Croisabel
Woordfotograaf

Het was een nacht met duizenden sterren. De wereld schudde haar
zware mantel zo nu en dan en op zulke momenten was er een lauwe
bries. Aan de oppervlakte van de zee, waar onze boot dobberde,
krioelden miljoenen kleine kwalletjes, aangetrokken tot het licht
op het achterdek. We waren het water ingesprongen en gelijk omlaag
gegaan, onze handen verlicht door de zaklantaarns. We waren OK,
seinden we met grote rondjes in het water. Zoals het vissen 's
nachts betaamt hadden vele zich onder steen of koraal verstopt om
te slapen. Een zwart-wit gestreepte waterslang bewoog zijn
prachtige lijf in cirkels en met de groep hingen we stil om naar
hem te kijken. Honderden rode oogjes van geschrokken garnalen
schoten weg, de schaduw in. Een sepia bleef stil trillend hangen,
geschokt door de grote vissen en de bubbels en felle stralen die
van ze afkwamen. Mijn buddy wees me vele prachtige dieren aan en
tijdens het zwemmen pakte hij steeds mijn hand. OK? Vroeg hij, en
ik seinde dat het goed ging. In het warme water van die baai bij
Koh Bon genoten we van de spanning van het duiken in de nacht,
omsingeld als we waren door zoekende lichtstralen, barracuda's en
schorpioenvissen. De nacht speelde zich af rond hem en mij en als
we hadden gekund hadden we steeds naar elkaar gekeken. We verlieten
de koralen en stegen door de zwarte soep naar vijf meter diepte
voor de veiligheidsstop van enkele minuten. Hij had mijn hand vast
en samen hingen we te wachten tot Anoek het signaal zou geven voor
het terugkeren naar boven. Zijn vingers vormden weer een rondje en
ik antwoordde met het mijne. Ik was OK, hij had me vast in dat
water bij dat tropische eiland, onder die waanzinnige hemel. Nog
enkele minuten en dan was die prachtige duik ten einde. Zijn
zaklantaarn bescheen zijn hand. Hij wees, eerst naar mij, toen naar
hem, en toen pakte hij mijn OK met de zijne. Hij deed het nog eens,
jij, ik, verbonden? Mijn ogen werden groot en dat zag hij, ondanks
het donker. Duikerssignalen schoten te kort voor wat ik te zeggen
had, dus deed ik het als hij, zonder woorden. Ik schudde ja. Ik
keek om me heen. Jessie en David waren achter ons, Anoek keek op
haar horloge. Ik keek naar hem. Hij had mijn hand gepakt en schoof
er een ring aan. Ik keek weer naar hem, en naar de anderen. Anoek
hield ons ineens scherp in de gaten, en ik scheen op mijn vinger,
op die ring, om te vertellen dat het goed met ons ging. Jessie
begreep het toen al, zei ze achteraf toen we op de boot een stil
biertje dronken om het te vieren. Orion schitterde boven ons hoofd.
We leunden over de reling waar onze duikspullen hingen te drogen.
Hij lachte zijn brede lach. We keken nog even omhoog, een ster
knipoogde terug. Toen pakte hij mijn hand en nam me mee naar onze
hut.
Het vriest op het centraal station. In een sneeuwstorm, in de
snijdende wind, staan we, wat mensen van kantoor en zes mannen van
14 jaar. Dat ze ons helpen is voor hen het doen van een stage, voor
ons zijn zij handen, zichtbaarheid en misschien zelfs een beetje
geld.
De collectebussen van een kalmerend blauw kleuren bij onze wangen, maar we trotseren de boel. Eentje heeft haar vaste plaats bij de koffietent. Haar lieve gezichtje laat veel wisselgeld afdalen naar de dikke bodem van haar bus. Een jongen met een vlassige snor staat tegenover haar. Hij heeft zijn grootste ogen opgezet en gokt op de gevoelige vrouw die hem bij het passeren ziet staan. Ron belt me. Ze vechten met zijn vieren om de twee plekken voor de Albert Heijn. Ik spreek me uit in het voordeel van de jongens met het oudste recht. Tevreden maakt hij een eind aan het gesprek.
Mijn tactiek is het stralend toelachen van vreemde mensen. Ik trek Ritz aan zijn mouw en hij volgt. We stellen ons strategisch op en ik laat hem zien hoe hij moet zoeken naar een ontspannen figuur in de jachtige massa. Iemand die tijd heeft voor onze elevator speech en wellicht in de buidel wil tasten. Gebruik je charme, fluister ik hem toe, maar mijn woorden klinken voor hem twee jaar te vroeg.
In de pauze warmen we ons op kantoor. Ik vraag ze naar hun geheimen. Rammelen met de bussen helpt niet, hebben ze al gemerkt. "Ik ga voor de veteranen, mevrouw," zegt Quin. Hij blijkt oude vrouwen te bedoelen. Volgens mij vindt hij mij al behoren tot die categorie. "Wij maken het verhaal gewoon een beetje fleuriger. Daarbij hebben we natuurlijk een mooi koppie". Collecteren is vooral veel flirten en dat heeft deze jongeman allang gezien. De bioscoopbon is al zo goed als zeker voor hem. Met dank aan de veteranen.
De collectebussen van een kalmerend blauw kleuren bij onze wangen, maar we trotseren de boel. Eentje heeft haar vaste plaats bij de koffietent. Haar lieve gezichtje laat veel wisselgeld afdalen naar de dikke bodem van haar bus. Een jongen met een vlassige snor staat tegenover haar. Hij heeft zijn grootste ogen opgezet en gokt op de gevoelige vrouw die hem bij het passeren ziet staan. Ron belt me. Ze vechten met zijn vieren om de twee plekken voor de Albert Heijn. Ik spreek me uit in het voordeel van de jongens met het oudste recht. Tevreden maakt hij een eind aan het gesprek.
Mijn tactiek is het stralend toelachen van vreemde mensen. Ik trek Ritz aan zijn mouw en hij volgt. We stellen ons strategisch op en ik laat hem zien hoe hij moet zoeken naar een ontspannen figuur in de jachtige massa. Iemand die tijd heeft voor onze elevator speech en wellicht in de buidel wil tasten. Gebruik je charme, fluister ik hem toe, maar mijn woorden klinken voor hem twee jaar te vroeg.
In de pauze warmen we ons op kantoor. Ik vraag ze naar hun geheimen. Rammelen met de bussen helpt niet, hebben ze al gemerkt. "Ik ga voor de veteranen, mevrouw," zegt Quin. Hij blijkt oude vrouwen te bedoelen. Volgens mij vindt hij mij al behoren tot die categorie. "Wij maken het verhaal gewoon een beetje fleuriger. Daarbij hebben we natuurlijk een mooi koppie". Collecteren is vooral veel flirten en dat heeft deze jongeman allang gezien. De bioscoopbon is al zo goed als zeker voor hem. Met dank aan de veteranen.
Ik zit met mijn knieen opgetrokken, diep weggedoken in mijn grijze
trui. Het is koud in huis, de TV schettert. Tussen mijn dijen
kraakt een zak chips.
Ik vind het stil. Een lege wattendeken drapeert zich om mij. Het scherm suist. Albert Verlinde dicteert de waarheid. Ik veeg zout van mijn hand.
Het is hetzelfde. In de keuken, in bed of op de bank. Ik zit er, samen met al mijn kussens, naast mijn volle glazenkast, de stapel spellen, het krat, dat koud staat voor mijn schat. Ik pak een flesje, zuig het bier eruit, koel mijn wang. Een aanbidder stuurt me een tekst en ik delete. Hoewel ik zin begin te krijgen in surrogaat.
Wat is het, met mannen ver weg. Wat is het, dat je zitten blijft met een gat. Dat je herkauwen kunt op oud geluk dat een blos brengt op je wang. Dat een gedachte je zingen doet op een grijze dag. Dat anderen het gewoon niet zijn.
Het kraakt en hij is nauwelijks te verstaan. Ik ben zo blij dat hij met zijn voeten spettert in de warme zee en dat hij lieve dingen stuurt van heel ver weg. Ik ben eenzaam, Bert, zeg ik, en hij is het met me eens. Hij is ook eenzaam, maar dan wel in de warme zee.
Ik blaas in mijn pijpje pils. Het flesje zingt mee met het lied. Ik sla de lucht uit de zak chips en schommel op de muziek.
Er is niks, een sereen hiaat, een heilige stilte, een zuigend zwart gat.
Bert knikt. Dat zie ik niet, maar dat weet ik. Hij zwijgt, en normaal zou ik me omdraaien in zijn schoot. Nu staat hij daar in die cel, en lig ik daar alleen met Albert. Langzaam val ik in slaap, zoals dat hoort. We hangen op en ik kruip weer achter het scherm. Geen Bert, geen carte blanche. Deze vrijdag doe ik het met een biertje en chips.
Powderfinger - Since you've been gone
Ik vind het stil. Een lege wattendeken drapeert zich om mij. Het scherm suist. Albert Verlinde dicteert de waarheid. Ik veeg zout van mijn hand.
Het is hetzelfde. In de keuken, in bed of op de bank. Ik zit er, samen met al mijn kussens, naast mijn volle glazenkast, de stapel spellen, het krat, dat koud staat voor mijn schat. Ik pak een flesje, zuig het bier eruit, koel mijn wang. Een aanbidder stuurt me een tekst en ik delete. Hoewel ik zin begin te krijgen in surrogaat.
Wat is het, met mannen ver weg. Wat is het, dat je zitten blijft met een gat. Dat je herkauwen kunt op oud geluk dat een blos brengt op je wang. Dat een gedachte je zingen doet op een grijze dag. Dat anderen het gewoon niet zijn.
Het kraakt en hij is nauwelijks te verstaan. Ik ben zo blij dat hij met zijn voeten spettert in de warme zee en dat hij lieve dingen stuurt van heel ver weg. Ik ben eenzaam, Bert, zeg ik, en hij is het met me eens. Hij is ook eenzaam, maar dan wel in de warme zee.
Ik blaas in mijn pijpje pils. Het flesje zingt mee met het lied. Ik sla de lucht uit de zak chips en schommel op de muziek.
Er is niks, een sereen hiaat, een heilige stilte, een zuigend zwart gat.
Bert knikt. Dat zie ik niet, maar dat weet ik. Hij zwijgt, en normaal zou ik me omdraaien in zijn schoot. Nu staat hij daar in die cel, en lig ik daar alleen met Albert. Langzaam val ik in slaap, zoals dat hoort. We hangen op en ik kruip weer achter het scherm. Geen Bert, geen carte blanche. Deze vrijdag doe ik het met een biertje en chips.
