
(Onderstaand blog werd geschreven een paar dagen vóór de aanslag,
woensdag 28 oktober, op het Bekhtar Guesthouse in de wijk
Shar-e-Now, niet ver van mijn guesthouse, Park Palace. Het
Bekhtar werd vooral gebruikt door VN-personeel. Bij de aanslag
kwamen twaalf mensen om, onder wie zes medewerkers van de
Verenigde Naties.)
Een stad onder beleg. Kabul is op alles voorbereid. Betonnen
wallen, zandzakken, afzettingen, prikkeldraad, manschappen van
leger en politie. Na een tijdje valt het niet eens meer op, ze
horen bij het straatbeeld.
Het best beveiligd zijn het ISAF-hoofdkwartier, ambassades, ministeries, het presidentieel paleis. Maar ook kantoren, grote winkels en ngo’s treffen maatregelen tegen mogelijke aanslagen. Controle van tassen, detectiepoortjes en bodychecks zijn routine. Overal zijn particuliere beveiligers met automatische wapens.
Hoe gevaarlijk is Kabul? Er is met enige regelmaat een bomaanslag, waarbij vaak tientallen doden vallen. Begin vorig jaar was er een grote aanslag op het Serena Hotel. Daarbij vielen zes doden, onder wie een Deense journalist. Gebouwen van ISAF en ambassades zijn regelmatig doelwit van aanslagen. De laatste was 2,5 week geleden, bij de Indiase ambassade. Rond de verkiezingen in augustus waren er een paar aanslagen. Met het oog op de tweede ronde in de presidentsverkiezingen op 7 november staat iedereen weer op scherp.
Een ander gevaar is dat van ontvoeringen. Af en toe wordt er een buitenlander gekidnapt. Ik besluit dat de rekenkundige kans dat mij dat lot zal treffen betrekkelijk klein is. Dus loop ik overdag in het centrum gewoon over straat. Niemand die me tegenhoudt. Mensen in dienst van een organisatie hier hebben die vrijheid niet. De Verenigde Naties, ambassades en de grote ngo’s zijn erg streng met hun veiligheidsvoorschriften. Wie daar werkt, ziet vaak niet meer dan huis en kantoor. Naar buiten mag alleen als passagier in een beveiligde auto.
Vorige week sprak ik Grace Ommer, directeur van het Britse Oxfam. Zij woont al vijf jaar in Kabul. ‘Ik ben al een paar jaar niet buiten geweest, behalve in een auto’, zei ze. ‘Zelfs in het straatje bij mijn huis kom ik niet meer.’ Elke dag wandelt ze zestig rondjes om haar tuin.
Mijn hotel, Park Palace in de wijk Shar-e-Now, heeft langs de gevel een rij metalen palen, tegen aanstormende bomauto’s. Wie naar binnen wil passeert een stalen slagboom, een groepje bewapende wachten en twee metalen deuren waarvan er maar één tegelijk open mag. Verder is het er best gezellig; veel ngo- en VN-volk.
Er zijn zeker tien hotels met vooral buitenlandse gasten, plus een reeks kleinere guesthouses. Elf jaar geleden, onder de Taliban, was er maar één. Het Intercontinental Hotel, op een heuvel in het zuidelijk deel van de stad, bestaat nog steeds. Een mooi hotel, ik schat het op vier of vijf sterren. Indertijd hingen er ijspegels uit het plafond van het restaurant, en had bijna de helft van de 257 kamers door het Afghaans oorlogsgeweld geen glas in de ramen. Kabuls enige hotel was uitgestorven, begin februari 1998. Onheilspellend stil was het er, donker en stervenskoud
'Heeft u nog een kamer vrij?', vroeg ik de man achter de balie, maar die deed niet zichtbaar aan ironie. Zwijgend haalde hij no. 112 uit het sleutelkastje. Hoewel er behalve mij geen gasten waren, moest ik naar het eind van een lange, schaars verlichte gang. Kamer 112 had, à 65 dollar per nacht, een schoon bed en bood, vanaf de heuvel, uitzicht op Kabul.
Alle andere luxe was aan de jihad ten prooi gevallen. Geen verwarming, geen warm water, stroom die af en toe uitviel. Vier dagen lang droeg ik een coltrui en winterjas. Buiten was het 's nachts 10 graden onder nul. Binnen ook. Het straalkachteltje verwarmde, als ik de stoel er tegenaan schoof, alleen m'n onderbeen.
De avondklok ging om half negen in in Kabul; dan bleef ik het hotel, in m’n dooie eentje. Avonden heb ik zo gezeten, bij dat straalkacheltje. Aan ‘De tranen der acacia’s’ van W.F. Hermans, het boek dat ik toen uitlas, houd ik een bijzondere herinnering.
Bijna aandoenlijk deed het Intercontinental z'n best een hotel in vol bedrijf te lijken, een hotel van de wereld. ‘Van de eerdere 250 personeelsleden zijn er nog honderd in actieve dienst’, zei de manager. Mufti Hayatollah Haity - woeste baard, zwarte tulband - was een hotelier van het type ‘gelukkig heb ik meer verstand van de sharia’. Hij had zijn opleiding genoten aan een koranschool en wist geen bal van het hotelvak toen hij in oktober 1996 werd aangesteld, vier dagen nadat de Taliban Kabul hadden veroverd.
De mufti kwam aangelopen uit de personeelsmoskee in de kelder, waar de staf onder leiding van Qari Faisal Rabi, hotel-imam, zojuist een van de vijf dagelijkse gebeden had gedaan. 'In ons hotel wordt gewerkt op grond van de sharia', legde hij uit. 'Maar voor buitenlanders zijn de regels niet zo streng.' Verder vroeg hij begrip voor de vele ongemakken, die, als ik op zijn beleidsvoornemens mocht vertrouwen, spoedig verholpen zouden zijn.
Vooralsnog stonden her en der teilen en pannen het lekwater op te vangen. En was van de menukaart bijna niets beschikbaar. Minestronesoep vooraf en keuze uit lamsschnitzel en spaghetti als hoofdgerecht. Van het mangosap, geserveerd in een kartonnetje met rietje, was de houdbaarheidsdatum nog maar twee maanden overschreden.
Aandacht van het bedienend personeel kwam ik niet te kort. Opeens begreep ik hoe mufti Haity zijn personeel aan het werk hield. Er was een man die een straalkacheltje naast de tafel zette. Een man die bord en bestek neerlegde. Een man voor de gerechten. Een man voor het mangosap. Een man die me continu vanaf 3 meter aanstaarde en het lege bord onder de laatste hap vandaan trok. Een man voor de rekening.
Umrad, chef housekeeping, was mijn favoriet. Elke avond kwam hij met een stralende lach op mijn bed zitten, vergezeld van zijn verlegen hulpje Najibullah. Na vijf minuten uitwisselen van ditjes en datjes stapte hij weer op, tevreden zuchtend. Goed gesprek gehad.
Elke avond had Umrad dezelfde mededeling: de toevoer van warm water is helaas niet in orde - maar er wordt aan gewerkt. Elke ochtend om half zeven stonden Umrad en Najibullah weer voor mijn kamerdeur. Vier emmers torsten ze dan, twee met heet water, twee koud. De emmers werden neergezet in de badkamer, waar Umrad ook een kaarsje ontstak, want de stroom was uitgevallen. Dan mengde ik heet en koud water in een plastic bakje en stortte het, terwijl het kaarsje langzaam doofde, gelukzalig over me uit.
