
Vier jaar geleden,
ik weet het nog goed.
Ik ging nog es naar een Moluks buurthuis,
voor een reportage over fans van Van Bronckhorst en Landzaat.
Het WK was net begonnen.
Ik zat daar met die mannen te praten.
Leuk gesprek, sterke verhalen.
Ze hadden nog tegen Simon Tahamata gespeeld.
Dat werk.
Ik kreeg er weinig van mee.
Want ik zat helemaal vol met pijnstillers.
Mijn rug - ik kon amper bewegen.
Hoe ik daar gekomen ben, of terug: 't is me een raadsel.
Het ergste moest toen nog komen.
Die middag bij de Molukkers was maandenlang mijn laatste klus.
De rest van het WK bekeek ik vanuit bed.
Het is moeilijk voor te stellen hoe het is.
Heel veel pijn, en heel weinig begrip.
Van de huisartsassistent, die doodleuk zegt dat de dokter twee weken vakantie heeft.
En 't is niet acuut toch?
Dan kan het best wachten.
Van 'de buitenwereld'.
Een bloemlezing:
'Joh, kennis F., die ging op vakantie naar Kreta,
en kreeg daar een acute hernia.
Moest meteen terug!
Dus, zo zie je maar: het kan altijd nog erger.'
Of: 'je moet niet zo veel klagen hoor,
dat is niet leuk voor je lief.'
Mensen gaan ook aan je twijfelen.
Want, als je dan eindelijk bij een dokter bent, vindt die niets.
En al die andere artsen, waar je heen gaat voor een second,
third, forth, fifth en sixth opinion, praten die ene arts na.
Die ene die niks vond.
Maar als je niet zoekt, kun je ook niets vinden.
En een MRI 'was niet nodig'.
Het is moeilijk voor te stellen of uit te leggen.
Maar al die tijd lag ik daar dus.
Per dag gooide ik vier lege stripjes weg.
Pijnstillers, spierverslappers, iets tegen de bijwerkingen van de pijnstillers.
Iets om beter van te slapen.
De hele lijdensweg was Ibuprofen mijn hoofdsponsor.
En maar voetbal kijken, vanuit bed.
Zitten was het ergst.
Dat ging dus gewoon niet.
Ga eens na wat dat doet voor je sociaal leven.
Want zitten, dat is ook: in de auto, bij iemand thuis, op de wc.
Ik kon alleen ergens komen als mijn lief reed,
en als de passagiersstoel plat lag.
En dan nog: je gaat niet bij elke visite op de bank liggen.
Dus kwam ik nergens.
Het ergste, nog erger dan de pijn, was de onzekerheid.
Want de artsen konden niks vinden,
maar die pijn!
En dan gaat je hoofd met je aan de haal.
De doemscenario's rolden over elkaar heen.
Een selectie:
- ik had een enge ziekte die pas ontdekt zou worden als het veel te laat was.
- ze zouden helemaal nooit iets vinden en het zou voor altijd zo blijven, zo, liggend op bed, depressief en met roze pillen als mijn beste vriend.
- ik zou verlamd raken.
Ik werd een beetje destructief.
Dacht wel eens: bij hoeveel van die pillen zou ik écht van mijn pijn af zijn?
Tot zover mijn WK van 2006.
Ik vond een arts die wél zo kien was om me even onder de scan te leggen.
Inmiddels waren we bijna een jaar verder.
Maar goed.
Een week na de diagnose ging mijn hernia eruit.
Het werd 2010.
Weer een WK.
Ik denk niet dagelijks meer aan de ellende van toen,
maar nu de WK-koorts grip op het land heeft, is het moeilijk er niet aan te denken.
Honderd procent pijnvrij ben ik niet,
maar ik kom een heel eind.
Alle wedstrijden van Oranje zag ik.
In de kroeg, of thuis.
Zelfs hossend met de burgemeester in de Poelestraat.
En nu, vanavond, het meesterstuk.
Je vergeet snel hoe bijzonder het is.
Dat je kunt lopen, staan, zitten, feesten, voetbal kijken.
Ik vergeet het soms ook.
Maar ik heb nog een dagboekje waarin ik euforisch schreef
dat ik weer vijf minuten kon lopen.
Of tien minuten kon zitten.
Mijlpalen waren het.
Ook een goeie geheugensteun: dat streepje op mijn onderrug.
Vanavond kijk ik staand, zittend, joelend en hopelijk hossend de finale.
Maar die overwinning die mijn lijf heeft geboekt,
daar kan geen WK-finale tegenop.


Bij dit bericht worden geen reacties (meer) toegestaan