
Martinuskerk in Geulle kreeg in 1920 vorm als mini-kathedraal
De Sint Martinuskerk in Geulle kreeg in 1920 zijn huidige vorm als “mini-kathedraal”.
Winus en Henny de Rouw
Door Winus de Rouw
Je zou ze de kost niet willen geven de parochianen die een meewarige glimlach niet konden onderdrukken toen zij nog niet zo lang geleden hoorden en lazen dat de pastoor wel eens hardop denkt aan het uitroepen door de paus van de Sint Martinuskerk Aan de Maas tot Basiliek.
Niet moeilijk te raden, hoe deze plannen worden gekwalificeerd. Toch kennen de parochianen de relatief korte geschiedenis van hun Sint Martinus niet al te best. Het is nog geen eeuw geleden - de uitbreiding van de kerk in 1920 was nauwelijks in gang gezet - toen er reeds gesproken werd over de Sint Martinus als “kathedraal”, in zakformaat weliswaar, want mini-kathedraal genoemd, maar toch. Wie het zich niet herinnert, leest er eens het als deel 6 door de Stichting Historische Reeks Maastricht uitgegeven en door Jos H. Pouls geschreven standaardwerk over na over de kerkenbouw en de kerkelijke kunst in Limburg in de vorige eeuw, getiteld “Ware schoonheid of louter praal”. Daarin wordt uitvoerig aandacht besteed aan de strijd om het behoud van de typisch Limburgse dorpskerkjes, die met uitbreiding of geheel verdwijnen in de jaren 1920 werden bedreigd als gevolg van de opkomst van de mijnindustrie. De grote toestroom van arbeidskrachten van elders werd voor een belangrijk deel gehuisvest in de dorpen. Deze verloren daardoor niet alleen een deel van hun oude karakter, maar vanwege de toename van het aantal gelovigen werden ook de vaak middeleeuwse kerkjes met uitbreiding en daardoor verlies van hun karakteristiek bedreigd. Een bijzonder interessant en boeiend hoofdstuk.
Grote voorvechter voor het behoud van deze kerkjes (o.a. in Eygelshoven, Wahlwiller, Nyswiller, Margraten, Spaubeek, Wylre, Hoensbroek (kleine Sint Jan) Simpelveld, Schin op Geul, Limbricht en Geulle) was de (latere) directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg in Den Haag Jan Kalf (1873 - 1954). Hij schreef zijn vingers blauw in zijn strijd om het behoud van deze Limburgse dorpskerken. Kalf vond een groot medestander in Willem Goossens, priester-docent in Rolduc en vanaf 1917 archivaris in Maastricht. Tal van pastoors in die tijd hadden geen al te hoge bonnet op van dit tweetal; zij probeerden hen dan ook op tal van slinkse wegen te omzeilen. Dat zij daarin meer dan eens slaagden bewees pastoor Reinerus Voncken (ten onrechte in het boek halsstarrig pastoor J. Vencken genoemd) van de Sint Martinus in Geulle.
Het boek volgend wordt hem een voorbeeld functie toegedicht. Het is aan de lezer uit te maken of dit een ere-titel is dan wel een spotnaam. Auteur Jos H. Pouls noemt het voorbeeld van Geulle “typerend voor de gang van zaken rond de Limburgse dorpskerkjes”. In 1919 - de Bouwcommissie van het Bisdom Roermond was inmiddels opgericht - was er contact tussen Willem Goossens en Jan Kalf over het laatmiddeleeuwse kerkje van Geulle. Het onderwerp van de brief was de vergroting van dit gotische kerkje. Pastoor Voncken had hiervoor architect J. van Groenendael gevraagd. Diens plan was ingediend bij de Monumentenzorg in Den Haag.
Het Martinuskerkje had volgens Kalf als grote verdienste “dat het zich zo uitnemend aanpast bij de landelijke omgeving. Hoe eenvoudig ook, bezit het kerkje daardoor eene grote bekoorlijkheid”. In een brief aan pastoor R. Voncken pleitte Kalf voor een verandering van de functie van dit kerkje tot bijvoorbeeld patronaat en voor nieuwbouw van een kerk elders “teneinde het kerkje in ongewijzigde vorm te behouden”.