Wereldhotel, Intercontinental Kabul.
Groot is het verschil tussen Kabul nu en Kabul eind september 1996, toen de Taliban de stad innamen. Nog groter is het verschil tussen het Kabul van vandaag en de stad die ik anderhalf jaar later aantrof, in februari 1998.
De Taliban hadden inmiddels hun macht bestendigd. Hun laatst overgebleven tegenstanders, de Tadzjiekse mujahedin van commandant Ahmad Shah Massoud, hadden zich verschanst in de Panjsher-vallei.
Armoe was troef in Kabul, nog meer dan anderhalf jaar eerder. Alle economische activiteit die er nog was geweest, was verdwenen. Voor zover de maatschappelijke bovenlaag al niet was gevlucht tijdens de heerschappij van de mujahedin (1992-1996), was ze dat wel onder het middeleeuwse regime van de eenogige mullah Omar.
Dat er in de stad nog een soort van leven mogelijk was, was vooral te danken aan de internationale hulporganisaties. ‘Hulp-infuus houdt uitgemergeld Kabul in leven’, stond boven een van mijn reportages in de Volkskrant.
Aan bestuur hadden de Taliban zelf niets te bieden, daar leken ze ook nauwelijks belangstelling voor te hebben. Ministeries waren nauwelijks bemand; vaak werkten er alleen analfabeten die van toeten noch blazen wisten. Op een doordeweekse middag ging ik op goed geluk naar het Departement tot Bevordering van de Deugd en Bestrijding van de Ondeugd, de religieuze politie. Het ministerie leek verlaten, de voordeur stond gewoon open. Vrees voor diefstal was hier misplaatst: het gebouw was zo kaal als een kalkoen op 24 december.
Ik wandelde door de gangen, liep trappen op, opende deuren: niets en niemand. Ten slotte kwam ik dan toch in een kantoor waar een lange man met een grote zwarte baard en een zwarte tulband achter een bureau zat. Op het bureaublad niet meer dan een pennenstandaard.
De goedlachse man stelde zich voor als Mullah Qalamuddin, hoofd van het Departement tot Bevordering van de Deugd en Bestrijding van de Ondeugd. Elke ochtend om negen uur, zei hij, was hij present op zijn ministerie om zijn jongens te instrueren voordat zij in hun Toyota's, gewapend met luidsprekers en kalasjnikovs, de stad introkken.
Zo nodig – maar dat vertelde Qalamuddin niet ogenblikkelijk – ramden zij er de nieuwe, streng-islamitische leefregels hardhandig in bij de onwillige stedelingen. Aanvankelijk voerden de Toyota's de begintonen van de Lambada als claxon; het had een hele tijd geduurd voor de ordebewaarders beseften dat dit geluid de duivelse vinding muziek betrof.
Zonder dat ik ernaar gevraagd had, begon Qalamuddin te ontkennen dat zijn mannen elektriciteitskabels gebruikten om mensen te slaan. 'Dat wordt beweerd door onze tegenstanders. Het is absoluut niet waar. Wij gebruiken een leren zweep.'
Vooral vrouwen waren het slachtoffer van de wetten en voorschriften van de Taliban. De verplichte boerka, het verbod op werk, het afschaffen van onderwijs voor meisjes. Vooral de vele oorlogsweduwen in de stad hadden het zwaar. Niet alleen hadden zij geen inkomsten, voor de voedseldistributie door hulporganisaties waren zij moeilijk bereikbaar. Catch 22: contact met mannelijke hulpverleners was hun verboden, vrouwelijke Afghaanse hulpverleners zaten gedwongen thuis.
Zelfs bedelen was bijna onmogelijk. Je zag ze wel bij het Herat-restaurant bij het Shar-e-Naw-park, het enige restaurant van enige omvang dat de stad nog telde, de straatarme vrouwen met hun gore, met lappen herstelde boerka’s die uit waren op een aalmoes. Eigenlijk mochten ze geen mannen aanspreken, zeker geen westerlingen. Toch klonk vanonder het textiel schril geweeklaag, dat pas ophield na overhandiging van een biljet van 5000 afghani's – iets meer dan een kwartje.
Vandaag de dag is 5000 afghani’s 100 dollar, en dat is uiteraard niet het enige verschil. Naar normale maatstaven is Kabul een rafelige derdewereldstad. Geasfalteerde (of geplaveide) wegen zijn er weinig, openbaar vervoer is non-existent.
Maar veel is er wel. Restaurants te over, naast Herat, dat nog altijd bestaat. The Grill. Bella Italia. Taverna du Liban. Le Bistro. L’Atmosphere. Mai Thai. Kabul Coffee House. Flower Street Cafe, populaire ontmoetingsplaats van VN’ers, internationaal ngo-volk en journalisten. De omvangrijke expat-gemeenschap heeft een afzonderlijke, internationaal georiënteerde economie in het leven geroepen. Maar er zijn – naast talloze volkse eethuisjes - ook chique Afghaanse restaurants, met voornamelijk Afghaanse klandizie.
Er zijn onvergelijkbaar veel meer en betere winkels dan elf jaar geleden. Enkele aardige supermarkten en een paar behoorlijke winkelcentra. Alleen de roemruchte Chicken Street – Kabuls oudste winkelstraat, verzamelplaats voor volgers van de hippietrail in de jaren zestig en zeventig – lijkt niets veranderd, met zijn bontjassen, leren jacks, sieraden, handnijverheid en vrouwenkleding. Voor de schoondochters koop ik twee boerka’s voor 10 dollar het stuk.
Chicken Street (Foto ANP/AFP)
De Afghanistan International Bank heeft pinautomaten op een handvol plekken; met mijn ING-kaartje kan ik dollars trekken. Er is (nog niet zo heel lang) 24 uur per dag elektriciteit, aangevoerd uit buurland Tadzjikistan.
Een bijna potsierlijk vertoon van nieuwe welvaart zijn de ‘wedding halls’, kolossale, protserige blokken met heel veel blauw glimmend glas, die worden verhuurd voor bruiloften en andere feestelijkheden. 's Avonds vormen ze een kermis van uitbundig flikkerende gekleurde lichtjes. Aan bruiloftsfeesten worden (door de familie van de bruidegom) adembenemende bedragen uitgegeven. Al die hallen zijn, zo krijg ik te horen, gebouwd met drugsgeld dat witgewassen moest worden.
Het summum op dit gebied bevindt zich in het noordwesten van de stad, waar een heleboel wedding halls bij elkaar zijn verrezen. In het midden, op een rotonde, staat een kleine, nogal knullig vormgegeven replica van de Eiffeltoren. Halverwege de toren staat de naam van deze merkwaardige blauwglazen wijk: Shame Paris. Dat is dari voor ‘Avond van Parijs’, wat toch een paar lichtjaren verwijderd lijkt van het Departement tot Bevordering van de Deugd en Bestrijding van de Ondeugd.
