
Ik zou het nog leuker vinden om met de trein te gaan!
station antwerpen, hopelijk ook een keertje in, venlo
Laten we toch hopen dat dit soort "spontane" acties vaker
gebeuren,
tsja... wat zal ik verder zeggen,
kijk
Ik heb altijd eigenlijk iets beters te doen
Nu ook
Er is vaak een ‘moeten’ dat mij drijft
ook als het juist een antibeweging blijkt
En het is me nog steeds niet duidelijk
waar de wil overgaat in een plicht, of andersom
Vandaag had ik een vreemdgrappige gedachte
Misschien behoorde ik in een vorig leven
tot het huishouden van een welgestelde familie
met bedienden en alles
Waarom dat grappig is?
omdat ik er een verklaring in vond voor
mijn gebrekkige lust aan opruimen
Eenmaal gewend dat zulke dingen voor je worden
gedaan, zinkt het besef slechts langzaam
Dat je het nu zelf moet doen, zoiets
Binnen de nieuwetijds rage hoef ik niet eens meer
enkel in mijn eigen huidige leven te zoeken naar verklaringen
voor mijn gedrag, ik kan er niks aan doen, het was voor mijn tijd
ik ben de uitkomst van de som mijner levens – meervoud
afkomst is een samen gesponnen draad waarin je achterover kunt hangen
Toen begon ik dus te grinniken
Smoesjes! Smoesjes!
Sommige gedachten duren langer dan
het opnemen van de verantwoordelijkheid van je zou verlangen
Vervuld met een hernieuwd besef
maar met snelle efficiëntie omdat ik het niet wil overdrijven,
-de verheerlijking van de plicht zou op de loer kunnen liggen
en proporties doen er zeker toe-
gedaan wat nodig was
Iemand zei over mijn zoon “gelukkig gelooft hij niet in
chot”
mijn zoon die in nummertjes denkt, volgens mij beseft hij al
bijna,
net als de wiskundige, dat er geen macht ter wereld kan bestaan
die niet
wordt overtroffen door een hogere macht.
Dus waar ligt dan het begin, of het einde van die macht?
En hoe zullen we die dan noemen?
Ik ben niet Joods, maar ik zie wel iets in hun gewoonte g’d
nooit rechtstreeks
te benoemen.
Erna
Ook al was het mijn vaste voornemen
Geweest
Dat hij me nooit meer zó zou raken
Ik werd geraakt
Een gevoelige snaar
De valse melodie
bleef rondzingen in de dag
beheerste mijn denken
trof me als een mokerslag
Erna
We praten veel over de dood
ik weet ook niet waarom
hij wil het
dus we praten erover
we praten over het laatste nummertje
en hoe je weet of je al bij je laatste nummertje bent.
Is Opa al bij zijn laatste nummertje?
ik zeg dat het allerlaatste nummertje zo groot is
dat ik het niet ken, niet kan benoemen of uitspreken
Maar mamma kan wel tot duizend tellen, toch?
Het is heel saai, maar die nummertjes ken ik inderdaad
allemaal
- Eigenlijk herhaalt het zich de hele tijd. Doe eens voor dan,
vraagt hij
Zijn hoofd knikt op de cadans van de door mij uitgesproken
cijfers,
automatisch benadruk ik de ronde getallen, die hij beantwoord met
een
diepe knik terwijl hij naar mijn mond blijft staren als
gehypnotiseerd -
Hoe vind je zekerheid in onwetendheid… maar hij laat me
geen tijd
En als jij dood gaat mama, en papa ook, waar moet ik dan wonen?
Ik praat hem moed in, dan heb jij al een eigen huis, een vrouw en
kinderen,
zodat ik ook nog Oma kan worden van zijn kinderen.
- ik zal er altijd voor je zijn-
Slinks probeer ik hem af te leiden, en jij? Wat zijn jouw
plannen?