Powderfinger - Since you've been gone
Martin bromt wat als zijn broer hem naar me toe stuurt. Het
gewichtsverschil maakt dat we beter kunnen wisselen. Ik vraag me af
of ze me zien als een lichtgewicht vechter, of een meid, een
kleintje, een onervaren type, iemand waarmee het fijn of juist niet
fijn trainen is. Maar hij komt, en hij gaat liggen. Ik leg me
bovenop op hem, met mijn armen rond zijn nek. Dan start hij zijn
verdediging en werpt hij me van zich af. Zoals afgesproken leun ik
op een arm en een been. In plaats van door te rollen zet hij zijn
klem aan.
Iets eerder deed ik het bij hem. Met mij worstelend in onze steriele witte pakken maakte hij bij het spannen van mijn spieren een geluid van verbazing en nu is het mijn beurt. Mijn kuit geeft onheilssignalen en ik tik af. Maar hij is niet tevreden, want ik moet het voelen in mijn lies, die bijzondere spanning, die scheut. De gentleman past zijn klem aan, net zo lang tot mijn verbaasde 'oh?' op de prikkel die opschiet in mijn been. Een verrassing op die mat, in die dojo, in die hoek van de stad op een moment dat de meesten achter hun krantje schuilen of voor de TV. Het is alles wat hij horen wilde. Hij laat los en onze oefening is klaar.
Naast ons trainen twee zwaargewichten. 120 kilo macho en 90 kilo professioneel vechter. Ook zij hebben het punt bereikt waarop beiden het begrijpen en zacht klinkt er een gekreun op uit de berg verstrengelde ledematen. Als ze zich bewust worden van hun tien getuigen beginnen ze lacherig te zenuwen. 'Jitsu-porno' merkt de een op, en de ander imiteert snel een aap terwijl ze zich losmaken van elkaar. Toch weet iedereen dat zij het allebei voelden, dat moment van harmonie waarop even alles klopte. Iets dat hoger was dan zij. Iets als je eerste perfect gekookte asperge en dan die bite, of die keer dat je vond wat je koortsachtig had gezocht, diep in jezelf of aan het andere eind van de wereld. Iets als de laatste minuten in Shortbus. Iets als een sereen hoogtepunt, die vrijdagavond, op die mat op die plaats in de wereld, terwijl buiten de bomen even stoppen met ruisen en het water niet meer kabbelt.
De sensei schraapt zijn keel en begint met zijn uitleg. Zonder oogcontact te maken lopen de mannen opzij. Het moment is voorbij, de wereld besluit door te gaan met ademen. Ineens zijn we verder dan ooit van de sfeer van werk, sleur, koddigheid. Het weekend begon zojuist.
Iets eerder deed ik het bij hem. Met mij worstelend in onze steriele witte pakken maakte hij bij het spannen van mijn spieren een geluid van verbazing en nu is het mijn beurt. Mijn kuit geeft onheilssignalen en ik tik af. Maar hij is niet tevreden, want ik moet het voelen in mijn lies, die bijzondere spanning, die scheut. De gentleman past zijn klem aan, net zo lang tot mijn verbaasde 'oh?' op de prikkel die opschiet in mijn been. Een verrassing op die mat, in die dojo, in die hoek van de stad op een moment dat de meesten achter hun krantje schuilen of voor de TV. Het is alles wat hij horen wilde. Hij laat los en onze oefening is klaar.
Naast ons trainen twee zwaargewichten. 120 kilo macho en 90 kilo professioneel vechter. Ook zij hebben het punt bereikt waarop beiden het begrijpen en zacht klinkt er een gekreun op uit de berg verstrengelde ledematen. Als ze zich bewust worden van hun tien getuigen beginnen ze lacherig te zenuwen. 'Jitsu-porno' merkt de een op, en de ander imiteert snel een aap terwijl ze zich losmaken van elkaar. Toch weet iedereen dat zij het allebei voelden, dat moment van harmonie waarop even alles klopte. Iets dat hoger was dan zij. Iets als je eerste perfect gekookte asperge en dan die bite, of die keer dat je vond wat je koortsachtig had gezocht, diep in jezelf of aan het andere eind van de wereld. Iets als de laatste minuten in Shortbus. Iets als een sereen hoogtepunt, die vrijdagavond, op die mat op die plaats in de wereld, terwijl buiten de bomen even stoppen met ruisen en het water niet meer kabbelt.
De sensei schraapt zijn keel en begint met zijn uitleg. Zonder oogcontact te maken lopen de mannen opzij. Het moment is voorbij, de wereld besluit door te gaan met ademen. Ineens zijn we verder dan ooit van de sfeer van werk, sleur, koddigheid. Het weekend begon zojuist.
Het is ongelofelijk hoe de dag steeds hetzelfde lijkt te beginnen.
Met een korte worsteling in de massa, een paar snelle passen de
trap op, een plof in de stoel. Een snelle blik, herkenning, de
blonde jongen. Iemand die zijn kaartje vergat, de knik van de
conducteur. Groen, plat landschap dat je niet inademen kunt.
Blokken gebouwen, de werkelijkheid van kantoren, kranten, forensen.
Een spoor van mensen en rook. Heel even de geur van gras, eksters
en een fuut. Dan weer rails, auto's, gebouwen, grijzigheid. Stof.
En temidden van dat al een koninkrijk, een paar vierkante meter
oase. Je schopt je schoenen uit in de hoek.
Het is ongelofelijk hoe de dag steeds hetzelfde lijkt te vergaan. Telefoon, geklets, af en toe een lach, maar vooral gespannen fronsen. Veerkrachtige mensen die bukken onder door de jaren heen stijfgegroeide bureaucratie. De zon op je gezicht, je scherm, en de luxaflex die dan dicht moet. De ongedocumenteerden van Amsterdam die onder je raam staan te schallen, hun leuters schudden na het plassen, zingen in de tunnels van het gedoogbeleid. Holle klanken, soms een lied. De kraaien die draaien op de koppen van de lantaarns. De tijd die met stevige pas afstevent op het eind. Een gehaast vertrek.
Het is ongelofelijk hoe aan dat eind van de dag steeds hetzelfde met je doet. De kermis die om je heen lijkt te zijn als je je ogen sluit. De machine die piept en kraakt als hij ineens om de hoek beweegt en schuurt langs de tegels van het perron. De poppetjes, die met een ruk dichtbijkomen. Het decor van een verhaal. Je eigen verhaal, want dit is thuis en je moet eruit.
Mistig blikt de een langs de ander. De ogen missen een doel, een focus, tot je je vangt met je eigen paar en ze kort ontmoet. De meesten rukken zich snel los van je staar, maar sommigen blijven gevangen. Langs de lijnen van je eigen web spoed je je naar de trap, die je uitgeleide doet. Weg van deze achtbaan, gevangenis van het verleden. Het is tijd voor de avond.
Het is ongelofelijk hoe de dag steeds hetzelfde lijkt te vergaan. Telefoon, geklets, af en toe een lach, maar vooral gespannen fronsen. Veerkrachtige mensen die bukken onder door de jaren heen stijfgegroeide bureaucratie. De zon op je gezicht, je scherm, en de luxaflex die dan dicht moet. De ongedocumenteerden van Amsterdam die onder je raam staan te schallen, hun leuters schudden na het plassen, zingen in de tunnels van het gedoogbeleid. Holle klanken, soms een lied. De kraaien die draaien op de koppen van de lantaarns. De tijd die met stevige pas afstevent op het eind. Een gehaast vertrek.
Het is ongelofelijk hoe aan dat eind van de dag steeds hetzelfde met je doet. De kermis die om je heen lijkt te zijn als je je ogen sluit. De machine die piept en kraakt als hij ineens om de hoek beweegt en schuurt langs de tegels van het perron. De poppetjes, die met een ruk dichtbijkomen. Het decor van een verhaal. Je eigen verhaal, want dit is thuis en je moet eruit.
Mistig blikt de een langs de ander. De ogen missen een doel, een focus, tot je je vangt met je eigen paar en ze kort ontmoet. De meesten rukken zich snel los van je staar, maar sommigen blijven gevangen. Langs de lijnen van je eigen web spoed je je naar de trap, die je uitgeleide doet. Weg van deze achtbaan, gevangenis van het verleden. Het is tijd voor de avond.
Ik hou van mijn geboortegrond. Ongemerkt is de platte aarde die
voor er huizen opstonden grasland was en daarvoor zelfs de Noordzee
deel van mij geworden en punt van referentie, waar ter wereld ik
ook ben. Toen we anaconda's zochten in een veld in de jungle van
Rurrenabaque kon ik niet anders dan de halmen associeren met de
sappige weiden van thuis en verlangen naar een kleed, en een
lentedag, en daar dan lui te liggen met een boek. Vele andere
steppes en weilanden legden het af tegen de sappige weiden van mijn
herinneringen, niet bonkig, bijna polloos. Toen ik eenmaal
thuiskwam bleek het ver zoeken naar zulk gras en was bijna alles
verslonden door de bouw. Het is niet daarom dat ik gelijk weer op
reis ben gegaan.
Elke minuut dat ik er tussenuit kan knijpen ben ik op zoek naar de wereld die zich voor me, achter me, in alle dimensies uitstrekt en die ik gezien wil hebben voordat het weer tijd is om te gaan. En al reizende en gaande kreeg ik ineens wortels, elders, waar geen plat gras was of de zee om de hoek. Maar het leek of de straten me herkenden en dat ik elke stap die ik zette ging in een wereld die ik jarenlang binnenin me had gedragen en die in het echt bleek te bestaan. Ik ben de relatie aangegaan en vele intieme momenten volgden. Toch moest ik me loswringen uit die omhelzing. Het was tijd om terug te gaan naar de velden uit mijn jeugd. Waarom? vragen veel mensen me, en het antwoord bevredigt ze niet. Want hoe kan ik ze uitleggen dat het heerlijk is om te leven als de koningin van je hart, maar dat er dingen zijn daarbuiten staan en zwaarder wegen?
Voor mij begint het als ik in de bus zit, bovenin, voorin, met mijn blote voeten tegen de stang en mijn blik gericht op de weg. Honderden bevinden zich daar met mij en toch lijk ik alleen, want iedereen gaat zijn eigen pad en dat van mij loopt daar toevallig langs. We zigzaggen het station uit en bestijgen de brug. Betoverd kijk ik naar de schatten van de stad, links het rad, de puntige gebouwen van het parlement en de pieken die me wijzen op het toeristische midden; rechts de Victoriaanse resten van een eigenwijs koninkrijk en de eerste tekenen van het oosten, voor mij het midden van het midden. We gaan verder door de wijk van beurzen en geld en rijden langs het station dat me kent en glimlachend begroet. Dan sla ik een slag over en bijt ik op mijn lip.