O ja, nog iets dat niet veranderd is in elf jaar: bedelende vrouwen bij het Shar-e-Naw-park in smerige boerka’s.
(wordt vervolgd)
Kabul, toen en nu (1)
verkiezingen, afghanistan, karzai, taliban, geschiedenis
Afghanistan is tot stilstand gekomen. Iedereen kijkt uit naar de uitslag van de presidentsverkiezingen die – we schrijven donderdag 15 oktober 23.15 uur lokale tijd, 20.45 uur in Nederland – maar op zich laten wachten. Het schijnt nu een kwestie van uren te zijn. Redt president Hamid Karzai het om, ondanks de groteske fraude, boven de 50 procent van de stemmen te blijven, zodat hij kan blijven regeren? Of moet hij alsnog in een tweede ronde aantreden tegen zijn rivaal Abdullah Abdullah?
Dat ‘tot stilstand komen’ is figuurlijk bedoeld, er is op straat niets van te merken, afgezien van het gebruikelijke verkeersinfarct in de spits in de straten rond Zarnegar Park. Maar op de ministeries schijnt iedereen op het ogenblik de kat uit de boom te kijken – misschien zit er over twee weken wel een nieuwe minister. En van zakenlieden hoor ik het, zoals vanochtend Zarghona Walizada, directeur-eigenaar van een van de grootste transportondernemingen van Afghanistan.
Jawel, Zarghona: vrouw, 38 jaar oud, moeder, weduwe sinds 1997, bestuurslid van de Afghaanse Kamer van Koophandel. Het bestaat allemaal echt, hier in boerkastan. Binnenkort in de Volkskrant meer over deze uitzonderlijke vrouw; voor het moment houden we het bij haar uitspraak dat het zakelijk transport vrijwil is stilgevallen. ‘Iedereen wacht af.’
Zarghona Walizada
Afghanistan beleeft een veelbetekenende fase. De verkiezingen, met de bizarre nasleep ervan. President Obama die nadenkt over een nieuwe aanpak van de opstand. De Taliban die hun ondermijnende activiteiten uitbreiden naar steeds meer delen van het land.
Waar gaat Afghanistan heen? Ik zou het niet weten.
Waar komt Afghanistan vandaan? Dat weet ik dan weer wél, want ik was hier al eerder, ook in de dagen vóór 9/11, toen de Taliban het voor het zeggen hadden.
Vanmiddag gaan mijn gedachten terug naar die tijd, als ik door de wijk Shar-e-Naw loop en hotel International Club passeer. Verhip! Dit ken ik, dit is de oude German Club. Hier logeerde ik in het najaar van 1996. De Taliban waren in het laatste weekend van september de hoofdstad binnengetrokken. Op zaterdag was ik op het vliegtuig gesprongen (ook hier geldt: figuurlijk bedoeld) en de reis, via Peshawar in Pakistan, was zo wonderbaarlijk verlopen dat ik al maandagochtend in Kabul rondliep.
Het was alsof in Kabul een nieuwe jaartelling was begonnen, alleen wist niemand nog wat het nieuwe tijdperk zou brengen. Er waren wel volop verhalen doorgedrongen over de toestand in het Zuiden van het land, waar de Taliban al twee jaar heer en meester waren. Maar wat zou hun bewind betekenen voor de hoofdstad? De mensen wachtten af – ook toen al. In ieder geval brachten de Taliban rust en vrede, na vier jaar waarin onderling strijdende mujahedin de stad kapot hadden gevochten.
De eerste veranderingen tekenen zich al in stoppelvorm af op de
wangen van de mannen. ’s Zondags hadden de Taliban via
Radio Sharia laten weten dat alle vrouwen per meteen een boerka
moesten dragen en dat de mannen zes weken de tijd kregen om een
baard te laten staan. 'Vanochtend heb ik me nog geschoren', zei
Nasret, een beambte op een van de ministeries, terwijl hij zich
over de kin wreef. 'Morgen scheer ik me niet meer. Over een
week zal ik eruitzien als een Talib.'
Talib, meervoud Taliban, betekent ‘religieus student’, maar de boerenkinkels uit het zuiden van Afghanistan hadden hooguit wat Koran-onderricht achter de rug, en de cursus kalasjnikov-voor-beginners.
Ook maandag nog kwamen pick-uptrucks met groepen jonge Taliban - tulband om het hoofd gewikkeld, wapen in de hand - Kabul binnen. Hun verzamelplaats hadden ze voorbij de rotonde die anno 2009 ‘Massoudplein’ heet, naar hun grote vijand Ahmad Shah Massoud, bij de hoofdingang van het presidentieel paleis.
De sfeer was allesbehalve grimmig. Mannen begroetten elkaar lachend met ‘salaam aleikum’ en een dubbele handdruk. Ik liep er gewoon tussendoor en knoopte, via een tolk, praatjes aan met de strijders.
Vandaag de dag – en eigenlijk sinds 9/11 - boezemen ‘de Taliban’ vrees en ontzag in. Voor westerse journalisten is het gevaarlijk en heel moeilijk ze in het wild te ontmoeten, en des te groter is daarom de kick als het lukt. Scoop!
In september 1996 was dat anders. Wij, westerlingen, waren niet in oorlog met de Taliban. De baardmannen waren wantrouwig en vonden alles wat uit het Westen kwam vies en voos, maar westerse journalisten werden niet beschouwd als vertegenwoordigers van de vijand.
Ze waren wat huiverig voor fototoestellen, maar de jonge Taliban spraken opgewekt over de vestiging van een islamitische staat in Afghanistan. 'Wij zorgen voor veiligheid in het land', zei Wakil, een man van 25 uit Ghazni, glimmend van trots. Hij behoorde tot de Taliban van het eerste uur.
Wat de afwezigheid van veiligheid voor Kabul had betekend, zag ik een dag later in het zuidwesten van de stad, in Karte Se (Wijk 3) en Karte Char (Wijk 4), de wijken achter de berg met de televisiemasten die nog steeds mijn voornaamste kompas zijn wanneer ik, ronddolend, mijn plaats in de stad moet bepalen.
Dit deel van Kabul was in de voorgaande vier jaar helemaal, maar dan ook totaal kapot geschoten. Het was een ongelooflijk schouwspel. Alsof een teletijdmachine me had teruggeplaatst naar Dresden aan het eind van de oorlog, na de Britse furie. In de krant van de volgende dag omschreef ik het als ‘Dresden 1945 – maar dan erger’, want naar mijn idee was er op de foto’s van de gebombardeerde Duitse steden hier en daar nog wel een licht gehavend gebouw te zien. In Karte Se en Karte Char was dat niet het geval. Alleen maar brokstukken en halve stukken gevel.
Dit was niet het werk geweest van de Taliban, maar juist van hun tegenstanders, de mujahedin. Nadat zij in 1989 de Russen en in 1992 de communistische Afghaanse regering hadden verjaagd, waren ze tegen elkaar begonnen. Pathanen tegen Tadzjieken tegen Oezbeken tegen Hazara’s tegen andere Pathanen. Vanaf de bergen in en om de stad schoten ze jarenlang lukraak raketten op de wijken waar de rivaliserende groepen zich hadden verschanst. Daarna waren ze huis-tot-huis straatgevechten gaan voeren; die waren nog vernietigender geweest.
