Zadel de Trojans, verzamel de Worms.
De strijd gaat aan voor Web en Vaderland
en als we moede zijn gestreden
en de vijand is niet meer;
downloaden we de nieuwste films,
en drinken we Mede uit de schedel
van het verslagen Brein.
Mount the Trojans, gather the Worms
The battle is on for Web and Crown
en when we all got weary
and no enemy has left
we’ll download the latest films
and we’ll drink Mead from the skull
of the defeated Brain*.
(* the Dutch organization which is harassing the Dutch downloader’s and download sites is called BREIN; which translated in English means BRAIN.)
Gisteren heeft een tragedie plaatsgevonden.
Jetta (de witte kip links) is verdronken in de vijver.
Haar mooie verschijning wordt herdacht,
haar koddige onnozelheid gekoesterd.
God zit in de hemel en is alles zat
in het oude testament was alles lekker duidelijk
oog om oog en dat soort zaken.
Maar tegenwoordig? Alles kommer en kwel
God hoort hoe een priester een jongen bedreigd
met hel en verdoemenis. Hij ranselt de knaap
met een zware riem. In een opwelling vaagt hij
de priester weg. Hij geneest de jongen.
Na even denken verdwijnt ook de jongen
van het aardse. Dan alle mannen. Even aarzelt God,
hij mag altijd graag naar de vrouwtjes kijken.
Nee weg er mee, met heel de zooi.
God gaat rechtop zitten, en gaat nu pas goed aan de slag.
Honden, katten, kippen; weg. Alle dieren, vort weg er mee.
Zeeën, bergen, sneeuw en ijs. Kunnen gaan.
Hij lacht en wrijft zijn handen.
Weg moeder aarde, weg zonnestelsel.
Heelal ook niet meer nodig nu.
God kijkt om zich heen. Dan kan het licht ook wel uit.
Hij trekt boven zijn hoofd aan het touwtje van het licht.
In het donker zit God op zijn krukje.
Hij staat op, doet zijn broek los en piest in het zwarte niets.
Als hij klaar is denkt God:
Wat zal ik nu eens gaan doen.
Er is een nieuwe winkel geopend in de buurt
en zoals gewoonlijk wil deze het beschermingsgeld niet
betalen.
Fredo zucht, dat is altijd het nadeel van een nieuwe
eigenaar.
Nieuwe bewoners en uitbaters moeten altijd overtuigd
worden van het nut van beschermingsgeld.
Fredo gniffelt bij zichzelf, het nut voor de winkelier
is natuurlijk ook beperkt. Het enige voordeel is dat
je winkel heel blijft. Hij ziet het altijd als een soort
belasting, hij is de inner, de ontvanger en het kantoor.
Hij trommelt wat helpers op.
Als Fredo met drie medewerkers de nieuwe winkel
binnenstapt valt hem de rust en de evenwichtigheid
op van de nieuwe zaak. "Heren, wat kan ik voor u doen",
de nieuwe eigenaar komt de winkel in. Een potige man,
met krulhaar en een vrolijk gezicht, de ogen zijn heel
anders.
"Wij komen u welkom heten en we komen de kwestie
bespreken van de achterstallige betaling", Fredo lacht.
De winkelier lacht ook, "Ik zie geen probleem, er is
namelijk geen openstaande vordering". Fredo’s gezicht
verstrakt. Is die man nu zo naief?
"Omdat u niet meewerkt is de vordering net verhoogd,
het is nu driehonderd euro voor deze week.
Wij komen het morgen innen". De lach wijkt niet
van het gezicht van de eigenaar. Het lijkt alleen of
er iets begint te gloeien in zijn ogen, "Aha" zegt hij
alleen.
De volgende morgen vroeg. Fredo en zijn trawanten komen
de straat in lopen van de nieuwe winkel. Net op dat moment
stapt de nieuwe eigenaar de straat op en gaat midden
op de weg staan. De armen over elkaar. Als ze bij de man
zijn valt het Fredo op dat de man verontrustend lichte ogen
heeft.
"Heeft u het geld bij u". De man zegt niets.
"Ga het geld pakken uit de kassa". Fredo praat in de
ruimte.
Een van de mannen loopt de winkel in, althans dat wil hij.
Hij maakt de deur open maar het lukt hem niet om de
winkel in te gaan. Ineens is Fredo bezorgd.
"Ik betaal u niet" zegt de eigenaar alleen. De mannen
sluiten hem in. De afperser die achter de rug van de
winkelier staat steekt zijn hand in zijn zak. "Als ik ook
maar een glimp van die knuppel zie hebben jullie
een sterk verhaal te vertellen."