Kalf had het plan van de Maastrichtse architect Van Groenendael voorgelegd aan de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg. Het werd om diverse redenen radicaal afgekeurd. Zo had Van Groenendael geen rekening gehouden met de uit liturgisch oogpunt zo belangrijke Heilige Linie (het op het oosten gericht zijn, georiënteerd zijn zoals dat wordt genoemd - WdeR) door de forse uitbreiding dwars op de as van het oude kerkje te projecteren. Bovendien zou de uitbreiding niet veel extra ruimte opleveren. Door het plan werd volgens Kalf van het mooie oude priesterkoor (thans Mariakapel - WdeR) een ‘hinderlijk aanhangsel’ gemaakt.
Zijn ergste kritiek echter betrof het decoratieve karakter van de nieuwbouw. “In plaats van de rustige architectuur, welke de landelijke omgeving vereischt, geeft het een pronkerig, opgeschikt gebouw te zien, een kathedraaltje in miniatuur, juist het tegendeel van een dorpskerk. Het mengelmoes van romaansche en barokvormen (...) het door onnodige torentjes geheel verbrokkelde silhouet, de wanstaltige vorm der bedaking - dit alles zijn fouten, die veroorzaken dat het plan uit architectonisch oogpunt een mislukking moet heeten, die overal zou misstaan. Maar ten zeerste zal het dit doen op de plaats waarvoor het gedacht is, tusschen de sobere, eerlijke overblijfselen van het oude kerkje. Er is geen zweem van harmonie tusschen het nieuwe en het oude, in karakter en in schaal is er het scherpste contrast: het nieuwe zal aan het oude alle bekoring ontnemen en het oude zal bij het nieuwe misstaan”. Duidelijke taal.
Niet verwonderlijk is daarom dat Kalf er bij pastoor Voncken op aandrong het plan niet te laten uitvoeren en “door een bekwaam architect een beter ontwerp te laten maken”. Indien hij dat wenste, zou de Rijkscommissie hem wel namen kunnen noemen van geschikte architecten en zou ze hem zelfs een schets kunnen leveren. Een beter plan zou bovendien een stuk goedkoper zijn dan het voorliggende, zo besloot Kalf zijn brief aan Voncken.
De afloop is bekend. Ondanks dit indringende pleidooi van Kalf en een venijnig stukje van Jos Ritzen in 1919 in het tijdschrift ‘Kunst in Limburg’ werd het plan van Van Groenendael vrijwel onverkort uitgevoerd. Goossens deelde Kalf op 5 januari 1920 mee dat er niets meer aan te doen was. De aanbesteding had al plaatsgehad. Bovendien: “Zelfs als dit niet het geval was zou ik aan een doovenmans deur geklopt hebben. Men wist dat ik voor het behoud der oude kerk was en daarom heeft men mij zorgvuldig buiten alles gehouden totdat men voor de nieuwe kerk de goedkeuring had van den bisschop. De pastoor beriep zich tegenover mij op de gezindheid zijner parochianen en op het oordeel van den Rijksarchivaris Flament dat de oude kerk niet veel had te beteekenen”. De bijdrage eindigt met de volzin: Geulle kreeg zijn mini-kathedraal en Kalf zijn zoveelste deceptie. De betiteling ‘mini-kathedraal’ wordt ook gebruikt in het bijschrift bij de bij het artikel geplaatste foto van de ‘nieuwe’ Sint Martinuskerk.
Reactie van de pastoor: Ik zal al blij zijn als de Sint Martinus tot basiliek wordt verheven. Ik laat het aan mijn opvolger over er een kathedraal van te maken.
Boek: “Ware schoonheid of louter praal” uitgave Stichting Historische Reeks Maastricht. Carolushuis. Gereduceerde prijs. € 19,95.
Bron: Maandblad de Sjakel, Geulle, 2010.



Inloggen is niet verplicht om je commentaar achter te laten.
Beperkt HTML (<b>vet</b>, <i>cursief</i> en <u>onderstreept</u> toegestaan; webadressen worden automatisch omgezet in werkende links).