
Ik wat niet van plan een afscheidsblog te schrijven, omdat ik niet van plan was weg te gaan. Maar eigenlijk kan ik dat net zo goed wel doen. Peter werd geïnspireerd om de knoop toch maar door te hakken door Thera's blogthema, en door Peter werd ik weer geïnspireerd om het toch ook maar te doen.
In feite is het blog voor mij al een tijdje klaar. De lust is me vergaan. Het kost me teveel moeite om tussen de zogenaamd knappe foto's, de prutserige non-poëzie en net niet echt doordachte betogen heen te worstelen, op zoek naar iets wat nog ergens over gaat. En als je dan wat vindt, is de reactiestroom meestal verschrikkelijk.
Het is vloeken in de kerk, maar dat zogezegd gezellige gezeur, de knullige clubjes en de kleuterklas aan treiterige lui die hier rondlopen, het heeft met kwaliteit, volwassenheid of artistiek echt geen reet te maken. En ach, als de kerk in brand staat... wat maakt vloeken dan nog uit. Als de laatste echte kwaliteitsblogger ermee ophoudt, heb ik hier niets meer te zoeken.
Al met al, ik ben weg. Om te reageren hoef ik hier ook niet meer te zijn. En eigenlijk zal ik het ook niet missen. Daarvoor heb ik er al te lang geen plezier meer in. Voor wie nog blijft: Sterkte met het sneue klimaat op het blog.
Biologische importproducten en voedselprijzen
economie,biologisch eten,voedsel,
Bij toeval kregen wij een rekening in handen van een groothandel in biologische producten aan een van hun klanten, een grote keten biologische winkels. Het zal als isolatiemateriaal bij een besteld product. Men was blijkbaar vergeten die papieren door de versnipperaar te halen. Het document toont de prijsopslag tussen de groothandel en de detaillist.
Normaal gesproken kom je er als klant niet zo makkelijk achter hoe groot het prijsverschil is tussen inkoop en verkoop. Dat is natuurlijk vanuit het oogpunt van de winkelhouder logisch, omdat je anders moet uitleggen hoe groot je vaste kosten zijn en waarom je opslag die grootte moet hebben.
Verder toont de lijst een aantal producten, zoals Basmati rijst uit India, en verschillende soorten linzen uit Indonesië, waarbij het mogelijk is de exportprijzen te achterhalen en de prijs van de boer te vinden. En dat geeft wel een bijzonder beeld.
Rijst uit India
Ten eerste is er de Basmati rijst uit India. Dat is een van die producten die je in biologische en niet-biologische variant kan krijgen, waarbij het in feite van dezelfde boer komt, alleen anders verpakt wordt. De boer in India kreeg in 2008, omgerekend, 6 eurocent per kg rijst. De exportprijs in 2009 in 80 cent per kg rijst. De groothandel rekent 3,22 1 kg. De winkel rekent 2,65 per pak van 500 gram, dat komt neer op 5,30 per kg, en dus 65% opslag in de winkel. Er zit een factor 13,3 tussen de prijs die de boer krijgt en wat de exporteur rekent, en een factor 4 tussen de exportprijs en de groothandelprijs.
Natuurlijk moet de rijst tussen boer en exporteur worden verwerkt en verpakt, en tussen exporteur en groothandel vervoerd en zit er nog een importeur tussen, waarvan ik de prijs naar de groothandel niet ken.
Diezelfde Basmati rijst bij de Albert Heijn kost 1,25 per 275 gram, wat neerkomt op 4,45 per kg. Dat is in het totaal een kleinere factor dan de zogenaamd biologische variant, maar nog steeds een behoorlijke opslag.
Linzen uit Indonesië
Een tweede product waarvan ik de prijs kon achterhalen bij de boer waren de rode, en bruine linzen uit Indonesië. De boer in Indonesië krijgt 12 cent per 500 gram rode linzen, en 7 cent per kg bruine linzen. De exportprijs weet ik niet. Maar de groothandel rekent 1,75 voor de rode, en 1,25 voor de bruine, per 500 gram. De detaillist rekent 2,65 en 1,85, respectievelijk. Opslagen van 51, en 48% op de twee soorten linzen. Dezelfde linzen, uit hetzelfde land bij de AH doen 1,09 en 0,98 per 500 gram.
Buitenlandse producten
Zo staat de lijst vol met buitenlandse producten, die komen uit landen waar ze werkelijk geen verschil maken in productiewijze tussen de biologische en niet-biologische producten. De exporteur heeft een mooie showtour voor de controlerende keurmerken. De vele keurmerken voor biologische producten accepteren het verhaal en zijn tevreden. Zo bleek al eens uit een netwerk (denk ik?) reportage.
Deze producten uit verre landen kan je afvragen of je niet wordt bedonderd als je de "biologische" variant koopt. Dan ben je alleen exporteurs, importeurs en groothandels aan het spekken. En met een opslag tussen de 42 en 65% voor de producten in de lijst die wij hebben gevonden, misschien ook de biologische winkelketen. Typische fratsen van grote ketens.
Hoe de prijzen van biologische en standaard groentes en fruit zich verhouden kan ik niet goed nagaan. De Nederlandse groentenveilingen en fruittelers organisaties zijn erg beschermens met hun gegevens. ALleen een geregistreerde fruitteler kan de NFO adviesprijsstelling in pdf ophalen van de website. De veilingen geven geen prijsinformatie over de huidige stand van de groenteprijzen.
Ik zou graag weten wat het verschil is tussen de prijs bij de boer of teler en de prijs bij de groothandel en dan weer het verschil met de supermarkt. Maar dat kan ik dus niet doorzien. Onze voedelmarkt is erg ondoorzichtig. Zoals de Keuringsdienst van Waarden ons elke keer weer laat zien, hebben we weinig weet van hoe ons voedsel gemaakt wordt, waar het vandaan komt, en hoe je wordt beduveld. Het zou leuk zijn als de KvW eens deze "biologische" importeurs, groothandels en detaillisten zou doorlopen.
Totdat er meer duidelijkheid is over de doorlopen trajecten, zou ik adviseren dat wie biologisch wil, liefst lokaal bij een gedreven biologische teler die producten koopt. En de buitenlandse producten gewoon bij de normale supermarkt haalt. Want daar wordt een hoop mee gesjoemeld, als je het mij vraagt.
Duurzame investering; de overheid pakt het verkeerd aan
duurzaam, energie, klimaat, overheidsinvesteringen
Vandaag bericht de Volkskrant dat het kabinet van plan is om een extra heffing op energie in te voeren per 2012. Dat is nodig om voldoende investeringen in duurzame energie veilig te stellen om vóór 2020 de duurzame energie-productie op 20% te krijgen.
Ik heb op zich niet zoveel bezwaar tegen een hogere heffing op energie, met als doel meer alternatief energiecapaciteit te genereren. Echter, de overheid heeft niet zo'n hele goede staat van dienst met specifieke heffingen met een specifiek doel. Accijnzen op brandstof, tabakswaren en alcohol hadden allen tot doel om enerzijds gebruik te ontmoedigen, en anderzijds om de specifieke kosten van het gebruik te compenseren via overheidsinvesteringen. In de praktijk bleven die investeringen altijd op een veel lager pitje dan er middels accijnzen was binnengehaald. Dit had weer tot gevolg dat het actief ontmoedigen van roken, drinken en autorijden nadelig is voor de overheid, omdat ze hun begroting niet meer rond kunnen krijgen als men echt stopt met roken, het drinken matigt en zo veel mogelijk met openbaar vervoer gaat reizen.
Ook heeft de overheid niet zo'n goede staat van dienst met investeringen. Zo hebben we investeringen als de Betuwelijn, de HSL, de Amsterdamse metro. Allemaal overheidsprojecten met investeringen waar eerst de overhead groot was door alle besluitcommissies en ambtelijke onderzoeken die moeten worden gefinancierd. En vervolgens toch doorgedrukt onder noemer van lagere investeringen, die weer hoger uitpakken. Feitelijk bekeken was de Betuwelijn een slechte investering, en dat was, blijkens de parlementaire enquete, ook al bekend vóórdat de eerste schop de grond in ging. Bij de HSL was het vooraf al onduidelijk of de aansluiting gemaakt zou worden en eveneens was duidelijk dat ons beveiligingssysteem onvoldoende was om echt HSL te laten rijden op dat traject. En toch werd de investering gedaan.
Dan hebben we nu nog zo'n groot overheidsproject, de JSF, waar de overheid vooraf gewaarschuwd was dat het JSF-project als riskante investering gezien moest worden. De overheid was daarbij vooral afhankelijk van inkomen van deelname door Nederlandse bedrijven, die dit lieten afweten. Ook dat had men vooraf kunnen weten, als de overheid het aan de bedrijven had gevraagd. Na de eerste deelname periode en het eerste vroege beslismoment waren er al de berichten dat de JSF ook binnen de VS-defensie niet als de beste nieuwe straaljager werd gezien. Concurrerende bedrijven in Europa waren ook al bezig met twee andere straaljagers die mogelijk beter zouden passen. Toch heeft de overheid het prestigieuze JSF-project nog altijd op de rol staan en is men nog altijd voornemens die dingen ook werkelijk te kopen, terwijl zelfs de VS lijkt te twijfelen of ze deze nieuwe straaljager wel als de enige vervanger van de eigen F16 en F18 jagers wil inzetten.
Mijn zorg over de overheidsinvesteringen wordt versterkt door melding in het bericht dat de overheid meent de investering in te moeten zetten voor windmolens op zee. Nu zijn ze al van plan om 4.5 miljard te investeren aan molens op zee, maar dat is niet genoeg om de 2020 doelstelling te halen, dus moet daar nog 20 miljard bij. Maar zoals het ECN al eens voorrekende, zijn windmolens op zee de duurste vorm van energie die we in Nederland kennen. Van de duurzame bronnen zijn windmolens op land de goedkoopste investering per kWh opbrengst. Niet alleen de initiële investering is hoger bij windmolens op zee, ook het onderhoud en de operationele kosten zijn vele malen hoger. Als we een kWh prijs van nu nemen, levert wind op land gemiddeld tegen 8 cent per kWh, en op zee voor gemiddeld 13 cent per kWh. Dat betekent dat waar je op zee 24.5 miljard nodig hebt om de 2020 doelstelling te halen, je met windenergie op land slechts 15 miljard nodig hebt om dezelfde doesltelling te halen.
