Zich van Verre
van dichtbij
VKBlog Headerimage

Het problematisch leven van Pierlala

zaterdag 20 maart 2010 01:32

 

Zijn zeis ligt werkeloos op 's-werelds

maaiveld. Op zijn dooie akkertje

ligt klaarwakker het werktuig.

 

Op een terrasje, in de Provence,

liploos nippend aan ‘n hartversterkertje,

verpoost Pier. Mooi weertje, tralala...

 

(Er de brui aan gegeven, zijn arbeids-

contract eenzijdig opengebroken.

Wil óók een piercing, niet in knoken,

maar in lel of lul of -leve de lol!-

wat dan ook aan vlees voorhanden)

 

O skelet, gedenk toch het eigen vlees,

waarmee u ooit is opgetuigd gewees,

flanerend, ijdel, zonder mededogen,

begeerd door geil omfloerste ogen,

op places to be, met die of die...

 

Maar vlees verkwijnde en werd vaal,

en feestmaal voor menige made

in aarde's schoot, waaruit, sacraal,

toen lieflijk madelijfjes kwamen.

 

(Ooit gaan we allen knookje baden

aan de oeverzijde van de Styx,

waar gitzwart water idyllisch plenst,

purperen lelies droefgeestig drijven,

ranke tailles krakend en knarsend

voor grijpgrage vingerkootjes uit rennen.

We spelen op eigen beenderen fluit

en roepen trots: 'Kijk: zonder lippen!'

Veroorzaken een kletterend geluid

wanneer we lief lijk liggen te wippen.)

 

'Ik wou dat ik dood was,' snottert Pier,

'geen zier te doen voor geraamtes, hier.'

Sad but wise keert hij dan weer

tot de akker, legt zich zwijgzaam neer

bij de Heer zijn arbeidsovereenkomst,

zwaait met zijn zeis alweer in het rond.

Miljoenen mensen sterven terstond.

Maar, oorlog, rampspoed, stil verdriet:

weet dat hij er niet van geniet,

maar het gedwongen, niet voor de poet,

maar voor de baas, pro Deo doet.

 

 

 

 

 

Lennart

vrijdag 19 maart 2010 01:00

Bisschoppelijk College (Sipman)

donderdag 18 maart 2010 02:05

Sipman schuifelde door de gangen, schuifelde het klaslokaal binnen, alsof de vloer spiegelglad was. De magere aardrijkskunde-leraar met zijn doodskop. Een grote hersenschedel waaraan van achteren wat futloze haar-pieken neerwaarts hingen. In zijn hand hield hij een dunne, bruine schooltas voor zich uit gestoken alsof hij voortdurend bezig was deze ergens neer te zetten.

Ik bekeek hem met bevreemding, deze merkwaardige verschijning die me deed denken aan...aan iets in mijzelf...een toekomstig schrikbeeld van mezelf?

Bruine ogen had hij, en ja, nu ik er zo op terug kijk, ze deden me denken aan, behalve die van mijn vroegere vriendje Robbie Reijnders, aan die van, alweer..., mijn vader.

De ogen van Sipman konden, behalve gesloten, ook mooi en warm staan, dat herinner ik me van één bepaalde keer, toen hij me aankeek met een soort weerloos vertrouwen in mij. Het leek alsof hij mij een blik in zijn ziel gunde. Het donker in zijn ogen klaarde op en een warme ,amberkleurige gloed kwam ervoor in de plaats, zoals ik dat soms even in mijn vaders ogen zag dagen, zonder dat het bij hem durfde door te zetten en zich blijvend nestelen in zijn uitkijk op de buitenwereld.

Maar wat was toch dat vreemde in Sipmans verschijning waaraan ik mij vergaapte?

Het was, geloof ik, het net doen alsof hij er niet was in het hem omringende, in de omgeving. Het zich afsluiten voor de op hem gerichte blik, evengoed in de wetenschap dat die er was - of misschien ook niet, wie dat niet controleert weet het nooit. Een gebrek aan gronding onder zijn voeten. Ik zag daarin iets van mijzelf terug, of projekteerde het op hem.

In de klas kreeg hij al spoedig de bijnaam Sippie en hilarisch vond ik de naam die een mede-scholier voor zijn vrouw had bedacht: Mississippi.

Een keer kreeg ik een taakstraf van hem, ik weet niet meer waarvoor, en mogelijk, mijzelf kennende, wist ik het toén ook niet maar durfde niet te protesteren. Hoe dan ook, ik zou de volgende les een spreekbeurt moeten houden over John F. Kennedy.

Thuis las ik wat over hem, onder andere in een aflevering van Het beste uit Reader's Digest, en die herinnering situeer ik op het bed van mijn moeder, bij het nachtkastje, met het schemerlampje. Het lukte me niet me te concentreren. Ik was bang voor die spreekbeurt, bang voor de klas te moeten verschijnen...

Bij de volgende gelegenheid wilde Sipman gewoon met de les beginnen. Met bonzend hart wachtte ik af... Was hij het echt vergeten? Plotseling keek hij in zijn agenda. 'Wacht eens even...,' hoorde ik hem zeggen. Hij noemde mijn naam en keek de klas rond, schijnbaar zonder te weten welk gezicht bij de naam hoorde.

Ik kwam van mijn stoel en ging 'voor de klas' staan, in die open ruimte waarin ik me nergens kon verbergen. Duizelend. Op weke benen. Er kwam niet veel meer uit mij dan enkele zinnen over de gebeurtenis in Dallas... Lee Harvey Oswald... Dood...Lyndon B. Johnson...Daarna stilte. Ongemak in de klas. Ik beleefde het alsof het buiten mij om gebeurde

'Het was de bedoeling dat je wat over Kennedy zou vertellen...'zei Sipman tenslotte.

'Nou, heb ik toch ook net gedaan, zei ik, brutaal en kwaad, om mijn onmacht te verbergen. Er ontstond afkeurend geroezemoes in de klas.

Sipman wist niet wat hij ermee aan moest en stuurde me maar weer terug naar mijn plaats.

 

In ons schoolboek verdiepte we ons in de kaarten van landen waarop door symbolen aangeduide gebieden van industrie, mijnbouw, landbouw, veeteelt, enz., lijsten met in- en exportartikelen, bewonersaantallen, religieuze vertegenwoordigingen, uitgedrukt in percentages. Ik verloor aandacht. Er verschenen droedels in mijn kladblok, een tekening van Sipman.

Ik beeldde hem af als een magere, kale man met een willoos buikje, en in plaats van een piemel een opening, een soort kut waaruit het druppelde. Het druppelde uit hem...