Ik word later Oma, en jij? Vreemd antwoord hij dat hij het
nog
een paar keer gaat veranderen, want dat kan, je kan het wel
een
keer of vier veranderen, of misschien wel vijf, want zo oud is
hij,
dus hij weet het nog niet.
Haast vermoeid wimpelt hij me af.
En logica raast voort, ik kan hem nog nauwelijks bijbenen
Want wat als er helemaal geen kinderen meer worden geboren?
En iedereen gaat dood? – jij zei dat iedereen dood ging,
toch?-
Dan zijn er geen mensen meer, en is hij helemaal alleen, angst
hij verder
Met overredende zekerheid in mijn stem zodat hij mij zal
geloven,
dat zal nooit gebeuren, dat is onmogelijk,
de natuur zal dat niet toestaan. Iedereen tegelijkertijd het
laatste nummertje?
Behalve hij? Onmogelijk!
Grote woorden, voor Grote gedachten
Afwachtend kijk ik toe, wat zal hij hier van brouwen?
want hij gaat naar een plek waar ik nog amper kan volgen
en hoe gemakkelijk is het dan je te verbazen
over de snelheid van zijn conclusies?
Want met welke gegevens die ik hem gaf,
kon je die uitkomst verwachten?
Wat heb ik in zijn hoofd gestopt tijdens al die terloopse
gesprekjes
over laatste nummers, toekomst, doodgaan, alleen zijn, de
natuur?
Al die schijnbaar kleine vragen waarop ik antwoorden gaf,
hij zegt, in het kort
Eerst gaat opa dood, dan pappa, dan jij en dan ik,
- ik hou mijn adem in-
jullie zullen op mij wachten en dan zijn we weer samen
totdat we geboren worden met het eerste nummertje
Spreekt hier de kalme zekerheid van de eindconclusie?
-ik ben verbluft-
Zulke Grote woorden en Grote gedachten uit zo’n klein
mondje
dat nog altijd in onschuld door blijft spelen met de Lego
-hij bouwt gewoon verder, wat moet ik antwoorden?-
Ja, maar het zal wel even wennen zijn
Erna
Tijd dwarrelt niet voor hij neerstrijkt
maar valt altijd op zijn plek uiteen,
vooruitstrevend.
Hoed u voor de wachter.
Stil aan op de uitkijk
voor wat komen gaat
Verbeeldt hij zich dat hij
ook maar iets te behouden heeft?
Wat doet hij meer, dan de illusie
van uitstel verlenen?
De tijd wint geen slag
in besluiteloosheid
Zelfs het oog van de storm
is zich bewust van het voortrazen
Waar om heen de wachters staan,
alsof zij nooit zullen verweren!
Erna.
Keep the boat afloat, ...rocking in the free world...
dobberen, liefde, leven, boot
Lieve mensen, Linda en anderen die zich in bootjes
bevinden:
"Een boot is het veiligst in de haven,
maar daar is die niet voor gebouwd "
Citaat: Hakim Traïdia
Liefs, Erna
De kinderen die ik herken in mij; de kinderen die we waren of wilden zijn
herinneringen, liefde, de kinderen die we waren, kinderen
Misschien komen we ook pas in de handeling tot leven, kijk ik
naar de foto van mijzelf van de vorige bijdrage dan zeg ik dus
"wie is dat kind?"
Kijk ik hier, dan zie ik mij zoals ik mij herken. In de
handeling, in gezicht, houding en uitstraling.
In de zandbak met eeuwige kameraad. 'Hond' met haarband die
altijd scheef over z'n ogen zakte, maar wat dan moederlijk
weer wat te frunniken gaf.
Ik weigerde naar school te gaan zónder Hond. En een ieder die het
waagde mij op andere gedachten te brengen 'want je bent toch al
een grote meid' die liet ik mijn allergrootste baby-ogen zien en
een droef hangende tril-lip. Waarmee ik iedere verdere discussie
om zeep trachtte te helpen, Hond ging mee.
