
Donderdag 29 april. 15 km naar Gennep en zelfs nog zo’n kilometer of drie verder, want de planning was dat we de plaats Gennep zouden doorlopen om dan op een bepaald punt de bus terug te nemen naar Gennep naar ons overnachtingadres. Dat kwam beter uit met de rest van de wandeldagen. Aanvankelijk hadden we tot Grubbenvorst willen gaan om daar de bus naar Venlo te nemen en vandaar de trein naar huis. Dat zou dan op zaterdag 1 mei zijn. Maar het liep anders. Of beter gezegd het liep niet meer. Letterlijk en figuurlijk.
En het was weer zulk mooi weer. M’n teen deed geen pijn meer. Groesbeek uit liepen we direct het bos in. Het Groesbeekse bos met de Wolfsberg waar in 1822 de laatste wolf in Nederland werd geschoten. Tegenwoordig is het weer wachten op de eerste wolf.
Een heuse wijngaard naast het Groesbeekse bos. Deze wijngaard, Klein Amerika, is begonnen in 2006. Het is een onderdeel van de 10 ha bij Groesbeek. Een andere wijngaard is Colonjes. Groesbeek kent zelfs jaarlijks wijnfeesten.
Al vrij snel begon m’n linker scheenbeen te irriteren. Ik had pijn bij elke stap. Af en toe schopte ik m’n kuit los om de pijn kwijt te raken. Het hielp niet. We stonden stil bij wat wijngaarden en liepen daarna in de richting van de St. Jansberg. Een beboste heuvel met stroompjes.
De St. Jansberg. Kronkelend dalende en stijgende paadjes, stroompjes en bruggetjes.
Twee verschillende soorten paden. Een ruiterpad is voor ruiters, maar een Pieterpad is niet specifiek voor Pieters. Zoiets brengt me altijd wat in verwarring. Er klopt iets niet wat je ziet. Het ene 'pad' is iets heel anders dan het andere 'pad'. Nuances op de St. Jansberg. Het is alsof de vrijwillige medewerker van het Pieterpad, die het plaatje erop getimmerd heeft, wilde zeggen: "Nee, dit is het Pieterpad, ruiteren doe je maar ergens anders." Maar best kans dat die paal er neergezet is om het plaatje "Ruiterpad" er op te schroeven. En dat die vrijwilliger dacht:"Dat is een mooi plekkie voor..........'
"Tsjongejonge, doorlopen nou, die pijn begint je te irriteren.
Boven op de St. Jansberg kwam ik tot de conclusie dat het zo niet langer ging. De pijn in m’n scheenbeen werd steeds erger. Het was een brandend gevoel dat op een ontsteking duidde.
Ik had dat al eens eerder gehad met skiën. Het was nu, denk ik, gekomen omdat ik om m’n teennagel te ontzien de vorige dag, m’n teen steeds naar beneden drukte. Daardoor werd de spier langs m’n scheenbeen te veel belast. Denk ik.
Het was jammer. We belden de adressen in Gennep en Wanssum waar we nog zouden overnachten en vertelde ze wat er aan de hand was. Alle begrip.
We zouden de eerste de beste bushalte pakken om met de bus verder te gaan. Voor het grootste deel zwijgend, liepen we in de warmte de kilometers lange Hondsiepsebaan met in het verlengde de Horsestraat. Zwijgend en teleurgesteld. Er was één lichtpuntje. De volgende dag, jammer genoeg Koninginnedag, zou het weer omslaan. Er was regen voorspeld.
Die eerste de beste bushalte was in Gennep. Toen we de brug over de Niers opliepen kwam er juist een bus naar Nijmegen aan. Hij stopte bij de halte, ook op de brug en we stapten in. Einde Pieterpad voor deze keer.
De scheenbeenontsteking was na een week over en de nagel van de grote teen herstelt weer voorspoedig, nadat hij er opeens vorige week af lag.
Nu maar weer eens kijken wanneer we de trein naar Nijmegen en de bus naar Gennep kunnen plannen, voor de rest van het Pieterpad, want het blijft mooi, leuk en ontspannend. Maar wel met andere schoenen.
Moet je kijken, dat linker scheenbeen, helemaal dik. En pijnlijk.
Woensdag 28 april. Schitterend weer. De officiële afstand is vandaag 20 km. Precies goed. De route loopt vandaag ook weer stukjes door Duitsland. Het Pieterpad raakt hier echt de oostgrens. Millingen a/d Rijn is een grensplaats en de route voert ook onmiddellijk langs de grens met Duitsland.
Nog in het dorp stop ik bij een bankje om m’n linker grote teen te bekijken. Het zit niet goed. Het doet pijn en ik kijk wat er aan te doen is. Niet veel. Ik strik de schoen weer op een bepaalde manier en we gaan verder.
Die rot teen. Zulk mooi weer, in korte broek in de aprilzon, een leuke afstand. Effe wachten hoor, misschien nog wat nagel wegknippen. Zonde hè. Het drukt de pret toch wel.
Als ik bij iedere stap m’n teen naar beneden druk voel ik niets. We gaan door. We lopen een paar kilometer langs de grens, door het dorpje Leuth (tot 1816 een Duits dorp), door wat velden en we gaan de grens over naar Zyfflich. Het is warm. Het is eind april en toch zo’n vijfentwintig graden. Vlak voor het dorp is bovenop een metershoge paal een ooievaarsnest gemaakt. De ooievaar kleppert met zijn snavel en beweegt z’n kop op en neer.
De ooievaar. Hij blijkt Jan Euwer te heten en is 18 jaar oud. Zijn vrouw heet Marie, leeftijd onbekend, en ze wonen te Zyfflich, Leuther Strasse 4. Het hek naar z'n nest is dicht maar er hangt een pamflet:
'Was lehrt uns Jan,' zegt het pamflet dikgedrukt met uitroeptekens: "Weissstörche sind dem Nest aber nicht dem Partner treu !!"
Is dat een standje aan de ooievaar of ziet de schrijver de gelegenheid een lossere moraal op te roepen.
Of, zet hij vraagtekens bij de herkomst van kinderen die door de ooievaar worden gebracht.
Het kan natuurlijk ook, dat Marie I en Marie II die Hollandse Jan uit de Bommelerwaard spuugzat zijn met z'n geklepper en op vleugels zijn gegaan. Toen wij langs kwamen was Marie III ook in geen velden of wegen te bekennen.
Jan is natuurlijk al in Duitsland gaan wonen vanwege de goedkopere woningen. En of die hypotheekrenteaftrek blijft bestaan verwacht hij ook niet met die Cohen. Zo'n type ooievaar is Jan.
Trouwens, drie vleugelslagen en hij kan kikkers vangen in de slootjes van Millingen of de meertjes van De Bijland.
De bewoners van Zyfflich zijn blij met Jan, maar ze houden wel bij welke kinderen een dubbel paspoort hebben.
Op zo'n pad moet het gebeurd zijn dat Dineke een misstap deed. Net even een hobbeltje. Hup, een zwik. Ze liep gewoon door, maar pas eind juli bleek dat ze een scheurtje in haar enkelband had. Niet de dokter maar haar huistherapeut kwam erachter. Pieterpad lopen is echt niet zonder risico.
We lopen na Zyfflich op de stuwwal van Nijmegen af, steken het Wylermeer over en staan opeens weer langs een drukke Nederlandse weg. Aan de overkant begint meteen de stuwwal. Het pad loopt er recht omhoog. Over een afstand van enkele tientallen meters verandert het landschap van vlak in heuvelachtig. We lopen van 10 m de Duivelsberg op naar bijna 80 m. Bij het restaurant drinken we koffie.
Het heuvellandschap van Groesbeek is mooi en afwisselend. Ook hier weer veel herinneringstekens van de strijd tijdens de Tweede Wereldoorlog. We lopen ook vlak langs de Canadese Erebegraafplaats.
Zo ziet een bos er in april uit. Die lichtgroene blaadjes, voorzichtig beschenen door de zon, lichtjes kantelend zonnestralen weerkaatsend in de voorjaarswind, brengen een sfeer van een jonge zomer.
Let ook even op de neus en de mond van de jonge vrouw, ze ruikt een mengeling van het verterend oude blad op de grond en de frisheid van de ochtendwind. Niks geheimzinnigs, gewoon fijn om te zijn. Dan vergeet je die zere teen weer even.
Ik had het hier niet zo heuvelachtig verwacht. Groesbeek is een leuke toeristische plaats. Natuurlijk vooral ook bekend van de Nijmeegse Vierdaagse. De Zevenheuvelenweg steken we over als we Groesbeek binnenlopen. Op het terras van een eenvoudig café in een zijstraatje van de Dorpsstraat drinken we ons biertje en hebben een gezellig gesprek met een andere gast en de kastelein.
Niks beter dan na 20 km lopen, een pretentieloos cafe met terras, waar ze een Amsterdammertje tappen, en nog één, en waar je even lekker je schoenen uit kunt doen en je moeie voeten op een stoel kunt leggen (na overleg met de kastelein natuurlijk)
We hebben de nacht weer geboekt bij Vrienden op de Fiets. Het is niet altijd een grote verrassing waar je slaapt. Op Google Earth kun je al zien wat voor straat het is en welk type huis. Het zijn altijd aardige mensen, die vaak vroeger ook gefietst of gewandeld hebben. De kinderen zijn de deur uit en ze hebben een kamer over voor fietsers en wandelaars. Vaak is er een tweede badkamer beschikbaar.
Deze mensen kwamen uit de Randstad. Na hun pensionering zijn ze in Groesbeek gaan wonen, hebben zich in het verenigingsleven gestort, sporten, doen vrijwilligerswerk en zijn helemaal ingeburgerd. Ook hier weer zeer aardige mensen.
Dinsdag 27 april. Willem Alexander, de prins, is jarig. Geen wereldschokkende gebeurtenis, maar voor mij een kapstokhaakje van de geschiedenis. Ik zat in 1967 in militaire dienst bij de marine in Amsterdam toen hij geboren werd. Later, ook op 27 april, ergens in de jaren tachtig, toen ik met m’n zoon op de fiets de vroege boot (afvaart 09.45) van Harlingen naar Terschelling miste, vertelde ik hem het verhaal van de geboorte van Willem Alexander. 27 april komt ieder jaar voorbij, en ik heb zo m’n herinneringen
Maar nu liepen we het Pieterpad. De nagel van m’n grote linkerteen deed zeer. Of m'n schoenen nou te groot zijn of te klein, ik weet het niet. Steeds strik ik ze op een bepaalde manier om te voorkomen dat m'n teen tegen de neus van de schoen schuift.