Daggie Den Haag

zondag 14 maart 2010 23:11

den haag

 

 

Het Binnenhof

 

 

 

 

Voorlopig met de brokken zitten

 

 

 

 

Hier weten ze er wel raad mee

 

 

 

 

Frans Rutrink wacht de heer Wilders op

 

 

 

 

Atrium

 

 

 

 

Leeszaalsnurker ('she walked right through my dreams,' verzin je dan)

 

 

 

 

In de Haagsche Kutkring was het weer met peren

 

 

 

 

Soms is de aanblik van licht op een gebouw een pure gelukservaring (dat gebouw blijkt dan later iets overbelicht)

 

 

 

 

Wandelen als Proust (die ooit, in het Mauritshuis, het stukje gele muur op Vermeer's  Gezicht op Delft stond te bewonderen)

Bisschoppelijk College (Hermans)

donderdag 11 maart 2010 00:27

Hermans, klein en gedrongen in zijn kreukelig kostuum, gaf Nederlands. Zijn lessen vonden plaats in een onophoudelijke kakafonie van stemmen en een druk, door pennen, proppen en etuis bevlogen luchtruim. Hij ondernam geen enkele poging controle over de klas te herwinnen, onderging lijdzaam alle vernederingen.

Wanneer hij op het bord stond te schrijven, werd zijn rug geteisterd door vliegende voorwerpen. Daaronder bevonden zich soms ook minder voor de hand liggende objecten, zoals de flacon shampoo die een leerling een keer gooide.

Hij reageerde niet op de aanslagen. Verslagen, met opgetrokken, verkrampte schouders, bleef hij op het bord krijten.

Geleidelijk aan liet ik me meegaan in het wangedrag van de klas.

Gedurende de pauzes zag ik hem wel eens op het schoolplein in gezelschap van een langharige, onverzorgd uitziende jongen met een houding die het midden hield tussen opstand en ongeďnteresseerdheid. Hij bracht me onwillekeurig de jongen met de snottebel in de voortuin in de Groenseykerstraat in herinnering. Ik vernam van andere leerlingen dat het zijn zoon was en vroeg me af hoe hun relatie zou zijn, en hoe het voor mij zou aanvoelen als mijn vader daar in zijn plaats zou staan. De verbeelding vervulde me met deernis.

Die deernis weerhield mij er blijkbaar niet van er genoegen in te scheppen Hermans te belagen. Ik nam mij voor nog verder te durven gaan dan de anderen, dan de shampoo-gooier. Dus een keer gooide ik een sinaasappel tegen zijn rug, waarna ik mij snel over mijn boek heenboog, met bonzend hart hem observerend vanonder mijn wimpers. De daad had geen gevolgen. Hij had zich wel omgedraaid om de dader te vinden, maar...

Op een middag stapte de door het kabaal gealarmeerde rector Giesen de chaotische klas binnen en nam ons met zijn ziedende, griezelig blauwe ogen langdurig op. Iedereen zat verstijfd van schrik. Doodse stilte. Giesen wierp uiteindelijk nog even een blik op Hermans en verliet weer het lokaal.

Op een middag barstte de bom. Hermans werd woedend. Begon de rond hem op de grond neergekomen projectielen weg te schoppen en wilde vervolgens een jongen te lijf gaan. Er volgde een achtervolging tussen de schoolbankjes en de jongen ontsnapte door de deur van het schoollokaal.

Niet lang erna werd hij vervangen. Als ik me niet vergis nam Zuster Hyacintha zijn plaats in.

Nu nog, kan ik soms vochtige ogen krijgen als ik terugdenk aan aan het verdriet dat de man moet hebben gekend. En intense wroeging voelen om mijn laffe, miserabele, minne daden.

Lekker weer

zondag 7 maart 2010 03:21

foto

Bisschoppelijk College (De priester)

zaterdag 6 maart 2010 01:11

Hij was een priester van wie ik geen les kreeg. Hij hield zich vaak op in de hal, bij de ingang van het studie-lokaal. Daar zocht hij, als het even kon, contact met 'de witte,' en vooral met mij. De witte was resoluter dan ik in het tonen van zijn antipathie. Met een bocht liep hij langs hem heen. Ik durfde dat niet.

Ook wanneer ik hem tegenkwam in de donkere gangen van het gebouw toonde hij meer dan gemiddelde belangstelling voor me.

Zijn grijs stekelhaar was zó opgeschoren dat de bovenkant van zijn hoofd een vlak plateau vormde waarop, in mijn fantasie, kleine helikopters landden. Een kinderlijke man, die eigenlijk liefst even oud als de jonge leerlingen was gebleven, bedacht ik. Hij deed me wat aan mijn 'oom' Rinus denken.

Op een dag nodigde hij me uit op zijn kamer. Daar zou hij mij iets laten zien dat verband hield met Ernest Claes' 'De witte.'

Het bleek een klein, met spullen volgepropt kamertje, waarin ook een bed stond. Op de tafel lagen de opengeslagen boeken waarvan hij de pagina's omsloeg om me foto's te tonen. Hij stond naast me met zijn lichaam tegen het mijne aan gedrukt. Ik veinsde interesse in een bepaalde foto waarvoor ik, om hem aan te wijzen, een stapje naar rechts moest maken, zodat ik het lichamelijk contact kon verbreken. Maar de gespeelde interesse moedigde hem aan om opnieuw zijn lichaam tegen het mijne aan te gaan schurken.

Ik voelde hoe ik hierdoor macht over hem verkreeg, alsof ik mij plotseling op geheim, maar bekend terrein bevond. Hij verlangde iets van mij en ik kon ongemerkt met dat verlangen spelen.

Een lachwekkende, infantiele ziel in een oud lichaam. Om mijn ware gevoelens te ventileren becommentarieerde ik een beetje in gedachten zijn woorden en daden, terwijl ik me uiterlijk voorkomend en meegaand gedroeg, zoals me thuis was aangeleerd.

We kwamen nu bij de foto waarom het hem allemaal gegaan was: een afbeelding van de slaapkamer van de schrijver Claes, met een bed waaronder een in de schaduw wit oplichtende, geëmailleerde po stond. Lachend van de pret wees hij hem mij aan.

Ik kon me nu niet meer inhouden en proestte het uit. Maar hij interpreteerde mijn uitlachen als mee-lachen en begon geamuseerde elleboog-porren in mijn buik uit te delen.

