
OP EENZAME HOOGTE: 'LITERAIRE ONTMOETINGEN'
tijdsbeeld, vestdijk, gomperts, literatuur
Toen ik gisteravond nog eens naar het interview in de serie ‘Literaire ontmoetingen’ keek dat H.A. Gomperts had met Simon Vestdijk, drong het tot me door hoe weinig het literaire landschap van Nederland op dit moment voorstelt.
Als je al een beetje succesvol boek geschreven hebt, dan behoor je meteen tot de allergrootsten en mag je op het literaire pornofestijn dat Boekenbal heet, een nummertje maken. Ik ga de namen van de mensen die mij tegenstaan niet allemaal opnoemen, maar Kluun is voor mij nog steeds de grootste pornoster. Herman Koch, die ik zeer bewonder, is natuurlijk ook zwaar over het paard getild met alle overdreven media aandacht voor ‘Het diner’, een niet onaardig boek overigens, maar om nu te zeggen dat het literaire kwaliteit heeft, nee. Voor mij in ieder geval niet. Overigens beweert hij dat zelf ook niet en dat past dan weer prima in zijn jiskefet rol zullen we maar zeggen.
Gomperts interviewt Vestdijk. 5 februari 1964.
Gomperts, ook geen kleine jongen. Dat soort mensen bestaat, sinds de dood van Kees Fens, niet meer. Die zijn gewoon op. Gomperts was als niet-neerlandicus de eerste hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde die in 1965 in aan de Leidse Universiteit benoemd werd. Voor zijn oratie bestond zoveel belangstelling dat de gewone zaal, in het 16e eeuwse Academiegebouw, te klein was en men moest uitwijken naar de Pieterskerk. Zelfs een cameraploeg, de NTS toen nog, was aanwezig.
En dat was wat in die tijd.
Gomperts dankte zijn benoeming vooral aan zijn reputatie als literair criticus en essayist. Bekendheid kreeg hij verder door zijn succesvolle bijbaantje bij de AVRO als interviewer voor het programma ‘Literaire ontmoetingen’ samen met maker en bedenker Hans Keller. Nederland had in die periode nog maar één zender dus iedereen keek er zo’n beetje naar.
En dan ben je plotseling op bezoek bij Simon Vestdijk, in zijn huiskamer in Doorn. De man die sneller schreef dan God kon lezen. Na maanden van aarzelingen overwon Gomperts zijn huiver om ‘de kluizenaar van Doorn’ te benaderen. In een somber gemeubileerde salon wordt de grootste schrijver die Nederland gekend heeft, geïnterviewd. Hij was de welwillendheid zelve, een beetje verlegen zelfs.
‘Goed dan,’zei hij zachtjes, ‘maar ik kom niet naar de studio.’
Zo stopte er een week later in het Doornse laantje een vrachtauto van de filmfabriek, waaruit lampen, kabels en drie camera’s werden uitgeladen. Niet meer voor te stellen nu. Tijdens de opnamen van het gesprek had Gomperts zijn voorname ironie afgelegd en in plaats daarvan was er een serene vertrouwelijkheid. De bescheidenheid waarmee Vestdijk over zijn werk speekt, is ontroerend. Vestdijk, die meer dan 50 romans schreef, prachtige poëzie, erudiete essays over poëzie, kunst, wetenschap, en dat tussen zijn vele depressies door. Slauerhoff en Achterberg biograaf Wim Hazeu schreef een paar jaar geleden een vuistdikke biografie over Vestdijk die nauwelijks verkocht is.
Niemand leest meer Vestdijk. En dat is eigenlijk niet voor te stellen.
Aan het eind van het interview leest Vestdijk een gedicht voor. Een gedicht waar criticus Jessurun d’Oliveira 60 pagina’s over heeft volgeschreven, terwijl de auteur het voorleest alsof hij het in een achternamiddag zo maar even tussen neus en lippen door in elkaar gezet heeft.
‘De uiterste seconde’. Alleen de titel al. Zo mooi.
De eerste regels kan ik nog steeds moeiteloos citeren, omdat ze van een ongekende schoonheid, indringendheid en zorgvuldigheid van taal zijn dat het nauwelijks voorstelbaar is:
Doodgaan is de kunst om levende beelden
Met evenveel gelatenheid te dulden
Als toen zij nog hun rol in ’t leven speelden,
Ons soms verveelden, en nochtans vervulden.
Ga daar maar even voor zitten. En dat wordt dan voor de tv in 1964 voorgelezen alsof je het zomaar even tot je kunt nemen.
Onvoorstelbaar.
http://www.svestdijk.nl/poezie/uiterste-seconde.html
http://www.youtube.com/watch?v=_k4cKQ-zjV0
http://www.youtube.com/watch?v=XygeZe2S5fc&NR=1
Gisteren stapte ik met mijn boekenweekgeschenk als kaartje de trein in. Want als je de kans krijgt om gratis een dagje met de trein te reizen dan doet een echte Hollander dat natuurlijk. Terwijl ik niet eens een echte Hollander ben, omdat ik ook half Belg ben. Maar dat komt zo.
Ik liep een willekeurig perron van Amsterdam Centraal op en kwam in de sneltrein naar Dordrecht terecht. Die rijdt via Haarlem, Heemstede, Leiden. Den Haag HS, Rotterdam naar de plaats waar ik geboren ben. Niet dat ik er ooit gewoond heb, ik ben er eigenlijk alleen maar gedropt ergens in een ziekenhuis. Mijn ouders woonden in Antwerpen, maar ze vertrouwden die Belgen niet en daarom werd ik in Dordrecht geboren. Niet dat het er ook maar iets toe doet, ik moest het alleen even kwijt omdat ik in de trein naar Dordrecht zat.
Hoe verzin je het.
In ieder geval had ik ‘Duel’ van Joost Zwagerman bij me en begon opgewekt te lezen terwijl trieste regendruppeltjes langs het raam van mijn gore trein liepen. Want die treinen worden nog steeds niet schoongemaakt. Het is werkelijk een tering bende, maar daar moet je dan maar even niet op letten als je gratis kunt reizen vind ik.
Je kunt nu eenmaal niet alles hebben in het leven.
Toen ik het boekje opensloeg, stond het me meteen al tegen. Wat een naar klein lettertype. En na de eerste bladzijden werd dat nog erger, want daar werd de tekst ook nog eens in cursief gezet. Verschrikkelijk. Maar het is een gratis boekje en ik reis voor niets met de trein dus ik moet niet zeuren vind ik. Over de eerste zin
‘Godverdomme, die hand, die vuist!’
is al genoeg geschreven, daar zeg ik verder maar niets over. Ik hou zelf veel van vloeken dus ik stoor me er niet zo aan. Ik vind het wel een lekkere binnenkomer eerlijk gezegd. Ik lees verder, maar het verhaal boeit me totaal niet. Ik snap al helemaal niet dat Zwagerman, die ik zeer bewonder, al die musea waar hij het over heeft niet gewoon bij hun eigen naam noemt en met de hoofdfiguur Jelmer Verhooff die in een museum woont heb ik al helemaal niets. Ik doe m’n best toch geboeid te raken, maar het lukt me voor geen meter.
In Rotterdam verlaat ik de trein naar Dordrecht en stap over in de trein naar Venlo. Niet dat ik ook maar iets met Venlo heb, maar die trein stond er toevallig en ik reis gratis. Vlak voor Tilburg stopt de trein plotseling en besluit voorlopig niet meer in beweging te komen. Er staat een goederentrein voor die z’n lucht kwijt is zegt een onduidelijke stem door een nog onduidelijker speaker. Het kan wel even gaan duren.
Nou, dat klopte dan ook, want we hebben er ongeveer anderhalf uur gestaan voordat de goederentrein z’n lucht terug had. Verder dan Eindhoven ging de trein niet dus dan maar even een broodje hamburger naar binnen werken in een trieste straat tegenover het nog triestere station van Eindhoven. Gelukkig hoor ik in de snackbar dat Ajax voor staat op PSV en dat geeft de burger weer moed. Ik besluit de eerstvolgende trein naar Amsterdam CS weer terug te nemen, maar daar moet ik nog wel een uurtje voor wachten want door die geen lucht meer krijgende goederentrein is het hele programma van de NS in de war geraakt.
Ergens om half negen bereik ik mijn eindbestemming en besluit in de Pub 1e Klas van het CS eerst nog maar een paar roseetjes naar binnen te werken om het verdriet van een dagje gratis reizen met het boekenweekgeschenk een goed plekje te kunnen geven. Helaas was er alleen niemand in de buurt die 'Do you want company, sir?' zei, dus moest ik het gevecht met mezelf maar weer even aangaan.
Over ‘Duel’ gesproken.