Ouwelijk kon ik ook zijn in postuur en blik. Maar ik
wílde het kind zijn, en was schuw voor ieder spoortje dat
neigde naar opgroeien; groter worden ging blijkbaar vanzelf, maar
Groot worden nee, dat nooit! Ik was niet uit de zandbak te slaan
en liet me erop voorstaan de allerbeste 'baby' te kunnen
spelen, mijn babygehuil ging iedereen door merg en been, en kon
zo echt lijken dat kinderen erom heen gingen staan
"huilt ze echt?" "Wat is er gebeurd?" "hebben jullie dat
gedaan?"
Niet zonder trots jankte ik dan nog een tijdje voort om het spel
en de aandacht.
Totdat ik merkte dat de grens van spel naar
'net te echt' een irritatie begon op te wekken en ik
razendsnel begon te baby brabbelen, wat ik overigens ook
heel goed kon :)
Nu hoop ik echt dat iemand anders zich ook in zo'n
beschrijving herkent, want werkelijk waar, deze herinnering
biecht ik toch op met een zeker gevoel van schaamte, ik grinnik
bij de gedachte aan dat meisje.
Pas veel later merkte ik hoezeer ik me in de vingers had gesneden
met al dat toneel spel. Ik kon huilen wat ik wilde om échte pijn,
niemand scheen me nog te geloven.
"Ja maar zij huilt altíjd!" "Ja, hou maar weer
op!"
Zo verloor ik het gevoel in contact te staan met mijn
leeftijdsgenootjes, ik was een baby geworden in het lichaam van
een reus. Er was een gat ontstaan tussen gevoel en werkelijkheid
dat ik niet meer kon dichten. Niemand was nog geinteresseerd in
de zandbak, het spel was uit.
Misschien was er wel iets specifieks gebeurd, op school,
maar wat dat dan moet zijn, kan ik me niet
meer herinneren. Maar na de zandbak vond ik het heel
moeilijk om te spelen met leeftijdsgenootjes, ik hing er
maar verloren wat bij, en voelde mij steeds vreemder en
vreemder worden totdat ik uiteindelijk besloot dat ik het liefste
met rust gelaten wilde worden en bewust stille hoekjes opzocht
om in weg te dromen.
Het liefst speelde ik met kinderen die ook écht fantaseerden en
niet de voor hen normale maar voor mij vervreemdende spelletjes
deden die de volwassenen te zeer kopieerden. Het moest over
kinderen gaan. De Kinderen die we waren of wilden zijn. En die
Kinderen mochten stoer zijn, een avontuur beleven, je kon het zo
gek niet bedenken, zolang we maar niet dachten dat we
volwassenen waren!
Alles wat zich buiten mijn droom-en-
spel-wereld afspeelde boezemde mij een ontzagwekkende
angst in die ik lang niet leerde overwinnen.
En ook dat kind herken ik nog in mijzelf, maar wat haar betreft
ben ik trots dat zij nu een volwassene heeft om zich aan vast te
klampen; ik :)
Over een vreemd kind, Oma, en een foto.
oma, liefde, herinnering, gezin, familie, de kinderen die we waren
Laten we beginnen met de foto, je kunt je ogen
er toch niet voor sluiten.
Wie is dat onooglijke kind? Heeft ze zelf haar haren zo
toegetakeld met een schaar?
Waar woont ze, wat doet ze, wat denkt ze? Hoe oud is
ze?!
Dochterlief gaat het huis uit, dat wisten we
vorig jaar al toen Oma dood ging.
Dus toen familieleden door het huis van Oma liepen zagen ze de
spullen die wel eens handig zouden zijn voor Jongedames die
bijna het huis uit gaan.
Het leven is al duur genoeg.
