In deze politiek gezien enerverende tijden moet je op je qui-vive zijn en snel handelen, dat hebben ze bij de SP in ieder geval wel begrepen. Afgelopen dinsdag kwam ik bij een verkiezingsfestival in de Melkweg zomaar opeens Maxime Verhagen tegen. In die ene seconde dat we langs elkaar liepen herkende ik hem niet voor de volle 100 % maar had toch wel het idee dat hij het was. Ik had hem dus kunnen beuken, bespugen, beschimpen of om de nek kunnen vliegen, maar deed niks. Pas een dag later bedacht ik wat ik allemaal had kunnen doen. Niet snel genoeg gehandeld dus. En misschien was dat maar beter ook want ik was daar op dat festival in de Melkweg in het kader van de vriendjespolitiek op uitnodiging van de Lijst Harry Bakker, de lokale partij van m'n broer, ook Harry Bakker (onthoud die naam!). En als je gast bent moet je je natuurlijk gedragen.
Liv Tyler bij het Leidseplein.
Later die avond kwam ik zowaar Sophie Hilbrand tegen. Ik zat op een trapje achter in de Max-zaal terwijl de derde ronde van de debatten onder leiding van Pauw en Witteman bezig was en ik behoorlijk zat te gapen toen zij naast me kwam staan. Ze zei iets tegen me maar ik verstond het niet. "Wát zeg je?", vroeg ik. "Dat heb ik niet gezien", zei ze. En ik snapte het eerst niet en zei maar iets terug over vroeg opstaan tegenwoordig, maar denk nu dat zij het bedoelde in relatie tot het Pauw en Witteman-debat. Had ik dat eerder doorgehad, ik had met haar een fijn gesprek aan kunnen knopen over Maxime Verhagen. Nu zat ik maar aan m'n werk te denken en daar wou ik niet over praten. Ik wist overigens ook niet voor de volle 100 % zeker of het wel Sophie Hilbrand was, maar had natuurlijk evengoed iets tegen haar kunnen zeggen. Ook al was ze het niet, je moet zo'n kans toch grijpen. Wie weet hadden we wel iets leuks kunnen gaan doen. Nu bleef het bij gapen en moe zijn.

Liv Tyler op
de Stadhouderskade.
Op m'n werk was het overigens wel leuk de eerste dagen van deze
week. De hele stad hing vol met grote posters van Liv Tyler! En
ik wist natuurlijk niet voor de volle 100 % zeker wie Liv Tyler
was, laat ik het zo zeggen, ik had nog nooit van haar gehoord,
maar wat een mooie reclameposters! Ik had die dagen wel in zo'n
bushokje willen wonen. Even dacht ik dat Liv Tyler gewoon een
volkomen onbekende Amerikaanse huisvrouw was die door deze
reclame voor G-Star Raw eventjes wereldberoemd zou worden. Dat
had ik wel stijl gevonden. Maar Liv Tyler is dus gewoon een al
bekende filmster. Rolletje hier, rolletje daar. Met internet kom
je er zo achter. Maar het rare was dat ik op Google geen enkele
spectaculaire foto van Liv Tyler tegenkwam. Dus er moest iets
zijn met die posters in de bushokjes. De fotograaf is Anton
Corbijn. Bingo! Hij heeft hele mooie sobere low profile
zwart-witfoto's gemaakt van een ietwat verlegen kijkende Liv
Tyler. Gelukkig was ik dinsdagmiddag nog wel op m'n qui-vive en
uitgeslapen en heb ik één poster voor mezelf uit zo'n bushokje
kunnen friemelen. Dát was dus geen gemiste kans deze week. Ik heb
nu lekker een levensgrote Liv Tyler in m'n slaapkamer. Aan Maxime
Verhagen denk ik niet meer.
Mijn Liv Tyler.
Na m'n stukje van vorige week heb ik weer wat minder zin gekregen
om deze weblog fatsoenlijk bij te houden. Ik dacht dat ik een
redelijke column had geschreven maar geen enkele respons zat in
dezelfde richting. Nou geeft dat verder niet en ik kan er wel
tegen en ik hoef liever ook niet zoveel respons, maar toch, ik
had er wel iets meer van verwacht. Ik had er in ieder geval wat
tijd ingestoken en er zorgvuldig aan gewerkt. Maar niks dus. En
ik had er al niet zoveel zin meer in. Vandaag is het precies 25
jaar geleden dat ik de Elfstedentocht uitreed. Ik had er een best
leuk, lang verhaal over kunnen maken, maar verder dan wat
aantekeningen ben ik niet gekomen. Geen zin en nu al geen spijt
dat het niet gelukt is. Twee maanden geleden liep ik met de
gedachte om ter ere van deze heuglijke gebeurtenis 25 jaar
geleden de eerste Elfsteden-winnares bij de vrouwen, Lenie van
der Hoorn eens officieel te interviewen. Om haar verhaal eens op
te schrijven. Als ik aan het werk ben kom ik geregeld in de buurt
van haar huis, vandaar. Maar van die actie is helemaal niks
gekomen. En ook dat vind ik niet erg. Verder wou ik een serie
maken over de (verhalen achter de) posters die ik momenteel
opplak op m'n wandje in de woonkamer, maar dat vlot ook niet wat
research betreft, en zo. En ook daar heb ik eigenlijk niet zoveel
zin meer in.
U moet dit stukje dan ook niet zien als meer dan een simpel teken
van leven. Want ik leef nog wel. Letterlijk dan. Niet op de
manier waarover al die zeikerds een paar maanden geleden de mond
ervan vol hadden dat Ramses Shaffy 'geleefd' had. Zo niet, maar
letterlijk nog wel. Ik doe de boodschappen en doe de was. Ik sta
op en ga naar bed. Alleen, alleen, alleen, altijd maar weer
alleen. Ik voer de poes en kook voor m'n zoon. Ik zorg wel goed
voor ze. Ik kom op tijd op het werk en doe wat van me verlangd
wordt. Maar doe daar ook dingen die ik niet meer op ga schrijven.
Ik train voor de Ronde van Vlaanderen. Elk weekend fiets ik. Vrij
nemen door de week doe ik niet meer en zo hard als vorig jaar ga
ik niet, maar ik fiets nog steeds. Gelukkig fiets ik nog steeds.
voor de rest wordt ik maar ouder en negatiever. Wat was ik blij
dat Dominique van der Heyde donderdag in het NOS-journaal het
kabinet 'klinisch dood' verklaarde. En wat was het gisteren dus
een feestdag. Ik heb vlaai gehaald. Stemmen doe ik nog wel.
Partij voor de Dieren. Ik geef alleen nog maar om de dieren.
Laatst kwam er een jonge flapoor aan m'n deur collecteren voor de
gehandicapte kinderen. Ik zei "ik geef alleen nog maar geld aan
de dieren". "Ja maar de dieren hebben het toch goed in
Nederland?", zei de jonge flapoor. Ik zei "wegwezen jij flapoor".
M'n collega Bor vindt vrouwenvoetbal maar niks. Hij vindt dat
sommige sporten alleen voor mannen zijn en sommige sporten alleen
voor vrouwen. Vrouwen moeten dus niet voetballen volgens hem en
mannen geen gymnastiek doen. Bor doelde hier op ritmische
gymnastiek, dat gehuppel met een bal, een hoepel, knotsen of een
lint. En ik kan er mee leven dat Bor dat vindt. Want Bor is geen
intellectueel.
Erger vind ik het als mensen
die wel voor intellectueel doorgaan domme dingen zeggen over
vrouwen in de sport. Zo zei televisiecommentator Mart Smeets ooit
iets doms over tennisster Steffi Graf en schreef sportjournalist
Auke Kok onlangs in
Vrij Nederland domme dingen over schaatsster Ireen Wüst. Auke
Kok nam het haar kwalijk dat ze na een race met 'een of ander
zuurstofkapje over haar neus' geïnterviewd werd en er zodoende
niet in slaagde 'een zekere vrouwelijkheid' te handhaven. En
daardoor mede ervoor zorgde dat het schaatsen maar niet 'sexy'
wordt. Ze moest volgens Auke Kok maar eens wat volleybalvrouwen,
hardloopsters of, desnoods, hockeysters bestuderen. Die kunnen
bij Auke Kok klaarblijkelijk wel door de beugel.
Volgens mij is Auke Kok een vies, oud mannetje dat om de
verkeerde redenen naar sportende vrouwen kijkt. Waarom moet Ireen
Wüst er in godsnaam 'vrouwelijk' uitzien als ze zit uit te hijgen
na een race? Mag dat kind moe zijn? En waarom moeten vrouwen
altijd maar weer sexy, leuk en lief zijn? Stijn Schaars hoeft na
een wedstrijd toch ook geen wiskundige formules op te dreunen of
zo. Aan hem worden toch ook alleen maar vragen over voetbal
gesteld. Zonder verdere eisen. En een schrijver hoeft toch ook
geen auto te kunnen repareren als ie dat niet kan? Laat Ireen
Wüst godverdomme gewoon hard schaatsen en bewonder haar
daarom.
Ook bij de bobo's in de sport
zijn er mensen die vrouwen haten, om het zo maar eens te noemen.
In de kijkwijzer van het Olympisch Magazine van 'sportkoepel'
NOC*NSF worden er kijktips gegeven voor de komende twee weken. De
tips zijn verdeeld in 'tips voor de echte sportliefhebber', en
'tips voor vrouwen en de sport-leek'. De echte sportliefhebbers
mogen kijken naar het bobsleeën en de vrouwen en de sport-leek
naar het kunstschaatsen. Het leest alsof de eerste feministische
golf Papendal nog moet bereiken.
Maar, dan heb ik ook nog wel een kijktip voor Auke Kok. (En nu ik
z'n naam hier voor de zoveelste keer intik weet ik zeker dat het
een vies, oud mannetje is.) Ik zou zeggen Auke, ga jij lekker
naar de Wallen als ze straks in Canada gaan schaatsen. Ga daar
maar sexy vrouwen kijken. Als ze in Richmond schaatsen zijn in
Amsterdam de gordijntjes open. Zelfde tijdschema. En dan kunnen
wij, als echte sportliefhebbers onder elkaar lekker naar Ireen
Wüst kijken.
Foto hiernaast: schaatsster Ireen Wüst.
Uit de kijkwijzer.