De body-guard luistert niet. De winkelier beweegt zich
zo snel dat het nauwelijks is te volgen. Spierbundel
valt op straat, de knuppel ernaast. Fredo’s mond valt
open, hoe wist die man dat hij een knuppel in zijn zak
had en hoe kon hij weten dat Al hem wilde gebruiken.
De man beweegt nog steeds zo snel dat hij wazig lijkt
inmiddels liggen alle dommekrachten op de grond.
Fredo voelt een hand om zijn hals. Moeiteloos tilt
de winkelier Fredo van de grond, met een hand.
"Je weet niet met wie je te maken hebt."
Beelden overstromen zijn brein. Beelden van hemzelf,
dat hij mensen afperst, mishandelt, verkracht.
Dan verschuift het, hij voelt de haat die de buurt heeft,
de angst. Het is als een hete priem die in zijn schedel
wordt gestoken. Weer verschuift het beeld.
Andere taferelen in zijn hoofd, het is Fredo duidelijk
dat hij een blik werpt op het hiernamaals. Maar niet de
hemel. Gruwel zo erg dat zijn hoofd het niet kan
bevatten. "Wil je daar naartoe?" vraagt de winkelbaas.
Fredo voelt de waanzin als een tsunami op hem af stormen.
Een muur van vloeibaar zwart rukt op. Op het schuim
van de golf rijden duivelse figuren mee. Als de waanzin
torenhoog boven hem uit steekt en de golf dreigt
om te slaan laat de winkelier los. Piepend zakt Fredo
op het asfalt ineen om de foetushouding aan te nemen.
Zijn paarse gezicht krijgt weer een betere kleur.
De winkelman trekt Fredo onder zijn oksel omhoog
en zet hem op zijn voeten. Lachend klopt hij het jasje
af van Fredo. "Het zou goed zijn als jullie je vanaf nu
met constructieve zaken bezighouden".
Die lach in combinatie met die helse ogen. Fredo knikt.
bundel: aux yeux clairs
De dronkaard spoelt de laatste slok
jenever door zijn mond. De warmte,
de pijn trekt door zijn slokdarm.
Met onvaste hand plaatst hij de groene
fles tussen zijn benen. Hij neemt geen
nota van het mooie weer. Zijn enige
zorg is waar het geld vandaan te halen
voor de volgende fles.
éen dimensionaal leven
Half doezelend, verdroomt hij.
Hij is terug in de tijd van het grote verdienen.
Van de vele vloeibare lunches. Van de gewillige
secretaresses. Van zijn vrouw die hem op straat
smeet toen de raad van commissarissen hem
aan de kant zette. Een opzetje van zijn vrouw
zo bleek later. Zijn oprotbonus heeft ie tot de
laatste cent opgezopen. Zijn vrouw heeft het huis
En een heel legertje jonge gewillige boys om
zich heen. Hij had haar eens begluurd, ze liet zich
door vier mooie jongens tegelijk “bewerken”.
Zijn voormalige bedrijf is inmiddels failliet
ze hebben nooit geweten hoe groot de inbreng
was die hij had op zijn bedrijf. Hij grinnikt.
Wankelend en moeizaam komt hij overeind
van het bankje langs de waterkant. Achter hem
razen de auto’s langs. Ineens valt zijn oog op
iets bruins, bruin leer, glimmend, gevouwen.
Dat lijkt wel een portemonnee, hij zet moeizaam
een stap en bukt zich om het ding op te rapen.
Achter hem klinkt een harde klap; een auto
scheert rakelings over hem heen het water in.
Als hij niet net had gebukt om die portemonnee
op te rapen. Het is een portefeuille. Dik. Hij steekt
hem in de binnenzak van de nu sjofele Burberry
die hij nog steeds draagt. Zijn aandacht getrokken
door de auto die blubberend steeds dieper
in het water komt te liggen, hij ziet beweging achter
het glas. Dan verdwijnt de auto onder water. Hij pakt
een scherp stuk basalt dat langs de dijk ligt.
En stapt het water in. Ondanks het mooie weer is
het water ijskoud. Hij loopt, zwemt naar de plek
waar de bellen omhoog komen. Hij haalt adem en
duikt naar de auto. De auto ligt op zijn kant, hij ziet
handen tegen het glas slaan. Met het stuk basalt
slaat hij de zijruit aan diggelen. Een scherpe pijn flitst
door zijn hand. Hij laat de steen los en trekt een dame
aan haar handen door het raam.
Als ze aan de wateroppervlakte zijn vraagt hij of ze
alleen in de auto zat. De vrouw knikt. Langs de kant
staat een jonge man met krullend haar. Als ze bij de
kant zijn helpt de jonge man eerst haar aan de kant.