Een jaar later staan er dozen en vuilniszakken met handdoeken in
mijn bijschuur voor Dochterlief. Die ondertussen al het huis uit
is. Samen kijken we vlug in de dozen, we hebben nauwelijks
een idee van wat er in zou kunnen zitten.
De eerste doos die ik open maak laat een foto zien van mij.
"Moet je nou eens kijken!" roep ik dochterlief's aandacht.
"Ben jij dat?"
"Ja" moet ik beamen, niet zonder gene "dat ben ik....."
"Hoe oud ben je daar?"
"Ik weet het niet,..... ik denk twee of drie... "
"En dit komt uit Oma's huis?"
"Ja.." antwoord ik stil.
We kwamen uit Oma's huis met een zak vol zoutjes,
die droog en klef tegen je gehemelte bleven hangen, vaag
naar pindakaas smaakten en verveelden ons.
Het was vroeg in de lente, we hadden koude
benen in zomerjurkjes die we aan moesten van al te
optimistisch gestemde moeders wat het weer betrof.
“Later vanmiddag wordt het nog wel mooi”
We wisten niets beters te verzinnen dus liepen we richting de
vijver.
Mijn neefjes probeerden steeds plagerig mijn rokje op te
tillen zodat ze konden gillen om mijn onderbroek, waar ik
overigens niets abnormaals aan kon ontdekken.
Ik stond te blauwbekken met een zak vol smakeloze
zoutjes en als het niet mijn neefjes waren die mijn rok
optilden dan was het wel de wind, en vroeg me
ondertussen af of de eenden niet zouden stikken in onze
zoutjes. Zodat ik daarna, eenmaal weer binnen nog
uit Oma's raam zou kijken, en bij het weggaan de eendjes
controleerde; leefden ze nog? We hadden ze toch geen kwaad gedaan
he?
“Hing dat bij Oma aan de muur?”
Wat een vragen één foto op kan roepen, “ja… dat denk
ik” antwoord ik bedachtzaam.
Ik herken mezelf niet op deze foto, de herinneringen die boven
komen drijven leven later dan deze foto genomen is, ik heb geen
innerlijk beeld van het kind op deze foto.
‘hallo kindje’ praat ik tegen haar die ik niet herken
‘jij bent nog erg klein he? Heb je zelf een beetje stout je
haren geknipt? Of heeft jou mamma dat gedaan..? ’
Maar ik ken deze foto toch? Die zit ook in mijn fotoboek.
Ik heb mezelf er nooit op herkend, ook niet toen die in
Oma’s huis hing. Ik schaamde me voor deze foto, omdát ik
mezelf er niet in herkende.
Het ergerde mij zelfs dat Oma een vreemde ophing in haar
hal, als het haar dan aan mij moest herinneren dan wel de mij
zoals ík mij zag, niet deze vreemde.
Ik kon me niet voorstellen dat Oma mij daar wel in zag. Dus zag
Oma mij wel?
We kenden elkaar niet…
‘Nee, zoals ik jou nu ook niet herken.
Maar Oma zag Jou, en keek naar Jou. Jaar in jaar
uit…’
Ze zag een mij die haar dierbaar was, ik voel dat ze die mij
liefhad en dat zij haar nooit vergat, zoals het mij blijkbaar wel
gelukt is.
‘hmm…. Dat is niet zo mooi he? Dus wie kijkt er nu
naar je om?’
Langzaam sijpelt het besef binnen dat het wel een foto van mij
is, maar dat het niet om mij gaat.
Hij hing in haar huis, het was haar foto. Van mij. Zij keek
ernaar en voelde zich ermee verbonden, ook toen ik veranderde, en
ook nog toen ik nooit meer kwam.
‘En nu ben je weer onmerkbaar terug verhuisd en kan ik niet
meer naar je kijken zonder Oma te zien die jou zag, op haar
manier. Hallo kindje. Hallo Oma’
“Ik ga deze foto ook weer ophangen”
“Is dat niet een beetje kitcherig?”
