Damnieuws

In het eerste deel van dit vierluik liet ik zien hoe Kees Thijssen
op de openingsdag van het Nederlands kampioenschap 2006 zijn
(Amsterdamse) clubgenoot Michiel Kloosterziel versloeg. Ook de
fraaie aanvalspartij die Thijssen in de vierde ronde van Cor van
Dusseldorp won, was - evenals het duel met Kloosterziel - van
belang voor de moderne openingstheorie. Overigens betrof het alweer
Thijssens derde(!) winstpartij: in de tweede ronde had hij, voordat
hij met Baljakin de punten zou delen, óók al van debutant Johan
Sterrenburg gewonnen.
C. van Dusseldorp-Thijssen
(NK 2006)
1.32-28 19-23 2.28x19 14x23 3.37-32 10-14 4.41-37 5-10 5.46-41 17-21
Tot december 1997 speelde Thijssen hier vrijwel zonder uitzondering 5…14-19. Het ging dan meestal verder met ofwel 6.35-30 20-25 7.33-29 10-14 8.40-35 23-28 9.32x23 19x28 (zie Thijssens partijen tegen onder anderen Bronstring, halve finales NK 1993, en Getmanski, Challenge Mondial 1997), ofwel 6.32-28 23x32 7.37x28 9-14 8.41-37 16-21 9.31-26 18-22 (onder meer Greveraars-Thijssen, halve finales NK 1997), òf - derde en laatste mogelijkheid - 6.34-29 23x34 7.39x30 10-14 8.44-39 17-21!? gevolgd door hetzij 9.31-26 21-27 10.32x21 16x27 (Passchier-Thijssen, Brunssum 1997), hetzij 9.32-27 21x32 10.37x28 16-21!? 11.41-37 21-26 (P. Lansbergen-Thijssen, Clubcompetitie 1992/1993).
Maar de laatste jaren geniet de tekstzet zijn overduidelijke voorkeur.
6.31-26 21-27 7.32x21 16x27 8.34-30
Tot heel ander spel leidt 8.35-30 20-25 (natuurlijk niet 8…14-19?? wegens 9.36-31!, 10.37-31, 11.33-28 en 12.30-24 +) 9.33-29/40-35, zoals Van Dusseldorp tegen Swizinski (Minsk 1999) en Wesselink (halve finales NK 2001) speelde. Het verschil tussen 8.35-30 en 8.34-30 schuilt hìerin dat wit in dit laatste geval na 8….20-25 niet verplicht is 9.40-34 te doen: hij kàn desgewenst ook 9.37-31 spelen (zie onder meer de wit-partijen van Tsjizjow tegen Virni en Hein Meijer uit respectievelijk het Sowjet-Russisch kampioenschap 1983 en de Olympiade 2000) of - zelfs - 9.37-32 25x34 10.32x21 (10…11-16*).
8…14-19 9.30-25 10-14 10.40-34 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 1 t/m 4, 6 t/m 9, 11 t/m 15, 18 t/m 20, 23 en 27;
achttien witte schijven op 25, 26, 33 t/m 39, 41 t/m 45 en 47 t/m 50.]
10…11-17
Dat we met een populaire openingsvariant van doen hebben, moge alleen al blijken uit het feit dat de positie na 10.40-34 zich in een kleine zeshonderd(!) partijen heeft voorgedaan. Al is het wellicht goed te preciseren dat de bedoelde stelling in meer dan de helft van al die gevallen langs een wezenlijk andere weg tot stand kwam, te weten 5…14-19 (in plaats dus van Thijssens 5…17-21) 6.35-30 10-14 (slaat de uitnodiging af) 7.30-25 17-21 8.31-26 (maar hier kan ook heel goed 8.32-28 23x32 9.37x28, reden waarom de door zwart gekozen volgorde-van-zetten als minder scherp te boek staat) 8…21-27 9.32x21 16x27 10.40-35.
In veel partijen nu begingen de zwartspelers de fout om zonder voorbereidende maatregelen 22 te bezetten (10…18-22) en het zojuist ontruimde veld 18 meteen weer op te vullen (11…12/13-18). Dat is hìerom fout - of op z’n minst niet aanbevelenswaardig - omdat na 11.44/45-40, 12.50-44/45 en 13.33-29! de standaardreactie 13…20-24?? 14.29x20 15x24 uitgeschakeld is (zelfs bij een voorafgaande opbouw met 11…12-18 en 12…7-12 zou wit middels 15.34-29!, 16.39x17 en 17/18.37-32 een schijf vóórkomen). Daardoor moet zwart er ernstig voor waken dat hij helemaal vastloopt, wat immers het geval zou zijn zodra wit (14.)39-33! en (15.)44-39! heeft weten dóór te zetten.
Maar door veld 22 - voorlopig althans - te mijden, gaat Thijssen dergelijke problemen wijselijk uit de weg.
11.44-40
Hier wordt - evenals op de 12de zet - ook wel meteen 11.33-29 gedaan, wat overigens in de meeste praktijkvoorbeelden slechts op zetverwisseling met 11.44-40 of 11.45-40 pleegt neer te komen. 11.37-31 daarentegen heeft wel degelijk zelfstandige betekenis, maar daar is dan ook meteen alles mee gezegd. Want in Gantwarg-Van der Wal (Valkenburg 1985), de enige partij waarin 11.37-31 is voorgekomen, zou de witspeler er na 11…6-11 12.31x22 18x27 13.44-40 13-18 14.50-44 9-13 15.33-29 4-9 16.41-37 18-22(!) 17.29x18 12x23 nìet in slagen de door hem beoogde omsingeling gestalte te geven, met alle desastreuze gevolgen van dien.
11…6-11
Harm Wiersma heeft, afgaande althans op de partijen die de oud-wereldkampioen in het toernooi van Brunssum 1993 en het WK-rapid 1999 tegen respectievelijk Abdoulaye Der en Koifman speelde, een uitgesproken voorkeur voor een opstelling met 11…20-24 (12.50-44 6-11).
12.50-44 1-6 13.33-29 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6 t/m 9, 11 t/m 15, 17 t/m 20, 23 en 27;
achttien witte schijven op 25, 26, 29, 34 t/m 45 en 47 t/m 49.]
