Cuba
Mensenrechten

1969: Renate Rubinstein over 10 jaar Cubaanse revolutie (3)
zaterdag 31 januari 2009 21:42 door Kees van Kortenhof
In het voorafgaande citeerde ik uit Mchael Frayn. De drie
grote artikelen die hij in The Observer, over Cuba
schreef, gaven mij voor het eerst het gevoel dat Cuba werkelijk
bestaat en niet een fantasie-eiland is. Het Cuba van Mulisch's
Woord bij de Daad maakte op mij een totaal onwerkelijke
indruk. Ik geloof niet dat dat iets met politieke stellingname te
maken heeft, het gaat dieper.

Frayn, hoewel geen bestuurslid van enig Comite van Solidariteit met Cuba, is, op de vanzelfsprekende manier van de man zonder grieven, 'solidair' met de Cubanen. Dat wil zeggen dat hij naar ze kijkt, naar ze luistert, en van ze houdt, zonder zijn identiteit als vreemdeling en bezoeker te verliezen. Hij is zich pijnlijk bewust van zijn positie als bevoorrechte buitenlandse gast; zijn auto met chauffeurs zijn ontbijt met boter (alleen voor kinderen) en kaas (nergens te krijgen) in chique hotels waar de buitenlander geen enkele consumptiebeperking opgelegd wordt; de selectie van projecten die hem getoond worden (steeds dezelfde, wij kennen ze al van Mulisch), en hij vermeldt ook wat bij, ondanks zijn verzoek het te bezichtigen, niet mag zien.
Hij is zó solidair dat hij zich verplaatsen kan in de man die vrijwillig suiker moet oogsten na kantoortijd, in de man die voor het volkstribunaal gedaagd is omdat hij ruzie met zijn buurman heeft en in de paartjes, die nu in het suikerriet vrijen omdat de cafés gesloten zijn. Mulisch daarentegen is solidair met de leiders van Cuba. Dat wil zeggen dat hij zich in hun gezelschap beweegt, naar ze kijkt, misschien ook naar ze luistert (al krijg ik de indruk dat Mulisch geen Spaans spreekt) en van ze houdt. Nooit heeft hij liefdevoller geschreven dan over het knakken der sigaren van 'de mach', waarmee hij Castro en zijn ministers bedoelt. Hij is zich bewust van zijn bevoorrechte behandeling als buitenlandse gast, maar hij beschouwt dat als een compliment aan hem persoonlijk en een bewijs voor hun goede smaak. Hij vraagt niets te zien wat hem niet ter bezichtiging aangeboden wordt - er waarom zou hij ook? Zijn vrienden leiden de zaak immers zelf. Zo solidair is hij met het regime dat hij zich identificeert met man die de order geeft om vrijwillig suiker te oogsten, met de man die Volkstribuun is en oordeel velt, en met de man die de cafés sluit omdat contrarevolutionairen de gelegenheid geven om te vrijen, terwijl de revolutionairen in het veld werken.
De uitgangspunten van Mulisch en Frayn zijn kortom tegengesteld. Mulisch schrijft vanuit het standpunt van de regent, dat is zijn aard, Frayn identificeert zich met de geregeerde - dat is de zijne. Het is ook de mijne. Daarom heb ik het gevoel dat ik Frayns Cuba herken, en moet ik om dat vin Mulisch lachen. - het lijkt mij per dekreet verklaard, samen met de Nieuwe Mensch, ik kan niet geloven dat het echt bestaat. Er komt nog iets bij. Een land waar de staat alle macht heeft, de rechten van het individu door geen instituut beschermd zijn, de pers gecensureerd is, de oppositie verboden, je arbeiders 'unaniem' besluiten zonder betaling overwerk te verrichten, de redevoeringen en de adhesiebetuigingen wekelijks zijn, de mensen permanent vrijwillig' op het land werken, de winkels leeg zijn, het voedsel gerantsoeneerd behalve voor VIP's, de propaganda alomtegenwoordig is, de homosexuelen gehaat zijn, en de politieke tegenstanders in werkkamp of gevangenis zitten, - zo'n land heeft behoefte aan krachtige rechtvaardiging. Het kan zijn dat de armoede en de vernedering van de meerderheid van de bevolking
voor 1959, de situatie zoals die nu is toch gunstig laat afsteken. Het kan ook zijn dat het revolutionaire regime weliswaar grote economische vergissingen begaan heeft, maar dat de situatie verbeteren zal, omdat er naar kritiek geluisterd wordt. Maar Mulisch
geeft over zulke punten geen informatie.