Hij voelt zijn krachten weglekken. Ineens voelt hij
hoe hij op de kant wordt gesjord, hij kijkt in twee heldere
opvallend lichte ogen. De ogen lachen, maar even
is er een groenige gloed in te zien, als bij katteogen.
Met veel misbaar stopt er een ambulance, twee
geel-groene snuiters stappen uit en ontfermen zich
over de druipende dame. “Gaat het met je hand” vraagt
de man met de lichte ogen. “Huh?” Verward kijkt hij
naar zijn hand; een wondje op de rug van zijn hand.
Een gapend gat in de palm. Het was echt een scherpe
steen. De krullebol pakt zijn hand, “heb jij mijn
portefeuille gevonden”. Met een spijtig gezicht knikt hij.
back to front
“Luister,” zegt de man, zijn ogen lichten weer op,
“je mag mijn knip houden, maar gebruik hem goed.
Je zou nog een week of twee hebben gehad. Je lever
en slokdarm. Dit is je laatste kans. Verknoei het niet”.
Als de man zijn hand loslaat is de afgrijselijke wond weg.
Ook voelt zijn lijf veel beter. “Eén borrel en het wordt
weer zoals het was” met een vlammende knipoog loopt
hij weg.
Een van de ambulance broeders stapt op de natte man af.
“Hoe gaat het met onze held?”
bundel: aux yeux clairs
“Nee” gilt het meisje, het hondje dat
op haar schoot zat; springt op de grond
en rent de straat op. Blaffend.
Aan de overkant staat een kat met een
hoge rug en een dikke staart.
Als de kat ziet dat de hond er aan komt
schiet ze er vandoor.
Het meisje gilt. Voor haar ogen wordt
het hondje overreden door een auto.
De auto rijdt door, heeft het misschien
niet eens gemerkt.
Wanhopig probeert het meisje zich
uit haar rolstoel overeind te werken.
Boos op haar wrakke lijf.
Het hondje leeft nog, het achterlijf
geplet tegen de klinkers. Een haveloze man
komt aanlopen, overziet de situatie.
Hij stapt op het hondje af.
Voorzichtig, o zo voorzichtig
raapt de man het hondje op en
brengt het naar het snikkende meisje.
Hij legt het op haar schoot en
pakt het bij het bij de kop,
met de andere hand aait hij het beestje.
Het meisje ziet dat hij hele lichte ogen heeft.
Pulserend haast. Na een tijdje begint het
hondje haar handen te likken. Dan gaat
het iets verliggen en likt de handen van de man.
Ineens komt het overeind en krabt het zich.
“Ik denk dat het allemaal wel mee valt. Dag meisje.
Dag hondje”. De sloeber loopt weg.
Maar het viel niet mee, denk ze. Toch?
De volgende dag wordt het meisje wakker.
Ineens beseft ze dat er iets is veranderd.
In haar lijf. Ze voelt de lakens op haar tenen.
Haar linkervoet jeukt.
Ze probeert haar voeten te bewegen. Dat lukt niet.
Maar wel gevoel. En haar benen tintelen.
Het hondje komt haar kamer binnen en
springt op haar bed. Ze probeert nogeens
met haar tenen te wiebelen.
Het laken beweegt.
bundel: aux yeux clairs
De jaren sleepten zich voort
voor de dame. Slachtoffer
van dominante en later hulpbehoevende
ouders. Geestelijke chantage en terreur.
Ze staat bij hun graf.
Ze zijn binnen een maand beiden overleden.
Eindelijk.
Ze schaamt zich voor dat gevoel,
maar het is de waarheid.
Ze recht haar rug en neemt zich voor om
niet meer naar het graf te gaan.
Een sobere verschijning, nog steeds knap
om te zien, maar met een ernstige uitdrukking
op haar gezicht. Ze denkt aan haar geliefde.
Een vrouw.
Haar ouders vonden dit onverdraaglijk
en hebben haar liefde, haar minnares,
haar erotiek verguisd.
En zij heeft het laten gebeuren.
Maar zij kon als jonge meid niet op
tegen de verwijtende blikken, de druk.
Uiteindelijk was ze murw en bestond
haar leven slechts uit inschikken.
Ze besluit te lopen van de begraafplaats
naar haar huis. Als ze door de Dorpsstraat loopt
stopt er een taxi naast haar. Er stapt een jonge
chauffeur uit. Knappe man, krulhaar,
leuk vrolijk gezicht.
“Ik heb het verzoek gekregen u naar een
afspraak te brengen”. Verbaasd kijkt ze hem aan.