Het was warm en we moesten de veerpont van 5 uur over de Rijn naar Millingen a/d Rijn halen. De afstand is 24 kilometer, dat is zes uur lopen, netto. 4 km per uur lopen we. Moet te doen zijn. Het veer gaat om het uur en met de mevrouw van het Vrienden-op-de-Fiets-adres in Millingen had ik afgesproken dat we op z’n laatst het pontje van 5 uur zouden nemen.
Vanuit Braamt lopen we zo de stuwwal Montferland op. Het is meteen behoorlijk omhoog door het bos. Het is zo’n 7 km door het bos en dan steken we de snelweg A3 over. De Duitse Autobahn A3. Een Nederlandse A3 bestaat niet.
We lopen nu een stukje door Duitsland naar Hoch Elten. Daar dalen we weer af naar Nederland richting Spijk. Het eerste dorp in Nederland dat door de Rijn wordt aangedaan. De kleine 4 km naar Tolkamer langs de Rijn loopt niet prettig. Er rijdt vrij veel vrachtverkeer van en naar de steenfabrieken behoorlijk hard.
Dit is een stukje Pieterpad in Duitsland. Dat kerktorentje is van Hoch Elten. 80 meter hoog. Achter dat kerktorentje gaat het pad weer linea recta omlaag het Rijndal in. De Gelderse Poort.
Vanaf Tolkamer loopt het weer rustiger en gaat het pad langs De Bijland, een plas en recreatiegebied dat na zand- en grindwinning is ontstaan. Voor vier uur staan we bij het pontje naar Millingen a/d Rijn.
Kerkhofje langs de Rijn. Van de bemanning van een Engels vliegtuig, in de oorlog hier neergeschoten. We zijn ze meer tegengekomen , kerkhofjes of monumentjes van neergeschoten vliegtuigen. Het ontroerd me altijd weer, als ik de leeftijden zie van de bemanning. Ik sta er altijd even bij stil.
Vanaf de overkant van de Rijn, tegenover Millingen, moet je op een bepaalde plaats op een piertje gaan staan, om de schipper duidelijk te maken dat je over wilt.
Om tien over vier uur gaan we over en een half uur later zitten we in het centrum van Millingen op een terras aan een biertje. En nog een.
We zijn de Rijn over. Voor Pierepadlopers altijd wel een mijlpaal denk ik. Montferland en Hoch Elten, dan de Gelderse Poort en de Rijn geven het landschap zo'n duidelijk beeld. Hier ligt ten zuiden- en ten noorden van de grote rivieren tegen elkaar aan. Alleen de Rijn ertussen. Het is meteen het begin van de delta.
Ik realiseerde me dat ik niet eens wist hoe het precies in elkaar steekt met die rivieren. Thuis heb ik het opgezocht:
Twee kilometer stroomafwaarts voorbij Millingen, ligt de Pannerdensche Kop, de Boven Rijn splitst zich daar in de Waal, die langs Nijmegen stroomt en het Pannerdens Kanaal, dat bij Arnhem zich weer splitst in de IJssel en de Nederrijn, die vanaf Wijk bij Duurstede Lek wordt genoemd.
Water uit de Lek, Lekwater dus en geen lekwater, wordt met pijpleidingen naar de Kennemerduinen vervoerd om daar te infiltreren en er drinkwater van te maken.Vroeger, heel vroeger, dacht ik altijd dat Lekwater water was dat ergens vandaan lekte. Eind vorige eeuw is de inname van Lekwater eens gestopt omdat er teveel gif in zat.
De Maas is een ander verhaal. Die rivier stroomt vanaf Maastricht onder Nijmegen, langs Noord-Brabant naar de Biesbos.
Eigenlijk moeten we daar ook eens een langs afstandswandeling maken of fietstocht. Zo langs de rivieren, uiterwaarden en polders in de delta als Hoekse Waard, Land van Altena, Bommelerwaard en Land van Maas en Waal. Allemaal onbekend terrein.
De rest van het Pieterpad loopt ook door een streek waar ik nog nooit geweest ben, behalve Zuid-Limburg dan. Ik kijk er naar uit, maar maak me zorgen om m'n zere teen.
Wachtkamer van het veer over de Rijn naar Millingen. Je moest hier niet blijven zitten, maar op een bepaalde plek gaan staan. Want als er niemand van Millingen deze kant op moest liep je de kans dat de schipper niet wist of je mee moest.
Het adres van Vrienden op de Fiets in Millingen heeft een dubbele boeking gedaan en we worden bij haar schoonzus ondergebracht die een echt Bed & Breakfast-adres is. De kamer is prima, compleet met TV. Door de commotie ben ik vergeten te zeggen dat we Vrienden-op-deFiets-gasten zijn en dat vindt ze achteraf niet leuk. We geven de schuld aan haar schoonzuster die dubbel geboekt had en het haar ook had moeten zeggen. Vindt zij eigenlijk ook. ‘Anders had ik jullie een andere kamer gegeven.’ Zei ze nog.
Het adres ligt een stuk verder uit het centrum en ik ben er niet blij mee. Voor het avondeten moeten we weer een stuk terug naar Millingen lopen. We eten er wel heerlijk.
De kerktoren van Millingen. Een beetje Berlageachtig.
Vorige maand wilden we een tuinbank kopen. Nu ik de voortuin opknap en het oude, wrakkige tuinbankje er aan moet geloven, zal er ook een nieuw tuinbankje komen. Niet dat we veel in de voortuin zitten, maar af en toe wel. Als de zon in het vroege voorjaar ’s morgens schijnt en de wind gunstig is, kan het er zeer aangenaam zijn. Het is de plek waar we na de winter de zon weer echt voelen.
Bij de Woonoutlet in Alkmaar hadden ze tuinbanken van gebruikt steigermateriaal. We bekeken ze en de bank naar onze keuze zou 208 Euro gaan kosten. ‘Ammenooitniet,’ zei Dineke.
Een ander bankje met een ongemakkelijke lagere rugleuning kostte 168 Euro en een plankje op de rugleuning ertussen zou hem meer comfortabel maken. We stelden de verkoper voor het plankje ertussen te laten zetten. Meerwerk. 40 Euro duurder. 208 Euro. ‘Ammenooitniet’
Twee weken later viert mijn neef zijn pensionering. In de tuin heeft hij een bankje van nieuw steigerhout staan. ‘Wat een leuk bankje heb je daar.’ Zegt Dineke. ‘Ja leuk hè. Deze bankjes maken ze op m’n werk.’ Zegt m’n neef. ‘Je kunt hem kopen, want ik krijg er nog een.’ En hij noemt een bedrag waarmee de koop onmiddellijk gesloten is. ‘We komen hem volgende maand ophalen,’ beloven we.
Het bankje staat nu in de tuin. Het is een schattig bankje. Niet te groot, net goed. Laatst las ik in de Volkskrant een artikel over timmerlui die zelf bankjes ontwerpen en ze maken. Het bankje dat ze maken krijgt dan hun naam. Een eerbetoon aan de schepper van het bankje. De naam van de ontwerper van dit bankje weten we niet, maar we zouden hem Frans kunnen noemen.
Bij nader inzien kan ik het bankje dat ik nu heb staan, wel namaken. De planken zijn allemaal even breed en even dik.
Via via kan ik aan steigerhout komen. Ik heb het nog niet, maar ’s avonds in bed schroef en plak ik het handig, fluitend en toch geconcentreerd in elkaar. In een handomdraai staat het er en kijk ik er tevreden op neer. De schroevendraaier nog in m’n hand en de koffie nog niet op. Een peulenschil, maar toch een beetje gevoel van plagiaat.
Net zo een als ‘Frans’ dus, geen eigen ontwerp, maar afgekeken. Ik slaap voldaan door.
In Engeland staan overal bankjes met een plaatje er op met een bedanktekst voor iemand die is overleden en verdienstelijk werd bevonden of voor wie de liefde nooit zal eindigen. Vaak zoete, overdreven teksten en meestal op rijm.
Bijvoorbeeld:
Het bracht me op een idee. Maar ja, we zijn in Nederland wat nuchterder. Toch begon zich in m’n hoofd een gedichtje te vormen waarbij ik onwillekeurig aan m’n moeder moest denken. In gedachten zag ik haar met dat ietwat spottende lachje op het bankje gaan zitten. Eerst wantrouwig, of het haar wel zou houden en dan de woorden: ‘Zo. Alie zit’ Op de rugleuning naast haar het plaatje, met het gedichtje.
Ze werpt er een blik op:
Als je fles met glas of krant pakt
Hier tevreden op je krent zakt
Denk dan als een klein bedankje
Aan de schepper van dit bankje.
‘Heb je dat ook gemaakt?’ zou ze dan kunnen zeggen
‘Ja mam.’
‘Nou nou, je bent nogal tevreden over jezelf’
‘Hoe zit het mam?’
‘Goed. Ik vind het een ketig bankje.’
‘Mooi. Wijntje?'
'Welja, laat de armoe de pip maar krijgen.'
Ketig bankje, niet?
Ballonvaart over West-Friesland. De Ruimtelijke Ordening vanuit de lucht.
In het voorjaar heb ik een ballonvaart gewonnen met een gedichtje over het Pieterpad, naar aanleiding van de samenstelling van de canon van de Ruimtelijke Ordening.
Maandagavond 5 juli heb ik samen met Dineke die ballonvaart gemaakt.
Hoe het zo kwam:
Om 'werkenderwijs' nieuw zicht te brengen in het gedeelde referentiekader van vakgenoten in de ruimtelijke ordening hebben het ministerie van VROM en het Nirov, Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting het initiatief genomen een canon samen te stellen door een aantal iconen van de ruimtelijke ordening te benoemen. Even in mijn eigen woorden, zoals ik het begrijp.
'Spannend hè? Maar ik durf gerust wel hoor,' zie je Dineke denken.
We zitten net in het mandje. Het staat nog net op de grond. Een verdomd klein mandje. In de vier hoeken stonden ook nog eens gasflessen. Met z'n drieën passen we er precies in en we moesten toch wat overwinnen om ons op ons gemak te voelen. Maar dat kwam goed. De piloot was alert, mededeelzaam en een van ons. Het werd een gezellige, interessante en opwindende vaart.
Ja, daar gaat ie. In het begin was het wel wat eng. Nadat we losgekoppeld waren van de grote bus, schoten we omhoog. We stegen tot zo'n 500 meter.
Tegen de zon in. We waren net opgestegen. In de verte de Noordzee en nauwelijks te onderscheiden, de Hondsbosse Zeewering. Vroeger, eeuwen terug, stroomde hier het zeewater nog in en uit. De zee werd bedwongen en het land bewoonbaar gemaakt. De hoge Westfriese Omringdijk is van deze hoogte niet te onderscheiden. Uiterst links nog wat duinen van Camperduin.