Ik woon niet langer in deze wijk van kunstenaars en goede doelen waar oude troep wordt omgetoverd in de hipste restaurants, maar het is hier dat ik alles begon te begrijpen. In een paar minuten brengt de bus mij naar mijn bestemming. Ik groet de bomen, kijk naar de kleur van hun bladeren en meet het seizoen. Als ik oversteek kijken de bestuurders me na. Ik sla rechtsaf, zoek naar de witte verfvlekken op de stoep die daar twee jaar geleden ineens lagen en sindsdien zijn gebleven. De gele huizen staan waar ze horen, ik ben alleen. Dan steek ik de sleutel in het slot en ben daar, waar Bert op me wacht. Nog even en misschien land ik dan, na een maandenlange vlucht door het luchtruiim en ontelbare tochten om de aarde, eindelijk echt weer op die plek.
Elke minuut dat ik er tussenuit kan knijpen ben ik op zoek naar de wereld die zich voor me, achter me, in alle dimensies uitstrekt en die ik gezien wil hebben voordat het weer tijd is om te gaan. En al reizende en gaande kreeg ik ineens wortels, elders, waar geen plat gras was of de zee om de hoek. Maar het leek of de straten me herkenden en dat ik elke stap die ik zette ging in een wereld die ik jarenlang binnenin me had gedragen en die in het echt bleek te bestaan. Ik ben de relatie aangegaan en vele intieme momenten volgden. Toch moest ik me loswringen uit die omhelzing. Het was tijd om terug te gaan naar de velden uit mijn jeugd. Waarom? vragen veel mensen me, en het antwoord bevredigt ze niet. Want hoe kan ik ze uitleggen dat het heerlijk is om te leven als de koningin van je hart, maar dat er dingen zijn daarbuiten staan en zwaarder wegen?
Voor mij begint het als ik in de bus zit, bovenin, voorin, met mijn blote voeten tegen de stang en mijn blik gericht op de weg. Honderden bevinden zich daar met mij en toch lijk ik alleen, want iedereen gaat zijn eigen pad en dat van mij loopt daar toevallig langs. We zigzaggen het station uit en bestijgen de brug. Betoverd kijk ik naar de schatten van de stad, links het rad, de puntige gebouwen van het parlement en de pieken die me wijzen op het toeristische midden; rechts de Victoriaanse resten van een eigenwijs koninkrijk en de eerste tekenen van het oosten, voor mij het midden van het midden. We gaan verder door de wijk van beurzen en geld en rijden langs het station dat me kent en glimlachend begroet. Dan sla ik een slag over en bijt ik op mijn lip.
Ik woon niet langer in deze wijk van kunstenaars en goede doelen waar oude troep wordt omgetoverd in de hipste restaurants, maar het is hier dat ik alles begon te begrijpen. In een paar minuten brengt de bus mij naar mijn bestemming. Ik groet de bomen, kijk naar de kleur van hun bladeren en meet het seizoen. Als ik oversteek kijken de bestuurders me na. Ik sla rechtsaf, zoek naar de witte verfvlekken op de stoep die daar twee jaar geleden ineens lagen en sindsdien zijn gebleven. De gele huizen staan waar ze horen, ik ben alleen. Dan steek ik de sleutel in het slot en ben daar, waar Bert op me wacht. Nog even en misschien land ik dan, na een maandenlange vlucht door het luchtruiim en ontelbare tochten om de aarde, eindelijk echt weer op die plek.
Midden op Times Square, op de hoek van 42nd street en Broadway,
kijk ik met de hand boven mijn ogen om me heen. Ik zoek een
kleinere man met trekken van mijn Omaatje en haar zussen. Horden
toeristen rijden met babykarretjes over mijn voeten en gele taxi's
scheuren langs, maar het lijkt of niemand niet beweegt. Tot ik
ineens een T-shirt zie van Amsterdam University, gedragen door een
Filippijns uitziende man. We snellen naar hem toe. Het is uncle
Pete.
Nog nooit hebben we hem ontmoet en gelukkig hadden we Spoorloos niet nodig voor deze ontmoeting. Hij laat er geen gras over groeien, we zijn familie dus hij gaat ons de stad laten zien. Hij neemt ons mee de metro in en verzint alternatieve routes door dure gebouwen. De trein, de straten, de geschiedenis, alles kent hij op zijn duimpje. Aan het eind van de dag feteert hij ons op kreeft in zijn favoriete Chinese restaurant. Terwijl de obers naast ons nieuwe wantans draaien zuigen en pulken wij erop los. De bloedband is genoeg aanleiding voor een onvergetelijke dag.
Drie jaar hiervoor zagen wij zijn broer in de Filippijnen. In die andere tijd, andere wereld, hadden we ook een half adres. Uiteindelijk vroegen we aan het hangvolk in de straat of ze wisten waar die meneer woonde. Hij bleek om de hoek te zijn en we vierden een gezellige middag. We horen van Pete dat het ons daar legendes heeft gemaakt. Een surrealistische gedachte. Hoe de een eindigde in een huis aan een onverharde weg en de ander dagelijks geniet van de gebouwen die hij ontwierp voor deze metropool.
De Hudson rivier klokt lustig tegen de wal waar men en masse wacht op een plaatsje richting het Vrijheidsbeeld. Wij blijven hier met voor ons een vrijheidssymbool in levende lijve. Snipper van een wijdverspreid gezin dat woont in afgelegen dorpen, wereldsteden en van alles ertussenin. En bewijs dat dat allemaal toch komt uit dezelfde bron.
Nog nooit hebben we hem ontmoet en gelukkig hadden we Spoorloos niet nodig voor deze ontmoeting. Hij laat er geen gras over groeien, we zijn familie dus hij gaat ons de stad laten zien. Hij neemt ons mee de metro in en verzint alternatieve routes door dure gebouwen. De trein, de straten, de geschiedenis, alles kent hij op zijn duimpje. Aan het eind van de dag feteert hij ons op kreeft in zijn favoriete Chinese restaurant. Terwijl de obers naast ons nieuwe wantans draaien zuigen en pulken wij erop los. De bloedband is genoeg aanleiding voor een onvergetelijke dag.
Drie jaar hiervoor zagen wij zijn broer in de Filippijnen. In die andere tijd, andere wereld, hadden we ook een half adres. Uiteindelijk vroegen we aan het hangvolk in de straat of ze wisten waar die meneer woonde. Hij bleek om de hoek te zijn en we vierden een gezellige middag. We horen van Pete dat het ons daar legendes heeft gemaakt. Een surrealistische gedachte. Hoe de een eindigde in een huis aan een onverharde weg en de ander dagelijks geniet van de gebouwen die hij ontwierp voor deze metropool.
De Hudson rivier klokt lustig tegen de wal waar men en masse wacht op een plaatsje richting het Vrijheidsbeeld. Wij blijven hier met voor ons een vrijheidssymbool in levende lijve. Snipper van een wijdverspreid gezin dat woont in afgelegen dorpen, wereldsteden en van alles ertussenin. En bewijs dat dat allemaal toch komt uit dezelfde bron.
Steden mogen best een beetje stinken. Het zou niet kloppen als de
tunnels naar de Arc de Triomphe naar viooltjeswater roken of de
Tiber helder was als een zwembad. Daarom voelde het gisteren
vertrouwd toen me bij het afdalen naar de ondergrondse wereld van
Manhattan de lucht van verhitte lichamen me in het gezicht sloeg.
Voor de metro is de walgelijke lucht een goed teken, dus loop ik
door en stap ik in.
Op plaatsen waar niet alles even gepolijst is zijn er namelijk tal van voordelen. Volgens mij is er ruimte voor creativiteit wanneer niet alles is gevangen in regels. Waar mensen zichzelf niet al te zeer inperken borrelt het en tonen zielen hun ware ik die anders klem hadden gezeten tussen het regime en de sociale controle. Bij de gang naar onze ontbijttent kruist een veger ons pad. Met zijn bezem en blauwe overall leek hij zo uit de Mary Poppins musical weggelopen. Zingend loopt hij ons tegemoet en net voor de drempel van de zaak besluit hij zijn liedje met een uitnodiging om vooral wat vaker te lachen. Met een grote grijns schuiven we achter ons eerste kopje koffie.
Wat heb ik het leven in een metropool gemist. Bert wachtte me op in een van de straten van de stad. Een andere dan waar ik stond, met al mijn tassen en zwetend door de tropische temperatuur, maar genietend van de vibe van vrijheid en onmetelijke mogelijkheden. De toren van Trump en het hoofdkwartier van de UN glimlachten me toe , terwijl ik zat te pielen met kwartjes en een kaart. Een oude Chinese man had hem me verkocht en ik belde vanaf de telefoon die de Arabische wijnverkoper me had gewezen. Vertegenwoordigers van de wereld. Een bord vertelde me de tijd, de stad zweeg. Toen ik besloten had om zoals iederen in de film te wachten op het stoepje voor de flat botste ik op de hoek tegen mijn vent. In die straat, in die context duurde het een seconde voor hij me zag, maar ik vloog hem in zijn armen voordat hij het wist.
Tijdens onze maaltijd van Japanse desserts vertel ik hem het laatste nieuws. In de etalage drinken we sake, buiten kleuren de gebouwen langzaam goud. We sluiten af met een Martini en lopen door de zwoele straten naar huis. Twee mannen vechten om de schuld over een botsing, het geluid van hun geharrewar reikt niet tot de politieauto om de hoek. Gele taxi´s scheuren voorbij, Bert loopt naast me. Klaar om de wereld in deze stad met al zijn geurtjes, toetjes en miljoenen mensen met een respectabel verhaal samen te ontdekken.
Op plaatsen waar niet alles even gepolijst is zijn er namelijk tal van voordelen. Volgens mij is er ruimte voor creativiteit wanneer niet alles is gevangen in regels. Waar mensen zichzelf niet al te zeer inperken borrelt het en tonen zielen hun ware ik die anders klem hadden gezeten tussen het regime en de sociale controle. Bij de gang naar onze ontbijttent kruist een veger ons pad. Met zijn bezem en blauwe overall leek hij zo uit de Mary Poppins musical weggelopen. Zingend loopt hij ons tegemoet en net voor de drempel van de zaak besluit hij zijn liedje met een uitnodiging om vooral wat vaker te lachen. Met een grote grijns schuiven we achter ons eerste kopje koffie.