Wie iets wil begrijpen van de huidige toestand in Afghanistan, moet dit even goed tot zich laten doordringen. De oorlogsmisdadigers die dit op hun geweten hadden, wier bloeddorst en machtsmisbruik de enige verklaring vormen voor de opkomst van de Taliban in 1994, waren dezelfde warlords die in 2001 met Amerikaanse steun de Taliban verjoegen en de boel weer overnamen in Kabul. Ook in de coalitie die president Karzai nu heeft gesmeed om te kunnen blijven regeren, zijn ze ruimschoots vertegenwoordigd.
Veel inwoners van de stad zijn die geschiedenis niet vergeten. Want niet alleen de gebouwen waren vernield, in september 1996, ook mensenlevens, oud en jong.
Dat kon ik zien in het Indira Gandhi-ziekenhuis, de dinsdag
nadat de Taliban Kabul hadden ingenomen. Verpleegsters en
vrouwelijke artsen waren er niet meer, die hadden sinds drie
dagen een werkverbod. De enige vrouwen hier waren moeders die
als kloeken waakten over hun bedlegerige kinderen. Op
ontstellend vieze zaaltjes lagen ze met z'n tienen op een
rij.
Op de brandwondenafdeling verbleef een slachtoffertje van de zojuist beëindigde oorlog. Abudin, 7 jaar, zat in een spijlenbedje met een zwart geblakerd gezichtje, verbrande benen en weggeschroeide ogen.
Pijn,
vertelde hij, had hij alleen gehad de eerste weken nadat hij
was getroffen door de steekvlam van een raket, drie maanden
terug. De raket was van buiten de stad komen binnenvliegen. Het
gaat nu heel goed met me, glunderde Abudin. Hij had geen pijn
meer. Zijn moeder wapperde de vliegen weg met een doek.
(wordt vervolgd)
Journalistiek voor beginners
kandahar, karzai, afghanistan, verkiezingen, corruptie, journalistiek, vrouwenrechten
Wat ik nu ga vertellen moet absoluut onder ons blijven: een reportage schrijven is eigenlijk heel makkelijk, zeker in een plaats als Kandahar, Zuid-Afghanistan, midden in Talibanstan.
Journalistiek voor beginners, les 1.
Je neemt een pen en een bloknoot. Daarmee ga je naar Rangina Hamidi. Wie dat is weet je niet, maar haar naam en nummer heb je van Najib gekregen, je fixer (= tolk en regelaar) in Kabul. Hij is een kennis van haar en volgens hem is ze een interessante vrouw.
Interviewtechniek heb je voor deze les nog niet nodig. Af en toe een simpele vraag stellen is genoeg, Rangina praat vanzelf wel, en ze spreekt vloeiend Engels, met een Amerikaans accent. Ze groeide op in Virginia (VS), waar haar ouders terechtkwamen nadat ze Afghanistan waren ontvlucht, lang geleden.
Rangina Hamidi
In 2003 kwam Rangina, toen 25 jaar, terug naar Afghanistan, dat ze had verlaten toen ze 3 was. Ze leidt in Kandahar nu een soort coöperatie van gewone volksvrouwen die thuis borduurwerk maken. Rangina zorgt ervoor dat de producten worden verkocht. Ze vertelt allerlei razend interessante dingen over het leven van vrouwen in dit extreem oerconservatieve deel van Afghanistan. Jij schrijft dat op in je bloknoot.
Wat ze allemaal zegt doet er nu niet toe, maar misschien is het toch aardig om even te citeren wat ze vertelde over haar eigen keus om uit het vrije Amerika terug te keren naar het voor vrouwen onvrije zuiden van Afghanistan. ‘Mijn einddoel’, zegt Rangina, ‘is belangrijker dan bepaalde vrijheden.’ Daarom vindt ze het niet erg om geen spijkerbroek meer te kunnen dragen, geen make-up meer te gebruiken, en nooit met onbedekt hoofd over straat te kunnen gaan.
‘Je zou het wél kunnen doen, maar dan moet je accepteren dat er over je gepraat wordt, dat je een slechte vrouw wordt genoemd. Dit is een erg primitieve, cultureel achterlijke samenleving. Ik wil de ‘make-up battle’ niet vechten, want er zijn belangrijker battles te winnen: onderwijs, werk, gelijkwaardigheid in het huwelijk. Sommigen vinden make-up belangrijker. Dat mag, dat is hun keus.’
Tot zover Rangina Hamidi. Enter Abdullah, haar echtgenoot. ‘Enter’ is letterlijk bedoeld, want opeens komt hij Rangina’s kantoor binnen. Abdullah spreekt ook Engels, wil ook graag praten en kent alles en iedereen in Kandahar. Je ziet, je hoeft er niets voor te doen, het is echt heel eenvoudig. Het wordt je gewoon allemaal in de schoot geworpen. Alleen altijd zorgen dat je een extra bloknoot bij hebt, voor als het eerste vol is.
Abdullah heeft het over de Taliban, over de onveiligheid in Kandahar, over nog veel meer. Regelmatig bemoeit Rangina, die er bij is blijven zitten, zich met het gesprek, en dan discussiëren de echtelieden er lekker op los. Jij zit er op de sofa gemakkelijk bij, luistert, schrijft en drinkt rustig je groene thee, die regelmatig wordt bijgeschonken. Af en toe neem je een handje uit de schaal met rozijnen en nootjes.
Centrum van Kandahar
Na verloop van tijd zegt Rangina: ‘Je wilt zeker ook wel met mijn vader praten? Die is burgemeester van Kandahar-stad.’
Onthouden: nooit nee zeggen tegen zo’n aanbod.
Vader Ghulam Haider Hamidi komt om half zes thuis uit zijn werk. Hij gaat naast je op de sofa zitten (nog altijd in hetzelfde kantoor), neemt een handje rozijnen en steekt van wal. Openhartig vertelt de burgemeester over de corruptie bij de overheid. Ook in zijn eigen kantoor komt het voor, zegt hij. Hij heeft vier corrupte ambtenaren ontslagen, maar het is erg moeilijk om goede plaatsvervangers te vinden. Gekwalificeerde mensen zijn schaars in Afghanistan, zeker in het barre, onveilige zuiden van het land. Burgemeester Hamidi laat nog een pot thee aanrukken, waaruit ook jij royaal wordt geserveerd. Dat is misschien wel het moeilijkste van verslaggeving in Afghanistan: al die koppen groene thee die je beleefdheidshalve geacht wordt weg te werken.
De grootste schurk in het relaas van Hamidi is ene Nangialia, hoofd stadsontwikkeling bij de provincie Kandahar. De burgemeester wil in zijn stad graag een scheiding creëren tussen wonen, werken en verkeer, ook om redenen van milieubeheer. Maar Nangialia verziekt de boel, zegt hij.
‘Hij geeft iedereen overal een vergunning voor, als ze hem maar betalen. Dus als ik een woonwijk ergens plan, dan verkoopt Nangialia vergunningen aan mensen die een winkeltje op de stoep willen beginnen, pal tegen de huizen aan. Zo komt er van mijn beleid niets terecht. Het bestemmingsplan van de stad, mijn bestemmingsplan, heeft hij onder in zijn la liggen als was het de heilige koran, en hij is de enige die het kent. Zelfs ik heb het nooit gezien!’