De overheid toont zich weer eens onbetrouwbaar in haar besluitvorming. Ik denk dat het besluit tot windenergie op zee vooral wordt ingegeven door de angst voor de mensen die geen windmolens op land willen, wegens horizonvervuiling. OP zee staan ze mooi uit zicht en wordt er niet zo geklaagd. Hoewel je natuurlijk best bedenkingen kan hebben bij windmolens, omdat de plaatsing ervan een zekere invloed heeft op de omgeving, bijvoorbeeld voor vogels. Belangrijke vogel-gebieden moeten dan ook ruim ontzien worden, zo betoogde de vogelbescherming al eens. Ook vraag ik me af of een eenzijdige keuze voor windenergie nu de beste is. Een splitsing in wind, water en zon gedreven energie lijkt mij veel verstandiger. In de riviermonding, waar zoet en zout water mengen is uit die menging energie te winnen. Dat levert energie die zal variëren met de grootte van de waterstroom in de rivier. Dan heb je windmolens om bij harde wind te pieken in energielevering. En tot slot zonne-energie die zelfs op een bewolkte dag energie kan leveren, maar zal pieken op de zonnige momenten.
Daarnaast zal er geinvesteerd moeten worden in een beter flexibel energienet, ook dat is op een gegeven moment nodig, als we meer en meer gaan inzetten op duurzame energie. Het lijkt mij beter om nú het netwerk te beginnen aanleggen, dan later. Gezien we met een betere energiemix op land zo'n 9 miljard kunnen besparen om de 2020 doelstelling te halen, hebben we alvast 9 miljard om in flexibel netwerk, met tijdelijke opslag mogelijkheden te investeren. Lijkt mij een mooie start.
Elektrische auto ; stand van zaken
elektrische auto, duurzaamheid, klimaat, milieu, techniek, wetenschap
Een aantal jaar geleden werd al een claim neergelegd dat er een elektrische auto zou bestaan die wel 500 km actieradius had, in 10 minuten thuis aan een stekkertje op te laden voor slechts 1 euro aan stroom. De ontwikkeling en release van deze auto zou zijn gesaboteerd door de olie industrie en haar machtige Amerikaanse lobby.
Theorie
In een eerder blog over vliegende auto’s heb ik al eens wat voorgerekend over de hoeveelheid energie die je nodig hebt om een auto voort te bewegen. Daarin had ik een redelijk normale auto genomen, de Citroën C3 Picasso met een ledig gewicht van 1234 kg.
Ik haal de berekening van daar er nog even bij.
“Om een idee te geven, een Citroën C3 Picasso weegt 1234 kg, heeft een frontaal oppervlak van 1,94 m2. De hoeveelheid arbeid die verricht moet worden bij gewoon rijden op de weg, bij een constante snelheid van 100 km/h moet voldoende zijn om over een afstand van 100 km de weerstandskrachten tegen te gaan. De rolconstante voor deze auto weet ik niet, maar gemiddeld zitten auto's rond de 0,015.
Frol= 0,015 x 9,81 (zwaartekracht) x 1234 (gewicht auto) = 181,6 N
Flucht = 0,5 x 0,60 (een auto-afhankelijke constante, wederom gemiddelde genomen) x 1,27 (luchtconstante bij 1 atmosfeer druk, 50% luchtvochtigheid en 20 graden celcius) x 1,94 (frontaal oppervlak) x 27,82 (100 km/u omgerekend naar m/s) = 570,2 N
De arbeid W = F (kracht) x d (afgelegde afstand)
Voor 100 km met 100 km/u : 75 MJ (de Citroen C3 heeft daarvoor
6.1 L bezine nodig, verbrandingswaarde 195 MJ = rendement
38%).”
Je hebt dus ongeveer 75 MJ (~21 kWh) energie nodig om een Citroën C3 100 km te verplaatsen, dat is 210 Wh/km. Stel dat je een elektrische auto zou maken met een goede stroomlijn en slechts 500 kg gewicht.
Dan heb je nog altijd:
Frol = 0,012 x 9.81 x 500 = 58,9 N
Flucht = 0,5 x 0,50 x 1,27 x 1,50 x 28,72 = 368,1 N
W = 426,9 x 100000m = 42,6 MJ
Ik heb hier expres een rolconstante en een luchtweerstandsconstante genomen die aan de lage kant liggen voor auto’s, om geen te grote schatting te maken van de benodigde energie voor een elektrische auto. We hebben het hier dus over een “gunstigste geval” berekening, waarbij we ook het frontoppervlak van de auto met 1,5 m2 klein hebben genomen.
Nu hebben we dus minimaal 42,6 MJ (11,8 kWh) nodig om die auto 100 km te verplaatsen (dus 118 Wh/km). Dat betekent dat 500 km 59,2 kWh energie behoeft. Als je dat in 10 minuten wil leveren, moet je een vermogen van 355,2 kW leveren gedurende die 10 minuten, waarbij we er in het voordeel van deze claim maar even vanuit gaan dat er geen enkel verlies plaatsvindt bij de energieoverdracht en het transport door de kabel. Dit vermogen betekent bij 230 volt netspanning dat je een stroomsterkte van 1544 Ampère nodig hebt.
Een normaal huishouden heeft 3 of 4 x 16 Ampère stoppen en sommige huishoudens hebben 4 x 25 Ampère stoppen. Bij dit vermogen heb je 100 stoppen van 16 ampère nodig om dit bij netspanning te kunnen leveren. De claim dat het met een normaal stekkertje zou kunnen in 10 minuten lijkt mij dus zwaar overdreven. En ook de kosten van 59,2 kWh stroom, bij een prijs van 18 cent per kWh is 10,60 voor die 500 km, en niet 1 euro. Ook dat klopte al niet. Maar met 2,1 cent per kilometer aan stroom zou een elektrisch autootje best aantrekkelijk kunnen zijn.
MIT model voor elektrische auto.
De realiteit
In de realiteit zijn elektrische auto’s nog niet in staat om in 10 minuten thuis op te laden. Je kan meestal in 15 minuten opladen, maar je hebt wel een speciaal laadpunt nodig, omdat de laadvermogens variëren van 30 tot 300 kW. De actieradius van de huidige elektrische auto’s is meestal tussen de 100 en 300 km op een volle lading. De autootjes zijn doorgaans klein en licht. Eerder een kleine Smart, dan een Citroën C3 formaat. De normalere formaat auto’s hebben een actieradius die klein is, of een hoog vermogen nodig. Het verbruik van de auto’s varieert sterk. Dat begint op 60-100 Wh/km (1,4 cent per km) voor de hele kleintjes, doorgaan eenpersoons stadsautootjes, of de race-auto modellen. De modus ligt rond de 140 Wh/km (2.1 cent per km) voor de kleine personenautootjes en gaat uiteindelijk tot 200- 250 Wh/km (4,0 cent per km) voor de normale formaat auto’s (maatje Citroën C3).
Intussen is ook MIT bezig met een elektrische auto die in 10 minuten moet kunnen opladen met een actieradius van zeker 320 km. Het opladen van de auto kost wel 350 kW vermogen, en kan dus niet thuis, volgens het persbericht. Dat moet op een speciaal oplaadpunt. Dat betekent 58,1 kWh voor 320 km en dat is 182 Wh/km, wat overeenkomt met 3,3 cent per kilometer. Een nadeel is wel dat de speciale accu die nodig is om deze stroomwissel te kunnen trekken zo’n 80.000 dollar moet kosten.
Dit is meteen een van de nadelen van de auto’s op elektriciteit. Ze zijn vaak erg duur, vooral door de accu. Dit type accu is ook nog redelijk recent ontwikkeld en het is dus onbekend wat de precieze gemiddelde levensduur zal zijn.
Het lijkt mij vooral dat er voor de elektrische auto ten eerste één standaard moet komen voor de aansluiting op een oplaadpunt. Dan kunnen alle elektrische auto’s met hetzelfde laad-formaat worden uitgerust. Zo kunnen pomphouders hun vaste oplaadpunten gaan neerzetten voor elektrische auto’s. Misschien moeten er wel oplaadpunten komen bij werkgevers en op veel plaatsen in de woonwijken, wellicht standaard bij elke woning. Want een tankbeurt van 10-15 minuten is nog altijd 5-7 keer zo lang als een normale tankbeurt met benzine, diesel of LPG en daarmee toch een obstakel voor de gemiddelde rijder.
Maar mits een paar punten goed worden opgepikt moet elektrisch rijden toch een toekomst kunnen hebben. Zeker in een land als Nederland, met relatief korte afstanden. De vragen die nog wel open blijven staan zijn die rond de levensduur van de accu, en de milieubelasting van het maken van de accu en de bijzondere elektronica die de auto nodig heeft, ten opzichte van een standaard auto. Daarbij blijft nog het punt dat een elektrische auto stroom van ons net gebruikt, wat ook niet volledig schoon geproduceerd wordt. Ik denk dat de transport en overdrachtsverliezen bij het opladen, samen met het kleine formaat van de auto’s, nog wel een zouden kunnen zorgen dat de elektrische auto netto nog meer vervuilend uitpakt dan een auto met verbrandingsmotor.
De Hond peilt : Wie moet premier worden
peilingen,maurice de hond,premier,politiek,
Ik las vanavond op nu.nl dat Maurice de Hond heeft gepeild wie er Premier zou moeten worden bij eerstvolgende verkiezingen. Dit naar aanleiding van de uitspraak van Alexander Pechtold dat hij bij grote winst bij de verkiezingen gewoon als fractieleider in de tweede kamer zal blijven. Ik vond het resultaat van de peiling echter wel wat verassend, vandaar dat ik maar eens bij de bron ben gaan kijken.
De verassing zat hem vooral in het feit dat Job Cohen als meest gewilde Premier uit de bus kwam. Ik heb nu niet de indruk dat Job Cohen echt heel erg populair is. Noch had ik de indruk dat hij als kandidaat te boek stond, mocht de PvdA tegen alle verwachtingen in goed presteren bij de eerstvolgende verkiezingen. Wat in het bericht van nu.nl al meteen opviel was dat Job Cohen maar 14% van de stemmen had, en Neelie Kroes (VVD) kwam ook op dat aantal, echter pas na afronden. Nu wil ik wel kwijt dat bij de bron blijkt dat die afronding nu niet heel erg nauwkeurig gaat bij De Hond. Het viel mij bij een kort kolommetje op dat het cumulatief, slordig, niet op 100% uitkwam, maar op 99%. Uit nieuwsgierigheid willekeurig 15 kolommetjes gecontroleerd en er kwamen er 6 uit op 101% en 9 op 99%, welgeteld 0 kwamen er precies uit op het correcte cumulatief.
Verder valt ook op dat Maurice in totaal 17 kandidaten als mogelijke keuze aanlevert. Er zijn voor de partijen VVD, PvdA, CDA en D66 ieder 4, en dan voor de PVV nog ééntje, Geert Wilders natuurlijk. Die keuze voor één PVV kandidaat lijkt me wel te verdedigen, als de PVV de grootste wordt en de regering vormt, dan zal inderdaad Geert Wilders Premier worden. Maar waarom 4 kandidaten van ieder van die andere vier partijen? Als wee kijken naar de grootste 5 partijen op basis van de huidige zetelverdeling (verkiezing 2006) dan hebben we CDA op 41, gevolgd door PvdA met 33, als derde partij SP met 25 en als vierde VVD met 22, daarna PVV met 9. De partij van Alexander Pechtold heeft er dan maar 3, maar wordt wel met 4 prominenten gepeild.