Wat heb ik het leven in een metropool gemist. Bert wachtte me op in een van de straten van de stad. Een andere dan waar ik stond, met al mijn tassen en zwetend door de tropische temperatuur, maar genietend van de vibe van vrijheid en onmetelijke mogelijkheden. De toren van Trump en het hoofdkwartier van de UN glimlachten me toe , terwijl ik zat te pielen met kwartjes en een kaart. Een oude Chinese man had hem me verkocht en ik belde vanaf de telefoon die de Arabische wijnverkoper me had gewezen. Vertegenwoordigers van de wereld. Een bord vertelde me de tijd, de stad zweeg. Toen ik besloten had om zoals iederen in de film te wachten op het stoepje voor de flat botste ik op de hoek tegen mijn vent. In die straat, in die context duurde het een seconde voor hij me zag, maar ik vloog hem in zijn armen voordat hij het wist.
Tijdens onze maaltijd van Japanse desserts vertel ik hem het laatste nieuws. In de etalage drinken we sake, buiten kleuren de gebouwen langzaam goud. We sluiten af met een Martini en lopen door de zwoele straten naar huis. Twee mannen vechten om de schuld over een botsing, het geluid van hun geharrewar reikt niet tot de politieauto om de hoek. Gele taxi´s scheuren voorbij, Bert loopt naast me. Klaar om de wereld in deze stad met al zijn geurtjes, toetjes en miljoenen mensen met een respectabel verhaal samen te ontdekken.
Gedachteloos haalde ze haar handen door haar lange staart. Twee
haren haakten tussen haar vingers. Ze strekte haar arm en liet ze
los. Het leek of ze een seconde twijfelden voordat ze zachtjes naar
beneden wapperden, om even neer te komen op de vensterbank. Even
later dansten ze verder, naar beneden, langs de ramen van al die
verdiepingen, de mensen voor hun TV's, zelfs langs het dakterras
van de overburen waar al even een borrel gaande was. Ze zouden
blijven liggen in Parijs en daarmee zou ze een stukje van zichzelf
achterlaten. Nog even lichtte een glans op, toen zag ze ze niet
meer.
De rose begon zijn werk te doen. Op zoveel plekken deed ze dit, gedachteloos, vanzelfsprekend. Al was het tegenovergestelde waar. In steden, landen waar ze zich opgesloten voelde liet ze het liefst zelfs geen adem achter, geen sporen op de ruit, voetstappen in het zand. Liefst niets dat haar bond aan een plek waar ze op dat moment niet wilde zijn. Al waren dat er maar weinig. Of al leek dat maar zo.
Een straal water spoot in haar glas en gulzig klokte ze het achterover. Helder wilde ze zijn, gestructureerd wilde ze denken, het ging om haar leven en voor de beslissing die ze wilde nemen had ze ruimte nodig in haar hoofd. Voor het eerst sinds lang wilde ze grip, houvast. De wijn stoorde haar in haar proces.
Ze was op een andere plaats, andere tijd. Er was geen wolk die haar gedachten belette, behalve de stapelcumuli die voor haar ogen uitwaaiden in vormen van knuffels en zachte, verre bergen. In de verte rook ze de zee. Onder haar voeten voelde ze haar geboortegrond. Hoe lang was het geleden, vroeg ze zich af. Ondertussen speelde ze met haar haar.
De echo's van de mensen met wie ze was verbonden leken zacht te bonzen in haar oren. Ze voelde ze alsof ze een deel waren van haarzelf. Iets wat ze niet kon kiezen, iets wat domweg was. Product van keuzes uit vervlogen jaren, maar ook van een buitenaards geluk. Die mensen waren op haar pad gekomen en hoewel het niet altijd zo had gevoeld bleken hun wegen parallel te lopen aan die van haar, soms ongestuurd kriskrassend allerlei kanten op, maar meestal in de buurt.
Haar vingers voelden en visten. Ze hield ze voor haar gezicht. Twee haren, lange, wapperende extensies van haarzelf. Symbool van haar vasthoudendheid, van haar bestaan op de vleselijke aarde. Nog even in haar hand, na al die jaren van geduldig hangen aangekomen op het laatste nabije moment. Ze hield ze voor zich en tuurde erlangs. Naar de kerktoren, de klok van het gemeentehuis, de kathedraal die schitterde tegen een zilvergrijze lucht. Het was tijd om te zuchten, en om los te laten. Het stond geschreven. Ze liet los.
De rose begon zijn werk te doen. Op zoveel plekken deed ze dit, gedachteloos, vanzelfsprekend. Al was het tegenovergestelde waar. In steden, landen waar ze zich opgesloten voelde liet ze het liefst zelfs geen adem achter, geen sporen op de ruit, voetstappen in het zand. Liefst niets dat haar bond aan een plek waar ze op dat moment niet wilde zijn. Al waren dat er maar weinig. Of al leek dat maar zo.
Een straal water spoot in haar glas en gulzig klokte ze het achterover. Helder wilde ze zijn, gestructureerd wilde ze denken, het ging om haar leven en voor de beslissing die ze wilde nemen had ze ruimte nodig in haar hoofd. Voor het eerst sinds lang wilde ze grip, houvast. De wijn stoorde haar in haar proces.
Ze was op een andere plaats, andere tijd. Er was geen wolk die haar gedachten belette, behalve de stapelcumuli die voor haar ogen uitwaaiden in vormen van knuffels en zachte, verre bergen. In de verte rook ze de zee. Onder haar voeten voelde ze haar geboortegrond. Hoe lang was het geleden, vroeg ze zich af. Ondertussen speelde ze met haar haar.
De echo's van de mensen met wie ze was verbonden leken zacht te bonzen in haar oren. Ze voelde ze alsof ze een deel waren van haarzelf. Iets wat ze niet kon kiezen, iets wat domweg was. Product van keuzes uit vervlogen jaren, maar ook van een buitenaards geluk. Die mensen waren op haar pad gekomen en hoewel het niet altijd zo had gevoeld bleken hun wegen parallel te lopen aan die van haar, soms ongestuurd kriskrassend allerlei kanten op, maar meestal in de buurt.
Haar vingers voelden en visten. Ze hield ze voor haar gezicht. Twee haren, lange, wapperende extensies van haarzelf. Symbool van haar vasthoudendheid, van haar bestaan op de vleselijke aarde. Nog even in haar hand, na al die jaren van geduldig hangen aangekomen op het laatste nabije moment. Ze hield ze voor zich en tuurde erlangs. Naar de kerktoren, de klok van het gemeentehuis, de kathedraal die schitterde tegen een zilvergrijze lucht. Het was tijd om te zuchten, en om los te laten. Het stond geschreven. Ze liet los.
Na wat rondjes te hebben gereden vinden we het. We rijden onder een
vrolijk wapperend vlaggetjes tapijt door terwijl we opletten om de
geparkeerde auto's links en rechts van ons niet te raken. Daarnaast
is weer een stoep en daarop staan, zonder voortuintjes, de voor een
van ons bekende huisjes.
De oude dame kirt van pret. We stappen uit en ze loopt naar nummer tien. De ramen verraden geen aanwezigheid. Ik begin gelijk te fotograferen. Zij voor het huis, links van de voordeur, rechts, en bij het huis van de buurvrouw. Op tien gaat de deur ineens open en een lange, magere vrouw steekt haar nek om de hoek. Waarom we haar huis fotograferen, vraagt ze, en ze voegt eraan toe dat het huis niet binnenkort in de huurkrant terecht komt.
Snel leggen we haar uit dat de oudere vrouw die we bij ons hebben en die helemaal in Australie woont vroeger in haar huis had gewoond. Al met vijf kindjes? vraag ik aan haar om haar bij het gesprek te betrekken. Ze schudt haar hoofd en wijst naar het grote raam. Twee van haar zoons werden in die huiskamer geboren. De vrouw in de deuropening ontspant en blijft even kletsen. Dan gaat ze weer naar binnen en laat ze ons zijn. In de hele straat beweegt er geen gordijntje, maar ik voel vele paren ogen prikken.
Dan bellen we aan bij de buurvrouw. Ze is er, doet open en heeft even moeite haar buurtgenote van 50 jaar daarvoor te herkennen. Maar dan vliegt ze terug naar enkele levens geleden en verwelkomt ze ons allerhartelijkst. Aan de deur wisselen de twee wat verhalen en lachen ze om hoe het is gegaan. De een is sindsdien niet verhuisd, de ander emigreerde van land naar land.
Het is tijd om te gaan en we nemen de dame nog even mee naar het straatnaambordje. We nemen een laatste kiekje in de straat waar ze acht jaar heeft gewoond en dan stappen we weer in. Stoelen recht, gordels om, op weg naar het volgende huis uit haar herinnering.
De oude dame kirt van pret. We stappen uit en ze loopt naar nummer tien. De ramen verraden geen aanwezigheid. Ik begin gelijk te fotograferen. Zij voor het huis, links van de voordeur, rechts, en bij het huis van de buurvrouw. Op tien gaat de deur ineens open en een lange, magere vrouw steekt haar nek om de hoek. Waarom we haar huis fotograferen, vraagt ze, en ze voegt eraan toe dat het huis niet binnenkort in de huurkrant terecht komt.
Snel leggen we haar uit dat de oudere vrouw die we bij ons hebben en die helemaal in Australie woont vroeger in haar huis had gewoond. Al met vijf kindjes? vraag ik aan haar om haar bij het gesprek te betrekken. Ze schudt haar hoofd en wijst naar het grote raam. Twee van haar zoons werden in die huiskamer geboren. De vrouw in de deuropening ontspant en blijft even kletsen. Dan gaat ze weer naar binnen en laat ze ons zijn. In de hele straat beweegt er geen gordijntje, maar ik voel vele paren ogen prikken.
Dan bellen we aan bij de buurvrouw. Ze is er, doet open en heeft even moeite haar buurtgenote van 50 jaar daarvoor te herkennen. Maar dan vliegt ze terug naar enkele levens geleden en verwelkomt ze ons allerhartelijkst. Aan de deur wisselen de twee wat verhalen en lachen ze om hoe het is gegaan. De een is sindsdien niet verhuisd, de ander emigreerde van land naar land.
Het is tijd om te gaan en we nemen de dame nog even mee naar het straatnaambordje. We nemen een laatste kiekje in de straat waar ze acht jaar heeft gewoond en dan stappen we weer in. Stoelen recht, gordels om, op weg naar het volgende huis uit haar herinnering.