Het gaat weer wat beter tussen mij en Bor, m'n collega bij de
ijzerwinkel, en dat mag een klein wonder heten want ik zag het
even somber in aan het begin van dit jaar en was onze relatie die
eerste weken van 2010 al naar een zwart gat aan het extrapoleren,
want daar ben ik goed in, en met een beetje pech hadden we vorige
week echt een vervelende escalatie gekregen. Maar dat beetje pech
bleef uit dus die escalatie is er toch niet van gekomen. Gelukkig
maar, want ik ben toch nog wel steeds blij dat ik dit baantje
heb. Het heeft ook z'n fijne kanten.
Ik vond Bor een echte klootzak aan het begin van dit jaar omdat
ik dacht dat hij iets had achtergehouden wat onze winkel had
gekregen. Dat ging om een agenda voor 2010, en volgens mij heeft
Bor die meegenomen om hem aan z'n vrouw te geven. Nu zult u
gelijk wel weer denken dat ik die agenda had willen hebben, en
'wat een kinderachtig gedoe om een agenda', maar zo is het toch
niet helemaal want ik had die agenda al niet meer nodig want ik
had er zelf al een op de Albert Cuyp-markt gekocht op 2 januari,
dus daar zat het hem niet in.
Wat mij stoort is dat ik denk dat Bor dingen die aan onze winkel
worden gegeven voor zichzelf houdt. Terwijl ik daar toch ook
werk. En ik nog steeds geloof in eerlijk delen. Bor denkt zo en
zo dat hij die winkel in z'n eentje runt en is volgens mij een
erg egoïstisch geval. Hij geeft alleen dingen weg die hij zelf
niet nodig heeft. Pas als we iets krijgen wat ie zelf niet wil,
of als er iets kapot is vraagt ie of ik het wil hebben. En hij
heeft het altijd over ik. "Ik stuur Thee zo naar... Ik had zoveel
tekort... Ik laat John er wel even naar kijken... Ik dit. Ik
dat.
Ik heb Bor er niet naar gevraagd of we die agenda gekregen hebben
en of waar die dan nu is. Ik wou het onderwerp niet echt
aansnijden met hem vanwege kans op ruzie, en later kreeg Bor te
maken met dat sterfgeval in z'n familie en toen heb ik het er
maar bij laten zitten. Ik vond het ook niet meer zo belangrijk
(tijd heelt alle wonden). Maar ik heb Bor wel in die eerste week
van dit jaar gezegd dat ik geen shag meer voor hem ga halen. Dat
vroeg hij altijd aan mij: "Thee, ken je op de terugweg wat shag
voor me meenemen?" En dan kocht ik net voor ik weer terugkwam in
de winkel na m'n bezorgritjes vier pakjes Special Made Zware
Shag. Met Jacobs vloeitjes. Voor 18 euro 20. In een winkeltje op
de Bos en Lommerweg. Ik heb het twee jaar met plezier voor hem
gedaan maar nu had ik er geen zin meer in. Niet vanwege die
agenda maar gewoon omdat ik het idee had dat ik Bor niet kan
vertrouwen. En ik geen zin heb om wat extra voor hem te doen.
Want ik vond hem dus een echte klootzak aan het begin van dit
jaar. Ja, het klinkt allemaal best wel kinderachtig en ik hoef
het vrouwen misschien niet uit te leggen maar schrijf het hier
toch maar eventjes op: soms kunnen volwassen mannen heel
kinderachtig doen.
Daarna was Bor er dus een week niet en daarna ging het weer wat
beter. Om die agenda maakte ik me niet meer zo druk. En Bor was
toch wel een beetje aangedaan de eerste dagen dat hij weer kwam
werken. Niet dat het nou een compleet ander mens was maar wel een
beetje. Over z'n overleden schoonzus heb ik bijna niks aan hem
gevraagd. Ik had geen zin om het er met hem over te hebben. Ik
ging weer rijden en Bor zit weer de hele dag in de winkel. Achter
z'n bureau met het ene na het andere zware shaggie in z'n bek.
Hij is nog net geen kettingroker.
Bij onze winkels wordt nog gewoon gerookt op het werk. Ondanks
dat onze baas (een serieuze ex-roker) het absoluut niet meer wil
zit er in bijna elk filiaal nog wel iemand die gewoon doorrookt.
En ik begin me daar steeds meer aan te storen. Ik vind het
stinken en denk ook wel eens dat ik gewoon ziek kan worden van
dat meeroken. Straks krijg ik kanker van die zware shag van Bor.
Maar ik heb er nog nooit iets tegen iemand over gezegd. Ook niet
tegen Bor. Niet dat ik het niet durf maar ik heb het gewoon nog
niet gedaan. Maar ik ga het wel doen. En weet nu al dat Bor dat
niet leuk gaat vinden. Maar voorlopig gaat het wel weer goed
tussen ons dus. Geen zorgen.
Met de nodige scepsis ben ik bij de film Avatar geweest. Meestal kom ik niet bij die kaskrakers voor het hele gezin en zit ik in kleine filmhuizen, maar deze film Moest ik zien, volgens mijn zwager Jos. Ik moest hem gaan zien met m'n zoon Mark vond Jos, maar Mark wou niet. Hij vond het een "commerciële kutfilm" en had er geen zin in. Ik ook niet, want ik houd dus niet van grote, gehypte Pathé-films met een miljoenenbudget, maar heb hem afgelopen vrijdag toch gezien, want hij was gratis met mijn Cinevillepas in STUDIO/K in Amsterdam Oost. En ik moet zeggen, het viel niet tegen.
![]()
Origineel is Avatar niet. Het is een vrij simpel verhaal van goed
tegen kwaad, van held tegen schurk. Het is een
sciencefiction-film, een avonturenfilm, een boy meets
girl en een pretparkfilm waarin je in een karretje op de
achtbaan zit. Er is gejat uit First Blood, Jurassic Parc, Robocop
en waarschijnlijk nog een hoop meer films die ik niet ken, maar
wel goed. Het is ook weer zo'n onzinfilm waarin een hele roedel
supergevaarlijke gladde zwarte monsterhonden met klauwen en
enorme tanden de hoofdrolspeler toch niet weet te pakken en te
verscheuren als hij aan het begin van de film door het oerwoud
rent. Maar het is geen doorsnee onzin.
De film speelt zich af op de fictieve maan Pandora waar de
Amerikanen een dure delfstof willen winnen, maar op de plaats
waar de grootste hoeveelheid van dat kostbare mineraal zit woont
de originele bevolking. Die moet dus weg. De hoofrolspeler Jake
Sully moet infiltreren bij die Na'vi-bevolking om meer van ze te
weten te komen en om ze te bewegen te verhuizen. Dat is het
officiële plan. Het militaire hoofd van de mijnbouwmissie wil ze
daar echter gewoon wegbombarderen, wat hem op het verwijt van de
wetenschappers van de missie komt te staan dat Amerika "eens op
moet houden met elk land zomaar binnenvallen als er wat kostbaars
in de grond zit".
Dat geeft Avatar gelijk ook een politieke lading. Deze film is
meer anti-Amerikaans dan alle Michael Moore-films bij elkaar. En
daar houd ik wel van. Want ik ben de Amerikanen en hun
buitenlandpolitiek onderhand goed zat. Altijd maar oorlog voeren
en altijd maar weer landen binnenvallen. Hopelijk gaat heel dom
Amerika (want het is dus geen intellectuele film) Avatar zien, en
worden ze daarna wat vredelievender. Deze film is zelfs zo
anti-Amerikaans dat ik niet snap dat deze film in Amerika gemaakt
is. Regisseur James Cameron is een Canadees, misschien heeft dat
er iets mee te maken. En het levert een hoop geld op, misschien
heeft dat er ook iets mee te maken.
Maar het is dus wel een goede film. Ik kwam enthousiast de
filmzaal uit, en dat gebeurt me toch niet vaak. Avatar heeft mijn
scepsis weggenomen. Het is een film met een meeslepend verhaal,
met fantastische actie, grof geweld, beeldschone buitenaardse
natuur, een vertederend liefdesverhaal, veel griezelmomenten en
spannend tot op het eind. Ik heb hem in 2D gezien maar in de
meeste bioscopen is hij in 3D, wat het allemaal nog beter maakt
neem ik aan. Het is dus toch een Die moet je gaan zien-film. Al
was het alleen maar voor de aftiteling. Op de ellenlange
aftiteling staan, ik schat, wel 10.000 namen. Allemaal mensen die
dus hebben meegewerkt. En die aftiteling krijg je zeker niet te
zien als je wacht tot ie op tv komt.
Deze week is mijn vaste collega Bor niet op het werk. Afgelopen
zaterdag, toen ik op de fiets op weg was naar Landsmeer om te
gaan schaatsen, belde hij mij op dat z'n schoonzus was overleden
aan kanker. Dat zat er al een lange tijd aan te komen maar ik
hoorde aan Bor dat het hem toch gegrepen had. Hij vroeg mij of ik
maandag om 7 uur de winkel open kon gooien, en zei dat hij een
paar dagen niet zou komen. Ik condoleerde hem, wenste hem sterkte
en zei dat ik natuurlijk om 7 uur bij de winkel zou zijn. Voor
mij betekent dat een uur eerder en langer werken, en op zich vind
ik dat niet erg en gewoon normaal dat je dat doet in een situatie
als deze, maar nu had ik er ook nog gemengde gevoelens bij: een
negatief omdat ik dus meer en harder moet werken en ik nu al weet
dat dat extra werk niet fatsoenlijk als overwerk uitbetaald gaat
worden, en een positief want eigenlijk ben ik wel blij om een
weekje zonder Bor te kunnen werken. Het botert niet meer zo
tussen ons als het ooit geweest is. Niet dat we nou ooit dikke
vrienden waren maar we konden goed met elkaar overweg en dat is
de laatste tijd niet meer zo.
Net voor de afgelopen kerst moesten we in de winkel en het
magazijn kijken of er producten waren die over de datum waren.
Lijm en kit en zo. Die opdracht kwam van ons hoofdkantoor omdat
we, voor zover ik weet, geloof ik, een claim aan ons broek hebben
omdat een van onze filialen ondeugdelijke spullen zou hebben
geleverd aan een klant. Meestal is Bor niet zo van weggooien wat
over de datum is (hij pulkt liever de datum er vanaf in zo'n
geval), maar nu zei hij tegen mij dat we ons aan de regels
moesten houden en alles wat niet goed meer was gingen afboeken en
wegdoen. "Anders hebben wij straks ook een claim aan ons broek,
Gee." Ik belde Bison over hoe ik de datumcode op de verpakkingen
moest interpreteren en hoelang elk type lijm bewaard kon worden
en ging aan de slag. Het leverde een volle winkelwagen spul op.