Nadat eeuwen terug het land was drooggelegd en het water werd weggemalen, werden er grachtjes gegraven om het water af te voeren en klonk de veengrond verder in en bleven er eilandjes over die de boeren vroeger gebruikten voor het vee en akkerland.
Later, veel later, werden er op de eilandjes zeer luxe woningen gebouwd. Het Rijk de Duizend Eilanden. De woningen rechts zijn meer een klein aantal van de grote 'Rijk'
Heerhugowaard, met de typische woonwijken uit de jaren zestig en zeventig. Veel koophuizen en wat huurwoningen. Doorzonwoningen met veel groen. Ons eigen huis staat er ook op. De woonwijken van de jaren tachtig en negentig verschilden sterk. Er werd dichter op elkaar gebouwd en de woonerven deden hun intree.
Het kassengebied bij Heerhugowaard. Net als de woonwijken efficient, rechthoekig en strak.
Een actuele foto. Vrijdag 2 juli was Pauw Recreatie, specialist in caravans, kamperen, wintersportartikelen en accessoires afgebrand.
Rustenburg, een T-splitsing van ringvaarten om de droogmakerijen. Op de achtergrond de Schermer en de gelijkmatige verdeling van de boerderijbedrijven. Rechts de polder Heerhugowaard. Dit is het mooie Noord-Holland. Heerlijk om te fietsen en vooral te schaatsen.
De Polder Mijzen. Ons landingsterrein. Ik vroeg de piloot of hij er zeker van was hier te landen. Een paar honderd meter verder was de Beemster. De bomenrij boven in de foto markeren de ringvaart van de Beemster. De Beemster had volgens hem te veel akkertjes en was riskanter om te landen. Met een snelheid van meer dan twintig km per uur zag ik het steeds dichterbij komende gras en slootjes onder ons doorschieten. We hadden ons al vastgehouden volgend de instructies. 'Houd je vast' riep hij en met een klap sloeg de onderkant van het mandje tegen een slootkant. De mand kantelde en schoof over het gras, steeg weer op om nog een keer zo'n landing te maken. Tientallen meters schoof de mand op z'n zijkant over het gras. Dineke had wat last van haar schouder, maar had dat er graag voor over.
Het liefst waren we eigenlijk in een slootje terecht gekomen, dan hadden we nog meer om over na te vertellen.
Alles plat in de Mijzen polder.
'De ruimte van de landerijen......
Ik kijk nog even in de richting waar we vandaan kwamen. Van Warmenhuizen naar de Mijzenpolder in een luchtballon. We hadden een uur lang boven ons eigen woongebied gevaren. Het was prachtig. Nirov bedankt en houd Nederland mooi. Kijk uit voor de bedrijventerreinen.
Er lag een merel dood op m’n terras
Toen ik het kleed uitklopte.
Ik schrok en keek
En wist niet wat ik zag
Een dooie vogel op z’n rug
Die daar welzeker lag
Want eerst
Je twijfelt aan jezelf
Zie ik het goed
Beweegt hij echt niet meer?
Als ik nou vlak bij hem ga staan
Zou hij dan niet verschrikt z’n kop opsteken
Zou hij dan fladderen en weer gaan?
Me laten schrikken met die vogelstreken.
Zij lag erbij zoals het hoort
De pootjes zinloos recht naar boven
Het koppie met de oogjes toe
De snavel dicht, de vleugels slordig losgelaten
Het was een zij
Ik heb het nagekeken.
Dus niet zo zwart als hij
Maar liever en misschien twee weken
Het schoot wel door me heen
Vanavond de kanaries
Het zal toch niet een teken zijn
Van deze goddelijke merel?
Kom nou, dacht ik het kleed opvouwend
Niet gek doen, niet zo raar
Maar over mijn terras schoof plots
De schaduw van een adelaar.
Ernst, juli 2010
Zij is een beetje oranje. Dat koppie neigt naar oranje. Als je raar wil doen, vind je dat het oranje is.
Toe, laat me een keer.
Laat me een keer zo doen. Ik heb 7 juli 1974 meegemaakt. Thuis, met m'n vader, ooms, zwager. Altijd als ik Gerd Mueller dat draaitje zie maken en de bal langs Jongbloed schuift, komt het weer allemaal naar boven.
Ik weet wat de Argentijnen, Brazilianen, en in mindere mate Engelsen meemaken. Neem het ze niet kwalijk
Ik probeerde het te relativeren, te bagatelliseren, normaal te vinden
Pas een paar jaar geleden ontdekte ik tijdens een voetbalwedstrijd dat ik voor de Duitse ploeg was. Het was een bevrijding (sorry voor dat woord). Bevrijd van een trauma, dat 1978 en 1988 niet goedmaakte. Dat dacht ik.
Nu voel ik het uur van de waarheid naderen. Niks geen Spanje dat Duitsland in de halve finale moet verslaan.
Niet aan Spanje overlaten. Zelf doen.
Als je kampioen wilt worden moet je iedereen kunnen verslaan. Zowel Urugay als Duitsland.
Van Zelhem had ik vaag wel eens iets gehoord, maar van Braamt nooit. Zelhem ligt nog mooi midden in de Achterhoek. Braamt ook, maar in de luwte van de stuwwal Montferland. Vooral in dit stuk Pieterpad is veel veranderd. Voorheen liep de route door Doetinchem en steeds meer langs industrieterreinen. In de nieuwe druk loopt het pad ten oosten van Doetinchem naar Braamt. Braamt was voorheen geen plaats waar het Pieterpad doorliep.
Zwart, pikzwart was de aarde in de ochtend. Even voorbij Zelhem. De nevel gaf er een extra teintje aan.
Alsof de boer het voor ons had bewerkt. Het had iets groots. De grond lag ook wat hoger dan het pad er langs.
In Zelhem sliepen we bij ‘Vrienden op de Fiets’. Voor 40 euro heb je een goed bed, een ontbijt en altijd vriendelijke mensen op het gastadres. Om kwart over tien liepen we Zelhem weer uit. Het was bewolkt, droog en wat frisser dan de dag ervoor.
Direct voelde ik dat de nagel van m’n linker grote teen pijn deed. Behoorlijk pijnlijk zelfs. Door m’n schoen op een bepaalde manier te strikken kon ik het in eerste instantie wel opvangen, maar in de loop van de wandeling schoof m’n pijnlijke teen toch steeds weer tegen de neus van m’n schoen. Herhaaldelijk strikte ik m’n schoen goed. Toch deed het pijn, terwijl de schoen niet te klein is.
De buurtbewoners hadden toch maar mooi voor elkaar gekregen dat het pad bleef bestaan. Ik neem aan dat het Pieterpad daarvoor er ook over liep.
Bedankt buurtbewoners van IJzevoorde.
IJzevoorde. Je kunt het net niet zien, maar bij die auto links van de weg staat het bord IJzevoorde voor als je van de andere kant komt. De hele hoofdstraat van IJzevoorde, van begin tot eind, op de foto.
Zo lekker rustig. De Achterhoek is mooi en de mensen vriendelijk. Wat wil je nog meer.
Zulke paden vrágen om op de foto te mogen.
Dit is Henk.
Een paar weken geleden stond er in het katern Reizen van de Volkskrant een artikel over het Pieterpad. Dat artikel begon met deze man. Henk is de uitbater van Auberge Graaf Hendrik in Braamt en had op dat moment bezoek van een verslaggever van de Volkskrant en de grote man van het Peterpad Maarten Goorhuis. Henk sprak z'n genoegen er over uit dat het Pieterpad nu langs zijn Auberge loopt. Henk was vroeger werkzaam in de zorg met moeilijk opvoedbare jongens en runt sinds 2008 Auberge Graaf Hendrik.
Als Pieterpadloper kun je er met een arrangement goed terecht: een driegangendiner, logies met ontbijt en een lunchpakket voor een redelijke prijs. Doen. Leuk voor Henk, goed voor z'n Auberge en een aanwinst voor het Pieterpad.
Dit was de volgende dag 27 april. We lopen Braamt weer uit, recht op de heuvels van Montferland af. De nagel van de linker grote teen doet nog steeds wat pijn, is rood en glimt. Ik schat in dat hij er met een paar maanden los opligt.
In 2007 hebben we in drie periodes, met Pasen, Pinksteren en september, Deel 1 van het Pieterpad gelopen. Deel 1 beschrijft de tocht van Pieterburen naar Vorden. Kasteel Vorden, om precies te zijn.
13 September 2007 liepen we de laatste etappes en ik eindigde mijn stukje met de volgende tekst:
Traject 1 van Pieterburen naar Vorden hebben we er nu opzitten. Op een klein stukje na. Traject 1 stopt niet bij het station van Vorden maar bij het kasteel van Vorden een halve kilometer verderop. Daar beginnen we mee als we Traject 2 gaan lopen, maar dat zal wel 2009 worden.
Wat ik toen nog niet kon vermelden, was dat we het tweede stuk, van Vorden naar de St. Pietersberg pas zouden lopen als er een nieuwe druk van Deel 2 zou verschijnen. Onderweg hadden we ergens opgepikt dat de route van het tweede traject, in verband met de oprukkende industrieterreinen bij Doetinchem en Roermond, ingrijpend zou veranderen en dat er een volgende druk in de maak was.
Aanvankelijk dacht ik dat de achtste druk in 2009 zou uitkomen. Maar dat is februari 2010 geworden.
Zo stonden we zondag 25 april om 11.16, met het nieuwe Deel 2, weer op het perron van Vorden. Het was warm, de zon scheen, het was zomer.
We liepen door een met zondagochtendsfeer ingepakt Vorden. Langs het kasteel, de bossen in en langs landerijen. Mensen wandelden, fietsten en flaneerden keuvelend langs de lanen en de paden in zomerpakken en fleurige blouses.
Vorden en omgeving, maakte een zeer vredige indruk. Ver weg van geheimzinnige aswolken, in tweeën gesplitste finales, reusachtige olievlekken en alsof ik nauwelijks twee maanden geleden niet twintig keer sneeuw geruimd had en de autoruiten gekrabd en van een schreeuw op de Dam hadden we nog niet het flauwste vermoeden.
Even voorbij het Kasteel Vorden is in het pad deze plaquette gelegd. Het zijn de voetstappen van Toos Goorhuis-Tjalsma en Bertje Jens, de bedenksters van het Pieterpad
Zeven dagen zouden we lopen, van Vorden naar Grubbenvorst. Van de Achterhoek via De Gelderse Poort naar Limburg.
Grubbenvorst, het centrum van de Nederlandse aspergeteelt. Ik verheugde me er op. Asperges zouden we eten, zo van het land. Maar het liep anders. Ik had andere schoenen en die liepen inderdaad anders.
