
4. Carnavalskranten
In de aanloop naar het echte feest worden in elk dorp ook heuse carnavalskranten uitgegeven, waarin de prins zich met zijn raad en zijn eigen lijfspreuk presenteert. De lijfspreuk is een of andere heldhaftige kreet en/of een oproep aan de bevolking om vooral mee te doen. Vroeger was er nog een voorwoord van de pastoor, maar in de meeste dorpen is die in geen velden of wegen meer te bekennen. Ook de burgemeester laat het nu, na de laatste herindeling meestal royaal afweten. Hij is nu burgervader over zestien kerkdorpen en evenzoveel Carnavalsverenigingen, dus dat wordt een beetje moeilijk. Verder vindt men in de kranten het programma voor de drie dolle dagen. Er is ook enige ruimte gereserveerd voor enkele moppen en verhalen. Voor enige ‘sjaele kal’ wat zoveel betekent als complete onzin. Hoewel de jus er een beetje af gaat door de vertaling vanuit het dialect, wil ik u toch enkele fratsen niet onthouden.
In Naer, een lieflijk dorpje aan de Maas tussen Roermond en Venlo, is een Spanjaard bij vakantievrienden op bezoek die plots erg ziek wordt. Hij moet naar het ziekenhuis, ligt daar te lijden aan slangen en infusen. Hij krijgt bezoek van zijn vrienden uit het dorp die liefdevol dichtbij hem op bed zijn gaan zitten. De Spanjool krijgt het opeens erg benauwd en begint opgewonden te roepen. ‘Maldito, maldito, tubo de oxigeno!’ en dat enkele keren achter elkaar. Dan zwijgt hij stil en is dood. Tenminste dat zegt de dokter even later.
- ‘Wat zei hij nog’, vragen de mensen later aan de vrienden in het dorp en er wordt naarstig gezocht naar de vertaling.
- ‘Verdomme, ga van mijn zuurstofslang af!!’
Soms liggen oplossingen zo voor de hand dat je er niet meer op komt. Een ouder stel doet vaak vreemd als ze bij hun voordeur aankomen. Hij grijpt haar woest onder haar rokken en daarna gaan ze fluks naar binnen.
‘Nu nog steeds na zoveel jaren’, denkt de overbuurvrouw meewarig. ‘Gottegot!’
Na het schouwspel vele malen bekeken te hebben, wil ze nu wel eens weten hoe het echt zit. Ze vraagt het gewoon.
‘Nou dat zit zo’, legt de man geduldig uit. ‘Mijn vrouw heeft een houten been en ik heb in haar knie een schroefje gedraaid waar ik onze huissleutel aan heb opgehangen’.
Verder nog heel veel van zulke stukjes, waarin dan ook bij voorkeur bekende figuren uit het dorp worden opgevoerd. Of soms uit de landelijke politiek. Zo in de trant van: ‘Maria V. komt bij de dokter….!’ ‘Rita V. doet mee aan het liedjeskonkoer….enz.’!
5. Optochten
De kerk is altijd handig geweest in het inpalmen van al bestaande gebruiken van de bevolking. Omdat de katholieken al gewend waren aan het achter elkaar lopen bij processies, was het maar een kleine stap naar het organiseren van een optocht bij carnaval. Of misschien waren die optochten er al en volgden de processies, wie weet. De polonaise was in elk geval een logisch vervolg. Op fleurige platte wagens, op geconfisqueerde vrachtwagens en andere ongeregelde voertuigen bouwt de gemeenschap elk jaar fantasievolle taferelen waarop toestanden, misstanden en gebeurtenissen van het afgelopen jaar op de hak worden genomen of mooi uitgebeeld. Er wordt vaak maanden aan gewerkt in grote loodsen en garages. Soms worden de wagens zelfs een volgend seizoen verkocht aan een ander dorp, wijk of vereniging, want ze hebben vaak duizenden euro’s gekost.
Elke dorp of stad heeft zijn vaste dag waarop de optocht rondtrekt onder begeleiding van muziek van fanfare, hoempapa orkest en joekskapel. De grote wagens zijn mooi, maar soms zijn de z.g. Einzelgänger, personen die in hun eentje iets of iemand uitbeelden, nog het mooiste. In de optocht (meestal aan het einde) rijdt ook de prinsenwagen mee, waarop de Prins Carnaval en zijn Raad van Elf in alle glorie tronen. Op de wagens is het altijd koud, heel koud. En wordt daarom ook alvast wat sterks gedronken. Zodoende twee oorzaken van dringend toiletbezoek veroorzakend, wat echter praktisch onmogelijk is en elk jaar voor hilarische taferelen zorgt. Figuren in de raarste kledij die bij vreemde voordeuren aanbellen en zich uit hun kleren moeten wurmen op vreemde toiletten.
6. Maskerade
Een echte carnavalsvierder verkleedt zich, kruipt in de huid van een andere persoon. Dus als u een dezer dagen de grote rivieren in zuidelijke richting oversteekt, zet dan minimaal een (hoge) hoed of pet op of doe bijvoorbeeld kleren aan waarmee u normaal in de tuin gaat werken. Dat scheelt al een beetje. Een pyjama, een golfoutfit of paardrijbroek volstaat ook. U laat zien dat u het leven ook even niet geheel serieus benadert. Dat u zich even vereenzelvigt met die maffe lieden hier in het zuiden en ook even meedoet aan de Grote Relativering. U hoeft ook even niet slim, assertief of bijdehand uit de hoek te komen. Liever niet trouwens.
De carnavaleske mens wil bewust even uit het gewone alledaagse gedoe stappen. Heeft behoefte om zijn oude huid even af te werpen. Voer voor psychologen dus, want die willen graag beweren dat de mens zich op zulke dagen gaat gedragen zoals hij eigenlijk altijd al had gewild. Mannen worden even Tarzan, Sheriff of Kapitein Haak, vrouwen vertonen zich graag als prinses, koningin of sprookjesfiguur. Mannen stoer, vrouwen mooi, zo zit dat. Natuurlijk zit daar wel wat waars in, maar eigenlijk wil iedereen gewoon even een andere rol spelen. En na drie dolle dagen weer gewoon zijn doordeweekse gezicht opzetten en terugkeren naar zijn kassa, kantoor of kapsalon. Alaaf!
© thrammy ‘10
Inloggen is niet verplicht om je commentaar achter te laten.
Beperkt HTML (<b>vet</b>, <i>cursief</i> en <u>onderstreept</u> toegestaan; webadressen worden automatisch omgezet in werkende links).




Het is leuk om je er gewoon in te storten maar toch voel ik me nog steeds een buitenstaander, ook al ben ik er in opgegroeid. Geen C-koorts dus. Ik ga wel even een pilsje pakken, denk ik.
groet,
d