Sommige tubes lijm hadden nog prijsstickertjes met guldens erop
en vele potten zaten onder het stof. Misschien maar goed dat we
die niet meer verkocht hebben.
Het leverde dus een hoop spul op dat officieel niet meer goed was
en niet meer verkocht zou gaan worden maar waar toch nog wel iets
mee te doen viel. Bor zei dat hij wel een klant van ons wist die
een huisje in Frankrijk aan het opknappen was, en die wel wat
spul kon gebruiken. "Dan zijn wij ook gelijk van die troep af",
zei Bor, die geen zin had om het naar de chemokar of de
milieustraat te brengen. Ik stopte alle 'grote' dingen (kokers
kit, purschuim, potten houtlijm, bruislijm, polystyreenlijm,
compriband, montagekit, blikken Bisonkit en -tix etc.) in een
grote doos en de 'kleine' dingen (knutsellijm, hobbylijm, tubes
Bisonkit en -tix, fotolijm, pvc-lijm, houtlijm, secondenlijm
etc.) in een kleine doos. Met het idee dat die bouwvakker die
grote dingen mee naar Frankrijk kon nemen, en Bor en ik de kleine
dingetjes konden hebben. Bor had gezegd dat hij wel een tubetje
secondenlijm mee wou nemen. En ik kon ook wel wat lijm gebruiken
bij mij thuis, of ik kon het weggeven aan familie, kennissen en
onbekenden.
Toen al die spullen na een paar dagen nog steeds achter in onze
winkel stonden (en dus steeds meer over de datum geraakten), zei
ik op een morgen tegen Bor dat hij maar uit het doosje moest
pakken wat hij wou, en dat ik dan de rest van dat doosje mee naar
huis zou nemen. "Wat? Die hele doos?", hoorde ik Bor mompelen, en
vervolgens ging hij in het kleine doosje wroeten en haalde daar
allerlei potjes en tubes uit die hij in de grote doos van die
professionele bouwvakker stopte. En zelf nam hij zijn flesje
seconden- lijm. Ik kreeg het idee dat Bor mij niks gunde en
alleen de troep met de guldenstickertjes voor mij overliet. Ik
werd daar best wel boos om, maar zei niks. En ik had ook het idee
dat hij zich God voelde die kon verdelen en heersen en de baas
was. Later die dag zei ik tegen Bor dat hij wat mij betreft alles
aan die bouwvakker kon geven en dat ik niks meer mee ging nemen.
Bor zei er weinig op terug. Toen hij een dag later aan mij vroeg
om een pakketje met serviesgoed (dat hij via internet verkoopt)
op de post te doen tijdens het rijden met de bus zei ik dat ik
dat niet ging doen. "O", zei Bor. En sinds die tijd ben ik anders
tegen Bor aan gaan kijken en doen. Als hij mij niks gunt, dan ga
ik ook niks voor hem doen. En vandaar dat ik hem deze week niet
ga missen.
Laat ik maar weer eens wat over m'n werk gaan schrijven. Daar
ging dit weblog vroeger tenslotte over. En we zijn er nog niet
klaar mee. Sinds het begin van dit blog (oktober 2005, lang
geleden al weer) ben ik dus aan het werk en met een aantal
tussenpozen van een aantal maanden ben ik het nog steeds. Dat is
dan wel weer positief. Ook het werk dat ik doe vind ik nog wel
leuk. Voor de rest is dat werken, wat een ieder en dan vooral de
overheid er ook over zegt, best wel overgewaardeerd. Het stelt
allemaal niet zo veel voor. Je verdient er amper wat mee, doet
nauwelijks sociale contacten op, leert er weinig van, loopt
risico, groeit nauwelijks 'als mens', en het kost je een hoop van
je tijd. Dit alles in mijn geval dan hè. Wie wel een positief
beeld heeft van werken in het algemeen mag het zeggen. Of
opschrijven, dat kan natuurlijk ook.
Sinds 19 oktober 2009 ben ik weer aan het werk bij dezelfde
groothandel in ijzerwaren en bouwmaterialen als waar ik de
afgelopen twee jaar zat. Het werk is hetzelfde gebleven (bezorgen
bij bouwwerken op locatie, klanten helpen in de winkel en overige
werkzaamheden in de winkel), alleen heb ik het iets drukker
gekregen. Sinds 12 november rijd ik ook voor een ander filiaal
van ons in Amsterdam. En 's morgens bracht ik ook al de
dagelijkse voorraad voor de winkel naar een ander filiaal (dat
niet bezorgt), dus nu rijd ik eigenlijk voor drie winkels. En dat
maakt het leven voor mij wel een stukje drukker dan de afgelopen
twee jaar. Er een hele middag voor spek en bonen bijzitten in de
winkel en wachten op klanten is er niet zo vaak meer bij. Maar
echt druk heb ik het nog steeds niet. De recessie in de bouw
duurt voort en sommige ingewijden denken zelfs dat de echte klap
nog moet komen.
Maar al dat groot macro-economisch denken laat ik rustig aan mij
voorbij gaan. Ik kan er weinig aan veranderen en het interesseert
me niet zo. Als men niet wil bouwen bouwt men toch niet? Je kan
toch niet eeuwig 3% economische groei hebben. Ik ben alleen bezig
m'n eigen dingen goed te doen, en m'n werk nog een beetje
draagbaar te houden. Over de omzet van onze winkel maak ik me ook
geen zorgen. Als men geen gereedschap wil kopen koopt men het
toch niet? Zal mij een zorg zijn. M'n eigen indeling maken doe ik
nog steeds. Laatst ben ik in de middag met een collega van een
ander filiaal een twee- en een driezitsbankje op gaan halen voor
z'n nieuwe huis. Terwijl er eigenlijk een spoedbestellinkje
bezorgd moest worden. Maar daar had ik geen zin in en in die
bankjes wel. Lekker sjouwen. En die jongen moest toch z'n huis
inrichten en had een busje nodig voor vervoer. Het hoort wel niet
maar het gebeurde toch.
Er zijn ook een aantal negatieve dingen gebeurd op m'n werk in de
laatste twee maanden, en ik ben eigenlijk ook behoorlijk ziek van
m'n werkgever, maar daar wil ik het vandaag maar niet niet over
hebben. Laat ik aan dit voor mij doen uitermate positieve verhaal
geen negatief slot breien. Dat kan altijd nog. Voorlopig ploeter
ik lekker door.
Precies een jaar geleden is het nu dat mijn zieke zus uit Brabant
opeens moest verhuizen uit het verzorgingstehuis waar ze meer dan
20 jaar had gewoond. De zorg die ze daar kreeg zou niet meer
toereikend voor haar zijn, en er was een betere plek voor haar.
De familie hoorde dit terwijl ze in het ziekenhuis lag en het was
de bedoeling dat ze direct vanuit dat ziekenhuis, net voor of na
Kerstmis, zonder afscheid te nemen van haar medebewoners en het
personeel naar dat nieuwe tehuis zou gaan. Gelukkig konden we dit
verhinderen en kon ze op 7 januari, na nog een klein afscheidsfeestje,
naar dat andere tehuis verhuizen. Daar woonde ze vier maanden op
een tweepersoonskamer, waarna ze in mei weer verhuisde naar haar
huidige verzorgingstehuis.
In dit moderne nieuwbouwtehuis heeft ze een grote eigen kamer met
aparte slaapkamer en eigen wc en badkamer. Wat betreft
woonomgeving is m'n zus er duidelijk op vooruitgegaan. Maar of ze
zich dat realiseert weet ik niet want met haarzelf gaat het niet
zo goed. Ze heeft MS, en lichamelijk stabiliseert zich dat een
beetje, maar het tast ook haar hersenen aan, en daardoor gaat het
geestelijk gezien niet zo goed. Ze heeft echt buien waarin ze
zich helemaal niet op haar gemak voelt en dan over haar toeren
raakt en er vanalles uitflapt. Die buien komen soms heel opeens
en ook het personeel weet niet echt hoe dat nou komt. Ook als ik
op bezoek ga (ongeveer eens per maand dit jaar) gaat het soms
goed maar meestal niet. Afgelopen zondag was ik weer bij
haar.
Om 11 uur 's morgens loop ik op haar afdeling naar haar kamer,
maar ik zie dat ze daar niet is. Haar rolstoel staat er leeg. Ik
hoor haar ook niet. Even denk ik dat ze ergens anders naar toe is
en misschien iets van activiteiten aan het doen is, maar in de
gezamelijke huiskamer hoor ik van een verzorgster dat ze op bed
ligt. "Ze is niet helemaal goed. Ze heeft net een tabletje
Oxazepam gehad." Dat is 'n kalmerings- middel dat ze haar hier
wel vaker geven als m'n zus wat over haar toeren raakt. Het is
dus weer zover. Ik vraag of ik beter even kan wachten met naar
haar toe gaan, maar de verzorgster zegt "Gaat u er maar gewoon
naartoe". Dat doe ik dan maar. Wie weet vindt ze het wel fijn om
mij te zien. Of wie weet werkt dat tabletje al en is ze kalm en
suf.
Maar dat is niet zo. Als ik bij haar kom begint ze te praten en
schreeuwen. Ze kraamt weer vanalles uit. Ik heb haar kerstboompje
meegenomen en wil dat op gaan zetten, maar vraag m'n zus eerst of
ze misschien wat muziek wil horen. Vaak vind ze dat leuk. Ze zegt
boos dat het haar niet kan schelen. Ik leg in haar woonkamer een
cd van Jewel op. Daar houdt ze meestal wel van. Ik zie ook een
doormidden- gebroken cd van Crosby, Stills, Nash and Young. Dat
zal ze in een boze bui wel gedaan hebben, denk ik. Op haar bureau
ligt ook een doormiddengescheurde foto van m'n broer. Dat doet ze
wel vaker als ze boos is, dingen kapotmaken. Ik zal het
kerstboompje maar gaan opzetten. M'n zus hoor ik in de slaapkamer
even meezingen en meepraten met Jewel, maar al gauw gaat ze weer
door met raaskallen.
Er is wel enige samenhang te ontdekken in wat m'n zus allemaal
zegt. Afgelopen zondag zei ze ongeveer in elke tweede zin dat ze
bang was. En voor de rest had ze het over allerlei frustraties en
dingen die schijnbaar in haar hoofd zitten uit het verleden en
heden: "Ik ben bang van jou. Ik ben m'n hele leven al bang
geweest. Ik kan niks meer doen. Ben je nou bang voor de kapper?