Even buiten Vorden, in het kleine esdorp Linde, ligt een boerderij genaamd Groot-Jimmink. Jimmink is de familienaam van m’n moeder. Haar vader was George Willem Jimmink, boekhouder, geboren te Schagen-Lagedijk-Wijk.7.No.12 op 11 juli 1882, overleden te Velsen Noord in het jaar 1958, 76 jaar oud. Zijn voorouders komen uit Linde. Aldus de stamboom die begin zeventiende eeuw begint.
In het uittreksel van de stamboom kwam ik ook het verhaal weer tegen dat al jaren in de familie rondwaart:
Dat de stamvader in Noord-Holland Willem, een bastaard zoon zou zijn van de baron van het kasteel Hakfort te Vorden. Deze bewering berustte louter op overlevering en werd nooit bewezen.
Met de zon strak aan de hemel lopen we op Linde af. We slaan de Kostedeweg in en daar aan het eind van de weg, rechts van een T-splitsing met de Lindeseweg ligt de boerderij waarvan ik denk dat dat het geboortehuis van Willem Jimmink moet zijn.
Op het landkaartje van het Pieterpadboekje, bij de splitsing staat de naam van de boerderij: Jimmink
Vreemd, Willem Jimmink, de opa van mijn opa is even na het jaar 1800 hiervandaan naar Den Helder vertrokken. Een jonge vent van 22 of 23 jaar. Met het doel vooruit te komen, een nieuwe toekomst tegemoet. Een ondernemende jongeman, maar waarom hij uit Linde vertrok is niet bekend.
Willem Jimmink kwam in Den Helder Elisabeth de Vries uit Amsterdam tegen, trouwde met haar en ze kregen veel kinderen. De nakomelingen zijn uitgewaaid over Noord-Holland.
Allemaal lang geleden, maar het trekt me toch. Het heeft iets magisch. Ontdekken en zien waar je roots liggen. Niet alle roots, maar toch de roots die me het meest aanspreken. En als het Pieterpad er toch langs loopt? Waarom niet? Ik zit er nu bovenop en wil een beschrijving en foto's maken voor m'n oudste nicht.
‘Ik wil even bij die boerderij kijken,’ zeg ik tegen Dineke. ‘Daar komt m’n voorfamilie vandaan. Gewoon even kijken’ Dineke wacht op me.
De boerderij is verbouwd tot woonboerderij, een landhuis meer. Achter een breed openstaand hek staan een paar mooie auto’s. Nieuwsgierig doe ik een paar stappen de poort binnen. Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn natuurlijke bescheidenheid.
Het ziet er rijk uit. Een ruim erf met parkeerplaatsen en perkjes. Vanachter een modern mooi verbouwd bijgebouw komt een jonge man naar me toe lopen en vraagt vriendelijk: ‘Goedemiddag, zoekt u iets?’ Achter hem, tussen het woonhuis en het bijgebouw, zie ik een grote tuin met zwembad. Ze hebben het 'gemaakt' hier.
Later thuisgekomen heb ik het op Google Earth allemaal kunnen vinden, inclusief zwembad.
Ik vraag de jongeman: ‘Woont u hier en is dit de boerderij die Groot-Jimmink heet?’
‘Ik woon hier zelf niet.’ Zegt hij, ‘maar ik zal ‘t m’n schoonvader even vragen.’
Twee tellen later komt hij terug met een man van m’n eigen leeftijd. We stellen ons aan elkaar voor en ik vertel hem van de familie Jimmink. Hij neemt de tijd voor me 'Nee, dat is niet deze boerderij.' zegt hij. Dit was Klein-Jimmink. Groot Jimmink ligt langs de weg vlak voor het dorp. Maar als u doorloopt het dorp in naar het café 't Proathuus, dan kunnen ze u daar meer vertellen van de familie Jimmink want die woont hier nog wel, maar niet meer op Groot-Jimmink.'
Ik bedank hem en loop de weg weer op richting het dorp.
Een paar honderd meter verderop vind ik de boerderij. Deze oprijlaan heeft links nog een pilaar en daar staat Groot op. Dit is dus de boerderij waar Willem geboren is. Ik durf de oprijlaan niet op te lopen. Het ziet er allemaal goed onderhouden en voornaam uit.
Groot-Jimmink vanuit een andere hoek
Onderstaande foto is genomen vanaf het terras van 't Proathuus. Een medewerkster van het café vertelde me dat in het huisje schuin tegenover een familie Groot Jimmink woont.
We drinken een biertje op het terras met zicht op het huisje en vervolgen daarna onze weg naar Zelhem. Het geboortehuis van onze voorvader is goed achtergebleven.
McAfee, spreek uit Mèkkèfie. Zoveel ben ik ook wijzer geworden. Ik weet het want ik heb met ze gebeld. Na veel toetsen indrukken, zit je voor tachtig cent per minuut naar Für Elise te luisten. Ik heb dus niemand gesproken, maar de telefoniste zei Mèkkèfie.
Niet de klemtoon op de laatste lettergreep, maar op de hoofdletter A die je uitspreekt als een è, van mekkeren van schapen. Streepje naar links, accent grave. Streepje naar rechts is accent aigu. Accent ‘dakje’ is accent circonflexe. Een prachtig woord.
Bij Franse les op school dacht ik bij het plaatsen van een accent altijd aan het woord élève (leerling). Ik weet hoe je het uitspreekt, hoe de streepjes staan en op die manier vond ik het juiste streepje. Op m’n eindexamen Frans had ik een zeven.
Maar daar gaat het niet over. Woensdagmiddag begon m’n computer raar te doe. Hij werd traag en onhandelbaar. ’s Avonds op teletekst stond er een bericht dat er problemen waren met de beveiliging door McAfee en dat er duizenden computers besmet waren. De schrik sloeg me om het hart.
De volgende morgen was het mis. Internet deed het niet. Vertrouwde woordjes als ‘start, linksonder, de tijdsaanduiding en de balken van microsoft waren wit en niet meer het vertrouwde blauw en formaat.
Geen internet betekent dat je ook niet meer op zoek kunt naar informatie. Je voelt je meteen onthand, onthoofd en onwetend.
Toevallig belde m’n zoon net, die thuis ook achter de computer zat. Na wat zoeken vond hij informatie wat er aan de hand was en kwam hij langs met de volgende oplossing en de gedownloade file.
Solution
1. From a working computer, download http://download.nai.com/products/mcafee-avert/tools/SDAT5958_EM.exe and save it to a removable media (eg: Thumb Drive, CDROM)
2. Start the affected computer in Safe Mode (When booting, press F8 and choose Safe Mode).
3. Copy the SDAT5958_EM.EXE file to your desktop.
4. Run the SDAT5958_EM.EXE tool.
5. Open My Computer and navigate to C:Program FilesMcAfeeVirusScan
6. Delete the DAT folder.
7. Restart the computer normally.
8. After the computer restarts, right-click the M icon and manually check for an update to get the new DAT files
In eerste instantie lukt het niet, want gelijk met het opstarten moet je de F8 toets herhaaldelijk blijven indrukken. Zelfs en non-nerd als ik lukte het weer voor elkaar te krijgen. Uit eerlijkheid dient gezegd te worden, dat het uiteindelijk mijn schoonzoon was die in tweede instatie goed uitlegde.
Alleen, iemand die ook last heeft van de fout van McAfee kan dit niet lezen.
Vorige week stond er in Dag in Dag uit, een vaste rubriek in de Volkskrant, een oproep een gedicht te bedenken voor een gemeente, een dorp, een gehucht of een grote stad. Het is een idee van Reg Zijthof en zou bij moeten dragen aan de vorming van een topografische Poëzieatlas.
Twee Noord-Brabantse dichters/schrijvers, Albert Hagenaars en Bert Bevers, werken al meer dan tien jaar aan zo’n Poëtische Atlas en hopen in 2015 klaar te zijn.
Natuurlijk wil ik dan ook meedoen. En het liefst maak je een gedicht over je eigen woonplaats. Natuurlijk Heerhugowaard. De Heerlijkheid Heerhugowaard. De plaats waar we in april 1980 met twee kinderen gingen wonen, en waar het derde kind in 1984 werd geboren. Ze groeiden er gelukkig op, kregen er een goede schoolopleiding, konden kiezen uit zeer veel sporten, volgden dansles, kregen veel vrienden en gingen er uit. Heerhugowaard was hun stad.
Heerhugowaard was tot begin jaren zestig een onbetekenend dorp in de polder Heerhugowaard. Schrale onvruchtbare grond, schuin boven Alkmaar. Er waren twee of drie doorlopende straten en de rest liep dood in de polder. Toen werd Heerhugowaard overloopgebied en de een na de andere nieuwbouwwijk verrees uit de klei. Het heeft nu meer dan vijftigduizend inwoners en breidt nog steeds uit. Er is een groot winkelcentrum en de laatste hand wordt nu gelegd aan het stadscentrum, met als middelpunt het spiksplinternieuwe theater en het uitgaanscentrum. We voelen ons thuis in Heerhugowaard.
Dus het moet een kleinigheid zijn voor Heerhugowaard een waardig gedicht te maken. Het soms verguisde Heerhugowaard verdient een mooi gedicht. Toen we in 1980 verhuisden van Beverwijk naar Heerhugowaard, noemden onze vrienden het de platte Bijlmer. Gisteravond in het theater Cool trad Dolf Jansen op met zijn voorstelling ‘Altijd verder’. We waren er bij. Ook hij gaf een sneer en maakte opmerkingen van eindeloze nieuwbouwwijken. Maar ik weet het haast zeker dat de zaal vol zat met tevreden Heerhugowaarders. Ik geef toe de naam bekt niet lekker, maar what’s in a name? Heerhugowaard heeft ons veel geboden.
En ik begon te dichten:
Het is in de polder
De klei gelaagd
Verbouwen is kolder
Geen boer die het waagt.
Dan bouwen we huizen
Dat moet wel lonen
Want Heerhugowaarders
Moeten toch ergens wonen.
Nee, dat wilde niet, te negatief. Daar kun je geen prijs mee winnen en zeker geen plaats in de poëzieatlas. Opnieuw
Heerhugowaard
Niets wilde er groeien
In de droogmakerij
Geen bloem kon er bloeien
Geen schaap in de wei
De armoe tiert welig
Geen mens werd gespaard
In de droogmakerij
De Heerhugowaard
Dat is het verleden
Er werd aan gewerkt
Gewerkt tot aan heden
Voor de toekomst gesterkt
Het glanst van het water
Van glas en van staal
De stad van de toekomst
Voor ons allemaal
Daar net boven Alkmaar
Een beetje rechts op de kaart
De Stad van de Zon
Heerhugowaard.