Als we kijken naar de peiling van De Hond zien we dat we nu een stand hebben van PVV 28, CDA en D66 ieder op 26, VVD 16 en dan gedeeld SP en PvdA op 14 als nummers 5 en 6. Groen Links heeft er als 7e partij 13, maar die heeft in de regeerperiode altijd veel meer in de peilingen en haalt bij de verkiezingen altijd tussen de 5 en 8 zetels, als ik me niet vergis. Maar waarom wordt de SP niet meegenomen met Premierskandidaten? Staat net als de PvdA op 14 zetels in de peiling, en is nu maar liefst derde partij in de tweede kamer. Volgens het nu.nl bericht is de SP niet meegenomen omdat de kans te klein zou zijn dat de SP een premier mag leveren. Maar dat vraag ik me af.
De SP heeft weliswaar veel verloren sinds Agnes Kant het roer heeft overgenomen. Maar als goede oude Jan zich kandidaat zou stellen voor Premier, durf ik niet te voorspellen wat er gaat gebeuren. Zeker als PVV groot wordt, of zelfs de grootste, zie ik nog wel gebeuren dat de andere partijen samenwerking weigeren als SP dan tweede partij weet te worden, mag het gewoon Jan als premier leveren. Ik denk eerder dat de PvdA kansloos is een premier te leveren, de partij staat er slecht voor, doet het in de media niet goed en hebben een interne crisis als zwaard van Damocles boven het hoofd hangen. Want, laat de partij Mariëtte Hamer zitten, of niet? Hoe populair is Wouter Bos nog, nadat de eerste dappere reddingsacties zijn weggeëbt en we alleen nog maar weten hoe er verder niets uit dit kabinet kwam om tijdens déze regeerperiode de crisis het hoofd te bieden? Wouter Windvaan is een bijnaam die net iets teveel blijft kleven nog.
En hoe groot is de kans dat VVD een premier gaat leveren? Mark Rutte weet nu niet echt sterk naar voren te komen. Het zijn andere oppositieleden die de show stelen. Vooral Wilders natuurlijk, daar is hij goed in, theater maken. En ook Alexander Pechtold weet op zijn manier een showtje op te voeren waar men warm van loopt. Dat hij niet hoog scoort als premierskandidaat in de peiling (9%, 6e plek) kan ook komen doordat hij al heeft laten weten dat hij dat sowieso niet wordt.
Wat mij tot slot nog opvalt, is dat de meerderheid van de PVV-kiezers van nu (60%) bijvoorbeeld vindt, dat als de partijleider Premier zou worden, hij het partijleiderschap moet opgeven. Dat betekent dat als de PVV de grootste wordt Geert Wilders Premier moet worden (77% van zijn huidige achterban wil dat), en hij moet partijleiderschap overdragen aan een ander. Ik vraag me af of Geert Wilders dàt dan wel van plan is.
Dan zijn er nog de vragen over hoe betrouwbaar zo'n De Hond peiling wel is. Want hij kan blijkbaar niet afronden (zie eerder commentaar), hij stelt bizarre vragen, en sluit op bizarre gronden partijen uit. Hoe kan je een resultaat uit deze peiling nu serieus nemen. Maar goed, ik heb het niet zo op peilingen, en al helemaal niet als er geen sprake is van verkiezingen, en zéker niet als De Hond de peilingen uitvoert. Maurice de Hond is een vervelend en arrogant mannetje dat zijn iets te grote neus, net iets te graag op betweterige wijze in andermans zaken steekt. En daar verdient hij dan in de regel ook nog aan.
Duurzame energie ; kosten en toekomst
duurzame energie, zonne-energie, kolencentrale, essent, nuon, eneco, politiek
In een vorig blog ontstond een interessante discussie rondom de energiemarkt, met in het bijzonder zonne-energie, tegenover kolencentrales. Dit was reden om eens de gehele energiemarkt in Nederland de bekijken, om te zien of groene investeringen wellicht te bevorderen zijn.
Energieprijzen
Eerst moeten we eens kijken naar de energieprijzen. Wat rekenen de verschillende leveranciers nu precies, en hoe verhoudt dat zich tot elkaar. Met de liberalisering van de markt is het niet eenvoudiger geworden. Voorheen had je keus tussen normaal en groen. En dan binnen ieder voor enkel, dan wel dubbel tarief. Tegenwoordig mag je ook nog kiezen voor flexibel, kort vast, of lang vast (net als de rente op een hypotheek). Het is voor de consument een soort speculeren op de complexe energiemarkt. Want zet je het 5 jaar vast voor een bepaalde prijs, en daalt de prijs, zit je gewoon hoge prijs te betalen, terwijl de flexibelen lekker laag zitten. Maar goed.
Essent is relatief overzichtelijk (let op het woordje relatief). Groen kost net zoveel als gewone stroom. Je kan wel speculeren met de prijs, maar beperkt in mogelijkheid. Laten we gewoon het NU geldende tarief nemen. Dat is 10,60 cent per kWh (incl. BTW) in de enkelstroom meter. Per kWh rekent de overheid 12,91 cent energiebelasting Dat is het eenvoudigste te vergelijken. Dat is dus exclusief BTW 8,91 cent per kWh. Daarnaast betaal je een vastrecht, tenzij je een speciaal abonnement neemt zonder vastrecht, maar hogere kWh prijs. Ik laat voor deze vergelijking het vastrecht maar even buiten beschouwing. Dat is namelijk weer zo’n speculatie element geworden. Ga je voor laag gebruik zonder vastrecht, middel, met middelhoog vastrecht, of hoog met veel vastrecht. Dat is dan weer wel ondoorzichtig, maar eenvoudig vergeleken met de Eneco.
De Eneco haalt rekent 8,45 cent ex. BTW per kWh, voor een vergelijkbaar product als dat van Essent.
Nuon is wat moeilijk vergelijken, omdat ze daar blijkbaar alleen met vastgezette prijzen van 1 t/m 5 jaar gaan. Ik kies hier voor het laagste bedrag, vastzetten voor één jaar. Dat is 8,54 cent per kWh, ex. BTW.
Nu moet wel opgemerkt worden dat je bij Eneco en Nuon voor groene stroom meer betaalt, terwijl dat bij Essent niet zo is. Bij Essent betaalt in feite iedereen mee aan de duurzame bronnen die ze gebruiken.
Ik denk dat het veilig is te zeggen dat de minimumprijs voor stroom wel op de 8,25 cent per kWh (ex. BTW) ligt in de huidige markt.
Kosten per kWh
De kostprijs van energie is erg lastig te vinden. In een ECN rapport uit 2008 zetten ze een aantal dingen op een rijtje. De grafiek toont de kosten per kWh inclusief alle investeringen en CO2 belastingen. Dat is dus inclusief afschrijvingen van de investering en rentelasten over de investering. Maar ook brandstofkosten, onderhoudskosten en overige operationele kosten van de centrale. Dan zien we dat met kW capaciteit de duurzame opties een lage investeringsprijs hebben, maar nog steeds hoog uitpakken door de operationele kosten. Het zou leuk zijn als we ergens een rapport konden vinden met alle kosten uitgesplitst, dan kan je zien waar het makkelijkst te winnen is per technologie. We zien dan dat de kosten variëren tussen de 4 en 13 cent per kWh om op te wekken. Waarbij 4 cent de laagste raming voor kernenergie is, en 13 cent de hoogste voor windenergie op zee.
Bij de kostprijs raming voor de nieuwe Essent centrale op poederkool (investering 1 miljard euro) die in 2013 operationeel moet zijn, rekenen ze op een prijsstijging van steenkool tussen de 60 en 115% ten opzichte van nu naar 2013 toe. Dat zou betekenen een kostprijs die van gemiddeld 7 cent per kWh zou kunnen stijgen tot 10 cent per kWh. (Huidige prijs kosten de kolen slechts ongeveer 1 cent per kWh).
Grote ontbrekende techniek is de zonne-energie. Het is ook onmogelijk om eigenlijk de operationele kosten in te schatten voor een zonne-centrale, omdat er nog geen echte CBS of ECN rapporten naar bestaande centrales liggen. Wat ik wel kan geven zijn de investeringskosten voor een grote centrale die ze in een woestijn in China gaan bouwen. Kosten 777 miljoen, met een verwachte gemiddelde productie van 1300 miljoen kWh (=1300 GWh) per jaar. Als je die kosten dan afschrijft in de 15 jaar dat de centrale minimaal zou moeten werken, kom je op 3,97 cent per kWh aan afschrijvingen. Met een rentestand van 5% komt de rentelast per kWh op 0,53 cent, als ik het goed heb. Dat betekent dat de exploitatie en onderhoudskosten samen 2,75 cent per kWh mogen kosten, om nog 1,00 cent winst te maken bij een leveringsprijs van 8,25 cent per kWh. Dat levert een respectabele 12,1% rendement op de investering op. Als de minimale leveringsprijs van kolen inderdaad zou stijgen tot 10,25 cent per kWh, heb je voor deze zonnecentrale ineens een veel grotere marge in de exploitatiekosten. Maar laten we voorlopig rekenen met de 8,25 die nu gelig is. Al moeten we natuurlijk de 10,25 optie voor toekomstige prijzen niet vergeten.
We moeten ons ook realiseren dat de windmolens uit het ECN rapport ook al veelal onder de 10,25 per kWh zitten, en potentieel al zelfs onder de 8,25 cent per kWh, inclusief exploitatiekosten. Het gemiddelde ligt op 8,00 cent, wat nog altijd aan de hoge kant is op de huidige markt. Maar dat is al veel beter dan de situatie 10 jaar geleden, waarbij zelfs gesubsidieerd de windmolens nog altijd niet op break-even konden komen. Dat halen ze nu dus wel.
Overige kosten
Naast de leveringsprijs van elektriciteit betaal je ook nog voor transport over de netwerken en energiebelasting. Op die energiebelasting kom ik later nog terug. Het transport werd tot 31-12-2008 anders berekend dan nu. Toen had je een vast bedrag per jaar voor de aansluiting, en dan een tarief variërend tussen de 1,97 en 3,72 cent per kWh die geleverd werd. Dat is nu een vast bedrag naar capaciteitsgroep geworden. Huishoudens zitten standaard in capaciteitsgroep <3x 25 A. En die groep betaalt een vast bedrag van 116 euro per jaar in Groningen. Het tarief verschilt per regio, doordat het aanleggen en onderhouden van de netwerken verschilt per grondsoort en grootte van de capaciteit. In Groningen en Zeeland is de grond stug, maar er hoeft ook minder kabel te liggen, doordat er minder mensen wonen. Noord-Brabant is goed af, gemiddelde bevolkingsdruk met veel makkelijke zandgrond.