“Het is maar hoe je het bekijkt..”
We lopen, nee sjokken, het is meer dat vermoeiende slenteren,
door Amsterdam omdat een familielid daar aan het promoveren
is.
Zojuist waren we getuige van een prachtige verdediging
van het proefschrift toen
verschillende hoogleraren pittige vragen stelden, maar
nu heeft het programma pauze en slenteren we door de
binnenstad, schijnbaar doelloos zoals het slenteren nu eenmaal
gaat.
Mijn moeder in haar rolstoel, haar vriendin, mijn tante en oom,
en ik. We gaan winkeltjes binnen om kaartjes te kopen, bladeren
door boeken, staren door etalages en rijden met de rolstoel bijna
een oudere heer van zijn sokken die ons in plat
amsterdams toebijt "Wel uit je doppen blijvuh kijkuh, huh!"
Hij zegt het op zo'n valse manier dat ik er van ga grinniken. Het
valt me op dat als je eenmaal níet meer in Amsterdam woont
je dit soort dingen erg snel ontwent raakt.
En zo gaat het van slenter de slenter richting Waterlooplein waar
ze de boel aan het opbreken zijn, dus het heeft niet
veel nut meer daar nog te gaan slenteren.
Dan ziet mijn tante het terrasje op de brug
en zegt "Zullen we hier anders even gaan zitten?" Ik denk
'JA! Graag!!'
Waarop mijn moeder antwoord vanuit haar rolstoel
"Voor mij hoeft het niet hoor"
Waarom willen we toch altijd
iets dat we niet lijken te kunnen
kan het ook zijn, dat ik
iets kan wat een ander,
wil kunnen?
Wist ik maar wat,
ik zou er trots op zijn
mei, 2008
die beluister ik nu bijna als zijnde de herontdekking van de hemel :)
Over wie heb ik het? over de band: Talk Talk met leadzanger
Mark Hollis die in de videoclip 'such a shame' zo guitig de camera in kijkt,
volgens mij vind hij zichzelf ook wel grappig, kan hij het allemaal heel even niet al te serieus meer nemen, er straalt zo'n blije levenslustigheid uit van die man, het is besmettelijk.
Je zou er gemakkelijk verliefd op kunnen worden, op zo'n blik. Al zijn andere blikken wil ik niet kennen, maar met die blik hoef je als man van mij nooit meer je eigen sokken op te ruimen, of de afwas te doen, in feite kunt je de hele dag zo ongever doen wat je wilt als je mij die blik maar gunt :)
Dus je zit op Youtube in verheerlijkte staat al dat moois weer te herontdekken,
en dan komt dit concert aan je voorbij waar je nooit van zun leven bij had kunnen zijn omdat je in die tijd te jong was om je een kaartje naar Montreux te bemachtigen; wat een geweldig concert moet dat zijn geweest!
Luister maar eens:
What a way to start the weekend!
denk ik aan nu
aan morgen
alles gaat zoals ik wiel
rug recht, armen wijd
tjielp tjielp
daar word ik vrolijk van
kijk ik achterom,
dan zie ik jou
fietsbrabbel over
de kleur van de opkomende zon
"rood" zeg jij
"een mooie dag" zeg ik
en alles rijdt
zo zacht en stil
verder als
wapperende haren
Wel wel welen wie komt daar opeens
-zo laat! -
op kousenvoeten
aangeslopen?
Kierkegaard!
ok, je maakt me aan het lachen
en ik ben blij
je nu te hebben
ontmoet
maar er moet ook nog geslapen worden
nieuwe vriend!
Wat is er dat ik niet horen kan?
wat ik wel hoor
is jouw bozige gemompel
gesis op de achtergrond
zelfs Pasen kan niet
ongestoord voorbij gaan
ik vertelde je hoe voor mij
dit nu al te dagelijks geluid
door muur en hart
heen breekt, 's nachts mijn ziel
doorschudt "wordt wakker!"
