Cuba
Mensenrechten

1969: Renate Rubinstein over 10 jaar Cubaanse revolutie (2)
zaterdag 31 januari 2009 21:20 door Kees van Kortenhof
Ik erger me ook aan de toon van persoonsverheerlijking
waarop normaal kritische en speelse geesten over Castro (Fidel)
schrijven. Donner bewondert in Castro alles, ook bv. dat hij niet
schaken kan. Want waarom kan hij dat niet? 'Te veel regels,' zei
hij, 'schaken heeft te veel regels. Hoe minder regels een spel
heeft, hoe meer kans ik heb ik om te winnen.' De grote
knopendoorhakker had opnieuw gesproken. (Avenue, januari
1969).

Ik moest aan dit gesprek met Castro denken door een passage bij Michael Frayn, die vorig jaar in Cuba was. 'Castro schijnt in toenemende mate gepreokkupeerd te zijn met het aanklagen en bedreigen van de vijanden van het regime. In september 1968 verklaarde hij, in een van zijn typische uitbarstingen: 'Voor de revolutie over is, zal her hoofd van niet één contrarevolutionair meer op zijn schouders staan. Dat zijn de regels van het spel, dat zijn de regels van het spel. Voor zij de revolutie kunnen vernietigen, zullen de hoofden van allen die haar vernietigen willen, rollen!'
Dergelijke stoere mannentaal zal de persoonsverheerlijkers niet afschrikken, en daarom is het interessant eens te kijken naar wie die gevaarlijke contrarevolutionairen wel mogen zijn. Typische contrarevolutionairen blijken venters van hot dogs en andere etenswaren te zijn, wier kraampjes dan ook verleden jaar tijdens het Revolutionaire Offensief allemaal opgerold werden. In één van zijn lange redevoeringen deelde Castro zijn volk mee: 'Het hoogste percentage van niet in de Revolutie geïntegreerde personen werd gevonden onder de hot-dog venters. Van de 41 ondervraagden bleken 39, ofwel 95,1% contrarevolutionairen. Zij doen zaken die hen niet alleen winst opleveren, maar hen ook in de gelegenheid stellen in constant contact te staan met klaplopers en andere a-sociale en contrarevolutionaire elementen.'
Hierover niet in de lach schieten lijkt me alleen de persoonsverheerlijker gegeven. In het Cubanummer van De Gids geeft Donner de portretten van drie Cubanen, die over de revolutie ongelukkig zijn, onder de titel 'Ontmoeting met de zelfkant.' Hij doet dat, lijkt mij, rechtvaardig en zakelijk. Maar in plaats van een soort van uitleg, volgt daarop alleen een korte conclusie, die verbazingwekkend is. Donner begint met zich 'onvoorwaardelijk solidair met het Cuba van Fidel Castro' te verklaren. Kritiek op hem hebben, zegt hij, mag zijn volk, niet wij. Want wij behoren tot het deel van de wereld 'waartegen bij nu juist vecht, om zich daarvan te bevrijden.' 'De echte bezorgdheid over het Cubaanse regime kan alleen voortkomen uit de geest van solidariteit. Want in godsnaam, helpt hen!'
Waarom zouden wij, op grond van de kritiek van 'zijn volk' ons geen kritische opinie over Castro mogen vormen? Welke andere kritiek kan in godsnaam doorslaggevender voor ons zijn? Ineens mogen wij niet meer als mensen over mensen praten, maar zijn wij diplomaten geworden, solidair met de diplomaten van een regering die zich van 'ons' juk bevrijd heeft. Een manier van denken,die de regent siert. Nieuwsgierigheid, de drang om de waarheid te onthullen, solidariteit met slachtoffers, zij moeten allemaal wijken voor onze plicht om respekt te hebben voor een regime waarin de achtenswaardigheid alleen door de Cubanen zelf, de mensen dus die er iets van weten, in twijfel getrokken mag worden.
Maar doen zij dat, dan mogen wij op hun kritiek niet letten, zij zijn dan trouwens per definitie contrarevolutionairen geworden. Ik heb een paar uur nagedacht over waar mij deze redenering aan doet denken en ik weet het nu. Het is het 'Je moet er geweest zijn om erover te kunnen oordelen' syndroom, dat in werkelijkheid betekent: 'je moet er vóór zijn om er over te kunnen oordelen.'