13…20-24
Een heel ander idee is 13…18-22 14.29x18 12x23, zoals voor het eerst door Cees Varkevisser werd gespeeld in een partij tegen Schotanus (NK 1971), maar dat we bijvoorbeeld óók kennen van Thijssen(!)-J. Masselink (Nijmegen 1994) of een matchpartij Georgiew-Tsjizjow (maart 2003). Ontegenzeggelijk is 18-22x23 minder vrijblijvend dan 20-24x24. Maar of men de gedeplaceerde positie van schijf 6 werkelijk als een bezwaar ervaart, is bovenal een kwestie van persoonlijke smaak. En misschien valt er zelfs wel iets te zeggen voor de stelling (die je zo vaak in de openingsboekjes van wijlen J.F. Moser kon aantreffen) dat beide kleuren kansen (moeten) hebben. In elk geval vind ik het opmerkelijk dat Rob Clerc, die met wit aansprekende overwinningen boekte op Schotanus (KSH-toernooi 1975) en Westerhaar-speler René Schippers (Clubcompetitie 1991/1992), er in een partij tegen Gantwarg (WK 1990) evenmin voor terugdeinsde om dezelfde stand met zwart op het bord te brengen!
14.29x20 15x24 15.38-33
Om zwart - naar ik althans vermoed - zelfs geen gelegenheid te geven met 15…24-30 16.35x24 19x30 naar de rand te vluchten, doen sommige witspelers hier ook wel 15.34-30. Zie bijvoorbeeld de partijen van Baljakin tegen Koeperman (WK 1986) en Henk Kalk (Nijmegen 2005), het spannende duel Georgiew-Thijssen(!) uit het toernooi van Delft 2004, alsook de partij die ik in oktober 2001 voor de onderlinge competitie van ADG tegen Ton Bollebakker speelde en waarvan een (spectaculair) fragment is opgenomen in de jubileumuitgave Vijftig jaar Amersfoorts Damgenootschap, 1955 - 2005.
15…14-20!? 16.25x14 9x20 (zie diagram)
Met deze manoeuvre, voor het eerst op grootmeesterniveau toegepast in een partij Tsjizjow-Baljakin, Parijs 1988, probeert zwart tot elke prijs het initiatief vast te houden. Dat zou hem na 15…24-30 16.35x24 19x30 17.34-29 23x34 18.40x29 30-35 19.37-32 27x38 20.43x32 (met 44 op 50 en 6 nog op 1 onder meer voorgekomen in Sjtsjogoljew-Andreiko, Samarkand 1969; Valneris-Baljakin, Minsk 1986; én - opnieuw - een van de eerste matchpartijen tussen Georgiew en Tsjizjow) nooit meer zijn gelukt.

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6 t/m 8, 11 t/m 13, 17 t/m 20, 23, 24 en 27;
zeventien witte schijven op 26, 33 t/m 37, 39 t/m 45 en 47 t/m 49.]
Overigens zou men kunnen zeggen dat Thijssen nauwelijks keus had. De Nederlandse kampioen wordt namelijk al enige tijd getraind/begeleid door Anatoli Gantwarg, en het was uitgerekend Gantwarg die in zijn - in nauwe samenwerking met Alexander Baljakin geschreven - verhandeling 1.32-28 19-23 2.28x19 14x23; 12 systems (Minsk 1991) een warm pleidooi voor de tekstzet hield… (“Gantwarg’s idea is that the centre by no means can be conceded; it should be fought for even by weakening one’s long flank.”)
17.42-38
Gantwarg en Baljakin schenken in hun boekje niet alleen aandacht aan 17.42-38 - ook 17.34-30 en 17.34-29 23x34 18.39x30 worden in kort bestek onder de loep genomen. Dat het achterwege laten van (17.)42-38 bepaalde voordelen met zich mee kàn brengen, kwam aan het licht in de competitiepartij Krasnjanski-Zijlema van februari 2001. Daarin volgde namelijk 17.34-30 3-9 18.30-25 9-14 19.40-34 17-22 20.44-40 11-17 (met 37 op 31 en 11 al op 17 beveelt het Wit-Russische duo 21…23-28! aan; mocht die zet inderdaad bezwaarlijk zijn voor wit, dan is het wellicht een idee om - zoals gebeurde in de partij Woolschot-Zijlema, Gelders kampioenschap 2002 - de manoeuvre 20.34-29 en 21.39x30 aan 22/23.44-40 vooraf te laten gaan) 21.34-29 23x34 22.39x30 18-23 23.43-38! 6-11 24.40-34! 13-18 25.37-31 4-10 26.45-40! (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 7, 8, 10 t/m 12, 14, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33 t/m 36, 38, 40 t/m 42 en 47 t/m 49.]
26…8-13? (dan altijd nog liever hetzij 26…23-28, hetzij 26…10-15 27.33-29 24x33 28.38x29 27-32* met vooralsnog onduidelijke positie) 27.33-29! (met 42 op 43 heeft wit deze mogelijkheid vanzelfsprekend nìet, terwijl het in dat geval evenmin goed lukt tot een opstelling met 48-42 of 47-42 te komen) 27…24x33 28.38x29 10-15 (gedwongen vanwege de damdreiging naar 4) 29.42-38(!), waarna zwart in feite al overspeeld was!
17…3-9 18.34-30 9-14 19.30-25 4-10
Zowel in de ‘stampartij’ Tsjizjow-Baljakin 1988 als in W. Aliar-Robbens, Suriname-Nederland 1993, lasten de zwartspelers eerst 19…17-22 in, alvorens op 20.37-31 (20.48-42?! 23-28!) met 20…4-10 21.40-34 10-15 (22.34-29 23x34 23.39x30 18-23) te vervolgen.
20.40-34 10-15 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zestien zwarte schijven op 2, 6 t/m 8, 11 t/m 15, 17 t/m 20, 23, 24 en 27;
zestien witte schijven op 25, 26, 33 t/m 39, 41, 43 t/m 45 en 47 t/m 49.]
21.34-29?
De klaverblad-opsluiting van de zwarte linker vleugel ziet er weliswaar verleidelijk uit maar zal onder de gegeven omstandigheden minder dan niets blijken op te leveren. Daarom geloof ik dat 21.48-42!? wits meest realistische optie was. Na het vrijwel gedwongen 21…24-29/30 22.33/35x24 20x40 23.45x34 is er dan een even principiële als aantrekkelijke stelling ontstaan met - om nogmaals Moser aan te halen - “kansen voor beiden”.
21…23x34 22.39x30 18-23!
En vooral niet “eerst” 22…17-22?, omdat zwart na 23.48-42! in verband met diverse kleine finesses nooit meer tot die cruciale zet 18-23 zou zijn gekomen. Bijvoorbeeld 23…11-17 24.45-40! 6-11 25.44-39!, waarna wit klaar staat om òf 26.37-31 dan wel 26.37-32 te spelen, òf zelfs 26.49-44 gevolgd door 33-28x28. (Ziedaar waarom zwart na 21.48-42 niet beter zou hebben gehad dan de 2x2-ruil 21…24-29/30.)