GROTE POEZIE IN 'LITERAIRE ONTMOETINGEN': ' 't Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.'
toekomst, hoop, nuchterheid, vergeefsheid, verlangen, geluk, poëzie
’t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Deze prachtige dichtregel komt uit het kwatrijn ‘DE NACHTEGALEN’ van J.C. Bloem. De schoonheid van deze ene regel zit in de vraag of het mogelijk is’ ‘t Geluk’ te achterhalen,’ ‘t Geluk’ in je herinnering terug of op te roepen.
Niet voor niets schrijft Bloem ‘Geluk’ in kapitaal, met een hoofdletter. Het gaat in eerste instantie niet om het “kleine” geluk, als je bijvoorbeeld terugdenkt aan iets wat je heel erg gelukkig maakte, maar vooral om de verzamelnaam ‘Geluk’: alles wat je aan moois in je leven hebt meegemaakt wordt samengevat in
‘‘t Geluk’.
Met een hoofdletter, en het bepaalde lidwoord ‘het’ verkort tot ‘‘t’. In grote poëzie zijn vorm en inhoud immers altijd één.
Als je de regel ‘’t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen’ uit het kwatrijn licht, dan kan het niet anders dan dat de lezer een groot gevoel van weemoed overvalt. Mij in ieder geval wel. Ik loop al dagen met deze regel in mijn hoofd, omdat ik hem door Bloem zelf hoorde voorlezen in de nu op dvd uitgebrachte serie ‘Literaire ontmoetingen’ van Hans Keller uit de jaren 1962-1964. Literair criticus Arjan Peters schreef onlangs ook lovend over deze unieke heruitgave waarin oner meer Remco Campert, Hugo Claus, J.C. Bloem, Simon Vestdijk en Simon Carmiggelt aan het woord komen.
Alsof je terug in de tijd gegooid wordt. Dat gevoel. Een gevoel van beschaving ook en minder gehaast zijn. Dit uit zich vooral ook door de zorgvuldigheid waarmee de woorden door beide gesprekspartners gekozen worden. De voormalig hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde H.A. Gomperts interviewt Bloem met een dictie waar onze vorstin nog een puntje aan kan zuigen. Zo klonk het beschaafde Nederlands dus aan het begin van de jaren ’60. En dan geeft Gomperts in datzelfde interview tussen neus en lippen een mini college ‘close reading’ over het gedicht wat nu misschien alleen nog maar voor collegezalen met hoogbegaafden bestemd is.
En dat over 4 regels:
DE NACHTEGALEN
Ik heb van ’t leven vrijwel niets verwacht,
‘t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Wat geeft het? – In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.
Het thema van het gedicht is de spanning tussen het verlangen, de voorstelling van ‘’t Geluk’ en het besef dat het Geluk onbereikbaar is, omdat het zo vluchtig is en niet te (be-)grijpen. Het besef van vergeefsheid. Als er staat dat de dichter van het leven ‘vrijwel niets’ verwacht, houdt dat niet in dat hij niets heeft verwacht. En dat zit in het (bij-)woordje ‘vrijwel’: ‘vrijwel niets’ is namelijk meer dan niets. Naast het gevoel van vergeefsheid is er een grote dosis nuchterheid: ‘Wat geeft het?’ Wat maakt het uit?
‘In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.’
En die ‘nachtegalen’ dat zijn de dichters, dat is de poëzie, de poëzie die in moeilijke omstandigheden ontstaat en in ‘de koude voorjaarsnacht’, de ontluikende lente, de hoop doet bloeien voor een nieuw leven. Waar het gedicht in eerste instantie heel somber en weemoedig lijkt, is het uiteindelijk een zeer optimistisch credo voor het leven zelf.
Ondersteund door een bijpassende typografie en interpunctie- de titel van het gedicht in kapitalen, de komma en geen dubbele punt na ‘verwacht’, niet ‘het geluk’, maar’ ’t Geluk’, het gedachteteken na ‘wat geeft ‘t?’, de hoofdletter in ‘Zingen’ als enjambement na de 3e regel, weet Bloem de lezer eerst op een verkeerd spoor te zetten om vervolgens met hem de onsterfelijkheid te bezingen.
Dat is grote poëzie. In ‘slechts’ 4 regels.
Hoe lang Bloem over dit gedicht gedaan heeft is niet bekend.
En dat zou ik nu best eens willen weten.
FANTOOMHEIMWEE
muze, kandinsky, malevich, matisse, hermitage, schilderkunst, heimwee, van dobben
Ze zeggen wel eens dat je het best in je eentje een tentoonstelling kunt bezoeken. Dat is voor een groot deel waar. Je hebt je eigen tijd nodig om naar een schilderij te kijken of een ander kunstwerk. Ik ga vaak naar een museum. De laatste tijd vooral alleen. Soms gaat er wel eens iemand met me mee, maar die moet mij wel aanvoelen. Vroeger ging ik meestal met mijn muze, maar mijn muze heeft het de laatste tijd te druk. & zo. Dat vind ik jammer, omdat ik een muze nodig heb. Iemand die je inspireert en je op nieuwe gedachten brengt.
Zoals het ook bedoeld was op de Olympus. Negen had Apollo er zelfs, maar ik heb er maar eentje nodig.
Gisteren was ik in de Hermitage. Zonder muze dus. Voor de tentoonstelling ‘Matisse tot Malevitch’. Een verzameling kunstwerken die de hemel in geschreven is. En terecht trouwens. Terwijl de tentoonstelling nog maar net begonnen is. Het was er vies druk. Ik kocht voor 3 euro een audio tour. Misschien vooral om me af te sluiten voor al het publiek om me heen, want eigenlijk vind ik zo'n mechanisch ding op m'n hoofd niet passen bij spiritualiteit. Wat kunst toch is. Voor mij dan.
Ik zie mensen in grote groepen voor de schilderijen staan, ik zie tweetallen die in hetzelfde tempo langs de kunstwerken lopen, ik zie mensen alleen, die hun eigen tijd nemen, ik zie mezelf de bijschriften van de schilderijen lezen en tegelijk luisteren naar de stem in de koptelefoon. Mijn hoofd tolt, ik dacht dat ik gek werd. En om me heen alleen maar schoonheid aan revolutionaire kleuren van de avant gardisten uit de 19e en de vorige eeuw.
Met kunsthistorica Sacha Bronwasser die een schitterend essay schreef over de avant gardisten in het katern ‘Kunst&Boeken van vrijdag 12 maart jl. onder de titel ‘Koorddansers in de mist’, overviel mij een enorm fantoomheimwee. Niet alleen naar mijn muze met wie ik wat ik nu waarneem zou willen delen, maar ook naar een spijt dat ik niet 100 jaar terug in de tijd kan stappen. Want deze schilderijen wil ook ik niet zien in het hier en het nu. ‘Niet in die smetteloos gestuukte zalen van het nieuw gerenoveerde gebouw aan de Amstel, met de namen van schilders in genadeloze schreefloze letters hoog aan de muur’ zoals Bronwasser schrijft.
Om goed te kunnen voelen hoe radicaal Matisse, Derain, Kandinsky, Picasso, Van Dongen, Malevich, De Vlaminck en anderen 100 jaar geleden waren, moet je ze in de statige zalen van de echte Hermitage zien. Of liever nog op plekken waar ze ooit hingen, in de ‘Roze salon’ van de Russische verzamelaar Sergei Sjtsjoekin, over wie in een van de zijruimtes van de Hermitage een beeldpresentatie is samengesteld. En je moet al helemaal niet over de mensen heen hoeven struikelen met een domme koptelefoon op je hoofd waardoor je zelfs niet meer in staat bent al het indrukwekkende rood van Matisse’s fabelachtige schilderij ‘De rode kamer’ goed tot je door te laten dringen.
Halverwege de tentoonstelling zet ik de audio tour af, loop snel langs nog wat meesterwerken, besluit op een rustiger moment nog eens terug te komen en loop naar de nabijgelegen Reguliersdwarsstraat waar ik me bij de beroemde broodjeszaak ’Van Dobben’ maar laat trakteren op een broodje met de beroemde kroket van de naamgever.
Een ander alternatief was er gewoon niet. Want naar zo'n broodje kroket kun je ook fantoomheimwee hebben.
1 december 2009: Ramses Shaffy overlijdt. 76 jaar.
11 maart 2010: Hans van Mierlo overlijdt. 78 jaar.
Ik heb die twee altijd met elkaar verward. Ik vond ze ontzettend op elkaar lijken. Voor mij was Hans Ramses en Ramses Hans. En Hans was ook nog een keer Sammy. Niet dat hij echt omhoog keek, want Hans liep meestal een beetje gebogen onder de druk van de wereld, maar hij dacht wel omhoog.
'Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder.'
