
Saint Joseph: A Hidden Life from "Who Cares About The Saints?" with Fr. James Martin, S.J.
Let James Martin, S.J. author of "My Life with the Saints," introduce you to his favorite saints in the exciting new DVD Who Cares about the Saints? Loyola Productions proudly releases this DVD which combines Fr. Martins lively commentary along with dramatic photos and artwork that brings to life the lives of the saints.
The DVD features twelve 6-10 minute chapters on the lives of Dorothy Day, Thomas Merton, Joan of Arc, Francis of Assisi, Mother Teresa, Ignatius Loyola, Bernadette Soubirous, Pope John XXIII, Therese of Liseux, Joseph, Peter, and Mary, Mother of Jesus. The DVD also includes insights from Fr. Martin on how to use the saints today.
See more clips or buy the DVD at http://www.LoyolaProductions.com
ZONHOVEN/GENK - De kapelaan van Boxbergheide, Kris Bleyen (37), is op vrijdag 29 januari 2010 omgekomen bij een ongeval op de E314 in Zonhoven. Het tragische ongeval gebeurde vrijdagavond rond 22.30uur in Zonhoven op de afrit Park Midden-Limburg van de E314. De jonge priester kwam uit de richting van Lummen en ging op de afrit uit de bocht waarop zijn Ford Fiësta verschillende keren over de kop ging. Hij werd daarbij uit zijn auto geslingerd. De brandweerkorpsen van Heusden-Zolder en Hasselt kwamen nog ter plaatse, maar de geestelijke was op slag dood.
Voor de parochiewerking in de Genkse wijk Boxbergheide is het verlies van Kris Bleyen, die er zes jaar als kapelaan werkte, een erg zware klap. ‘Kris was hier heel actief', zegt pastoor Jan Oosterbos. ‘Hij zou zondag nog een doopsel toedienen in Winterslag. Hij begeleidde hier onder meer de misdienaars, was betrokken bij de verloofdenwerking, gaf catechese aan de vormelingen, begeleidde ook de eerste-communicanten en zette zich in voor de gepensioneerden.’ Volgens de pastoor kwam Kris Bleyen vrijdagavond terug van een bezoek aan kennissen in Beringen.
Ook de Genkse deken Jaak Hermans is er het hart van in. ‘We zijn allemaal verslagen door het droeve nieuws', zegt hij. ‘Met Kris verliezen we een dynamische, blije en enthousiaste priester. Hij zette zich ook in voor de decanale werking. Kris werkte eerst in Beringen en daarna in het Sint-Jansziekenhuis in Genk. Ik had een erg goede relatie met hem. Het is niet te geloven. Donderdagavond heb ik hem nog met hem vergaderd. Dit verlies doet echt heel veel pijn. Kris zal moeilijk te vervangen zijn, ook al omdat er zo weinig roepingen zijn.'
Kapelaan Kris Bleyen laat zijn vader na en één broer en één zus.
Kris Bleyen
Klik hier en schrijf uw bericht:
Kris werd geboren te Lommel op 17 maart 1972 en aldaar tot priester gewijd op 2 juli 2000.Werkzaam als geestelijke van het Bisdom Hasselt; in de Federatie Genk – West; kapelaan in de parochie Boxbergheide.
De uitvaart was in de parochiekerk Sint Jan Baptist de La Salla, Sint Jan Baptistplein, Boxbergheide/Genk op vrijdag 5 februari 2010 om 10.30 uur, waarna crematie in het crematorium te Hasselt plaatsvond. Bijzetting in het columbarium op de stedelijke begraafplaats te Lommel-Centrum. De avondwake was in voornoemde kerk op donderdagavond 4 februari 2010 om 18.30 uur en op woensdagavond 3 februari 2010 om 19.00 uur in de parochiekerk St. Pietersbanden te Lommel - Centrum. Uitvaartonderneming en contactadres: "Bammens Deborre Begrafenissen", Oostlaan 56, 3600 Genk, Tel: 089355336 (vgl. bron http://www.inmemoriam.be/nl/2010-01-29/kris-bleyen/).
Ik heb Kris leren kennen tijdens een drie-weekse stage in Lourdes. We deelden een logeerkamer in het 'Maison de Chapelains', gelegen naast de Heiligdommen van de Grot.
Door het sterven van kapelaan Bleyen is een bijzondere priester en tevens vrome priester ontrokken aan de strijdende Kerk. Moge Kris nu rusten in de Vrede des Heren.
Pastoor Geudens
Spotlied op de drinkvereniging Hermenieke van Bergeijk
lied, harmonie, carnaval, bergeijk, hermenieke
't Hèrmenieke van Bergeijk
door Harrie Franken
Men tast nog steeds in het duister omtrent de maker(s) van 't
Hèrmenieke van Bergeyk en waarschijnlijk zal (zullen) die wel
nooit meer bekend worden.
Men nam lange tijd aan, dat het lied in het begin van deze eeuw gemaakt was door de Bergeijkse schoolmeester Aarts. Volgens zijn zoon, drs. Jos Aarts (1903) te Tilburg, heeft hij het lied zeer zeker niet gemaakt. Hij herinnerde zich, dat hij zijn vader vaak over het lied had horen praten en dat hij niet wist wie dat toch gemaakt kon hebben. Ook bij de neven van zijn vader was het lied bekend. Zij waren al vóór 1900 priester gewijd en hadden gestudeerd op seminarie Beekvliet te Sint-Michielsgestel, waar het lied volgens hen al gezongen werd.
Emeritus-pastoor Rijken bevestigde mij, dat het lied inderdaad op het seminarie bekend was. Het gebeurde tijdens de gemeenschappelijke wandelingen, die op dergelijke scholen gebruikelijk waren, dat men vaak 't Hèrmenieke van Bergeijk zong. Pastoor Rijkens studententijd was tussen 1916 en 1928. Het lied was naar zijn zeggen toen al volop gekend. In Bergeyk hoorde men ook wel eens vertellen, dat het lied in de dertiger jaren door studenten, die Bergeijk toen bezochten, was gemaakt.
Drs. Alb. Smulders, die in de vijftiger jaren arts was in Bergeijk en tot de groep studenten behoorde waarvan hierboven sprake was, vertelde me, dat er in 1934 te Bergeijk een werkkamp was van het Brabants studentengilde. Daar was ook een zekere Dr. P.C. Brouwer bij, die toen 60 jaar oud was en afkomstig was van het al genoemde seminarie te Sint-Michielsgestel. Hij zong tijdens het kamp 't Hèrmenieke van Bergeijk, maar kende helaas nog maar één strofe. De andere nu nog bekende strofen (van de pastoor, de koster, de dokter en het raadhuis) werden toen bijgedicht, gebaseerd op enkele fragmenten die nog bekend waren.