23.43-39
Met 37 dus al op 31 - en 17 uiteraard op 22 - deed Tsjizjow hier eerst 24.47-42; pas na 24…13-18 ging hij met 25.43-39 (25…11-17 26.41-37 7-11 27.44-40) verder. (Op die partij tegen Baljakin zal ik straks nog uitvoerig terugkomen.) In het al eerder genoemde interlandduel Aliar-Robbens zou al spoedig de beslissing vallen toen de zwartspeler (37 en 17 opnieuw op respectievelijk 31 en 22) na 24.43-39 11-17?! 25.41-37(!) nietsvermoedend 25…6-11? (aangewezen is 25…17-21 enz.) 26.37-32! 11-16 27.32x21 16x27 speelde. Want daarop haalde de lepe Aliar - aan wie ik overigens eeuwig dank verschuldigd ben voor de punten(delingen) die hij in het WK-toernooi van Hengelo 1972 zowel Koeperman als Andreiko(!) afhandig maakte - combinatief uit met 28.26-21!! 17x37 29.48-42 37x48 30.44-40 48x34 31.40x9 14x3 32.25x23 (32…3-9 33.30x19 9-13 34.19-14 +).
23…13-18 24.44-40 17-22
Pas nu zijn stand er rijp voor is, bezet Thijssen veld 22.
25.37-31 11-17 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 6 t/m 8, 12, 14, 15, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33, 35, 36, 38 t/m 41, 45 en 47 t/m 49.]
26.41-37 (zie diagram)
“Wit kampt met het levensgrote probleem dat 39-34? permanent verhinderd is door 23-29! +”, schreef ik in de (kranten)rubriek van zaterdag 6 mei. En in de oorspronkelijke versie (die ik later met het oog op de - te - beperkte ruimte weer danig moest inkorten) voegde ik er nog aan toe dat het “daardoor vrijwel ondoenlijk [is] een bevredigend plan te vinden.”
Ik wist toen nog niet wat ik nù weet, namelijk dat het slechts drie ply zijn (twee zetten van wit, één van zwart) die Van Dusseldorp-Thijssen 2006 scheiden van dat inmiddels meermalen genoemde duel Tsjizjow-Baljakin 1988. (Dat is overigens tegelijkertijd de enige partij waarmee Van Dusseldorp-Thijssen zinvol kan worden vergeleken!) Immers: na 26.47-42 7-11 27.41-37 (zie analyse-diagram) zouden we, alle zetverwisselingen ten spijt, alsnog middenin Tsjizjow-Baljakin gezeten hebben!

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 6, 8, 11, 12, 14, 15, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33, 35 t/m 40, 42, 45, 48 en 49.]
Vanuit die stand ging het, althans voor wat de eerstkomende tien zetten betreft, als volgt verder:
27…8-13 28.40-34 (28.37-32?? 24-29! +) 28…2-8 (vooral niet te snel 28…23-28? wegens 29.49-44!) 29.37-32 11-16 30.32x21 16x27 31.42-37 23-28 32.34-29 (koelbloedig verdedigd; zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 6, 8, 12 t/m 15, 17 t/m 20, 22, 24, 27 en 28;
veertien witte schijven op 25, 26, 29 t/m 31, 33, 35 t/m 39, 45, 48 en 49.]
32…17-21 33.26x17 22x11 34.31x22 18x27 35.33x31 24x42 36.31-26 42x31 37.26x37 19-23 met een licht doch ontoereikend positioneel overwicht voor zwart: na nog 13 zetten eindigde de partij in remise.
Nog twee opmerkingen over dit verloop. Ten eerste: in de stand van het laatste analyse-diagram deinst Baljakin, door 32…17-21 te spelen, begrijpelijkerwijs terug voor de consequenties van de afwikkeling 32…19-23 33.30x10 23x41 34.25x14 15x4 35.36x47 28x39 36.14-9 27x36 37.9-3. Dat laat zich hìerom goed begrijpen omdat het volstrekt onduidelijk is wat de peperdure witte dam (die liefst drie stukken heeft gekost!) precies waard was geweest. Weliswaar kan zwart met 37…18-23 de vijandelijke bewegingsvrijheid tot een minimum inperken (zo is 38.3-25? uitgeschakeld door de damvangst 22-28-32! +, terwijl 38.35-30? faalt op de combinatie 38…39-44! 39.49x40 17-21 40.26x19 13x44), maar na het - derhalve - gedwongen 38.48-42 is in hij in feite nog even ver van huis.
De tweede opmerking geldt zwarts 29ste zet. Baljakin speelde op dat moment 11-16x27 maar hàd ook heel goed voor het tijdelijke offer 29…22-28! 30.31x22 (30.32x21?? 28-32! en 31…23-29 +) 30…28x37 31.42x31 17x28 32.33x22 18x27 33.31x22 12-18 kunnen kiezen. Na 34.22-17 11x22 (35.38-32 22-28!; 35.26-21 8-12) had wit voor een even zware als ondankbare verdedigende taak gestaan…
Met andere woorden: zelfs als ik, tien weken geleden, wèl doordrongen was geweest van de onmiskenbare overeenkomst die er tussen Van Dusseldorp-Thijssen en Tsjizjow-Baljakin bestaat, had ik geen werkelijke, althans damtechnische reden gehad mijn pessimistische oordeel over de witte stand bij te stellen. Maar los daarvan (om voor de zoveelste maal een geliefde stijlfiguur te lenen van het recentelijk - ook tot mijn verdriet - ‘wegbeledigde’ Volkskrant-boegbeeld Jan Blokker): Thijssen hoeft zich na 26.47-42 helemaal geen reprise van Tsjizjow-Baljakin aan te laten leunen. Om te beginnen zou hij namelijk al 26…27-32 27.38x27 23-29 28.42-38 (28.42-37?? 29x38 29.37-32/48-43 18-23! +) 28…17-21 29.26x28 29-34 30.40x29 18-22 31.27x18 12x23 kunnen spelen. Maar waarschijnlijk doet zwart er nog verstandiger aan de schijven op het bord te houden en een opstelling met 26…8-13 27.41-37 en nu het centraliserende 27…6-11(!) (zie analyse-diagram) in te nemen.

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 7, 11 t/m 15, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33, 35 t/m 40, 42, 45, 48 en 49.]
Na 28.40-34 levert de 2x2-ruil 28…24-29! 29.33x24 20x40 30.45x34, onmiddellijk gevolgd door de manoeuvre 30…23-29! 31.34x23 19x28, hem dan een prachtige aanvalsstand op (Baljakins schijf 6 staat nu immers op veld 7), waarbij wit ook nog eens geplaagd wordt door de omstandigheid dat 32.38-33? verhinderd is door een damzetje naar 47 (32…28-32! enz. +).

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 6 t/m 8, 12, 14, 15, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33, 35 t/m 40, 45 en 47 t/m 49.]
26...27-32!!?