Er volgde uitweiding over hoe dat dan wel gegaan moest zijn... als de schrijver ging plassen... Ik bracht mijn hand voor mijn mond om mijn van ingehouden lach trillende lippen  te verbergen. Hij merkte het op en verkeerde opeens in twijfel over mijn bedoelingen. Dus haalde ik vlug mijn hand weg en ruilde het besmuikt lachen in voor een openlijke lach, waarbij ik hem maar even 'open' aankeek. Zijn wantrouwen verdween weer als sneeuw voor de zon.

Ik voelde me machtig. Het vreemd soort macht dat een onmachtig kind niet behoort ooit te hebben opgedaan.

 

Bisschoppelijk College (Willems)

vrijdag 5 maart 2010 01:12

Willems gaf Engelse les. Dat deed hij in een brave grijze broek en een blauw colbertje. Hij droeg een kapsel waarin links de scheiding was getrokken, zoals mijn moeder dat ook zo graag bij míj zag. Maar zijn haar was wel langer dan het mijne, voorzichtig meegaand met de veranderende maatschappelijke normen der zestiger jaren als hij was. Met zijn onconventioneel gedrag, dat ik interpreteerde als een bewust door hem in stelling gebracht tegenwicht voor de conservatieve, bekrompen geestelijkheid, werd hij een van de schaarse bakens van licht in het donkere gebouw met zijn labyrinthische gangen.

Hij was vriendelijk voor me, welwillend.

Soms gaf hij ons onverwacht een dictee-opdracht. Dan lag hij op zijn zij op de grote, brede vensterbank, steunend op zijn elleboog, zijn hoofd rustend in zijn hand, terwijl hij in zijn andere hand het papier voor zich uit hield vanwaar hij ons op quasi-Shakespeariaans gedragen toon tien zinnen dicteerde, gelardeerd met grapjes en met aangedikte uitspraak van in zijn optiek met grappige context beladen, of ouderwetse aandoende woorden.

Florence Nightingale heette bij hem 'Fleurtje Nachtegaal.' Het Engelstalig boek (titel?) dat we in de klas en thuis moesten lezen, en dat hij zelf maar zo zo vond, kreeg bij hem als gebruikstitel 'Den genheimzinnige,'

Het was Bob Dylan (Blonde on blonde) die ons ertoe had gebracht een lange sjaal te dragen, ook in de klas. Bij binnenkomst was zijn begroeting dan ook steevast: shalóm, sjaal áf!

Toen we een keer, na de pauze, rokend, in de rij naar de ingang van het gebouw schuifelden, stond hij toezicht te houden. Omdat ik niet wilde dat hij mijn sigaret zou zien hield ik de hand waarin hij brandde achter mijn lichaam verborgen. Maar hij pakte me bij de pols en stak mijn arm triomfantelijk omhoog. Blijkbaar trots op mijn ongehoorzaamheid, wilde hij me aanmoedigen, ik was immers toch al zo timide...'

'De witte,' een jongen die zo genoemd werd om zijn spierwit haar, liep naast mij en wilde blijkbaar in het succes delen want hij bracht zijn mond naar mijn oor en zei, er zorg voor dragend dat het luid genoeg was dat Willems het zou horen:

'Gelukkig heeft hij de mijne niet gezien!

'Jaja, hij heeft je gehoord, hoor,' antwoordde ik maar en Willems wierp me een geamuseerde blik toe die ik zowaar kon beantwoorden. Dat was een tweede ervaring van vriendschappelijkheid, die, hoe onbeduidend ook, blijkbaar ongewoon voor me was, mijn gesloten vader onbewust indachtig.

'To like' had Willems gezegd. Wij moesten de mogelijke betekenissen van het woord aandragen. 'Mogen,' opperde ik. Mijn vader gebruikte immers vaak de uitdrukking 'Ik mag die of die wel.' Maar Willems wees de betekenis af als 'wat ver gezocht.' Dat was opzettelijk niet te afwijzend uitgedrukt. Tot hij een half uur later ongemerkt dezelfde Nederlandse betekenis gebruikte in een eigen context en me daarna verrast aankeek.

I liked him to like me.

 

 

Bisschoppelijk College 1

zaterdag 27 februari 2010 00:50

Toen ik de lagere school had afgemaakt moest keuze voor een middelbare school worden gemaakt.

Marc S. was naar het Bisschoppelijk College in Sittard gegaan en René van S. zou hem volgen.

Rene en Marc... mocht ik in hun buurt kunnen blijven vertoeven dan zou de mogelijkheid tot vriendschap blijven voortbestaan, hoezeer die ook al aan verregaande erosie onderhevig was. Maar eigenlijk, diep van binnen, besefte ik dat mijn teloorgang, mijn eenzaamheid, onafwendbaar was. De toekomst lag voor mij als iets loodzwaars en donkers, dat ik alleen nog maar voor de vorm zou kunnen doorbrengen.

Ik bracht hen niet op de hoogte van mijn verlangen naar vriendschap want ik was bang dat ze me zouden afwijzen, dat ze de angst om hun afwijzing zouden zien, en nog veel méér zouden zien, al wist ik niet precies wát....ja, dat ik bang was, raar was, iets mislukts.

 

Toen ik mijn ouders, die vanzelfsprekend aannamen dat ik de Scholengemeenschap St. Michiel zou gaan bezoeken, van mijn voorkeur op de hoogte bracht vielen ze zo ongeveer van hun stoel. Zij waren er zeer tegen gekant dat ik een school in een andere stad zou bezoeken, een ouderwetse jongensschool nog wel, waar ik nota bene onderwezen zou worden door katholieke geestelijken. (Hoewel het bezwaar tegen dat laatste me ook wat verbaasde. Zij hadden mij immers katholiek opgevoed en daarmee indirect, en mijn moeder soms ook direct, priesters ten voorbeeld gesteld) Op alle mogelijke manieren probeerden ze me van gedachten te veranderen.

We zaten aan de krakende eettafel, in die kamer waar je bij stilte de pendule hoorde tikken, onder het droevige lamplicht. Ze vroegen me er nog eens goed over na te denken...waarom ik toch zo graag daarheen wilde.

Ik durfde niet de ware reden te vertellen. Die woog als een loden jas. Zij was taboe, want laf, en belachelijk, en mijzelf en vooral mijn ouders ten schande. Dus ik haalde mijn schouders op, onverschilligheid jegens de vraagstelling veinzend, vanuit een poel van angst en schaamte.

Ik klampte mij vast aan die wens, als aan een stuk drijfhout. Het was mijn laatste hoop, mijn enige nog bestaande lijn naar mogelijke vriendjes, hoe dun die lijn ook was. De anderen, John, Rob, Nico, waren als opties weggevallen.