Tja, het is wel af, het is een compleet gedicht, maar toch niet zoals ik het zou willen. Te pathetisch en gezocht. Voor de toekomst gesterkt. Dat wil toch ook niet?
Vaak zie je het nog
In Heerhugowaard
Een stolpboerderij
Tussen huizen verstopt
Eens was hier de ruimte
Een bomenrij en gras
Een boer op een tractor
Ik zei al, het was.
Want achter die hoeve
Daar midden in de wijk
Staat nu geen gras meer
Niets wat er op lijkt.
Er spelen nu meisjes
Op kleurige rekken
En vaders met sleetjes
Die hun kinderen trekken.
De gedachte erachter is nog niet zo gek. Typische gevallen soms van boerderijen midden in woonwijken. Bewoners die zich niet lieten uitkopen en halsstarrig bleven. Tekenend en straks over jaren, als de nieuwe generaties niet anders meer weten, een herkenningspunt zoals het vroeger moet zijn geweest. De boerderij die vroeger in de polder stond.
Maar echt een ode aan Heerhugowaard is het niet. Er moet toch een ‘veer in een hol’ in zitten. Een vuist van waardering. Toch?
Misschien is het te veel omvattend wat ik wil. Alles in één gedicht. Dat kan niet. Ik niet. Nou nog even dan:
Heerhugowaard
Ook ik ga voorbij
Voorbij aan de vaart
En bomen aan een rij
Het kleed van de polder
Het landschap dat leeft
Het glinsterend gebied
Dat jou sprankelend omgeeft.
Fiets en adem
Kijk en ruik
Hoor en luister
Leen het en gebruik.
Nou, dat moet het maar zijn.
‘Kijk de nieuwe krant.’ Met de ellebogen op de ontbijttafel houd ik Dineke het voorblad van de Volkskrant voor.
Ze kijkt niet enthousiast. Ik had verwacht dat ze anders zou reageren. Met die grote krant had ze altijd ruzie en het liefst las ze haar wijd opengeslagen op tafel. Vaak vond ik de krant met de pagina’s in een andere volgorde, of soms zelfs om en om en ondersteboven, terug.
Met het begrip van een schoolmeester zette ik de krant dan weer in het gareel, opende de krant op pagina 2/3, sloeg de rug naar me toe, vouwde haar met precisie op het gewenste formaat, sloeg alles nog even recht en las. Zoals m'n vader vroeger Het Parool las
Een handeling die me altijd wat plezier deed, waar een prettig soort ritme in zat en wat ik tot in de puntjes beheerste. Behalve op het strand of in de tuin, dan was de wind wel eens spelbreker. Ook in de trein vroeger had nagenoeg niemand last van me. Ik zocht een plek aan het gangpad en had alle ruimte de krant om te slaan, open te klappen, te vouwen, te lezen en weer open te vouwen, te klappen, te vouwen en te lezen. Ze hadden hooguit wat last van de wind die ik veroorzaakte. Mensen die de krant ook fysiek goed kunnen lezen zullen dat missen.
Na kolen scheppen, de heg knippen, afwassen en schoenen poetsen verdwijnt ook het openslaan en achterwaarts vouwen van de krant uit het gezinsbeeld. Aan de Vrij Nederland, in de jaren zestig/zeventig ook nog als krant, moet ik nog steeds met weemoed terugdenken. Dat las gewoon lekkerder. Dat papier rook lekkerder en in de loop van de week zag je de krant ook ouder worden. Zo lekker kaal gelezen.
‘Zitten er geen nietjes in?’ vraagt ze.
‘Nee, er zitten geen nietjes in,’ en ik kijk nog even of ze er inderdaad niet inzitten.
‘Waarom hebben ze er nou geen nietjes ingedaan. Dat is toch veel makkelijker,’ zegt ze.
‘De lezers willen geen nietjes in de krant. Er zijn mensen en dan volgens Pieter Broertjes met name de familie Van der Woude, die tegelijkertijd met elkaar de krant lezen en dan onderling stukken krant uitwisselen. Met nietjes er in zou dat scheuren worden.’ Zeg ik.
‘Zeikerds krijgen altijd hun zin. Als je een hekel hebt aan nietjes koop je een dénietelateur en haal je gewoon die nietjes er uit.’
‘Ik zal de Volkskrant een berichtje sturen dat jij er wel nietjes in wil.’ Zeg ik.
‘Nee hoor, laat maar.’ Zegt ze en ze kijkt nog steeds niet enthousiast.
Intussen sloeg ik de krant open naar pagina 2/3 en voelde me toch wat ontheemd. Gebruikelijk ging m’n blik dan van links boven via het midden naar rechts boven, vervolgens naar rechts beneden, wat koppen van kleine artikeltjes en dan naar links beneden en dan weer naar kleinere stukjes om vervolgens de koppen van de grotere artikelen te lezen en te selecteren op leesvolgorde. De belangrijkste en leukste eerst en de rest niet of louter als tijdverdrijf.
Al die letters, foto’s, koppen, Wagendorp, kleine stukjes, grote stukken, binnenland, schuinsgedrukt en onderschriften, dat op het oog wanordelijke geheel, die eerste indruk van al dat nieuws en de nieuwsgierigheid daarnaar, die koektrommel met al die soorten koek, dat miste ik.
Nu was ik daar gauw klaar mee. Op pagina 2 slechts twee grote artikelen en op pagina 3 drie grote artikelen en allemaal over zedenmisdrijven al dan niet in verband met de rooms-katholieke kerk.
Ik kreeg en wat claustrofobisch gevoel. M’n blik werd geen groter oppervlak gegund dan dit compacte formaat. Een gevoel alsof er nog wat voor me verborgen werd gehouden. Er is toch wel meer nieuws dan dit? Een beetje Metro-idee, dat gratis krantje in de trein. Ik moet meer bladeren nu.
Maar al bladerend en lezend, stonden er toch ook leuke en positieve stukken in de krant. De meest toepasselijke voor de nieuwe compacte krant was wel de foto op pagina 11, en nog steeds BINNENLAND, een foto van Miss PlusSize Fashion-verkiezing, de Rotterdamse Jagaira Hagendijk-De Jong (27) met als kop MAATJE MEER, IEDEREEN KAN MOOI ZIJN, Een heerlijk mollige meid met een prachtige rode jurk aan. Ze was de mooiste van allen. Zij straalde. Dineke nog niet. Maar dat komt wel weer.
Beste Frits,
Het gaat wel weer met me. Het is nu ruim een week geleden en het ergste hebben we gehad. Ik slaap zoals het hoort, eet te veel, drink haast nog geen bier en maak elke dag een ommetje. Gister kreeg ik van de buurvrouw, die uit het raam hing, een standje omdat ik een boodschap op de fiets had gedaan. 'Doe je voorzichtig.' zei ze met overslaande stem.
Zondag stond ik weer bij de vijver te kijken. Het was 21 maart Frits en ik had nog geen salamander gezien. ‘Heb je je vriendjes nog niet gezien?’ vroeg Dineke. Ze was een paar stuk wasgoed aan het ophangen, het zonnetje scheen en witte wolkjes schoven door de blauwe lucht. De sneeuwbuien en de gladdigheid, de schaatsen vastknopen en handschoenen aantrekken zijn herinneringen geworden. De hoogste tijd voor m’n vriendjes. Daar had ze gelijk in.
De paddentrek is in alle hevigheid losgebarsten en mijn salamandertjes hoeven alleen maar het tuinstraatje over te steken naar de vijver. Want ik weet waar ze zitten. Ik denk dat de meeste de winter doorgemaakt hebben in een meterhoge stapel stenen achter in de tuin. En ik denk dat de paddentrek gelijk loopt met de salamandertrek. Observatie, ervaring en de lentestuwing Frits.
Afgelopen najaar liepen ze ook steeds over van de vijver naar de opgetaste stenen. ’s Avonds als het donker was. Want het gebeurde wel eens, dat als ik na de afwas de schuur ging sluiten en het schuurlicht aan ging doen, dat ik dan per ongeluk op een salamander stapte. Het is ongeveer hetzelfde gevoel als je op een naaktslak trapt. Je glijdt wat weg en vreest het ergste. Bij een slak met een huisje hoor je nog wat. Ik zie alleen liever een dode slak dan een dode salamander. Ik vond ’s morgens ook wel eens een dode salamander, met z’n staart vastgetrapt in de tegel. Dan had ik net op z’n staart getrapt. Het beestje moet een gruwelijke dood zijn gestorven.
Dineke kwam naast me staan en opeens zag ik ze. Net in een hoekje van de vijver waar de zon al in stond. Twee stuks, een mannetje en een vrouwtje. Hij wat groter en bonter, zij klein en egaal van kleur, maar slank en prachtig van lijn. Naast elkaar lagen ze even stil en naast elkaar schoven ze, een beetje met hun staart bewegend, onder een steen. Ze waren rustig en tevreden, blij dat de winter voorbij was en ze elkaar weer tegenkwamen in de vijver. Ze genoten net zo van de zon als ik. Pril geluk, dat zag je zo. Daar zullen vast veel salamanderkindjes van komen Frits.
Had ik me dat maar gerealiseerd vroeger. Want zo’n vijfenvijftig jaar geleden ving ik ze nog. Vlak bij ons in de buurt was een prachtige sloot, met helder water, waarin stekelbaarsjes, allerlei torren en kevers zwommen en ook salamanders. Kamsalamanders zelfs. Die vingen we het liefst, want heel in de verte met veel fantasie hadden ze toch wel wat van krokodillen. Heel kleine krokodilletjes. En dan gingen ze mee naar huis en zei m’n moeder: ‘Wat moet je met die beesten?’ Ach, ik was zo’n jochie, wist ik veel. Ik wist bijvoorbeeld nog niet eens dat meisjes jongetjes ook leuk kunnen vinden. Dat snapte ik niet.
En we hadden van de week een muis in de tuin. Ik zag hem eigenlijk voor de tweede keer, want de eerste keer, een paar dagen daarvoor, had ik het stil gehouden. Dineke houdt niet van muizen en als ze het wist zouden we misschien wel moeten verhuizen.
Dineke zag hem nu zelf lopen. ‘Oh gèt een muis. Kijk nou, een muis.’ En ze wees verschrikt naar een hoekje in de tuin dat ik niet zag. Toen zag ik hem het terras oversteken. Ongelooflijk Frits, zulke korte beentjes en zo’n snelheid. Hij ging in de richting van de schutting en snuffelde nog wat in de border en verdween naar de buren. ‘Bij ons is niks te eten,’ zei ik, ‘die zoekt het elders.’ Liever een leugentje om bestwil dan verhuizen.