Ik kan nooit gezond meer worden. Theo heb ik ook al gezien. Maar
Tosca heeft het gezegd hè. Ja, lapjeskat. Vindt ze leuk hè, ja
echt waar. Gemeen. Ik kan niks meer. Irene is d'r ook niet. Ik
ben gewoon een nazi. Ik ben alleen maar bang. Ik blijf volgens
mij heel m'n leven bang. Waar blijft Irene eigenlijk? Ik ben
bang. Help me dan. Ik kan nooit meer lopen." Zo ging ze de hele
middag door.
Dingen waar ze het vaak over heeft en die ik begrijp zijn: poepen
(ze heeft een stoma), dat ze bang is, Henriëtte (een aardige
verzorgster daar, net als Irene), haar familie, Tosca (onze
huispoes van vroeger), haar zus, het gymnasium (ze is op haar
16de met school gestopt), ons vader, mijn zoon, mijn ex, wandelen
(dat deden wij vroeger als sport), haar andere broer (die veel
voor haar regelt), Jan (een vriendje van haar uit de tijd dat ze
met school stopte en haar problemen begonnen) en nog wat van dat
soort dingen. Ik denk dat ze, net als elk mens van haar leeftijd,
een hoop heeft om gefrustreerd over te raken, maar dat ze het
niet gewoon van zich af kan zetten, zoals de meeste mensen wel.
Dat is dus als je een psychische ziekte heb, dan doe je niet
zoals de meeste andere mensen.
Ik ga in de woonkamer het kerstboompje opzetten, uit het zicht
van m'n zus. Ik hoor haar wel. Na een tijdje komt er een
verzorgster poolshoogte nemen. Ze zal ook wel gehoord hebben dat
m'n zus onrustig is en praat even met haar. "Ga eens rechtop
zitten." "Kan ik niet." "Ja kan je wel." Ik blijf maar in de
woonkamer. Ik hoor de verzorgster ook zeggen dat ze haar shirt
goed moet doen. "Waarom zit je met een blote borst?" Dat doet m'n
zus ook als ze zich niet lekker voelt, zichzelf (gedeeltelijk)
uitkleden. Zonder wat tegen mij te zeggen gaat de verzorgster na
vijf minuten weer weg. Ik doe lichtjes in het kerstboompje en
hang er houten figuurtjes in. Voor de lichtjes heb ik een
verlengsnoer nodig maar dat vind ik niet.
Na een half uurtje wordt ze even wat rustiger maar na een tijdje
begint ze weer. Ze klinkt soms ook echt bang als ze zegt "Ik ben
bang". Soms klinkt en doet ze irritant. Ik vraag haar of ze wat
drinken wil. "Nee ga weg!", zegt ze gelijk. Ik zit daar maar een
beetje op haar bank, in haar woonkamer uit het zicht. Soms
begrijp ik wat ze zegt, soms maakt ze haar zinnen af. Soms is het
einde onverstaanbaar of begint ze aan een nieuwe. Ik raak ook
geïrriteerd door haar. Als het zou helpen zou ik haar wel een
klap willen geven. Of door elkaar schudden: Doe effe normaal jôh!
Maar dat zou niet helpen. Net als toen ik eerder dit jaar een
keer boos op haar werd toen we aan het wandelen waren en ze ook
zo'n bui had. Toen keek ze even op en ging gewoon weer door.
Nee, het zou niet helpen, een klap met de vlakke hand op de wang
of haar door elkaar schudden. Het zou het voor haar alleen maar
erger maken. En ik wil haar ook geen klap geven, ook al zou het
helpen. Ze kan er nou eenmaal niks aan doen. Ik heb echt
medelijden met haar. Waarom moet een mens zo zijn? Ik denk terug
aan de woorden van Piet,
dat het "haar pech is geweest dat ze haar toen op tijd vonden".
Hij had het over een aantal jaren geleden, toen ze ook in het
ziekenhuis lag en ze een hart- en ademstilstand maar net
overleefde. Daarna is het weer redelijk goed gekomen, maar ik
vraag me ook vaak af wat ze nog aan haar leven heeft gehad
sindsdien. Soms gaat het goed met haar, en ik heb haar ook wel in
een goede bui aangetroffen in het tehuis waar ze nu woont, maar
de meeste keren ging het niet goed.
Om 12 uur krijgt ze eten van de verzorgster. Die is een beetje
boos want ze heeft zich weer uitgekleed. "Niet je bord op de
grond gooien hè", zegt ze, en ze gaat weg. Ik hoor m'n zus eten
en ook weer praten. "Ik ben bang." Als ik ga kijken zie ik haar
op bed liggen met haar eten op een tafeltje boven haar bed. Er
ligt wat soep op haar borstkas. In de huiskamer zit de
verzorgster met acht andere patiënten te eten. Ze is de enige
verzorgster op deze afdeling. Ik zeg dat m'n zus zo moeilijk kan
eten. De verzorgster zegt dat ze straks wel naar m'n zus komt,
eerst moet ze hier helpen. Ze zegt dat m'n zus zelf rechtop kan
gaan zitten als ze dat wil. Ik betwijfel dat en ga terug naar m'n
zus. Ik probeer haar een beetje rechtop te trekken maar dat lukt
niet. Ik help haar met haar aspergesoep. Dat lukt aardig. Ze eet
in ieder geval goed.
En ze houdt even op met raaskallen. Ik pak wat tissues en een
stoel en ga naast haar zitten. M'n zus stinkt behoorlijk en ze
ligt er slordig bij, qua laken en deken. Haar vest is open, haar
beha zit goed maar ze ligt wel met een blote buik. Ik geef haar
hapjes puree. "Aardappel", zeg ik. "Zetmeel", zegt m'n zus. Ze
eet redelijk goed. Aardappelpuree, witlof, een in stukjes
gesneden burger en saus. Ze smakt een beetje. Als de verzorgster
komt zegt ze dat ze m'n zus moet verschonen. Ik ga weer in haar
woonkamer zitten. Vanuit de badkamer hoor ik m'n zus: "Ik ben
bang." "Stop daar mee", zegt de verzorgster. Er komt nog een
andere verzorgster bij. Ook die zegt niks tegen mij. Ze zijn nog
best lang bezig. Ik hoor m'n zus van tijd tot tijd schreeuwen,
dan huilerig praten, dan weer irritant, en de hele tijd: "Ik ben
bang".
Ik zet drie flesjes drinken die ik voor haar had meegenomen op
haar aanrecht met wat kerstchocolaatjes. Ik versier het boompje
nog een beetje en wil weg. Buiten sneeuwt het en ik moet nog
langs het huis van m'n moeder en dan naar Amsterdam. Ik ben best
lang gebleven omdat ik hoopte dat dat pilletje Oxazepam misschien
zou gaan werken en m'n zus nog een beetje rustig zou worden (en
we dan nog iets aan het samenzijn zouden hebben), maar dat zat er
niet in afgelopen zondag. Op haar tafel staat een kaart van
bewoners van het verzorgingstehuis waar ze zo lang gewoond heeft.
Daar staat in dat ze haar daar herinneren als een lieve meid. Ja,
dat was ze vroeger zeker. Altijd klaar gestaan voor andere mensen
en nooit een vlieg kwaad willen doen, zo denk ik aan haar terug.
Het is triest dat het zo met haar gelopen is.
Tegen 2 uur ga ik weer. Ik zeg m'n zus gedag. Ze zegt niet veel meer. Ze heeft een beker koffie gekregen en ligt weer op haar bed. Het stinkt nog een beetje naar ontlasting maar ik hoop maar dat m'n zus nu schoon is. De twee verzorgsters zeggen ook dat het beter is als ik ga. Ik wrijf m'n zus even over haar arm en zeg "sterkte". Ik wens haar maar geen fijne dagen, of gelukkig kerstfeest of zo. Ik ga maar. Op zich heeft ze het hier goed. De verzorgsters zijn meestal wel aardig. En soms doet ze nog dingen die ze kan. En soms is ze ook nog gewoon vrolijk. Maar ze kan wel steeds minder. En ik kan begrijpen dat ze daar ook gefrustreerd door raakt. Ik denk niet dat ik ooit nog vrolijk zou zijn in haar toestand. En ik ben bang dat het steeds vaker voor gaat komen dat m'n zus in zo'n bui is als afgelopen zondag.
"My name is Shosanna Dreyfuss and this is the face of jewish revenge",

zegt actrice Mélanie Laurent aan het eind van Quentin Tarantino's
Inglourious Basterds, in een stukje film in een film, terwijl
Shosanna haar eigen bioscoop laat afbranden, met honderden
opgesloten nazi's binnen, waaronder de grote nazi-kopstukken
Adolf Hitler, Hermann Göring, Martin Bormann en Joseph Goebbels.
In de film betekent dit een vroegtijdig einde van de Tweede
Wereldoorlog.
Ja, was het maar waar. Was het maar waar geweest. Was het maar
geen Amerikaanse fantasiefilm. Of was het maar een Amerikaanse
fantasiefilm gebaseerd op ware gebeurtenissen. Het zou een hoop
lijden gescheeld hebben als die oorlog een jaartje eerder was
afgelopen. En was dat mooie gezicht maar de face of jewish
revenge. En had die zich maar gericht op de nazi's. In het
echt heeft de joodse wraak een ander gezicht gekregen. Een
gezicht dat zijn ogen heeft gericht op de Palestijnen.
Wij willen ook een Duizendjarig Rijk, zo lijkt het wel wat de
Joden ons willen zeggen. Ruim zestig jaar zijn ze nu onderweg.
Een stuk langer dan de nazi's het volhielden. Drie generaties.
Drie generaties Palestijnen die geen leven hebben gehad. Drie
generaties Palestijnen van wie huizen zijn afgepakt. Of verwoest
door graafmachines. Bulldozers die boomgaarden verwoestten.
Overal checkpoints. Kinderen die werden doodgeschoten,
strijders die gevangen werden gezet, fosforbommen afgeschoten op
dorpen, dat is het gezicht van de joodse wraak geworden.
In Inglourious Basterds zijn zowel de nazi's als de joden grappig
en wreed. Ook in de echte wereld zijn er overeenkomsten tussen de
gedragingen van de nazi's toen en de joden daarna. Beiden willen
een land alleen voor de eigen soort. Dat land willen ze
uitbreiden door meer land te bezetten. Mensen die niet van hun
eigen soort zijn worden ontmenselijkt. Propaganda neemt een
cruciale plaats in. Het treiteren van de tegenstander neemt
sadistische vormen aan. En overal wappert de eigen vlag om te
laten zien wie er de baas is.