 

Uiteindelijk zat er niets anders voor hen op -ik hoor hierbij de zucht van mijn vader nog- aan mijn door wanhoop ingegeven keuze toe te geven. Ik zou dus naar het Bisschoppelijk College gaan, naar de HBS. Ik kreeg daartoe een fiets.

De aankoop van een heuse fiets was voor mijn ouders een gewichtige onderneming. Vol trots stonden ze achter het raam toe te kijken hoe ik voor het huis met twee jongens, eveneens met fiets, stond te praten. Ik had van hen afgekeken hoe zo achteloos en nonchalant mogelijk met je billen op de stang, schuin tegen de fiets gestut te staan. Maar toen ik het nadeed werd ik duizelig en week, een gevoel dat uit mijn zitvlak opsteeg. Ik ging met fiets en al tegen het asfalt. De jongens lachten me uit.

Mijn ouders ontstaken in woede en maanden me onmiddellijk naar binnen te komen. Ik tilde de fiets overeind en liep ermee ons voortuintje binnen. Mijn moeder had de deur al geopend en mijn vader, met brandende ogen en ontblootte, op elkaar gebeten tanden, tilde de mij zo onwaardige fiets naar binnen. Daarna hield hij zich als een hoge druk-ketel afzijdig, terwijl mijn moeder me met gestrekte arm de trap naar boven wees.

Ben 's & Wees 's 3

dinsdag 23 februari 2010 21:04

 

Nel, de barjuf, wijst hem met een korte, zijwaartse knik van het hoofd aan en zegt: 'Als kind wilde hij een vlieg voor zijn gezicht weg slaan terwijl hij een schaar in zijn hand hield. En toen stak hij zijn eigen oog stuk. Sinds die tijd loopt hij met een glazen knikker rond.'

Opeens kan ik de oorzaak van zijn altijd zo merkwaardig oogcontact duiden.

Hij zit grijnzend voor zich uit te kijken. Zijn schouders stoten gedurende een kort, geluidloos lachen, op en neer. Hij werpt me een korte, haast verontschuldigende blik toe.

'Het is me nooit opgevallen.' zeg ik.

'Het oog beweegt met het andere mee,' verklaart ze, 'de oogspier is eraan gehecht.'

'Hoe kan dat dan?' vraag ik. 'Trouwens, ik snap niet hoe je hem in de oogkas krijgt gedrukt. De doorgang is toch veel te nauw?'

Om mij aanschouwelijk te onderwijzen begint hij met beide handen naast zijn neus te frutselen en seconden later tovert hij, als een volleerd goochelaar, het oog tussen drie vingertoppen tevoorschijn. Maar het ontglipt hem en het valt tussen ons in op de grond.

'Kijk...' zeg ik, 'dit is interessant...'

Ik glij van mijn kruk en begin op handen en knieën de donkere, houten vloer af te speuren. Waar...? Ah!... dáár ligt het glazig kleinood, mij angstig opnemend vanuit haar kwetsbare positie. Terwijl ik het opraap en weer overeind kom schiet mij een oud gezegde te binnen: de muren hebben hier oren.

Ik overhandig hem het hem rechtmatig toekomende. Daarbij heb ik gezien dat het oog niet rond is, maar onvolmaakt ovaal, en in de vlakke achterzijde zit een kleine, cirkelvormige holte. Daar zal de spier op een of andere wijze zijn houvast in vinden, denk ik bij mezelf, want ik zie geen kans het te vragen, nu Hans het oog weer alweer aan het terug stoppen is in zijn uitkijkpost en voort bakkeleit met zijn ex over hun gedeeld, echtelijk verleden. Over wie er de schuld draagt, van dit, en van dat, van heb ik me jou daar... Het is de dood van hun zoon, hun oogappel, bijna een jaar geleden, die hen weer heeft bijeen gebracht.

Ik leg mijn oor maar weer te luisteren.

'Maar dat vergeef ik je nooit meer,' vang ik op van Nel, 'daar zat jij héél, héél erg fout!'

'Ja, dat was niet aardig' antwoordt hij, minzaam glimlachend. Zijn hand brengt een brandende lucifer naar de kop van zijn pijp. Bij elke puf die hij neemt slaat het vlammetje neerwaarts, richt zich daarna weer flakkerend op. Hij slaat de lucifer uit en legt hem naast het doosje, op de toog. Een en ander geschiedt met bedaarde motoriek, met bewegingen, zó kalm, zó beheerst en bedachtzaam, dat ik vermoed dat hij sinds die ongelukkige dag zijn lesje maar al te goed heeft geleerd. Maar mij, en zo te zien ook zijn ex, maakt het kregel. Zou die irritante onverstoorbaarheid van hem voor haar mede aanleiding zijn geweest om een scheiding aan te vragen?

Door de muziek kan ik hun gesprek maar half volgen.

Ik hoor haar zeggen: 'luister, als je niet harder praat versta ik je niet... ik heb hier echt geen zin in.'

De kroegdeur gaat open en mijn aandacht wordt getrokken door de jonge vrouw die binnenstapt. Mijn pupillen verwijden zich. Dat kan een kunstoog niet, bedenk ik.

Het is helemaal niet moeilijk je voor schoonheid of lust opwekkende sensaties af te sluiten. Je focust je gedachten gewoon op iets anders en toont je daarmee een lichtend voorbeeld van een heer van middelbare leeftijd passende discretie. Daar was ik in mijn Junge Werther-jaren al akelig goed in, besef ik nu. O mijn God, had ik toen maar, had ik maar...O tijd, gij vuile dief! O, miljoenen seconden verslindende sluipmoordenaar! O....eh...O!

Ach wat, het zou toch allemaal maar tegengevallen zijn, voer ik voor mezelf ter rechtvaardiging aan. Alleen op afstand, ver genoeg om pukkels, puisten, slechte adem, minne karaktertrekken, alles wat gewoon menselijk is, niet te zien, gedijt de romantiek.

Ik heb een keer een foto gemaakt waarop de zojuist binnengestapte diva bleek te zijn afgebeeld. Die foto komt vaak langs wanneer ik het Picasa-programma op mijn computer door scroll. Ik voel me wat bezwaard door het inmiddels opgedaan gevoel van familiariteit met haar, en anderen hun verschijning. Verschijningen van mensen die mij verder volstrekt onbekend zijn.