Het vreemde aan de nieuwe regeling is, dat je als kleinverbruiker net zoveel transportkosten betaalt als iemand die gemiddeld gebruikt (3500 kWh per jaar is gemiddeld voor een huishouden).
Als je met de 116 euro per jaar rekent, betaal je 3,30 cent per kWh, gemiddeld genomen. Dat is al inclusief BTW.
Energiebelasting.
De energiebelasting zit heel vreemd in elkaar. Je betaalt over de eerste 10.000 kWh per jaar 12,91 cent energiebelasting. Maar krijgt 379 euro per jaar aan korting van de overheid. Deze teruggave betekent dat je feitelijk dat je de eerste 2935 kWh per jaar geen belasting betaalt. Met een gemiddeld verbruik van 3500 kWh betaal je dus eigenlijk 72,85 per jaar aan energiebelasting. Wat op hetzelfde neerkomt als 2,08 cent per kWh.
Eigenlijk zou de overheid moeten rekenen met 2,08 cent energiebelasting per kWh stroom. Of liever 3,00 cent per kWh voor gewone stroom, en een gereduceerd tarief voor duurzaam opgewekte stroom. Een deel van de energiebelasting is namelijk bestemd voor investeringen in duurzame energie, opvangen van kosten van vervuiling en CO2 reductie projecten.
Dit verschil per kWh maakt dat duurzaam sneller kan concurreren met traditionele stroom dan nu het geval is. Het maakt ook de markt overzichtelijker, doordat je niet met die rare belastingconstructie van boven de 2935 kWh per jaar zit.
Duurzame energiemarkt
De huidige duurzame energiemarkt levert nog maar een klein deel van alle energie. De grootste bron van duurzame energie is de windenergie in Nederland. Volgens het CBS was ons elektriciteitsverbruik in 2008 123.508 GWh aan stroom, daarvan werd 3660 GWh door de windmolens opgewekt. Die draaiden daarbij over het jaar op gemiddeld 23,7% van hun maximale capaciteit. Dat is een redelijk normaal gemiddelde, als ik de andere jaren vanaf 2000 bekijk op de website van het CBS. Volgens de CBS levert waterkracht in Nederland 103 GWh per jaar, en zonne-energie 152 GWh per jaar (verdeling op basis van opwekkingspercentages uit rapport 2003, misschien niet meer actueel).
Als de overheid overigens over die 123.509 miljoen kWh 2,08 cent per kWh belasting zou heffen, gaat het om een totaal bedrag van 2.5 miljard inkomsten per jaar. Maar dat zal niet zo werken, meer dan de helft van de stroom wordt door grootverbruikers (bedrijven, industrie) gebruikt, en die betalen voor alles boven de 10.000 kWh per jaar een lagere belasting.
Als je nu de belasting vastzet op 3 cent per kWh, standaard, maar duurzame energie met slechts 1 cent per kWh belast, is dit een goede stimulans voor bedrijven om duurzaam opgewekte energie in te kopen. Of zelfs de belasting geheel te ontduiken door zelf panelen of windmolens te plaatsen. Daarover wordt namelijk helemaal géén energiebelasting geheven.
Conclusie
Uit dit uitzoekklusje, naar aanleiding van het vorige blog, moet ik concluderen dat de energiemarkt vanaf begin 2008 een stuk complexer is geworden. Waar je voorheen een beperkt aantal aanbieders had, is er nu een explosie aan aanbieders. En die aanbieders hebben niet langer 2 a 3 producten om uit te kiezen, maar soms zelfs wel meer dan 10 verschillende pakketten.
De commerciële prijzen van energie, 8,25 per kWh zijn op dit moment al dermate hoog dat de modernste duurzame energie ermee lijkt te kunnen meekomen. Windenergie zit op het randje van rendabiliteit. Zonne-energie is nog lastig in te schatten, vooral omdat er nu een aantal nieuwe commerciële technieken zijn. Eentje ervan is de CIGS cellen, een complexe legering. Ik moet zeggen, dat hoewel ik er eerst nog niet in geloofde, het nu lijkt dat je die prima kan inzetten om in 15 jaar tijd een aardig rendement te halen, vergelijkbaar met de investering in een kolencentrale.
Desondanks denk ik dat de “vierde generatie” zonnecellen technologie de CIGS tussen nu en 10 jaar gaat inhalen en daarmee de CIGS uit de markt prijzen. Diezelfde technologieën zullen dus ook de kolencentrales uit de markt prijzen. Helemaal als de kosten gaan stijgen tot het hoogst geraamde scenario van 10 cent per kWh in 2013. Met de koppeling van fossiele brandstoffen zal aardgas (iets goedkoper dan kolen) het ook niet redden.
Als er in windenergieland niets meer verandert in de technologie, kan met de prijsstijging van kolen al in 2013 geconcurreerd worden. Verbeteringen in de techniek van windturbines hoeft maar te leiden tot een prijsdaling van 10%-20% in opwekkingskosten om op een vergelijkbaar niveau te komen als een kolencentrale. Geheel tegen mijn verwachtingen in, overigens.
Dat betekent in feite dat de geplande kolencentrales, zoals de mafkezen van Greenpeace al zeiden, slechte investeringen zijn. Ik had niet gedacht dat ik het zou zeggen, maar Greenpeace lijkt dit maal gelijk te hebben.
Ontwikkelingen in zonne energie (en windenergie)
wetenschap, zonne energie, duurzaam, klimaat, wind energie
Door klimaatverandering en het besef dat fossiele brandstoffen eindig zijn, is door een combinatie van idealisme en voorzienigheid al jaren een zoektocht naar alternatieve bronnen van energie. Pierra schreef of basis van een PNAS artikel al over windenergie en “blue energy” waarbij het verschil in zoutconcentratie tussen de zee en de rivieren gebruikt kunnen worden om elektriciteit op te wekken.
Zonne-energie is een beetje een ondergeschoven kindje, lijkt het soms. Hoewel de grootste budgetten voor onderzoek naar duurzame technologie naar de zonne-sector gaan. Hoewel we niet moeten vergeten dat er ook op het design van windmolens wat verbeteringen bestaan. Een nieuwe generatie molens wordt een verticale kolom met spiraalvormige bladen, die vanuit elke richting the wind vangen. Een belangrijk nadeel van deze verticale molens is dat de wieken in feite op de generator staan. Elk onderhoud aan de onderliggende onderdelen betekent dat de hele molen gedemonteerd moet worden. Daardoor zullen deze molens in grootte beperkt zijn. De Turby is een goed voorbeeld van een kleine molen die goed werkt. Een ander nadeel is dat je minder efficiënt wind kan omzetten in energie, doordat de weerstand van de verticale kolommen altijd relatief hoger zijn dan van de traditionele horizontale molen. Maar deze type van kleinere verticale molens zijn uitermate geschikt voor regio’s waar veel turbulentie is, zoals traditioneel in stadse omgeving.
In de horizontale molendesigns is ook ontwikkeling. Een heel interessante is hier te zien.
Zo zien de meeste groen-energie adepten niet veel in de zonnecellen. Ze zouden niet geschikt zijn voor Nederland, omdat er te weinig zon is. Voor de eerste generatie silicium zonnecellen is dat wellicht waar. Maar die tijd zijn we al voorbij.
Werking zonne-collector.
Hoe een zonnecel werkt is het makkelijkste uit te leggen aan de hand van de ouderwetse silicium cellen. Een silicium atoom heeft 14 elektronen, daarvan zitten er 10 in de eerste twee “schillen”, daar heb je niets aan. De overige vier zitten in de derde schil. De derde elektronenschil heeft ruimte voor 8 elektronen. Atomen proberen altijd hun hoogste gevulde schil helemaal vol te krijgen. Daardoor delen ze elektronen met buren. In een silicium kristal delen de silicium atomen elektronen met 4 buren, zo heeft iedereen nog steeds 4 elektronen in de buitenste schil, maar doordat ze die delen lijkt het voor iedere schil alsof ze er 8 hebben en dus vol zitten. Het is een soort armen in elkaar haken, maar dan met 4 armen per atoom. Nu is in een perfect kristal alles in orde, dat maakt perfect silicium erg ongeschikt als geleider. Voor een zonnecel heb je een halfgeleider nodig, daartoe zitten er in de siliciumlaag van de zonnecel onzuiverheden. Andere atomen die de boel een klein beetje verstoren. Zeg dat je per miljoen silicium atomen een paar fosfor atomen inbouwt. Fosfor heeft 5 elektronen in de buitenste schil. De fosfor haakt ook nog in bij de buren, maar heeft met 4 keer inhaken nog één elektron over. Dat is een vrij elektron, behalve dan dat de kern van het fosforatoom het elektron aan de ketting heeft liggen.
Als er energie op de onzuivere silicium valt, in de vorm van warmte of licht, kan een elektron losslaan van die ketting, en een gat achterlaten. Dan gaat zo’n elektron aan de wandel door het kristal, totdat het uit een soort heimwee in een leeg gat valt, dat door een ander elektron is achtergelaten. In zuiver silicium kristallen kan dit ook wel, maar die elektronen zitten, doordat ze perfect gepaard zitten, veel strakker vast, en kost veel meer energie om los te slaan. Die overgebleven fosfor elektronen gaan al los bij energie die je makkelijk uit één foton kan opnemen. Nu hebben we één deel van de zonnecel, de kant die negatief geladen wordt, de N-type kristal genoemd. Je hebt voor een goede cel ook een tegenpool nodig, waar je het zuivere siliciumkristal verstoort met boor. Boor is een element met maar 3 elektronen in de buitenste schil, en die laat dus vanzelf al gaten over voor elektronen, het p-type kristal genoemd.
Het kost meer energie om elektronen uit een p-type los te slaan, omdat er al zoveel gaten zijn. Die elektronen zijn dan ook nooit lang los. Maar als je een n-type, met veel makkelijk te bevrijden elektronen vastplakt aan een p-type met veel gaten erin, krijg je een interessante wisselwerking. Je n-type maakt onder invloed van licht heel veel elektronen vrij, die niet makkelijk een prettig plekje terugvinden in het n-type kristal, en die vinden allemaal gaten bij het p-type kristal.