Ik moest aan dit gesprek met Castro denken door een passage bij Michael Frayn, die vorig jaar in Cuba was. 'Castro schijnt in toenemende mate gepreokkupeerd te zijn met het aanklagen en bedreigen van de vijanden van het regime. In september 1968 verklaarde hij, in een van zijn typische uitbarstingen: 'Voor de revolutie over is, zal her hoofd van niet één contrarevolutionair meer op zijn schouders staan. Dat zijn de regels van het spel, dat zijn de regels van het spel. Voor zij de revolutie kunnen vernietigen, zullen de hoofden van allen die haar vernietigen willen, rollen!'
Dergelijke stoere mannentaal zal de persoonsverheerlijkers niet afschrikken, en daarom is het interessant eens te kijken naar wie die gevaarlijke contrarevolutionairen wel mogen zijn. Typische contrarevolutionairen blijken venters van hot dogs en andere etenswaren te zijn, wier kraampjes dan ook verleden jaar tijdens het Revolutionaire Offensief allemaal opgerold werden. In één van zijn lange redevoeringen deelde Castro zijn volk mee: 'Het hoogste percentage van niet in de Revolutie geïntegreerde personen werd gevonden onder de hot-dog venters. Van de 41 ondervraagden bleken 39, ofwel 95,1% contrarevolutionairen. Zij doen zaken die hen niet alleen winst opleveren, maar hen ook in de gelegenheid stellen in constant contact te staan met klaplopers en andere a-sociale en contrarevolutionaire elementen.'
Hierover niet in de lach schieten lijkt me alleen de persoonsverheerlijker gegeven. In het Cubanummer van De Gids geeft Donner de portretten van drie Cubanen, die over de revolutie ongelukkig zijn, onder de titel 'Ontmoeting met de zelfkant.' Hij doet dat, lijkt mij, rechtvaardig en zakelijk. Maar in plaats van een soort van uitleg, volgt daarop alleen een korte conclusie, die verbazingwekkend is. Donner begint met zich 'onvoorwaardelijk solidair met het Cuba van Fidel Castro' te verklaren. Kritiek op hem hebben, zegt hij, mag zijn volk, niet wij. Want wij behoren tot het deel van de wereld 'waartegen bij nu juist vecht, om zich daarvan te bevrijden.' 'De echte bezorgdheid over het Cubaanse regime kan alleen voortkomen uit de geest van solidariteit. Want in godsnaam, helpt hen!'
Waarom zouden wij, op grond van de kritiek van 'zijn volk' ons geen kritische opinie over Castro mogen vormen? Welke andere kritiek kan in godsnaam doorslaggevender voor ons zijn? Ineens mogen wij niet meer als mensen over mensen praten, maar zijn wij diplomaten geworden, solidair met de diplomaten van een regering die zich van 'ons' juk bevrijd heeft. Een manier van denken,die de regent siert. Nieuwsgierigheid, de drang om de waarheid te onthullen, solidariteit met slachtoffers, zij moeten allemaal wijken voor onze plicht om respekt te hebben voor een regime waarin de achtenswaardigheid alleen door de Cubanen zelf, de mensen dus die er iets van weten, in twijfel getrokken mag worden.
Maar doen zij dat, dan mogen wij op hun kritiek niet letten, zij zijn dan trouwens per definitie contrarevolutionairen geworden. Ik heb een paar uur nagedacht over waar mij deze redenering aan doet denken en ik weet het nu. Het is het 'Je moet er geweest zijn om erover te kunnen oordelen' syndroom, dat in werkelijkheid betekent: 'je moet er vóór zijn om er over te kunnen oordelen.'
Inloggen is niet verplicht om je commentaar achter te laten.
Beperkt HTML (<b>vet</b>, <i>cursief</i> en <u>onderstreept</u> toegestaan; webadressen worden automatisch omgezet in werkende links).