Dat had de lijftekst van Hans kunnen zijn. Hij zou het ook hebben kunnen zingen. Misschien heeft hij dat wel gedaan. Geen idee. Een duet met Ramses had er ook zeker ingezeten. En nu zeker. Ik zie ze daarboven al staan voor het aangezicht van de Allerhoogste. Een moppie voor God. Kan i misschien ook wel gebruiken. God dan. Twee iconen weg in drie maanden tijd. De wereld wordt weer een stukje stiller. Ik word er heel melancholisch van. En ook heel kwaad. Ik tel al die mooie doden altijd bij elkaar op namelijk.
Vorig jaar Kees Fens en Martin Bril. En de weerbarstige Michaël Zeeman. Toen Ramses en nu Hans weer. Het houdt maar niet op. Alleen Harry overleeft. Al ziet hij er niet zo uit. Dat zijn er dus nogal wat bij elkaar. Ik kan die dood niet volgen, absoluut niet. Wilders laat i bijvoorbeeld gewoon los rondlopen. Ik kan er ook niet tegen. Maar je hebt niets te vinden. Dat bepaalt de dood zelf wel. Vreemde jongen, die dood. Hans zei er zelf ooit over dat het raadsel van de dood hem meer bezighield dan de angst ervoor. In hoeverre bestaat je eigen dood als iets wat werkelijk zo is?
De dood van de anderen is duidelijk in je leven. Je eigen dood niet, omdat je daar geen herinnering aan hebt. Verder kun je je niet voorstellen dat je er ooit niet meer bent. Ik kan me al niet eens voorstellen dat al die mensen die ik net noemde er niet meer zijn. Maar ik heb ze ook niet persoonlijk gekend. Dat scheelt. En ik heb ze ook niet dood gezien. Dat scheelt ook weer. Een slok op een borrel zou je kunnen zeggen.
Om in de sfeer te blijven.
Maar het ergste is, en dat zei Hans ook ergens in een interview, dat je vooraf verdriet kunt hebben over het verdriet dat anderen over jou zullen hebben. En dat is een kwelling die niet te dragen is.
'Vluchten kan niet meer, ik zou niet weten hoe.
Vluchten kan niet meer, ik zou niet weten waar naartoe.'
Van de dichter P.N. van Eyck weten we dat de dood je toch wel komt halen. Desnoods in Isfahan.
Vluchten is zinloos.
Vorig jaar trouwde Hans nog. Met Connie. Dat vind ik mooi. In het aangezicht van de dood nog even ja zeggen. ‘Zolang heb ik toch niet meer’ grapte Hans erover, ‘het risico is klein dat ik de eindstreep niet haal.’ Dat is humor. ‘Ik zal ook wel een keertje sterven, daar kom ik echt niet onderuit’ zong Ramses.
Zijn liedjes liet hij zwerven en nu gaan Hans' gedachten die liedjes achterna.
En dat is dan wel weer heel mooi.
Ik weet niet of het aan mij ligt, maar volgens mij worden lezers van Trouw hartstikke oud. Als ik de overlijdensadvertenties zo zie in die krant dan zitten ze haast allemaal boven de 80. En dat is heel anders dan met de Volkskrant . De gemiddelde leeftijd ligt daar zo’n beetje tegen de 60 en dat vind ik best angstig eerlijk gezegd.
Omdat ik die krant regelmatig lees dus.
Azijnpissers worden niet oud.
Laats las ik stiekem een keer de Telegraaf toen er even niemand keek, en die zit er zo’n beetje tussen in zag ik. Maar dat komt misschien ook door de gigantisch grote overlijdensadvertenties van al die ‘captains of industry’ die na een ondernemend bestaan meteen na hun pensioen tijdens de wip van hun leven op hun boot in Marbella het loodje leggen terwijl ze nog zo veel plannen hadden.
Het is in een wip gebeurd kun je zeggen.
NRC Next doet niet aan overlijdensadvertenties en daar hebben ze helemaal gelijk in. De doelgroep is daar zo tussen de 20 en de 40 en op die leeftijd hoor je niet dood te gaan en moet je dus ook geen doodsberichten opnemen. En je moet het al zeker niet stimuleren. In de Spits, de Metro en de Pers vind je ook geen rouwranden, want om nou ’s morgens in de metro, de trein of de bus meteen met de dood om je oren geslagen te worden is ook niet lekker wakker worden. En bepaald reclame is het ook al niet.
En wat moet je trouwens met al die anonieme doden?
De kwaliteitskrant NRC zit ook behoorlijk hoog met overlijden. Die kun je best lezen dus. Ik schat dat daar de gemiddelde leeftijd even boven de 70 ligt. Mooie advertenties vaak met schitterende teksten. Niet zoals in De Telegraaf waar ze vaak geforceerd lollig willen zijn. Die doden dan. Lees je
´Een vrolijke groet voor wie nog moet´.
Met wapperend handje erbij. Leuk.
Afzender Kees
Niet dat ik het geen humor vind, maar toch.
O ja, en dan hebben we nog het Reformatorisch Dagblad. Daar kijk ik eerlijk gezegd liever niet in, omdat God het in alle gevallen behaagd heeft Zijn geliefde kinderen weer naar huis te halen. Alle leeftijden verhaal. En daar leven de lezers van die krant ook voor. Om weer naar huis te gaan. En nog blij zijn ook.
Nee, dan Trouw. Dat zijn allemaal van die berustende advertenties. Het gaat ook vaak over mensen die al ´in ruste´zijn. Wat dat precies is, weet ik niet, maar je komt het om de haverklap tegen:
Huisarts in ruste
Huisvrouw in ruste
Administratief medewerker in ruste
Call girl in ruste
Van die dingen dus.
Naarmate ik ouder word lees ik steeds meer Dodesanzeigen. Ook in buitenlandse kranten. Toen ik laatst in Zwitserland was, heb ik weer genoten. Want die Zwitsers besteden tenminste nog een beetje aandacht aan de dood. Lekkere paginagrote advertenties met mooie fotootjes erbij. En niet van die kleine ook. Trouwens, in Zwitserland wordt iedereen heel oud. Zelden kom je een advertentie tegen van iemand jonger dan 70.
De dood is daar tenminste nog een beetje gezellig.
Als ik haar ook maar even aanraak reageert ze meteen. Dat is nieuw voor mij, daar moet ik nog even aan wennen. De vorige had dat niet. Die reageerde pas veel later. Ik vind het heerlijk dat als ik haar zachtjes aanraak dat ze dan meteen laat weten dat ze het fijn vindt. Ze ziet er ook zo mooi uit. Heel licht. Ik houd eigenlijk veel meer van licht dan van donker. Ze maakt me blij, alleen al als ik naar haar kijk. En zo moet het ook zijn vind ik. Gisteren heb ik wel een half uur alleen maar naar haar zitten kijken, hoe ze daar stond: zo rank en bevallig.
Uitdagend ook.
Het was liefde op het eerste gezicht. Ik viel meteen op haar toen ik haar voor het eerst zag. Het duurde nog wel een half jaar voordat ze bij me was. Dat vond ik heel lang duren. In de tijd dat ze niet bij me was heb ik veel aan haar gedacht, hoe het zou zijn als ze hier was en ik haar echt kon aanraken.
En nu is het dan zover.
Toen ze net hier was durfde ik eerst niet. Hetzelfde gevoel weer als toen ik een jaar of vijftien was. Je wil zo graag maar je kunt het nog niet. Maar nu is het dan eindelijk zo ver. Gisteren speelde ik de eerste akkoorden met haar. Op haar liever gezegd. Ze heeft een hele zachte aanslag. Je hoeft haar niet te pepperen zoals dat met de vorige piano het geval was. Het woord pepperen kende ik niet eens. Pepperen betekent dat je de aanslag van een piano wat lichter probeert te maken. Dat lukte maar ten dele. De pianistemmer heeft erg zijn best gedaan, maar hij kwam niet door haar heen.
Zij is wit, van blank eikenhout gemaakt, en zelfs haar naam is mooi. Ze heet Yamaha en dat past heel goed bij haar. Ik speel ook niet meer op een piano, ik speel nu op haar. En dat is heel anders dan met de laatste piano die ik had. Die was zwart en eigenlijk heb ik een hekel aan zwart. Zwart doet me aan de dood denken. Wit aan het leven. Die zwarte heeft hier ook niet lang gestaan, ik werd er somber van. En niet alleen omdat ze niet gepepperd wilde worden.
Vanmorgen toen ik wakker werd ben ik meteen achter haar gaan zitten. Voor haar kun je natuurlijk ook zeggen. Maar meestal zit je achter een piano. Vandaar. Ik begon zachtjes
‘Un homme et une femme’ http://www.youtube.com/watch?v=2bYBn5VJ-ko
te spelen, de herkenningsmelodie uit de prachtige, poëtische film van Claude Lelouch uit 1966, over twee late dertigers met een gecompliceerd liefdesverleden die elkaar bij toeval ontmoeten. Zij mist haar trein en hij neemt haar mee. Ze maken kennis, ze vinden elkaar leuk, een romance waar de melancholie van afdruipt volgt.