Nu willen de N-type elektronen graag naar de gaten van de P-type silicium, maar dat gaat niet zomaar, want het N-type silicium heeft extra protonen die de elektronen vasthouden en de P-type heeft te weinig protonen om de elektronen gebonden te houden. Maar op het raakvlak (junction) van de twee kristallen krijg je een barrière van aan de ene kant negatieve ladingen, en aan de andere kant positieve ladingen. Je krijgt dus een elektrisch veld tussen te twee kristal lagen. Het elektrische veld werkt nu als een diode, waardoor elektronen van de P-kant naar de N-kant kunnen bewegen, maar niet terug. Als er nu fotonen op deze laag vallen en een elektron vrij maken dicht genoeg bij de “junction” maakt dit dat het elektron via een circuit dat je tussen de twee kristallen aanlegt, door een draad gaat migreren naar het gat in de P-kant. Daardoor krijg je dus een stroom, die “werk” voor je kan doen. Zoals een lampje laten branden.
Beperkingen in efficiëntie
Nu zijn er in een zonnecel een aantal beperkingen aan de efficiëntie. Om een elektron los te slaan in kristallijn silicium heb je een bepaalde hoeveelheid energie nodig, nl. 1.1 elektronVolt (eV). Deze energie heet de “band gap energy”. Fotonen hebben een hoeveelheid energie die afhangt van de golflengte van de fotonen. Hoe groter de golflengte (lagere frequentie), hoe minder energie het foton draagt. Een foton met een energie die lager is dan de band-gap energie, kan geen elektronen losslaan. Fotonen met precies de band-gap energie, of hoger, kunnen dit wel. Alleen fotonen met een hogere energie zullen maar één elektron vrijmaken, en de rest van de energie gaat als warmte verloren. Nu kan je argumenteren dat je een stof moet nemen met een lage band-gap energie. Maar dat werkt niet zo goed, omdat de kracht van je elektrische veld afhangt van de band-gap grootte. Als het energieverschil niet zo groot is, zullen de vrije elektronen te vaak niet door je circuit gaan lopen, maar gewoon terugvallen, zonder een stroom op te wekken. De optimale band-gap voor silicium materiaal is 1.4 eV.
Daarnaast is er nog een efficiëntie verlies door de “serie weerstand” Silicium is namelijk geen goede geleider. Het heeft een hoge interne weerstand, waardoor elektronen veel energie verliezen in het passeren door de cel-kristallen. Daardoor wordt er op de kristallen een metalen grid geplakt, om de afstand die een vrij gemaakt elektron moet passeren door het silicium zo kort mogelijk is. Dat maakt ook dat de kristallen erg dun moeten zijn.
Waarom zijn silicium cellen niet commercieel rendabel?
De traditionele siliciumcellen die gedoopt zijn in fosfor en boor, respectivelijk, zijn erg duur in de productie. Dat komt doordat je de kristallen moet maken bij zeer hoge temperaturen. Daarna moet je de kristallen heel dun en vlak snijden, dat lever veel verlies van materiaal op, dat je net met hoge temperaturen en lage druk hebt zitten bakken. Een erg inefficiënte productie dus. Daarnaast is silicium weerkaatsend, waardoor er met alleen silicium teveel licht zou weerkaatsen. Er moet dus een laag tussen die het licht absorbeert en binnen de cel aan de silicium-kant houdt. Nog steeds wordt je met deze silicium cellen in de problemen gebracht, doordat alleen licht dat onder de juiste hoek invalt wordt opgenomen, en je hebt een groot verlies in efficiëntie als de lichtsterkte daalt (schemer, bewolking, winter). Dit maakt dat een perfecte cel in theorie 33% van het zonlicht kan verwerken (door de interne weerstand, elektronen inefficiëntie, en band-gap inefficiëntie), maar in de praktijk haal je meestal een gemiddelde van 15% conversie.
Andere technologie
Gelukkig voor de zonne-sector hebben we de afgelopen 10 jaar nogal wat ontwikkelingen gehad op het gebied van productie van zonnecellen. Het gebruik van spray technieken voor amorfe silicium lagen bijvoorbeeld. Daarmee kan je dunne laag silicium sprayen op een drager. Dat scheelt verliezen door snijden van kristallen. Het nadeel is dat je silicium minder goede kristalstructuur heeft en je dus minder zonlicht kan omzetten. De piek-efficiëntie van amorfe dunne laag silicium is op het moment 11% conversie. Maar deze cellen zijn wel lichter, kosten minder energie om te maken en ze zijn bij lage lichtintensiteit nog altijd in staat 5-6% conversie te realiseren, waar een kristallijn silicium van de eerste generatie cellen dan al gedaald is tot onder de 2% conversie.
Een andere vorm van cellen is de CdTe legering. Een zwart kristal dat ook geschikt is om zonnecellen van te produceren. Het behoeft een minder hoge temperatuur, kan makkelijk in dunne laag worden opgebracht. Het nadeel is alleen dat de Te van de legering erg zeldzaam is. Daarnaast zijn er bezwaren tegen het gebruik van Cd (Cadmium) wegens milieu en gezondheidsschade. Deze makkelijk te produceren zonnecellen kunnen echter wel 16% piek-conversie realiseren, met nog steeds 10% bij lage lichtintensiteit, lagere reflectie, dus minder precieze invalshoek van de zon nodig. Dat betekent dat bij bijzonder lage, of bijzonder hoge zonnestand de cellen nog steeds goed werken, waar de reflecterende siliciumcellen in de problemen raken.
Je hebt ook de Multi-junction cellen, waar een potentiaal over meerdere raakvlakken wordt gemaakt, bijvoorbeeld de CIGS cellen. Die zijn weer wat duurder in de productie, maar kunnen wel een piek-efficiëntie halen van 42%, met een gemiddelde van 22%.
Nieuw zijn de (bio)polymeer-fullereen (de buckeyball is een fullereen) combinaties die bij lage temperaturen (40 graden) en normale druk te verwerken zijn in zonnecellen en die een 6% conversie kunnen halen op dit moment. Dit lijkt laag, maar deze materialen zijn erg goedkoop om te maken, verwerken makkelijk en hebben een brede efficiëntie-curve, waardoor op 5% zonlichtsterkte nog steeds conversie van licht in energie mogelijk is tegen een efficiëntie van 2%. Voor deze materialen, in tegenstelling tot de andere lage-temperatuur productie cellen is geen zeldzaam element nodig, de stoffen zijn duurzaam te maken, en zijn potentieel biologisch afbreekbaar. In deze categorie is het zelfs mogelijk een double- of triple-band-gap cel te maken.
Recente publicatie toonde al een succesvolle double band-gap cel, waar je dus een band-gap op 1.5 eV had en eentje op 1.8 eV. Dat betekent dat je twee lagen zonnecel onder elkaar plaatst, waarbij eentje licht van 1.8 eV energie en hoger gebruikt om hoge energie elektronen te produceren, en een tweede laag alles onder de 1.8 eV gebruikt om lagere energie elektronen te maken. Dit gaf een energiewinst van 50% ten opzichte van alleen de 1.5 eV band-gap polymeer. Dit is mogelijk doordat je met de keuze van molecuulstructuur van het (bio)polymeer kan variëren in de band-gap energie.
Deze laatste is nog het minst bekend, doordat pas sinds 3 jaar dergelijke cel-materialen gemaakt worden. In de solar-cell efficiëncy tables (recentste versie 33) wordt 2 maal per jaar bijgehouden wat de ontwikkelingen in de zonnecellen zijn. Pas sinds 2006 staan de polymeer-fullereen cellen in de tabellen en zijn in die tijd gestegen van net 2% conversie naar nu een record van 6.5% (labscale), maar er wordt in niet-referifiëerde studies al gesuggereerd dat de magische 10%-grens is gehaald. Die 10%-grens is voor dit soort cellen magisch, omdat je dan op een terugverdientijd van je investering zou uitkomen van minder dan 5 jaar. En kwa energie-productie ten opzichte van benodigde energie voor het maken van de cel een terugverdienperiode hebt van minder dan 1 jaar.
Wie dus zegt dat zonneenergie geen duurzame toekomst heeft, doordat het produceren van de cellen meer energie kost dan de cel in zijn levensduur zal produceren houdt vast aan ouderwetse cijfers. Dat was in 2001 nog wel het geval. De meeste cellen uit die tijd konden in hun levensduur vaan nog niet evenveel energie ophoesten als ze gekost hadden om te maken. Maar die kritiek gaat al sinds 2005 niet meer op, voor de nieuwste (derde generatie) zonnecel technologie.
Bronnen:
MIT technology review
PNAS (journal)
Solar energie and technology (journal)
In het onderzoek van het SCP valt inderdaad op dat kinderen uit arme gezinnen (tot 120% van bijstandsniveau) vaker niet mee doen aan sport, recreatie en culturele activiteiten. De samenvatting toont percentages van 34% die "niets" doet in de vrije tijd bij de categorie "arm" tegenover 17% bij de rest. De correlatie is duidelijk, zeker als je de categorie arm nog eens opdeelt in bijstand, en net iets boven bijstand. In de bijstand is de participatie nog lager dan in de categorie die net iets boven bijstand leeft.
Zoals al eerder gemeld is het natuurlijk niet leuk als je niets kan doen, wat leeftijdsgenootjes op school wel doen. Ze hebben het over leuke vakantie tripjes, dagjes Efteling en gaan eens per week naar een of andere activiteit, sport, muziekles. En soms zelfs sport én muziekles. En als kind uit arm gezin krijg je altijd te horen dat jij niet mee kan doen, want daar is geen geld voor. Maar kijk ook eens waar veel van deze gezinnen blijkbaar wèl geld voor hebben.
Het huis lijkt vaak niet compleet zonder platte beeldbuis van een zeker formaat. Dat wordt dan met zo'n mooie lening op krediet gekocht, wat weer een druk zet op de maandelijkse financiën. Net als overigens het stroomverbruik van zo'n monsterlijk ding. Het blijft mij ook verbazen dat mensen die zich voordoen als arm en zielig, kunnen rondlopen met de nieuwste, blinkende mobiele telefoons, waarvan ik vind dat ze te duur zijn om mijn geld aan uit te geven. Zeker als dat gepaard moet gaan met een abonnement voor minimaal 2 of 3 jaar voor 3 tientjes per maand.
Door pech hebben mijn ouders ook een tijdje van minimumloon moeten rondkomen. En in die tijd was de kinderbijslag voor meerdere kinderen lager dan tegenwoordig. Ondanks dat heb ik gewoon op zwemmen kunnen zitten (niet heel duur, maar het is iets) en later toen het een tikje beter ging mocht ik eerst op viool- en daarna pianoles. Uiteraard kon er veel niet, door te weinig geld. Ik had graag op tennis gewild, net als een paar van mijn vriendjes, maar dat was financiëel een brug te ver.