Anders dan een gemakzuchtige beschouwer zou kunnen menen (ik was bijna zèlf in die valkuil gelopen…), is het beslist niet zo dat uit het bovenstaande automatisch zou volgen dat zwart ook na een zet op de velden 11 of 13 prima spel had gehad. Immers: 26…8-13? zou onbedoeld de reactie 27.39-34! mogelijk maken. En zowel na 26…6-11 als na 26…7-11 is Van Dusseldorp, als gevolg van het open veld 13, ontslagen van de verplichting Tsjizjows (28.)40-34 aan 37-32 vooraf te laten gaan. Niet dat zwart na 26…6-11 27.37-32 11-16 28.32x21 16x27 nìet goed zou staan (merk op dat wit op een zet met schijf 47 op z’n minst bedacht dient te zijn op de tactische mogelijkheid 29…27-32!!? 30.38x27 23-29! enz.); maar de omstandigheid dat 34 nog op 40 staat, maakt dat er wel degelijk van een nieuwe situatie sprake is.
Hoe dan ook - met de 4x4-ruil-in-etappes waartoe de tekstzet de inleiding vormt, consolideert Thijssen zijn positionele overwicht, zonder dat hij zelf ook maar het geringste risico loopt. Er kleeft slechts één bezwaar aan de tekstzet, een bezwaar dat echter veeleer van academische dan van praktische waarde is. Wit zou namelijk het offer 27.37x28(!!) 23x34 28.40x29 kunnen brengen. Dat lijkt op het eerste gezicht misschien een onzinnige actie, maar wie de stand na 28.40x29 aan een nadere studie onderwerpt, komt al spoedig tot het inzicht dat wit voldoende compensatie voor de geofferde schijf heeft. Het staat althans vast dat zwart nìet meer gaat winnen wanneer hij zijn plusschijf niet heel tijdig teruggeeft. Als “bewijs” voor die - schijnbaar zo boude - bewering zou ik de volgende (lange) spelgang willen aandragen:
28…6-11 29.49-43 8-13 30.31-27 22x31 31.36x27 2-8 32.43-38 11-16 33.38-32 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 7, 8, 12 t/m 20 en 24;
elf witte schijven op 25 t/m 27, 29, 30, 32, 33, 35, 45, 47 en 48.]
33…17-22 (want na 33…17-21? 34.26x17 12x21 35.45-40 7-12 36.48-42! 12-17 37.42-37! zouden de beste kansen zelfs aan wit zijn!; waaraan ik - mogelijk ten overvloede - toevoeg dat het uitroepteken achter de opmars van 48 er staat omdat zwart na 36.47-42? 12-17! 37.42-37 21-26! 38.32-28 de doorbraak 38…19-23!! enz. had laten volgen) 34.45-40! 22x31 35.26x37 18-22 36.40-34! (vlecht de positionele dreiging 37/38.29-23 in de stand) 36…12-18 37.32-28! 7-12 38.28x17 12x21 39.37-31! 8-12 (wat anders?) 40.48-42! (om 40…21-26 41.31-27 12-17 te kunnen beantwoorden met 42.47-41!) 40…12-17 41.31-26! (nu pas) 41…21-27 42.42-38! 17-22 43.47-42 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 13 t/m 16, 18 t/m 20, 22, 24 en 27;
negen witte schijven op 25, 26, 29, 30, 33 t/m 35, 38 en 42.]
43…27-31! 44.26x37 22-28! 45.33x22 24x33 46.38x29 18x27 (na dit tegenoffer lijkt zwart alsnog aan het langste eind te trekken; maar wit beschikt nog juist over een verdedigende finesse:) 47.37-32!! 27x47 48.29-23 19x28 49.34-29 47x24 50.30x8, waarna zwart vanwege de dreiging 51.8-3 annex 35-30-24 zijn winstpogingen kan staken.
Het heeft er dus alle schijn van dat Van Dusseldorp - zuiver analytisch bezien - nog had kunnen ontsnappen. Maar tegelijkertijd hoeft het geen betoog dat een speler in de praktijk niet of nauwelijks aandacht aan een (bovendien nogal vage) offervariant zal schenken, zeker niet wanneer deze daar (nog) geen aanleiding voor ziet. In die praktische dan wel psychologische zin valt er op Thijssens 26ste zet dan ook geen werkelijke aanmerking te maken.
27.38x27?! 17-21 28.26x28 23x41 29.47-42 41-47!
Zwart levert opzettelijk een tempo in om het witte stuk op 42 uit zijn centrale positie te verdrijven.
30.42-37 47x29 31.40-34 29x40 32.45x34 8-13!
Een tweede positionele fijnheid binnen vier zetten. Na meteen 32…18-23(?) 33.39-33! (33…8-13 34.34-29 23x34 35.30x39) zou er nog maar weinig aan de hand zijn geweest. Maar door eerst het open veld 13 te sluiten, maakt Thijssen het mogelijk om op 33.39-33 via 33…24-29! 34.33x24 20x40 35.35x44 15-20! zeer groot, zoniet winnend voordeel naar zich toe te trekken!
33.48-42 18-23 (zie diagram)
Nu pas.

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 2, 6, 7, 12 t/m 15, 19, 20, 23 en 24;
elf witte schijven op 25, 27, 30, 31, 34 t/m 37, 39, 42 en 49.]
34.31-26(??)
In hevige tijdnood (zie ook de slotaantekening) begaat de witspeler een fout die hem zelfs op materiaalverlies komt te staan. Maar men hoeft er nauwelijks aan te twijfelen dat Thijssen ook na het gedwongen 34.39-33 24-29! en 36…15-20! zou hebben gewonnen.
De bedoeling van de tekstzet is 34…24-29(?) met 35.37-32! 29x40 36.35x44 te beantwoorden: 36…20-24?? is dan uitgeschakeld door 37.32-28!, 38.26x8, 39.25-20! en 40.8-3, zodat wit juist voldoende tijd heeft voor 37.44-40 en 38.40-35. Maar 34.31-26 zal hardhandig worden weerlegd:
34…13-18!
Zo slaat zwart twee vliegen in één klap: enerzijds maakt hij het slagje naar 8 onschadelijk, anderzijds wordt zelfs de mogelijkheid (35.)39-33 geëlimineerd. Daardoor heeft wit geen serieus verweer meer tegen de dreiging 35…24-29 en 37…20-24 +.
35.42-38
35.49-44, dat twee zetten terug ook al nauwelijks een bruikbare optie was, is inmiddels helemaal onspeelbaar wegens 35…24-29! 36.44-40 29-33! 37.39x28 23x41 38.36x47 18-22/23, waarna wit niets minder dan een strategisch fiasco te wachten had gestaan.
35…24-29!
Met schijfwinst of, ingeval van 36.30-24 29x40 37.24x22 40-45, doorbraak naar dam. Van Dusseldorp, die tot overmaat van ramp nog 15(!) zetten binnen slechts één enkele minuut moest doen, gaf zich dan ook terecht gewonnen.