Op die foto staat zij, in gezelschap van twee vriendinnen tussen hongerige jongemannen de blitz te maken met het flitslicht in haar ogen. Haar vriendinnen ogen als buitenaardse verschijningen met vervaarlijk illuminerende, blauwe irissen, vervaardigd uit verrijkt uranium. 'Arische' ideaal-beelden, met vierkante, wat mannelijke kinnen, hoge jukbeenderen, kort, blond, in kleine golfjes tegen de schedel geplakt haar, stijl roaring twenties. Mierzoet gelipstickte lipjes.

Een full-time player, lijkt ze me, nu ik haar weer observeer, maar in haar ogen schemert af en toe twijfel over de uitkomst van de door haar gevolgde levenskoers. Eenzaamheid is het lot der na verloop van jaren thuis voor één persoon piepers jassende femme fatale. Oud pannetje met beschadigde email-laag.

Ik kook zelf in zo'n pannetje, besef ik opeens. Ik zit waarschijnlijk flink te projekteren. De pijn in de gewrichten en de onderrug begint weer op te spelen.

Ik probeer weer interesse op te wekken voor het gesprek tussen Nel en Hans, maar ik moet toegeven aan mijn gevoel van verveling. Ze zien er opeens ook zo oud, versleten en uitgedoofd uit, mijn leeftijdsgenoten.

Met het oog op morgen, wanneer ik vóór de middag wakker moet zijn, stap ik op. Een joyeuze armzwaai, ergens het midden houdend tussen welgemeendheid en ironie laat ik achter. Ik pers me -met zijwaarts gedraaid lichaam en ingetrokken buik, om mij zo smal mogelijk te maken- schuifelend door de meute, nu en dan -niet te dwingend, niet te slapjes- een hand op deze of gene zijn schouder leggend, hier en daar een verontschuldigend woordje strooiend, een vriendelijk glimlachje schenkend, kwade gezichten negerend.

Ik ben bijna bij de deur, waar zíj staat. Ik kom een ogenblik recht tegenover haar te staan. Ze schenkt me zowaar een vriendelijke blik. Ik wijs naar Hans.

'Zie je die man?' 

Haar ogen zoeken even en blijven dan op hem rusten. 

'Wat is er met hem?'

'Hij heeft een oogje op je.'

'O...?'

'Ja, eentje maar, hoor.'

Verveeld draait ze zich om.

Ikzelf zal blij zijn als ik zo dadelijk, op één oor gelegen, mijn ogen kan dicht doen, zodat ik niet meer dwangmatig woorden met 'oog' erin zit te verzinnen

 

Naked and unashamed

donderdag 18 februari 2010 16:16

Voer voor psychologen

vrijdag 12 februari 2010 04:00

I says.....kwak!

vrijdag 5 februari 2010 03:22

Luister, dit is het plan...

donderdag 4 februari 2010 02:22

De vanger in het koren

vrijdag 29 januari 2010 19:02

j.d.salinger, the catcher in the rye

 

 

 

Holden Caulfield is sinds vandaag wees. Destijds vroeg hij zich af: waar gaan de eendjes heen als de vijver bevroren is. Die vraag bleef altijd in mij nagalmen. Evenals zijn cynische observaties van de hypocrisie der wereld van volwassenen, phonies genaamd (deze of gene Salvation Army-soldaat uitgezonderd). En allerlei andere zaken die me soms ontgingen, want ik las The Catcher in the Rye op mijn 19de, op aanraden van mede-studentenhuisbewoner W., in het Engels en dat beheerste ik niet héél erg goed. Maar goed genoeg om het boek blijvend in mijn hart te sluiten. Ik heb het nadien nooit herlezen, uit angst teleurgesteld te worden. Misschien wordt het toch eens tijd. Dat ander icoon der adolescentie. De Avonden, viel bij herlezing van het boek en beluistering van het ingesproken boek, ook niet tegen, integendeel.

Holden, ik kende hem zo goed, hij school in mij, zijn afkeer verschool ik achter een onbewogen gezicht van schijnbare onverschilligheid. Ik had ook een lief, onschuldig zusje: Irene.

 

Jaren later ontmoette ik N., die Franny and Zoey-fan was. Dat ging ik dus ook lezen, ook zo'n mooi zilverkleurig Pinguinnetje, maar het sloeg niet zo bij me in als destijds The Catcher deed.

Dat een personage uit een boek mogelijk tot rampzalige ondernemingen kan inspireren, zou men kunnen afleiden uit de moord van Marc Chapman op John Lennon, gepleegd in de hoop dat diens roem op hem zou overslaan, zo zou hij later verklaren. In zijn identificatie-drift hield hij er zelfs een eigen soort Yoko Ono op na. Toen ik me destijds probeerde te verplaatsen in het hoofd van Chapman, stelde ik me voor dat het voor hem een opluchtig zou kunnen zijn geweest diegeen te elimineren die hem verhinderde een eigen identiteit te ontwikkelen, maar die interpretatie heb ik nooit bevestigd gezien door zijn schaarse uitlatingen of in beschouwingen van derden.

Op gegeven moment publiceerde Salinger niet meer, maar een leven lang is hij blijven doorschrijven. Hij beschouwde zich immers als het beste wat de Amerikaanse literatuur ooit heeft voortgebracht, zo las ik net hier

Vijftig jaar lang in zelfgekozen isolement blijven doorschrijven. Dat belooft wat, wanneer straks zijn archief wordt ontsloten!

Ik ga nu kijken naar deze.

(En dat heb ik inmiddels gedaan en ik raad het iedereen af. Oersaai.)

Rotterdamse bouwmaatjes

zondag 13 december 2009 16:57

fotografie foto rotterdam

 

 

 

 

 

 

 

Een vader, 8

zaterdag 5 december 2009 01:53

Mijn moeder en ik omgeven mijn vaders vreemde aanwezigheid met verborgen oplettendheid.

Soms neemt hij ons verbaasd op. Dan lach ik hem vriendelijk toe. Hij lacht aarzelend terug, heel even, dan worden zijn ogen weer donker van wantrouwen.

Vanuit zijn fauteuil kijkt hij naar de televisie, zonder het programma te volgen, dat lees ik af aan zijn onrustige ogen die niet weten wat met ons, vreemden in dezelfde kamer aan te moeten.

Het is de fauteuil die ik, lang geleden, toen hij nét nieuw was, kapot maakte door voorop de rand te gaan zitten, ondanks zijn doorgegeven waarschuwing van de verkoper dit niet te doen. Zijn ogen hadden gebrand van kwaadheid. Ik stond enkele meters van hem verwijderd in de erker en had de mijne beschaamd neergeslagen.

In de dagen erop volgend zou hij eigenhandig de stoel repareren door een strook metaal op maat te zagen, in vorm te buigen en er de geknakte poot mee te spalken.