Hij heeft lichte, haast doorschijnende ogen.
Ze wordt meegesleurd in die ogen, het is haar
overduidelijk dat de man geen kwaad in de zin heeft
en dat het belangrijk is.
Ze knikt en stapt in.
Tot haar verbazing rijden ze terug naar de begraafplaats
vlak bij de ingang staat een bekende verschijning te wachten.
“Sophie” roept ze. Sophie steekt haar handen uit,
ze pakt ze vast. Wat is ze nog jong.
De zon breekt door
in haar hoofd, haar ziel.
De last van jaren valt van haar af.
“Kom” zegt Sophie.
“Ja” zucht ze.
bundel: aux yeux clairs
ik dool over de aarde
ik ben overal en nergens
in mijn hoofd zijn beelden
van onrecht, van goedheid
ik zie hoe mensen zijn
wat hun mogelijkheden zijn
hun zwakke plekken,
hun sterke punten
ik ben de rechter
de spelbreker
de beloner
de veranderaar
de beul
de hersteller
de manipulator
ik ben volwassen
en kind
ik ben streng
en mild
ik ben wijs
en impulsief
ik oordeel niet
maar
veroordeel wel
ik heb lief
ik haat
ik bemin
ik ben oud
zo oud als de wereld
bundel: aux yeux clairs
De jonge dokter is ouder geworden en rijker
met een verlopende praktijk, maar met een
gestaag toenemend aandelenpakket.
Door verstandig beleggen heeft hij zijn royaal
belegde boterham uitvergroot tot een
overdrachtelijke “belegde broodjeszaak”
Hij is in het stadium gekomen dat hij zijn patiënten
ziet als een grote schare van zeurkousen die hem
van de zin van het bestaan afhouden.
Aandelen. Opties, termijnhandel, rijkdom vergroten.
Tot nu toe is het lot hem uitzonderlijk goed
gezind geweest. Tot nu toe.
Omdat hij zijn hoofd moeilijk bij zijn werk kan
houden heeft hij al aantal fouten gemaakt.
Nog niets ernstigs. Gisteren kwam zijn vrouw met het
verhaal dat het gonst in het dorp. Hij snapt niet
waarom, vergissen is toch immers menselijk.
Hij haalt er de schouders over op.
Hij drukt op de knop, hij hoort het belletje gaan
in de wachtkamer. Een jong stel komt binnen,
beiden armetierig gekleed, hij zucht geërgerd
en keurt ze nauwelijks een blik waardig.
"Waar komt u voor", ondertussen plaatst hij een
bestens kooporder voor 3000 aandelen.
De jonge man hakkelt, totaal van zijn stuk gebracht.
Over rugklachten bij zijn vrouw. Zijn vrouw gebaart
naar hem. "Kan ze zelf niet spreken" sniert de dokter.
"Ze is doof, ze spreekt niet goed"; praat gebarentaal
met zijn vrouw. Hij kijkt naar de bezige dokter.
Zijn ogen lichten als sterren in zijn hoofd.
De dokter drukt ongeduldig op de F5 knop,
opeens schiet zijn hoofd naar voren, de kooporder
is gegaan voor een bedrag dat tien keer zo hoog
is als de koers van een halfuurtje geleden.
Met een kleur staat de dokter op, hij begint het
jonge stel de spreekkamer uit te duwen.
"Luister, ik heb een noodgeval, komt u later
maar terug". De ogen van de jonge man fonkelen
zijn haar lijkt te knetteren. De dokter ziet het niet
en duwt de deur achter hen dicht. De jonge man
pakt zijn vrouw bij de hand, druk gebarend loopt
hij weg. De dokter ziet ze gaan als ze buiten lopen.
Hij ziet nu pas dat ze zwanger is, even schaamt
hij zich. Dan buigt hij zich over zijn computer.
Even later is hij ze vergeten, evenals de patiënten
die nog in de wachtkamer zitten te wachten.
-
's Nachts droomt hij van de man, hij ziet zijn lichtgevende
ogen, het haar als vlammen om zijn hoofd.
Dan verschuift het beeld, hij ziet het mooie haveloze
vrouwtje in een verloskamer liggen. Ze is dood, de
jonge man staat er verslagen bij. Dan heft hij zijn hoofd op
en kijkt hij de dokter recht aan. Hij maakt gebaren naar hem.
Zijn handen beginnen te vlammen, de gebaren etsen zich in
zijn hoofd, zijn ziel. Hij begrijpt de strekking, de dreiging van de gebaren.
"Dit is de toekomst. Verander. Laat dit niet haar afloop zijn."