Toch heb ik nooit het idee gehad dat wij tekort kwamen, omdat er genoeg was dat wel kon. Wij hadden gewoon een verjaardag, met bijbehorend feestje. Spelletjes doen, cakejes versieren en naar het zwembad met daarna patatjes eten met knakworstjes. En we liepen vaak in tweedehands, of zelfgemaakte kleding. En achter de schermen werd er veel zuinig gedaan bij ons thuis, dat weet ik pas achteraf. Mijn ouders hebben zichzelf vooral werggecijferd, zodat wij niet teveel tekort kwamen in de moeilijke jaren. Ik denk dat die 66% van de arme gezinnen waar de kinderen in ieder geval IETS doen vaak toch hetzelfde te werk gaan als mijn ouders vroeger.
En in tegenstelling tot de tijd van mijn jeugd, heb je tegenwoordig allerlij gemeenten die acties opgezet hebben om arme kinderen te laten sporten. Gemeenten organiseren sport- en cultuur mogelijkheden voor kinderen uit arme gezinnen. Andere gemeenten betalen (een deel van) de contributie voor één vereniging per kind. Ook zijn er veel sport- en cultuur verenigingen die een lagere contributie rekenen aan kinderen uit een arm gezin. Ook schoolreisjes worden voor arme gezinnen vaak vanuit een schoolfonds vergoed, en kunnen ouders in de bijstand via de bijzondere bijstand elk jaar een paar honderd euro vergoeding krijgen voor schoolreisjes. Er is dus vaak geen échte reden om niet mee te doen.
Er zijn volgens mij twee grote problemen. De eerste is, dat al die dingen decentraal geregeld zijn. Het hangt af van de gemeente, je moet het zèlf uitzoeken en zelf aanvragen. De formulieren en uitleg zijn in "ambtelijke taal" wat zoveel wil zeggen dat je er niet zo gauw uitkomt, tenzij je hoger opgeleid bent, en ook dan wil men het nog wel eens verkeerd begrijpen, is mijn ervaring. Het tweede probleem is dat veel mensen niet met geld kunnen omgaan. Ook mensen met hoog inkomen vaak niet, maar die hebben dan een flinke buffer. Het zijn de mensen met lage inkomens die zich het financiële mismanagement minder goed kunnen veroorloven. Daar gaat het al gauw ten koste van de kinderen of de primaire levensbehoeften.
Dan kan je overigens de sport wel financieren voor die kinderen, maar of ze daar nu echt gelukkiger van worden en meer gaan participeren, als ze nog steeds geen verjaardag kunnen vieren, zonder ontbijt naar school moeten en het moeten hebben van fast-food, omdat snel en ongezond nu eenmaal goedkoper is dan goed en gebalanceerd. Of moeten we dan ook eens per week vette vis, dagelijks groente en fruit, en ontbijt- en lunchpakketjes gaan voor-financieren voor kinderen uit arme gezinnen? En mag die voor-financiering dan afgetrokken worden van de kinderbijslag en uitkering, of is dat weer een aantasting van de vrijheid?
Ik weet niet zo goed of dit soort losse flodders iets gaat uithalen voor een eerlijkere kans voor kinderen uit arme gezinnen. Zoals alle regelingen zal wat er ook verzonnen wordt naar aanleiding van dit SCP rapport, vooral gebruik en misbruik gemaakt worden van de regeling door de gehaaide lui onder de arme gezinnen. Terwijl de mensen die nu ook al ècht hun best doen en toch met beperkte middelen moeten leven en weinig kunnen realiseren voor de kinderen, buiten de boot blijven vallen.
Carver
De Carver wordt geadverteerd als auto met laag verbruik. Eigenlijk is het meer een overdekte motorfiets, die te breed is om tussen de auto's door te rijden in geval van file. Dus tegen de filedruk heb je er niets aan. Ook is het verbruik teleurstellend hoog. Met 16 kilometer op een liter (6.25 L/100 km) is de Carver nog slechter af dan een Toyota Prius (1 op 20; 5 L/100 km) of een Peugeot 107 (1 op 22.2; 4,5 L/100 km). Daarnaast is een Carver slechts een 1 persoons wagentje. Mocht je met 2 personen ergens heen willen is het verbruik middels de Carver alweer 12,5 L/100 km, je moet immers twee carvers rijden, terwijl je met de Peugeot 107 gewoon 2 mensen en bagage kan meenemen en nog steeds maar 4,5 L benzine per 100 km verbruiken. Daarnaast kost een Peugeot 107 9.000 euro, terwijl de Carver-One een catalogusprijs van 35.000 euro heeft. De Carver is dus meer een speeldingetje voor rijke idioten, dan een milieu-vriendelijke oplossing voor file-leed.
De vliegende auto
De vliegende auto, als oplossing voor het fileleed is ook een farce. Iedereen denkt bij vliegende auto's aan de sciencefinction films. Lekker als er file staat op een knop drukken en dan zweef je uit de rij en vlieg je eroverheen. Helaas is dat niet het geval. Dat kan ook niet, zeker niet met een fatsoenlijk brandstofverbruik. Bij een normale auto, die constant 100 km/u rijdt, wordt de benzine verbrandt met als doel voldoende energie te leveren om de totale weerstand te overwinnen. Zou er meer kracht worden opgebracht zou de auto versnellen, totdat de weerstand gestegen is tot dezelfde tegenkracht als de motor aan voorwaardse kracht levert.
Kort gezegd heeft een auto twee soorten weerstand, rolweerstand en luchtweerstand. De rolweerstand wordt bepaald door de grootte en hoeveelheid indeuken van de banden (beter opgepompte band geeft lagere weerstand), de massa van het voertuig en de zwaartekracht (die kan als constant worden aangenomen). De luchtweerstand is wat lastiger, die hangt in de meest simpele vorm af van het totale frontale oppervlak van de auto, het gewicht, de lucht-samenstelling (temperatuur, luchtdruk en vochtigheid) en het kwadraat van de snelheid. Dat betekent dus dat als een auto 2 keer sneller rijdt, de luchtweerstand vier keer zo hoog wordt. Bij snelheden als 100 km/u is de rolweerstand laag in vergelijking met de luchtweerstand.
Deze twee vormen van weerstand geven krachten die de beweging van de auto tegenwerken. Als je auto zou gaan vliegen, moet je ook nog energie leveren om continu een andere kracht op te heffen. In feite ruil je de rolweerstand in voor een veel grotere component, het optillen van de auto. Daarbij zijn het gewicht van de auto en de glide-ratio van belang. De glide-ratio is een maat uit de aerodynamica, die afhangt van de vorm van de auto. Het gaat om hoeveel meter afstand legt het voertuig af in de tijd dat het 1 m omlaag valt. Die maat is bepalend voor "hoe vaak" de auto weer 1 m moet worden opgetild. Als de glide-ratio bijvoorbeeld 10 is, moet je per 10 afgelegde meters weer de arbeid leveren om het voertuig 1 m op te tillen. Doe je dat niet, dan "landt" de auto. Erg onhandig bovenop een file.
Om een idee te geven, een Citroën C3 Picasso weegt 1234 kg, heeft een frontaal oppervlak van 1,94 m2. De hoeveelheid arbeid die verricht moet worden bij gewoon rijden op de weg, bij een constante snelheid van 100 km/h moet voldoende zijn om over een afstand van 100 km de weerstandskrachten tegen te gaan. De rolconstante voor deze auto weet ik niet, maar gemiddeld zitten auto's rond de 0,015.
Frol= 0,015 x 9,81 (zwaartekracht) x 1234 (gewicht auto) = 181,6 N
Flucht = 0,5 x 0,60 (een auto-afhnakelijke constante, wederom gemiddelde genomen) x 1,27 (luchtconstante bij 1 atmosfeer druk, 50% luchtvochtigheid en 20 graden celcius) x 1,94 (frontaal oppervlak) x 27,82 (100 km/u omgerekend naar m/s) = 570,2 N
De arbeid W = F (kracht) x d (afgelegde afstand)
Voor 100 km met 100 km/u : 75 MJ (de Citroen C3 heeft daarvoor 6.1 L bezine nodig, verbrandingswaarde 195 MJ = rendement 38%)
Voor het optillen van een auto moet je de zwaartekracht tegengaan, dat is 9.81 x massa (1234) = 12106 N Met een glide-ratio van 10, betekent die dat je per meter 1/10 keer de arbeid moet leveren van 1210,6 om dit op te tillen. Dat is een arbeid over 100 km van 121 MJ. Dit is dus al meer dan het rijden van de auto op zichzelf kost aan energie, en dan moet er nog 57 MJ bij voor het opheffen van de luchtweerstand. Dat is samen 176 MJ, dat kost bij gelijk rendement dus 76,7 liter voor 100 km afstand).
Nu heeft een Citroen C3 niet een glide-ratio van 10:1. Dat is de grootte-orde van een zweefvliegtuig. De PAL-V die in het nieuws was heeft een glide ratio van 4:1.
PAL-V
De PAL-V is eigenlijk weer zo'n 1-persoons wagentje, dat toevallig ook kan vliegen met een "gyrocopter" modus. De gyrocopter is voor vliegen redelijk zuinig. De recentere modellen gebruiken 15 liter per uur, gemiddeld, bij een kruissnelheid van 150 km/u, dat neerkomt op een verbruik van 1 liter voor 10 km. En dat voor een éénpersoons vehicel van 550 kg. Ze adverteren overigens met het verbruik op de weg, 1 op 30. En ook hier geldt, net als voor de Carver, dat als je met twee mensen op pad wil, je het verbruik alweer terug hebt op 1 op 15 per persoon, en 1 op 5 per persoon als je gaat vliegen. Daarnaast kan je niet zomaar midden in de file besluiten dat je maar gaat opstijgen. Je moet eerst naar een benzinepomt, helicopterlandplaats of vliegveld om daar de rotoren uit te klappen en een aanloopje van 50 m te nemen om zo op te stijgen.
De PAL-V is sowieso een farce, want hij wordt vanaf 2012 alleen toegestaan voor hulpdiensten. Dus een oplossing voor het fileprobleem is het al niet. En voor het milieu hoef je het ook niet te doen. Overigens is er met de beperkte capaciteit van 1 persoon en kleine bagage ook niet zoveel aan hulpdiensten die er wat mee kunnen. Een eerstehulp arts bij een ernstig ongeluk, indien er 5 m vrije landingsplaats aanwezig is, of een agent voor een snelle inrekening. Maar als je gewonden moet vervoeren zit je toch vast aan ambulance of trauma-helicopter.
Zoals altijd blijkt maar weer dat grote en schreeuwerige beloftes, die te mooi lijken om waar te zijn, dat ook zeker niet zijn.
De afgelopen jaren hebben we het veel gehad over vrijheid van meningsuiting. In de media, in het politieke debat en hier op het volkskrantblog. Slechts zelden spreekt men over de drie verantwoordelijkheden die je daarbij hebt. Je bent ten eerste verantwoordelijk voor je eigen belang bij het nemen van die vrijheid. Je bent vrij je eigen mening te uiten, óók als die kwetsend kan zijn. Maar voor je die mening uit heb je verantwoordelijkheid naar jezelf om de gevolgen van je geuitte mening (en manier van uiten) op jezelf heeft.