Naast hem, op het blad van de boekenkast, naast het extra televisie-microfoontje dat hij zich ooit aanschafte omdat zijn vrouw altijd door de programma's heen praatte, staat de telefoon. Hij neemt de hoorn op om te vernemen of er misschien een stem hoorbaar is in het lege, kosmisch geruis dat in zijn oorschelp moet rondtollen. Na enige aarzeling, waarin hij overweegt de zwijger aan de overzijde op te roepen zich kenbaar te maken, legt hij langzaam de hoorn weer neer. Meteen daarna neemt hij hem weer op en hetzelfde tafereel herhaalt zich. Dat gaat maar zo door...

'Hij is bang dat de visite nu zal wegblijven,' zegt mijn moeder, die ook vaak over mij praatte alsof ik er niet bij was.

Ik geef maar geen antwoord. En denk: misschien ook, vanuit zijn koppig ingeprent verantwoordelijkheidsgevoel, maakt hij zich zorgen om háár, bang dat door zijn geestelijk onvermogen de kennissen haar nu niet meer zullen bezoeken. Zij, voor wie hij al lang geen liefde meer voelt maar die hij wel nog een belofte van vroeger trouw is, die van dat plechtige moment van het jawoord, ten overstaan van God uitgesproken, lang lang geleden. Maar..., overweeg ik, dat kan niet... hij kent haar nu immers niet. Of...? Hoe werkt dat in die hersenen?

Nu en dan lijkt hij heel even wat tot zichzelf te komen, dat merk je aan de kwaadheid op het in hemzelf geconstateerd, beschamend onvermogen, hoe hij poogt het te verbergen. Eigenlijk begonnen die korte momenten van weg vallend bewustzijn al heel, heel lang geleden. Maar toen waren het slechts korte momenten, waarna hij heel boos kon kijken, zich betrapt voelend in zijn kwetsbare staat.

Hij staat op en loopt naar de tafel van de achterkamer. Om de samenhang van zijn denken te testen gaat hij met een balpen zinnen in de marge van 'De Nieuwe Limburger' schrijven. Zinnen die hij daarna overleest en hoofdschuddend afkeurt. Maar daarbij ontbloot hij niet langer, zoals hij altijd deed, zijn op elkaar gebeten tanden. 'Als het niet kan zoals het moét, dan moet het maar zoals het kán,' zei hij vaak, wanneer een klus niet verliep zoals hij wilde. Maar hij staat nu machteloos. Hij ziet woorden die onbegrijpelijke zinnen vormen, zinnen die niet in deze samenstelling gereed lagen in de uitgaande expeditie-ruimte van zijn hoofd. Hem is overkomen wat hij ooit zijn chef op de DSM heeft zien overkomen, toen hij liet weten: 'Als het ooit met míj zo ver komt, geef me dan maar een spuitje.'

Op tafel ligt de reclamefolder van David Leavitt's roman De verloren taal der kranen.' Hij gaat ook dáárop schrijvend zijn taal uitproberen. De ironie...

En al dit vreemde, ongewenste, nooit van mijn leven als mogelijke toekomst beschouwde, speelt zich af in deze een leven lang zo vertrouwd gebleven huiskamer waar, op dat vertrouwde, roodbruine, perzisch tafeltapijtje, vanaf mijn kindertijd, de kristallen asbak staat, en de mahoniehouten fruitmand, en in de hoek staat het theetafeltje met het Engels porcelijn met de roosjes, en achter hem het dressoir met de witte, keramische fruitmand, waarin mijn moeder, om mijn vader de schuld te geven van mijn problematiek, een keer achteloos een uitgeknipt krantenartikel had gelegd met de kop 'Gesloten vaders maken bange zoons. Alles wat zo vertrouwd erbij stond, onder het dictaat van de onaangedaan voort tikkende pendule op de schoorsteenmantel, alsof het altijd zo zou blijven, het lijkt uit stille discretie de ogen neer te slaan. Een brute, ongeletterde indringer in dit huis, dat hij ter bescherming van zijn gezin betrok en bewaakte, heeft bezit van hem genomen en is niet te bevechten.

Godverdomme, godverdomme! denk ik.

De jeneverfles die altijd met mate en beheersing werd aangesproken weet evenmin wat hem overkomt. Hij wordt vastgegrepen door mijn vaders hand. Hij schroeft de dop eraf en zet hem aan zijn mond. Hij drinkt alsof het water is. Mijn moeder en ik grijpen snel in, nemen hem de fles af, wat hem natuurlijk kwaad maakt. Maar mijn sussende hand, voor het eerst van mijn leven rustend op zijn schouders, kalmeert hem.

We krijgen hem zo ver dat hij weer in zijn stoel gaat zitten.

Even later staat hij op en loopt de kamer uit, naar de keuken. Na enkele seconden volg ik hem, mij voordoend alsof ik daar toevallig ook wat te zoeken heb. Ik tref hem aan, plassend in de vuilnisbak.

Hij gaat weer de kamer in, schrijven, oefenen, zoeken...

Als het bedtijd is krijgt mijn moeder hem zover mee te gaan naar de bovenverdieping.

Hij is nu in de slaapkamer, waar hij als altijd zijn bleke lichaam achter de deur uit zicht houdt, om zich uit te kleden, zijn pyama aan te doen. Op de overloop overleg ik nog even met mijn moeder. Ik houd mijn tranen niet binnen. 'Ik hou zo van hem,' zeg ik. Voor het eerst zeg ik dat.. Meteen zie ik aan mijn moeder dat ze zicht tekort voelt gedaan en ik kom haar tegemoet door te zeggen 'en ook van u.'

Maar dat heb ik geforceerd gezegd. Mijn moeder begint nu over wat ze blijkbaar altijd voor zich heeft gehouden. Dat alle aandacht altijd naar hém uitging, dat, als er ter gelegenheid van jubilea of kerstmis cadeau's door de kinderen werden gegeven die eigenlijk altijd voor hém bestemd waren, áltijd...

 

Land met ander licht

woensdag 2 december 2009 19:30

 

Op de dag van zijn dood, toen de televisie die droevige, melancholieke, maar maar al te gretig voor het leven gekozen hebbende we zullen doorgaan-ogen vrijwel voortdurend in beeld bracht, moest ik denken aan Hans.

Hans, de drinker in de kroeg met de droeve bruine ogen.

Hans was niet door zijn moeder vanaf een perron op een trein gezet die daarna doodleuk van haar wegreed. Hans was vlak voor de Russische inval in Hongarije door zijn ouders naar Oostenrijk gestuurd en hij moest die weg lopend afleggen.