Interessante stof. Je praat er na afloop in je hotel over na met Wasim, je tolk. Somber bevestigt hij dat corruptie de hele Afghaanse samenleving heeft verziekt. Dan komen de anekdotes. Over corruptie in het onderwijs bijvoorbeeld. Ouders van kinderen die de middelbare school hebben afgerond en naar de universiteit willen, moeten daarvoor diep in de buidel tasten. Minstens 1000 dollar, te betalen aan de rector van de universiteit en/of andere functionarissen. ‘Slimme kinderen uit arme gezinnen kunnen in Afghanistan niet studeren’, zegt hij mismoedig.
Je vraagt of hij voor zijn eigen kinderen ook steekpenningen heeft betaald, en jawel. ‘Voor mijn oudste zoon, die studeert. Maar ik kende iemand in de leiding, dus het kostte me maar 150 dollar.’ Hij beschrijft hoe zoiets gaat. ‘Je komt zo’n kantoor binnen, en dan trekt die functionaris zijn bureaulade een stukje open. Er wordt niks gezegd, maar iedereen weet dat je daar je geldbiljetten in moet laten vallen.’ Dat, zegt hij, is in Afghanistan algemeen gebruik: de open lade-methode. .
Dan wens je de tolk goedenacht en gaat slapen, want morgen is het weer vroeg dag. Abdullah, de man van Rangina, heeft zonder dat je daarom had gevraagd, aangeboden een interview te regelen met Wali Karzai, de broer van de Afghaanse president Hamid Karzai. Zoals gezegd: zo’n aanbod altijd aannemen. Wali Karzai is de sterke man van Kandahar en wordt er al jaren van beschuldigd een van de grootste drugsbaronnen van de provincie te zijn.
Wali Karzai (foto's Rob Vreeken)
Om kort te zijn (de 45 minuten zijn alweer bijna om, wat gaat zo’n les toch snel), ook het interview met Wali Karzai gaat vanzelf, meneer orakelt en ouwehoert wel, excusez le mot. En zo gaat het maar door in Kandahar, je rolt van de ene interessante ontmoeting in de andere, zonder dat je er moeite voor hoeft te doen.
Daarna tik je er even een stukje van, je stuurt het op naar de krant, de eindredactie zet er een onjuiste kop boven en klaar is kees. Zo eenvoudig is verslaggeving in Afghanistan.
Dus wat hebben we vandaag geleerd?
1) Altijd genoeg bloknotes bij je hebben.
2) Nooit een kop thee afslaan.
Goed, jongens en meisjes, dat was het voor vandaag. Voor deze keer nog geen huiswerk, maar reken maar dat dat verderop in de cursus wel anders zal worden.
Volgende week les 2: Never let the facts spoil a good story.
Het lijkt wel of men naar ons kijkt
kandahar, taliban, kabul, bomaanslagen, verkiezingen, karzai
Groeten uit
Talibanië.
Ik ben in Kandahar, hoofdstad van de gelijknamige provincie
Kandahar, geboortegrond van de Taliban. ‘In Kandahar staan
Taliban op elke straathoek’, had een van de best ingevoerde
hulpmensen in Kabul gezegd, voordat ik naar Kandahar
afreisde.
Een hele geruststelling.
Hoe onveilig is Kandahar? Erg onveilig, zo krijg ik van iedereen
hier te horen. Op zijn minst erváárt men het hier zo. De stad
leeft al zeker twee jaar in angst. Er zijn veel
‘incidenten’ geweest, de eufemistische verzamelnaam
voor bomexplosies, schietpartijen, zelfmoordaanslagen,
ontvoeringen en wat dies meer zij.
Wat neem ik daarvan met eigen ogen waar? Niets. Kandahar is geen
stad in oorlog. De kogels fluiten niet door de lucht, er hangen
geen rookpluimen boven de daken. Het leven gaat zo te zien zijn
gangetje. Inderdaad staan op elke straathoek mannen met baarden
en tulbanden, maar dat dat allemaal Taliban zijn is hoogst
onwaarschijnlijk. De meeste mannen in Kandahar zien er zo
uit.
De kooplieden staan op de bazaar achter hun meloenen,
auto’s claxonneren zich een weg door het tamelijk dorpse
stadscentrum, kinderen spelen in de fontein op het grote plein,
onder toeziend oog van de presidentskandidaten van wie
foto’s op hoge houten borden hangen. Kandahar is op zijn
heetst deze weken. Naast een moskee hangen mannen lui in het
gras, sommigen doen een onnavolgbaar bordspel. Statistisch gezien
is vier dagen in Kandahar rondbrengen ongetwijfeld minder
levensbedreigend dan vier jaar elke dag een pakje Marlboro roken.

Dagelijks leven in Kandahar: passagiersbussen transporteren auto's op hun dak, kinderen halen water. (foto's Jorge Silva/Reuters)
Maar: het ligt er wel aan wie je bent, wat je doet, en hoe. De
weinige buitenlanders die hier leven (voor de VN of het
Internationale Rode Kruis, in totaal misschien dertig) houden
zich gedeisd. Ze wonen en werken op hun compound. Op de vrije
vrijdag wordt er gelezen en gemaild, hooguit een potje gevoetbald
op de binnenplaats van de VN. Buiten de compound blijven ze
‘low profile’. Hoe langer je hier zit, hoe meer je in
de gaten loopt, hoe groter de kans dat sommige Afghanen snode
plannen met je gaan beramen.
Ik ben maar een passant. Ik zit in een hotel met bewaking bij het
hek (voor wat het waard is), in de huurauto met chauffeur rijden
tolk Wasim en ik naar de plekken waar we een afspraak hebben. Om
toch zo weinig mogelijk op te vallen heb ik een lokaal kostuum
(shalwar kamiz) gekocht, met tulband en al. (Jansen: ‘Ik
heb het gevoel dat men naar ons kijkt.’ Janssen:
‘Sterker nog: het lijkt wel of men naar ons kijkt.’)
Inmiddels ben ik behoorlijk bedreven in het wikkelen van de
tulband, een lap stof van 4,5 meter lengte. Het gaat me beter af
dan het knopen van een stropdas.
Onze verslaggever in
Kandahar-stad,
met shalwar kamiz en tulband
(foto Rob Vreeken)
De stad uitgaan is volstrekt uit den boze, behalve voor de
betrekkelijk veilige rit naar en van het vliegveld, 18 kilometer
buiten de stad. Het vliegveld ligt naast de kolossale ISAF-basis
(waar ook Nederlanders zitten, meer hierover op een volgend
blog). Rondom Kandahar-stad hebben de Taliban min of meer vrij
spel. Erg jammer, journalistiek gezien, dat ik de stemming in de
dorpen niet kan peilen, ik zal het moeten doen met informatie uit
de tweede hand.
Vooral het platteland in het zuiden van Afghanistan zal bepalen
of de verkiezingen donderdag een succes worden. Nou ja, een
succes worden ze sowieso al niet meer, gezien de te verwachten
fraude, intimidatie en lage opkomst. Laten we zeggen: of de
verkiezingen niet op een volslagen ramp uitlopen.