Heerlijk.
En dat vindt zij ook, mijn nieuwe witte piano. Ik ben haar ‘homme’ en zij is mijn ‘femme’. En ik laat haar nooit meer los. Dat weet ik nu al zeker.
Als je heel erg veel van iemand houdt kun je het maar beter niet doen samen. Of niet meer doen. Maar iets terugdraaien is natuurlijk nog lastiger.
De films ‘Before sunrise’ en ‘Before sunset’ had ik nog nooit gezien. Tot gisteravond. Het verhaal is bekend. Twee jonge mensen, een Française en een Amerikaan, ontmoeten elkaar in de trein en besluiten een dag en een nacht met elkaar in Wenen door te brengen. Zonder seks. Mooi thema dus.
Sunrise.
Na dat etmaal gaan ze weer uit elkaar met de belofte elkaar over een half jaar op het station van Wenen weer te ontmoeten. Daar gaat de eerste film over. In de tweede film ontmoeten ze elkaar negen jaar later weer in Parijs. Toevallig. Hij heeft een boek geschreven over die dag en nacht in Wenen en zij bezoekt de boekhandel waar hij een presentatie houdt over het boek. Ze besluiten samen een dag in Parijs door te brengen en dan weer uit elkaar te gaan.
De twee zijn duidelijk voor elkaar bestemd. Alles is aanwezig om een ideaal liefdeskoppel te vormen. Maar het gebeurt niet. Of misschien toch wel, want de tweede film heeft een open einde. Net als de eerste film trouwens. Hij ging overigens wel een half jaar later naar Wenen, zij niet omdat haar oma op die dag begraven werd. Maar dat weten we pas later.
Tijdens Sunset.
De twee doen niet anders dan met elkaar praten. Alles wat je maar kunt bedenken over leven, liefde, werken en dood bespreken ze in lange, mooie dialogen tijdens wandelingen door Wenen en Parijs.Te lang vind ik. Maar misschien had ik die twee films niet achter elkaar moeten zien. Ik bleef maar zitten wachten op het moment waarop ze het gingen doen met elkaar. Maar ze deden het maar niet. Alle intimiteiten zag je voorbijkomen, van elkaar stevig vasthouden tot flink zoenen, maar de climax bleef uit. En daar word ik heel nerveus van. Heel stiekem heb ik de films wat sneller vooruit gespoeld, want anders schoot het helemaal niet op. En ik wilde weten of ze het nou gingen doen of niet.
Mooi niet dus.
Ik kan het niet. Alleen maar praten en het dan niet doen. Praten is een heel mooi voorspel, maar dan moet je op ene gegeven moment wel losgaan vind ik. En toch denk ik dat het zo moet. Alleen maar praten dus. Dat het beter is. Als je heel erg veel van iemand houdt, moet je het vooral niet met elkaar doen. Want dat gaat op een gegeven moment altijd mis. Of je nou trouwt of niet, het spannende van het begin gaat er altijd vanaf dus kun je het maar beter niet doen. Dan houd je de boel zuiver. Bovendien zijn er geen valse verwachtingen als de passie wat minder wordt en voel je je als man niet meer lullig als zij niet of minder wil en jij wel.
Ik houd het dus voortaan maar bij praten. Heb ik me voorgenomen.
Eigenlijk hebben die Zwitsers het nog niet zo gek bekeken. Iedereen die dezelfde taal spreekt stop je bij elkaar in kantons. Mooi woord ook. Duits bij Duits, Frans bij Frans, Italiaans bij Italiaans. Hoef je ook niet meer in te burgeren. Voor zover ik weet spreken ze in Zwitserland nauwelijks een woord buiten hun eigen kanton.
Is ook absoluut niet nodig.
Als je nou hetzelfde met Nederland doet, heb je meteen alle problemen opgelost. Lekker overzichtelijk ook en Wilders kan meteen z’n biezen pakken. Marokkaanse moslims stoppen we bij elkaar in een Arabisch sprekend deel van Nederland waar ze wat mij betreft ook meteen de sharia mogen invoeren. Jongeren die problemen geven kunnen zo meteen op het Plein van de Hemelse Vrede terechtgesteld worden. Probleem opgelost en geen straatcoach meer nodig. Hebben wij niets mee te maken. Vrouwen hebben een vrije keus of ze in het Nederlands sprekend gedeelte willen wonen of niet. Maar dan wel netjes Nederlands praten natuurlijk want er zijn grenzen.
Of een hoofddoekje of ABN, een middenweg is er niet.
Noord Groningen lijkt me trouwens een prima plek ervoor. Er gaat niets boven Groningen niet waar? Ergens in de voormalige veenkoloniën of zo. Windmolens in zee mogen vervangen worden door minaretten, hebben wij helemaal geen last van. Is ook wel een grappig gezicht zo natuurlijk. Voor Turkse moslims is het wat lastiger omdat er daar minder van zijn. Die moeten niet te dicht bij de Marokkanen zitten. Het uiterste puntje van Limburg lijkt me hier wel geschikt voor. Ergens in de buurt van Vaals. Ook Turken die geen moslim zijn kunnen daar mooi wonen. Turken zijn nu eenmaal wat verdraagzamer dan Marokkanen.
En dan hebben we nog wat Chinezen over. Die kunnen wat mij betreft rustig blijven zitten waar ze zitten in hun restaurants, want anders kunnen wij geen Chinees meer halen. En dat zou jammer zijn. Verder doen ze geen vlieg kwaad. Wel in de gaten houden natuurlijk, want het zijn en blijven Chinezen en die kunnen zomaar ineens toeslaan. Voor je het weet is Nederland Tibet en moeten we de Dalai Lama te hulp roepen en dat is nou ook niet de bedoeling.
Verder moet het zuidelijk gedeelte van Nederland wel gereserveerd blijven voor de zachte /g/ vind ik. Want dat is ook een volk apart. Eigenlijk horen ze er niet bij. En die zachte /g/ kun je in het midden en het westen niet hebben. En ik heb geen zin om mijn harde /l/ voor een zachte /g/ in te ruilen.
Dat spreekt ook voor zich.
Wat zo’n weekje Zwitserland al niet aan ideeën oplevert. Ik begin steeds meer bewondering te krijgen voor die jongens daar. Nergens een minaret te bespeuren en nog steeds lekker een eigen munt. Heerlijk gevoel ook om je euro weer eens in te kunnen ruilen voor wat meer geld. En ook nergens een hoofddoekje achter de kassa bij de plaatselijke AH. Dat lucht op. Word ik eindelijk weer eens serieus genomen in de supermarkt.
Of ben ik nu erg racistisch bezig?
Bril schreef niet over buitenlanders. Behalve dan over Fransen natuurlijk. Maar die schreef hij naar Nederlanders toe. Zodat zij het konden begrijpen. Hoe Nederlanders Fransen zien dus. Fransen zullen nooit Bril lezen. Bril is ook niet in het Frans vertaald. In geen enkele andere taal trouwens.
Bril is typisch Hollands.
Zoals Carmiggelt dat was. Of Godfried Bomans. Hun taal, hun humor is niet of nauwelijks te begrijpen voor een Duitser of een Engelsman, een Ier, Italiaan of Spanjaard. Terwijl de situaties waarover geschreven wordt wel weer van iedereen zijn. Dat is gek eigenlijk. Bril is dus Holland ten voeten uit. Je kunt je zelfs afvragen of hij ook door Vlamingen op dezelfde wijze gelezen kan worden als door hun taalgenoten in het Noorden. Ondanks dat hij een tijdje voor dagblad ‘De Morgen’ schreef. Maar die stukjes gingen meer over Napoleon.
‘De Morgen’ was zijn proeftuin voor de Kleine Keizer.
Het is alleen zeer de vraag of de Vlaming die typische humor waarmee Bril zijn verhalen over Napoleon versierde, wel oppakt. Want de Vlaamse humor is nu eenmaal toch heel anders dan de Nederlandse. Minder rauw bijvoorbeeld, meer omfloerst. Bovendien heeft de Vlaming stiekem een hekel aan de Hollander. Al zal hij dat nooit hardop zeggen. De Hollander is, het woord zegt het al, hol en arrogant in hun ogen en daar kunnen ze best eens gelijk in hebben. Nederlanders voelen zich heel erg snel boven iedereen verheven. Zeker boven Duitsers, een volk dat vele malen groter is dan de poldergangers, maar dat heeft weer heel andere oorzaken.
Het gaat over de vraag of Vlamingen wel echt Bril lezen. Ik denk het niet dus.
Vlamingen hebben nu eenmaal meer beschaving. Vind ik dan. Het land waarin ze wonen, België dus, is ook veel ouder dan Nederland. De cultuur kwam pas eeuwen later vanuit het zuiden boven de grote rivieren terecht. Nederlanders beseffen dat goed waarschijnlijk. Vandaar dat ze zich vaak zo neerbuigend opstellen ten opzichte van hun zuiderburen.