Ik weet het nog goed, Bert en ik in die huiskamer bij onze nieuwe
Italiaanse maten. We hadden een biertje in de hand en hoopten op
een gezellige avond met een leuke uitslag. Eerst leek blijdschap
tonen dubieus maar bij het tweede doelpunt moest ik onwillekeurig
juichen. Maar het verwachte Italiaanse gemopper bleef uit, de
mensen bleven stil, stonden op en gingen roken op het balkon. Ze
kwamen pas terug toen ik de stroopwafels tevoorschijn haalde, die
ze met smaak en veel complimenten, maar met de rug naar de TV
verorberden. Mijn stoere, getatoeeerde mannen, gereduceerd tot
hoopjes spijt en teleurstelling maar met de monden op slot.
Hoe je reageert als je team verliest weet je dus niet totdat het zover is. Ook wij gingen vandaag de wedstrijd in met verwachtingen en hoop op succes. Al snel stond het vooruitzicht van het feestje op losse schroeven. Met het wegtikken van de minuten werd voorzichtig het idee geboren dat de Russen het zouden kunnen winnen. Jammerkreten klonken en gegil, en tegen het eind de mening dat Guus het had verdiend. We vonden troost in het stukje Neerland dat in de competitie bleef en de Hollandse stuurlui aan wal waren dapper en sportief. De stilte viel pas tijdens het eten van de haring die nadien werd geserveerd.
Ik herinnerde mij toen weer die partij, vergeleek, en zag een metersgroot verschil. Van Basten en van de Sar spraken hun legendarische woorden en Cruijff merkte op dat het net zo lang was als breed. Daarom wist ik hoe laat het was toen mijn telefoon piepte. Het was Rome, met de vraag hoe ik me voelde, een knuffel, en de uitnodiging om morgen hun land bij te staan tegen Spanje. Mijn lieve mannen, met een plots gesmolten wrok en nieuw gevonden ruimte in het hart voor oranje. Een kleinschalig maar groots internationaal verbond. Iets waar sommigen nog van kunnen leren.
Hoe je reageert als je team verliest weet je dus niet totdat het zover is. Ook wij gingen vandaag de wedstrijd in met verwachtingen en hoop op succes. Al snel stond het vooruitzicht van het feestje op losse schroeven. Met het wegtikken van de minuten werd voorzichtig het idee geboren dat de Russen het zouden kunnen winnen. Jammerkreten klonken en gegil, en tegen het eind de mening dat Guus het had verdiend. We vonden troost in het stukje Neerland dat in de competitie bleef en de Hollandse stuurlui aan wal waren dapper en sportief. De stilte viel pas tijdens het eten van de haring die nadien werd geserveerd.
Ik herinnerde mij toen weer die partij, vergeleek, en zag een metersgroot verschil. Van Basten en van de Sar spraken hun legendarische woorden en Cruijff merkte op dat het net zo lang was als breed. Daarom wist ik hoe laat het was toen mijn telefoon piepte. Het was Rome, met de vraag hoe ik me voelde, een knuffel, en de uitnodiging om morgen hun land bij te staan tegen Spanje. Mijn lieve mannen, met een plots gesmolten wrok en nieuw gevonden ruimte in het hart voor oranje. Een kleinschalig maar groots internationaal verbond. Iets waar sommigen nog van kunnen leren.
Voor me zit een man wijdbeens op de grond. Even daarvoor stond ik
in een steeg te kijken naar Tom Hanks die zich voorbereidde op een
van de Romeinse scenes in zijn nieuwe film. Rond de fontein op het
plein staan tientallen beveiligingsmensen die een stukje van de
stad hebben afgebakend met rekken met kostuums, camerastandaarden
en lint. Ik vond het een sport om een kiekje te schieten van de
door aanbiddende landgenoten omringde acteur. Een man met
nietszeggend uiterlijk bond een gesprekje met me aan en toen ik
afscheid nam, op weg naar een ijsje, vroeg hij of hij met me
meemocht. Natuurlijk zei ik ja. De zon scheen en ik voelde me
verwarmd door die heerlijke stad.
Door de smalle straatjes lopen we naar Giolitti. Zelf bestelt hij niets en even later lopen we, ik likkend en hij slechts genietend van mijn gezelschap, terug naar het Pantheon. Dan wijst hij naar een plek dichtbij de fontein en zegt dat hij me daar eerder had zien staan en mijn aanwezigheid had bewonderd. Hij was me gevolgd naar de steeg waar ik Tom Hanks bekeek en had daar onopvallend om mijn aandacht gevraagd. Ik kijk op van de bevroren aardbeienpulp met slagroom en frons. Alweer een duckling, jij trekt die types aan, stom dat je d´r weer intrapt! hoor ik iemand zeggen, en ik geef het nog een halve kans. Hij stelt voor te gaan zitten en ik volg, niet van plan langer dan twee minuten te blijven.
Hij gaat zitten op de koele marmeren vloer, ik kies voor het puntje van de voet van een pilaar. Ontspannen rolt hij een peuk, draait zijn lichaam naar me toe en begint me over zijn leven te vertellen. Terwijl hij praat en ik luister zie ik zijn gezichtsuitdrukking, die van een blij kind. Tien jaar lang werkte hij op een decoratieproject van een van de rijkste mensen ter wereld en over enkele maanden verhuist hij naar Japan. Maar mijn ijsje is op en ik begin te vergeten dat ik normaal niet genoeg kan krijgen van een ongebruikelijk verhaal. Bij mijn voeten scharrelen kakkerlakken en een pissebed kruipt onder de pilaar. Het Pantheon en het universum lijken zich over allerlei wezens te ontfermen. Weer kijk ik op en voel dat elke cel in mij zich verzet tegen het gezelschap van deze onschuldige ziel. Dan maak ik een eind aan dit moment dat lijkt te zijn gestolen in ruimte en tijd en gewoonweg ergens tussen werd gezet.
Hij knikt begrijpend en bedankt me voor mijn tijd. Zijn ogen volgen me tot lang nadat ik Bernini´s olifant ben gepasseerd.
Door de smalle straatjes lopen we naar Giolitti. Zelf bestelt hij niets en even later lopen we, ik likkend en hij slechts genietend van mijn gezelschap, terug naar het Pantheon. Dan wijst hij naar een plek dichtbij de fontein en zegt dat hij me daar eerder had zien staan en mijn aanwezigheid had bewonderd. Hij was me gevolgd naar de steeg waar ik Tom Hanks bekeek en had daar onopvallend om mijn aandacht gevraagd. Ik kijk op van de bevroren aardbeienpulp met slagroom en frons. Alweer een duckling, jij trekt die types aan, stom dat je d´r weer intrapt! hoor ik iemand zeggen, en ik geef het nog een halve kans. Hij stelt voor te gaan zitten en ik volg, niet van plan langer dan twee minuten te blijven.
Hij gaat zitten op de koele marmeren vloer, ik kies voor het puntje van de voet van een pilaar. Ontspannen rolt hij een peuk, draait zijn lichaam naar me toe en begint me over zijn leven te vertellen. Terwijl hij praat en ik luister zie ik zijn gezichtsuitdrukking, die van een blij kind. Tien jaar lang werkte hij op een decoratieproject van een van de rijkste mensen ter wereld en over enkele maanden verhuist hij naar Japan. Maar mijn ijsje is op en ik begin te vergeten dat ik normaal niet genoeg kan krijgen van een ongebruikelijk verhaal. Bij mijn voeten scharrelen kakkerlakken en een pissebed kruipt onder de pilaar. Het Pantheon en het universum lijken zich over allerlei wezens te ontfermen. Weer kijk ik op en voel dat elke cel in mij zich verzet tegen het gezelschap van deze onschuldige ziel. Dan maak ik een eind aan dit moment dat lijkt te zijn gestolen in ruimte en tijd en gewoonweg ergens tussen werd gezet.
Hij knikt begrijpend en bedankt me voor mijn tijd. Zijn ogen volgen me tot lang nadat ik Bernini´s olifant ben gepasseerd.
Twee straten van het Vaticaan verwijderd heb ik mijn favoriete
marktje ontdekt. Ik koop er mijn aardbeitjes voor een halve euro
per bakje en kies er elke keer een nieuwe smaak Romeinse pizza.
Genietend en alvast wat knabbelend loop ik dan door de Via
Ottaviano naar het Pietersplein. Ik kom langs de Indier waarmee ik
al een paar keer een praatje heb gemaakt en zwaai. Hij zwaait
terug. Ik weet dat hij denkt aan de tijd na de zomer, wanneer hij
weer voor een paar maanden terug naar zijn eigen land kan. Tot dan
zit hij zijn tijd uit, met de dagelijkse hordes toeristen en door
zijn tentdoekje gescheiden van de verschroeiende zon.
Ik ga zitten aan de voet van een pilaar aan het plein en gooi een plens water op mijn beien. Eten lijkt mij een zaak die heilig genoeg is voor deze plaats die te vergelijken is met een terras voor pelgrims en dagjesmensen. Terwijl het rode sap me langs de kin loopt zoek ik naar interessante gezichten. De rij voor de ingang van de basiliek is lang, maar iedereen lijkt in zijn schik. Er lopen veel nonnetjes en mannen in volledig zwart, die contrasteren met Amerikanen in gekleurde slippers en grote groepen Japanners. Iedereen komt hier met een eigen reden, zo ook ik. En zo begint alles langzaam te kloppen.
Zwervend door de straten rondom het Vaticaan hoorde ik op een goed moment ineens de muziek van de stad. Het is een eigen lied, een zacht deuntje dat geneuried wordt door de muren, de straten, de platanen rond de Engelenburcht, de stenen in de Tiber. Eerder pikten mijn oren haar nog niet op, maar nu hoor ik het zangerige wijsje al vanaf het moment dat ik wakker word en zin heb in de komende dag. Zelfs met onweer en een fikse regenbui lijken de schuilende vogels te improviseren op een aanzwellend akkoord dat door zal gaan tot lang nadat ik vertrokken zal zijn. En zo wordt het hier toch ook al een beetje een thuis.
Ik ga zitten aan de voet van een pilaar aan het plein en gooi een plens water op mijn beien. Eten lijkt mij een zaak die heilig genoeg is voor deze plaats die te vergelijken is met een terras voor pelgrims en dagjesmensen. Terwijl het rode sap me langs de kin loopt zoek ik naar interessante gezichten. De rij voor de ingang van de basiliek is lang, maar iedereen lijkt in zijn schik. Er lopen veel nonnetjes en mannen in volledig zwart, die contrasteren met Amerikanen in gekleurde slippers en grote groepen Japanners. Iedereen komt hier met een eigen reden, zo ook ik. En zo begint alles langzaam te kloppen.