Het is misschien een beetje flauw en het doet sommige mensen
misschien wat pijn, die vergelijkingen tussen joden en nazi's,
maar ze zijn er nou eenmaal, die overeenkomsten. En, voor mij is
het ook een beetje flauw en pijnlijk om al jarenlang steeds maar
weer te moeten horen dat "Israël de enige democratie in het
Midden-Oosten is", terwijl ze daar hun landgenoten de Palestijnen
als untermenschen behandelen. En als je daar wat van
zegt ben je een antisemiet. Dat is ook een beetje flauw en
pijnlijk.
Al twee decennia vraag ik me af hoe de Joden, die zelf (als volk) zo erg geleden hebben in de Tweede Wereldoorlog, hun medeburgers van nu, de Palestijnen, zo slecht kunnen behandelen. Maar nu begrijp ik het. Het is gewoon wraak. Wraak van de Joden op de wereld voor wat hen (als volk) ooit is aangedaan. Wraakgevoelens en wraak zijn menselijk. En de joden zijn nou eenmaal ook mensen. Net zoals de nazi's mensen waren. En dat de Palestijnen daar het slachtoffer van zijn, ach.
In Amsterdam zijn nogal wat wegwerkzaamheden de laatste jaren, en
nogal wat Amsterdammers klagen daarover, maar ik niet. Ik denk er
(door die wegwerkzaamheden én die klagende Amsterdammers) al
jaren over hoe de stad er nou uit zou zien als er helemaal géén
wegwerkzaamheden zouden zijn. En geen bouwwerkzaamheden aan
gebouwen. Als de hele stad nou eens af zou zijn. Klaar zou zijn.
Eruit zou zien zoals hij bedoeld is. Als alles in Amsterdam
perfect zou zijn. Alles schoon en netjes geverfd. Geen rommel op
straat. Alle mensen vriendelijk. Goed weer. Geen zieken. Geen
daklozen. Geen hondenpoep. Niks kapot. Geen vogelpoep maar wel
vogels. Geen stickers op de palen of graffiti op de muur. Alle
tuintjes en plantenbakken netjes. De bomen mooi symmetrisch. Alle
vlaggen mooi wapperend en niet half om de stok gerold. Alle
fietsen netjes geparkeerd op de daarvoor bestemde plekken.
Niemand die door rood rijdt. Geen ongelukken. Geen geruzie en
gescheld. Geen blauw op straat (niet nodig). En geen herrie en
geen stank.
Hoe zou dat nou zijn? En wat voor uitwerking zou dat nou op de
mensen hebben? Ik heb er dus al jaren van tijd tot tijd over
gedacht en snap wel dat de bovenstaande beschrijving nooit in
Amsterdam werkelijkheid zal worden, maar dat er misschien wel
iets van een perfect Amsterdam mogelijk is. Misschien heeft
perfectie niks met uiterlijk te maken, of met wegwerkzaamheden,
maar is het alleen maar een gedachte. Of gevoel. Zoiets simpels
als een perfecte cirkel bestaat ook alleen maar in je gedachten.
Laat staan een perfecte stad. Misschien is perfectie wel een
soort gevoel van euforie en naïviteit tegelijk dat elk mens wel
eens heeft, maar dat in Amsterdam bij veel mensen tegelijk voor
een paar dagen aanwezig was eind mei 1995 toen Ajax de Champions
League won en The Rolling Stones naar Paradiso kwamen. Er was
toen een bepaald gevoel in de stad, er hing een bepaald sfeertje,
een soort high. Ik had het en later las ik er over dat meer
mensen dat hadden gehad. Misschien was er die dagen wel een
perfect Amsterdam.
Perfectie is ver van de werkelijkheid zong een vrijwel onbekende
zangeres ooit (maar dan in een andere taal), en zo is het maar
net. Perfectie is ver van de werkelijkheid, en met het uitdijende
heelal (waarin we nou eenmaal vastzitten en waarin alles en
iedereen en zelfs gedachten steeds verder uiteen komen te liggen)
in ons achterhoofd, wordt het gat voorlopig alleen maar groter.
Robert Gesink (31-05-1986, Rabobank) gisteren bij de opening van de Giant Store Amsterdam in de Van Woustraat. Hij zag er gezond uit.
Ik denk nog vaak aan mijn ex-vriendin Joyce.
En soms denk ik dan hoe het is als we weer samen zouden zijn.
Gisterenavond heb ik er zo maar opeens een liedje over gemaakt.
Tot een jaar of vier geleden had ik last van geluidsoverlast van
mijn bovenburen (het waren allemaal vrouwen die daar woonden) en
zij last van mij. Ik had last van hun lopen en stampen en zij
last van mijn muziek, tenminste, dat zeiden ze, en dan vooral één
van hen. En ik denk dat er ook wel sprake was van
geluidsoverlast, want het huis waarin ik nu alweer 18 jaar woon
is oud en door de muren en plafonds heen hoor je bijna alles,
maar ik denk dat het na een paar jaar samenwonen in hetzelfde
huis belangrijker was geworden dat we gewoon een hekel aan elkaar
hadden gekregen. Dan raak je al gauw geïrriteerd als je wat hoort
en ga je je op den duur overal aan storen. Tegenwoordig zijn die
lesbo's opgerot en na een paar maanden absolute rust kwamen er
toen nieuwe mensen (een jong stel) en met die heb ik nergens last
van. Ik hoor ze wel maar stoor me er niet aan. Ik vind ze wel
leuk en dan vooral haar. Ze is wel aardig.
Maar ik wil maar zeggen, overlast kan vele oorzaken hebben en op
vele manieren. Zo heeft de onderbuurvrouw van mijn collega Bor
ook last van geluidsoverlast en wel van zijn hond. Bor heeft een
Engelse bulldog (niet te verwarren met de pitbull), en die snurkt
's nachts. En daar kan die buurvrouw niet van slapen, zegt ze.
Een half jaar geleden is ze met klagen begonnen. Bor en zijn
vrouw kunnen slecht opschieten met die onderbuurvrouw, maar ze
komen elkaar wel eens tegen op de trap natuurlijk, en een half
jaar geleden had Bor toen gezegd "Dat kén niet, buurvrouw, dat u
Diesel hoort. Ik denk dat u mij hoort. Ik snurk nogal". Daarna
hoorde ik hem er niet meer over maar deze week weer wel. Ze had
weer geklaagd en Bor had gezegd "Ik ben 't, buurvrouw, echt! Ik
heb zo'n knijper voor op m'n neus gekocht maar die werkt niet".
Bor vertelde het half lachend, maar serieus zei hij dat Diesel
dus wel behoorlijk snurkt.
De woningbouwvereniging is er ook al van op de hoogte en heeft
Bor een brief gestuurd dat hij er iets aan moest doen. Met Bor
heb ik de situatie in kaart gebracht. Diesel slaapt in een
metalen bench, die met de vlakke bodem op het laminaat staat. Er
zit een deken tussen. Onder het laminaat ligt nog een plavuizen
vloer, en daaronder de gewone houten vloer. Want Bor woont ook in
een oud huis. De bench van Diesel staat niet recht boven de
slaapkamer van die onderbuurvrouw. Ik zei tegen Bor: "Misschien
moet je die bench toch op rubberen pootjes zetten, of randen, of
er wat tussen doen zodat die trillingen van dat snurken gedempt
worden. Dat zou kunnen helpen". Van de ene kant kan ik wel lachen
om Bor maar van de andere kant denk ik dat die onderbuurvrouw ook
best wel wakker kan liggen. Diesel is nog jong maar wel al een
behoorlijk zwaar beest geworden, net als Bor zelf.
Ik zei hem ook dat het misschien toch beter is iets te proberen.
Voor als straks misschien de woningbouwvereniging langskomt of om
van het gezeur af te zijn. En daar zag Bor wel wat in en dus
begonnen we na te denken over wat we er tussen konden stoppen. We
kwamen uit op piepschuim. Tempex noemt Bor dat en hij belde
gelijk een uitvoerder of die nog een plaatje had staan. Zo is Bor
wel, altijd proberen of iets gratis is. En zo kreeg ik dus
vanmorgen een grote plaat in tweeën gezaagd mee bij een werk in
Oost. "Nou, Diesel ken weer een tukkie doen", zei een van de twee
bouwvakkers na het zagen. Vanmiddag heb ik een stuk op maat
gezaagd en hebben we het samen ingepakt in stretchfolie, zodat
Diesel niet aan de tempex gaat knabbelen. Geen idee of het gaat
helpen. Geluid is een raar iets en goede geluidsisolatie een
moeilijke en dure zaak. En misschien is de situatie al zover
geëscaleerd dat dit soort dingen niet meer helpt. Maar wie weet.
Het piepschuim in m'n bus vanmorgen.
"Ja, ik ben weer terug", ik kon het vandaag elk uur wel een
keertje zeggen. En dan daarna meestal uitleggen aan collega's of
klanten hoe het zat: Drie maanden eruit geweest, "ze wilden me
geen vast contract geven", toen al afgesproken dat ik misschien
terug zou komen, vond het eigenlijk niet eens zo vervelend, "had
andere dingen te doen", zij hebben woord gehouden, en ik wilde nu
wel weer. Ik wilde nu wel weer aan het werk bij de groothandel in
ijzerwaren en gereedschap waar ik twee jaar geleden ook begon met
werken. Vanmorgen om half 7 stond ik op. Tien minuten eerder dan
vroeger, voor de zekerheid en voor de poes. Die wil eropuit 's
morgens en die wil lekker eten. Met een héél klein beetje zin en
een beetje buikpijn stapte ik een uurtje later op de fiets. Dat
kleine beetje buikpijn, daar ben ik voor naar de dokter geweest
en dat gaat goedkomen. Ik zit teveel ineengedoken te computeren
volgens de dokter, dat is alles. Schouders naar achteren, borst
naar voren en rug recht, dan komt het wel goed. Vorige week ben
ik eindelijk bij de huisarts langs geweest, en zo heb ik wel meer
dingen kunnen regelen waarvan ik wist dat ik daar straks als
werkende man geen tijd meer voor heb. Je hebt gewoon 10 uur
minder op een dag te besteden, ook dat is werken. Maar ik ben er
dus klaar voor om weer aan de slag te gaan. En met dat héle
kleine beetje zin zit het eigenlijk ook wel goed. Het viel me nog
mee, mezelf kennende.