Dr. P.C. Brouwer kende het lied nog uit zijn studententijd, die dus vóór 1900 heeft gelegen. De oudste bundel, waarin (voor zover ik heb kunnen nagaan) het lied voorkomt is 'Zing', in 1955 door uitgeverij 'Gesto' te Alkmaar uitgegeven. Tijdens mijn zoektocht in Alkmaar bleek al gauw dat de firma Gesto niet meer bestond. Dankzij een vriendelijke mijnheer op het stadhuis kwam ik te weten, dat de voormalige uitgever, een zekere Van Gemert, in Bergen (N.H.) woonde. Het viel me op dat de samensteller van de bundel ook een Van Gemert was, namelijk L van Gemert O.F.M., een Franciscaan dus. De twee bleken neven te zijn. De samen-steller van de bundel was reeds jaren dood, maar de uitgever wist zich te herinneren, dat zijn vader, die in Den Bosch woonde, rond 1900 liedjes 'uit de hei' opschreef. Toen de twee Van Gemerts de eerste bundel 'Zing' samenstelden, hadden ze het lied van 't Hèrmenieke uit de nalatenschap van deze optekenaar overgenomen. De uitgever wist nog te vermelden, dat zijn neef L. van Gemert heel actief was in de jeugdbeweging, en dat daar indertijd het lied ook al gezongen werd.
Naar aanleiding daarvan informeerde ik bij oudere mensen in Bergeijk die het lied kenden, of ze wisten waar of wanneer ze het lied van 't Hèrmenieke hadden geleerd. Ze moesten het antwoord schuldig blijven, terwijl ze van andere liedjes nog goed wisten dat ze die bv. op school hadden geleerd.
De eerste harmonie van Bergeijk is opgericht in 1845 (zie J.W.C. Aarts en Johan Biemans; 't Hermenieke van Bergeijk, 1845-1863, Bergeijk 1977). Ze bestond maar kort, tot 1864. Het was een echte drinkharmonie. Vanaf 1848 werd er door deze vereniging, die zich 'De Harmonie' noemde, elk jaar een ton bier aan de gemeenschap geschonken. Dit zou het drinkliedkarakter van het lied kunnen verklaren. Volgens sommigen zou de componist van het lied de musicus Fleerakkers zijn geweest, de dirigent van de tweede vereniging, die op het einde van 19e eeuw werd opgericht. De 'geaardheid' van de dorpsmensen uit die tijd doet het echter niet waarschijnlijk lijken, dat het lied in het dorp zelf bedacht is. Men maakte geen spotlied (zij het op lichte toon) op een vereniging waar men waarschijnlijk trots op was.
Gezien al deze gegevens lijkt het mij het meest aannemelijk, dat het lied in de tweede helft van de vorige eeuw (1850 - 1860) ontstaan is buiten de gemeente Bergeijk. Als het lied in Bergeijk ontstaan was, zou dat zeker bij de familie Aarts bekend zijn geweest; de vader van de eerder genoemde schoolmeester was namelijk medeoprichter van de 'Harmonie' in 1845. De 'Aartsen' waren muzikaal en hadden grote interesse voor het dorp en zijn geschiedenis.
De makers moet men zoeken bij de studenten van Beekvliet (Klein seminarie) of Haaren (Groot seminarie); er zijn daar namelijk steeds Bergeijkse studenten geweest. Zij zouden een spotlied hebben gemaakt op de harmonie van omstreeks 1850 die, zoals gezegd, bekend stond als de 'drinkvereniging'. Dat zou ook het licht spottend karakter van het lied verklaren. Vooral het refrein is studentikoos. Kyrië zinspeelt op de in Bergeijk en omgeving bekende kabouterkoning Kyrië. Erg ludiek is de vondst Kyrië eleïson op het eind van het refrein: Heer, erbarm u, welbekend uit de kerkelijke gezangen. Ook dit 'kerkelijk' element zou erop kunnen wijzen, dat het lied ontstaan is in de kring van seminaristen. Dat het lied vooral in studentenkringen populair was, bewijst ook de gestencilde liedbundel van de studenten te Tilburg (1953), uitgegeven ter gelegenheid van een lustrum. De algemeen gekende versie van het lied laat ik hier volgen.
't Hèrmenieke van
Bergeijk
(klik op afbeelding voor de
muziek)
't Hèrmenieke van
Bergeijk
't hèrmenieke van Bergeijk
dè spulde toch zo schon
èn ze hebben saam geklonken
ze hebben saam gedronken
refrein
van 't gerstebier van kyrië
‘t gerstebier van kyrië
't gerstebier van kyrië eleïson
de pastoor van Bergeijk
die is er toch zo rijk
èn als ie komt te sterven
drinkt heel Bergeijk van d'erven
èn de koster van Bergeijk
die vergat 'ne keer een lijk
want ie had te veel geklonken
hij had te veel gedronken
èn den dokter van Bergeijk
die hi haost gin praktijk
want ie kan zo vlug nie wezen
of ze zijn alweer genezen
èn het raodhuis van Bergeijk
dè is 'ne kelder rijk
èn in die grote kelder
daar schuimt het toch zo helder
Latere toevoegingen o.a. door dokter Albert Smulders,
door de fraters van het groot seminarie van de paters Assumptionisten te Bergeijk
en door dichtende feestvierders:
èn den bakker van Bergeijk
die wordt er toch nooit rijk
want als ie hi gebakken
dan gaat ie er eentje pakken
èn het örgel van Bergeijk
is tien registers rijk
èn zijn ze muug van 't trappen
dan gaon ze deur mee tappen
èn de brandspuit van Bergeijk
die vond de put vol slijk
èn om 't vuur te stuiten
zijn ze mèr gaan spuiten
èn 't dörpke van Bergeijk
dè is zo kinderrijk
èn toch bij elk nieuw kindje
drinkt heel Bergeijk een pintje
èn de kapper van Bergeijk
die lust 'm ook gelijk
al staat ie haar te knippen
dan lèkt ie steeds z'n lippen
èn de postbooi van Bergeijk
die vliegt door elke wijk
èn bij elke expresse
gaat hij zijn dorst weer lessen
èn in dè schon Bergeijk
laog'k in de wieg te prijk
èn 'k was nog ginnen hèlle
of 'k begon al te bestellen
In een studentenbundel uit Tilburg
leest men nog:
èn de bumkes (1) van Bergeijk
die bloeien toch zo rijk
dat komt van 't staag begieten
der Mima Requisieten
In 'Den Brembos' van Harrrie Beex en Floris van der Putt vond
ik nog:
èn de paters van Bergeijk
die lusten 'm gelijk
èn bij de recreatie
drinken ze saam een glaasje
Op de Weebosch zingen ze:
èn de mister van Bergeijk
die hi altijd gelijk
hij leert de kiendjes zingen
èn laot ze pintjes drinken
1) . Bedoeld zijn de fraaie, oude lindebomen die
eertijds het marktplein rond de kiosk sierden. Ze zijn
ondertussen vervangen door nieuwe.
Bron: Liedarchief Weebosch-Bergeijk
In Carnavalsmis: ook Carnaval heeft met vriendschap te maken
carnavalsmis
Vriendschap
Ook Carnaval heeft te maken met vriendschap
Door B. Ummels tijdens de Carnavalsmis, gisterenavond in de St. Agneskerk te Bunde
Heeft zich eigenlijk ooit iemand gerealiseerd dat dit woord bestaat uit 11 letters? Nu ik er over nadenk vraag ik mij af, zou dit toeval zijn? Wellicht… maar toch… want ook Carnaval heeft te maken met vriendschap. Immers, jong en oud, groot en klein, zwart of blank, rijk en arm, alles en iedereen viert samen 3 dagen feest.