Hij heeft zijn ouders daarna nooit meer terug gezien.

Als hij eraan denkt stromen brede traanrivieren over zijn wangen. Dat gebeurde de eerste maal, toen hij mij het verhaal vertelde, en de enkele keren daarna, toen ik hem aan zijn verhaal herinnerde omdat hij niet meer wist dat hij het me verteld had, noch wie ik was, terwijl ik mezelf toch óók had blootgegeven door hem míjn verhaal te vertellen, dat stak wat...

Ik had Hans aanvankelijk gemeden. Ik had gezien hoe hij naar me keek, in mijn beleving op de wijze waarop een verkrachter naar je kijkt. Hij zag, als iedereen, de moeder achter mij, 53-jarige man, doorschemeren, die de brave, wereldvreemde zoon met nog nesthaar had voortgebracht, en hij voelde instinctief ook dat andere dat mij ...... . Dat van die brave opvoeding, dat had ie inderdaad gezien, vertelde hij me later, met die wat onsympathieke grijns die me zo vaak ten deel is gevallen.

Als jongen bekeek ik Ramses Shaffy op tv met reserve. Ik zag hoe zijn hoofd door alcohol was getekend, en ik kende de drinkers als degenen die vonden dat ik niet echt leefde en nooit iets had meegemaakt. De bijbehorende walm van drank die ze daarbij uitademden deden me altijd de betrekkelijkheid der dingen inzien, al vond ik wel dat ze enigszins gelijk hadden. Wist ik veel....Ik wist niets van wat ik had meegemaakt. Ik was bevroren. En mij trof de blaam van degenen die het monopolie op gevoeligheid meenden te bezitten en maar weer eens een met van het drinken trillende handen een plaatje van Brell of Piaff op de draaitafel legden, in hun gestrande leven.

Ramses strandde niet, hij was kunstenaar pur-sang, hij rolde zonder mos te vergaren, meen ik, al was hij óók erg blij met zijn paspoort.

'Hoog Sammy, kijk omhoog Sammy!" zei mijn moeder vaak tegen me, bezorgd om mij. Dan lachte ik wat scheef. Ramses zou ze overigens niet binnen hebben gelaten, mocht hij ooit dronken aanbellen, zo was het dan ook wel weer.

Ik keek vroeger naar Ramses met, behalve reserve, grote bewondering, en later, bij het klimmen der jaren, met liefde. Toen ik zijn grijze hoofd gisteren zag, huilend achter de piano, ik had hem willen strelen en al zijn verdriet weg kussen. En scheren...Hij zou het zowaar toelaten en gieren van de lol terwijl ik zijn kaken met het ouderwetse kwastje vol sopte. Dagfantasieën...Als 18-jarige zag ik ooit op West-end de "Rocky horror-show, waarin het refrein: 'don't dream it, be it.' Lukte me niet zo...

Shaffy dééd het. Ook met drank.

Land met een ander licht, dat kende hij dus óók, dat gevoel, als Amsterdam stil is...

Ik slik seroxat. Tegen de levensangst.

Wat je als kind hebt mee gemaakt, dat gaat nooit meer weg, dat bepaalt je hele verder leven. Ook bv. John Lennon kende een sarcasme dat terug te voeren is op het verlaten zijn door zijn ouders.

Ik weet niet meer precies wat ik wil zeggen. Nou ja, zoals de meesten hier: leve Ramses! Weg met Calvijn!

 

Lagere schooltijd 4

maandag 30 november 2009 01:02

Vroemen onderwijst ons in vaderlandse geschiedenis. Hij vertelt over de oorlog.

'Een heleboel mensen denken dat Hitler iets tegen joden had, maar dat is niet zo. Wie weet waarom niet?'

Een grote, dikke jongen met een papperige gezicht steekt zijn hand op.

'Omdat hij zélf een Jood was, meester!'

'Juist!' zegt Vroemen, 'Hitler was zélf een jood.'

Na afloop van de schooldag dag loop ik langzaam huiswaarts. Ik laat het idee nog eens door mijn hoofd spelen. Hitler...een jood... Ik begrijp het niet en wil het niet begrijpen. Ik ken de verhalen die mijn ouders verteld hebben. Ik zie de beelden van de televisie weer voor me: joden die goederenwagons worden binnen gedreven door soldaten in lange jassen die met geweerkolven tegen hun lichamen beuken. Vrouwen in donkere jassen, met hoofddoeken, in hun armen een kind met grote, angstige ogen. Prikkeldraad waarachter vrijwel naakte, uitgemergelde mensen met holle ogen in de camera staren, alles in de zwart-wit omgeving van een werkelijk bestaand hebbende hel in de geschiedenis van vóór mijn geboorte.

Dezelfde beelden die voor mijn geestesoog opdoemen als ik langs de parallelweg loop waar, over een verhoogde baan, achter een afrastering met prikkeldraad, langzame, bespookte locomotieven gaan die lange rijen vuil-lila gekleurde goederenwagons voorttrekken met ijzeren onverzettelijkheid. Meedogenloos, mechanisch, donderend kabaal. Gejammer. Trillende grond onder mijn voetzolen. Wagons, die in mijn verbeelding vol joden zitten, trekken voor mijn ogen voorbij, soms onderbroken door open, lege wagons, zodat je aan de overkant van het spoor de grauwe bouwsels en pijpleidingen van de mijn kunt zien, gehuld in stoomwolken.

Ik besluit het er thuis niet over te hebben.

 

Dezelfde jongen, later in het jaar, barst in de klas in huilen uit omdat iemand zijn moeder voor 'mof' heeft uitgemaakt. Vroemen wuift de tranen weg als aanstellerij.

'Ja maar,' valt een jongen hem bij, 'zijn moeder is Duitse!'

'Nou, dan scheld je gewoon terug. Dan noem je hem kaaskop.'

Ik begin met de jongen om te gaan. Niet omdat ik hem aardig vind, maar omdat hij mij niet van zich afstoot. We ontwikkelen een geheimtaal, die bestaat uit letters vervangende, zelf verzonnen tekens. We ontvangen elkaars 'brieven' en thuis ontcijferen we ze aan de hand van onze geheime handleiding.

Mijn moeder, die een verandering in mij heeft waargenomen, kijkt bezorgd toe maar is tevreden dat ik in elk geval nog een vriendschap onderhoud.

Ik ben lid geworden van de Bazookaclub, van de kauwgom. Ik ontvang Bazooka-post die vertelt dat ik besta en niet alleen ben.