En wat moet je dan als zuiderling ook met Bril die nu eenmaal over typische Hollandse situaties schrijft? Bril is een chroniqueur, een verteller over het alledaagse in een echt Hollands landschap en daar hebben Vlamingen en andere buitenlanders helemaal niets mee. Die hebben daar hun eigen cursiefjesschrijvers voor waarin de lezer z’n eigen alledaagse beslommeringen herkent.
Een andere reden misschien, waarom Bril nooit is vertaald, is dat hij zoveel persoonlijke dingen in zijn verhalen stopt dat niet-Nederlanders afhaken, want wat moet een Duitser, een Fransman, een Spanjaard of een Italiaan met mevrouw Bril bijvoorbeeld? Of met de dochters van bril? Niets ten nadele van mevrouw Bril of haar dochters natuurlijk. Die hebben hun eigen helden en heldinnen in wie zij zich herkennen.
Bril schreef ook niet om in het buitenland verkocht te worden. Zelfs niet in zijn geliefde Frankrijk. Hij schreef omdat hij het leuk vond om te schrijven, omdat hij moest schrijven. Over Nederlanders. In een Nederlands landschap. Ook al lag dat landschap soms in Frankrijk.
Is het nu ‘de’ mobiel of ‘het’ mobiel? Naar mijn gevoel kan het allebei. Maar dat had ik ook met het woord ‘doolhof’. Dat moet dus ‘de’ doolhof zijn, omdat het woordje ‘hof’ ‘tuin’’ betekent en niet ‘hof’ van de koning. Nee, zo gemakkelijk is het Nederlands nou ook weer niet.
Ook niet voor ons Nederlanders zelf.
Even het woord ‘mobiel’ opzoeken in de Woordenlijst van de Nederlandse Taal dan maar. http://woordenlijst.org/
Oeps, het bestaat nog niet eens, alleen maar het verkleinwoord ‘mobieltje’. Terwijl we het toch al veel gebruiken: ‘Ben ik al weer mijn mobiel vergeten’, eerder misschien zelfs nog dan ‘mobieltje’. Ik zou nu de correlatielijn van het Genootschap Onze Taal (http://www.onzetaal.nl/ot/index.php) kunnen bellen, want daar zit altijd iemand klaar die je, als je het even echt niet meer weet, uit de brand kan helpen, maar voorlopig houd ik het maar even op ‘de’ mobiel.
Ik stam nog uit de tijd dat er geen mobiele telefoons waren (hé, nu schrijf ik het woord , het begrip dus, helemaal voluit. Grappig) en volgens mij was ik toen veel gelukkiger. Dat komt omdat een mobiel afhankelijk maakt. En bovendien alleen. De mobiel verwijst je de hele dag door naar mensen en machten buiten je en aan hen behoor je toe. De mobiel houdt de buitenwereld in stand. Hij is verantwoordelijk voor het grootste dualisme, namelijk dat tussen mijn binnenwereld en mijn buitenwereld.
De mobiel maakt mij machteloos en onvrij. Zo voel ik dat. Steeds meer eigenlijk.
Waarom is de Uitvreter uit het verhaal van Nescio zo´n heroïsche figuur? Hij poogt zich, zoals hij dat noemt, ‘onaandoenlijk’ te maken. Hij probeert zich voortdurend aan de invloeden van de buitenwereld te onttrekken. Daar zit hij op een scheepje, roerloos en laat zich drijfnat worden. Hij kan uren even roerloos over het water staren. Hij probeert zichzelf te verstenen. Hij wil zich aan de werkelijkheid onttrekken. De werkelijkheid die zo banaal is dat ze alleen maar uitgevreten kan worden.
Hij wil de tijd tot stilstand brengen.
En dat willen we allemaal. Ik in ieder geval wel. Ondertussen weten we trouwens ook uit twee onlangs nagelaten Zeeuwse brieven van Nescio aan zijn vrouw in Amsterdam, wie die Uitvreter was. Frits Gröhnloh, de auteur zelf. En ik voel me met hem verwant. Je moet er toch niet aan denken dat je de Uitvreter, zittend aan de waterkant met een mobiel aan z’n oren ziet bellen, laat staan met eentje met zo’n verschrikkelijk patserig microfoontje erbij, het toppunt van snobisme.
Dan stapte ik ter plekke van de Waalbrug af.
Ik probeer al tijden mijn mobiel eens een dagje thuis te laten, maar het lukt me nog steeds niet. Ik sms al wel veel minder en dat vind ik al een hele vooruitgang van mezelf. Nu alleen nog helemaal onbereikbaar zijn, dat is mijn hoogste doel. Mezelf onttrekken aan een hogere macht die zich manifesteert in een moedeloos makend mobieltje. En nu als verkleinwoord.
En dan versterven, zoals Japi. Maar zover ben ik nog lang niet.
Op het piepkleine stationnetje van het plaatsje Lungern, ergens midden in Berner Oberland, bel ik met mijn zoon als net de spoorbomen met een rinkelend geluid erbij naar beneden gaan om de Regional Zug naar Interlaken te kunnen laten passeren.
‘Hé pap, dat geluid ken ik. Sta je op het stationnetje van Lungern?’
zegt mijn zoon alsof hij dagelijks ‘A la recherche du temps perdu’ van Proust leest. Ik antwoord bevestigend en kijk in het verleden. Zo’n kleine 30 jaar geleden - mijn god, wat gaat die pokken tijd toch snel, was hij als jochie van 5 enorm geboeid door het open – en dichtgaan van diezelfde spoorbomen. Nou ja, dezelfde, het geluid is in ieder geval blijkbaar nog ongeveer net zo, de spoorbomen zijn ondertussen vast wel een paar keer vervangen. Dat kan ook niet anders.
Ik ben met dat kleine jochie van vijf op reis met de trein van Amsterdam naar Zwitserland. Dat was toen nog de TEE, de Trans Europa Express, al lang weer nostalgie natuurlijk. Een hele luxe trein waar je met z’n tweetjes gezellig samen kon gaan zitten eten in een soort treinrestaurant en uit het raam kijken. En wat je dan allemaal niet zag onderweg. En wat ging die trein toch snel en wat reden de auto’s langzaam.
Vader en zoon samen voor het eerst op pad.
Er zouden nog vele keren volgen. Skivakanties in Zwitserland en Italië waar we als echte macho’s de gaten in de hellingen skieden en ’s avonds met z’n tweetjes in het hotel Stratego speelden. Waarbij ik altijd verloor natuurlijk. Stiekem mee op reis naar het buitenland als het eigenlijk niet mocht van school. Maar je leeft maar één keer en je leert zo veel meer dan op school. Waar zijn we al niet geweest samen?
En datzelfde jochie van vijf skiet nu een paar honderd kilometer verderop, ergens in de buurt van St Anton de gaten in de hellingen, met een stel vrienden en doen aan après ski. Want zo gaan die dingen. En zo hoort het ook. En ik loop hier rond met dat jochie van vijf in m’n hoofd, hoor hem schateren en zie hem gebaren als de spoorbomen weer eens een trein doorlaten.
En wat houdt hij mijn hand stevig vast.
Zoals het hoort.
We voeren hele gesprekken, over hoe hij later als hij groot is machinist of conducteur zal zijn op net zo’n blitse trein, een rooie liefst, want die zien er zo spannend en gevaarlijk uit. Even later loop ik met hem mee naar de grote school, zoals dat heet, de basisschool dus. En nog weer even later fietsen we samen naar een nog grotere school, waar nog veel meer kinderen op zitten, een scholengemeenschap heet dat. En als hij dan, dat duurt eigenlijk maar heel even, z’n studie heeft voltooid, z’n eerste echte baan heeft en daarna weer een baan, dan houd ik zijn hand nog steeds stevig vast.
Want voor mij blijft hij dat jochie van vijf dat ik maar niet uit m’n hoofd kan krijgen.
Kent u die sketch van Jiskefet over die treinengek? Haast niemand vindt die leuk, maar ik kom niet meer bij als ik er naar kijk. Steeds weer. Ik kan er bij wijze van spreken de hele dag naar kijken. En elke keer weer blijf ik er helemaal in. Geloof het of geloof het niet.
Of kijk anders eerst maar.
http://www.youtube.com/watch?v=j4uI9Rk5oCA
Laatst liet ik dit filmpje zien aan wat slimme studenten van de volksuniversiteit. Ik geef er één avond in de week les. Aan hoogopgeleide buitenlanders zoals dat netjes heet. Ik vind het in het kader van hun inburgering belangrijk dat zij kennis maken met de typisch Nederlandse humor. Ik laat ze natuurlijk ook Andre van Duin zien vanwege de zelfkant van de humor en dan moeten ze opschrijven wat ze ervan vinden.