C. van Dusseldorp-Thijssen
(NK 2006)
1.32-28 19-23 2.28x19 14x23 3.37-32 10-14 4.41-37 5-10 5.46-41 17-21
Tot december 1997 speelde Thijssen hier vrijwel zonder uitzondering 5…14-19. Het ging dan meestal verder met ofwel 6.35-30 20-25 7.33-29 10-14 8.40-35 23-28 9.32x23 19x28 (zie Thijssens partijen tegen onder anderen Bronstring, halve finales NK 1993, en Getmanski, Challenge Mondial 1997), ofwel 6.32-28 23x32 7.37x28 9-14 8.41-37 16-21 9.31-26 18-22 (onder meer Greveraars-Thijssen, halve finales NK 1997), òf - derde en laatste mogelijkheid - 6.34-29 23x34 7.39x30 10-14 8.44-39 17-21!? gevolgd door hetzij 9.31-26 21-27 10.32x21 16x27 (Passchier-Thijssen, Brunssum 1997), hetzij 9.32-27 21x32 10.37x28 16-21!? 11.41-37 21-26 (P. Lansbergen-Thijssen, Clubcompetitie 1992/1993).
Maar de laatste jaren geniet de tekstzet zijn overduidelijke voorkeur.
6.31-26 21-27 7.32x21 16x27 8.34-30
Tot heel ander spel leidt 8.35-30 20-25 (natuurlijk niet 8…14-19?? wegens 9.36-31!, 10.37-31, 11.33-28 en 12.30-24 +) 9.33-29/40-35, zoals Van Dusseldorp tegen Swizinski (Minsk 1999) en Wesselink (halve finales NK 2001) speelde. Het verschil tussen 8.35-30 en 8.34-30 schuilt hìerin dat wit in dit laatste geval na 8….20-25 niet verplicht is 9.40-34 te doen: hij kàn desgewenst ook 9.37-31 spelen (zie onder meer de wit-partijen van Tsjizjow tegen Virni en Hein Meijer uit respectievelijk het Sowjet-Russisch kampioenschap 1983 en de Olympiade 2000) of - zelfs - 9.37-32 25x34 10.32x21 (10…11-16*).
8…14-19 9.30-25 10-14 10.40-34 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 1 t/m 4, 6 t/m 9, 11 t/m 15, 18 t/m 20, 23 en 27;
achttien witte schijven op 25, 26, 33 t/m 39, 41 t/m 45 en 47 t/m 50.]
10…11-17
Dat we met een populaire openingsvariant van doen hebben, moge alleen al blijken uit het feit dat de positie na 10.40-34 zich in een kleine zeshonderd(!) partijen heeft voorgedaan. Al is het wellicht goed te preciseren dat de bedoelde stelling in meer dan de helft van al die gevallen langs een wezenlijk andere weg tot stand kwam, te weten 5…14-19 (in plaats dus van Thijssens 5…17-21) 6.35-30 10-14 (slaat de uitnodiging af) 7.30-25 17-21 8.31-26 (maar hier kan ook heel goed 8.32-28 23x32 9.37x28, reden waarom de door zwart gekozen volgorde-van-zetten als minder scherp te boek staat) 8…21-27 9.32x21 16x27 10.40-35.
In veel partijen nu begingen de zwartspelers de fout om zonder voorbereidende maatregelen 22 te bezetten (10…18-22) en het zojuist ontruimde veld 18 meteen weer op te vullen (11…12/13-18). Dat is hìerom fout - of op z’n minst niet aanbevelenswaardig - omdat na 11.44/45-40, 12.50-44/45 en 13.33-29! de standaardreactie 13…20-24?? 14.29x20 15x24 uitgeschakeld is (zelfs bij een voorafgaande opbouw met 11…12-18 en 12…7-12 zou wit middels 15.34-29!, 16.39x17 en 17/18.37-32 een schijf vóórkomen). Daardoor moet zwart er ernstig voor waken dat hij helemaal vastloopt, wat immers het geval zou zijn zodra wit (14.)39-33! en (15.)44-39! heeft weten dóór te zetten.
Maar door veld 22 - voorlopig althans - te mijden, gaat Thijssen dergelijke problemen wijselijk uit de weg.
11.44-40
Hier wordt - evenals op de 12de zet - ook wel meteen 11.33-29 gedaan, wat overigens in de meeste praktijkvoorbeelden slechts op zetverwisseling met 11.44-40 of 11.45-40 pleegt neer te komen. 11.37-31 daarentegen heeft wel degelijk zelfstandige betekenis, maar daar is dan ook meteen alles mee gezegd. Want in Gantwarg-Van der Wal (Valkenburg 1985), de enige partij waarin 11.37-31 is voorgekomen, zou de witspeler er na 11…6-11 12.31x22 18x27 13.44-40 13-18 14.50-44 9-13 15.33-29 4-9 16.41-37 18-22(!) 17.29x18 12x23 nìet in slagen de door hem beoogde omsingeling gestalte te geven, met alle desastreuze gevolgen van dien.
11…6-11
Harm Wiersma heeft, afgaande althans op de partijen die de oud-wereldkampioen in het toernooi van Brunssum 1993 en het WK-rapid 1999 tegen respectievelijk Abdoulaye Der en Koifman speelde, een uitgesproken voorkeur voor een opstelling met 11…20-24 (12.50-44 6-11).
12.50-44 1-6 13.33-29 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6 t/m 9, 11 t/m 15, 17 t/m 20, 23 en 27;
achttien witte schijven op 25, 26, 29, 34 t/m 45 en 47 t/m 49.]
13…20-24
Een heel ander idee is 13…18-22 14.29x18 12x23, zoals voor het eerst door Cees Varkevisser werd gespeeld in een partij tegen Schotanus (NK 1971), maar dat we bijvoorbeeld óók kennen van Thijssen(!)-J. Masselink (Nijmegen 1994) of een matchpartij Georgiew-Tsjizjow (maart 2003). Ontegenzeggelijk is 18-22x23 minder vrijblijvend dan 20-24x24. Maar of men de gedeplaceerde positie van schijf 6 werkelijk als een bezwaar ervaart, is bovenal een kwestie van persoonlijke smaak. En misschien valt er zelfs wel iets te zeggen voor de stelling (die je zo vaak in de openingsboekjes van wijlen J.F. Moser kon aantreffen) dat beide kleuren kansen (moeten) hebben. In elk geval vind ik het opmerkelijk dat Rob Clerc, die met wit aansprekende overwinningen boekte op Schotanus (KSH-toernooi 1975) en Westerhaar-speler René Schippers (Clubcompetitie 1991/1992), er in een partij tegen Gantwarg (WK 1990) evenmin voor terugdeinsde om dezelfde stand met zwart op het bord te brengen!
