
Het zenuwslopende van huurmoordenaar zijn, is dat je je
nergens veilig waant. Dat was aanvankelijk ook de reden dat ik er
van afzag toen me werd gevraagd de dood van mijn petekind te
wreken. Ik zei iets in de trant van: “Dan heb ik geen
rustig leven meer, Suus.” Waarop mijn verdrietige vriendin,
een aan huis gebonden reumapatiënte, zei: “Dat is dan
jammer, maar dat hebben we nu dus ook niet meer.” En ze had
gelijk. Dus voilà.
Anton de Vijver heette de klootzak die haar kleindochter Lies om
zeep hielp door met zijn zatte hersens te hard te rijden en haar
te scheppen. Ze was achttien. De hufter.
Daar stond ik dan op de kade van North Shields. Voorjaar in
Noord-Engeland, maar bitter koud. En guur. De overtocht met de
King of Scandinavia was op zijn minst nogal
“bumpy”geweest, zoals de Thaise ober aan het ontbijt
als excuus had opgevoerd voor de vele lege plaatsen in het
scheepsrestaurant. Ik heb trouwens wel heerlijk gegeten, want dat
heb ik uit mijn jeugd meegekregen, dat je in ieder geval goed
moet eten, wat er ook gebeurt. Kan mij zo’n windkracht acht
schelen.
Ik had op dat moment nog geen plan hoe ik Anton naar de andere
wereld zou helpen. Het enige dat ik wist, was dat hij in een
Schots kustplaatsje was gaan wonen nadat die idioot van een
rechter hem had vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Hij had
nota bene bekend, maar was daar later op terug gekomen!
“Ik acht het onvoldoende bewezen,” zei die rechter.
Nou ja!
Dondert allemaal niet meer.
Ik was er. Ik schutterde door de douane, een Nederlandse vrouw
van in de zeventig (Ik ben op de dag af zo oud als koningin
Beatrix! Mijn ouders hebben me daarom Wilhelmina laten dopen. Ze
gingen er vanuit dat het prinsesje ook zo zou heten. Dit
terzijde, natuurlijk.) Ik liet twee keer mijn paspoort vallen.
Een stevige tante met ietwat overgewicht en beperkte kennis van
de Engelse taal, met een sleets reistasje op weg naar een oude
vriendin in Scarborough. Dat was tenminste mijn dekmantel, zeg
maar. Ik ging natuurlijk helemaal niet naar Scarborough, al had
ik daar wel treintickets voor besteld en laten opsturen. Alibi.
Die Engelse vriendin bestond wel en was helemaal op de hoogte.
Janet zou, indien nodig, de politie ervan verzekeren dat ik bij
haar was ten tijde van het verscheiden van Anton. We hadden echt
aan alles gedacht. Behalve dan aan een moordwapen. Dat werd iets
van improviseren.
Ik liet me met een taxi naar Newcastle rijden en daar overnachtte
ik als Wilma Stubbs in het Thistle hotel, zo’n vergane
glorie toestand, maar wel pal tegenover het station. Ze vroegen
niet naar enige identificatie. Drie nachten verbleef in het hotel
voor ik me op de trein naar Schotland waagde. Ik ging nu anoniem
door het leven, als een stugge Noord Engelse met een nylon
hoofddoekje omgeknoopt. Gelukkig ben ik goed in het nadoen van
accenten. Ik geloof niet dat iemand door had dat ik helemaal geen
Engelse ben. Niet dat het veel uitmaakte, want ik viel totaal
niet op. Ik nam als eerste plaats in de coupé van het
Scotsrail-treinstel en keek nauwelijks naar mijn medepassagiers,
die binnendruppelden en zich over de stoelen verspreidden. Het
werd behoorlijk druk, maar daar was ik op voorbereid. Zodra er
iemand tegenover me ging zitten, een man van een jaar of veertig,
dook ik in een Womans Own, een verschrikkelijk truttig blaadje
waar ik bijkans van in slaap viel. Helaas was mijn metgezel een
Prater.
“Good reading?” vroeg hij met zo’n blije
glimlach die niet veel goeds voorspelde.
“Jolly good,” mompelde ik en ik las stug verder. Het
kostte me niet veel moeite een stuk chagrijn te verbeelden á la
Ena Sharples, u weet wel, dat ouwe sekreet uit Cornonation
Street, maar dat schrok die sukkel niet af. Hij begon over zijn
tenen. Ik bedoel, zijn ténen! Hé, man, shut up, dacht ik. Ik ben
op weg naar een moord!
En daarmee kwam het morele aspect van de onderneming om de hoek
kijken. Terwijl die kerel maar dooremmerde over zijn
voetproblemen, hij had schimmel en ingegroeide nagels en weet ik
wat niet meer allemaal, begon ik me af te vragen of het ethisch
wel verantwoord was om het recht in eigen hand te nemen.
