
Toen ik het café binnenkwam, klonken de tonen van Bob Dylan uit de boxen. Ik wist dat ik naar huis had moeten gaan. De tafeltjes aan het raam waren leeg en in de glazen op de bar zat nog slechts een bodempje bier. In een hoekje stond een man te zoenen met een meisje dat minstens 15 jaar jonger was. Iedereen die hier binnen was, wist dat hij naar huis had moeten gaan. Ik werd bekeken door een groepje mannen aan de bar en besloot op de enige barkruk te gaan zitten die nog vrij was.
‘Geloof jij in de dood?’
Ik was de kijkende mannen voorbij gelopen en was gaan zitten aan het einde van de lange bar. Zo werd ik onderdeel van de behoeftige menigte . De macht lag bij de barman. God was nog nooit zo dichtbij geweest als vanavond. T
ussen mijn plek en de achterwand van het etablissement was precies ruimte voor 1 barkruk. Het was een beetje vreemde positie. De man die op de kruk zat, moest over mij heen buigen, om zijn glas op de bar te bereiken. Hij had de vraag gesteld. De stamgasten van de kroeg wisten natuurlijk dat deze man lange verhalen begon te vertellen tegen iedereen die naast hem kwam zitten.
Toen de vraag me gesteld was, wist ik dan ook waarom deze barkruk vrij was geweest. Het was de pratende drinker in de hoek. Zijn verhalen hoorden bij het meubilair van de kroeg als het schilderijtje aan de muur. Niemand die het ziet, maar als het er niet meer is, lijkt de muur opeens zo leeg. Dankzij de man was het café altijd gevuld.
Pieter Claesz - Vanitas stilleven
‘U bedoelt zeker of ik in een leven na de dood geloof?’
De man draaide zijn hoofd naar mij toe. Ik schrok van zijn ingevallen gelaat, waar ik nu voor het eerst een goed zicht op had. Zijn kalende hoofd versterkte dit effect. Een groot horloge hing als een ketting om zijn hoofd. Het klokje leek op een gouden exemplaar dat ik ooit bij mijn grootvader had gezien. Al was dit exemplaar veel doffer en vermoedelijk gemaakt van een of ander metaal. De sierlijke wijzers stonden stil op kwart voor twaalf, het uurwerk werkte niet meer.
Ik wenkte de barman. Met een gebaar richting de tap en zonder een woord te spreken, nam hij mijn bestelling op. De man naast me was ondertussen van wal gestoken. Zijn vrouw was overleden. Volgens hem 2 maanden geleden, maar de andere mannen aan de bar wisten wel beter.
‘Maar ik denk niet dat ze dood is.’
Ik reageerde niet op zijn woorden in de hoop dat hij zijn mond zou houden. Al wist ik dat het tegen beter weten in zou zijn. ‘In mijn hoofd leeft ze namelijk nog net zo als vroeger. Mijn beeld van haar, mijn herinnering aan haar blijft bestaan. Kijk, wie u bent, dat weet ik niet. Alles wat ik van u heb is een beeld. En dat beeld dat bent u, voor mij. Zo is dat met mijn vrouw ook. Ik ken haar misschien beter, maar eigenlijk is het alleen mijn beeld van haar dat ik ken.’

Aelbert Jansz. van der Schoor
- Vanitas stilleven
Op dit uur en op deze plek, had ik niet zoveel filosofie verwacht. Het was duidelijk dat de man hier in zijn hoekje al de nodige tijd over dit onderwerp had nagedacht. Mijn biertje werd gebracht. Met de overmoed van iemand die al een paar glaasjes gedronken heeft, ging ik de discussie aan.
‘Maar meneer, dan gaat uw vrouw toch ook gewoon dood. Alleen sterft ze dan wanneer u haar vergeten bent.’ Het klonk harder dan ik bedoeld had.
De man bleek het echter goed op te vatten. ‘Ja, dat klopt, maar is dat nou niet prachtig. De dood zonder verdriet en gemis. Niemand die om het verlies rouwt.’ Ik had nog nooit zo snel een discussie in de kroeg gewonnen. De man babbelde ondertussen onverstoord verder. ‘Er zijn ook mensen die nooit dood gaan. Zij zijn zo invloedrijk dat we eeuwen later nog steeds aan ze denken.’. Er volgde een lijst van voorbeelden, die ik niet allemaal hoorde. Ik keek naar het klokje. Mijn gedachten dwaalden af naar mijn grootvader.
Even was het alsof ik bij hem in de werkplaats was. Ik zag de stapels kaarsen en het enorme fornuis waar hij de was op liet smelten. Meters koord hing aan de muur. Hij was de laatste ambachtelijke kaarsenmaker van de streek geweest. Hij werkte nog altijd volgens de ouderwetse dompelmethode. Een keer had hij me even mee laten helpen en mocht ik zelf een koord door het kaarsvet trekken. Later hadden we ‘mijn’ kaars aangestoken. Wat zou ik graag de kaars nog eens met mijn opa opbranden.
Ik schrok op van de barman, die riep dat de laatste ronde was aangebroken. De man naast me was ondertussen nog steeds zijn voorbeelden aan het opnoemen. Hij had het over Caesar en Toetanchamon, toen ik de laatste slok uit mijn glas nam en opstond. Ik groette hem.
‘Waar gaat u heen?’, vroeg hij verbaasd.
‘Ik ga u vermoorden.’, antwoordde ik.
Zonder nog om te kijken, liep ik het café uit.
Theo 08-02-2010 23:30
En dat terwijl ik zelf bezig ben met een blog over een Vanitas stilleven van Willem de Poorter uit het Boymans -van Beuningen.
simongroet
Jeroen de
Baaij 09-02-2010 14:37
Bedankt voor jullie mooie opmerkingen.
@ Theo, bedankt voor je compliment, ik kijk uit naar jouw blog! Vanitas stillevens blijven interessant
@ Lebonton, je maakt me benieuwd, heb je een link voor me?
@ Zelfstandig journalist, laten we het dan voorlopig maar niet zeker weten ;)
A C T U A L I T
Y 09-02-2010 15:15
Maar wel mooi beschreven..
Meneer, U heeft geen last
van een Writers-Block............
En U heeft Uw zelf en het Leven
nog lang niet afgeschreven......
Als hoewel wij U wel een
Dood-goeie vent vinden..........
U sprak met.....
R.
Kruzdlo 09-02-2010 16:43
‘Ik ga u vermoorden.’, antwoordde ik.
Zonder nog om te kijken, liep ik het café uit.
Zeer herkenbaar. je was in een opperbeste stemming
Groet Robert
Jeroen de
Baaij 09-02-2010 23:31
@ Ton, bedankt!
@ Robert, de herinnering had mij in een goede stemming gebracht
@ Pierra, dank je wel!
Inloggen is niet verplicht om je commentaar achter te laten.
Beperkt HTML (<b>vet</b>, <i>cursief</i> en <u>onderstreept</u> toegestaan; webadressen worden automatisch omgezet in werkende links).









Mooie opzet!
Vriendelijke avondgroet!