Vriendschap, wat is dat toch?
Volgens de Dikke van Dale is het een band tussen 2 of meerdere mensen. Vriendschap bestaat tussen personen, tussen groepen mensen, ja zelfs tussen volkeren. En is een vriendschap tussen 2 personen bijzonder en langdurig, dan heeft men het zelfs over boezemvrienden... Vrouwen hebben het zelfs wel eens over hartsvriendinnen... Soms lijkt vriendschap eigenlijk maar een woord. Een woord dat door veel mensen heel gemakkelijk wordt gebruikt of uitgesproken. Want als je elkaar echt nodig hebt, dan pas merk je of die vriendschap ook daadwerkelijk vriendschap is. Een goede vriend zijn is immers ook niet altijd even gemakkelijk. Realiseren mensen zich wel wat ze zeggen als ze vertellen: dit is een vriend van me? Vriendschap, blijkt in veel gevallen toch een kwetsbaar iets!
Popgroep
Popgroep ‘Het Goede Doel’ omschreef deze broosheid ooit in hun nummer “Vriendschap”, een nummer dat de meesten wel zullen kennen. Zij zongen als volgt:
Als kind had ik een vriend waarmee ik alles deed
Als hij begon te vechten dan vocht ik met hem mee
Als ik in het water sprong dook hij er achteraan
Een mooiere vriendschap kon er in mijn ogen niet bestaan.
Tot dat hij verhuisde naar een andere stad.
Ik heb als ik het goed heb nog 1 kaart van hem gehad.
En dan het refrein:
Eén keer trek je de conclusie
Vriendschap is een illusie
Vriendschap is een droom
Een pakketje schroot met een dun laagje chroom
Toon
Volgens mij geeft deze tekst al heel goed weer hoe kwetsbaar vriendschap eigenlijk kan zijn. Maar er was een iemand die ‘vriendschap’ op een hele mooie manier, een manier die ons allen aanspreekt het best kon verwoorden. Een Limburger afkomstig uit Sittard die luisterde naar de eenvoudige naam Toon.
Je hebt iemand nodig
stil en oprecht
die als het erop aan komt
voor je bidt en voor je vecht.
Pas als je iemand hebt
die met je lacht en met je grient
dan pas kun je zeggen:
Ik heb een vriend.
Zeker waar
Wat zou je moeten zonder vrienden
Die er altijd voor je zijn
Die je blindelings kunt vinden
Ook al heb je heel veel pijn
Die je niets hoeft te vragen
Maar gewoon doen wat er nodig is
Door je te helpen in slechte dagen
En niet vraagt wat er is.
Want een vriend is er altijd voor je
Met een lach en met een traan
En met een opbeurend woordje
Kun je er weer tegenaan
Op goede vrienden kun je bouwen
Ook al heb je het zwaar
Die kun je echt vertrouwen
Dat is zeker waar
Foto: http://www.hln.be/static/FOTO/pe/11/3/11/large_528686.jpg
Pastoor Geudens
Ter herinnering van het bezoek aan de releikschrijn van Theresia (1998) in de parochiekerk H. Maria Geboorte te Nijmegen.
Hier volgt mijn lievelingslied:
1. Al had ik elke fout, elke misdaad bedreven, dan nog behield ik steeds hetzelfde vertrouwen. Want ik weet al te goed dat die hoeveelheid aan fouten een druppel blijkt te zijn die in een vuur verdwijnt. (bis)
2. Geef me een hart dat brandt, dat verteerd wordt van liefde, een hart tot steun en kracht dat altijd blijft branden, dat altijd mij bemint, tot in mijn zwakheid mij liefheeft, dat steeds over mij waakt, bij dag, bij nacht mij leidt. (bis)
3. Nooit eerder was een mens zo vervuld door de liefde dat hij zijn leven gaf, mij zozeer beminde. Geen mens dan Hij alleen, mijn God, die mens werd op aarde en die geleden heeft, mijn broeder en mijn Heer. (bis)
4. Al wat wij doen voor U, zelfs de mooiste der daden, is werkelijk wat waard, wanneer het de liefde van uw Hart uit kan stralen. Dus mijn doen en mijn laten, ik leg het in uw hart dat steeds van liefde brandt. (bis)
5. Ach, niemand is in staat heel uw wet na te leven. Maar levend als uw kind, ontvang ik uw zegen en zo ben ik in staat U heel mijn leven te geven. Mijn heiligheid zijt Gij, uw liefde leeft in mij.
6. Nooit eerder was een mens zo vervuld door de liefde dat hij zijn leven gaf, mij zozeer beminde. Geen mens dan Hij alleen, mijn God, die mens werd op aarde en die geleden heeft, mijn broeder en mijn Heer. (bis)
7. Al had ik elke fout, elke misdaad bedreven, dan nog behield ik steeds hetzelfde vertrouwen. Want ik weet al te goed dat die hoeveelheid aan fouten een druppel blijkt te zijn die in een vuur verdwijnt. (bis)
Jugendtreffen Pöllau
Jugendtreffen Pöllau
Info:
http://www.kath.net/detail.php?id=23235
Pastoor Geudens
Het Carnavalsgebeuren zoals wij dat mogen meemaken
heeft zijn wortels die aan ons gelovig leven raken.
Carnaval staat aan het begin van de veertig dagen vastentijd,
dat ons brengt naar het Paasfeest, met een toekomst hemelwijd.
Dat is de dag waarop onze Heer uit de dood is opgestaan
nadat Hij met ons door dit aardse leven is gegaan.
Hij heeft ons daarbij Zijn liefde en respect gegeven,
en aan ons gevraagd: doe óók zo in je eigen leven.
Askruisje
Rob Waltmans vanaf 6 mei 2007 titulair hoofdorganist van Geulle
Rob,Waltmans,geulle,
Rob Waltmans, titulair hoofdorganist Sint Martinusparochie te Geulle
Rob Waltmans werd 6 mei 2007 geïnstalleerd tot titulair hoofdorganist van Geulle. Een eerbetoon aan de man die het orgel van Geulle bekendheid verschafte, en de Sint-Martinuskerk daarmee een eigen stem gaf.
“Titulair hoofdorganist van de Sint-Martinusparochie te Geulle”, Rob Waltmans moet er zelf een beetje om lachen: „Klinkt chique, hè. En levert, inderdaad, geen cent op: het is een eretitel, en daar zitten doorgaans vooral verplichtingen aan."
Dat laatste valt in dit geval overigens wel mee, geeft Waltmans toe: „Het is de bedoeling dat ik minimaal één keer per jaar in de kerk van Geulle speel. En dat zie ik absoluut niet als een straf, hoor. Zowel het grote orgel als het kleinere harmonium is een fantastisch instrument. Ik beschouw het nog steeds als een voorrecht dat ik dat mág bespelen. Wat dat betreft zou ik hier nog wel veel vaker willen spelen."
Waltmans, telg uit een uiterst muzikale familie, is al bijna veertig jaar organist van de basiliek in Meerssen. Begin jaren negentig raakte hij bij toeval betrokken bij de Sint-Martinusparochie in Geulle aan de Maas. „De gemeente Meerssen had het Kerkplein in Geulle opnieuw ingericht en vierde de heropening daarvan met ene groot dorpsfeest", vertelt hij. „Piet Pinxt zaliger, de toenmalige wethouder, wilde daar ook de kerk bij betrekken. Hij vroeg mij of ik wilde meehelpen met het organiseren van orgelconcerten in die kerk."