14.29x20 15x24 15.38-33
Om zwart - naar ik althans vermoed - zelfs geen gelegenheid te geven met 15…24-30 16.35x24 19x30 naar de rand te vluchten, doen sommige witspelers hier ook wel 15.34-30. Zie bijvoorbeeld de partijen van Baljakin tegen Koeperman (WK 1986) en Henk Kalk (Nijmegen 2005), het spannende duel Georgiew-Thijssen(!) uit het toernooi van Delft 2004, alsook de partij die ik in oktober 2001 voor de onderlinge competitie van ADG tegen Ton Bollebakker speelde en waarvan een (spectaculair) fragment is opgenomen in de jubileumuitgave Vijftig jaar Amersfoorts Damgenootschap, 1955 - 2005.
15…14-20!? 16.25x14 9x20 (zie diagram)
Met deze manoeuvre, voor het eerst op grootmeesterniveau toegepast in een partij Tsjizjow-Baljakin, Parijs 1988, probeert zwart tot elke prijs het initiatief vast te houden. Dat zou hem na 15…24-30 16.35x24 19x30 17.34-29 23x34 18.40x29 30-35 19.37-32 27x38 20.43x32 (met 44 op 50 en 6 nog op 1 onder meer voorgekomen in Sjtsjogoljew-Andreiko, Samarkand 1969; Valneris-Baljakin, Minsk 1986; én - opnieuw - een van de eerste matchpartijen tussen Georgiew en Tsjizjow) nooit meer zijn gelukt.

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6 t/m 8, 11 t/m 13, 17 t/m 20, 23, 24 en 27;
zeventien witte schijven op 26, 33 t/m 37, 39 t/m 45 en 47 t/m 49.]
Overigens zou men kunnen zeggen dat Thijssen nauwelijks keus had. De Nederlandse kampioen wordt namelijk al enige tijd getraind/begeleid door Anatoli Gantwarg, en het was uitgerekend Gantwarg die in zijn - in nauwe samenwerking met Alexander Baljakin geschreven - verhandeling 1.32-28 19-23 2.28x19 14x23; 12 systems (Minsk 1991) een warm pleidooi voor de tekstzet hield… (“Gantwarg’s idea is that the centre by no means can be conceded; it should be fought for even by weakening one’s long flank.”)
17.42-38
Gantwarg en Baljakin schenken in hun boekje niet alleen aandacht aan 17.42-38 - ook 17.34-30 en 17.34-29 23x34 18.39x30 worden in kort bestek onder de loep genomen. Dat het achterwege laten van (17.)42-38 bepaalde voordelen met zich mee kàn brengen, kwam aan het licht in de competitiepartij Krasnjanski-Zijlema van februari 2001. Daarin volgde namelijk 17.34-30 3-9 18.30-25 9-14 19.40-34 17-22 20.44-40 11-17 (met 37 op 31 en 11 al op 17 beveelt het Wit-Russische duo 21…23-28! aan; mocht die zet inderdaad bezwaarlijk zijn voor wit, dan is het wellicht een idee om - zoals gebeurde in de partij Woolschot-Zijlema, Gelders kampioenschap 2002 - de manoeuvre 20.34-29 en 21.39x30 aan 22/23.44-40 vooraf te laten gaan) 21.34-29 23x34 22.39x30 18-23 23.43-38! 6-11 24.40-34! 13-18 25.37-31 4-10 26.45-40! (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 7, 8, 10 t/m 12, 14, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33 t/m 36, 38, 40 t/m 42 en 47 t/m 49.]
26…8-13? (dan altijd nog liever hetzij 26…23-28, hetzij 26…10-15 27.33-29 24x33 28.38x29 27-32* met vooralsnog onduidelijke positie) 27.33-29! (met 42 op 43 heeft wit deze mogelijkheid vanzelfsprekend nìet, terwijl het in dat geval evenmin goed lukt tot een opstelling met 48-42 of 47-42 te komen) 27…24x33 28.38x29 10-15 (gedwongen vanwege de damdreiging naar 4) 29.42-38(!), waarna zwart in feite al overspeeld was!
17…3-9 18.34-30 9-14 19.30-25 4-10
Zowel in de ‘stampartij’ Tsjizjow-Baljakin 1988 als in W. Aliar-Robbens, Suriname-Nederland 1993, lasten de zwartspelers eerst 19…17-22 in, alvorens op 20.37-31 (20.48-42?! 23-28!) met 20…4-10 21.40-34 10-15 (22.34-29 23x34 23.39x30 18-23) te vervolgen.
20.40-34 10-15 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zestien zwarte schijven op 2, 6 t/m 8, 11 t/m 15, 17 t/m 20, 23, 24 en 27;
zestien witte schijven op 25, 26, 33 t/m 39, 41, 43 t/m 45 en 47 t/m 49.]
21.34-29?
De klaverblad-opsluiting van de zwarte linker vleugel ziet er weliswaar verleidelijk uit maar zal onder de gegeven omstandigheden minder dan niets blijken op te leveren. Daarom geloof ik dat 21.48-42!? wits meest realistische optie was. Na het vrijwel gedwongen 21…24-29/30 22.33/35x24 20x40 23.45x34 is er dan een even principiële als aantrekkelijke stelling ontstaan met - om nogmaals Moser aan te halen - “kansen voor beiden”.
21…23x34 22.39x30 18-23!
En vooral niet “eerst” 22…17-22?, omdat zwart na 23.48-42! in verband met diverse kleine finesses nooit meer tot die cruciale zet 18-23 zou zijn gekomen. Bijvoorbeeld 23…11-17 24.45-40! 6-11 25.44-39!, waarna wit klaar staat om òf 26.37-31 dan wel 26.37-32 te spelen, òf zelfs 26.49-44 gevolgd door 33-28x28. (Ziedaar waarom zwart na 21.48-42 niet beter zou hebben gehad dan de 2x2-ruil 21…24-29/30.)
23.43-39
Met 37 dus al op 31 - en 17 uiteraard op 22 - deed Tsjizjow hier eerst 24.47-42; pas na 24…13-18 ging hij met 25.43-39 (25…11-17 26.41-37 7-11 27.44-40) verder. (Op die partij tegen Baljakin zal ik straks nog uitvoerig terugkomen.) In het al eerder genoemde interlandduel Aliar-Robbens zou al spoedig de beslissing vallen toen de zwartspeler (37 en 17 opnieuw op respectievelijk 31 en 22) na 24.43-39 11-17?! 25.41-37(!) nietsvermoedend 25…6-11? (aangewezen is 25…17-21 enz.) 26.37-32! 11-16 27.32x21 16x27 speelde. Want daarop haalde de lepe Aliar - aan wie ik overigens eeuwig dank verschuldigd ben voor de punten(delingen) die hij in het WK-toernooi van Hengelo 1972 zowel Koeperman als Andreiko(!) afhandig maakte - combinatief uit met 28.26-21!! 17x37 29.48-42 37x48 30.44-40 48x34 31.40x9 14x3 32.25x23 (32…3-9 33.30x19 9-13 34.19-14 +).