Niemand vond die humor leuk. Ook de hoogopgeleide buitenlander die al langer in Nederland is en z’n schrijfvaardigheid wat wil verbeteren niet. Ik ben de einige die het leuk vind. Nou, dan voel je je eenzaam hoor. Dat kan ik je verzekeren. En uitleggen waarom je het leuk vindt is ook zo wat.
Dat is hartstikke moeilijk.
Na ondertussen een aantal dagen met de trein door Zwitserland te hebben gereisd ben ik nu zelf ook treinengek geworden. Ik ben volledig verslaafd. Zo weet ik bijvoorbeeld dat er hier zo’n kleine 2500 verschillende treinen per jaar rijden die bij elkaar een paar miljoen keer om de aarde heenreizen. Niet dat ik dat heb uitgerekend, maar dat zag ik laatst op een of ander Bahnhof staan. Ik meen dat dat in Zug was. Een toepasselijker naam kun je je ook niet voorstellen als je iets met treinen hebt.
Zug is trouwens een hele mooie plaats, dat zou je niet verwachten als je de naam hoort. Het heeft een fantastisch mooi station met een hele bijzondere architectuur. Daarnaast is de Altstad ook zeer de moeite waard. En een luxe daar, nee niet normaal. Je zit ook dan maar een klein stukje van Zürich vandaan waar je met een klein beetje geld helemaal tot je recht komt. Ik heb me daar dan ook helemaal suf gekocht. Onder meer aan kleding & zo. Want ik vind dat je er in de trein netjes moet uitzien.
Maar verder kom ik nog nauwelijks de trein uit. Gisteren ben ik naar Lausanne geweest, helemaal aan de kant van Genève, vlak bij Montreux. De namen alleen al bezorgen je spontaan een orgasme. En dan weer binnendoor via Bern terug naar Luzern waar ik in het overweldigende Kultur und Kongresszentrum mijn eigen stamkroeg aan het Vierwoudstedenmeer heb:
RESTAURANT RED
http://www.kkl-luzern.ch/navigation/top_nav_items/cuisine/Restaurant/red/default.htm
Je verzint het niet maar het is toch zo. De naam van dat tijdschrift RED hebben ze trouwens ook van mij. Ik was eerder maar weer te laat om octrooi aan te vragen. Hartstikke stom. RED is natuurlijk een bere leuke naam voor een treinenblad.
Maar nu dwaal ik wel heel erg af van mijn onderwerp treinengek. Maar dat geeft niet want als je te lang en te vaak in de trein zit word je vanzelf wel gek.
Treinengek dus.
Geen land heeft dat: drie verschillende talen op zo’n kleine oppervlakte. Zwitserland wel. En het zijn ook nog eens verschillende culturen en gewoonten die erbij horen. Want elke taal heeft zo z’n eigen habitat. En iedereen houdt het hier bij z’n eigen taal. Ik denk niet dat er veel Franstaligen in Zwitserland zijn die een woord Duits spreken, of Italiaans. En dat gaat ook op voor de Duits sprekenden en de Italianen.
Dat spreekt voor zich zou je kunnen zeggen.
Bern is het omslagpunt waar Duits naadloos overgaat in Frans en Frans in Duits. Geluidloos bij wijze van spreken. Maar dat merk je eigenlijk alleen in de trein. Waar je vlak voor Bern alleen nog maar Duits om je heen hoorde, hoor je nu plotseling Frans.
Voor Bern zijn de plaatsnamen ook Duits:
Burgdorf,
Langenthal,
Zofingen
en meteen erna, naar het westen toe dus, Frans:
Fribourg,
Roumont,
Lausanne.
En als je naar het zuiden reist, gebeurt precies hetzelfde. Maar dan van Duits naar Italiaans of omgekeerd. Dat begint bij Airolo, bij de St. Gotthart. Voor Airolo is het nog allemaal Duits:
Göschenen,
Erstfeld
Fluëlen,
erna Italiaans:
Faido,
Biasca,
Bellinzona
Ik vind dat zo fascinerend. Na Bern roept een mevrouw in uiterst beschaafde taal waar onze vorstin nog een puntje aan kan zuigen, meteen in het Frans om waar je naartoe gaat en terug schakelt ze net zo gemakkelijk weer om naar Duits. En bij Airolo gebeurt precies hetzelfde: Van Duits naar Italiaans en omgekeerd. Die mevrouw in de trein is waarschijnlijk ook de einige die haar talen goed spreekt, dat kan haast niet anders.
Nächste Halt!
Prochaine arrêt!
Prossima fermata!
Ik vind het een wonder en dat in zo’n klein landje met zo’n 7 miljoen inwoners en een oppervlakte net ietsje groter dan Nederland. Je ziet het ook aan de kleding trouwens, waar je bent. In het westen, het Frantalig gedeelte, speelt de mode duidelijk de hoofdrol, in het midden, noorden en oosten, waar Duits de voertaal is, maakt het niet zoveel uit en het zuiden, Ticino dus, zit er zo’n beetje tussenin. Ook aan het landschap kun je zien waar je zit: bij Duits hoort aangeharkt, bij Frans glooiend en bij Italiaans rommelig. En zelfs aan het weer. Vind ik dan. Boven de Duitsers hangen vaak zware luchten, bij de Fransen is de lucht meer open en boven de hoofden van de Italianen is het altijd onbewolkt.
Maar dat kan ook aan mij liggen.
Vraag je me nu waar ik me het meest thuisvoel dan is dat toch wel het zuiden, het Italiaanse gedeelte. Rommelig dus. Ik ben wat chaotisch van aard, in m’n hoofd vooral. En ik lul graag veel en onsamenhangend als het erop aan komt. Duitsers zijn niet zo van die praters, Fransen wel weer, maar daar moet het vooral veel stijl hebben. Italianen gooien alles eruit. Voor je het weet heb je weer iets gezegd wat je helemaal niet wilde zeggen. En dat herken ik helemaal.
Pronto!
Bellinzona, een plaatsnaam met een haast magische klank. Het betekent zoiets als als `bella zona`, of `zona bella`, dat mag allebei in het Italiaans. Je mag het bijvoeglijk naamwoord voor het zelfstandig naamwoord zetten, maar het mag er ook achter. Meestal zetten de Italianen het erachter. Dat staat ook mooier trouwens.
Bellinzona, ook wel de sleutel tot de Alpen genoemd, het ligt precies op de grens naar het zuiden, waar het leven pas echt begint. De lucht is er ook meteen anders. Zoals het hoort. Meer open. Luchten houden zich niet aan verdragen over een verenigd Europa. Daarom geloof ik er ook niet in. Behalve dat mensen zich er ook niet aan houden. Want mensen zijn overal weer anders. Identiteiten lossen niet op, talen worden geen dialecten, niemand gaat op een ander lijken. En het grote van de luchten is dat ze zich netjes aan de grenzen houden.
Al die luchten, ze geven steeds ander licht en dus ook steeds andere mensen.
Bellinzona ligt in een dal, niet alleen ommuurd door de zuidelijke alpen, maar ook door historische stadsmuren uit de vroege middeleeuwen. Bellinzona is een vrolijke plaats, het ademt alles uit wat Italiaans is: frivoliteit, extase, erotiek zelfs. Maar dat laatste vind ik al snel eerlijk gezegd. Dat heb ik bij Breda ook.
Bij wijze van spreken dan.
Mijn vader kwam graag in Bellinzona. Op weg naar Rome, Assissi of Ravenna. Hij had het er altijd over. `Ik ga eerst weer naar Bellinzona en daar blijven we dan een nacht.` Naast zijn werk als beroepsgelovige was mijn vader reisleider voor een stichting die reizen naar culturele bestemmingen organiseerde. Dat deed hij in zijn vrije tijd. Hij wist er ook haast alles van. Jammer genoeg is hij met mij of m`n zus nooit naar die plaatsen geweest. Het kwam er nooit van. Als kind bleven we altijd steken bij Texel. Omdat wij dat zo leuk vonden zei hij altijd als we hem er later wel eens naar vroegen. Slap excuus vind ik eerlijk gezegd. Kees Fens sleepte z`n kinderen altijd mee, door Rome of wat voor mooie plaats dan ook, en liep alle kerken plat met ze. Geen idee waarom mijn vader dat niet deed. Als ik iets mooi vind, sleep ik iedereen ermee naar toe.
Nou ja, bijna iedereen dan.
Maar dat mijn vader graag in Bellinzona was, kan ik me voorstellen. Alles ruikt hier naar verleden en naar eeuwigheid. En ik loop hier in de voetstappen van m`n vader. Ik weet precies waar hij gelopen heeft, wat hij mooi vond. Hij had mij zeker de schitterende Santa Maria della grazie laten zien – alleen die naam al, de uit de 15e eeuw stammende kerk die zo vol van kleur is dat je haast moedeloos begint te raken. Ik mis hem enorm, steeds meer eigenlijk. Omdat hij mij had moeten vertellen wat hij mooi vond en waarom.