In de kerk van Geulle trof Waltmans een prachtig Binvignat-orgel uit 1818. „Ik speel over de hele wereld", benadrukt hij. „Elk orgel is anders. Een piano is een piano, om het wat oneerbiedig te zeggen. Maar je vindt geen twee orgels die identiek zijn. En dit is werkelijk een magnifiek instrument. Het is relatief klein, maar Binvignat heeft er al zijn vakmanschap in gelegd: het klinkt als een groot orgel, wat nog eens wordt versterkt door de fantastische akoestiek van deze kerk."
Op een verloren uur ontdekte Waltmans op het oksaal van de kerk bovendien een tweede instrument van topkwaliteit: een harmonium van de Belgische orgelbouwer Anneessens. „Het was verstopt onder een Perzisch tapijt en werd gebruikt als boekenkast", herinnert hij zich. „Het parochiebestuur wist wel dat het daar stond, maar had waarschijnlijk geen idee dat het muzikaal gezien zo’n pronkstuk was."
Op advies van Waltmans liet het parochiebestuur het harmonium - gebouwd aan het einde van de negentiende eeuw - restaureren door Jo Spit, een dorpsgenoot van Waltmans uit Klimmen. Het ‘huisorgel’ kreeg een plekje naast het grote orgel, beneden in de kerk. Als hij in Geulle speelt, tijdens een Mis of een concert, gebruikt Waltmans beide instrumenten: „Voor de grote composities kruip ik achter het orgel, dat wat krachtiger klinkt. Maar voor het subtielere werk gebruik ik zelf graag het harmonium."
Met het Binvignat-orgel, dat de Sint-Martinuskerk met zijn bijzondere klank een eigen stem heeft gegeven, heeft Geulle aan de Maas inmiddels een vaste plek veroverd in de Limburgse orgelkringen. Elk jaar komen gerenommeerde organisten naar Geulle om een concert te geven op het beroemde orgel. De concerten vinden doorgaans plaats onder auspiciën van de Circulus Musicus Marsanus, de Meerssense muziekkring die ook de concerten in de basiliek organiseert.
Als het eventjes kan, kruipt Waltmans echter graag zelf achter het klavier van het orgel in Geulle. „Het orgel heeft een perfecte touche", constateert hij. „Die soepele aanslag maakt het bespelen van het orgel bijzonder." John Schreurs, dirigent en organist in Geulle, heeft daar volgens hem geen moeite mee: we kennen elkaar al van het kleinseminarie op Rolduc en respecteren elkaar." Hij moet alleen zorgen dat hij Meerssen niet vergeet, benadrukt hij: „Ik ben in eerste instantie organist van de basiliek. En dat blijf ik ook."
Vgl. bronnen: 'Dagblad De Limburger' 2 mei 2007, 'Limburgs Dagblad' 2 mei 2007, http://members.multimania.nl/meerssensmannenkoor/hoofdorganist.htm
Is Christ Calling You?
Vocation - Video:
Optreden tijdens jeugdzitting carnaval Geulle op youtube
geulle,moorveld
Merel, Jill, Tessa, Danique: 'Ik wist het wel'
Bökskes Popstars
1. Het Historische Orgel in Nederland
Omstreeks 1773 begon Joseph Binvignat (1755-1837) samen met de houthandelaar Lambert Houtappel (1756-1822) een Maastrichtse orgelmakerij.
[Uit: De encyclopedie Het Historische Orgel in Nederland, 2, 24-25. Hier staat dat Joseph Binvignat zich in 1778 als compagnon bij Lambert Houtappel voegt].
Zij ontwikkelden een stijl die geleidelijk steeds meer afweek van de Luikse barokstijl. Vanaf 1777 kreeg deze firma enige nieuwe orgels te maken, waarvan een aantal nog bestaat: in de Sint Nicolaas in hun woonplaats (nu in de kerk van Maastricht-Heer, 1778) en in de Hervormde Sint Jan aldaar (1780), in Houthem (1784), en in Berg en Terblijt (nu Maastricht, Cellebroederskapel, 1794). De boventoonrijke klank van deze orgels verraadt de Noord-Franse herkomst (Attigny) van Binvignat, maar de ruime mensurering van het pijpwerk en de breedte van de totaalklank doen tevens Rijnlandse invloeden vermoeden. In de moeilijke Franse Tijd echter kon deze orgelmaker het nauwelijks bolwerken, speciaal vanwege de heersende antipathie tegen de Fransen. Zouden de anticlericale maatregelen van de overheid niet de hoofdoorzaak geweest kunnen zijn? Hij vervaardigde bureau-orgeltjes en serinettes. Verder moest hij rondkomen van het herstellen van orgels in Aken, Hasselt en tussenliggende plaatsen en van een drankenzaak. Zijn voormalige compagnon trok zich terug in de houthandel.
2. Het Classicisme van de eerste helft van de 19e eeuw
Binvignat is een voorbeeld van een orgelmaker die zijn bouwstijl verder ontwikkelde naar een meer classicistische vorm met strakke en soberdere fronten en lieflijkere klankkleuren. Dit laatste bewerkstelligde hij door discant-solofluiten en strijkers in acht- en viervoetsliggingen te disponeren en enkele tertsregisters weg te laten. Toen de vraag naar orgels weer toenam, bewees de Maastrichtenaar dat hij een meester van grote allure was in zijn nog bestaande opus Magnum in de Sint Matthias van zijn woonplaats, opgeleverd in 1808. Daarna kreeg hij weer veel opdrachten in een groot werkgebied. Enkele van die orgels zijn nog geheel of gedeeltelijk aanwezig, onder meer in Geulle (1818), Mechelen (1820, uitgebreid in 1851), Kerkrade (nu te Oirsbeek, 1828) en Simpelveld (1834). Verder bouwde hij nieuwe orgels in Aken en verrichtte hij ingrijpende restauraties in de grote stadskerken van Luik en op veel andere plaatsen, waaruit blijkt hoe groot zijn faam was. Vermoedelijk. Vermoedelijk begon Rogier Kerckhoff (1816-1873) afkomstig uit Heer bij Maastricht, zijn loopbaan bij Binvignat, alvorens zich in Brussel verder te bekwamen en daar een spoedig bloeiende orgelmakerij op te zetten.
In Maastricht en verre omgeving beheerste Binvignat de orgelbouw tot zijn dood in 1837. Zijn zoon Adam (1789-1850) bleek niet over de kwaliteiten van zijn vader te beschikken. Toch bleven er ook een paar kleine orgels van hem bewaard, onder meer in de H. Hartkerk te Eindhoven (afkomstig van Sittard, ca 1842) Bovendien was hij verantwoordelijk voor de vernieuwing van het orgel van de Sint Servaas te Maastricht in 1839, waarbij tevens een tenorpedaal tot stand kwam. Was dit nog de doorwerking van de Noord-Franse herkomst der Binvignats?
[Uit: De encyclopedie Het Historische Orgel in Nederland, 8, 35-36].