In Kandahar zou de opkomst best eens kunnen meevallen, zegt een
zeer goed geïnformeerde bron. Niet omdat er zoveel kiezers zullen
verschijnen, maar omdat Wali Karzai – een broer van de
president en de lokale ’strongman’ hier in Kandahar
– er wel voor zal zorgen dat de stembussen stiekem zullen
worden volgepropt met biljetten waarop de naam van zijn broer is
aangekruist. Was het daarom dat hij, toen ik hem woensdag
interviewde, een uitslag in de provincie Kandahar van ‘97
tot 98 procent’ voor president Karzai voorspelde?
Op de laatste middag in Kandahar geeft de chauffeur me een
sightseeing tour door de stad, althans de delen waar hij dat
verantwoord vindt. Bij de Kherga Mubarak-moskee maken we een
wandeling door een tuin met speeltoestellen. Jongetjes spuiten
elkaar nat met tuinslangen. Een van hen stopt, als hij mij ziet,
schaterend een spuitende slang tussen zijn benen, als een grote
plassende piemel. Ook dat is Kandahar.
We zien het huis van mullah Omar, de roemruchte leider van de
Taliban. De gigantische compound is nu onderdeel van de
Amerikaanse basis, waar we langs komen, en zo te zien rijden we
nu toch wel een beetje de stad uit. Zeg mannen, wat gebeurt er,
waar gaan we heen? Naar Baba Wali, zeggen ze.
Baba Wali blijkt een heiligdom te zijn aan de noordkant van
Kandahar-stad. Een gebouw met vijf blauwe koepels - vier kleine,
een grote - op een heuvel. Echt een plek voor dagjesmensen. De
tuin is fraai aangelegd, met her en der prieeltjes waar families
van het uitzicht kunnen genieten. Of dat vaak gebeurt weet ik
niet. Het naastgelegen hotel is gesloten, en als Wasim met een
breed armgebaar naar de groene, vruchtbare vallei wijst, zegt
hij: ‘Daar zitten de Taliban.’
De Arghandab-vallei is een van de bolwerken van de Taliban.
Hiervandaan schichten ze de stad in en weer terug. Vanaf de Baba
Wali-heuvel neem ik foto’s van de serene vallei, als een
Napoleon die met een verrekijker het beoogde slagveld
overziet.
En dan wegwezen.
Blij dat ik vrijdag weer terug ben in het veilige Kabul.
Veilig?
De volgende morgen is er een grote
zelfmoordaanslag. Een auto komt tot ontploffing tussen het
hoofdkwartier van ISAF en de Amerikaanse ambassade. Zeven doden,
negentig gewonden. Het gebeurt niet zo vaak dat er in de
hoofdstad zoiets gebeurt.
Wat merk ik zelf van de aanslag? Ook hier is het antwoord: niets.
’s Ochtends ben ik in mijn hotel, lees in de tuin rapporten
door als voorbereiding op twee interviews later op de dag. Om 12
uur het eerste interview, met Thomas Rüttig van het denktankje
Afghanistan Analysts
Network, aan wiens kennis en inzichten ik me gretig
laaf.
Na afloop wandel ik terug richting hotel. Heerlijk weer,
’Summer in the city’ neuriet in m’n hoofd. Even
geld halen. De pinautomaat van de AIB-bank doet het niet.
‘Komt zeker door de bom’, zegt een andere
buitenlander. Bom?? Welke bom? ‘Bij ISAF. Vanochtend om
half acht. Een grote.’
’s Avonds kom ik in Le Bistro toevallig Thomas Rüttig
tegen.
Ik: ‘Zeg Thomas, wist jij al van de aanslag, toen we elkaar
vanmiddag spraken?’ Hij: ‘Jawel.’ Ik:
‘Maar waarom heb je er niets over gezegd?’ Hij:
‘Tsja, af en toe gebeurt dat in Afghanistan. Wat moet je er
verder over zeggen? Een bom is een bom.’
Ze hebben niets meer van haar gehoord
kandahar, voxpop, taliban, vrouwen, vrouwenrechten, karzai, eerwraak
Voxpop in Kandahar. Voxpop is journalistenjargon voor ‘wat de man in de straat ervan vindt’. Wat in dit geval heel letterlijk genomen kan worden, want voor zover hier in de conservatiefste stad van Afghanistan al vrouwen op straat lopen, kun je ze als buitenlandse man maar beter niet zomaar aanspreken. Ze zouden zich een aap schrikken, daar onder hun boerka.
Ik spreek hier in Kandahar wel Afghaanse vrouwen, maar dat is binnen, in een huis of kantoor, en dan op afspraak of na te zijn geïntroduceerd. De enige mensen van het andere geslacht met wie ik in het wild contact heb, zijn de vrouwen die voor winkelcentrum Al Jadeed staan te bedelen, hun metalen bedelschaaltjes schitterend in de felle zon.
De oudere vrouw die ik iets geef, draagt geen boerka (oud en arm, dan kan dat), maar een fel gekleurd tuniek. Haar ogen lichten verheugd op als ze ziet dat ik 200 afghani’s (4 dollar) in het schaaltje leg. Haar dag is goed. Geld speelt geen rol: de Volkskrant betaalt.
Voor de voxpop ga ik het winkelcentrum in, waar alleen mobiele telefoons, software en andere elektronica worden verkocht. De procedure is eenvoudig. Belangstelling tonen voor de koopwaar, via de tolk een praatje beginnen met de winkelier, mezelf introduceren en - indien hij bereid is - een gesprek voeren over de onderwerpen die mijn interesse hebben. In Kandahar, de hoofdstad van de gelijknamige zuidelijke provincie, ligt dat voor de hand: Taliban.
In Kandahar zijn de Taliban in 1994 ontstaan. Dit is hun ‘heartland’, een mooie Engelse term waarvoor geen even mooie vertaling voorhanden is. In 2001 werden ze uiteraard verjaagd, maar ze zijn in het zuiden van Afghanistan volop terug. In de dorpen hebben ze de overhand, hier in de stad is de regering grosso modo de baas. Maar ze zijn er wel degelijk, de mannen van mullah Omar.
Pal naast Kandahar-stad ligt de Arghandab-vallei: volledig in handen van de Taliban. Geregeld zijn er aanslagen in de stad. Sommige wijken zijn no go area, zeker ’s nachts. Met ‘nachtbrieven’ wordt mensen angst aangejaagd.
Arghandab-vallei, Talibangebied, op voorgrond Baba Wali heiligdom
Maar voor mij is daar allemaal niets van te merken. Het leven gaat zo op het oog zijn gangetje in deze tamelijk dorpse provinciehoofdstad. En de voxpop in het winkelcentrum spreekt zich onbeschroomd uit tegen de Taliban. Ze gedragen zich slecht, ze pakken mensen op en mishandelen ze of erger, zegt de ene winkelier na de ander.
Ook de een na de ander zeggen ze volgende week donderdag op president Karzai te zullen stemmen. Karzai is pathaan, net als bijna iedereen hier, en hij komt hier vandaan ‘Hij is popalzai, dat ben ik ook’, verklaart een enkeling zijn electorale voorkeur. Popalzai is een van de vele pathaanse stammen. Doordat er steeds een tolk tussen zit, worden het geen uitvoerige gesprekken. Ik stel een vraag, zij geven antwoord in een of twee zinnen.