23…13-18 24.44-40 17-22
Pas nu zijn stand er rijp voor is, bezet Thijssen veld 22.
25.37-31 11-17 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 6 t/m 8, 12, 14, 15, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33, 35, 36, 38 t/m 41, 45 en 47 t/m 49.]
26.41-37 (zie diagram)
“Wit kampt met het levensgrote probleem dat 39-34? permanent verhinderd is door 23-29! +”, schreef ik in de (kranten)rubriek van zaterdag 6 mei. En in de oorspronkelijke versie (die ik later met het oog op de - te - beperkte ruimte weer danig moest inkorten) voegde ik er nog aan toe dat het “daardoor vrijwel ondoenlijk [is] een bevredigend plan te vinden.”
Ik wist toen nog niet wat ik nù weet, namelijk dat het slechts drie ply zijn (twee zetten van wit, één van zwart) die Van Dusseldorp-Thijssen 2006 scheiden van dat inmiddels meermalen genoemde duel Tsjizjow-Baljakin 1988. (Dat is overigens tegelijkertijd de enige partij waarmee Van Dusseldorp-Thijssen zinvol kan worden vergeleken!) Immers: na 26.47-42 7-11 27.41-37 (zie analyse-diagram) zouden we, alle zetverwisselingen ten spijt, alsnog middenin Tsjizjow-Baljakin gezeten hebben!

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 6, 8, 11, 12, 14, 15, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33, 35 t/m 40, 42, 45, 48 en 49.]
Vanuit die stand ging het, althans voor wat de eerstkomende tien zetten betreft, als volgt verder:
27…8-13 28.40-34 (28.37-32?? 24-29! +) 28…2-8 (vooral niet te snel 28…23-28? wegens 29.49-44!) 29.37-32 11-16 30.32x21 16x27 31.42-37 23-28 32.34-29 (koelbloedig verdedigd; zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 6, 8, 12 t/m 15, 17 t/m 20, 22, 24, 27 en 28;
veertien witte schijven op 25, 26, 29 t/m 31, 33, 35 t/m 39, 45, 48 en 49.]
32…17-21 33.26x17 22x11 34.31x22 18x27 35.33x31 24x42 36.31-26 42x31 37.26x37 19-23 met een licht doch ontoereikend positioneel overwicht voor zwart: na nog 13 zetten eindigde de partij in remise.
Nog twee opmerkingen over dit verloop. Ten eerste: in de stand van het laatste analyse-diagram deinst Baljakin, door 32…17-21 te spelen, begrijpelijkerwijs terug voor de consequenties van de afwikkeling 32…19-23 33.30x10 23x41 34.25x14 15x4 35.36x47 28x39 36.14-9 27x36 37.9-3. Dat laat zich hìerom goed begrijpen omdat het volstrekt onduidelijk is wat de peperdure witte dam (die liefst drie stukken heeft gekost!) precies waard was geweest. Weliswaar kan zwart met 37…18-23 de vijandelijke bewegingsvrijheid tot een minimum inperken (zo is 38.3-25? uitgeschakeld door de damvangst 22-28-32! +, terwijl 38.35-30? faalt op de combinatie 38…39-44! 39.49x40 17-21 40.26x19 13x44), maar na het - derhalve - gedwongen 38.48-42 is in hij in feite nog even ver van huis.
De tweede opmerking geldt zwarts 29ste zet. Baljakin speelde op dat moment 11-16x27 maar hàd ook heel goed voor het tijdelijke offer 29…22-28! 30.31x22 (30.32x21?? 28-32! en 31…23-29 +) 30…28x37 31.42x31 17x28 32.33x22 18x27 33.31x22 12-18 kunnen kiezen. Na 34.22-17 11x22 (35.38-32 22-28!; 35.26-21 8-12) had wit voor een even zware als ondankbare verdedigende taak gestaan…
Met andere woorden: zelfs als ik, tien weken geleden, wèl doordrongen was geweest van de onmiskenbare overeenkomst die er tussen Van Dusseldorp-Thijssen en Tsjizjow-Baljakin bestaat, had ik geen werkelijke, althans damtechnische reden gehad mijn pessimistische oordeel over de witte stand bij te stellen. Maar los daarvan (om voor de zoveelste maal een geliefde stijlfiguur te lenen van het recentelijk - ook tot mijn verdriet - ‘wegbeledigde’ Volkskrant-boegbeeld Jan Blokker): Thijssen hoeft zich na 26.47-42 helemaal geen reprise van Tsjizjow-Baljakin aan te laten leunen. Om te beginnen zou hij namelijk al 26…27-32 27.38x27 23-29 28.42-38 (28.42-37?? 29x38 29.37-32/48-43 18-23! +) 28…17-21 29.26x28 29-34 30.40x29 18-22 31.27x18 12x23 kunnen spelen. Maar waarschijnlijk doet zwart er nog verstandiger aan de schijven op het bord te houden en een opstelling met 26…8-13 27.41-37 en nu het centraliserende 27…6-11(!) (zie analyse-diagram) in te nemen.

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 7, 11 t/m 15, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33, 35 t/m 40, 42, 45, 48 en 49.]
Na 28.40-34 levert de 2x2-ruil 28…24-29! 29.33x24 20x40 30.45x34, onmiddellijk gevolgd door de manoeuvre 30…23-29! 31.34x23 19x28, hem dan een prachtige aanvalsstand op (Baljakins schijf 6 staat nu immers op veld 7), waarbij wit ook nog eens geplaagd wordt door de omstandigheid dat 32.38-33? verhinderd is door een damzetje naar 47 (32…28-32! enz. +).

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 6 t/m 8, 12, 14, 15, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33, 35 t/m 40, 45 en 47 t/m 49.]
26...27-32!!?
Anders dan een gemakzuchtige beschouwer zou kunnen menen (ik was bijna zèlf in die valkuil gelopen…), is het beslist niet zo dat uit het bovenstaande automatisch zou volgen dat zwart ook na een zet op de velden 11 of 13 prima spel had gehad. Immers: 26…8-13? zou onbedoeld de reactie 27.39-34! mogelijk maken. En zowel na 26…6-11 als na 26…7-11 is Van Dusseldorp, als gevolg van het open veld 13, ontslagen van de verplichting Tsjizjows (28.)40-34 aan 37-32 vooraf te laten gaan. Niet dat zwart na 26…6-11 27.37-32 11-16 28.32x21 16x27 nìet goed zou staan (merk op dat wit op een zet met schijf 47 op z’n minst bedacht dient te zijn op de tactische mogelijkheid 29…27-32!!? 30.38x27 23-29! enz.); maar de omstandigheid dat 34 nog op 40 staat, maakt dat er wel degelijk van een nieuwe situatie sprake is.
