel in het geval van Mussolini als van Stalin en Castro werd de bewondering luidruchtig en pathetisch ten gehore gebracht. Tegelijkertijd zetten de bewonderaars zich af tegen de spruitjeslucht in eigen land. Jaloers werd dan vervolgens geconstateerd dat Nederland er nog niet aan toe was en er ook wel niet aan toe zou komen, tenzij met geweld werd ingegrepen. Wat dit laatste betreft werden de bewonderaars van Fidel Castro op hun wenken bediend door de opvattingen van Herbert Marcuse over de toelaatbaarheid van geweld in een democratische samenleving.
Bij de dertigste verjaardag van de Cubaanse revolutie mogen aan het adres van deze intellectuelen en kunstenaars scherpe verwijten worden gemaakt: de culturele avant-garde was door een kritiek loze bewondering blind voor de negatieve aspecten in Cuba. Een intellectueel past een dergelijke houding in het geheel niet. Tijdens het befaamde culturele congres in 1968 te Havana had een kritische waarnemer de groeiende controle van de communistische partij op de kunst al kunnen signaleren. De latere Chileense ambassadeur van president Allende in Cuba, Jorge Edwards, constateerde dat als lid van een jury die korte verhalen moest beoordelen. De eerste prijs ging naar de Cubaanse schrijver José Norberto Fuentes hoewel het Cubaanse jurylid enkele uren lang die keuze probeerde te voorkomen. Fuentes, geïnspireerd door de Russische schrijver lsaac Babel, slachtoffer van de Stalinterreur, verwierp in zijn beschrijving van de Cubaanse rebellenbeweging de simpele zwart-wit-tegenstelling tussen de helden en de gusanos (wormen).
Fuentes' verhalen maakten duidelijk dat het oorlogsgeweld beide kanten corrumpeert, ook die welke zich de voorhoede van de revolutie noemt. Al in 1969 kwamen de eerste officiële aanvallen op zijn werk. Enerzijds van de zijde van de Cubaanse schrijversorganisatie, de instantie die de buitenlandse collega-schrijvers van Fuentes steeds uitnodigde, en anderzijds door artikelen in de Cubaanse Legerkoerier. Jorge Edwards werd sinds zijn optreden als jurylid door de Cubaanse autoriteiten gewantrouwd en moest al snel het eiland verlaten.
De vele Nederlanders die Cuba bezochten deden geen moeite dergelijke verschijnselen op te merken. Zij besteedden uren van hun tijd aan het wachten op de mogelijke ontmoeting met de leider. De schaakgrootmeester J.H. Donner beschreef in De Gids nog wel enkele ontmoetingen aan ‘de zelfkant'. Hij achtte zich echter niet geroepen kritiek te hebben op Fidel Castro. ‘Zijn volk mag dit doen. Ik niet.' Ter rechterzijde wordt een dergelijk argument gehoord wanneer het gaat om de beoordeling van de situatie in Zuid-Afrika of Chili.
Maar Cubanen die kritiek uitten werd nu juist de mond gesnoerd. Als de Castro-aanhangers een scherp verwijt verdienen, dan is het wegen het consequent negeren van de verschrikkelijke berichten over de vervolging van tegenstanders. De vervolgden, gemartelden en geëxecuteerden - velen van hen hadden zij aan zij met Castro en Che gevochten - hoefden op enige steun en sympathie van progressieve intellectuelen niet te rekenen.

Politieke gevangenen zouden zelfs moeten worden benijd. Een toen veelvuldig gebruikte publicatie van prof. Kruijer Cuba, Voorbeeld en Uitdaging, beschrijft hoe heilzaam de heropvoeding is die politieke gevangenen op 'volksboerderijen ondergaan. Hij erkent de aanwezigheid van politieke gevangenen, maar ‘men moet dit feit in het licht van de doeleinden en middelen van de Revolutie zien. Als men deze laatste wetenschappelijk juist en ethisch aanvaardbaar acht, zal men ook de onaangename bijverschijnselen als barensweeën van een nieuwe samenleving moeten accepteren.'
Onrecht
Zo likten intellectuelen de hielen van de machthebbers in Cuba. Castro werd door Sartre omschreven als ‘de meest complete mens van onze tijd'. Het onrecht de machteloze Cubanen aangedaan - anarchisten, dissidente kunstenaars, studenten, leden van de katholieke werkende jongerenorganisatie, homoseksuelen en priesters - was van nul en gener waarde. Het volk en zijn leiders waren één. Tegenstellingen zoals die in onze burgerlijke democratie voorkwamen bestonden in Cuba niet meer. Het was zo'n burgerlijk politicus als de leider van de PvdA die zijn scherpe afkeuring uitsprak toen leden van de Socialistische Jeugd de straat opgingen met foto's van Castro en Ho Chi Minh. Hij zag de gevaren van zulke griezelige idealen.
De auteur werkt bij de vakbeweging.
Bron: NRC Handelsblad van 12 januari 1989