Op een dag, als ik een bad heb genomen en de badkamer verlaat, staan mijn altijd ruzie makend of in gespannen zwijgzaamheid elkaar duldende vader en moeder op de overloop mij op te wachten. Het initiatief moet van mijn moeder afkomstig zijn geweest. Ze vertellen het verhaal dat ik al ken uit bijbelles. Over 'de verloren zoon.' Ze zeggen dat die zoon altijd terug mag komen. Ik begrijp het niet helemaal. Ik was helemaal niet van plan weg te lopen.

 

 De bel. Het is mijn beurt om in opdracht van de meester de bel te luiden, de grote koperen bel. Ik neem hem van de vensterbank waar hij staat tussen de potten met planten, planten die geen bloemen dragen en mij altijd somber stemmen. Ik verlaat het lokaal. Staande in het buitenhalletje luid ik hem vreugdeloos. De bel van vroegere beloften betovert niet. Er is geen grond onder mijn voeten. Ik zweet. Ik voel angst en probeer mijn gevoel af te vlakken.

 

Op een dag poneert Vroemen iets wat mijn eigen gedachte is: 'Alles wat mogelijk is, is onvermijdelijk.' Het steekt me licht dat Vroemen de volwassene moet zijn die dat cynisch wereldbeeld uitdraagt, want het was juist mijn eigen geheime gedachte.

 

De wijd uit lopende broekspijpen zijn in de mode gekomen. Een jongen uit de klas die uit een, in onze optiek, asociaal milieu komt, moet voor de klas komen. Zijn moeder heeft de pijpen van zijn grijze pantalon ingeknipt en er een kleurig lapje boerenbont tussen gezet.

'Ik wist niet dat het alweer carnaval was,'' spot Vroemen. De klas lacht. De jongen trekt een gezicht waarop boosheid en tranen om elkaar strijden. Het zal me een leven lang bijblijven: een intens medelijden met de jongen die toch al buitenstaander  is.

 

Nico S. is ouder dan wij. Ik denk dat zijn ouders familie zijn van onze buren die eveneens S. heten en met wie we al jaren lang in onmin leven. Maar ik ervaar Nico als van een lager milieu dan onze buren. Zijn vader handelt in dranken en een enkele keer helpen ik en enkele andere jongens mee in hun achtertuin. We moeten kratten selecteren en die vervolgens verplaatsen. Nico geeft het voorbeeld door met elke hand een volle krat bij de rand beet te pakken en ze op te tillen zonder dat de flessen er uit vallen. Dat maakt indruk op me. Voor de verrichte bezigheden ontvangen we een gulden of een rijksdaalder, naar gelang de bestede tijdsduur. Misschien probeert hij met deze geste bij ons in het gevlij te komen, want we pesten hem soms ook, zij het dan op een veilige afstand, want hij is groot en sterk.

 

Aan de achterkant van het speelplein, onder de overkapping, is een deur waarachter een betonnen trap naar een klein, leeg keldertje leidt. Andere jongens hebben mij erop gewezen dat Nico een 'hele grote' heeft en nu we in het keldertje zijn zal ik dat met eigen ogen kunnen aanschouwen. In het licht dat door de openstaande deur binnenvalt zien we Nico zijn gulp open ritsen. Hij frummelt wat met zijn hand in zijn broek en dan goochelt hij een gigantisch grote, vlezige piemel tevoorschijn. Onze uitingen van bewondering doen hem grijnzen. We vragen wat dat is, dat glimmende, vlak onder zijn eikel. Opschepperig zegt hij, terwijl hij met de ene hand zijn piemel in de holte van zijn andere slaat: 'dat is neukvet!' Hij zegt het alsof hij dat regelmatig doet: neuken. Ik begrijp niet helemaal wat dat is, maar om mij niet onbetuigd te laten grinnik ik met de anderen mee.

De bel wordt geluid. Nico bergt het vlezige weer op en we klimmen de trap op om naar de klas te gaan en onze plaatsen in te nemen.

Profielfoto ZichvanVerre

ZichvanVerre

Woonplaats: Rotterdam
Man
  • Niet verplicht
  • Je boodschap moet minstens 5 en hoogstens 1500 tekens bevatten
  •  

Links

Groepen

Favorieten van ZichvanVerre

100_woorden Beeldsprekers bert  deben Frans  Muthert fred van der wal Klaverblad  Kokopelli Marius van Artaaa paco  painter Peter  Louter Roman  Baatenburg de Jong Satuka Smokey  Robbinson Starry  Night tineke-van-eeuwen zinnen  verzetten

's-mans motto's

Ik kom van verre ik kom van nabij.

Er is een gat in mijn hoofd en dat

gaat niet meer dicht, nooit meer.

(Jotie T'Hooft)

 

-Is het nog ver?

-Ja, het is nog ver.

(Anoniem. Perzië; 4de eeuw)

 

DE NACHTEGALEN

Ik heb van 't leven vrijwel niets verwacht,

't Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.

Wat geeft het? - In de koude voorjaarsnacht

Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

(J.C. Bloem)

 

They are playing a game. They are playing at not

playing a game. If I show them I see they are, I

shall break the rules and they will punish me.

I must play their game, of not seeing I see the game

(Ronald.D.Laing)

 

De grootste mislukking, in alles, is vergeten, en bovenal vergeten wat je kapot heeft gemaakt en dan kapot gaan zonder te beseffen wat een ploerten de mensen zijn.

(Louis Ferdinand Celine)

 

L'enfer, c'est l'autre

(John en Pool Sartre)

 

Het is zaak zo veel mogelijk verwarring te zaaien in het kamp van de vijand

(Gerard Reve)

 

Tralala, zing een vrolijk lied...

(Ome Arie. 1911-1978)

Joke en Rie op reis (Lieve groetjes!)

Foto's

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34

In de kroeg 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17

In de straat 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12

Poppen en passanten 1 2

menneke sombrero speelt voor u

foto

's-mans vooralsnog alltime favouriet

foto

Laatste reacties

persona

Luister, dit is het plan...
zich van verre: Voer...? Eh...welk voer?

persona

Het problematisch leven van Pierlala
zich van verre: Had hem al eens geplaatst, maar inmiddels veranderd...

persona

Lennart
ZichvanVerre: Heb het eigenlijk voor Lennart zelf geplaatst...Collecteert voor rode kruis, …

persona

Lennart
assyke: Kun je ook iets over Lennart vertellen? Want nu zie ik …

persona

Lennart
ZichvanVerre: Ja, erg goedgemutst. Een leuke ontmoeting, tussen zoveel mindere..

Statistieken

TelMiep
  •