3. De Sint Martinuskerk te Geulle aan de Maas

Eenklaviers orgel en eiken balustrade van de orgelgalerij, in 1818 gemaakt door Joseph Binvignat in opdracht van het gemeentebestuur 'tot Lof en Luyster van de beijde godsdiensten in de gemeentekerk' zowel gereformeerden als de Roomse gezinden. Bij de bouw werd gebruik gemaakt van een ouder orgel, dat aangepast werd aan de gewenste omvang en dispositie. Het orgel werd in 1977 gerestaureerd door de firma Verschueren te Heythuyzen. Aan de orgelkas is duidelijk te zien dat deze oorspronkelijk was ingesnoerd. Binvignat heeft in 1818 dan ook gebruik gemaakt van een bestaande kas en deze eenvoudig aan de nieuwe situatie aangepast. De onderkas is zeer sober gedecoreerd met een bescheiden pijnappel onder de middenoren. De bovenkas draagt zijn huidige uiterlijk waarschijnlijk grotendeels aan de werkzaamheden uit 1818. Opvallend zijn de bovenblinderingen: een timmermansversie van een Dorisch fries.
[Uit: De encyclopedie Het Historische Orgel in Nederland 4, 342-344.]
Vergelijk met de bron: http://www.marres.nl/orgels.htm
Renoveren en verplaatsen van het Binvignat orgel in de St Martinuskerk te Geulle 2009.
Video door Léon Notten
Martinuskerk in Geulle kreeg in 1920 vorm als mini-kathedraal
geulle,
De Sint Martinuskerk in Geulle kreeg in 1920 zijn huidige vorm als “mini-kathedraal”.
Winus en Henny de Rouw
Door Winus de Rouw
Je zou ze de kost niet willen geven de parochianen die een meewarige glimlach niet konden onderdrukken toen zij nog niet zo lang geleden hoorden en lazen dat de pastoor wel eens hardop denkt aan het uitroepen door de paus van de Sint Martinuskerk Aan de Maas tot Basiliek.
Niet moeilijk te raden, hoe deze plannen worden gekwalificeerd. Toch kennen de parochianen de relatief korte geschiedenis van hun Sint Martinus niet al te best. Het is nog geen eeuw geleden - de uitbreiding van de kerk in 1920 was nauwelijks in gang gezet - toen er reeds gesproken werd over de Sint Martinus als “kathedraal”, in zakformaat weliswaar, want mini-kathedraal genoemd, maar toch. Wie het zich niet herinnert, leest er eens het als deel 6 door de Stichting Historische Reeks Maastricht uitgegeven en door Jos H. Pouls geschreven standaardwerk over na over de kerkenbouw en de kerkelijke kunst in Limburg in de vorige eeuw, getiteld “Ware schoonheid of louter praal”. Daarin wordt uitvoerig aandacht besteed aan de strijd om het behoud van de typisch Limburgse dorpskerkjes, die met uitbreiding of geheel verdwijnen in de jaren 1920 werden bedreigd als gevolg van de opkomst van de mijnindustrie. De grote toestroom van arbeidskrachten van elders werd voor een belangrijk deel gehuisvest in de dorpen. Deze verloren daardoor niet alleen een deel van hun oude karakter, maar vanwege de toename van het aantal gelovigen werden ook de vaak middeleeuwse kerkjes met uitbreiding en daardoor verlies van hun karakteristiek bedreigd. Een bijzonder interessant en boeiend hoofdstuk.
Grote voorvechter voor het behoud van deze kerkjes (o.a. in Eygelshoven, Wahlwiller, Nyswiller, Margraten, Spaubeek, Wylre, Hoensbroek (kleine Sint Jan) Simpelveld, Schin op Geul, Limbricht en Geulle) was de (latere) directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg in Den Haag Jan Kalf (1873 - 1954). Hij schreef zijn vingers blauw in zijn strijd om het behoud van deze Limburgse dorpskerken. Kalf vond een groot medestander in Willem Goossens, priester-docent in Rolduc en vanaf 1917 archivaris in Maastricht. Tal van pastoors in die tijd hadden geen al te hoge bonnet op van dit tweetal; zij probeerden hen dan ook op tal van slinkse wegen te omzeilen. Dat zij daarin meer dan eens slaagden bewees pastoor Reinerus Voncken (ten onrechte in het boek halsstarrig pastoor J. Vencken genoemd) van de Sint Martinus in Geulle.
Het boek volgend wordt hem een voorbeeld functie toegedicht. Het is aan de lezer uit te maken of dit een ere-titel is dan wel een spotnaam. Auteur Jos H. Pouls noemt het voorbeeld van Geulle “typerend voor de gang van zaken rond de Limburgse dorpskerkjes”. In 1919 - de Bouwcommissie van het Bisdom Roermond was inmiddels opgericht - was er contact tussen Willem Goossens en Jan Kalf over het laatmiddeleeuwse kerkje van Geulle. Het onderwerp van de brief was de vergroting van dit gotische kerkje. Pastoor Voncken had hiervoor architect J. van Groenendael gevraagd. Diens plan was ingediend bij de Monumentenzorg in Den Haag.
Het Martinuskerkje had volgens Kalf als grote verdienste “dat het zich zo uitnemend aanpast bij de landelijke omgeving. Hoe eenvoudig ook, bezit het kerkje daardoor eene grote bekoorlijkheid”. In een brief aan pastoor R. Voncken pleitte Kalf voor een verandering van de functie van dit kerkje tot bijvoorbeeld patronaat en voor nieuwbouw van een kerk elders “teneinde het kerkje in ongewijzigde vorm te behouden”.
Kalf had het plan van de Maastrichtse architect Van Groenendael voorgelegd aan de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg. Het werd om diverse redenen radicaal afgekeurd. Zo had Van Groenendael geen rekening gehouden met de uit liturgisch oogpunt zo belangrijke Heilige Linie (het op het oosten gericht zijn, georiënteerd zijn zoals dat wordt genoemd - WdeR) door de forse uitbreiding dwars op de as van het oude kerkje te projecteren. Bovendien zou de uitbreiding niet veel extra ruimte opleveren. Door het plan werd volgens Kalf van het mooie oude priesterkoor (thans Mariakapel - WdeR) een ‘hinderlijk aanhangsel’ gemaakt.
Zijn ergste kritiek echter betrof het decoratieve karakter van de nieuwbouw. “In plaats van de rustige architectuur, welke de landelijke omgeving vereischt, geeft het een pronkerig, opgeschikt gebouw te zien, een kathedraaltje in miniatuur, juist het tegendeel van een dorpskerk. Het mengelmoes van romaansche en barokvormen (...) het door onnodige torentjes geheel verbrokkelde silhouet, de wanstaltige vorm der bedaking - dit alles zijn fouten, die veroorzaken dat het plan uit architectonisch oogpunt een mislukking moet heeten, die overal zou misstaan. Maar ten zeerste zal het dit doen op de plaats waarvoor het gedacht is, tusschen de sobere, eerlijke overblijfselen van het oude kerkje. Er is geen zweem van harmonie tusschen het nieuwe en het oude, in karakter en in schaal is er het scherpste contrast: het nieuwe zal aan het oude alle bekoring ontnemen en het oude zal bij het nieuwe misstaan”. Duidelijke taal.