Het is mooi weer Frits. Die sneeuwklokjes kunnen nu wel verdwijnen. Ik heb deel 2 van het Pieterpad besteld. Waarschijnlijk beginnen we straks in april in Vorden voor de wandeling naar de Pietersberg. Ik wil er op uit, naar buiten, lopen en kijken, boeren groeten die langsfietsen, langs warme bosranden en winderige akkers, ik wil roeken zien opvliegen en onschuldige katholieke kerktorentjes in de verte ontdekken, ik wil de lanen in de paden op met een genezen liesoperatie en aan het eind van de dag lekkere trek in een tapbier en een hele zomer voor me. Dag Frits, doe je de groeten aan Jannie.
Vrijdag 15 januari 2010, Medisch Centrum Alkmaar.
Met de broek op m’n enkels en met de mond persend tegen de rug van de linkerhand wacht ik de reactie van de arts af. Ze zit op een stoel tegenover me en ze concentreert zich, met de vingers drukkend en tastend, op m’n onderbuik. Ik kijk op haar hoofd.
‘U heeft inderdaad een liesbreuk.’ De ziekenhuisarts drukt nog even op een bepaalde plek van m’n buik. ‘Dat gaan we opereren,’ zegt ze, ‘doe uw broek maar weer omhoog.’
Zij pakt van de tafel een formuliertje en ik rits m’n broek dicht en gesp m’n riem vast. Van het één op het andere moment word ik als klant opgenomen van het ziekenhuisbedrijf met een vanzelfsprekendheid van een ober die mijn bestelling opneemt omdat ik op z’n terras plaatsneem.
Ze overhandigt me het formuliertje: ‘routebriefje, klinische opname of dagopname’, Met als punt 1 ‘poli anesthesiologie, huisnummer 228, nivo 2, melden bij balie 1, pre-operatief onderzoek bij anesthesioloog.
En als punt 2 Afdeling opname, huisnummer 068, nivo 0, nabij receptie hoofdingang, inschrijven voor opname.
Op zich ben ik gek op die briefjes. Er staat precies op waar je moet zijn en waar het om gaat. Bij anesthesiologie moet ik even bedenken dat het om anesthesie gaat, om verdoving van pijn. Daarna melden bij afd. opname.
Ik neem afscheid van haar en laat me op de ziekenhuisgangen opnemen in de mensenstromen.
Bij de poli anesthesiologie moet ik net als velen, even wachten. Mijn naam wordt geroepen en ik loop mee met een verpleegster die m’n hartslag en bloeddruk gaat meten. M’n ontblote bovenlijf, liggend op een behandeltafel, wordt volgeplakt met stickers die met draden verbonden zijn aan een apparaat, waarvan ze wat gegevens noteert. Ze is tevreden, de stickers worden weer verwijderd en ik mag me aankleden. We lopen terug naar de balie en ik mag weer gaan zitten.
Na enige tijd wachten wordt ik opgeroepen door een anesthesist. Hij stelt me vragen over mijn gezondheid en medicijngebruik en vraagt of ik onder narcose wil of dat ik een ruggenprik wil.
Met complete narcose heb ik ervaring. Dat beviel me wel. Maar deze anesthesist weet me te overtuigen ditmaal de ruggenprik te proberen.
Bij de afdeling Opname overhandig ik de gegevens en de dame schrijft me in. ‘Kunt u al zien wanneer ik zo’n beetje aan de beurt ben?’ vraag ik. Ze knikt vriendelijk, kijkt op haar scherm, trekt twijfelend een lip omhoog en zegt: ‘Ik zie dat er nu mensen opgenomen worden die in oktober langs zijn geweest. Dus een maand of drie. Dat wordt dan april voor u.’
Het valt me wat tegen, want als het toch moet gebeuren dan maar zo snel mogelijk. ‘OK, dank u.’ zeg ik. Intussen ben ik overladen met allerlei informatieboekjes, folders en brieven. Ik moet het thuis maar eens goed doornemen.
Veel last van de liesbreuk heb ik niet. Als ik volumineus gegeten heb, lang sta of een stuk wandel dan brandt het wat. Vaak gaan er dagen overheen dat ik niets voel. Ook tijdens de langlaufvakantie eind januari heb ik weinig last gehad.
Op een dag, begin maart, fietste ik toevallig met een kennis op naar de glasbak. Terwijl we de lege flessen en potten in de bak schoven vroeg ze: “Heb je nog geen oproep gekregen?’
Even wist ik niet waar ze het over had. De liesbreukoperatie zat nog niet in m’n planning, dat zou pas april worden.
‘Nee, zei ik, maar ik zal maandag eens bellen, misschien weten ze al wat.’
‘Dat zou ik maar eens doen,’ Zei ze, ‘Kan helemaal geen kwaad.’
Dinsdag 9 maart herinner ik me het gesprek bij de glasbak en bel het nummer van de ‘planning opname dagbehandeling’
‘Weet u al wanneer ik aan de beurt ben?’ Vraag ik
‘Even kijken. Ja, dat wordt wel april of mei.’ Zegt ze
‘Nee he. M’n vrouw heeft eind april een week vakantie. Ik wou graag voor die tijd geholpen zijn. Ik heb alle tijd, ik kan bij wijze van spreken nu meteen komen.’
‘Ik zal een notitie maken.’ Zegt ze.
Donderdag 11 maart gaat de telefoon: ‘Met de opname van het MCA, kunt u maandag komen?’
‘maandag 15 maart?’ vraag ik om wat tijd te winnen en het even tot me door te laten dringen. ‘Ja, dat is goed,’ zeg ik.
‘U wordt om 10.30 verwacht bij balie 028. U moet nuchter komen. Dat betekent dat u om 06.30 een licht ontbijt mag eten en om 08.30 nog een glas thee, appelsap of water. We zien u maandag. Tot ziens.’
Ik zet de telefoon in de standaard en probeer het tot me door te laten dringen. ‘Je kunt het maar gehad hebben.’ zeg ik bij mezelf. Me voor mezelf stoerder voordoen dan het in werkelijkheid is, want ik zie er toch weer tegenop. ‘Een ruggenprik.’
Het wil nog niet met me. Ik loop maar wat rond, sta dan weer voor het achterraam en dan weer voor het voorraam en kijk maar wat. De handen in de zakken van de ochtendjas, een baard van drie dagen en m’n tanden nog niet gepoetst vandaag. Ik word jaloers van krachtig voorbij fietsende mannen, de jas niet meer zo hoog gesloten en geen handschoenen aan. De grijze haren naar achteren in de voorjaarswind. Ik verlang daar naar.
Gisteren was de moeilijkste dag. Toen de twee paracetamoltabletten waren uitgewerkt stortte m’n actieve bewustzijn in, had ik de neiging de ellebogen wijd uit over de tafel te leggen en weg te zakken tussen m’n schouderbladen. Een weerzinwekkende opengeslagen De Volkskrant met weerzinwekkend nieuws lag voor me. Ik kan geen krant meer lezen Frits, het wil nog niet. Je kunt je nauwelijks voorstellen hoe zwaar het valt in een gemakkelijke stoel te gaan zitten. En als ik dan eenmaal zit en de nietsdoenerij verveelt me weer, wil ik weer uit die stoel. De gehavende buikspieren werken nog niet mee en protesteren met verlammende pijnscheuten. ‘Gottegottegot, effe wachten’
“Je hebt drie opties,’ zei Dineke vanmorgen. ‘Je loopt een beetje, zit af en toe of slaapt wat.’ Daar had ze gelijk in. Nergens heb ik zin in. Ik lees de krant met grote sprongen, luister het nieuws nauwelijks en vraag me af of het ooit weer goed komt. En overal Cohen. Die beste kerel moeten we steunen Frits.
Gisteren belde het ziekenhuis. Of het goed met me ging en of ik nog klachten had. Ik zei dat de grote pleister op m’n buik nog helemaal wit was en dat er verder geen problemen waren op wat pijn na. ‘Niet te zuinig zijn met pijnstillers hoor.’ Zei ze nog. Ja, dat ben ik eigenlijk wel. Misschien lijd ik wel graag. Dat was de nazorg. Ik had nog wel kunnen vertellen dat het half afgeschoren schaamhaar venijnig in m’n benen prikte en het scrotum een vreemde blauwdonkere kleur had, maar dat zal wel standaard zijn. En dat zeg je niet zo gauw tegen een frisse vrouwenstem. Het lijkt zo gauw ergens op, terwijl je toch nog een kwinkje wil slaan. De humor zit nog in me hoor Frits. Het komt vanzelf weer.
Lachen doet ook zo zeer. Lachen en hoesten. Vannacht moest ik opeens niezen. De tranen sprongen in m’n ogen en m’n kussen gaf geen teken van medeleven. Ik was zelfs even bang dat de hele operatie mislukt zou zijn toen. En het is dan nacht Frits. Hartstikke donker en anders. Alles en iedereen is ver weg, onbereikbaar. De klok staat op 01.22 u en ik had nog lange verschrikkelijke uren voor me. Ik kon me niet lekker omdraaien of aan fijne dingen denken. Het was allemaal wreedheid. Het duurt nog heel lang voordat we weer in de tuin koffie drinken, de bijen horen zoemen en onze koppen bruin zijn.
Het is 17 maart ik sta weer voor het achterraam en ik heb in de vijver nog geen salamander gezien. Vorig jaar zag ik de eerste salamander op 1 maart en het jaar daarvoor in 2008 zag ik hem zelfs al op 28 februari. Dat geeft te denken Frits. Bij het vogelhuisje dat ik twee weken geleden heb opgehangen heb ik twee keer een mees gezien. Ze kijken even en verdwijnen weer met grote bogen achter de schuttingen en de schuurtjes. Merels pikken stro en slappe steeltje uit mijn tuin voor een nest elders. Dat wel. Het komt wel weer goed hoor, maar wanneer weet ik niet. Een aantal weken hierna moet ik rustig aan doen. Na een liesbreukoperatie mag je zes weken niet zwaar tillen.
Zondag zou ik met m’n zoon naar Hans Teeuwen in Paradiso. Een verjaardagscadeautje. Ik ben bang dat er niets van komt. Dat ik er niet toe in staat ben. Van Hans Teeuwen ook weer een grote advertentie in De Volkskrant vanmorgen. We zouden vooraf in de stad gaan eten, maar aan bier en al die drukte moet ik niet denken. Ik zou niet eens rustig op de fiets met wind mee en de zon op de duinen, al was het al helemaal alleen, over het fietspad van de Bosplaat willen fietsen. En dat zegt wat Frits. Doe je Jannie de groeten.
Ernst
Nog geen veertien dagen geleden stond ik op een verjaardag bij zo’n statafel. Een man of zes, biertje voor ons en lekker lullen. Een paar van de anderen waren onafhankelijk van elkaar op vakantie in Ierland geweest. Vooral van de kust waren ze onder de indruk en ze vertelden dat ze met hun motor of auto de mooiste weggetjes hadden ontdekt. Weggetjes waar niemand kwam en waar het ene uitzicht nog ruimer en mooier was dan het andere. De motor- en automannen stonden elkaar af te troeven wie het mooiste plekje had ontdekt.