Hoe dan ook - met de 4x4-ruil-in-etappes waartoe de tekstzet de inleiding vormt, consolideert Thijssen zijn positionele overwicht, zonder dat hij zelf ook maar het geringste risico loopt. Er kleeft slechts één bezwaar aan de tekstzet, een bezwaar dat echter veeleer van academische dan van praktische waarde is. Wit zou namelijk het offer 27.37x28(!!) 23x34 28.40x29 kunnen brengen. Dat lijkt op het eerste gezicht misschien een onzinnige actie, maar wie de stand na 28.40x29 aan een nadere studie onderwerpt, komt al spoedig tot het inzicht dat wit voldoende compensatie voor de geofferde schijf heeft. Het staat althans vast dat zwart nìet meer gaat winnen wanneer hij zijn plusschijf niet heel tijdig teruggeeft. Als “bewijs” voor die - schijnbaar zo boude - bewering zou ik de volgende (lange) spelgang willen aandragen:
28…6-11 29.49-43 8-13 30.31-27 22x31 31.36x27 2-8 32.43-38 11-16 33.38-32 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 7, 8, 12 t/m 20 en 24;
elf witte schijven op 25 t/m 27, 29, 30, 32, 33, 35, 45, 47 en 48.]
33…17-22 (want na 33…17-21? 34.26x17 12x21 35.45-40 7-12 36.48-42! 12-17 37.42-37! zouden de beste kansen zelfs aan wit zijn!; waaraan ik - mogelijk ten overvloede - toevoeg dat het uitroepteken achter de opmars van 48 er staat omdat zwart na 36.47-42? 12-17! 37.42-37 21-26! 38.32-28 de doorbraak 38…19-23!! enz. had laten volgen) 34.45-40! 22x31 35.26x37 18-22 36.40-34! (vlecht de positionele dreiging 37/38.29-23 in de stand) 36…12-18 37.32-28! 7-12 38.28x17 12x21 39.37-31! 8-12 (wat anders?) 40.48-42! (om 40…21-26 41.31-27 12-17 te kunnen beantwoorden met 42.47-41!) 40…12-17 41.31-26! (nu pas) 41…21-27 42.42-38! 17-22 43.47-42 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 13 t/m 16, 18 t/m 20, 22, 24 en 27;
negen witte schijven op 25, 26, 29, 30, 33 t/m 35, 38 en 42.]
43…27-31! 44.26x37 22-28! 45.33x22 24x33 46.38x29 18x27 (na dit tegenoffer lijkt zwart alsnog aan het langste eind te trekken; maar wit beschikt nog juist over een verdedigende finesse:) 47.37-32!! 27x47 48.29-23 19x28 49.34-29 47x24 50.30x8, waarna zwart vanwege de dreiging 51.8-3 annex 35-30-24 zijn winstpogingen kan staken.
Het heeft er dus alle schijn van dat Van Dusseldorp - zuiver analytisch bezien - nog had kunnen ontsnappen. Maar tegelijkertijd hoeft het geen betoog dat een speler in de praktijk niet of nauwelijks aandacht aan een (bovendien nogal vage) offervariant zal schenken, zeker niet wanneer deze daar (nog) geen aanleiding voor ziet. In die praktische dan wel psychologische zin valt er op Thijssens 26ste zet dan ook geen werkelijke aanmerking te maken.
27.38x27?! 17-21 28.26x28 23x41 29.47-42 41-47!
Zwart levert opzettelijk een tempo in om het witte stuk op 42 uit zijn centrale positie te verdrijven.
30.42-37 47x29 31.40-34 29x40 32.45x34 8-13!
Een tweede positionele fijnheid binnen vier zetten. Na meteen 32…18-23(?) 33.39-33! (33…8-13 34.34-29 23x34 35.30x39) zou er nog maar weinig aan de hand zijn geweest. Maar door eerst het open veld 13 te sluiten, maakt Thijssen het mogelijk om op 33.39-33 via 33…24-29! 34.33x24 20x40 35.35x44 15-20! zeer groot, zoniet winnend voordeel naar zich toe te trekken!
33.48-42 18-23 (zie diagram)
Nu pas.

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 2, 6, 7, 12 t/m 15, 19, 20, 23 en 24;
elf witte schijven op 25, 27, 30, 31, 34 t/m 37, 39, 42 en 49.]
34.31-26(??)
In hevige tijdnood (zie ook de slotaantekening) begaat de witspeler een fout die hem zelfs op materiaalverlies komt te staan. Maar men hoeft er nauwelijks aan te twijfelen dat Thijssen ook na het gedwongen 34.39-33 24-29! en 36…15-20! zou hebben gewonnen.
De bedoeling van de tekstzet is 34…24-29(?) met 35.37-32! 29x40 36.35x44 te beantwoorden: 36…20-24?? is dan uitgeschakeld door 37.32-28!, 38.26x8, 39.25-20! en 40.8-3, zodat wit juist voldoende tijd heeft voor 37.44-40 en 38.40-35. Maar 34.31-26 zal hardhandig worden weerlegd:
34…13-18!
Zo slaat zwart twee vliegen in één klap: enerzijds maakt hij het slagje naar 8 onschadelijk, anderzijds wordt zelfs de mogelijkheid (35.)39-33 geëlimineerd. Daardoor heeft wit geen serieus verweer meer tegen de dreiging 35…24-29 en 37…20-24 +.
35.42-38
35.49-44, dat twee zetten terug ook al nauwelijks een bruikbare optie was, is inmiddels helemaal onspeelbaar wegens 35…24-29! 36.44-40 29-33! 37.39x28 23x41 38.36x47 18-22/23, waarna wit niets minder dan een strategisch fiasco te wachten had gestaan.
35…24-29!
Met schijfwinst of, ingeval van 36.30-24 29x40 37.24x22 40-45, doorbraak naar dam. Van Dusseldorp, die tot overmaat van ramp nog 15(!) zetten binnen slechts één enkele minuut moest doen, gaf zich dan ook terecht gewonnen.
Inloggen is niet verplicht om je commentaar achter te laten.
Beperkt HTML (<b>vet</b>, <i>cursief</i> en <u>onderstreept</u> toegestaan; webadressen worden automatisch omgezet in werkende links).


Après deux ans, il m'arrivait de battre des joueurs comme Rabatel (1991) et cela, je le dois uniquement à ma lecture de tes livres et chroniques.
Merci Ton pour ta vision du jeu pour tout ce que tu as appris passionément aux "petits"
Au plaisir de te lire de nouveau.
Tot seens
Philippe Jeanneret