Maanden later, de dokter loopt over straat. Mensen groeten hem
Het jonge stel komt aanlopen achter een kinderwagen.
De vrouw lacht verrukt en straalt als ze in de kinderwagen kijkt.
Hij schudt beiden de handen, de jonge man met de uitzonderlijk lichte ogen.
"Bedankt" zegt de dokter.
De jonge man knikt "Ook bedankt, u was net op tijd".
bundel: aux yeux clairs
Felicia loopt zich zorgen te maken
nu is dat op zich niets nieuws,
dat doet ze voortdurend. Niet over geld,
dat hebben ze voldoende, genoeg voor
de noodzakelijke dingen van het leven.
Er is een nieuwe gemeente beambte
aangesteld, die zich het speciale doel
opgelegd lijkt te hebben om Felicia
en haar gezin het leven zuur te maken.
Felicia’s leven is een opvanghuis.
De erfenis van wijlen haar vader bestaat
uit een enorm huis en een grote som
geld. Toen ze het huis ging bekijken
zat er een klein meisje op de veranda.
Een heel jong zwerfstertje.
Toen ze het huis betrok, is het meisje
gebleven. Daarna is er een enorme creoolse
vrouw aan komen waaien, ook gebleven.
Inmiddels zijn er twintig kinderen,
een zwerver als kok en een klusjesman.
De kinderschare wisselt, in aantal,
in gemiddelde leeftijd, in verhouding
tussen jongens en meisjes. Sommigen
trekken verder, er zijn een aantal stellen
ontstaan die zelf een gezin hebben gevormd.
Die gemeentebeambte dreigt nu met
onteigening omdat zij volgens hem een
monumentaal pand uitwoont. Hij is al
doende het op de monumentenlijst te laten
plaatsen. Na een hoop gezeur om vergunningen.
Jammer, het is een knappe man; dat is het
enige gemis in haar leven, iemand om
mee te leven, om te vrijen, ruziën, lief en leed
te delen. Is er eindelijk een mooie man in
haar buurt, blijkt het een ongelofelijke zuurpruim.
Tamara, de grote creoolse dame die het
huishouden bestiert komt aanrijden in
hun bestelbus. Met boodschappen en
een jongen, jaar of negen met krulhaar
en de lichtste ogen die ze ooit heeft gezien.
Felicia loopt op hem af “hoi wie ben jij”.
De jongen kijkt haar schichtig aan maar
zegt niets. Wel steekt hij zijn hand uit,
ze schudt zijn hand. Warm, een sensatie trekt
door haar heen naar haar buik en benen.
Dan, slaande deuren van een auto, driftige
voetstappen op het houten pad. Daar is de
gemeente ambtenaar met een stapel
formulieren. “U moet dit doornemen en tekenen,
mevrouw”, komt hij direct ter zake.
Hij gaat naast het krulharige jongetje staan.
“dit is een checklist van twintig pagina’s om
te zien of....”. Ondertussen heeft het jongetje
haast gedachteloos zijn hand gepakt; zoals
kinderen doen als ze zich in hun ouders vergissen.
Het zweet breekt hem uit, de jongen blijft zijn
hand vast houden. De beambte zwijgt. Hij staart
naar Felicia. Deze slaat de man onthutst gade,
dan doet de jongen een stap in Felicia’s richting
en pakt ook haar bij de hand.
Tamara, die ondertussen met een aantal kinderen
de boodschappen naar binnen brengt, glimlacht
geheimzinnig. De ambtenaar en Felicia kijken,
staren elkaar maar aan. De jongen met de
lichte ogen laat de handen los en stapt weg.
Tamara, de geweldige creoolse aait de jongen
over zijn krullebol. “Jij bent bijzonder, hoe heet je jongen?”
“Winti” zegt de knul.
Tamara schatert het uit.
bundel: aux yeux clairs
Overvliegende
ganzen nemen druk afscheid.
Op naar de einder.
foto: RL
De vergeten zwerfster loopt over straat
gebogen te speuren naar verloren zaken,
haar hele leven in een aftands winkelwagentje.
Toch is ze niet ontevreden met haar leven
Ze heeft niet veel nodig om te bestaan, ze
scharrelt zo hier en daar haar kostje bij elkaar.
Neuriënd loopt ze in gedachten weer door
de afscheidsaria van CioCio San
“Con onor muore” uit de opera Madame Butterfly,
die ze heeft gezongen toen ze een gevierde
operazangeres was. Jonger en heel wat dikker.
Haar geliefde liet haar in de steek. Drank en drugs.
Cynisch dat haar verhaal overeenkomt
met dat van CioCio San. Alleen zij leeft nog, net.