Mulisch rechtvaardigt de dictatuur op Cuba met een redenering, die men in de laatste tijd in verband met de Oost-Europese landen, wel vaker te horen krijgt. Als wij over democratie praten, zegt hij, bedoelen we altijd parlementaire democratie. Daarna toont hij aan dat het parlement en de verkiezingen bij ons weinig te betekenen hebben, omdat wij geen staatshoofd en niet eens een regering kunnen kiezen, aangezien de laatste pas later en na veel politieke koehandel door de partijen samengesteld wordt. In Amerika kun je dat wel, maar daar bestaat weer geen verschil tussen de twee partijen.
Met andere woorden,wij hebben eigenlijk ook een één-partij systeem, net als Cuba alleen gaan de arbeiders eerst na wat iemand voor de revolutie gedaan heeft voordat zij hem als vertegenwoordiger afvaardigen. In wezen hebben zij daarom meer democratie dan wij. Daarmee is het hoofdstuk over de democratie afgelopen.
Foto: Harry Mulisch kapt suikerriet

Frayn, hoewel geen bestuurslid van enig Comite van Solidariteit met Cuba, is, op de vanzelfsprekende manier van de man zonder grieven, 'solidair' met de Cubanen. Dat wil zeggen dat hij naar ze kijkt, naar ze luistert, en van ze houdt, zonder zijn identiteit als vreemdeling en bezoeker te verliezen. Hij is zich pijnlijk bewust van zijn positie als bevoorrechte buitenlandse gast; zijn auto met chauffeurs zijn ontbijt met boter (alleen voor kinderen) en kaas (nergens te krijgen) in chique hotels waar de buitenlander geen enkele consumptiebeperking opgelegd wordt; de selectie van projecten die hem getoond worden (steeds dezelfde, wij kennen ze al van Mulisch), en hij vermeldt ook wat bij, ondanks zijn verzoek het te bezichtigen, niet mag zien.
Hij is zó solidair dat hij zich verplaatsen kan in de man die vrijwillig suiker moet oogsten na kantoortijd, in de man die voor het volkstribunaal gedaagd is omdat hij ruzie met zijn buurman heeft en in de paartjes, die nu in het suikerriet vrijen omdat de cafés gesloten zijn. Mulisch daarentegen is solidair met de leiders van Cuba. Dat wil zeggen dat hij zich in hun gezelschap beweegt, naar ze kijkt, misschien ook naar ze luistert (al krijg ik de indruk dat Mulisch geen Spaans spreekt) en van ze houdt. Nooit heeft hij liefdevoller geschreven dan over het knakken der sigaren van 'de mach', waarmee hij Castro en zijn ministers bedoelt. Hij is zich bewust van zijn bevoorrechte behandeling als buitenlandse gast, maar hij beschouwt dat als een compliment aan hem persoonlijk en een bewijs voor hun goede smaak. Hij vraagt niets te zien wat hem niet ter bezichtiging aangeboden wordt - er waarom zou hij ook? Zijn vrienden leiden de zaak immers zelf. Zo solidair is hij met het regime dat hij zich identificeert met man die de order geeft om vrijwillig suiker te oogsten, met de man die Volkstribuun is en oordeel velt, en met de man die de cafés sluit omdat contrarevolutionairen de gelegenheid geven om te vrijen, terwijl de revolutionairen in het veld werken.
De uitgangspunten van Mulisch en Frayn zijn kortom tegengesteld. Mulisch schrijft vanuit het standpunt van de regent, dat is zijn aard, Frayn identificeert zich met de geregeerde - dat is de zijne. Het is ook de mijne. Daarom heb ik het gevoel dat ik Frayns Cuba herken, en moet ik om dat vin Mulisch lachen. - het lijkt mij per dekreet verklaard, samen met de Nieuwe Mensch, ik kan niet geloven dat het echt bestaat. Er komt nog iets bij. Een land waar de staat alle macht heeft, de rechten van het individu door geen instituut beschermd zijn, de pers gecensureerd is, de oppositie verboden, je arbeiders 'unaniem' besluiten zonder betaling overwerk te verrichten, de redevoeringen en de adhesiebetuigingen wekelijks zijn, de mensen permanent vrijwillig' op het land werken, de winkels leeg zijn, het voedsel gerantsoeneerd behalve voor VIP's, de propaganda alomtegenwoordig is, de homosexuelen gehaat zijn, en de politieke tegenstanders in werkkamp of gevangenis zitten, - zo'n land heeft behoefte aan krachtige rechtvaardiging. Het kan zijn dat de armoede en de vernedering van de meerderheid van de bevolking
voor 1959, de situatie zoals die nu is toch gunstig laat afsteken. Het kan ook zijn dat het revolutionaire regime weliswaar grote economische vergissingen begaan heeft, maar dat de situatie verbeteren zal, omdat er naar kritiek geluisterd wordt. Maar Mulisch
geeft over zulke punten geen informatie.