Afgelopen vrijdag had ik mijn nieuwe arbeidscontract ingevuld en
ingeleverd bij ons dichtstbijzijnde filiaal. Veel verschil met
m'n contract van twee jaar geleden is er niet. Alleen is het nu
voor een jaar, is m'n bruto loon van € 1515 naar € 1594
gegaan, heb ik een vakantiedag minder (van 25 naar 24 per jaar),
en staat er een artikel in dat roken verboden is, ook in de
pauzes en ook "na werktijd in het complex of binnen een straal
van 20 meter van ons terrein". Onze grote baas is een ex-roker,
vandaar. M'n collega Bor is een nog verslaafde roker en hij zat
dan ook lekker te paffen toen ik hem vanmorgen weer zag. "Zo Gee,
ben je d'r weer? Zal wel moeilijk zijn geweest met opstaan. Pak
eerst maar een koffie man." Hij was blij me te zien zo had ik de
indruk. Veel is er niet veranderd in de winkel. Er staat nu een
bak voor lege batterijen en accu's, dat was het wel zo'n beetje.
Ik kreeg nieuwe werkschoenen van Bor. Kleding had ik nog dus nu
was ik weer compleet. Ik hielp m'n eerste twee klanten en was
blij dat ik eigenlijk zonder nadenken nog wist hoe ik een bon
moest maken. Daarna gingen we de auto starten. Onze bus had drie
weken stil gestaan en dus was de accu leeggelopen. Dat doet ie
altijd bij een paar weken niksdoen. Met een andere bus en
startkabels gingen we aan de slag. Volgens Bor ging het er vooral
om dat ik in de bus met de draaiende motor flink gas gaf, en hij
ging dan starten. Volgens mij maakten de startkabels geen goed
contact door vuil op de polen. Het duurde een dik uur wachten en
proberen voor we hem aan de praat hadden.
Maar daarna kon ik dus beginnen met m'n ritjes. Want ik ben nog
steeds de chauffeur natuurlijk. Met m'n nieuwe schoenen, in m'n
oude bus, die ook behoorlijk naar de sigarettenrook stonk. Veel
te rijden was er niet maar ik nam het maar wel serieus. Laat ik,
nu ik toch een nieuwe start moet maken, maar eens netjes gaan
rijden. Niet over de snelheid, goed in de spiegeltjes kijken,
geen aantekeningen maken onderweg, geen ritgegevens invullen,
even een parkeerplaatsje zoeken als de telefoon gaat, geen foto's
maken onder het rijden, niet teveel met de radio pielen en niet
wegdromen. Gewoon normaal gaan rijden dus. Met als doel zo lang
mogelijk schadevrij te blijven dit keer. Zelfs het kleinste
deukje ga ik vermijden, zo lang als het lukt. Vandaag ben ik in
ieder geval geslaagd. In de middag zat ik weer lekker bij Bor in
de winkel en was er nog minder te doen dan voor de vakantie. Maar
we hadden gelukkig wat bij te praten. Ik vertelde nog maar een
keer over m'n vakantie in de bergen en Bor over z'n nieuwste
hobby: het kopen en verkopen van serviesgoed via Marktplaats.
Daar is hij enthousiast en fanatiek mee bezig. Twee uur lang
zaten we over servies te praten vanmiddag. Maar eigenlijk was dat
best gezellig. En eigenlijk waren de meeste klanten en collega's
ook best wel aardig tegen mij vandaag. En eigenlijk viel deze
eerste dag dus best wel mee. Ik heb er zelfs weer een klein
beetje meer zin in gekregen.
Het bericht dat afgelopen maandag in Senegal de Belgische
wielrenner Frank Vandenbroucke is overleden deed me eigenlijk
weinig. Voor mij was VDB, zoals hij door de Belgen liefdevol werd
genoemd, geen grote wielrenner. Voor mij was hij iemand die wat
wedstrijden had gewonnen, in z'n eigen land groter werd geacht
dan hij werkelijk was en vooral een van de renners die met doping
had zitten rotzooien. En ik heb een hekel gekregen aan
wielrenners die in verband worden gebracht met doping. Zij hebben
voor mij het wielrennen verpest, mijn sport verziekt. Vooral zij
zijn er de reden van dat ik niet meer met plezier naar
profwedstrijden op televisie kijk. Omdat er altijd de vraag is
waarnaar je nou zit te kijken. Maar al te vaak zijn er de
afgelopen jaren sterke staaltjes van wielrenners en fantastische
beelden te zien geweest, die dan een tijdje later toch moesten
worden toegeschreven aan verboden middelen in plaats van
doorzettingsvermogen en talent. Het voelde steeds als een
dolksteek in m'n rug en het heeft er toe geleid dat ik vanmiddag
niet naar de Ronde van Lombardije ga kijken, maar lekker in een
tuin ga werken. Ze zoeken het maar uit daar in Lombardije.
Over doping in de wielersport kunnen wij buitenstaanders
eigenlijk niet oordelen want wij weten niet precies wat er nou
gebeurt in dat wereldje. En dat ligt aan de renners zelf, de
ploegleiders, de dokters, en iedereen eromheen die het wel weet.
Maar die er niet over praat want in het wielerwereldje geldt de
afspraak dat daar niet over gepraat wordt. Ook de onlangs gepakte
Thomas Dekker hield zijn mond in de paar interviews die hij gaf.
En hij werd door de interviewers Mart Smeets en Wilfried de Jong
nauwelijks kritisch ondervraagd. "Je hebt iets stoms gedaan", zei
Mart Smeets, en "natuurlijk verdient hij een tweede kans". Van
Wilfried de Jong mocht hij in Italië in zijn Ferrari blijven
rijden. En alletwee hopen ze dat hij na een schorsing van twee
jaar terugkeert in het peloton en dan laat zien dat hij ook
zonder doping mee kan komen en wedstrijden kan winnen.
Van mij hoeft Thomas Dekker niet terug te komen. Hij heeft niet
iets stoms maar iets slechts gedaan. In het normale leven
verdient iedereen een tweede kans na een begane misstap, en zelfs
een derde en vierde, maar het wielerwereldje is niet het normale
leven of de echte wereld. Het wielerwereldje is een besloten
groep en daar gelden andere regels. Soms strenger dan in de echte
wereld, soms minder streng. Dat wielrenners soms klagen dat ze
nog minder rechten hebben dan misdadigers is iets dat bij mij
geen hout snijdt. Dat hebben ze aan zichzelf te danken door het
continue dopinggebruik. In elke vereniging of club of besloten
groep is vertrouwen een groot goed, en dat vertrouwen hebben ze
wat mij betreft verspeeld. Ik zou wel eens willen weten hoelang u
thuis gezellig met een gezelschapsspelletje doorgaat als er
iemand vals zit te spelen danwel gedrogeerd aan tafel zit. Niet
lang denk ik.
Thomas Dekker probeerde het wielerpubliek en z'n collega's die
wel schoon rijden te flessen door epo te gebruiken. En daarna
hoopte hij dat het niet gevonden zou worden of door vormfouten
niet bestraft zou worden. Pas nadat de contra-expertise van zijn
urinestaal ook positief was bevonden gaf Dekker gebruik toe.
Mocht dat door vormfouten of ander geknoei niet gebeurd zijn, dan
had hij volgehouden onschuldig te zijn en gewoon doorgefietst. En
had waarschijnlijk heel wielerminnend Nederland achter hem
blijven staan. De redenering 'niet gepakt dus onschuldig' gaat
wat mij betreft niet langer op. Renners die de schijn tegen
hebben moeten zelf maar met bewijs komen dat ze schoon rijden. En
moeten eerlijk zijn en openheid van zaken geven. En wie gepakt
wordt moet een langere schorsing krijgen dan twee jaar. Om een
voorbeeld te stellen voor andere renners en het goede voorbeeld
te geven aan de jeugd.
Terug naar Frank Vandenbroucke. Z'n dood doet me weinig maar toch
wel iets. Want hij was ook een mens dat gewoon iets van z'n leven
trachtte te maken. Misschien is hij wel tegen de verkeerde mensen
aangelopen in de wielerwereld en dat is dan ook een wereld waarin
je heel eenzaam kan zijn als je er niet meer helemaal bijhoort.
Hij heeft een paar (semi-) klassiekers gewonnen en andere prijzen
in meerdaagse wedstrijden. 1999 was z'n beste jaar met een
overwinning in Luik-Bastenaken-Luik. In 2002 werd er tijdens een
huiszoeking doping aangetroffen in z'n huis. Hij testte zelf
negatief en verklaarde dat de doping voor z'n hond was. Later zou
hij in zijn boek 'Ik ben God niet' amfetaminegebruik toegeven. De
rechtzaak over de gevonden middelen in zijn huis is volgens mij
nog steeds niet afgelopen, maar na 1999 ging het wel bergafwaarts
met VDB. Hij ging slechter rijden, won nog weinig aansprekends,
werd depressief, had mislukte liefdes en deed zelfmoordpogingen.
Hij reed bijna elk jaar voor een andere ploeg en probeerde steeds
weer tevergeefs een comeback te maken. Ook net voor zijn dood was
hij weer bezig om terug te keren. Hij overleed afgelopen maandag
op 34-jarige leeftijd onder nog niet opgehelderde omstandigheden
in een herberg in Saly aan de Senegalese kust. Voor de Belgen
bleef hij altijd de grote belofte, voor mij is hij een triest
geval.
Frank Vandenbroucke.
Het is nu een half jaar geleden dat mijn ex-vrouw doodging en ik
moet zeggen, ik denk nu meer aan haar dan toen ze nog leefde.
Vorige maand heb ik samen met onze zoon haar as opgehaald bij een
begraafplaats in Oost. Mark had alles geregeld en ook bij de
begraafplaats handelde hij de formaliteiten af. Hij leverde een
formulier in en zette zijn handtekening. Op de terugweg op de
fiets droeg ik de lange koker in de sjieke papieren tas. We
praatten weinig op de terugweg en niet over haar. 18 jaar eerder
kwam ik met haar terug uit Oost naar hetzelfde huis als waar ik
nu nog steeds woon. Toen had zij haar netgeboren zoon in haar
armen. Nu kwam ik met hem terug en had ik de as van z'n moeder
onder mijn arm. 18 jaar. Onze zoon is volwassen geworden. Zij is
er niet meer.
Zijn moeder heeft het dus net niet meer meegemaakt dat hij
volwassen is geworden. Ik denk dat dat veel voor haar betekend
had, meer dan voor mij. Zij gaf ook meer om hem dan ik volgens
mij, zij hield meer van hem. Ik denk omdat zij moeder was en ik
vader.
