De dag van Diny

Wandelen over de Pfaueninsel was toch wel het truttigste dat je in
Berlijn kon doen. Een houten slot dat gebouwd was als lustslot voor
een Pruisische keurvorst, maar dat nooit als zodanig gebruikt was
omdat de betreffende Friedrich-Wilhelm stierf vlak voordat het
belachelijke gebouw werd opgeleverd. Een paar honderd meter
verderop in het parklandschap stond het Kavaliershaus, een
neogotisch onding van Karl-Friedrich Schinkel. “Die Schinkel
heeft in zijn eentje zowat heel Berlijn gebouwd,” zei De
Hond, “tenminste als je de boekjes mag geloven. Behalve de
muur natuurlijk, en dat is een van de grootste bouwwerken van de
mensheid, maar denk maar niet dat iemand de architect kent.
Waarschijnlijk was er ook geen architect, alleen wat metselaars en
een bevel.”
Vero keek hem zijdelings aan en lachte. Ze genoot van het romantische eilandje. Kasteeltje, pauwen, een mooi parklandschap… Ze sloeg haar armen om zijn nek en kuste hem. Ze zaten op een stenen bankje en keken uit over het water van de Havel.
“Heut Nacht, wir schlafen hier? Nicht Café Bleibtreu, nicht Hotel. Essen, trinken und machen Liebe.”
Eergisteren waren ze aangekomen in Berlijn.
“Leuk, een paar dagen in Berlijn. De stad bekijken, lekker eten, hotelletje. Wat wil je zien allemaal?”
“Pfaueninsel,” zei Vero meteen. Verbaasd had De Hond haar aangekeken.
“Waarom?”
“Nur so.”
Ze hadden een roeibootje geleend van Yuri, de verkoper in het winkeltje van kunstenaarscollectief Frau Lembke. Ze hadden Yuri die middag leren kennen bij het neuzen in het rommeltje van in eigen beheer uitgegeven cd’s, boekjes en posters van het collectief. Een 29-jarige, langharige en stonede verkoper, zoals hij zichzelf noemde. Hij had beeldhouwen gestudeerd aan de kunstacademie in Berlijn, maar was afkomstig uit Rügbüll, een klein plaatsje tegen de Deense grens in Schleswig-Holstein. In zijn vrije tijd maakte hij twee meter hoge roestig-metalen blokletters. Hij was al bij de R. “Ik word niet oud,” zei hij. Als hij heimwee had naar de vergezichten over de Oostzee pakte hij zijn roeibootje en ging vissen op de Wannsee.
Het was nog een hele onderneming om op de Pfaueninsel te komen, De Honds ongeoefende spieren deden pijn, de blaren op zijn handen waren open. Vero had gedurende de hele tocht achter in het bootje gezeten, de linker-, dan weer de rechterhand in het lauwe water. Ze wees hem op de sterrenhemel, hij haalde de riemen binnenboord en keek omhoog. Mooi ja, hij wiste het zweet van zijn voorhoofd. In haar gebroken Duits sprak Vero over de mooie nacht en over vergelijkbare nachten in Gdansk. De Hond luisterde niet en roeide in een gestaag tempo door.
Ze spreidden hun slaapzakken uit op een grasveldje voor het Kavaliershaus. Ze aten stokbrood met kaas en koude Poolse bloedworst met appeltjes.
Vero kroop dicht tegen hem aan, streelde zijn borst. Hij lag op zijn rug. “Du noch müde?” Hij gromde iets terug. Ze knoopte zijn broek open. “Du ausruhen.” De Hond probeerde te genieten. Maar tussen de sterren zag hij Carola aan deMaas. Hij liep naast haar.
“Hör auf.” Hij kleedde zich aan terwijl Vero zwijgend de spullen terugdeed in het mandje dat ze die middag gekocht had.
De weg terug was eindeloos.
Vero keek hem zijdelings aan en lachte. Ze genoot van het romantische eilandje. Kasteeltje, pauwen, een mooi parklandschap… Ze sloeg haar armen om zijn nek en kuste hem. Ze zaten op een stenen bankje en keken uit over het water van de Havel.
“Heut Nacht, wir schlafen hier? Nicht Café Bleibtreu, nicht Hotel. Essen, trinken und machen Liebe.”
Eergisteren waren ze aangekomen in Berlijn.
“Leuk, een paar dagen in Berlijn. De stad bekijken, lekker eten, hotelletje. Wat wil je zien allemaal?”
“Pfaueninsel,” zei Vero meteen. Verbaasd had De Hond haar aangekeken.
“Waarom?”
“Nur so.”
Ze hadden een roeibootje geleend van Yuri, de verkoper in het winkeltje van kunstenaarscollectief Frau Lembke. Ze hadden Yuri die middag leren kennen bij het neuzen in het rommeltje van in eigen beheer uitgegeven cd’s, boekjes en posters van het collectief. Een 29-jarige, langharige en stonede verkoper, zoals hij zichzelf noemde. Hij had beeldhouwen gestudeerd aan de kunstacademie in Berlijn, maar was afkomstig uit Rügbüll, een klein plaatsje tegen de Deense grens in Schleswig-Holstein. In zijn vrije tijd maakte hij twee meter hoge roestig-metalen blokletters. Hij was al bij de R. “Ik word niet oud,” zei hij. Als hij heimwee had naar de vergezichten over de Oostzee pakte hij zijn roeibootje en ging vissen op de Wannsee.
Het was nog een hele onderneming om op de Pfaueninsel te komen, De Honds ongeoefende spieren deden pijn, de blaren op zijn handen waren open. Vero had gedurende de hele tocht achter in het bootje gezeten, de linker-, dan weer de rechterhand in het lauwe water. Ze wees hem op de sterrenhemel, hij haalde de riemen binnenboord en keek omhoog. Mooi ja, hij wiste het zweet van zijn voorhoofd. In haar gebroken Duits sprak Vero over de mooie nacht en over vergelijkbare nachten in Gdansk. De Hond luisterde niet en roeide in een gestaag tempo door.
Ze spreidden hun slaapzakken uit op een grasveldje voor het Kavaliershaus. Ze aten stokbrood met kaas en koude Poolse bloedworst met appeltjes.
Vero kroop dicht tegen hem aan, streelde zijn borst. Hij lag op zijn rug. “Du noch müde?” Hij gromde iets terug. Ze knoopte zijn broek open. “Du ausruhen.” De Hond probeerde te genieten. Maar tussen de sterren zag hij Carola aan deMaas. Hij liep naast haar.
“Hör auf.” Hij kleedde zich aan terwijl Vero zwijgend de spullen terugdeed in het mandje dat ze die middag gekocht had.
De weg terug was eindeloos.


Inloggen is niet verplicht om je commentaar achter te laten.
Beperkt HTML (<b>vet</b>, <i>cursief</i> en <u>onderstreept</u> toegestaan; webadressen worden automatisch omgezet in werkende links).