Mulisch rechtvaardigt de dictatuur op Cuba met een redenering, die men in de laatste tijd in verband met de Oost-Europese landen, wel vaker te horen krijgt. Als wij over democratie praten, zegt hij, bedoelen we altijd parlementaire democratie. Daarna toont hij aan dat het parlement en de verkiezingen bij ons weinig te betekenen hebben, omdat wij geen staatshoofd en niet eens een regering kunnen kiezen, aangezien de laatste pas later en na veel politieke koehandel door de partijen samengesteld wordt. In Amerika kun je dat wel, maar daar bestaat weer geen verschil tussen de twee partijen.
Met andere woorden,wij hebben eigenlijk ook een één-partij systeem, net als Cuba alleen gaan de arbeiders eerst na wat iemand voor de revolutie gedaan heeft voordat zij hem als vertegenwoordiger afvaardigen. In wezen hebben zij daarom meer democratie dan wij. Daarmee is het hoofdstuk over de democratie afgelopen.
Foto: Harry Mulisch kapt suikerriet
Inloggen is niet verplicht om je commentaar achter te laten.
Beperkt HTML (<b>vet</b>, <i>cursief</i> en <u>onderstreept</u> toegestaan; webadressen worden automatisch omgezet in werkende links).

In De
ontdekking van de Hemel(1992) gaan Max Delius en Onno Quist
naar Cuba zoals Mulisch zelf in 1967 Cuba bezocht. Vandaar dat zijn
Cubaanse verleden ook nu nog aan de schrijver kleeft. Mulisch in
een interview: ‘In het algemeen geldt dat je in een rechts
fascistisch land niet geweest hoeft te zijn om te kunnen zeggen hoe
het er is, terwijl je in een links kommunistisch land geweest moet
zijn om te kunnen zeggen hoe het er is.’ (De tekening is
van Joost Veerkamp )
De Zuid
Afrikaanse zangeres Miriam Makeba zei in 2005 tijdens een bezoek
aan Havana: ‘Ik had het geluk dat hij een van mijn
concerten in 1972 bijwoonde, toen ik Cuba voor de eerste maal
bezocht. Ik zong voor president Fidel Castro (…) hij is een
van mijn sterren.’
Ariel
Hidalgo, universitair docent werd in 1980 gearresteerd toen men een
manuscript van hem in beslag nam met de titel Cuba, de marxistische
Staat en de nieuwe Klasse. Hij werd veroordeeld wegen
‘vijandige propaganda’en zat korte tijd in het
Psychiatrisch Ziekenhuis van Havana opgesloten tussen zieken,
geestelijke gestoorden en zware criminelen. ‘Ik was
socialist. Ik geloofde – en ik geloof - in de oorspronkelijke
doelen van de revolutie. Waar ik niet meer geloof is in het
leiderschap van de revolutie.’(…) ‘Veel
gevangenen zaten om veel onschuldiger dingen in de cel. Er zat een
marineofficier Francisco Benites Ferrer bij mij in de cel omdat hij
deze uitspraak van José Martí op een muur gekalkt had:
‘Iedere keer als een mens wordt beperkt in zijn recht om vrij
te denken, lijkt het alsof een van mijn kinderen wordt
gedood’.
'Een
katholiek vervolgen omdat hij katholiek is, een protestant
vervolgen omdat hij protestant is, een vrijmetselaar vervolgen
omdat hij vrijmetselaar is, de rotary vervolgen omdat iemand lid
van rotary is, La Marina (een groot Cubaans ochtendblad) vervolgen
omdat het een rechtse krantis, iemand vervolgen omdat hij links is,
een ander omdat hij radicaal ter linker of ter rechterzijde is, dat
kan ik me niet voorstellen en dat zal de Revolutie nooit doen......
Wij doen wat democratisch is; alle ideeen respecteren. Als iemand
begint met de sluiting van een krant, kan geen krant zich meer
veilig voelen. Als men een mens vervolgt vanwege zijn politieke
opvattingen, kan niemand zich meer veilig voelen.'
De Franse
filosoof en schrijver Sartre bezocht Cuba in 1960 en was verrukt
van de zogeheten ‘directe democratie’ die Fidel en Che
Guevara daar praktiseerden tijdens bijeenkomsten met tienduizenden
Cubanen. Carlos Franqui, toen nog eindredacteur van het blad
Revolución probeerde Sartre uit te leggen dat ‘hier sprake
was van een voorbijgaand fenomeen dat volledig afhankelijk was van
Fidel Castro, dat geen enkele organische of structurele basis
‘bezat maar puur revolutionair theater was, dat in de
dagelijks praktijk niet functioneerde.’
'In naam
van het anti-amerikanisme hebben velen een van de langst- durende
dictaturen gesteund.Die mensen zullen zich straks moeten
verantwoorden; Ignacio Ramonet, hoofdredacteur van Le Monde
Diplomatique, Gerard Depardieu, Daniele Mitterand en Christian
Poncelet, de voorzitter van de Franse senaat. Ik heb ze nog nooit
de repressie horen veroordelen die de tegenstanders van Fidel heeft
getroffen.' De Cubaanse schrijver Jacobo Machover vorig
jaar in L'Expresse



http://www.volkskrantblog.nl/pub/mm/tempest/28364/Image/vrouwendag.jpg
Ik schrijf nog een aankondiging en hoop dat er ook veel mannen mee doen. Jij ook?