Zo half zingend half in gedachten rommelt
ze door een afvalberg die pas gestort is.
Ineens wordt haar aandacht getrokken door
iets dat beweegt, een zacht gejank. Ze trekt
een groot stuk vuil plastic weg. Daar ligt
een hond, duidelijk gewond.
Een van de poten is een bloederige massa.
“Och arme” mompelt ze, “daar moeten we
wat aan doen”. Ze denkt aan een nieuwe
zwerver, waarvan ze gehoord heeft.
Een gesjeesde medisch student, die ergens
verderop zit. Zonder na te denken kiept
ze haar karretje leeg. Vlakbij ligt een stuk
schuimrubber. Dat in de kar, de hond erbovenop.
Hij likt haar handen. Ze begint de eerste gitaarsolo
uit Comfortably Numb te fluiten als ze zoekend
op weg gaat. Na een paar honderd meter lopen
zit daar de student. Hij kijkt haar aan, alsof hij weet.
Dat zij naar hem op weg is. Hij krabbelt overeind
en loopt op haar af. Dichtbij gekomen is ze
getroffen door zijn opvallende lichte stralende ogen
knappe gezicht en volle krullenbos.
Ze wordt rood en warm. Gelukkig heeft hij niets
in de gaten. Zijn aandacht is bij de gewonde hond.
Samen tillen ze het beest uit de wrakke kar.
Lachend kijkt hij haar aan. Die ogen.
-
Buigend neemt ze de ovatie in ontvangst
na de laatste tonen van de slot aria.
Mensen in het publiek die hun tranen
de vrije loop laten. Diep ontroerd.
Ze is beter geworden, veel beter nog dan
ze was. In de coulissen zit de hond braaf te wachten
De student trok verder na het herstel van het dier.
Daarna raakte haar leven in een stroomversnelling
Het begon ermee dat de hond
een oude matras vond, gevuld met geld.
bundel: aux yeux clairs
De dealer, een ontzagwekkende patser
met gigantische armen, gouden oorbellen
en bijbehorende sjonnie-kettingen, stapt
uit zijn met chinchilla bont beklede Maserati.
Een plukje junks, heroïne-hoertjes en wat
nieuwe klantjes staan hem al op te wachten.
Minzaam knikt hij zijn schare toe. Opluchting
en schaamte, afgestompte rillingen. Oh yeah.
Hij geniet iedere dag weer van de snel toenemende
ontwenningsverschijnselen. Om dit genot ten volle
uit te buiten laat hij de zwaar verslaafden altijd het
langste wachten. Om ze straks absolutie te schenken.
Tegen vorstelijke betaling, uiteraard. Zijn klantjes
zijn verslaafd aan drugs; hij is verslaafd aan
macht en aan rijkdom. Vroeger nam hij
zijn vriendin altijd mee, maar die is bij hem weg.
Hij handelt de nieuwe klanten af, heroïne, cocaïne
pillen, poppers, viagra, crack. Hij heeft het allemaal.
Als alleen de rillende, bleek vertrokken junks resteren
prutst hij eerst uitgebreid en nodeloos met zijn mobieltje
Onderwijl observeert hij de verslaafden op hun nood
en checkt hij of er een min of meer appetijtelijk
heroïne-hoertje is waar hij de koffer mee in kan
duiken. Het is al weer een tijdje geleden.
Eindelijk helpt hij de meute aan hetgeen ze willen.
Hij ziet geen snolletje van zijn gading,
morgen dan maar. Als hij bijna aan het laatste klantje
toe is, loopt er snel een skater naar hen toe.
Als de skater met slobberbroek en petje met capuchon
bij hem is struikelt deze. In een reflex pakt de skater
hem bij de zwaar gespierde arm. Even ziet hij diep in
de opmerkelijk lichte, haast lichtgevende ogen.
Blonde krullen, een goedlachs gezicht, maar in de ogen
een peilloze diepte. Flarden van gegil en gehuil klinken
in zijn hoofd. Van afgrijzen vervuld schudt hij de hand
van zijn arm af. “Sorry man” zegt de skater.
later, een maand; een leven later
De dealer is een wrak, hij kan zijn Maserati
noch een vrouw meer berijden. Hij leeft in een
voortdurende ellende van cold turkey. Al veertien
kilo is hij afgevallen. Alle drugs heeft hij geprobeerd
Niets helpt, hoe kan het ook; hij heeft nooit wat
gebruikt, dus ook niet verslaafd. Hij trilt, hij zweet,
hij kan niet meer slapen. Zijn hele lichaam doet zeer.