Toen jij mij zei "niets aan de hand,
ik praat gewoon met mijn vriend"
Heel ongewoon verbaasd was ik
en dacht ‘het zal wel snel voorbij gaan'
Maar nu na een jaar
-een jaar-
woedend gesis en klank
af ge me ten
let ter gre pen
strak in het ge lid
van iem and die ge lijk
wil krij gen
luister nou
luister nou
luister nou
precies weet ik niet
waar het over gaat
maar dit staccato
hakke tak tak tak
zijn als kleine
speldenprikjes
keer op keer op keer
op dezelfde plek
beurs overgevoelig nu
terwijl ik toch denk en dacht
-dit is niet mijn pijn!-
Wiens hart wordt hier gespiest?
hij die nu de dienst uit maakt
hoe jij je kleedt
waar je gaat
met wie je spreekt
hij die nu de dienst uitmaakt
houd je gevangen in
wurgende liefdesgreep
van weggaan is geen sprake
morgen
morgen
ik weet het niet
we hebben ruzie
we maakten het goed
morgen
morgen
we hebben ruzie
we maakten het goed
ik weet het niet
mijn tranen zouden de jouwe
mijn woede de jouwe
In overdracht raak ik de kluts
volkomen kwijt,
apathisch zit ik vaak
bij de pakken neer
en wacht op weer die keer
dat ik hoor woedend gesis
alle lijnen gesloten
voor overig verkeer
onbereikbaar
mijn geduld overduidelijk
minder dan de jouwe
ik smeek je! vind je eigen weg
dit leven in mijn leven
wordt me werkelijk
teveel
"het kénnen van de Weg,
is onbelangrijk. Je hoeft de Weg slechts
te gáán.
De rest is alleen maar een verhaal,
verdwaal niet in de metaforen,
of bespiegelingen, want die vertellen je niet
de Weg."
"Ja maar, als ze praten over de juiste weg,
of dat je van het pad af kan dwalen...?"
"Wat is je vraag?"
"Mijn weg zit vol met bobbels,
kuilen en obstakels, daarom zoek ik een betere weg.."
"Ben je hier zo gekomen?"
vraagt hij
"Ja, dus daarom zoek
ik een gemakkelijkere weg"
"ik kan je verzekeren,
dat als je achterwaarts vooruit wilt lopen,
met het oog op hobbels en kuilen die achter je liggen
je weer zult struikelen"
"Mh! Wat moet ik dan doen?"
"Draai je om!"
[...]
"Hoe komt het dat anderen het
zoveel makkelijker lijken te vinden?"
"Hoe weet je dat?"
"Ze doen het allemaal zo moeiteloos.."
"Hoe weet je dat?"
"Zo ziet het eruit.."
"Dus jij weet dat zij het makkelijker
hebben omdat het er in jouw ogen
moeiteloos uitziet. Wat weet jij van hun moeilijkheden?
Ken je hun krachtsinspanningen?"
"uhm.."
"Kun jij je nog herinneren dat als je op de helling
naar beneden gaat, de volgende helling omhoog er altijd
zo steil uitzag?"
"Ja, dat herinner ik me nog goed.
Ik was 13 en begon bijna te huilen
bij de aanblik van wéér een steile helling,
en ik was verbaasd en opgelucht toen bleek dat het helemaal niet steil was"
"Het was gezichtsbedrog,
Houd eens op zo jaloers te zijn en je te vergelijken met
anderen, het hellend vlak waarop je je dan begeeft
geven een verstoring in het beeld. Wat je ziet is enkel
gezichtsbedrog "
-En toch! Soms denk ik, dat ik gewoon een schop
onder mijn kont nodig heb.-
Was er niet ooit een groot man die zei:
"Sta op, en ga!" ofzoiets...