En nu is al dat weten weg. Mee zijn graf in.
Want zo gaan die dingen dus.
Ik heb voor 4 dagen een Swiss pass gekocht. Daarmee kun je heel Zwitserland door voor 260 Zwitserse frank, dat is zo`n kleine 165 euro of zo. Het lijkt veel, maar dat is het niet. Want je krijgt waar voor je geld. Ik dacht dat ik dat land ondertussen wel een beetje kende, maar mooi niet dus. .
Gisteren spoorde ik met een luxe trein de Gotthart over naar Bellinzona en Locarno om zo van het wat saaie Berner Oberland in het zwierige Italiaanse Ticino terecht te komen.
Wat een verschil!
Behalve de schitterend besneeuwde toppen die vanaf het onder de sneeuw bedolven Airolo veranderen in staccato- achtige zwarte pieken, zijn de mensen ook meteen anders. Waar de brave burgers van Luzern zich nog statig door de straten van hun vierwoudstedenstad bewegen, zie ik de bewoners van Bellinzona druk gebarend en rap pratend over straat lopen waar de met gekleurde vlaggetjes bezaaide bomen de omgeving nog meer kleur geven.
Onderweg las ik Nooteboom en vroeg me af waarom mijn leven zo anders is gelopen als dat van hem. Waarom heb ik niet op een dag, heel lang geleden, mijn rugzak gepakt, afscheid genomen van mijn omgeving, de trein naar het zuiden gepakt, langs de kant van de weg gaan staan, mijn hand opgestoken om daar nooit meer mee op te houden?
Dat soort vragen moet je natuurlijk nooit stellen, maar ik doe het toch.
Waarom heb ik me niet in samenlevingen gemengd waarvan ik de fijne nuances, de gebruiken, de eigenaardigheden nooit had kunnen begerijpen, omdat je altijd een indringer bent? Zo voelt het ook, zelfs in Bellinzona. Wie veel reist, wordt tot vervelens toe geconfronteerd met de vraag of hij soms voor iets op de vlucht is, vertelt Nooteboom, maar daar gaat het niet om. Het gaat om het verdwijnen, en er tegelijkertijd te zijn. Terwijl je je eigen leven houdt – je kunt een telefoonnummer bellen en dan is er aan de andere kant als alles goed gaat altijd wel iemand die weet wie je bent -, kun je tegelijkertijd verdwijnen. Je zou bij wijze van spreken net zo goed iemand anders kunnen zijn.
' Je bent losgemaakt van de anekdote van je eigen bestaan', schrijft Nooteboom.
Reizen is, als het goed is, ook een vorm van mediteren. Wie voortdurend reist, is altijd ergens anders, maar je bent ook ergens voortdurend en altijd wel, namelijk bij jezelf. Wat zo`n Swiss pass al niet oplevert. En ik ben nog nauwelijks onderweg, en ik ga maar 4 dagen. Mijn leven is niet het leven van Cees Nooteboom, maar ik ben er stiekem wel jaloers op.
Baudelaire heeft geschreven dat reizigers vertrekken om te vertrekken, en hij heeft ook geschreven over de valse voorstellingen die ze zich bij het vertrek maken. Als je weg bent, word je wat je werkelijk bent, een totale buitenstaander, iemand die nergens bijhoort. De echte reiziger leeft van zijn verscheurdheid, van de spanning tussen het terugvinden en het weer loslaten, en tegelijkertijd is die verscheurdheid de essentie van zijn leven, hij hoort nergens.
Vandaag spoor ik naar Lausanne, aan het meer van Genève, en daarna door naar Domodosssola, in de rauwe zuid Alpen, ben ik nog nooit geweest, lekker weer even nergens bijhoren dus.
Ik ben nu al zeker drie keer langs haar gelopen. En elke keer als ik voorbij kom, zit ze er weer. Als een klein zielig vogeltje in een hoekje. In de kou. Het geluid dat het muziekinstrument maakt dat ze in haar handen heeft, is erbarmelijk. Het is een accordeon, maar er is niet veel meer van over. Ze trekt en ze duwt er wat aan, maar er komt alleen wat wanhoop uit dat ding.
Ik denk dat ze niet veel ouder is dan een jaar of 16. Maar ze kan ook jonger of ouder zijn. Achter haar staat een vervallen koffertje op wieltjes. Daar zit waarschijnlijk al haar hebben en houen in. Of ze nog bij iemand hoort of iemand bij haar valt niet te zeggen. Meestal is dat wel zo. Dat lees je in de krant. Dat zo’n meisje daar gewoon neergezet wordt om geld te verdienen en dat al dat geld dan gaat naar mensen die het niet verdienen.
Zo’n meisje noem je dan een slachtoffer.
Geef je nou wel of niets aan zo’n meisje? Ik doe mijn boodschappen meestal bij de AH op het Bos&Lommerplein. Daar zit ze dan ook altijd. Net om de hoek in een donkere ruimte. Je kunt haar niet missen. Ze zegt ook bij elke trek of duw van haar accordeon de mensen gedag. Ze kijkt er heel gelukkig bij. Laatst zag ik een man een heel eind teruglopen om toch nog wat geld in een vies mandje te gooien. Die had zich bedacht.
Want de rest van je leven met een schuldgevoel rondlopen is ook niks.
Ik zit daar dus ook mee. Dat heb ik al als ik voor de zoveelste keer weer geen daklozenkrant gekocht heb. Maar ik erger me ook zo aan die daklozen die altijd maar weer de deur van je supermarkt versperren. En je moet ze wel goeiedag zeggen, want dat doen zij ook zo nadrukkelijk. Daar hebben ze voor gestudeerd lijkt het wel. En ik ben nog niet genoegd onderlegd om daar op de juiste manier op te reageren.
Maar met zo’n meisje is het anders. Dat doet iets met je. Het liefst zou je haar zo mee naar huis willen nemen, in bad stoppen en een lekkere maaltijd voor haar klaar maken. Maar als je dat doet zijn de rapen gaar natuurlijk. Want dan zit je ogenblikkelijk in de pedofiele hoek of je krijgt een stel maffiosi uit Oost Europa achter je aan. En daar zit je dan ook weer niet op te wachten.
Lafaard.
Uiteindelijk blijft er dus maar één mogelijkheid over. Dat is gewoon je aflaatje kopen en wat geld in het vieze mandje gooien. Waarbij je natuurlijk altijd weer het gevoel hebt dat je te weinig geeft. Want het bedrag dat je aan boodschappen besteedt, valt in het niet bij wat je in dat mandje doet. En dan heb ik ook nog eens de afgelopen twee weken voor meer dan 1000 euro aan nieuwe kleren gekocht. En wat gooi ik uiteindelijk in dat mandje? Misschien 2 euro of zo. En ze kijkt me aan alsof ik de reddende ridder op het witte paard ben. Ook dat nog.
Loser die ik ben.
ÉÉN GROOT FEEST: OP VRIJDAGAVOND NAAR GAUGAIN IN HET VAN GOGH
vrijdagavond, sfeer, waanzin, schoonheid, van gogh museum, gaugain
Eigenlijk maakt het niet uit wat voor tentoonstelling er op dat moment is: op vrijdagavond naar het Van Gogh Museum is altijd een uitje. Het is er rustig, je struikelt niet over de Japanners, je kunt lekker een glas wijn drinken in de grote hal met uitzicht op de kunstenaars van Barbizon, er is muziek, soms zelfs ook life – waarom niet vaker muziek in een museum?, je ziet leuke mensen met vrolijke gezichten, kortom:
vrijdagavond in het Van Gogh is één groot feest.
Gisteravond was ik er weer, ik had even zo’n dood moment en in mijn hoofd spookt dan altijd het van Gogh museum. En natuurlijk wist ik dat deze week de tentoonstelling over Gaugain was begonnen. Want zo werkt het brein nou eenmaal.
Paul Gaugain: schilder, beeldhouwer, keramicus, graficus.
Gaugain, die heerlijke gekke man, de man van wie we niet weten hoe het nu precies gegaan was met de breuk met zijn vriend Vincent. Drie maanden maar waren de wapenbroeders samen in Arles, in het Gele Huis. Na het plotselinge vertrek van Gaugain sneed Vincent een stuk van zijn oor af. Hoeveel last Gaugain van de verbroken vriendschapsrelatie gehad heeft, weten we eigenlijk niet. Wat we wel weten is dat hij als een idioot weer aan het werk gegaan is. Eerst in Parijs, toen in Bretagne, in het dorpje Pont-Aven, vervolgens op Martinique, Tahiti, Engeland weer in Parijs om ten slotte op het tropische eiland Marquesas zelfmoord te plegen.
Want ook Gaugain was, net als Van Gogh zwaar depressief van aard.