Dit is de hel man, maar hij is niet dood. Niet dood! Niet dood!
bundel: aux yeux clairs
Het is grappig om te zien dat ook puberende paarden impulsief kunnen zijn en aan iets kunnen beginnen dat ze niet helemaal overzien.
Ik was zondag met mijn dochter mee naar paardrijden om wat foto’s te nemen van Cheyenne om via Marktplaats een nieuwe bijrijder te vinden. De vorige bijrijder heeft een ander wat ervarener paard gevonden om te berijden. Een bijrijder is prettig als bijdrage in de kosten maar ook goed voor Cheyenne zelf, zodat ze leert om ook naar andere “chauffeurs” te luisteren.
We waren gedrieën naar Geestmerambacht (een recreatie gebied rond een klei afgraving, het Kleimeer) getogen vanwege de mooie ligging en omdat er een ruiterpad door het recreatie gebied loopt. Op een aantal punten zijn er uitkijkheuvels aangelegd, deze zien er allemaal ongeveer gelijk uit, éen glooiende helling en drie steile kanten. Op het uitkijkpunt aan de zuidwest kant is er met hout een markante “sculptuur” gemaakt, door mijn kinderen in de wandeling altijd “het Kasteel” genoemd. Bij dit kasteel wilden we wat foto’s maken van “stevige paardmans”. Toen we klaar waren bleef ik nog op de heuvel staan om van bovenaf nog foto’s van het olijke tweetal te nemen. Cheyenne zag dat ik niet meekwam en probeerde via een van de steile kanten weer naar mij toe te komen, wat haar toch wel stevig tegenviel.
Mijn dochter Jasmijn zei later,
dat als Cheyenne zulke ogen opzet (als op de foto) ze altijd
boevenstreken in de zin heeft. Ik denk dat ook duidelijk is dat
mijn dochter en Cheyenne het ontzettend goed kunnen vinden met
elkaar.
Jasmijn en Cheyenne bij Geestmerambacht
foto: RL
Weids polderland als
herfstige tinten staalkaart.
Einde of begin?
foto: RL
De avond was weer erg geweest
geschreeuw, klappen, een dikke wang,
een blauw oog. Ze is gek dat ze bij
hem blijft, nog altijd van hem houdt?
twijfels, woede.
Ze werkt het blauwe oog zo goed weg
als haar make-up toelaat. Waar zou een vrouw
zijn zonder foundation. Ze begint te huilen.
Ook een van haar kiezen zit los.
haat, verdriet, liefde
Op haar werk wisselen secretaresses
blikken uit. Jeanette, haar assistente loopt
achter haar aan. “waarom trap je die
klootzak het huis niet uit”. Ze zucht.
passief, gelaten
Onderweg naar het bedrijfsrestaurant ziet
ze die nieuwe lopen. Ze gaan elkaar passeren
in de stille gang. Opvallend lichte ogen, guitig,
jongensachtig, wild krullerig haar.
warm, verlegen
Als ze bijna langs hem is schiet zijn arm uit,
hij pakt haar vast, zijn hand op haar zere wang.
Hij trekt haar hoofd naar zich toe. Een kus.
Op haar mond, even flitst zijn tong haar mond in.
licht, verlichting
Als door de bliksem getroffen blijft ze staan,
een warme gloed trekt door haar heen.
Achter zich hoort ze niets. Ze kijkt om,
de gang is leeg. De mist in haar hoofd trekt weg.
klaarheid
Haar oog voelt beter, het geklop van haar
wang is weg. Zelfs de kies zit weer vast.
In haar spiegeltje ziet ze dat haar gezicht
weer gaaf is en stralend. Weg met de pancake.
klik klak
’s Avonds in haar appartement. Ze hoort de
bekende klik. De losse marmeren tegel
van de trap van het oude herenhuis. Getik
van de sleutel in de deur van haar appartement.
sleutel niet, sleutel wel
daar staat hij met de gehate bloemen. Alsof….
“Hang je sleutel maar aan het rek en verdwijn,
uit mijn leven”. Hij is verbaasd. Ze ziet de
duivel weer ontwaken. Zijn ogen schitteren
argument
Als de razernij dreigt los te gaan, schopt ze
hem. Buitenkant dijbeen, kick-box. Hij wankelt,
en verstapt even. Countdown. Met haar
scheenbeen schopt ze, in de twilight zone.
touchdown
Ze heeft zo hard geschopt, dat ze de tijd heeft.
Ze pakt haar sleutels, haar creditcards, haar leven
terug. Als hij eindelijk overeind komt is de duivel
terug in zijn doosje. Maar nooit meer in de hare.
oh ja.