Zowel in het geval van Mussolini als van Stalin en Castro werd de bewondering luidruchtig en pathetisch ten gehore gebracht. Tegelijkertijd zetten de bewonderaars zich af tegen de spruitjeslucht in eigen land. Jaloers werd dan vervolgens geconstateerd dat Nederland er nog niet aan toe was en er ook wel niet aan toe zou komen, tenzij met geweld werd ingegrepen. Wat dit laatste betreft werden de bewonderaars van Fidel Castro op hun wenken bediend door de opvattingen van Herbert Marcuse over de toelaatbaarheid van geweld in een democratische samenleving.
Bij de dertigste verjaardag van de Cubaanse revolutie mogen aan het adres van deze intellectuelen en kunstenaars scherpe verwijten worden gemaakt: de culturele avant-garde was door een kritiek loze bewondering blind voor de negatieve aspecten in Cuba. Een intellectueel past een dergelijke houding in het geheel niet. Tijdens het befaamde culturele congres in 1968 te Havana had een kritische waarnemer de groeiende controle van de communistische partij op de kunst al kunnen signaleren. De latere Chileense ambassadeur van president Allende in Cuba, Jorge Edwards, constateerde dat als lid van een jury die korte verhalen moest beoordelen. De eerste prijs ging naar de Cubaanse schrijver José Norberto Fuentes hoewel het Cubaanse jurylid enkele uren lang die keuze probeerde te voorkomen. Fuentes, geïnspireerd door de Russische schrijver lsaac Babel, slachtoffer van de Stalinterreur, verwierp in zijn beschrijving van de Cubaanse rebellenbeweging de simpele zwart-wit-tegenstelling tussen de helden en de gusanos (wormen).
Fuentes' verhalen maakten duidelijk dat het oorlogsgeweld beide kanten corrumpeert, ook die welke zich de voorhoede van de revolutie noemt. Al in 1969 kwamen de eerste officiële aanvallen op zijn werk. Enerzijds van de zijde van de Cubaanse schrijversorganisatie, de instantie die de buitenlandse collega-schrijvers van Fuentes steeds uitnodigde, en anderzijds door artikelen in de Cubaanse Legerkoerier. Jorge Edwards werd sinds zijn optreden als jurylid door de Cubaanse autoriteiten gewantrouwd en moest al snel het eiland verlaten.
De vele Nederlanders die Cuba bezochten deden geen moeite dergelijke verschijnselen op te merken. Zij besteedden uren van hun tijd aan het wachten op de mogelijke ontmoeting met de leider. De schaakgrootmeester J.H. Donner beschreef in De Gids nog wel enkele ontmoetingen aan ‘de zelfkant'. Hij achtte zich echter niet geroepen kritiek te hebben op Fidel Castro. ‘Zijn volk mag dit doen. Ik niet.' Ter rechterzijde wordt een dergelijk argument gehoord wanneer het gaat om de beoordeling van de situatie in Zuid-Afrika of Chili.
Maar Cubanen die kritiek uitten werd nu juist de mond gesnoerd. Als de Castro-aanhangers een scherp verwijt verdienen, dan is het wegen het consequent negeren van de verschrikkelijke berichten over de vervolging van tegenstanders. De vervolgden, gemartelden en geëxecuteerden - velen van hen hadden zij aan zij met Castro en Che gevochten - hoefden op enige steun en sympathie van progressieve intellectuelen niet te rekenen.

Politieke gevangenen zouden zelfs moeten worden benijd. Een toen veelvuldig gebruikte publicatie van prof. Kruijer Cuba, Voorbeeld en Uitdaging, beschrijft hoe heilzaam de heropvoeding is die politieke gevangenen op 'volksboerderijen ondergaan. Hij erkent de aanwezigheid van politieke gevangenen, maar ‘men moet dit feit in het licht van de doeleinden en middelen van de Revolutie zien. Als men deze laatste wetenschappelijk juist en ethisch aanvaardbaar acht, zal men ook de onaangename bijverschijnselen als barensweeën van een nieuwe samenleving moeten accepteren.'
Onrecht
Zo likten intellectuelen de hielen van de machthebbers in Cuba. Castro werd door Sartre omschreven als ‘de meest complete mens van onze tijd'. Het onrecht de machteloze Cubanen aangedaan - anarchisten, dissidente kunstenaars, studenten, leden van de katholieke werkende jongerenorganisatie, homoseksuelen en priesters - was van nul en gener waarde. Het volk en zijn leiders waren één. Tegenstellingen zoals die in onze burgerlijke democratie voorkwamen bestonden in Cuba niet meer. Het was zo'n burgerlijk politicus als de leider van de PvdA die zijn scherpe afkeuring uitsprak toen leden van de Socialistische Jeugd de straat opgingen met foto's van Castro en Ho Chi Minh. Hij zag de gevaren van zulke griezelige idealen.
De auteur werkt bij de vakbeweging.
Bron: NRC Handelsblad van 12 januari 1989
Inloggen is niet verplicht om je commentaar achter te laten.
Beperkt HTML (<b>vet</b>, <i>cursief</i> en <u>onderstreept</u> toegestaan; webadressen worden automatisch omgezet in werkende links).