Ik zag het voor me: prachtige glooiend landschap dat abrupt bij zee eindigt. Misschien stopten ze even en zetten ze hun motor uit om even te kijken, om vervolgens weer te starten en verder te rijden.
‘Daar moet je lopen, je moet niet in een auto zitten en naar dat gras kijken’ zei ik. 'Je moet door dat gras stappen en de wind voelen.'
Ze keken me verbaasd aan en toen elkaar en waren het er onmiddellijk over eens dat dat niet zo was.
‘Dan zie je lang zoveel niet,’ zei de één en. ‘Dan doe je er veel te lang over.’ Zei de ander. Nee, dat was niks. In de auto zitten en kijken, of op de motor en sturen, dat was pas mooi. Een rugzakje op en grote schoenen aan, dat was het niet.
‘Met zo’n helm op, dan hoor je toch niks,’ probeerde ik weer. Maar ze reden alweer op weggetjes met veel bochten, waar nooit iemand kwam.
‘Wel links blijven rijden, hoor,’ zei ik nog. Maar mijn woorden en de dubbelzinnigheid kaatsten terug van hun veel luidere stemmen.
Elke Pieterpadloper kent deze brug. Duizenden trokken reeds de Aa over.
Gisteren kreeg ik een bericht van Maarten Goorhuis. Maarten Goorhuis is de zoon van Toos Goorhuis, die samen met Bertje Jens Het Pieterpad hebben ontwikkeld. Maarten Goorhuis bewaakt het pad, verzorgd de boekjes en geeft informatie via de website.
Het bericht ging over het initiatief dat het ministerie van VROM en het Nirov hebben genomen de Canon van de ruimtelijke ordening van Nederland samen te stellen. In navolging van de Canon van de Nederlandse Geschiedenis.
Om me het wat makkelijker te maken, dit was het bericht van Maarten Goorhuis:
Geachte lezer,
In deze tijd van verkiezingen geven wij graag een stemadvies: STEM PIETERPAD!
Nee, er is geen lijst Pieterpad, maar u kunt toch uw stem uitbrengen. Het Ministerie van VROM en het Nirov hebben namelijk het initiatief genomen om een Canon van de Ruimtelijke Ordening op te stellen. Na een aantal discussieronden in het land is er een groslijst opgesteld van iconen van de ruimtelijke ordening. Een van die iconen is het landelijke netwerk van lange afstand wandelpaden, wat in de afgelopen 30 jaar tot stand is gebracht. Het Pieterpad is de vaandeldrager voor dit netwerk.
Tot aan 1 april 2010 kan iedereen zijn of haar stem uitbrengen op deze iconen. Met uw stem op het Pieterpad brengt u tot uitdrukking dat er in de landelijke sturingsdiscussies over de ruimte ordening meer belang gehecht moet worden aan het netwerk van lange afstand wandelpaden, en de waarden waar dit netwerk voor staat: onthaasting, natuur- en cultuurbeleving en duurzaamheid, Daar is veel behoefte aan aangezien we nog steeds merken dat de wandelpaden bij conflicten in de ruimtelijke ordening doorgaans aan het kortste eind trekken.
Stem daarom op het Pieterpad via: http://www.canonro.nl/Alle_iconen/Pieterpad.aspx?rId=246
Met vriendelijke groet,
Maarten Goorhuis / Wim van der Ende
Na de motor- en autojongens ben ik er verder van overtuigd geraakt dat we moeten oppassen dat iconen als het Pieterpad niet kriskras en lukraak worden doorsneden door nog meer asfalt, of in ieder geval in overleg aangelegd, om de Lange Afstandspaden in Nederland een status te geven die gewicht in de schaal legt.
Daarom als het je aanspreekt, bezoek de website, stem op het Pieterpad. Een stem op het Pieterpad is een stem op leven.
Het Pieterpad
De ruimte van de landerijen,
Geheimen van een bos
De dreiging van wat plenspartijen,
Een veter die laat los
Zo groots, zo klein of onverwacht
Zo mooi, zo moe, zo nat,
De Drentse boer, de zwarte nacht,
Ja, alles heb ik liefgehad.
Het voelt zo eigen, het verheft
Het welzijn en verrast,
Wanneer je plotseling beseft,
Het naadloos in je leven past.
Ernst
Drents Aa
Muziek heeft soms iets geheimzinnigs. Een klank, een toon of een woordje kunnen je verrassen.
Ook een zinnetje van Nescio is soms niet te pakken. Je leest het en je weet niet hoe het komt dat je het een leuk, mooi of raadselachtig zinnetje vindt. Je leest het nog eens en je kunt er geen genoeg van krijgen.
Of op de schilderijen van Charley Toorop, een paar ogen of een neus.
Muziek heeft dat ook. Ik ben niet geschoold in muziek, en zou ook nooit mee kunnen doen aan muziekquizzen of andere manieren om te bewijzen dat ik op muziekgebied van de jaren zestig ben. The Beatles, Rolling Stones, Cliff Richard en natuurlijk Elvis Presley herken ik overal tussenuit, om van Sinatra nog niet te spreken, maar dan houdt het op.
Maar soms hoor je een riff, of een liedje dat je pakt, al is het 'Dancing Queen' van ABBA of Miles Davis en de simpele accoordjes in 'All Blues'. Soms zelfs, ik durf het haast niet te bekennen, maar ook wel van Rene Froger 'Alles kan een mens gelukkig maken.' Hoe kan het dat dit me iets doet. Niet de tekst, zeker van Froger niet, maar de melodie.
Nu overkwam het me ook met 'A night like this' van Caro Emerald, waarvan ik niet verwachtte dat ze Nederlandse is. Maar als zij haar hit zingt, dan luister ik geconcentreerd naar het woordje THIS, ze spreekt het vrij langzaam en een beetje ingehouden uit en met haar ietwat hees stemgeluid krijgt het een prachtige sensuele lading, dat je doet verlangen naar warme subtropische avonden aan zee, een biertje voor je waar je nog niet van gedronken hebt, heerlijke parfums, flanerende mensen en het roept herrinneringen op aan mooie donkere klassieke Spaanse meisjes met net als Caro Emerald zo'n grote rode bloem in hun zwarte haar.
Luister en kijk maar eens:
Heb je al gestemd?
Wilders is donderdag naar Almere gekomen om daar te vertellen dat het hoofdthema voor de gemeenteraadsverkiezingen daar, wat de PVV betreft, het verbieden van hoofddoekjes in publieke functies zal zijn. Dit zou ook onbespreekbaar zijn voor een coalitievorming.
Absoluut onbespreekbaar. Geen meisjes en vrouwen met hoofddoekjes meer in publieke functies. Alles wordt aan de kant geschoven en ondergeschikt gemaakt om het verbod van hoofddoekjes in ieder geval op de agenda te zetten.
Dat zo’n partij dat wil, dat kan, maar als daar ook nog eens dertig procent van de Almeerders het mee eens is, is linker. Zo’n dertig procent van de Almeerders stemt er mee in dat, als de PVV inderdaad de grootste partij wordt, de grootste partij van Almere dan niet in het college van B&W komt. De PVV komt dan in de oppositie. Daar stuurt Wilders op aan lijkt wel.
Tegelijkertijd wordt met de vorming van de raad van Almere en wellicht ook van den Haag, een gemeenteraad gevormd, met een groep mensen, aanwijsbare mensen die de eed of belofte hebben afgelegd, die serieus worden genomen en naar wie geluisterd zal gaan worden en waarvan elk woord vastgelegd wordt op papier; maar die een bevolkingsgroep vertegenwoordigd die zich gesterkt zal gaan voelen in hun opvattingen. Opvattingen die we zo lang onder ons laagje beschaafdheid hebben kunnen houden.
Ik ben niet naïef. Iedereen weet dat discriminatie onder een groot deel van de bevolking leeft. Misschien wel bij iedereen iets. Maar tegelijkertijd weet je ook dat het niet goed is. Dat het een menselijke tekortkoming is om daaraan toe te geven. Dat hebben we geleerd en dat wordt ons keer op keer voorgehouden. Daarom herdenken we ieder jaar en zijn er indrukwekkende boeken en ontroerende gedichten over geschreven. Maar velen begrijpen bijvoorbeeld nog steeds niet goed wat er in de Tweede Wereldoorlog precies gebeurd is. Of gaan er aan voorbij. Misschien wel net zoiets als de wet van Archimedes of de algemene relativiteitstheorie van Albert Einstein. Niet iedereen begrijpt het of wil er zelfs kennis van nemen. Niet iedereen begrijpt dat een mens in vrijheid moet leven. Zelf keuze maakt van godsdienst en wel of niet een hoofddoekje draagt. Anders komen we in een verkeerde samenleving terecht. Wilders speelt met die vrijheid. Dat moet hij niet doen.
Discriminatie en uitsluiting zijn mensonterend en fout. De politieke partijen die het tot nu toe voor het zeggen hebben gehad, benadrukken het keer op keer en ook in de wet is het vastgelegd dat discriminatie verboden is.
Ik ben bang dat met de komst van de PVV en de belichaming ervan in de gemeenteraad, de geest uit de fles zal komen. Dat bepaalde groepen zich gesteund zullen voelen door zo’n partij en meer openlijk hun afkeer van de medemens en de islam zullen tonen, in woord en daad. Ik ben bang dat ze niet inzien dat hun reactie het erger maakt, onleefbaarder en kouder. Het maakt me bezorgd. Ja, bezorgd, dat is het juiste woord.
Het is voor de oude politieke partijen een taak deze dreigend zwarte bladzijde van onze geschiedenis verstandig aan te pakken. Niet met gemeenteraadscommando’s, maar consequent, met duidelijkheid en eensgezind.
Eensgezindheid. Nu vraag ik ze wat. Ik weet alleen nog niet hoe ik dat als kiezer kan doen.
Jack de Vries komt steeds vaker op televisie en radio. Het besef dringt bij de omroepen door dat Jack de Vries als spindoctor wel eens een cruciale rol zou kunnen spelen in de Haagse politiek.
In De Wereld Draait Door werd Jack de Vries op voordracht van Felix Rottenberg ook uitgenodigd. De volgende ochtend was hij weer te beluisteren op Radio 1.
In DWDD beschuldigde Rottenberg het CDA van ‘een machtspolitieke opportunistische opvatting met betrekking tot de afhankelijkheid tot Wilders’. Precies wat ik ook denk. De Vries schrok er niet van, ontkende het natuurlijk en lulde zich er kranig doorheen, noemde het als een sterk punt van het CDA en een zwak punt van de anderen. Dus compleet met spin. Rottenberg had geen respons. ‘Ook een standpunt’ zei hij slechts.