Nog wankelend loopt hij de deur uit richting
de trap. Weer de marmerklik op de trap. Dan
gestommel, gebons. Ze schiet haar voordeur uit.
Om te zien hoe hij tegen de marmeren vloer kwakt.
lijm
Zijn hoofd ligt in een vreemde hoek. Bij
hem staat de man die haar gekust heeft,
die met de vreemde, lichte ogen.
“Ik zal morgen die tegel even vast zetten”.
Hij knipoogt naar haar.
bundel: aux yeux clairs
Het heroïnehoertje loopt zuchtend
de trap op naar haar schamele flatje
Haar lichaam doet zeer van weer
een dag spuiten en schrale sex
Haar knokige gestel toont de wissel
die ze op het leven trekt. Weinig eten
veel drugs veel klanten. Haar armen
tonen een sterrenhemel van vuile naalden.
Ze zucht weer. Haar gedachten glijden weg
Naar toen het allemaal nog goed ging
Haar rijke ouders in het Gooi, de feesten,
de rijke vrienden. De beelden volgen elkaar
steeds sneller op totdat ze in de gehate
angstspiraal zit van paps’ verkeerde vrienden.
Die, die….. Met een kreet rukt ze zich los
Zwetend en trillend komt ze tot zichzelf.
Haar lichaam roept; tijd om op haar Horse
te rijden. Ze pakt het zakje heroïne dat
ze van die nieuwe dealer heeft gekocht. Even
slaat haar hart op hol, als ze aan die lichte
opmerkelijke ogen van die dealer denkt.
Ondanks haar ellende moet ze lachen,
ze lijkt wel verliefd. Ze vind in haar zak
ook een nieuwe naald en een spuit.
Hoe komt ze daar aan? Ze maakt de spuit
klaar en bind haar arm af. Daarna maar
even eten.
Een goudkleurig paard komt aanlopen in
verblindend wit licht. Een man springt van het
paard. Het is de dealer met de lichte ogen.
Hij steekt zijn handen naar haar uit. Ze pakt
zijn hand, haar armen zijn vol en rond zonder
priklittekens. Als ze opstaat bewegen
haar borsten onder haar shirt. Dat heeft ze jaren
niet meer gevoeld. “Kom”, zegt de man. Moeiteloos
tilt hij haar op het paard, daarna gaat hij
achter haar zitten. Ze rijden weg naar het witte licht.
Later vonden ze haar, de naald zat nog in haar arm.
bundel: aux yeux clairs
Na bijna een heel leven van samenzijn
staat de vrouw zwijgend bij het graf
van haar pas overleden man. Kanker.
Ze denkt terug aan alles dat goed ging
en aan de tijd dat het niet veel scheelde.
Slippertjes van hem en uit rancune ook van haar.
Samen met een hechte band en als los zand.
Ze denkt aan de tijd die voor haar ligt; toekomst
met verdriet en toch ook met opluchting.
De zon komt achter de wolken vandaan,
een stille figuur op het grote kerkhof. Gevangen
in het warme zonlicht van de vroege morgen
Een traan loopt langs haar gezicht als ze denkt
aan dat, wat komen gaat. Gelukkig ligt de
toekomst nog besloten in het duister van de tijd
Een vermoeide straatmadelief pikt
haar laatste klant op van die avond
een leuke, redelijk knappe jonge
snuiter met een lekker luchtje op.
Weer eens wat anders dan de
gebruikelijke zure oude mannetjes
dacht ze nog, terwijl ze voor hem uit
de trap opliep naar haar kleine werkdomein.
In het efficiënte lamplicht van haar kamer
is hij oh, veel leuker dan gedacht. Met van
die merkwaardig lichte ogen. Betoverend,
verzengend. Zonder gene kleedt hij zich uit.
Ineens ziet ze niet meer tegen het klusje op
deze zal haar dag goed maken, denkt ze,
haast leuk genoeg voor gratis. Haast!
Neuriënd trekt ze haar slip uit, het korsetje niet
Als ze ligt schuift hij in haar, haast
gewichtsloos bovenop. Als hij beweegt
begint het gonzen, de aanloop naar een
een mooie rit. Lang, heel lang, verschrikkelijk
Lekker! Uren later, hij is weggegaan.
Zij ook, op de toppen van haar lust
voorgoed verloren voor het vak, verkocht, verraden,
een dik pak geld, ongeteld, ligt naast haar hoofd.
Ze weet niets, ze zweeft en zweeft en zweeft en zweeft.
bundel: aux yeux clairs
Een verliefd paartje
zit te tongzoenen tussen
satelliet schotels.
Hij filmt het meisje met zijn
mobiel. Romantiek van nu.