Niet verwonderlijk is daarom dat Kalf er bij pastoor Voncken op aandrong het plan niet te laten uitvoeren en “door een bekwaam architect een beter ontwerp te laten maken”. Indien hij dat wenste, zou de Rijkscommissie hem wel namen kunnen noemen van geschikte architecten en zou ze hem zelfs een schets kunnen leveren. Een beter plan zou bovendien een stuk goedkoper zijn dan het voorliggende, zo besloot Kalf zijn brief aan Voncken.
De afloop is bekend. Ondanks dit indringende pleidooi van Kalf en een venijnig stukje van Jos Ritzen in 1919 in het tijdschrift ‘Kunst in Limburg’ werd het plan van Van Groenendael vrijwel onverkort uitgevoerd. Goossens deelde Kalf op 5 januari 1920 mee dat er niets meer aan te doen was. De aanbesteding had al plaatsgehad. Bovendien: “Zelfs als dit niet het geval was zou ik aan een doovenmans deur geklopt hebben. Men wist dat ik voor het behoud der oude kerk was en daarom heeft men mij zorgvuldig buiten alles gehouden totdat men voor de nieuwe kerk de goedkeuring had van den bisschop. De pastoor beriep zich tegenover mij op de gezindheid zijner parochianen en op het oordeel van den Rijksarchivaris Flament dat de oude kerk niet veel had te beteekenen”. De bijdrage eindigt met de volzin: Geulle kreeg zijn mini-kathedraal en Kalf zijn zoveelste deceptie. De betiteling ‘mini-kathedraal’ wordt ook gebruikt in het bijschrift bij de bij het artikel geplaatste foto van de ‘nieuwe’ Sint Martinuskerk.
Reactie van de pastoor: Ik zal al blij zijn als de Sint Martinus tot basiliek wordt verheven. Ik laat het aan mijn opvolger over er een kathedraal van te maken.
Boek: “Ware schoonheid of louter praal” uitgave Stichting Historische Reeks Maastricht. Carolushuis. Gereduceerde prijs. € 19,95.
Bron: Maandblad de Sjakel, Geulle, 2010.
St. Martinus Basiliek Geulle aan de Maas
St,Martinus,basiliek,maas,geulle,
"Basiliek" is een eretitel die door de paus aan belangrijke kerken gegeven kan worden. Er zijn ‘grote basilieken’ (basilicæ maiores) en ‘kleine basilieken’ (basilicæ minores). De ‘grote basilieken’ zijn de Sint-Jan van Lateranen, de Sint-Pieter, de Sint-Paulus buiten de Muren, en de Santa Maria Maggiore in Rome, en de twee basilieken van Assisi. Andere kerken in Rome zijn ‘kleine basilieken’. Sinds de 19e eeuw hebben pausen de titel basilica minor ook aan kerken buiten Rome gegeven.
Een basiliek mag op het priesterkoor twee eretekenen plaatsen: het tintinnabulum (een staf met een klokje) en het conopeum (soort ereparasol met afbeeldingen). Deze twee symbolen stammen uit een ver verleden. In het Oosten werden belangrijke personen voorafgegaan door een dienaar die een zonnescherm of regenscherm, een conopeum, boven het hoofd van die belangrijke persoon hield. Een andere dienaar ging vóór het rijtuig uit om met een belletje, het tintinnabulum, de weg vrij te maken. Dit Oosterse gebruik werd door de pausen voor hun basilieken in Rome overgenomen. Bij die kerken bleven deze objecten dan ook gemakshalve in de kerk staan, voor het geval de paus zou komen. Later werden het prestigeobjecten en eretekenen die de waardigheid van een basiliek aanduidden.
In 1981 heeft paus Johannes Paulus II de privileges van basilieken nog uitgebreid. Om de verbondenheid met de Heilige Stoel duidelijk te maken, bepaalde hij dat basilieken boven de ingang van de kerk het pauselijk wapen of het wapen van de Heilige Stoel mogen aanbrengen. De verheffing tot basiliek St. Martinus aan de Maas zal plechtig gevierd worden op een nog nader te bepalen jaar, maand en dag. De bisschop zal dan hoofdcelebrant hopelijk zijn.
Toekomstmuziek?
Misschien, maar de voortekenen zijn reeds aanwezig. De vraag is slechts: blijft de Sint Martinus de enige en eerste onder de als de basilieken onderscheiden parochiekerken of wordt hij de laatste van de Basilieken. Schaduwen van grote gebeurtenissen worden vooruit geworpen. De opmaat voor de verheffing van de Martinus tot basiliek begon in het jaar Onzes Heren 1999. En wel met Kerstmis dat jaar in de nachtmis. Bedoeld is de toekenning van de bronzen Millenniumplaquette aan deze parochiekerk. Het bisdom Roermond had immers bij gelegenheid van de Jubeljaar 2000 een plaquette doen ontwerpen, die zou worden uitgereikt aan die kerken die in het bezit zijn van een toegangsdeur die zelden of nooit gebruikt wordt. Als zo’n deur aan de vooravond (Kerstmis) van het Jubeljaar 2000 geopend zou worden door een bisschop of een door hem aangewezen geestelijke (de deken) én in het begin van 2001 weer gesloten zou worden andermaal door een bisschop (of de door hem aangewezen geestelijke), dan zou die kerk als herinnering daaraan een bronzen plaquette ontvangen, ontworpen en gemaakt door de kunstenares mevr. Josien Henning uit Ubachsberg. In feite betekende dit dat enkel en alleen de Sint Christoffel kathedraal in Roermond en de 5 basilieken in het bisdom hiervoor in aanmerking zouden komen. Er werden dan ook in totaal slechts 6 plaquettes aangemaakt. Men had evenwel buiten de deelname van de Sint Martinus in Geulle gerekend. Ook deze ‘eenvoudige’ parochiekerk immers had in de oude uit 1350 stammende toren een originele toegangsdeur die sinds de gerealiseerde uitbreiding van de kerk in 1920 niet meer in gebruik was. Een samenspel van de toen pas benoemde bisschop coadjutor Mgr. Everard de Jong en het kerkbestuur onder leiding van pastoor Guus Dohmen z.g. had tot resultaat, dat Mgr. De Jong in de Kerstnacht van 1999 een sneeuwstorm trotseerde om in de Geulse Sint Martinus de nachtmis te komen celebreren. Hij betrad de kerk door eigenhandig de oude toegangsdeur te openen. Eenzelfde plechtigheid maar dan in omgekeerde richting vond plaats op het feest van Driekoningen in 2001. Toen verliet de bisschop na de pontificale hoogmis de kerk via deze deur en sloot hem achter zich. De initiatiefnemers van het bisdom konden niet anders dan erkennen dat in de Sint Martinus te Geulle de spelregels correct waren nageleefd en deze kerk als enige parochiekerk dus in aanmerking kwam voor de Jubeljaar plaquette. Deze werd door Mgr. De Jong uitgereikt en bevestigd aan de muur naast de toegangsdeur in de doopkapel. Daar hangt zij tot op de dag van vandaag. De parochiekerk van de H. Martinus te Geulle is daarmee de enige ‘eenvoudige’ parochiekerk die deze onderscheiding heeft ontvangen en daarmee gelijk is gesteld met de basilieken die eveneens deze eer te beurt viel. De vraag is daarmee gewettigd: blijft de Sint Martinus de enige en dus eerste met deze plaquette onderscheiden parochiekerk in dit rijtje, of wordt zij binnen niet al te lange tijd als laatste en zesde toegevoegd aan de rij basilieken?