En mensen die gingen
blijkbaar vroeg niemand
waarom of waarheen
Je laten meevoeren
door onzichtbare leiding
Ik voel een groot ontzag, voor hen die dat
immense vertrouwen
kunnen dragen. Soms voel ik er een glimpje van,
als de slippen van een jurk, die tegen mijn lichaam aan waait
Wat heerlijk zacht, zo licht en warm!
Moet je eens voelen!
- waar is het gebleven? Weer meegewaaid op wind
die bracht, schone klederdracht-
Maar het lijkt me nu niet iets, dat ik zal kunnen dragen
zelfs al geen vertrouwen
in hoe het af zal kleden
-hier te wijd, daar te strak, voor je het weet
heb je weer een nieuw keurslijf te pakken,
ingewikkelde ontwikkeling-
De Keizerin voelt zich naakt!
Sommigen zeiden "wow moet je zien!"
en zij dacht "ze bewonderen een kleedstuk
dat ik niet bezit"
wat niet gaat
en uiteraard zie ik niet
wat jij wil
met mijn ogen!
ik zie ik zie wat jij niet ziet
en de kleur is .....
woedend bloedend
ik kan niet meer aanzien
hoe ziel uit scheurende
herhalingen
herhalingen
geen woorden meer
om een gapend gat te dichten
uitgesproken klaar ermee
Oh ja, hij was er. Ik weet het nog goed. Hoe ik... Met doodsverachting
uitgenodigd werd, samen met de Rode Godheid te verdrinken. Slechts ons innige omhelzen zou kunnen voorkomen dat het verzwelgende water mijn longen zouden vullen.
Wat kon ik anders, hij was de dood en het leven. Wat kon ik anders? dan mij overgeven
aan zijn Kiss of Life?
Maar dat was toen.
Door de opening in de berg komen we langs donkere gangen en zalen steeds dieper de berg in. Cirkelend, dwalend, in de zalen liggen mensen te kreunen in hun slaap, verwond.
Hun slaap komt mij kunstmatig voor, als verdoofd, maar ze worden verzorgd.
Al of niet verplicht hadden zij contact gehad met hun Goden en het contact sloeg wonden die dieper gingen dan de huid kon verdragen.
Dit is wat mij ook te wachten staat.
Ik ben met twee andere vrouwen die mijn ondersteuning zijn, trouwens nu ik er op let, er lopen hier alleen maar vrouwen rond. Stille helpers, nuttige handen, zwijgend in hun weten.
Een man ligt te kreunen met blaren over zijn hele lichaam, rode vlekken, ze verteld dat dit heel vaak voorkomt door de aanraking met de goden, maar mettertijd zal het ook met hem weer goed komen.
Nog steeds gaan we steeds dieper en dieper de berg in.
Dan komen we uiteindelijk,
- mijn maag krimpt ineen, had ik ooit eerder zo'n kalme angst gevoeld?-
bij de Rode Man, vergoddelijkt,
- hoe is hij zo gekomen?-
Door het Hoogste aan mij toegewezen, het is mijn lot, het is zijn lot
we kunnen niet anders dan gehoorzamen.
Hij slaapt in het water want anders is hij te heet om te bewaren, hij zou onhandelbaar zijn
en zichzelf en anderen verwonden.
- Zou hij zelfs door de berg heen kunnen smelten?-
Ze halen hem uit het water om op te warmen en wakker te maken.
Als het water van hem afdruipt, omlaag sijpelt, zie ik dat het geen water is maar haren die groeien, zijn hele lijf bedekken. Ik kan zijn gezicht niet meer ontwaren. Zijn gladde rode lijf, verborgen, het hoofd omlaag, half slapend. Als hij daar roerloos staat ondersteunen ze hem.
Ik kan gaan en op hem wachten, hij zal mij weten te vinden en vanzelf verschijnen.
Zal ik in het contact met hem ook verbranden? Zal ik blaren krijgen op mijn hele lichaam?