Zwervend door de straten rondom het Vaticaan hoorde ik op een goed moment ineens de muziek van de stad. Het is een eigen lied, een zacht deuntje dat geneuried wordt door de muren, de straten, de platanen rond de Engelenburcht, de stenen in de Tiber. Eerder pikten mijn oren haar nog niet op, maar nu hoor ik het zangerige wijsje al vanaf het moment dat ik wakker word en zin heb in de komende dag. Zelfs met onweer en een fikse regenbui lijken de schuilende vogels te improviseren op een aanzwellend akkoord dat door zal gaan tot lang nadat ik vertrokken zal zijn. En zo wordt het hier toch ook al een beetje een thuis.
De dojo is klein en muf maar je merkt er niets van de tropische
buitentemperatuur. Zo'n kwartier na de officiele aanvang van de les
druppelen de Italianen binnen. Ze schudden ieder de hand, sommige
mannen kussen elkaar. Federico, de aanvoerder van het stel die veel
gelijkenis vertoont met mijn inmiddels gepensioneerde trainer in
Nederland, zit met zijn benen wijd op de grond te kletsen en
grapjes te maken. Wanneer hij vindt dat de les moet beginnen staat
hij op en brult hij wat. Speciaal voor mij vertaalt hij alles naar
het Engels. Veel van de aanwezigen hebben een kale kop en hebben
hun pakken bestikt met plaatjes van tijgers en andere symbolen.
Federico had me van tevoren al lachend verteld dat deze groep een
mix is van een motorbar, een vechtschool en een surfclub. Ik geloof
inmiddels dat dat geen grapje was.
Clodio wordt aangewezen als mijn partner om mee te sparren. Met zijn glanzende witte pak buigt hij zich over mij en ik klem hem tussen mijn dijen. Met hem leer ik de basistechnieken van het grapplen en na een tijdje vind ik zelfs dat het best wel goed gaat. Dan neemt Tanzio het over en als een slang bewegen zijn ledematen door de mijne en rijgen ze deze aaneen tot ik in mezelf verstrikt raak. Het is een verdiende overwinning voor de bruine band bovenop me. Terwijl ik in mijn benarde positie lig gaan Enrico en Paolo naast ons zo op in hun spel dat ze even staand vechten en iets verderop met een dreun neerkomen. Het volle gewicht van de twee worstelende lijven belandt bovenop mijn gezicht. De rest van de sessie zit ik aan de zijkant en kijk ik met een zak ijs op mijn wang naar de vreedzaam competerende en veelal kleurig getatoeeerde lijven.
Na afloop maken we een kleine buiging richting Federico en wordt er geklapt. Dan geeft iedereen elkaar weer een hand en verontschuldigen Enrico en Paolo zich nogmaals voor wat er gebeurd is. Terwijl ik mijn tas pak blijkt dat de mensen nog lang niet van plan zijn te vertrekken. Een stel begint weer te worstelen in een hoek en anderen kijken toe, terwijl Federico weer van wal steekt met een verhandeling over hoe nutteloos traditionele vechtsporten eigenlijk zijn. Na nog een kwartier van veel handenschudden besluit ik dat het mooi is geweest voor vandaag. Ik schud de aanwezigen nog maar eens de hand en ontvang ook wat schouderklopjes. De meesten zullen elkaar ´s avonds weer zien, wanneer het hele proces zich opnieuw af zal spelen. In de deuropening kijk ik nog een paar keer om me heen, iedereen zwaait en lacht, en Clodio stuurt me een handkus. Morgen kom ik terug.
Clodio wordt aangewezen als mijn partner om mee te sparren. Met zijn glanzende witte pak buigt hij zich over mij en ik klem hem tussen mijn dijen. Met hem leer ik de basistechnieken van het grapplen en na een tijdje vind ik zelfs dat het best wel goed gaat. Dan neemt Tanzio het over en als een slang bewegen zijn ledematen door de mijne en rijgen ze deze aaneen tot ik in mezelf verstrikt raak. Het is een verdiende overwinning voor de bruine band bovenop me. Terwijl ik in mijn benarde positie lig gaan Enrico en Paolo naast ons zo op in hun spel dat ze even staand vechten en iets verderop met een dreun neerkomen. Het volle gewicht van de twee worstelende lijven belandt bovenop mijn gezicht. De rest van de sessie zit ik aan de zijkant en kijk ik met een zak ijs op mijn wang naar de vreedzaam competerende en veelal kleurig getatoeeerde lijven.
Na afloop maken we een kleine buiging richting Federico en wordt er geklapt. Dan geeft iedereen elkaar weer een hand en verontschuldigen Enrico en Paolo zich nogmaals voor wat er gebeurd is. Terwijl ik mijn tas pak blijkt dat de mensen nog lang niet van plan zijn te vertrekken. Een stel begint weer te worstelen in een hoek en anderen kijken toe, terwijl Federico weer van wal steekt met een verhandeling over hoe nutteloos traditionele vechtsporten eigenlijk zijn. Na nog een kwartier van veel handenschudden besluit ik dat het mooi is geweest voor vandaag. Ik schud de aanwezigen nog maar eens de hand en ontvang ook wat schouderklopjes. De meesten zullen elkaar ´s avonds weer zien, wanneer het hele proces zich opnieuw af zal spelen. In de deuropening kijk ik nog een paar keer om me heen, iedereen zwaait en lacht, en Clodio stuurt me een handkus. Morgen kom ik terug.
Hand in hand slenteren we door Trastevere. Het is een lome
zaterdag, we hebben net de beste pizza ter wereld gegeten en de
rest van de dag lopen we tussen verschillende galerietjes die
meedoen aan het grote Romeinse fotografiefestival. Van de
adembenemende World Press expositie komen we in piepkleine
winkeltjes waar de foto´s aan de muur moeilijk zijn te
onderscheiden van de volle boekenrekken. En ondertussen zuigen we
de sfeer op van deze stad die voor iets langer dan een maand de
onze is.
Na genoten te hebben van talloze oude gebouwen enkleine steegjes met terrakleurige muren hangen we over de reling van een brug en kijken we uit over de Tiber. Dan vertel ik Bert iets dat al dagen in mijn borstkas sluimerde en ineens naar buiten moet. Rome nam ooit een bijzonder plekje in in mijn hart en het zal er nooit geheel uit verdwijnen. Maar er zijn dingen die ik er gigantisch mis.
Bert knikt en zegt dat hij begrijpt wat ik bedoel. Rome is geen wereldstad, en niet zozeer om haar kleine formaat. Wie een blik in de Romeinse metro werpt ziet meteen dat Italie van de Italianen is. Iedereen heeft een variant op de olijfhuid, en alle andere aanwezigen zijn toerist.
Het is niet zozeer het feit dat ik er opval in mijn zomerse kleren tussen de Italianen die zich ook bij dertig graden celsius hullen in leren jas en winterschoenen. Het zijn niet eens de zure blikken van de mensen in de supermarkt die niet begrijpen dat het kan dat je de taal niet spreekt. Maar het is de afwezigheid van de mensen met een andere achtergrond die hier wonen en werken. Wijzigingen op de vreemdelingenwet worden hier in de metro's over de intercom rondgetoeterd. Rome is een uniculturele samenleving.
Ik mis Londen, vertel ik hem. Hij ook, geeft hij toe, en samen staren we nog wat over het water. De komende weken zal blijken of de stad haar armen zal openen voor ons. Of we het gevoel zullen krijgen dat we waren opgenomen in deze cultuur en ons, al was het maar heel even, thuis hebben gevoeld. Maar ergens vrees ik het ergste. De archeologische opgravingen, de Sixtijnse kapel, de rijen zingende nonnen op het plein voor de Sint Pieter en de orgasmische ijsjes van San Crispino zijn alle zeer charmant, maar niet genoeg voor het stelen van mijn hart.
Na genoten te hebben van talloze oude gebouwen enkleine steegjes met terrakleurige muren hangen we over de reling van een brug en kijken we uit over de Tiber. Dan vertel ik Bert iets dat al dagen in mijn borstkas sluimerde en ineens naar buiten moet. Rome nam ooit een bijzonder plekje in in mijn hart en het zal er nooit geheel uit verdwijnen. Maar er zijn dingen die ik er gigantisch mis.
Bert knikt en zegt dat hij begrijpt wat ik bedoel. Rome is geen wereldstad, en niet zozeer om haar kleine formaat. Wie een blik in de Romeinse metro werpt ziet meteen dat Italie van de Italianen is. Iedereen heeft een variant op de olijfhuid, en alle andere aanwezigen zijn toerist.
Het is niet zozeer het feit dat ik er opval in mijn zomerse kleren tussen de Italianen die zich ook bij dertig graden celsius hullen in leren jas en winterschoenen. Het zijn niet eens de zure blikken van de mensen in de supermarkt die niet begrijpen dat het kan dat je de taal niet spreekt. Maar het is de afwezigheid van de mensen met een andere achtergrond die hier wonen en werken. Wijzigingen op de vreemdelingenwet worden hier in de metro's over de intercom rondgetoeterd. Rome is een uniculturele samenleving.
Ik mis Londen, vertel ik hem. Hij ook, geeft hij toe, en samen staren we nog wat over het water. De komende weken zal blijken of de stad haar armen zal openen voor ons. Of we het gevoel zullen krijgen dat we waren opgenomen in deze cultuur en ons, al was het maar heel even, thuis hebben gevoeld. Maar ergens vrees ik het ergste. De archeologische opgravingen, de Sixtijnse kapel, de rijen zingende nonnen op het plein voor de Sint Pieter en de orgasmische ijsjes van San Crispino zijn alle zeer charmant, maar niet genoeg voor het stelen van mijn hart.
Een paar witte toefjes en voor de rest een schitterende blauwe
lucht. Gelukzalige seconden bij het loslaten van de grond. Weer die
sprong van mijn middenrif, een steek van gemis, maar nu ken ik het
gevoel. We stijgen op en gaan verder, verder, dichter naar waar ik
wil zijn.
Iets roept mij, ik kijk om en zie het aan mijn voeten. Ik herken de vormen van het spoor, de eeuwenoude keien in de straten, de glans van het water zelfs van bovenaf. Die en die weg volgend zie ik ineens het huis waar ik twee weken heb gezeten.
Twee weken van mijn leven, gezeten in dat huis. Uit het raam gestaard naar telkens het komen en gaan van klanten bij de winkel beneden. Het wakker worden van de stad, en het naar bed gaan. Als de lichten doofden typten nog lang mijn vingers, die twee weken.