Daarmee zouden dan tevens de andere motiveringen erkend worden die deze uitverkiezing wettigen. Immers het is duidelijk dat reeds bij aanvang van het tweede millennium in het jaar 1000 er in Geulle een parochie bestond, nadat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de Maastrichtse bisschoppen Servatius, Hubertus, Lambertus, Gondulfus en Monulfus ook in deze contreien het Geloof hadden gebracht. Vast staat immers dat einde 1200 in Geulle een ‘ecclesia integra’ bestond, deel uitmakend van het dekenaat Susteren en met een onder de pastoor van Geulle ressorterend rectoraat in Uikhoven. Een dergelijke ‘ecclesia integra’ hield in, dat kerk en parochie een oude gevestigde geschiedenis hadden alsmede aanzien hadden verworven door verkregen rijkdommen. Dit wordt door de historische ontwikkelingen in latere eeuwen ruimschoots bevestigd.
Alles bij elkaar hoeft er nog slechts de wil aanwezig te zijn over te gaan tot het verlenen van de titel Basiliek aan de Sint Martinus van Geulle om een lang ‘in pectore’ gekoesterde wens in vervulling te doen gaan. De voorbereidende activiteiten kunnen worden opgestart.
Door Winus de Rouw
Bron: http://www.clustering.ning.com/profile/basiliek_geulle
Foto: http://www.kerkgebouwen-in-limburg.nl/files/usr_leon/Geulle%20aan%20de%20Maas/Geulle%20aan%20de%20Maas%20%2826%29.jpg
Geulle, Gäöl
Oudere schrijfwijzen: Geule, 1883 Geul.
Naamgeving
Wat thans op plattegronden als Geulle wordt beschouwd (O. van het Julianakanaal), heette vroeger Hulsen (Hölse). Wat vroeger Geulle heette (W. van het Julianakanaal), heet nu (Geulle) Aan de Maas. In Hulsen, dat op de huidige plattegronden dus Geulle heet, wordt op een ANWB-bord verwezen naar Geulle-dorp, waarmee eigenlijk (Geulle) Aan de Maas wordt bedoeld. Het bord Geulle-dorp staat eigenlijk in het centrum van het huidige Geulle en verwijst in feite naar de ‘buitenbuurt’ aan de overzijde van het Julianakanaal, wat volgens de ANWB dus Geulle-dorp heet maar in de atlassen als Aan de Maas wordt betiteld…
Naamsverklaring
Geulle ontleent zijn naam aan het riviertje de Geul, dat vroeger bij Geulle in de Maas uitkwam. Tegenwoordig is dat bij de buurtschap Voulwames, tussen Bunde en Itteren.
Status
Dorp in de gemeente Meerssen. Zelfstandige gemeente t/m 1981. Onder het dorp Geulle / Aan de Maas vallen ook de buurtschappen Broekhoven, Brommelen, Hussenberg, Oostbroek, Snijdersberg, Stommeveld en Westbroek.
Ligging
NW van Meerssen. Globaal wordt Geulle in drie hoofd-delen verdeeld: Geulle aan de Maas (gelegen tussen Maas en Julianakanaal, de oude dorpskern), Geulle-beneden (O van het Julianakanaal, de nieuwe dorpskern) en Geulle-boven (het hogergelegen gedeelte O van de spoorlijn).
Geschiedenis
De naam Geulle duikt in 817 voor het eerst op in de geschiedenis. Lodewijk de Vrome - zoon van keizer Karel de Grote - gaf Geulle als ‘goed’ aan de abdij van Kornelimunster. Tot 1298 zou Geulle blijven behoren tot deze abdij. In dat jaar kocht Walram van Monschau en van Valkenburg de rechten op de goederen te Gole (Geulle) en Udenschoven (Uikhoven) van de abdij van Kornelimunster. In die tijd vormden Geulle en het thans Belgische Uikhoven één parochie. De kerk van Geulle was de moederkerk. Het zou tot 1558 duren eer Uikhoven een zelfstandige parochie werd, deel uitmakend van het dekenaat Susteren, waartoe ook Geulle behoorde. Later ging Uikhoven vallen onder het dekenaat Mechelen aan de Maas. In 1554 verhief Karel de Vijfde Geulle tot zelfstandige heerlijkheid. In 1560 verwierf Konrad van Gaveren, Heer van Elsloo, de heerlijkheid Geulle voor 6.200 Carolus gulden aan 22 stuiver het stuk. In 1644 kocht Conrad Ulrich van Hoensbroeck de heerlijkheid voor 28.000 ponden. Tot 1748 zou de heerlijkheid Geul bezit blijven van de familie Van Hoensbroek. Van deze zou de heerlijkheid Geulle overgaan in handen van Frans Xaverius von Hollenzollern-Heckingen, die getrouwd was met de enige dochter van de laatste bezitter. Frans stierf in 1765. Zijn vrouw bleef op het kasteel en overleed op 26 september 1798. Zij ligt begraven op het kerkhof bij de kerkdeur. Onze eerste Grondwet, de Staatsregeling van 1798, schafte de heerlijkheden af. Bij de Belgische opstand van 1830 stond bijna geheel Limburg aan de zijde van de Belgen. Ook Geulle heeft van 1830 tot 1839 deel uitgemaakt van het nieuwe Belgische Koninkrijk. In 1839 trad het hertogdom Limburg waartoe ook Geulle behoorde, toe tot Nederland én tot de Duitse Bond. Bij het Tractaat van Londen van 11 mei 1867 kwam aan deze situatie een definitief einde. (3103) Het schrijversechtpaar Felix Rutten en Marie Koenen heeft, van 1920 tot aan hun scheiding in 1927, in de speciaal voor hen gebouwde villa Schieversberg (Schieversbergweg, N zijweg van de Moorveldsberg) gewoond. Felix Rutten (1882-1971) studeerde en promoveerde in de letteren te Leuven. Hij schreef lyriek met mystieke accenten, onder invloed van de Beweging van Tachtig, voorts reisverhalen, novellen en toneelwerk, waarin hij ijverde voor het herleven van het katholieke toneel. Marie Koenen (1879-1959), schrijfster van gevoelige novellen en (historische) romans met een duidelijk katholieke signatuur en Zuid-Limburgs van sfeer. De moeder (1917) wordt als haar beste werk beschouwd. Zij verdichtte ook sagen en legenden. (3033)
Buurtschappen
(1) Broekhoven (Brookhaove). Gelegen rond de weg Broekhoven, tussen Maas en spoorlijn, N van Geulle. 2002.
(2) Brommelen (Brómmele). De naam wordt in de 16e eeuw voor het eerst vermeld, als Brommelen. In de volkstelling van 1840 wordt ‘Brommelen en Broek’ als één buurtschap gezien. De naam betekent ‘nederzetting bij de braambessen’. (3083) Gelegen rond de weg Brommelen, N van Bunde, O van het Julianakanaal. 1840 49 huizen, 225 inwoners.