Maar bij de winkel World Soft Point, op de eerste etage, is het bingo. Ahmad Shah, verkoper van mobiele telefoons en computergames, spreekt heel goed Engels. Een innemende, goedlachse jongen van 23 die heel graag zijn verhaal vertellen. Zoals over de drie keren dat hij ternauwernood aan de Taliban ontsnapte. Hij had een winkel op de Amerikaanse Laghman-basis in Zabul, een buurprovincie van Kandahar.
Vijf keer was hij gebeld door de Taliban. Ze zeiden: ‘Stop met werken voor de Amerikanen, anders zullen we je vermoorden.’ Ahmad antwoordde: ‘Ik moet mijn familie onderhouden, ik heb het geld nodig.’ Het dreigement bleek niet loos te zijn. Tot drie maal toe werd hij onderweg vanuit Qalat, de hoofdstad van Zabul, aangevallen door Taliban. ‘Ze wisten wie ik was, ze herkenden mijn auto’, zegt hij.
Een keer werd hij gered doordat uit tegenovergestelde richting een Amerikaans konvooi kwam aanrijden, de twee andere keren moest hij het gaspedaal diep intrappen en wegscheuren. Vier kogelgaten heeft zijn auto. Hij stopte met zijn winkel op de Amerikaanse basis – te gevaarlijk. Met hulp van vrienden begon hij een zaak in winkelcentrum Al Jadeed. Twee van zijn broers staan ook in de zaak.
Ahmad Shah (midden) met zijn
broers Jabar (rechts) en
Akbar (links) in Al Jadeed winkelcentrum in Kandahar
(foto's Rob Vreeken)
De waar voor zijn winkel koopt Ahmad Shah in China. In juli was hij daar voor het eerst. Dongwan, Shinzan, een geweldige belevenis. Op zijn laptop laat hij foto’s zien van China, en van het afscheidsfeestje dat hij gaf voor de Chinese vrienden die hij inmiddels had gemaakt. Jongens met blikjes bier en ongelooflijk veel lol. Op 1 augustus kwam hij thuis, gelukzalig en vol van indrukken.
En toen… Nee, niet en toen. Eigenlijk is dit verhaal verkeerd verteld, althans de chronologie was anders. Toen ik Ahmad aansprak, toen bleek dat hij graag wilde praten, begon hij helemaal niet over de Taliban en over zijn dodenritten. Hij stak meteen van wal met het volgende. ‘Het is hier erg, erg gevaarlijk. Een maand geleden zijn we mijn zus kwijtgeraakt. Latifa, 14 jaar. Ze zijn het huis binnengedrongen en hebben haar meegenomen, ze was alleen thuis. Wie het waren weten we niet, we hebben niets meer van haar gehoord. Ik was in China geweest, ik wist van niets, toen ik thuis kwam hoorde ik het.'
‘Naar de politie zijn we niet gegaan, dat kan niet. De mensen mogen er niets van weten. In de islam is het te schaamtevol. Als mensen te horen krijgen dat mijn zusje is weggeweest, zal er over ons gepraat worden, dan hebben we geen leven meer. ‘Waarom hebben ze niet beter op hun dochter gepast?’, zullen ze zeggen. Mijn moeder huilt dag en nacht. Mijn zus is nu 37 dagen weg. Als we haar over een maand niet hebben gevonden, gaan we met de hele familie weg uit Afghanistan. Het is te schaamtevol.’
Buiten praat ik erover na met Wasim, mijn tolk. Ja, zo gaat dat in Afghanistan, zegt hij. ‘Het is te beschamend. Zelfs als een dochter één nacht niet thuis is, zal de familie haar niet meer accepteren.’ Ook als ze is ontvoerd? ‘Dat maakt niet uit.’
Maar ‘niet accepteren’, wat betekent dat? Wat doen ze met haar? ‘De meeste families zullen haar doodmaken.’ Ja, zo gaat dat nu eenmaal in Afghanistan.
Een bijzonder joch, en dat was het. We reden van Bamyan-Stad naar Kabul, een helse rit van 12 uur over hobbelige, onverharde wegen door de bergachtige provincie Bamyan, centraal Afghanistan. Asfalt kent Bamyan niet, evenmin als van overheidswege verstrekte elektriciteit, voldoende banen, afdoende gezondheidszorg, nou ja, van alles niet. Armoe troef.
Regelmatig passeerden we jongetjes (soms meisjes) die lopend door het zand op weg waren naar school, rugzakje om. Zo veel mogelijk gaven we ze een lift, want het waren lange wandelingen die de kinderen moesten maken. Een uur, anderhalf uur, twee uur soms. Twee uur heen, twee uur terug, en dat elke dag.
De weg van Bamyan naar Kabul
Ergens halverwege stapte een ernstig kijkend jongetje in dat, op de simpele vraag hoe hij heette, meteen het volgende verhaal afstak, in één ruk en op een toon alsof hij de padvindersgelofte declameerde.
‘Ik heet Mohammed. Ik ben 12 jaar en ik zit in de derde klas. Eerst zat ik niet op school, ik werkte bij mijn vader op het land. Maar opeens dacht ik: straks blijf ik mijn hele leven schapenhoeder, voor een klein beetje geld, ik moet naar school. Mijn vader vond het onzin. Hij zei: wie moet me dan helpen met het vee, op het land? Maar ik wilde per se naar school. Ik zei tegen hem: straks word ik net als jij, analfabeet, dat wil ik niet. Toen spraken we af dat ik hem na schooltijd zou helpen met hout sprokkelen en zo. Toen vond hij het goed. Nu ben ik de beste van mijn klas. Ik heb alleen geen geld voor schriften.’
Aldus Mohammed, 12 jaar, woonachtig in een bergdorpje ergens in het midden van Afghanistan. Hij deed er verder vooral het zwijgen toe, met de kin op zijn rugzak rustend ingeklemd tussen twee grote mannen op de achterbank. Opeens zei hij: ‘Hier moet ik eruit’, en holde een bergpad in op zijn plastic slippers.
Het had natuurlijk iets moois en hoopgevend, zo’n joch dat vastbesloten is meer uit het leven te halen dan wat het lot voor hem in petto dreigt te hebben, maar de wonderlijke scène was ook een treurig lichtbeeld bij de Afghaanse werkelijkheid: die van armoede, kinderarbeid, gebrekkig onderwijs. En een overheid die er niet eens in slaagt een fatsoenlijke weg naar de provinciehoofdstad aan te leggen. Een weg waarover een bus zou kunnen rijden die kinderen naar hun school brengt.
Het is een werkelijkheid die elke Afghaan iedere dag ervaart, elk op zijn of haar manier. Wat dat betekent voor de presidentsverkiezingen van 20 augustus is nog niet zo eenvoudig te doorgronden. De man die aan het hoofd staat van die falende overheid, president Hamid Karzai, maakt grote kans te worden herkozen. Onder zijn bewind is in Afghanistan onmiskenbaar iets bereikt, met ruime financiële steun van het buitenland, maar vaak was er was ook stagnatie of zelfs achteruitgang, vooral wat betreft de veiligheid.