“And it is so unpleasant to walk,” klaagde de zeikerd
verder. We naderden het eerste station, Metro heette het daar,
een groot winkelcentrum geloof ik. Er stapten heel wat treurige
types uit en de trein ging veel leger verder, maar die kerel
tegenover me zat er nog steeds en hij vertrouwde me toe dat hij
naar Gretna ging om zijn kinderen te bezoeken. Dat was nog een
aardig eindje, en dus begon ik aan een kruiswoordpuzzel. Ik
verloor mijn geduld met die vent.
“Why don’t you have them amputated?” opperde ik
na zijn zoveelste klacht richting voeten. Kortom, die reis was
een bezoeking. Pas toen die man eindelijk was uitgestapt, een
hele klus met zijn zere poten, ontspande ik een beetje.
De trein was nu vrijwel leeg. Buiten het grauwe desolate
landschap van Zuid Schotland. Het werd alweer donker voor het
echt licht was geweest.
Na een oponthoud van een uur, er stonden tachtig koeien op de
rails en die moesten er eerst weer afgejaagd worden, arriveerden
we laat in de middag dan eindelijk in het kustplaatsje Troon. En
hier woonde Anton de Vijver dus.
Troon is verschrikkelijk. Ik zal er geen woorden aan vuil
maken.
Omdat ik zo had ingeschat dat er midden in de winter in een
kustplaats wel onderdak te vinden zou zijn, had ik van te voren
geen accommodatie geboekt. Het viel nog tegen, maar met de hulp
van een taxichauffeur van mijn leeftijd en dus van het
fatsoenlijke soort want de oorlog meegemaakt, belandde ik binnen
het uur in het Anchorage Hotel met een uitermate gezellige pub,
dat was wel een verrassing in al die nattige grauwigheid buiten.
Ik maakte de eigenaar wijs dat ik de volgende dag met de ferry
naar Ierland wilde. Hij vond het heel sportief van me, op mijn
leeftijd en helemaal alleen. Vervolgens at ik haggis, dat
beruchte Schotse gerecht gekookt in een schapenmaag, want dat
wilde ik wel eens proberen en ik was er nu toch, maar daar was
niks aan, gewoon gehakt zonder zout en peper. Na de maaltijd, tea
geheten, zei ik tegen de eigenaar dat ik even een ommetje ging
maken.
Snertweer. Ik rilde in mijn te dunne regenjas, een onopvallend
modelletje in beige. Dondert niet. Ik had thuis op de pc via
Google Earth een handige kaart van Troon gevonden en uitgeprint
en al dolende stond ik ineens voor het huis van Anton de
Vijver.
Hoe ik achter zijn adres was gekomen, wil ik nog wel even
vermelden. Mensen zijn zo slordig soms. Hij wilde na die
schandalige uitspraak van de rechter die voor hem zo gunstig had
uitgepakt, uit Nederland verdwijnen, maar hij wenste wel zijn
tijdschriftenabonnementen te blijven aanhouden. Het is echt niet
zo moeilijk om achter dat soort gegevens te komen. De zoon van
Suus werkt in de tijdschriftenwereld en die had het zo
gevonden.
Zijn naam stond niet op de deur van het huis met uitzicht op een
lullig strandje met stinkend zeewier. Wel de naam van de vrouw
met wie hij iets had en bij wie hij was ingetrokken, dat wist ik
dankzij de zoon van Suus, dus ik zat goed.
Ik probeerde naar binnen te kijken, maar die Schotten hebben
’s avonds de gordijnen dicht. Er brandde wel licht.
Anton de Vijver was in Nederland werkzaam als vertegenwoordiger
in draaibanken. Ja, zoiets verzin je niet. Hij was altijd onder
weg en al vaak beboet voor rijden onder invloed, een alcoholist
dus, maar zijn rijbewijs was slechts één keer ingenomen.
Ik hoorde hem lachen. In het oranje licht van de straatlantaarns
zag ik dat hij een onverzorgd voortuintje had. Er groeide
onkruid, dat ik herkende en daar zat ook wat dolle kervel bij. Je
moet echt wel wat van planten weten als je dolle kervel bij dat
licht van gewone kervel kunt onderscheiden. Dat wel. Ik stond er
over heen gebogen, toen ik iets anders zag staan. Lelietjes van
Dalen. Honderden. Veel mensen weten het niet, maar dat is een
echte gifplant.
Ik plukte snel een mooi grote bos, verscheurde de bloemen tot
kleine stukjes en keek om me heen. Niemand te zien, er waaide een
krant over het trottoir maar verder bewoog er niets.
Ik liep naar de achterdeur en opende die voorzichtig.
