
Heel af en toe is het niet leuk om Surinaamse ouders te hebben.
Gelukkig komt het bijna nooit voor.
Maar vandaag is het weer eens zover.
Nederland speelt tegen Brazilië.
Ik weet het nog goed.
Het was 1998.
Ik studeerde in Londen.
Keek daar de wedstrijd met de enige andere Nederlander van de opleiding.
Zij doet nu iets belangrijks bij NRC Next.
En ik vernam dat ze iets belangrijks gaat doen in Londen.
Maar goed.
Maakt verder niet uit.
Zij en ik dus, arm in arm in die kroeg.
The Bull heette die.
Eerst dachten we nog:
dat zal wel een herhaling zijn van een eerdere goal.
Die ene net na de rust.
Maar nee, hij was vers.
We omhelsden elkaar, en huilden.
De volgende ochtend vond ik mijn oranje topje.
Het hing als een soort halfstokke vlag in de antenne van mijn radio.
Ik had hem woedend de kamer door geslingerd.
En toen kwam het.
Mijn ouders dus.
'Maar het is toch mooi dat Brazilië heeft gewonnen?'
Nee dus.
Fout, fout, fout.
Als Brazilië van Nederland wint, is daar helemaal niks moois aan.
Echt niet.
Nooit.
Punt.
Mijn ouders denken daar dus anders over.
Want hun navelstreng ligt in Suriname.
En Suriname en Brazilië zijn buren.
En daarom hebben ze 'iets' met dat land.
Wij zijn allen Zuid-Amerikanen.
Zoiets.
Natuurlijk, ze zijn in eerste instantie voor Nederland.
Maar daarna...
Kijk.
Ik zeg: generatiekloofje.
Cultuurverschilletje.
Want ik ben in Nederland geboren.
En kom op zeg.
Ik heb helemaal niks met Brazilië.
Op zulke dagen al helemaal niet.
Sowieso.
Ik ga toch ook niet blij zijn als Polen wint,
omdat we allen Europeanen zijn?
Vanmiddag dus.
Ik overweeg een heel klein beetje om gewoon maar niet te kijken.
Ik durf eigenlijk niet zo goed.
En mijn ouders ga ik maar even een paar dagen mijden.
Tenzij Nederland wint natuurlijk.
Dan ga ik ze drie dagen en drie nachten lang bellen.
Om de vijf minuten.
Zo ben ik dan ook wel weer.


Bij dit bericht worden geen reacties (meer) toegestaan