Als jij je mening uit op een manier, waarvan je weet dat het mensen kwetst, moet je niet zielig gaan doen als die mensen je niet meer aardig vinden. Dat is je eigen verantwoordelijkheid, dat kan je de gekwetste ander niet kwalijk nemen. Ik heb Theo van Gogh nooit horen zeuren dat iemand hem niet aardig vond. Hij heeft die eigen verantwoordelijkheid naar zichzelf toe goed afgewogen.
De tweede verantwoordelijkheid is die naar de ander toe. Als jij je grievend uitlaat over de Islam, dan kwets je daarmee menig moslim. Je bent geheel vrij dat te doen. Maar dan ben je wel verantwoordelijk voor het sentiment dat je daarmee oproept bij de gekwetsten. Als de gekwetsten dan besluiten de wet te overtreden, door jou te bedreigen of zelfs fysiek geweld aan te doen, ben je daar niet verantwoordelijk voor. Het is dus niet zo dat Van Gogh het aan zichzelf te danken had. Maar hij is wel (mede)verantwoordelijk voor het sentiment onder de nederlandse moslims, die door de jaren heen een steeds grotere hekel aan de blanke westerling hebben gekregen.
Zo is ook de publicist Eddaoui geheel vrij in het uiten van zijn mening over de Afghanistan missie. Maar het is zijn eigen verantwoordelijkheid wat dat voor hemzelf tot gevolg heeft. Er is in brede kring twijfel aan zijn geschiktheid om legerimam te worden, gezien zijn eerder ingenomen stelling. Dat hij nu zegt zich bedacht te hebben, dat is mooi, maar we kunnen niet met zekerheid zeggen of hij dat alleen maar zegt omdat hij de baan graag wil hebben, of omdat hij het werkelijk meent. Hij heeft de schijn tegen, en dat is volledig zijn eigen verantwoordelijkheid. Hij heeft de verantwoordelijkheid van de vrijheid die hij nam naar zichzelf toe niet voldoende overwogen.
De derde verantwoordelijkheid is die naar de vrijheid toe. Iemand die de vrijheid van meningsuiting claimt, kan hem niet een ander ontzeggen. Je bent verantwoordelijk voor het beschermen van de vrijheden die je hebt, zeker als je er gebruik van maakt. De vrijheid van meningsuiting kan je daarom niet gebruiken om die vrijheid van een ander te beperken. Sommige mensen zouden graag anders willen. Ze grijpen liefst vrijheden aan, om diezelfde vrijheden voor een ander te beperken.
Het blijkt nog altijd lastig dit soort incidenten een plek te geven. Er wordt wanhopig naar duidelijke en begrijpbare oorzaken te zoeken. Meestal richten de analyses zich op gewelddadige films en computerspellen. Ook worden dingen als maatschappelijke (prestatie) druk, pestgedrag of een gebroken gezin als belangrijke oorzaak genoemd. Maar deze analyses en speculaties berusten doorgaans op bronloze commentaren van anderen. Iedereen heeft wel eens gehoord dat het gewelddadige films of spelletjes zijn die eraan ten grondslag liggen. Maar niemand kan eigenlijk een bron aanwijzen waarin het causale verband is aangetoond.
Een zekere correlatie is wel te zien, zeker met computerspelletjes en films. Als je naar al die jongeren kijkt die een dergelijke school-shooting plegen, spelen ze bijna allemaal gewelddadige computerspelletjes en kijken ze actiefilms. Correlatie in die vraagstelling is dan ook dichtbij 1. Maar kijk naar de totale groep jongeren van die leeftijd en je ziet een correlatie die ook de 1 nadert. Computerspelletjes met geweld of actiefilms zijn in onze maatschappij overal aanwezig. Dat de Duitse jongen van vorige week het spel Counterstrike op zijn computer had lijkt een schokkend gegeven, maar dat is het eigenlijk niet.
Counterstrike (Valve, 1999) is een spel waarbij je on-line speelt met anderen, je hebt twee teams, eentje speelt "terrositen" (boefje) de andere groep speelt de contra-terroristen (politie) en dan proberen de terroristen een bom te plaatsen, de contra-terroristen gaan dit tegen. Intussen wordt er flink geschoten. Het is vooral een behendigheidsspelletje dat zich concentreert op het eeuwenoude politie-en-boefje profiel. En als de ronde voorbij is (een van twee heeft gewonnen) gaat de volgende ronde in, en kan je het nogmaals proberen. Zo extreem gewelddadig is het spel niet. Daarnaast is het geweld niet zo gedetailleerd als in sommige andere computerspellen. De media die wild-enthousiast claimen dat counterstrike een extreem gewelddadig spel is met veel gruwelijk detail hebben het spel waarschijnlijk zelf nog nooit gezien, laat staan gespeeld.
National Research Council
Ondertussen heeft het amerikaanse National Research Council in 2001 en 2003 studies gepubliceerd naar dergelijk geweld. Vooral de studie uit 2003, Deadly Lessons: Understanding Lethan School Violence geeft een aardig overzicht van de overeenkomsten en verschillen tussen dergelijke schietincidenten. In het rapport wordt eerst een totaalbeeld gegeven van alle school-shootings tussen 1985 en 2000, hoe vaak en hoeveel slachtoffers. Daarbij blijkt dat in de periode 1985-1995 ongeveer evenveel incidenten hebben plaatsgehad als in de periode 1995-2000.
Als je de incidenten filtert naar geweld vanuit gang, drugs of crimineel circuit tegenover geweld vanuit "Vengeance Shooting", wordt het beeld dat er een stijging is in de afgelopen jaren nog sterker.
Het rapport maakt onderscheid in drie categoriën, waarbij de vengeance shooter er eentje is. Van de laatste hebben ze geprobeerd een profiel te maken. Hoewel er een aantal factoren zijn die vaak terugkeren bij de daders van de incidenten, is er niet echt een "nuttig" profiel te maken, waaraan een potentiële dader eenduidig te identificeren is.
In alle gevallen was de dader van het mannelijk geslacht. In ongeveer driekwart van de gevallen ging het om een blanke jongen, in iets meer dan een kwart om donkere jongens.
In de meeste gevallen (maar niet alle) werd gebruik gemaakt van vuurwapens. In tweederde van de gevallen waren er meerdere slachtoffers. En in de helft werd in ieder geval een lid van de staf of schoolleiding als doelwit gekozen.
In vrijwel alle gevallen kan gesproken worden van een vooraf bedachte aanval, waarbij driekwart vooraf een planning of voorbereiding heeft gemaakt. Hoewel deze voorbedachte rade lijkt te duiden op rationeel gedrag, blijken alle daders een verwrongen perceptie van de realiteit te hebben, waardoor in hun idee de aanval logisch, of zelfs gerechtvaardigd is. Dat maakt de daad toch weer minder rationeel. De wraak die genomen werd, was doorgaans tegen een algemeen doelwit. In het Duitse geval, vrouwen.
Wat ook opvalt is dat meestal de dader vooraf iemand laat weten dat hij plannen heeft. En in vrijwel alle gevallen laat de dader bepaalde signalen zien, zoals het proberen een vuurwapen te bemachtigen, zich bezig houden met schrijven van gewelddadige, duistere poëzie of verhalen, en zwartgallige humor. Vaak maakten mensen in hun omgeving zich daardoor zorgen over de dader. Ook worden veel daders door een leeftijdsgenoot (zonder dat deze het door heeft) gestimuleerd tot een gewelddadige oplossing.
De achtergrond van de daders is niet eenduidig. Variërend van achterstandsgezinnen tot de rijkere klasse, van falend op school tot uitblinkers, van sociale gezinnen midden in de samenleving tot disfunctionele pleeggezinnen waarbij verwaarlozing veel voorkwam.
Verder hadden ongeveer 2/3 te kampen met langdurig extreem pestgedrag. In 75% van de gevallen had de persoon in kwesite moeite om te gaan met een verandering van hun relatie, verlies van status of falen in sociaal of academisch opzicht. Meer dan de helft van de daders was depressief en driekwart had al eens gedreigd of gepoogd zichzelf van het leven te beroven.
Conclusies
Dit is een waslijst aan kenmerken die niet alleen van toepassing zijn op dergelijke daders, maar ook stuk voor stuk op een brede groep van mensen die niet dergelijke daden zou verrichten. Daardoor is het profiel onbruikbaar ter voorkoming van incidenten.
Wat tevens opvalt is het feit dat, hoewel minder, ook in de periode 1985 tot 1995 een significant aantal incidenten plaatshad. In die periode waren gewelddadige computerspelletjes nog geen factor. De werkelijke digitalisering en "realistisch" 3D schietgeweld begon pas op te komen in het midden van de jaren 90, door verbeterde grafische technologie.
Wat vooral belangrijk lijkt zijn 5 kritieke kenmerken:
1. Sociale isolatie van de dader, het zijn doorgaans eenlingen 2. Psychosociale stoornissen en depressies 3. Ergens komt een idee vandaan om het probeem met geweld op te lossen (dit kan een computerspel zijn, een film, een boek, of een klasgenoot) 4. Er is toegang tot een vuurwapen, en vaak hebben ze ook geleerd ermee om te gaan 5. Hij geeft signalen aan zijn omgeving, maar die worden niet serieus genomen of herkend
Het probleem is vooral dat de meeste van deze 5 van toepassing zijn op een veel grotere groep tieners dan alleen degenen die uiteindelijk gewapend een wraakactie op school gaan uitvoeren.
Wat ook opvalt is dat het geval van Murat D. in Nederland aan dit profiel voldoet. Het wordt niet als een school-shooting herkend, doordat er "slechts" een enkel slachtoffer was, maar zoals te zien in de opsomming is niet in alle gevallen noodzakelijk dat er meerdere slachtoffers zijn.
Het lijkt mij vooral gevaarlijk om teveel blind te staren op een of twee factoren, zoals spelletjes, depressiviteit of sociale druk. Dat criminaliseert namelijk duizenden jongeren, die nooit een vlieg kwaad zouden doen.
Professor Bell sprak over Thofi's en Lothi's die hij met MRI scanning had onderzocht. Als je iemand op straat ziet lopen die wat gezet is, of iemand die juist heel slank oogt, concludeer je in eerste geval doorgaans "teveel vet, te dik" en in het tweede geval "gezond, aantrekkelijk". De tweede van de twee kwalificaties is een kwestie van smaak, maar de eerste kwalificatie is niet per se juist.