In april 2008, een jaar voordat ze doodging kwam ik haar tegen
langs een vaart in Zuid. Zij was aan het wandelen en ik fietste
naar huis na mijn werk. Ze zag er moe uit en was toen al ziek,
maar of ze wist dat die ziekte haar dood zou gaan worden weet ik
niet. We leefden toen al lang niet meer samen en ik zag haar
bijna nooit. Ik stopte en we praatten wat. Ze zei dat het niet
goed met haar ging en dat ze erg depressief was. Ze had ook een
epileptische aanval gehad en de dokters wisten niet of dat ermee
te maken had dat ze ziek was. "Help je Mark een beetje?", vroeg
ze me. "Hij wil automonteur worden of de logistiek in. Hij wil
geen ICT meer doen." Zo was ze altijd met de toekomst van Mark
bezig. Meer dan ik dat was. Ze zei ook dat ze in juli
waarschijnlijk drie weken op vakantie zou gaan. Zodat ik dat wist
en we wat af konden spreken over Mark. Maar in juli ging het niet
goed met haar en begin augustus werd ze opgenomen in het
ziekenhuis voor een zware operatie. Later, in september, is ze
toen alsnog op vakantie gegaan naar haar moederland Slovenië. En
ze heeft er een fijne vakantie gehad. Voor het laatst haar
familie en vrienden daar gezien en haar mooie land. Met Oud en
Nieuw lag ze weer in het ziekenhuis en in 2009 ging het
geleidelijk aan steeds slechter met haar. En een half jaar
geleden ging ze dus dood.
"Help je Mark een beetje?", vroeg ze. Ja, dat doe ik wel. Precies
dat. Een beetje. Het meeste moet hij zelf doen. Ook daar is hij
volwassen voor geworden. En dat kan hij ook wel. Dat hebben we
hem toch maar mooi geleerd in die 18 jaar.
Ik heb Mark altijd opgevoed met in mijn achterhoofd de wetenschap
dat hij ook een moeder heeft. Ik heb geprobeerd geen dingen te
doen waar zij het niet mee eens was. En zeker geen grote
beslissingen genomen die zij niet wou. In Nederland is een kind
als het geboren wordt van zijn ouders, en voeden zij het op.
Later wordt dat dan ook een beetje gedaan door de school, en de
voetbaltrainer, en de maatschappij, en de rest van de familie zou
het ook wel willen. En weer later doet hij het ook een beetje
zelf, maar al die tijd blijft het een kind van zijn ouders. Ook
al zijn ze soms niet meer samen of denken ze niet meer aan
elkaar. Het kind blijft van alletwee. Ook bij de dingen die ik nu
nog voor hem moet beslissen en het kleine beetje opvoeden dat ik
nog doe houd ik haar, zijn moeder, in mijn gedachten. Ook al is
ze er niet meer.
Moeder en zoon in 2001.
Na m'n vrij goede koers van twee weken geleden had ik eens na
zitten denken hoe ik nou het beste naar een plek in de top 10 zou
kunnen rijden. Dat leek me aan het eind van dit seizoen wel het
hoogst haalbare, top 10. Voor vorige week had ik een plan gemaakt
(dat dus niet door ging door een tak in m'n wiel): Ik moet óf met
een klein groepje wegrijden (let op het breken van het peloton,
zeker met wind!), óf in de laatste ronde, op 800 meter van de
meet, net voor het viaduct, van een meter of 15 achter de kop
demarreren, dan bij het begin van het klimmetje langs de voorsten
van de groep komen, en met meer snelheid naar boven rijden. Zij
zullen niet zo snel kunnen accelereren en ik heb voorsprong boven
op het viaduct, en dan knallen naar beneden en naar de
eindstreep. Eén keer in m'n leven eens echt alles eruitpersen. Er
zullen me er nog zat voorbij sprinten, maar niet meer dan 15. En
met een beetje geluk heb je dan top 10 in de uitslag. Onderweg
niet met tussensprints meedoen. Krachten sparen voor op het
eind.
Omdat het vorige week anders liep was dit het plan voor vandaag
geworden. Vanmiddag was de laatste reguliere wedstrijd van dit
seizoen. Morgen is er op de wielerbaan van Sloten nog een
koppelkoers en afsluitende rit in lijn maar vandaag dus de
laatste zaterdagrit voor de trimmers. Er kwamen er maar 25 aan
het vertrek, bijna allemaal vaste deelnemers en geen vrouwen.
Vier premiesprints voor geld onder- weg en geen geld voor de
eindklassering, maar wel tien bekers dit keer. Dat kwam dus mooi
uit. Een reden extra om bij de eerste tien te zitten. Het weer
was nog prima: droog en zelfs een beetje zon, 15 graden en een
matige wind. Ik startte met rugnummer 2 en het werd een levendige
wedstrijd met veel tempowisselingen en uitlooppogingen. Zelf deed
ik geen echte pogingen om weg te geraken, maar wel zat ik soms op
kop en deed ik m'n werk. Ik merkte dat ik niet m'n beste dag had.
Op de momenten dat het hard ging kon ik maar met moeite het wiel
van m'n voorganger houden en het was alleen te danken aan het
snel weer terugzakken van het tempo dat ik bij het peloton kon
blijven.
Op het einde van de zesde ronde verloor ik m'n kilometerteller
toen ik hem schoon wou vegen om te kijken hoever we al waren. De
rest van de rit reed ik dus zonder. Aan de premiesprints deed ik
netjes niet mee, en ik zorgde er voor dat ik in ieder geval
steeds in het peloton of de voorste groep zat. De laatste
tussensprint was na 40 km en toen was er gelijk het bord met de
6. Toen wist ik weer hoever we in de koers zaten en hoever het
nog was. Ook in de laatste ronden werd er weer veel gedemarreerd.
Een van degenen die het probeerde was Leon, die ik een beetje ken
en die een geslaagde uitlooppoging wel verdient. Ik hielp dus
niet om dit gat dicht te rijden en reed alleen maar mee op
vierde, vijfde positie van het peloton. Dat spaarde bij mij
krachten. Met nog vier ronden te gaan begon het toch te regenen,
maar nat en bemodderd waren we toen allemaal toch al door
opspattende druppels van onze bandjes, dus dat deed ons
weinig.
Het gat naar Leon werd dichtgereden en na dik één uur en 20
minuten begonnen we aan onze laatste ronde met een peloton dat
was uitgedund naar een man of 18. Ik had het niet gemerkt maar er
moeten er onderweg toch een aantal zijn afgevallen. Ook in de
laatste ronde werd er niet superhard gekoerst en ik kwam bij de
eersten van het peloton de bocht om naar het viaduct toe. Hier
had ik dus moeten demarreren maar ik deed het niet. Het ging nu
al behoorlijk hard en ik zat goed gepositioneerd dus waarom zou
ik? En veel over had ik ook niet meer. Met de voorsten kwam ik
boven en rond de vijfde positie begon ik aan de afdaling en de
laatste 700 meter. Een renner nam voorsprong en daarachter begon
iedereen op gang te komen. In de laatste bocht kwamen ze links
langs me heen en op het 200 meter lange rechte eind probeerde ik
wat ik kon maar een paar renners inhalen lukte me niet. Ik reed
voor wat ik waard was, maar niet het snot voor de ogen. Dat ging
gewoon niet.
Na de streep telde ik een man of 15 voor me. Tegenvallende
laatste wedstrijd dus. Ik reed een ronde uit en begon al te
denken waarom ik nou toch niet ietsje meer had kunnen geven in
die laatste kilometer. Ik vond m'n kilometerteller vlakbij de
grasrand terug en die was nog goed. In de kantine las ik de
uitslag. 12de geworden. Geen beker dus en geen top 10. En voor
altijd die gedachte of ik nou toch niet had moeten demarreren.
Het was zo'n mooi plan. Waarom deed ik dat nou niet?
Het klimmetje naar het viaduct. Heel kort en vrij steil. (Foto Dolly vd Laan)
Maandag 19 oktober mag ik voor de tweede keer aan de slag bij de
groothandel in ijzerwaren en gereedschap waar ik de afgelopen
twee jaar ook al werkte. Vanmiddag heb ik de bedrijfsleider
gebeld en hebben we de afspraak gemaakt. Ik had gerekend op een
week eerder maar dat kon niet. Hij gaat me een
arbeidsovereenkomst sturen en een sollicitatieformulier (dat moet
officieel), en als dat dan weer ondertekend terug is op zijn
kantoor kan ik beginnen. In dezelfde winkel, bij dezelfde
collega, met hetzelfde werk voor hetzelfde loon voor voorlopig
een jaar. Ik ben er redelijk blij mee. Het geeft weer even
zekerheid. En over alle minder leuke kanten die eraan kleven denk
ik maar: 'Het is niet anders. En helemaal geen werk zou een stuk
beroerder voor je geweest zijn Theo. Zie de zonnige kant er nou
maar van in en leef verder een vrolijk en gelukkig leven'. Tot en
met 13 oktober krijg ik een WW-uitkering. Ik zat gelijk te denken
of ik nou voor die vijf dagen een bijstandsuitkering moet
aanvragen. Het is wel zo'n honderdvijftig euro schat ik. En geld
is geld. En de Belastingdienst vraagt mij ook honderdvijftig euro
zorgtoeslag terug, van een jaar geleden. Die lui zeggen ook niet
'al die rompslomp, laat maar zitten jongen'. Maar ik denk dat ik
het maar niet ga doen. Ik zal een aantal jaren geleden wel ergens
geschreven hebben dat ik nooit meer in de bijstand ga, en laat ik
me nu maar aan die belofte houden. Ik breek al genoeg beloftes.
Ik meld me volgende week gewoon af bij het UWV en hoop dat dan
alles weer geregeld is met die club.
Ik heb dus nog een dag of tien om vanalles te regelen waar ik
straks geen tijd meer voor heb. Want dat weet ik nog uit m'n
vorige full-time arbeidsperiode: het kost een hoop tijd, dat
werken. Ik ben deze week langs de tandarts geweest en morgen ga
ik naar de huisarts voor m'n
maag. Ik heb er bijna geen last meer van maar helemaal weg is
het ook nog niet. Het blijft gevoelig als ik er op druk, net
onder m'n borstkas. Deze week heb ik voor het laatst getraind
voor m'n carrière als wielrenner. Zaterdag heb ik m'n laatste
wedstrijd op Sloten en daarna ben ik dan weer gewoon
wielertoerist. Dan hoef ik alleen nog maar te rijden als het
zonnetje schijnt en ik er zin in heb. Vanmorgen de laatste
training: langs Uithoorn naar Nieuwkoop en dezelfde weg terug. 60
km en 32 gemiddeld. Niet op m'n allerhardst gereden, en geen
interval of sprintjes onderweg, gewoon vlak gereden zoals ik dat
tot dit jaar altijd deed. Maar wel goed getraind, dacht ik na
afloop in de keuken. Morgen m'n fiets nog één keer schoonmaken en
dan zaterdag hopen op een mooie wedstrijd. Dan is dat ook weer
voorbij. Het tussenmuurtje
in onze huiskamer is bijna af, ik moet nog een rekening betalen
voor m'n overleden ex, m'n bank bellen, een foto bestellen en nog
wat andere dingetjes doen, maar daar heb ik dan nog de hele
volgende week voor. En als ik dan aan het einde van die week dat
allemaal gedaan heb, dan kan ik zeggen dat ik die drie maanden
recessieverlof toch goed besteed heb en heelhuids ben
doorgekomen. En dan kan ik weer gaan meedraaien.