(3) Hussenberg (de Husjeberg). 1840 Husschenberg. Gelegen NO van Geulle. 1840 27 huizen, 129 inwoners.
(4) Oostbroek (‘t Klei-Brook). Gelegen rond de weg Oostbroek, Z van Geulle.
(5) Snijdersberg (Sniedersberg). De Snijdersberg wordt ook Piemelenhoek genoemd. Heette oorspronkelijk D'n Hook, tot er jaren geleden gedurende een bepaalde periode louter jongetjes werden geboren… (3103) Gelegen rond de heuvel Snijdersberg, NO van Geulle. 1840 24 huizen, 113 inwoners. 2002 xx/xx. De Snijdersberg is bekend in de (inter)nationale wielerwereld: menig criterium of klassieker neemt de col in zijn parcours op.
(6) Stommeveld (’t Stómmevelsje). Gelegen O van Geulle, tussen Moorveld en Snijdersberg.
(7) Westbroek (‘t Groat-Brook). Gelegen rond de weg Westbroek, O van het Julianakanaal, ZW van Geulle.
Monumentale gebouwen en/of bezienswaardigheden
Kern ‘Aan de Maas’: Omstreeks 1300 is er te Geulle al zeker een zelfstandige St. Martinusparochie en in die tijd heeft de gemeente natuurlijk ook al een kerk of tenminste kapel gehad. Een paar gebouwen zullen elkaar hebben opgevolgd. Uit waarschijnlijk de 14e eeuw stamt de nog altijd bestaande westtoren. Deze is opgetrokken uit een ‘gietwerk’ van keien (dus kistwerk, een zeer oude methode waarbij de ruimte tussen twee dunne wanden wordt opgevuld met puin en ander inferieur geacht materiaal) en bekleed met mergel. In het muurwerk van de derde bouwlaag zijn spitsbogige spaarvelden met rechthoekige galmgaten zichtbaar. De toren heeft in 1626 een nieuwe versie van het kerkgebouw aan zijn zijde gekregen. De herbouw werd door Wolter en Conrad Ulrich van Hoensbroeck ondernomen. Een aan de westzijde van de toren ingemetselde steen herinnert ons daaraan. Wolter stierf in 1630 en hij kreeg een rijk gedecoreerde grafsteen die nog in de kerk te vinden is. Van 1680 tot 1820 deed de St. Martinus dienst als simultaankerk voor katholieken en protestanten. In 1920 werd het godshuis grondig verbouwd. Dwars door de oude kerk bouwde men een nieuwe. De toren en het oude driezijdig gesloten koor - als kapel - bleven behouden, zich nu aan weerszijden van het schip bevindend. Tijdens de nieuwbouw metselde men een loden koker in achter de eerste steen, die getuigt van de activiteiten. In 1977 is er gerestaureerd. Binnen vinden we nog meer producten van kunstnijverheid uit oude tijden. Zo zijn in het oude koor nog kleine fijn gesneden consoles te vinden. Te Geulle bezit men ook wezenlijke delen van een 17e-eeuwse preekstoel met gesneden panelen. Deze vijf panelen, Martinus en de vier evangelisten Johannes, Mattheus, Marcus en Lucas, zijn nu opgenomen in de altaartafel. De communiebank en de twee herenbanken werden omstreeks 1800 gemaakt voor de Onze Lieve Vrouwe in ’t Zand in Roermond, van waar ze afkomstig zijn. Het Binvignat-orgel is van 1818. Van het tussen Maas en Julianakanaal gelegen omgrachte Kasteel Geulle (ca. 1620) resteren alleen nog de voorburcht met hoeve. Het kasteel is in 1847 afgebroken. Het herenhuis was om een rechthoekige binnenplaats gebouwd. De geheel omgrachte bouwhoeve lag vroeger in U-vorm naar het herenhuis toegekeerd. De oostelijke vleugel en de toren, die op de zuidoostelijke hoek stond, zijn verdwenen. De schietspleten in de boerderij zijn aan de westzijde op één na verdwenen door het aanbrengen van vensters na 1865.
Buurtschap Brommelen: Kapelletje ter ere van Onze Lieve Vrouw van Banneux.
Buurtschap Hussenberg: Monument 25 jaar Buurtvereniging Hussenberg.
Buurtschap Oostbroek: Heilig Hartbeeld op de kruising Hulserstraat / Oostbroek / Andreas Sauerlaan.
Buurtschap Snijdersberg: Onderste Molen, Snijdersberg 31. Gelegen aan de Molenbeek.
Er was in deze omgeving ook nog een Bovenste Molen, die waarschijnlijk eind 19e eeuw is afgebroken. De Onderste Molen werd in 1878-1879 afgebroken en herbouwd, waaraan een gevelsteen boven de voordeur herinnert. De molen ligt in het rechterdeel van een langgevelboerderij. Het middendeel is het woongedeelte, het linkerdeel was de boerderij. De molen wordt aangedreven door een bovenslagrad in een ombouw, die met een lessenaarsdak op de kopgevel aansluit. In 1900 werden het huidige ijzeren bovenslagrad (middellijn 5,40 m., breedte 0.91 m.) en de vierkante smeedijzeren molenas aangebracht. Het is het grootste bovenslagrad van de provincie Limburg. Het gangwerk van gietijzer is vermoedelijk van oudere datum en werd bij de vernieuwing in 1878 geplaatst. Het bestaat uit een conisch aswiel met ijzeren tanden, dat de koningsspil aandrijft. Het zich op deze spil bevindende spoorwiel drijft de rondsels op de twee steenspillen aan. De molen heeft een overbrengingsverhouding van 1:22,3. Deze versnelling houdt in, dat het waterrad met zijn groot aantal cellen een langzaam draaiend rad is, dat 3 tot 4 omwentelingen per minuut maakte. Op de steenbedding ligt een koppel 17-er blauwe Duitse stenen voor het tarwegemaal en een koppel 17-er kunststenen voor het boerengemaal en voor het malen van bakrogge. Beide koppels stenen zijn nog voorzien van de oorspronkelijke achtkante houten kuipen. De maalvloer ligt bijna een meter beneden de beganegrondvloer of het molenerf. Voor het hijsen van de zakken van de begane grond naar de graan- of opslagzolder werd gebruik gemaakt van een staande handlier met een houten frame. Een enkele deur geeft toegang tot de molen. Het water van de Molenbeek werd boven de molen verzameld in een vergaarvijver van gemetselde mergelsteen omgeven door een aarden wal. Daarop is de kanjel, voorzien van een schuifje, aangesloten, die het maal- en loswater boven en achter het waterrad brengt. Boven het rad bevindt zich in de kanjel een bodemklep, die vanuit de molen kan worden bediend. In geopende toestand valt het water in de cellen van het rad, waardoor dit onder invloed van het gewicht van het water in bedrijf komt. In gesloten toestand wordt het water over het rad heen gevoerd en valt op enige afstand van de molen uit de hoge kanjel in de beek. (3103)
Pdf-document: http://www.vvvzuidlimburg.nl/uploads/i/plaatsen/pdf/76.pdf
Bron: http://www.vvvzuidlimburg.nl/regiosplaatsen/plaats.aspx?plaatsid=76&gclid=CMa70b_PjpoCFQqF3godjVQoGA