Nachtbraken ging ik, en dagdromen. Bij sommige gedachten brak het koude zweet me uit, bij andere zat ik te schuddebuiken. Foggin' freak, rolde het gemompel me over de lippen, in die hermetische dagen achter slot en grendel, waarin ik wilde dat niemand mij zag. In die dagen dat er alleen gedachten leken te zijn, daarbuiten niets. Afkicken met een koude kalkoen.
De minuten hadden gekropen, de gesprekken geduurd, en toch is er een eind gekomen aan die tijd. Uitkijkend over mijn nieuwe oude koninkrijk bekruipt mij een bitterzoet gemis. Even later ren ik de metro in, juichend vanuit elk van mijn cellen, maar beurs van binnen. Einde van een tijd, begin van een andere, en daartussen een zee.
Iets roept mij, ik kijk om en zie het aan mijn voeten. Ik herken de vormen van het spoor, de eeuwenoude keien in de straten, de glans van het water zelfs van bovenaf. Die en die weg volgend zie ik ineens het huis waar ik twee weken heb gezeten.
Twee weken van mijn leven, gezeten in dat huis. Uit het raam gestaard naar telkens het komen en gaan van klanten bij de winkel beneden. Het wakker worden van de stad, en het naar bed gaan. Als de lichten doofden typten nog lang mijn vingers, die twee weken.
Nachtbraken ging ik, en dagdromen. Bij sommige gedachten brak het koude zweet me uit, bij andere zat ik te schuddebuiken. Foggin' freak, rolde het gemompel me over de lippen, in die hermetische dagen achter slot en grendel, waarin ik wilde dat niemand mij zag. In die dagen dat er alleen gedachten leken te zijn, daarbuiten niets. Afkicken met een koude kalkoen.
De minuten hadden gekropen, de gesprekken geduurd, en toch is er een eind gekomen aan die tijd. Uitkijkend over mijn nieuwe oude koninkrijk bekruipt mij een bitterzoet gemis. Even later ren ik de metro in, juichend vanuit elk van mijn cellen, maar beurs van binnen. Einde van een tijd, begin van een andere, en daartussen een zee.
Als klein meisje al droomde ze van de ridder die ooit de hare zou
zijn. Als ze zich probeerde voor te stellen hoe hij er uit zou zien
dacht ze aan gespierde armen en een klaterende lach. Hij zou haar
beschermen tegen boze mensen en hij zou haar bewonderen. Maar meer
dan aanbeden worden wilde ze zelf aanbidden, opkijken langs zijn
lange benen en haar gezicht laten schuren tegen zijn
stoppels.
Al jong zag ze mannen die haar interesse wekten. De eerste met wie ze zich inliet was de sportieve Joop. Hun korte nachtelijke omhelzingen vergat ze zodra deze waren afgelopen, want ze viel vooral op zijn bruingebrande hoofd. Maar Joop bleek ook overmatig flatulent en toen de jonge liefde zijn hoogtepunt voorbij was kwam er een andere man in haar leven. De intellectuele Toon had een schitterende bos krullen. Vaak speelde ze stiekem met zijn haar en hij liet haar begaan totdat hij haar ineens besprong. Samen leefden ze van hoogtepunt naar hoogtepunt, totdat de dalen de overhand namen en Goudlokje, heel even maar, weer alleen was. Want kort daarna viel ze voor de charme van een ratelende Amsterdammer. Maar ook op zijn grapjes raakte ze uitgekeken. Op een dag nam ze de trein naar de hoofdstad, maakte een eind aan de verhouding, en pakte de eerste trein terug naar huis.Tijdens die rit kwam ze te zitten tegenover een jongen met een guitige lach. Ze stapten uit bij haar station voor een kop koffie, waarna ze naar haar huis gingen voor meer drank. Het kletsen duurde de hele nacht.
Hij maakte haar aan het lachen en samen beleefden ze avontuur na avontuur. Als ze aan hem dacht voelde ze zich bedwelmd door zijn ontwapenende woorden, die gericht waren aan iedereen en ook aan haar. Op de een of andere manier zag ze zichzelf al met hem, tevreden neergestreken op een boerderij. Hij, romantisch rooiend in een loszittende overall; zij, in de keuken met een grote pan boerensoep. Stiekem genoot ze van die droom, maar telkens als ze hem haar liefde verklaarde antwoordde hij in holle frasen. Ergens begon het gevoel te knagen dat dit het eigenlijk ook niet was. Een paar weken na de breuk zocht ze naar een cd toen iemand ineens een sympathiek hoofd tussen de schijfjes stak. De wetten van aantrekkingskracht deden hun werking en gezellige middagjes uit werden gevolgd door nachten met marshmallows en aardbeienijs. Hij beloofde haar de sterren en ze geloofde het allemaal. Ze wist niet beter of ze was gelukkig.
Het was een regenachtige middag. Goudlokje stond op de boot naar het eiland waar ze tijdens het weekend zou zijn. Diep in haar kraag gedoken dacht ze na over de romantiek in haar leven. Een glimlach speelde rond haar lippen. Het verblijf weg van haar geliefde duurde maar kort en deze dagen wilde ze genieten van de zilte leegte van de lucht. Aan land huurde ze gelijk een fiets. De man van de verhuur liet haar wachten op de assistent die de wielen nog even aandraaide. Huppend van been op been dacht ze aan het gevoel van de frisse wind tegen haar wangen; dat vooruitzicht maakte haar blij. Iemand riep, ze draaide zich om. En daar stond ze ineens oog in oog met een blonde god. Ze bevroor in het midden van haar beweging en struikelde bijna over haar eigen voeten. Het kon niet waar zijn - ze was gelukkig - en toch was het dat wel. De ridder uit haar vroege gedachten, met rode konen en lange benen, stond gebukt over haar zilveren ros. De gespierde armen, de lach, het was precies zoals ze zich dat ooit had voorgesteld. Haar knieen konden haar niet meer dragen en ze moest gaan zitten. Een filmpje speelde zich voor haar ogen af. Alle mannen - en hoeveel waren het er geweest? ze probeerde te tellen maar was te afgeleid om het vol te kunnen houden tot het eind - in haar leven passeerden haar geestesoog. Ze herinnerde zich alles wat ze sinds die eerste kus had gevoeld en stond versteld van de weg die ze had afgelegd. En nu stond ze totaal onvoorbereid oog in oog met haar Neptunus, de adonis uit haar dromen.
Ze had het al zo vaak gedacht: dit is echte liefde. Nogmaals keek ze in de waterblauwe ogen en ze voelde haar gezicht gloeien. Was wat ze voelde zoveel anders dan wat ze al die andere keren had gevoeld? Niemand wist het, maar de toekomst zou het leren. En er was geen kip, geen gedachte, geen geliefde ver weg, die haar van haar pad zou brengen.
Al jong zag ze mannen die haar interesse wekten. De eerste met wie ze zich inliet was de sportieve Joop. Hun korte nachtelijke omhelzingen vergat ze zodra deze waren afgelopen, want ze viel vooral op zijn bruingebrande hoofd. Maar Joop bleek ook overmatig flatulent en toen de jonge liefde zijn hoogtepunt voorbij was kwam er een andere man in haar leven. De intellectuele Toon had een schitterende bos krullen. Vaak speelde ze stiekem met zijn haar en hij liet haar begaan totdat hij haar ineens besprong. Samen leefden ze van hoogtepunt naar hoogtepunt, totdat de dalen de overhand namen en Goudlokje, heel even maar, weer alleen was. Want kort daarna viel ze voor de charme van een ratelende Amsterdammer. Maar ook op zijn grapjes raakte ze uitgekeken. Op een dag nam ze de trein naar de hoofdstad, maakte een eind aan de verhouding, en pakte de eerste trein terug naar huis.Tijdens die rit kwam ze te zitten tegenover een jongen met een guitige lach. Ze stapten uit bij haar station voor een kop koffie, waarna ze naar haar huis gingen voor meer drank. Het kletsen duurde de hele nacht.
Hij maakte haar aan het lachen en samen beleefden ze avontuur na avontuur. Als ze aan hem dacht voelde ze zich bedwelmd door zijn ontwapenende woorden, die gericht waren aan iedereen en ook aan haar. Op de een of andere manier zag ze zichzelf al met hem, tevreden neergestreken op een boerderij. Hij, romantisch rooiend in een loszittende overall; zij, in de keuken met een grote pan boerensoep. Stiekem genoot ze van die droom, maar telkens als ze hem haar liefde verklaarde antwoordde hij in holle frasen. Ergens begon het gevoel te knagen dat dit het eigenlijk ook niet was. Een paar weken na de breuk zocht ze naar een cd toen iemand ineens een sympathiek hoofd tussen de schijfjes stak. De wetten van aantrekkingskracht deden hun werking en gezellige middagjes uit werden gevolgd door nachten met marshmallows en aardbeienijs. Hij beloofde haar de sterren en ze geloofde het allemaal. Ze wist niet beter of ze was gelukkig.
Het was een regenachtige middag. Goudlokje stond op de boot naar het eiland waar ze tijdens het weekend zou zijn. Diep in haar kraag gedoken dacht ze na over de romantiek in haar leven. Een glimlach speelde rond haar lippen. Het verblijf weg van haar geliefde duurde maar kort en deze dagen wilde ze genieten van de zilte leegte van de lucht. Aan land huurde ze gelijk een fiets. De man van de verhuur liet haar wachten op de assistent die de wielen nog even aandraaide. Huppend van been op been dacht ze aan het gevoel van de frisse wind tegen haar wangen; dat vooruitzicht maakte haar blij. Iemand riep, ze draaide zich om. En daar stond ze ineens oog in oog met een blonde god. Ze bevroor in het midden van haar beweging en struikelde bijna over haar eigen voeten. Het kon niet waar zijn - ze was gelukkig - en toch was het dat wel. De ridder uit haar vroege gedachten, met rode konen en lange benen, stond gebukt over haar zilveren ros. De gespierde armen, de lach, het was precies zoals ze zich dat ooit had voorgesteld. Haar knieen konden haar niet meer dragen en ze moest gaan zitten. Een filmpje speelde zich voor haar ogen af. Alle mannen - en hoeveel waren het er geweest? ze probeerde te tellen maar was te afgeleid om het vol te kunnen houden tot het eind - in haar leven passeerden haar geestesoog. Ze herinnerde zich alles wat ze sinds die eerste kus had gevoeld en stond versteld van de weg die ze had afgelegd. En nu stond ze totaal onvoorbereid oog in oog met haar Neptunus, de adonis uit haar dromen.