Voor hij met schilderen begon, had hij al een waanzinnig leven achter de rug. Geboren in Parijs, vader journalist, ging als peuter met z’n ouders naar Peru, vader overlijdt onderweg, woont tijdje in Lima, terug naar Parijs, gaat bij de koopvaardij en maakt lange zeereizen, weer naar Parijs, trouwt met een Deense om vervolgens als succesvol effectenmakelaar een luxe bestaan te leiden in Kopenhagen wat hem al snel de keel uitkomt. Ontmoet de oudere Paul Cézanne en besluit zijn gezin met 5 kinderen op te geven om opnieuw naar Parijs te gaan voor een nieuw leven in de kunst.
En dan loop je daar op vrijdagavond rond in de wereld van Gaugain. Je staat eerst even stil bij een 50 meter lang fotolint waarop de Wereldtentoonstelling van 1889 staat afgebeeld, de tentoonstelling waar Gaugain niet mocht exposeren, maar die zo’n mooi beeld geeft van de wereld van die tijd, waar cultuur en techiek samengebracht worden met de toren van Eiffel als fallisch symbool voor de eeuw die komen gaat. Het volgende moment zit je in een Bretons dorp waar de Bretonse meisjes vrolijk om je heen dansen om even later de warmte van de Provence om je heen te voelen en de tragiek te ruiken van Arles waar het zo fout ging met die andere grote kunstenaar.
Lang, heel lang ben ik op Martinique en Tahiti gebleven om me een voorstelling te maken hoe het leven van Gaugain daar geweest is. Hij is er gek geworden, dat weten we, niet alleen van al die mooie vrouwen die met die grote maanden op hun hoofd als ware acrobaten door het dorp lopen, maar ook van zichzelf en van de schoonheid die hij daar tegenkwam. En voor je het weet sta je dan weer buiten, op een trieste, regenachtige avond in Amsterdam. De tegenstelling is groot, maar het geluk dat je voelt, van al het moois dat je hebt gezien, kan het hebben.
Gelukkig maar.
'KIND DAT OP OUDER LIJKT, HEEFT VOORDEEL'
uiterlijk, gelukkig zijn, verwennen, kinderen, ouders
Als kind ben ik altijd ontzettend verwend. Heerlijk was dat. Ik kreeg altijd wat ik hebben wou. Of ik nou een nieuwe spoortrein van Märklin wilde of patat met mayo, het maakte niet uit: ik kreeg het gewoon. Ik heb er nu nog steeds profijt van: ik krijg nog steeds wat ik hebben wil.
En als dat niet gebeurt ga ik flippen.
Mijn moeder zei dat ik op haar leek maar mijn vader vond weer dat ik meer op hem leek. Ik had dus dubbel mazzel als ik het onderzoek van psychologe Marianne Heijkoop mag geloven. Want zij heeft uitgezocht dat als een kind op een van beide ouders lijkt, dat het dan wordt voorgetrokken. Hoe je karakter is, maakt niet uit, als je maar op een van je ouders lijkt.
Als je dus een ontzettende etterbuil bent, maar wel heel mooi, dan zit je dus toch aan de goeie kant. Je zit trouwens nog beter als je karakter op dat van je moeder lijkt. Dan krijg je nog meer aandacht. Moeders investeren het meest in het kind dat op hen lijkt. En bovendien krijg je dan minder straf.
En ik leek dus op allebei.
En ik kreeg nooit straf. En ik had het karakter van m'n moeder. tel uit je winst dus. Bovendien was ik ook nog eens een heel mooi kind en dan gaat het nog eens dubbel tellen. Want mooie kinderen worden nog meer voorgetrokken dan kinderen die niet mooi zijn. Het 'spiegeltje spiegeltje spiegeltje aan de wand' effect dus. Zoiets. Maar eerlijk gezegd snap ik dat ook niet zo goed want iedere ouder vindt z’n kind toch mooi? Je zegt toch niet als je kind geboren wordt: ‘Jezus, wat een mongool of zo’. Dat kan ik me niet voorstellen. Behalve dan als het echt een mongool is. Maar het gaat natuurlijk pas tellen als je meer kinderen hebt. Dan ga je vergelijken.
Neem ik aan dan.
Met m’n zus heb ik het hier nooit over gehad. Dat durf ik niet aan. Dat is te pijnlijk. Daarvoor vind ik mijn zus veel te lief. Maar dat ik een goeie band gehad zou moeten hebben met de oma van m’n moeder klopt alleen niet. Die zag ik nooit. Waarom weet ik niet, ik weet niets meer van haar. Wel van de moeder van m’n vader. Die maakte altijd zulke lekkere jus. Dat weet ik nog wel. Wat ook niet klopt is dat ik nu minder gelukkig zou zijn. Ik ben zo gelukkig als wat. Maar dat valt natuurlijk moeilijk na te trekken. Want ik weet ook niet hoe gelukkig ik nu zou zijn als ik niet zo op m’n ouders had geleken.
Dat is een beetje lastig dus.
Zelf heb ik drie kinderen. Twee dochters en een zoon. Schatten zijn het. En ze lijken allemaal op mij. En mooi dat ze zijn, niet normaal. Ik heb ze alle drie voorgetrokken en nu zijn ze zo gelukkig als maar zijn kan. Ik weet ook zeker dat ze van mij zijn, want anders zei ik dit soort dingen niet. Volgens Marianne dan. Bovendien hebben ze alle drie ook nog eens mijn karakter. En ik heb een ontzettend leuk karakter. En ik ben nog steeds mooi.
Ja, ik ben een heel gelukkig mens.
ZE WAS TOCH OOK NOG STEEDS EEN MAMA?
waanzin, liefde, onmacht, verdriet, drama
Daar zit ze dan. In Scheveningen. Ze kan de zee ruiken bij wijze van spreken. Maar ze kan niet zomaar even naar het strand lopen. Als ze dat al zou kunnen, want zo goed loopt ze nou ook niet meer. De tijd gaat snel. Maar ze zou het wel graag willen. Even op adem komen.
Het ging ook allemaal zo snel.
Ze wilde alleen maar wat ze dacht wat goed was. Voor haar, voor haar dochter. Want zij was het belangrijkste wat er op de wereld is. Natuurlijk hield ze ook wel van haar zoon, maar die woonde zo ver weg en die zag ze haast nooit. En bovendien had haar dochter haar hulp hard nodig, omdat die zichzelf niet kon redden.
Gehandicapt was ze en niet zo’n klein beetje ook. Heel naar.
En in dat tehuis waar ze een tijdje was hadden ze ook nog eens allemaal rare dingen met haar gedaan. Wat precies wilde ze niet eens weten. Als ze daar aan dacht werd ze gek. Maar zij ging ervoor zorgen dat dat nooit meer zou gebeuren. Ze kwam weer gewoon thuis. Waar ze hoorde. Maar nu hadden ze gezegd dat dat niet meer mocht, dat zij niet meer voor haar dochter kon zorgen. Belachelijk. Dat kon ze nog best. Ook als is ze al 83. En zij was toch ook nog steeds een mama? Dan zou ze haar dochter weer moeten laten gaan naar die verschrikkelijke inrichting. En dan kon er weer van alles en nog wat gebeuren.
Daar moest ze niet aan denken.
Nee, dan maar liever samen ervandoor.
Ze wist niet eens wat ze deed die dag. Het was alsof er iets sprong in haar hoofd. Ze drukte zomaar een kussen op haar hoofd of zo, tot ze niks meer hoorde. Of had ze een mes gepakt? Ze kon het allemaal niet meer bij elkaar denken. Straks komt haar kleindochter. Misschien kan ze het haar vragen. Die weet het vast wel. Het ging ook allemaal zo snel. Voor ze het wist zat ze achterin een politiewagen. De hele buurt stond voor de deur. Ze zwaaiden haar uit. Ook zoiets geks. Alsof ze de Olympische spelen gewonnen had. Nou, daar leek het ook wel op. Wat had ze een strijd moeten voeren. Tegen zichzelf. Had ze nou verloren of gewonnen?
Ze wist het niet meer.
Hier in het ziekenhuis van de gevangenis in Scheveningen zijn ze trouwens best aardig tegen haar. Ze zit tenminste niet in een cel. Nog niet dan. Dat lijkt haar heel erg. Wat moet zij nou in een cel? Ze is liever weer thuis. In haar bovenkamertje in de Korte Marnix straat. Waar ze iedereen kent. En waar ze altijd met iedereen even een praatje kan maken. Maar haar dochter is er niet meer natuurlijk. Dat is wel raar. Ze was graag met haar meegegaan. Ze had het geprobeerd, maar dat mislukte. Dat was wel jammer. Maar misschien zou ze het nog een keer proberen, dan lukte het vast wel. Hier is het ook maar niks.
Zeker niet zonder haar.