Een interessante opmerking daarover hoorde ik vanochtend toen ik met een paar Afghaanse mannen aan de thee zat in een winkeltje in Said Khil, een dorp in de provincie Parwan. Shujaudin, een gepensioneerde arts van 60, zei: ‘Er zijn heus dingen verbeterd. Maar als je het afmeet aan de enorme bedragen die uit het buitenland komen, dan gebeurt er helemaal niets.’
Hij nam een diepe haal van zijn sigaret, die hij rookte op de manier waarop ik in een ver verleden mijn joints: zuigend aan een door duim en wijsvinger gevormd gat, sigaret rechtop tussen wijs- en middelvinger. ‘Op radio en tv horen we steeds weer dat dit land zoveel miljoen heeft gegeven, dat land zoveel miljoen. Waar blijft al dat geld? Wij zien er niets van.’
De gepensioneerde arts Shujaudin (rechts), samen met
het dorpshoofd van Said Khil (midden) en een
verkiezingskandidaat voor de shura, de provinciale raad
(foto's Rob Vreeken)
Daar kon ik me iets bij voorstellen. De westerse landen steken bij elke nieuwe donorconferentie de borst pront vooruit omdat ze zo royaal zijn geweest voor Afghanistan. Zoals gewoonlijk wordt de hulpvaardigheid voor het oog nog opgeschroefd door bestaande en nieuwe donaties, multilaterale en bilaterale toezeggingen en restposten handig bij elkaar op te tellen. Maar de Afghanen leven niet op een andere planeet - zij krijgen die bedragen ook te horen. Met het door Shujaudin verwoorde resultaat.
Shujaudin zei ook nog: ‘Laten de buitenlandse troepen alsjeblieft wegblijven uit Parwan. Nu is het hier nog vreedzaam. Zodra de buitenlandse militairen komen, is dat over. Niet door henzelf, maar door de vijanden die ze aantrekken.’ Ook dat was geen onzin, het is precies wat in het zuiden van Afghanistan is gebeurd: militair geweld creëert nieuw geweld. Zo heeft de internationale betrokkenheid bij Afghanistan allerlei ongewenste neveneffecten.
Bovenstaande is zeker geen pleidooi om aan de militaire ISAF-operatie en de hulp voor de wederopbouw aan Afghanistan een eind te maken. Maar een interessant gesprek was het wel, daar in Said Khil.
Geen geruchten en roddels uit Afghanistan
onafhankelijke verkiezingscommissie, ïnterview, presidentskandidaten
Mijn allereerste interview al meteen mislukt. Dat voorspelt weinig goeds voor mijn verslaggeving, de komende twee weken, van de verkiezingen in Afghanistan en de voorbereidingen daarop.
Donderdag 20 augustus kiezen de Afghanen een nieuwe president, en mogelijk tegelijkertijd een oude president: het zittende staatshoofd, Hamid Karzai, heeft grote kans te worden herkozen. Karzai moet het opnemen tegen maar liefst 37 tegenstanders. In veel takken van sport geldt 1 tegen 37 als oneerlijk, maar niet in de Afghaanse politiek. Het speelt Karzai alleen maar in de kaart dat het veld zo versnipperd is.
Mullah Abdul Salaam Rocketi is een van de presidentskandidaten. De sfeer woensdagmiddag in zijn hoofdkwartier, tegenover de befaamde gele silo in Kabul, wekt niet de indruk dat zijn campagne als een trein loopt. Hoewel ook Rocketi ‘change’ belooft, moet het zenuwcentrum van Barack Obama’s staf er twee weken voor de Amerikaanse verkiezingen dynamischer hebben uitgezien.
Hier in Kabul tref ik een geheel verlaten binnenplaats aan. Op een verhoging liggen grote tapijten uitgerold die plaats bieden aan grote aantallen mannen (Afghaanse vrouwen zitten nooit buiten op tapijten), alleen maakt op dit moment niemand daar gebruik van. Na een paar minuten komt een man met een woeste baard en een tulband naar buiten. De kandidaat? Die heeft immers een woeste baard en een tulband.
Nee, het is Mujib ul-Rahman Rahmani, een van zijn assistenten. De kandidaat is net vertrokken, zegt hij, maar hij zal zo wel terug komen. Hm, we hadden anders wel een afspraak om 4 uur, maar zonder mopperen neem ik het in Afghanistan onvermijdelijke glas groene thee aan. Naast de theepot wordt een schaal met gele zuurtjes gezet.
En dan begint het wachten op de kandidaat, over wie – nu we toch op hem zitten te wachten – alvast wel meegedeeld kan worden dat zijn echte naam Mullah Abdul Salaam is. Het ‘Rocketi’ is een bijnaam, die de vroeger mujahedinstrijder te danken heeft aan zijn bedrevenheid aan het afvuren van raketten op Russen (en later op andere mujahedin). Een schilderachtige figuur, deze man. Na de mujahedin sloot hij zich aan bij de Taliban, die hem het bevel gaven over de provincie Nangarhar.
Heeft Rocketi spijt van zijn Talibanverleden? Dat is een van de dingen die ik hem zou willen vragen. En hoeveel kans heeft hij de presidentsverkiezingen te winnen? Heel veel, zegt zijn assistent Rahmani stellig: ‘Als hij op 20 augustus niet wint, betekent dat dat er fraude is gepleegd.’ Alle ándere verkiezingswaarnemers in Afghanistan denken daar echter volstrekt anders over. Rocketi wordt geen enkele kans toegedicht op een serieuze plaats in de kopgroep.
Zou Azizullah Ludin, het hoofd van de Onafhankelijke Verkiezingscommissie (IEC), die de verkiezingen organiseert en toeziet op een correct verloop ervan, mede aan Rocketi hebben gedacht toen hij op 13 juli stelde dat er onder de kandidaten lieden zijn die ‘elk mens ogenblikkelijk bij een psychiatrische inrichting zou afleveren’? Merkwaardige uitspraak voor de neutrale voorzitter van de neutrale IEC.
Zelf zou ik het niet durven opschrijven over de man op wie ik – vier koppen groene thee verder – al ruim een uur zit te wachten. Vooral niet omdat ik vanochtend op bevel van Ludins eigen verkiezingscommissie een ‘gedragscode voor de media’ heb moeten ondertekenen, waarin ik beloof dat ik ‘ervan zal afzien scandaleuze of beledigende verslagen te publiceren over de persoonlijkheid of het gedrag van een kandidaat, die de uitslag van de verkiezingen kunnen beïnvloeden’. Ook mag ik geen ‘partijdige verslagen’ publiceren, en ben ik verplicht ‘alleen de officiële aantallen en informatie te gebruiken en af te zien van het publiceren van geruchten en roddels’. Wat de essentie van de journalistiek is, is kennelijk niet tot de IEC doorgedrongen!
Als na de theepot ook de schaal met gele zuurtjes leeg is en de kandidaat nog steeds in geen velden of wegen is te bekennen, besluit ik mijn scandaleuze interview met Mullah Abdul Salaam Rocketi uit te stellen tot een nader te bepalen tijdstip. Van Mujib ul-Rahman Rahmani neem ik met een welgemeend ‘goeda hafez’ afscheid.