In De
ontdekking van de Hemel(1992) gaan Max Delius en Onno Quist
naar Cuba zoals Mulisch zelf in 1967 Cuba bezocht. Vandaar dat zijn
Cubaanse verleden ook nu nog aan de schrijver kleeft. Mulisch in
een interview: ‘In het algemeen geldt dat je in een rechts
fascistisch land niet geweest hoeft te zijn om te kunnen zeggen hoe
het er is, terwijl je in een links kommunistisch land geweest moet
zijn om te kunnen zeggen hoe het er is.’ (De tekening is
van Joost Veerkamp )
De Zuid
Afrikaanse zangeres Miriam Makeba zei in 2005 tijdens een bezoek
aan Havana: ‘Ik had het geluk dat hij een van mijn
concerten in 1972 bijwoonde, toen ik Cuba voor de eerste maal
bezocht. Ik zong voor president Fidel Castro (…) hij is een
van mijn sterren.’
Ariel
Hidalgo, universitair docent werd in 1980 gearresteerd toen men een
manuscript van hem in beslag nam met de titel Cuba, de marxistische
Staat en de nieuwe Klasse. Hij werd veroordeeld wegen
‘vijandige propaganda’en zat korte tijd in het
Psychiatrisch Ziekenhuis van Havana opgesloten tussen zieken,
geestelijke gestoorden en zware criminelen. ‘Ik was
socialist. Ik geloofde – en ik geloof - in de oorspronkelijke
doelen van de revolutie. Waar ik niet meer geloof is in het
leiderschap van de revolutie.’(…) ‘Veel
gevangenen zaten om veel onschuldiger dingen in de cel. Er zat een
marineofficier Francisco Benites Ferrer bij mij in de cel omdat hij
deze uitspraak van José Martí op een muur gekalkt had:
‘Iedere keer als een mens wordt beperkt in zijn recht om vrij
te denken, lijkt het alsof een van mijn kinderen wordt
gedood’.
'Een
katholiek vervolgen omdat hij katholiek is, een protestant
vervolgen omdat hij protestant is, een vrijmetselaar vervolgen
omdat hij vrijmetselaar is, de rotary vervolgen omdat iemand lid
van rotary is, La Marina (een groot Cubaans ochtendblad) vervolgen
omdat het een rechtse krantis, iemand vervolgen omdat hij links is,
een ander omdat hij radicaal ter linker of ter rechterzijde is, dat
kan ik me niet voorstellen en dat zal de Revolutie nooit doen......
Wij doen wat democratisch is; alle ideeen respecteren. Als iemand
begint met de sluiting van een krant, kan geen krant zich meer
veilig voelen. Als men een mens vervolgt vanwege zijn politieke
opvattingen, kan niemand zich meer veilig voelen.'
De Franse
filosoof en schrijver Sartre bezocht Cuba in 1960 en was verrukt
van de zogeheten ‘directe democratie’ die Fidel en Che
Guevara daar praktiseerden tijdens bijeenkomsten met tienduizenden
Cubanen. Carlos Franqui, toen nog eindredacteur van het blad
Revolución probeerde Sartre uit te leggen dat ‘hier sprake
was van een voorbijgaand fenomeen dat volledig afhankelijk was van
Fidel Castro, dat geen enkele organische of structurele basis
‘bezat maar puur revolutionair theater was, dat in de
dagelijks praktijk niet functioneerde.’
'In naam
van het anti-amerikanisme hebben velen een van de langst- durende
dictaturen gesteund.Die mensen zullen zich straks moeten
verantwoorden; Ignacio Ramonet, hoofdredacteur van Le Monde
Diplomatique, Gerard Depardieu, Daniele Mitterand en Christian
Poncelet, de voorzitter van de Franse senaat. Ik heb ze nog nooit
de repressie horen veroordelen die de tegenstanders van Fidel heeft
getroffen.' De Cubaanse schrijver Jacobo Machover vorig
jaar in L'Expresse



Er zijn er nogal wat die tot op de dag vandaag liever vergeten dat ze achter een dictator zijn aangelopen. Je kunt je vergissen in een beoordeling van een regime maar niet jarenlang en je dan ook nog achteraf verontschuldigen met zoiets als de tijdgeest.
Maltesegroeten