In De
ontdekking van de Hemel(1992) gaan Max Delius en Onno Quist
naar Cuba zoals Mulisch zelf in 1967 Cuba bezocht. Vandaar dat zijn
Cubaanse verleden ook nu nog aan de schrijver kleeft. Mulisch in
een interview: ‘In het algemeen geldt dat je in een rechts
fascistisch land niet geweest hoeft te zijn om te kunnen zeggen hoe
het er is, terwijl je in een links kommunistisch land geweest moet
zijn om te kunnen zeggen hoe het er is.’ (De tekening is
van Joost Veerkamp )
De Zuid
Afrikaanse zangeres Miriam Makeba zei in 2005 tijdens een bezoek
aan Havana: ‘Ik had het geluk dat hij een van mijn
concerten in 1972 bijwoonde, toen ik Cuba voor de eerste maal
bezocht. Ik zong voor president Fidel Castro (…) hij is een
van mijn sterren.’
Ariel
Hidalgo, universitair docent werd in 1980 gearresteerd toen men een
manuscript van hem in beslag nam met de titel Cuba, de marxistische
Staat en de nieuwe Klasse. Hij werd veroordeeld wegen
‘vijandige propaganda’en zat korte tijd in het
Psychiatrisch Ziekenhuis van Havana opgesloten tussen zieken,
geestelijke gestoorden en zware criminelen. ‘Ik was
socialist. Ik geloofde – en ik geloof - in de oorspronkelijke
doelen van de revolutie. Waar ik niet meer geloof is in het
leiderschap van de revolutie.’(…) ‘Veel
gevangenen zaten om veel onschuldiger dingen in de cel. Er zat een
marineofficier Francisco Benites Ferrer bij mij in de cel omdat hij
deze uitspraak van José Martí op een muur gekalkt had:
‘Iedere keer als een mens wordt beperkt in zijn recht om vrij
te denken, lijkt het alsof een van mijn kinderen wordt
gedood’.
'Een
katholiek vervolgen omdat hij katholiek is, een protestant
vervolgen omdat hij protestant is, een vrijmetselaar vervolgen
omdat hij vrijmetselaar is, de rotary vervolgen omdat iemand lid
van rotary is, La Marina (een groot Cubaans ochtendblad) vervolgen
omdat het een rechtse krantis, iemand vervolgen omdat hij links is,
een ander omdat hij radicaal ter linker of ter rechterzijde is, dat
kan ik me niet voorstellen en dat zal de Revolutie nooit doen......
Wij doen wat democratisch is; alle ideeen respecteren. Als iemand
begint met de sluiting van een krant, kan geen krant zich meer
veilig voelen. Als men een mens vervolgt vanwege zijn politieke
opvattingen, kan niemand zich meer veilig voelen.'
De Franse
filosoof en schrijver Sartre bezocht Cuba in 1960 en was verrukt
van de zogeheten ‘directe democratie’ die Fidel en Che
Guevara daar praktiseerden tijdens bijeenkomsten met tienduizenden
Cubanen. Carlos Franqui, toen nog eindredacteur van het blad
Revolución probeerde Sartre uit te leggen dat ‘hier sprake
was van een voorbijgaand fenomeen dat volledig afhankelijk was van
Fidel Castro, dat geen enkele organische of structurele basis
‘bezat maar puur revolutionair theater was, dat in de
dagelijks praktijk niet functioneerde.’
'In naam
van het anti-amerikanisme hebben velen een van de langst- durende
dictaturen gesteund.Die mensen zullen zich straks moeten
verantwoorden; Ignacio Ramonet, hoofdredacteur van Le Monde
Diplomatique, Gerard Depardieu, Daniele Mitterand en Christian
Poncelet, de voorzitter van de Franse senaat. Ik heb ze nog nooit
de repressie horen veroordelen die de tegenstanders van Fidel heeft
getroffen.' De Cubaanse schrijver Jacobo Machover vorig
jaar in L'Expresse



De term contrarevolutionair wordt te pas en te onpas gebruikt door die communisten.
Ze weten gewoon geen gegronde argumenten aan te dragen om bepaalde vreemde restricties tegen hun volk op te leggen dus gooien ze het maar weer op die term.
Misselijkmakend vind ik het.