Ik zal smelten! Waarheen verdwijn ik dan?!
Angstig zie ik uit naar de ontmoeting.
Hij verschijnt kaal en rood. Zijn wilde haargroei dat ik zag groeien in golvende rode krullen, en die zijn hele lichaam hadden bedekt waren verdwenen.
We lopen op mijn niveau, over straat, en ik ben nog steeds bang op wat mij te wachten staat.
Hoe moet ik dit aanpakken? Als me duidelijk wordt dat hij me wil vastpakken, omhelzen, zoenen - de verleiding is begonnen!- geef ik mij in angst over aan die verleiding, maar merk tot mijn verassing en opluchting dat ik beschik over een koude douche!! Die uit mijn schouderbladen, nek, schouders, over mij en ons heen sproeit zodat er vanuit de aanraking niet de verzengende, versmeltende hitte uitgaat als waarvoor ik vreesde!!
Ik lach, hij is onschadelijk gemaakt. Nu begin ik vrijpostig te worden en terwijl we over straat lopen, de markt waar al het koopwaar is uitgestald heeft onze interesse niet, stoei en por ik met hem. Lenig en soepel beweeg ik mij om hem heen, maar door een ongelukje breek ik zijn kaak!
Nu moet hij gaan, iedere betovering is verbroken, er staat tegenover mij een man. Een man, die een god was, wilde zijn, moest zijn! Maar hij lijdt en moet terug naar de berg wetende dat hij heeft gefaald.
-Heb ik gefaald?-
ik krijg door dat ik moet afwachten tot,.....
Maar ik wil niet wachten! Ik maak me zorgen en wil opnieuw de berg in om hem te zoeken!
Samen met mijn gevolg vinden we een alternatieve ingang, anders dan de eerste, een andere route, sneller. We komen langs andere kamers bij een grote zaal waar ik de Hoogste God weet, maar enkel zijn naam steeds vergeet. Ik voel geen eerbied voor hem, hij is gokverslaafd,
ik voel medelijden met zijn helpers die bezorgd om de gevolgen van een slechte gok om hem heen staan. Op hem inpratend. "Oh stop toch! De inzet is te hoog!" de controle,... de Wet.
Zij vrezen de Wetten meer dan Hem, en zelfs hij als Aller Hoogste ontkomt niet aan de Wetten! Iedereen siddert, want het is een hele toer Hem duidelijk te maken dat de Wetten ons allemaal zullen treffen, zij die lager leven zelfs harder. Hij heeft er misschien niet veel last van, Wie beschermt nu Wie? Hij lijkt gecorrumpeerd te zijn.
Uiteindelijk kom ik aan bij mijn Rode Man, godheid in wording, in zijn Cel.
Ik oogst bewondering voor mijn vasthoudendheid af te dalen om hem te bezoeken.
Schaamtevol vraag ik "Hoe is het?".
Probeert hij mij te ontwijken uit schaamte voor zijn toestand?
Afwezig antwoord hij "Het gaat wel"
Maar dan vraagt hij, verontwaardigd en wanhopig; "Wie ben jij!?"
En voor het eerst kijken we elkaar aan.
En ik zie hem, maar ben mijzelf vergeten.
‘Wie ben ik?' Denk ik na.
"Ik,..." Ik kijk om mij heen op zoek naar een aanwijzing, ‘wie ben ik?' en zie mijn gevolg, begeleiders en constateer; Ik heb meer vrijheid om te bewegen, maar hij en ik verschillen niet veel van elkaar! En dan weet ik het.
Met zekere trots, maar ook verbazing! antwoord ik "Ik ben in opleiding voor Ganesh"
Begripvol knikt hij nu, alles wordt ineens duidelijk. We nemen afscheid met een hoofdknik, hij blijft achter en ik ga. Het spijt me voor hem. - ook voor mezelf?-
Droom, februari 2009