De Vries schijnt ook de kwade genius te zijn achter de uitspraak van Balkenende in een radiodebat met Bos in 2006. De beruchte uitspraak: ‘U draait en u spreekt de waarheid niet.’
Die uitspraak heeft veel kwaad bloed gezet bij de sociaaldemocraten en het zou zelfs nu, met het vallen van het kabinet, waarschijnlijk hebben meegespeeld.
Jack de Vries is een spindoctor in hart en nieren. Hij is zo geboren en heeft er niet voor geleerd, maar heeft het talent ervoor dat een spindoctor, zoals hij is, dan weer uitstekend weet uit te buiten. Het is een vicieuze cirkel. Hij voelt zich er in thuis als een rat in het riool van een wereldstad.
Wikipedia zegt:
Een spindoctor is een adviseur of voorlichter van een politieke partij of een politiek ambtsdrager, die de opdracht heeft het beleid van zijn opdrachtgever zo positief mogelijk naar buiten toe te presenteren en te verdedigen, of zijn opdrachtgevers daarin te coachen. Het doel is het beïnvloeden van de publieke opinie.
Voor zover kan ik daar in meegaan. De partij of partijleider bijstaan en zorgen dat hij een positieve uitstraling heeft. Maar dat doet Jack de Vries niet alleen, want in elke uitzending pikt hij datgene eruit waarmee hij niet alleen het positieve van het CDA wil uitdragen, maar hij legt ook sterk de nadruk op negatieve beelden van anderen. Soms breed uitgemeten, maar ook vaak in tussenzinnetjes en als achteloze opmerkingen. Ogenschijnlijk onbewust, zonder er bij na te denken en schijnbaar ook niet met opzet anderen perse naar beneden te halen. Maar met een air van: Zo is het nou eenmaal. De anderen zijn sowieso de minderen. Losers die het niet halen bij het CDA.
Nee, bij Jack de Vries is het zijn aard. Bij Jack de Vries staat als CDA’er of nu als staatssecretaris van defensie niet de belangen van Nederland of van defensie voorop, maar het belang van het CDA. Jack de Vries is de defensie van het CDA. Alles wat niet CDA is vereist zijn oplettendheid: Kan ik er iets mee, hoe leggen wij als CDA dit uit en wat winnen we er mee.
Daarnaast denkt hij dat het schade toebrengen aan politieke tegenstanders in verkiezingstijd goed is voor het CDA, want dat kan stemmen opleveren. Dat die stemmen ook wel eens naar andere partijen dan het CDA zouden kunnen gaan maakt niet uit, zij staan toch voorop met het grootste visnet.
In de ogen van Jack de Vries is schade toebrengen slim, maar hij gaat er aan voorbij dat het CDA later waarschijnlijk weer moet samenwerken met die partij die ze zo mooi in een hoek hebben gezet. Jack de Vries ontpoldert meer dan het hele kabinet de Hedwigepolder.
Jack de Vries gaat te ver. Hij brengt schade toe aan de politiek in Nederland en uiteindelijk ook aan het CDA. Jack de Vries schept tegenstellingen, zijn eigen tegenstellingen die hij uitdraagt, verankert en voor altijd bewaakt. Mede door zijn toedoen wordt het moeilijk een volgend kabinet te vormen. Ook Felix Rottenberg kreeg er geen vinger achter.
Trouwens, de uitspraak van Bos en Timmermans, de PVV uit te sluiten kan ik ook nog niet volgen. De Vries buitte het weer ruim en met veel woorden helemaal uit.
Het is nu vrijdag 19 februari 2010, 15.00 u. Het kabinet Balkenende zit in vergadering bijeen over de kwestie Uruzgan.
Weet je wat ik denk dat er zal gebeuren met het kabinet? Ik denk dat Balkenende bakzeil haalt en dat de Nederlandse troepen, zoals afgesproken twee jaar geleden, voor december dit jaar uit Uruzgan zijn vertrokken. Balkenende wil zijn kabinet behouden. Hij wil geen vierde kabinet laten vallen voor het einde van de periode. Hij zal ontzettend door het stof gaan, maar met de koppigheid die hem eigen is, zal hij dit ook ondergaan. Ik denk dat hij in principe altijd al een einde had willen maken aan periode Uruzgan.
Maar zijn grootste tegenstander in het kabinet is niet Wouter Bos. Nee, zijn grootste tegenstander in het kabinet is Maxime Verhagen. Maxime Verhagen probeert Balkenende er uit te spelen en passant ook Bos enorme schade toe te brengen.
Het is Maxime Verhagen die zich sterk heeft gemaakt voor blijvende aanwezigheid in Uruzgan. Maxime Verhagen heeft zich als minister van Buitenlandse Zaken door de USA en de NAVO laten aanpraten om in Uruzgan te blijven. Verhagen voelde daar wel voor om de USA en de NAVO te volgen want Verhagen ziet zich, denk ik, graag een rol vervullen in een Atlantisch Bondgenootschap.
Balkenende, geen sterke Minister President, heeft daar geen weerstand aan kunnen bieden en heeft geprobeerd de rest van het kabinet ook zo ver te krijgen. De Christen Unie is op een gegeven moment overstag gegaan, maar de PvdA niet. Misschien Bos in eerste instantie wel wat, maar heeft toch voor zijn partij gekozen.
Ook zijn weerstand tegen en afschuw van Verhagen heeft Bos zo hard gemaakt. Denk ik. Want als ze aan iemand een hekel hebben bij de PvdA dan is dat aan Maxime Verhagen, met als goede tweede Jack de Vries.
Ik weet er alles van want ik ben ook een sociaal-democraat. Ik weet precies wat ze voelen voor die twee.
Dus Balkenende zit nu Verhagen te bepraten om de Uruzganmissie dit jaar te beëindigen. Hij heeft de PvdA-ministers al op zijn hand en de Christen Unie zal ook mee gaan in dat scenario. Het zal niet meevallen, want er moet een oplossing komen om het gezichtsverlies van Verhagen bij de USA en NAVO zo beperkt mogelijk te houden. En dat is het grootste probleem. Denk ik.
Daarom zal vandaag de beslissing nog niet vallen, want Verhagen moet eerst wennen aan het idee dat ook hij terug moet naar af.
Hang me er niet aan op, maar zo zou het best eens kunnen gaan. Let maar eens op.
Ik heb wat met datums. Soms als ik wakker wordt. Bijvoorbeeld op 12 februar1 2010, dan denk ik en zeg ik woord voor woord: ‘Het is vandaag vrijdag twaalf februari tweeduizendtien.’
Alsof er iets belangrijks aan de hand is. Iets voornaams gaat gebeuren dat alleen op deze dag plaats vindt. Een ochtend dat ik me moet douchen, scheren, netjes aankleden en me klaar moet maken voor deze belangrijke dag. Ik heb alle tijd en dagelijkse bezigheden, als boodschappen doen, de kamer zuigen en afwassen, dat hoeft vandaag niet.
Maar dat is helemaal niet zo. Ik noem die datum dan omdat ik goed geslapen heb en me bewust wil zijn van mijn zijn. Want tegelijkertijd kan er op de achtergrond verschijnen: 23 augustus1946, de dag dat ik geboren ben, 6 juni 1960, 6-6-60 de cijfers die ik in de stopverf van het keukenraam had gekrast. Of 3 maart 1963, een zondag dat ik op houten noren 90 km geschaatst heb op het Uitgeester Meer, 14 juli 1964, de dag dat ik eindexamen voor de MULO deed. 19 juli 1965, de dag dat ik bij Hoogovens begon te werken. Of 24 oktober 1966, de dag dat ik in militaire dienst ging.
Allemaal datums uit een ver verleden, toen ik nog alleen was, geen vrouw, geen kinderen, en geen verantwoordelijkheid voor anderen, maar ik alleen verantwoording af moest leggen aan m’n moeder. Maar die was zo moeilijk niet. “Jaja” zei ze dan.
Ik denk nog altijd met plezier aan haar terug. Ik hield van haar, ondanks haar streken. Streken die me bij de les hielden. Streken waar ik van leerde. Streken waarvan je wist dat ze niet deugden en dat een lesboekje werd, dat ik af en toe nog opensla. Een lesboekje met fotootjes er in van m’n moeder waarbij ze zo schuin naar je kijkt met een blik van: ik weet dat het niet klopt, maar ik vind het wel leuk. En dan schiet ze in de lach.
12 februari 1955 waren m’n ouders 12,5 jaar getrouwd en 12 februari was Erik Hagen jarig. Erik Hagen, een vriendje bij mij uit de klas van de Lagere School, de Langeveldtschool in Velsen-Noord.
Bij Erik thuis hadden ze een ijsfabriek en z’n vader was de directeur. Op zaterdag 12 februari 1955 ’s middags gingen we naar Carré. Met nog wat jongetjes uit de klas, met de bus van de ijsfabriek. In Carré zat ’s winters het circus van Circus Strassburger. Een geweldige belevenis. Laatst zat ik een keer precies op de plek waar we toen ook zaten en ik probeerde me weer voor te stellen dat daar beneden in de zaal de piste was, de paarden liepen en de leeuwen brulden. En ik wist nog wanneer dat was.
“12 februari 1955 zat ik hier ook”, zei ik tegen Dineke. "Precies op de plek". Ze keek me aan, glimlachte en ze liet me er in geloven.
Erik Hagen z’n vader was een grote, brede, ietwat norse man. Hij vertelde ons dat als we net zo breed als hij wilden worden, we bij het duiken, plat met onze borst op het water moesten landden. Net zo hard als we konden. Dat deden we dan ook. Na het zwemmen liepen we dan ook allemaal met een vuurrode borst naar de kleedhokjes. Vol vertrouwen dat dat wel goed kwam, met die borsten van ons. Maar bij de keuring voor militaire dienst kwam ik niet eens aan een meter.
Die avond op 12 februari 1955 sneeuwde het verschrikkelijk. M’n ouders gaven een bruiloftfeestje en ik stond met m’n negen jaar en m'n neus tegen het beslagen raam naar buiten te kijken, naar de fietsen van de visite die langzaam volsneeuwden. Niemand had toen een auto. Ik verheugde me al op de volgende dag. Bij m’n voeten een kratje oud bruin van Heineken en achter me in de sigaretten- en sigarenrook het gelach en gepraat van de visite. Ooms, tantes, kennissen en buren. Ze zijn er niet meer, niemand meer. Alleen ik en m’n zus. En Erik? Vast wel. Die moet ook al drieënzestig zijn geworden vandaag.