Ze had het al zo vaak gedacht: dit is echte liefde. Nogmaals keek ze in de waterblauwe ogen en ze voelde haar gezicht gloeien. Was wat ze voelde zoveel anders dan wat ze al die andere keren had gevoeld? Niemand wist het, maar de toekomst zou het leren. En er was geen kip, geen gedachte, geen geliefde ver weg, die haar van haar pad zou brengen.
De afgelopen week zat ik roodhoofdig verdiept in het boek Brick
Lane. De hartverscheurende verhaallijn van een Bengali meisje dat
ten huwelijk wordt aangeboden aan een man in Londen en vervolgens
een opgesloten leven leidt in een Londense Indiase wijk ging bij
mij toepasselijk genoeg gepaard met grote treinvertragingen.
Gebogen ploegde ik me een weg door het tranendal van de rechteloze
en domgehouden vrouwen. Met elke letter die ik las nam ik me nog
steviger voor de kort geleden uitgebrachte film zo spoedig mogelijk
te zien.
Toen ik later een uurtje overhad besloot ik ondanks eerdere teleurstellende bezoekjes even binnen te lopen bij de Photographer's Gallery. Voor een keer slokte de tentoonstelling mij op. In beeld gebracht waren de vrouwen die meisjes baarden en kinderen voor wie niemand meer zorgde. Schitterende, vreselijke portretten van ernstig staande ogen die getuige waren geweest van verkrachting, marteling en moord, om de misdaad van het moeder worden. Moeder van kinderen die door de vader in de baarmoeder werden gedood of later in hun leven werden verdronken.
Op deze zelfde stralende zondag zaten we twee uur lang met onze nette kleren aan in een kelder van Tamarind. Op aanraden van de ober lieten we ons tasting menu begeleiden door een zijdezachte Pinot Noir. Kikkererwten in gezoete yoghurt, een curry van nieuwe aardappelen en tongstrelende saffraanrijst gaven een sterk contrast met de eerder opgeroepen beelden. Een Michelin ster tegenover bloederige verhalen.
Na afloop moesten alle indrukken van een weekje India er even uit. We lieten ze wegwaaien op een bankje in Hyde Park, in de zon, en met op de achtergrond het geschreeuw van de Speaker's Corner tot we met ons hoofd weer in Londen zaten. Binnenkort maar naar de bios.
Brick Lane: het boek, de film en de huidige wijk in oost-Londen
Photographer's gallery: foto's van Fazal Sheikh
Tamarind: Zondags lunchmenu (nu tijdelijk 2 voor 1)
Toen ik later een uurtje overhad besloot ik ondanks eerdere teleurstellende bezoekjes even binnen te lopen bij de Photographer's Gallery. Voor een keer slokte de tentoonstelling mij op. In beeld gebracht waren de vrouwen die meisjes baarden en kinderen voor wie niemand meer zorgde. Schitterende, vreselijke portretten van ernstig staande ogen die getuige waren geweest van verkrachting, marteling en moord, om de misdaad van het moeder worden. Moeder van kinderen die door de vader in de baarmoeder werden gedood of later in hun leven werden verdronken.
Op deze zelfde stralende zondag zaten we twee uur lang met onze nette kleren aan in een kelder van Tamarind. Op aanraden van de ober lieten we ons tasting menu begeleiden door een zijdezachte Pinot Noir. Kikkererwten in gezoete yoghurt, een curry van nieuwe aardappelen en tongstrelende saffraanrijst gaven een sterk contrast met de eerder opgeroepen beelden. Een Michelin ster tegenover bloederige verhalen.
Na afloop moesten alle indrukken van een weekje India er even uit. We lieten ze wegwaaien op een bankje in Hyde Park, in de zon, en met op de achtergrond het geschreeuw van de Speaker's Corner tot we met ons hoofd weer in Londen zaten. Binnenkort maar naar de bios.
Brick Lane: het boek, de film en de huidige wijk in oost-Londen
Photographer's gallery: foto's van Fazal Sheikh
Tamarind: Zondags lunchmenu (nu tijdelijk 2 voor 1)
Luid gekir klinkt op in ons kantoor. De Essex meiden bespreken de
verrassingen die ze voor hun partners hebben bedacht. Ros, die al
dertig jaar elke avond met haar man in bad gaat, ontdekte de rose
port bij Marks & Spencer, en Elly plant een uitbundig maal. Het
is een márketingstrategie, meiden, zucht ik nogmaals maar het heeft
geen zin. Deze vrouwen, die huilen bij de laatste aflevering van
Mistresses omdat er een einde is gekomen aan hun
dinsdagavondse genot, weten van geen ophouden.
Vorige week zag ik een kaasstal op de boerenmarkt. Ze verkochten prijswinnende oude cheddar, en ik kocht de chili-knoflook variant. Een cadeau voor Bert op een onvoorspelbare dag. De dames hebben het niet meer als ik het ze vertel. Van knoflook ga je stinken, wordt opgemerkt, maar dan stinken we ten minste samen. Of ik al weet wanneer ik ga trouwen, vraagt Ros met een stout gezicht. Ik geef haar het antwoord dat ik haar elke dag geef.
Als een buitenaards wezen houd ik hier mijn dagelijkse campagnes. Ik koop geen kleren in mijn lunchpauzes, ben voorstander van comfortabel schoeisel en ik bezit geen make up. Iemand zonder hangbuik is nog niet superslank, Engelse vrouwen zijn gewoon vet. Maar dat laatste zeg ik niet hardop. Bij het verlaten van het kantoor wordt me op zangerige toon veel romantiek gewenst. Ik ben twintig minuten thuis voordat ik ga sporten en vertel alles aan Bert, die droogjes zegt dat ik vanavond waarschijnlijk tussen de dijen van een ander beland. We lachen allebei hardop en ik vertrek naar de dojo. Dit is iets dat ik de dames maar niet vertel.
Vorige week zag ik een kaasstal op de boerenmarkt. Ze verkochten prijswinnende oude cheddar, en ik kocht de chili-knoflook variant. Een cadeau voor Bert op een onvoorspelbare dag. De dames hebben het niet meer als ik het ze vertel. Van knoflook ga je stinken, wordt opgemerkt, maar dan stinken we ten minste samen. Of ik al weet wanneer ik ga trouwen, vraagt Ros met een stout gezicht. Ik geef haar het antwoord dat ik haar elke dag geef.
Als een buitenaards wezen houd ik hier mijn dagelijkse campagnes. Ik koop geen kleren in mijn lunchpauzes, ben voorstander van comfortabel schoeisel en ik bezit geen make up. Iemand zonder hangbuik is nog niet superslank, Engelse vrouwen zijn gewoon vet. Maar dat laatste zeg ik niet hardop. Bij het verlaten van het kantoor wordt me op zangerige toon veel romantiek gewenst. Ik ben twintig minuten thuis voordat ik ga sporten en vertel alles aan Bert, die droogjes zegt dat ik vanavond waarschijnlijk tussen de dijen van een ander beland. We lachen allebei hardop en ik vertrek naar de dojo. Dit is iets dat ik de dames maar niet vertel.
Lieve Irene,
Je was niet bij me, en toch was je er, ik smste je toen ik de stad voor het eerst weer inreed. Binnen een minuut kreeg ik je reply, uit Utrecht, of New York, wie zal het weten. Sinds die tijd vijf en een half jaar geleden zaten we niet vaak op dezelfde lengte- of breedtegraad, maar voelde ik toch vaak het brandmerk we achter hadden gelaten bij elkaar.
Ik hield mijn hart vast want het gloeide toen ik alles weer zag, de restaurants van Glebe Point Road en de Rocks, hippe tenten in Newtown, toeristisch Darling Harbour, de skyline waar je zo trots op was. Jij dook met mij naar de octopussen in Botany Bay, jij vergezelde mij naar de Fish Market, jij regelde mijn afscheid in Zanzibar. Ik dacht aan je toen mijn voeten de straten hier weer raakten en me brachten naar die campus, langs Ralph met zijn cappucino’s en de cricketvelden waar we keken naar mooie kuiten.
Je weet, ik ben voor altijd met deze aarde verbonden. Voor twee heb ik sushi gegeten en smoothies gedronken, met jou in gedachten liep ik Paddy’s market in en maakte ik een praatje met de Hollandse wierookman, het gaat hem goed. Ook zag ik Ben, hij is dokter in de Blue Mountains en zegt hallo. Op Manly heb ik genoten van de surfers, en in mijn tas draag ik een hapje zand van Bondi en Coogee, voor jou en voor mij.
Irene, die tijd halen we niet meer terug, maar als we ons liedje draaien dan zitten we er weer heel even en proosten we op het leven dat je moet leren te vieren.
Liefs,
Croisabel
Je was niet bij me, en toch was je er, ik smste je toen ik de stad voor het eerst weer inreed. Binnen een minuut kreeg ik je reply, uit Utrecht, of New York, wie zal het weten. Sinds die tijd vijf en een half jaar geleden zaten we niet vaak op dezelfde lengte- of breedtegraad, maar voelde ik toch vaak het brandmerk we achter hadden gelaten bij elkaar.
Ik hield mijn hart vast want het gloeide toen ik alles weer zag, de restaurants van Glebe Point Road en de Rocks, hippe tenten in Newtown, toeristisch Darling Harbour, de skyline waar je zo trots op was. Jij dook met mij naar de octopussen in Botany Bay, jij vergezelde mij naar de Fish Market, jij regelde mijn afscheid in Zanzibar. Ik dacht aan je toen mijn voeten de straten hier weer raakten en me brachten naar die campus, langs Ralph met zijn cappucino’s en de cricketvelden waar we keken naar mooie kuiten.
Je weet, ik ben voor altijd met deze aarde verbonden. Voor twee heb ik sushi gegeten en smoothies gedronken, met jou in gedachten liep ik Paddy’s market in en maakte ik een praatje met de Hollandse wierookman, het gaat hem goed. Ook zag ik Ben, hij is dokter in de Blue Mountains en zegt hallo. Op Manly heb ik genoten van de surfers, en in mijn tas draag ik een hapje zand van Bondi en Coogee, voor jou en voor mij.
Irene, die tijd halen we niet meer terug, maar als we ons liedje draaien dan zitten we er weer heel even en proosten we op het leven dat je moet leren te vieren.
Liefs,
Croisabel

VOLKSKRANTBLOGGERS
In de reeks
zelfinterviews, een

Australie
Engeland Maleisie Nepal Schotland Singapore Tibet Wales