Er stond iets op het vuur in de kleine keuken. Een grote pan. Het
rook naar groentensoep.
Ik sloop naar binnen, een hond model sukkel lag me vriendelijk
aan te kijken vanuit zijn mand onder de tafel. Als die hond zou
aanslaan, was ik erbij, dus aaide ik het beestje.
Ik wilde de Lelietjes van Dalen eenvoudigweg in de soep kieperen,
maar op dat moment hoorde ik die vrouw zingen. Margaret heette
ze. Zij zou ongetwijfeld van dezelfde soep eten als Anton. Ik kon
het niet maken. Waarom had Suus haar zoon eigenlijk niet gevraagd
dit te doen? Waarschijnlijk had ze dat wel gedaan, maar durfde
die lafbek niet.
Met spijt deponeerde ik de bladen, stengels en klokjes in de
afvalbak, die net iets te veel lawaai maakte. Ze hadden het
gehoord.
“What was that? Anton?”
“I’ll take a look.”
Ik wachtte niet en rende de achterdeur uit, om me achter de
schuur te verbergen. Hijgend. Mijn conditie is niet
optimaal.
“It must have been the dog,” hoorde ik Anton zeggen.
“The door is open, but there is no one
here.”
”What are those flowers doing in the bin?” hoorde ik even later, ik stond nog altijd achter het huis bij te komen van de schrik.
“What flowers do you mean?” zei Anton. God, wat had
die man een vreselijk Hollands accent.
“My Lily-of-the-Valleys! Look! Why did you pick them? O my
God!” schreeuwde ze opeens uit. “I know what it is!
You want to poison me, don’t you? That is why you wanted to
cook tonight! That is why you made soup!”
O hemeltje, dacht ik, ze hebben wel een lekkere relatie!
Vertrouwen is ook maar alles.
Ik was nieuwsgierig en ik wilde weten of ze elkaar de hersens
zouden inslaan. Dus kwam ik achter die schuur tevoorschijn en nam
een kijkje door het keukenraam. Margaret was een leuke, kleine,
Schotse vrouw met rossig haar. Ze droeg een roze truitje met
daarop de afbeelding van een hond, van hetzelfde soort als er in
de mand onder de keukentafel lag. Ze hield een joekel van een
keukenmes in haar hand en hield die omhoog. Toen stak ze toe. En
niet één keer, maar minstens zes. Bloed spatte overal
naartoe.
De rest heb ik niet afgewacht. Ik sloop de tuin uit en ben rustig
wandelend teruggegaan naar het hotel. Daar heb ik dankzij al die
frisse lucht lekker geslapen en de volgende dag, na het ontbijt,
vertelde ik de eigenaar van het hotel dat ik vanwege het slechte
weer afzag van mijn tripje naar Ierland. Een taxi bracht me naar
het station en ik nam de trein terug naar Newcastle. Onderweg
probeerde ik iets over de moord op Anton in de kranten te vinden,
maar het was zeker nog te vroeg daarvoor. Nog dezelfde dag reisde
ik naar IJmuiden en daar stond de zoon van Suus me op te wachten,
zoals gepland.
Een week later hoorde ik van Janet dat ze in de Scotsman had
gelezen dat Anton vermoord was aangetroffen.
En nu geloven ze me niet, hè. Suus niet, Janet niet en de zoon
van Suus ook niet. Maar het is toch echt zo gegaan, meneer de
Officier van Justitie. Hoe spreek ik u eigenlijk aan?
Edelachtbare? Niemand van mijn vrienden gelooft nu dat ik
onschuldig ben aan de dood van Anton. Vandaar dat ik hierbij deze
verklaring afleg. Ik heb Anton de Vijver niet vermoord, omdat ik
Margaret wilde beschermen. Het kan raar lopen.
Dit is het 2e verhaal dat ik naar
Woordenstroom heb ingestuurd. En het eindigde weeral 'hoog' dus
ben ik best wel trots.
knutselsmurf
08-10-2009 22:47
Zicht-op-Zee
08-10-2009 23:00
knutselsmurf
08-10-2009 23:26
Eigenlijk heb ik geen schrijfstijl, of misschien heb ik er één voor elk verhaal.
Zicht-op-Zee
09-10-2009 07:55
Een recensent noemde mijn "stijl" voor zover ik die heb dan," nerveus " . Heb ik dat! Is ook alweer 22 jaar geleden, intussen is het misschien wat rustiger geworden. Wat leerden wij op school? Korte zinnen maken! Vandaar, denk ik.
Inloggen is niet verplicht om je commentaar achter te laten.
Beperkt HTML (<b>vet</b>, <i>cursief</i> en <u>onderstreept</u> toegestaan; webadressen worden automatisch omgezet in werkende links).