Ik voelde me weer eens ouderwets slecht eind vorige week.
Woensdag kreeg ik een mail van m'n oude werkgever, maar niet de
mail waarop ik zat te wachten. "Leuk dat we weer eens van je
horen, volgende week krijg je een inhoudelijke reactie", kreeg ik
te lezen. Dat gaf me het gevoel dat het nog helemaal niet zo
zeker was dat ze me terugwilden, en dat ik m'n oude baantje weer
terug zou gaan krijgen. Ik voelde me slechter dan ooit toen ik
vrijdag een brief kreeg van de Belastingdienst. Ik moet 1800 euro
huurtoeslag terugbetalen over 2008. Dat was me vorig jaar ook al
overkomen, maar ik dacht dat het dit jaar minder zou zijn. Niet
dus. Ik moet nu alles wat ik gekregen heb terugbetalen, en ook
nog 150 euro zorgtoeslag.
Ik voelde me vrijdagavond zo slecht dat ik niet eens zin had om
er een stukje over te schrijven. Ik ging voor het eerst sinds
lang maar weer eens in het donker over de straten lopen, gewoon
om niet thuis te hoeven zijn. In m'n lange zwarte zwerversjas, in
het donker. Hopen dat zo min mogelijk mensen me zouden zien. En
dat niemand me aansprak. Langs m'n auto, om het park, langs de
Amstel, terug naar huis. De avond opmaken. Mark had die avond een
soort verjaardagfeestje met z'n vrienden. Daar wou ik dus ook
niet bijzijn. Ik ben maar vroeg naar m'n nest gegaan. Te moe om
nog meer te lopen en ook geen zin meer om nog langer buiten te
zijn. Met een kopje thee en twee pakken koek heb ik me
teruggetrokken.
De problemen met de Belastingdienst zijn eigenlijk m'n eigen
schuld. Ze gaan uit van een toetsingsinkomen en stellen aan de
hand daarvan de voorlopige toeslagen vast, en controleren dat
twee jaar later met het echte inkomen (dat ze dan ook
toetsingsinkomen noemen). Mijn toetsingsinkomen was voor vorig
jaar € 14.210, en dat zal nog wel uit de tijd zijn dat ik
een bijstandsuitkering kreeg. M'n echte inkomen was €
21.492, en dat zit net boven de huurtoeslaggrens voor een
alleenstaande. De Belastingdienst past het toetsingsinkomen om de
hoogte van een toeslag vast te stellen niet zelf aan, hoorde ik
toen ik met ze belde om informatie. Dat moet je zelf doorgeven.
En dat heb ik de afgelopen jaren dus niet gedaan. Ik had daar
geen kijk op en snapte weinig van m'n loonstrookje. Bruto en
netto en zo.
Ik kan het wel betalen, die kleine 2000 euro, van spaargeld, maar
voor het eerst in m'n leven dacht ik eind vorige week wat ik al
m'n hele leven hoor: dat je er niks mee opschiet als je gaat
werken. Dat je er financieel niet beter van wordt. En ik begon me
zorgen te maken of ik het wel ga redden met het geld, als ik
straks geen werk meer heb. Ook voor dit jaar krijg ik weer teveel
huur- en zorgtoeslag, en dat moet ik dan volgend jaar
terugbetalen. De armoedeval noemen ze dat geloof ik. Dat je het
extra inkomen van een baan weer kwijtraakt aan verminderde
toeslagen en afgelopen ontheffingen en kwijtscheldingen. Dat
spaargeld is net zo'n beetje die huurtoeslag. En dat ben ik
straks dus weer kwijt en dan schiet ik met dat hele werken dus
niks op. Financieel gezien. En dat terwijl ik super zuinig
leef.
M'n zoon Mark woont nu weer bij me en dat kost ook geld. Hij is
niet zo zuinig. Maar ik wil hem niet vragen om mee te betalen aan
het huishouden. Hij is net een week 18, hij zit goed in z'n vel,
als ik het zo zie, en dat is me ook wat waard. Hij zal nog wel
genoeg moeten betalen in z'n leven, daar wil ik hem nu nog niet
teveel mee lastigvallen. Hij betaalt voorlopig alleen z'n eigen
zorgpremie. Geleidelijk aan zal hij ook moeten gaan meebetalen
aan huur, telefoon, electra, gas, boilerhuur,
gemeentebelastingen, watergeld, internet, televisie,
verzekeringen en kattenvoer. Maar voorlopig wil ik hem met al die
shit dus nog maar niet teveel lastigvallen. Hij is net een week
18. Zolang het niet nodig is mag hij zijn eigen geld uitgeven aan
zijn eigen dingen.
Afgelopen zaterdag kreeg ik heel vroeg weer een mailtje van de
personeelsmanager van m'n oude bedrijf: "Ik ben voornemens je
wederom in dienst te willen nemen, tegen dezelfde voorwaarden,
voor in eerste instantie een periode van een jaar. Ik neem aan
dat je hierover net zo verheugd als ik, laten we van de week even
contact hebben met elkaar om e.e.a. af te stemmen." Ja, daar was
ik wel blij mee zo vroeg op de zaterdagmorgen, na die slechte
vrijdagavond. Het idee dat je van werken niet rijk wordt blijft
en echt veel zin in die baan heb ik niet, maar het betekent wel
dat ik me niet zoveel zorgen meer hoef te maken over geld. Je kan
er wel van rondkomen, van dat salaris van 1300 netto. En dan
straks in december m'n toetsingsinkomen wijzigen bij de
Belastingdienst, dan hoef ik in 2011 niks meer terug te betalen,
en dan ben ik ook van m'n spaargeld af en dan is alles weer
normaal.
"Zaterdag gaat er mogelijk een zuidwester storm opsteken", hoorde
ik woensdag jl. al op het Radio 1-journaal. Ik was dus
gewaarschuwd en heb me twee dagen kunnen voorbereiden op de koers
van vandaag. Rijden met wind betekent dat het moeilijker zal zijn
gaten dicht te rijden. Een van de belangrijkste dingen zal worden
om erbij te zitten als het peloton in twee stukken breekt. Ik
moet dus goed voorin meekoersen en niet zitten slapen als de
beslissing valt. Dat zat ik zo'n beetje te denken en te plannen
op de donderdag en de vrijdag. En verder zat ik te hopen op niet
té slecht weer. Wind is zo erg nog niet, storm is vervelender,
maar regen en nattigheid is pas echt vervelend. Zeker als je met
een bril in het peloton rijdt op een natte weg. Gelukkig bleef
het droog vandaag, en viel het met die storm eigenlijk ook wel
mee. Er stond wind maar nog geen storm op het wielercircuit van
Sloten vanmiddag.
Ik schreef in en kreeg rugnummer 1. Voor de verandering heb ik
het vandaag maar gehouden. Wat maakt het uit? Als ik er niet mee
rijd krijgt een andere kneus het. Maar in de kleedkamer hoorde ik
al gelijk juist dat waarom ik er liever niet mee rijd: "Dat
schept wel verwachtingen hè". Nou ja, misschien zou het me wel
helpen om vandaag eens goed door te trappen. Ik stond aan de
start met 40 andere coureurs. Geen vrouwen ditmaal en geen
premiesprints. "Gewoon lekker rijden", zei de vaste speaker
André, "een uur en zes ronden, jullie kunnen gaan." En het werd
inderdaad een wedstrijd met veel pogingen tot ontsnappen. Na een
rustige eerste ronde sprongen er in de tweede al vijf man weg, en
die werden pas na vier ronden chaotisch en slecht georganiseerd
achtervolgen met veel geschreeuw weer teruggepakt. Ik draaide
hierbij goed mee voorin en nam netjes over, reed niet idioot hard
op kop en demarreerde niet.
Na deze eerste poging bleef het onrustig in de kop en bleven
mensen proberen weg te komen. Ik zat steeds in het voorste deel
van het peloton en ging soms met renners mee, reed soms een
gaatje dicht. Na 25 km merkte ik dat die beloofde storm toch
begon op te steken. Er gingen takjes van de bomen vallen en in
het peloton werd gewaarschuuwd voor grote takken op de baan. Twee
ronden later kreeg ik zo'n grote tak in m'n fiets. Ik zag niet
precies waar die vast zat, maar m'n fiets werd er wel helemaal
door afgeremd. Links en rechts kreeg ik de hele groep langs me
heen. En gelukkig maar dat ze allemaal langs me heen reden en
niemand tegen me aan. Dan was ik verder van huis geweest. Nu
hoefde ik alleen te stoppen om die tak uit m'n crank te halen, te
controleren of m'n fiets weer soepel liep en een ronde te wachten
op de doorkomst van de rest. Om in m'n eentje een gat van 300
meter dicht te rijden heb ik niet eens overwogen.
In Sloten mag je gewoon weer aansluiten, maar voor de eindprijzen
doe je dan natuurlijk niet meer mee. En ik wou me verder ook niet
met de wedstrijd bemoeien, want je ligt dus een ronde achter. In
de ronde dat ik langs de kant stond waren er drie man tussenuit
gesprongen en die werden uiteindelijk niet meer teruggepakt. Ik
reed nog anderhalve ronde voluit mee met een groepje van vier
maar we kwamen niet bij de kopgroep en werden na twee ronden weer
opgenomen in het peloton. Ik stond vervolgens nog een ronde stil
omdat ik het idee had dat m'n fiets toch niet soepel liep en er
nog steeds wat aanliep, en ik geen risico wou lopen dat er iets
kapot ging of dat ik gewoon te zwaar moest trappen. Ik had al een
ronde achterstand en nu werden dat er twee. De laatste vier
ronden reed ik achterin het peloton de wedstrijd uit. Meegesprint
heb ik niet. De kopgroep finishte uiteindelijk met meer dan een
minuut voorsprong. De wind had z'n werk gedaan.