In de MRI scanner blijkt juist dat een aantal van de forsere mensen weliswaar dik ogen, maar intern, op de organen, erg weinig vet hebben. Dit zijn Bells Lothi's, Large Outside, THin Inside. Een aantal van de erg slanke mensen bleken juist veel vet op de organen afgezet te hebben, dat zijn the Thofi's, Thin Outside, Fat Inside. De Thofi's ogen dan misschien naar huidige maatschappelijke maatstaven een stuk beter, met hun gezondheis is het dramatisch gesteld, terwijl de dikker ogende Lothi's eigenlijk kerngezond zijn.
Het zit hem allemaal in de lichaamsbeweging. Iemand die wat forser gebouwd is, en wat meer van het vet in de huidlagen makkelijk vasthoudt, maar wel genoeg beweegt heeft weinig orgaanvet. Dat orgaanvet verlies je alleen maar door beweging, niet door lijnen. Dus alle slanke mensen die de hele dag op hun luie reet zitten crackers te eten en alle lekkernijen braaf laten staan, hebben grote kans toch ongezond te zijn, vooral door teveel vet op de organen. Terwijl iemand die een lekker taartje niet laat staan en flink luncht met eieren en boterhammen kaas en vlees, maar wel 3 keer in de week in de sportschool zit wel wat extern vet behoudt, maar van binnen behoorlijk fit is en weinig vet op de organen houdt.
De meeste mensen die willen afvallen kiezen voor een of ander dieet, dus minder voeding erin. En hoewel dit wel tegen de kilo's werkt, is het eigenlijk de slechtste manier om van je overtollige kilo's af te komen. Veel van de diëten bevatten te weinig koolhydraten of te weinig vetten. Daardoor loopt de energiehuishouding verkeerd en wordt het lichaam gestimuleerd de vet-reserves te gebruiken. Maar de belangrijkste reserves zitten in de huid, en die wordt dus ook vooral aangesproken. De orgaan vetreserves blijven grotendeels intact.
De conclusie van dit onderzoek is toch vooral dat de belangrijkste methode om af te vallen is een combinatie van gezonde en volwaardige voeding, met voldoende lichaamsbeweging. Overigens moet opgemerkt worden dat iemand die echt zwaar overgewicht heeft natuurlijk niet stiekem "dun" van binnen kan zijn. Het gaat bij de Lothi's om de mensen met een licht overgewicht (BMI tussen 25 en 27, grofweg) die toch veel bewegen.
Een van de gebieden waarin wetenschap een grote rol speelt is wel de gezondheidszorg. Het is wetenschappelijk onderzoek dat oorzaken vindt van verschillende ziektes. Met die oorzaken gaat de wetenschap dan aan de slag om een methode van behandeling of symptoombestrijding te ontdekken.
Vroeger was het geneesmiddel onderzoek vooral het bebied van de organische chemie. Lichaamsvreemde stoffen werden gesynthetiseerd uit chemicaliën en die stoffen hadden een gewenste invloed om een ziekte aan te pakken of een verwonding te behandelen. Daarnaast waren er ook vaak bijwerkingen. Veel van deze moleculen waren vooral ook giftig. Tegen infectieziekten en tegenwoordig nog kanker helpt dat vaak goed. Je vergiftigd in feite het lichaam zo ver dat het zelf niet helemaal dood gaat, maar de indringer of de kanker wel.
Nog verder terug in de tijd werd vooral gebruik gemaakt van voodoo en de Klazien uut Zalk middeltjes. Dat klinkt wat oneerbiedig en dat is wat onterecht. Naast veel onzin, zitten er ook middeltjes tussen die prima werken. Zo is honing jarenlang een goede wond-ontsmetter gebleken. Dat komt (deels), zo weten we nu, doordat honing wat waterstofperoxide bevat. Daar gaan levende cellen, en dus ook bacteriën, stuk van. Ook werden bloedzuigers gebruikt tegen allerlij kwaaltjes, en aderlatingen. Vaak verkeerd ingezet, maar in feite geen slechte therapie tegen vergiftigingen in het bloed.
Tegenwoordig hebben we de levenswetenschappen, een verzamelnaam voor alle wetenschap die met de werking van het leven te maken heeft. In die wetenschap worden moleculen, cellen, of cel-systemen onderzocht. Vooral om te kijken hoe bepaalde dingen nu werken. Het maken, of gebruiken van belangrijke stoffen. Hoe communiceren cellen met elkaar? En voor de medische wetenschap, wat gaat er bij een bepaalde ziekte nou precies mis.
Veel aangeboren, genetische, syndromen hebben te maken met enzymen. Enzymen zijn eiwitten die een bepaalde reactie in het lichaam katalyseren. Normaal heb je een reactie tussen twee moleculen. Die vindt alleen plaats als je twee moleculen met voldoende snelheid, met de juiste kanten naar elkaar toe, tegen elkaar aan botsen. Een enzym heeft een holte waarin de twee moleculen één voor één worden vastgepakt, met de juiste kanten naar elkaar toe, en dan wordt de reactie uitgevoerd, zonder te botsen, door een actief plekje in de holte, die de twee moleculen vast in een soort tussen-fase brengt.
Je hebt namelijk de twee moleculen, die hebben een specifieke 3D-structuur, de vorm zogezegd. Als ze gereageerd hebben heeft het nieuwe molecuul een eigen 3D vorm. Het enzym brengt de twee losse moleculen vast halverwegen, zodat ze op de plek die moet reageren alvast bijna de vorm hebben van wat het uiteindelijk worden moet. Dat maakt de reactie makkelijker, zodat de hoge energie van een botsing op snelheid niet meer nodig is. En als er nog wel wat energie nodig is, hebben deze enzymen aan de buitenkant een koppelplaats voor ATP, dat is een molecuul met veel interne energie, die door het enzym gebruikt kan worden om de reactie te helpen.
Op deze manier kan een levend wezen binnenin het lichaam moleculen laten reageren tot nuttige andere moleculen die het nodig heeft. Zonder de enzymen zou zo'n reactie vaak alleen onder hoge druk bij temperaturen van 80 graden celcius of hoger kunnen plaatsvinde, en dan nog traag ook. Het lichaam heeft geen tijd voor trage reacties, en 80 graden celcius is erg ongezond voor het meeste leven.
Als nu een patiënt een foutje heeft in het DNA, waardoor een bepaald enzym niet goed gecodeerd is, kan het lichaam dat enzym niet maken, of alleen een "kapotte" versie van het enzym. Dat is een probleem, want dat enzym heeft een functie in het lichaam, die dan niet meer vervuld kan worden. En daardoor wordt de patiënt ziek. Veel van de fouten in zo'n enzym-code in het DNA is al vroeg fataal. Dat leidt tot een miskraam, of zelfs een vroege miskraam. Vroege miskramen worden vaak niet eens herkend, maar lijken gewoon op een verlate menstruatie die wat zwaarder is dan normaal. (ongeveer 10% van de zwangerschappen eindigt in een vroege miskraam, d.w.z. tijdens de eerste termijn van 12 weken).
In andere gevallen wordt een kind met zo'n afwijking dood geboren, of ernstig ziek. In zeldzame gevallen is in eerste instantie weinig te merken en gaat het later ineens slecht met het kind en blijkt het een aangeboren fout in een belangrijk enzym te hebben. Deze fouten zijn niet te herstellen. Het enige wat de medische wetenschap kan doen in dit geval is uitzoeken welk enzym de oorzaak is van een bepaald syndroom, en dan dit enzym gaan produceren. Die enzymen kunnen dan toegediend worden, waarbij de medicinale enzymen het werk van het kapotte zelf-geproduceerde enzym overnemen. Dit betekent altijd een levenslange medicatie, omdat het probleem nooit op te lossen is, alleen de symptomen te bestrijden.
Een groot probleem bij dit produceren van enzymen is dat veel enzymen geglycosyleerd zijn. Glycosyleren betekent dat bij het maken van het enzym het lichaam er een antenne van suikermoleculen op plakt. Er zijn een veelvoud aan antenne's mogelijk en voor elk enzym maakt het lichaam een aantal antenne's. Dus niet alle enzymen die hetzelfde zijn hebben dezelfde antenne's. Wat hiervan de functie is, is niet precies bekend. Wel weten we dat sommige antenne's aan het lichaam doorgeven dat het enzym niet afgebroken mag worden. Pas als een ander systeem er een vlaggetje vanaf heeft gehaald kan het afgebroken worden. Deze versies van het enzym blijven daardoor langer actief. Sommige antenne's geven aan het lichaam aan waar het enzym naartoe gebracht moet worden. Weer anderen geven aan door welk activerend-systeem het enzym "aan" gezet mak worden. Maar er zijn hieromtrend nog wel vraagtekens.
Het lastige is hem hierin gelegen dat elk levend wezen een eigen set aan antenne's kan maken. Zo maken koeien andere stucturen dan varkens, die weer andere structuren maken dan insecten, etc. het grote nadeel daarvan is weer dat sommige antenne's die andere dieren dan de mens maken weer in het menselijk lichaam een alarm doen afgaan. Dan komt het immuunsysteem in actie en gaat het therapeutische enzym als indringer behandelen en vernietigen. In extreme gevallen kan dit weer leiden tot een verwarring in het immuunsysteem dat hetzelfde enzym weer herkent aan iets anders dan de foute antenne, en daarop een eigenlijk goede antenne ineens als gevaar gaat zien. Die goede antenne komt overal in het lichaam voor, en wordt dan ineens als indringer gezien. Dat leidt weer tot autoimmuun ziektes, je lichaam weet niet meer wie nou vriend of vijand is.
Daarom moet de wetenschap onderzoeken welke suiker-antenne's bij de mens voorkomen. Het plaatje is redelijk compleet. Daarnaast moet van een enzym dat gemaakt is in een ander beest eerst geanalyseerd worden welke antenne's er op zitten. Alleen als er allemaal ketens op zitten die in de mens ook voorkomen mag dit enzym therapeutisch gebruikt worden. De analyse van de suikerketens op een therapeutisch enzym kost duizenden euro's, en varieert, afhankelijk van de complexiteit, tussen een traject van 1 tot 3 jaar.
Dit is een probleem, want veel van de syndromen die veroorzaakt worden door een kapot enzym zijn zeldzaam. Er zijn dus weinig patiënten, het totale onderzoek kost miljoenen, en dat geld is voor de pharmaceuten, met zo'n kleine patiëntengroep, niet terug te verdienen. Daardoor wordt veel van dit onderzoek gesubsidiëerd. Dan is het wel heel vervelend, zoals bij de ziekte van Pompe, als na dit hele traject, een stel milieu-activisten middels protesten en acties de transgene varkens die nodig zijn om het medicijn te produceren gaan dwarsbomen. De patiënten met de ziekte van Pompe hadden middels transgene varkens al 12 jaar geleden een werkende therapie kunnen hebben. Maar doordat dit onderzoek, na een miljoenenstrop voor pharmaceuten en subsidiegevers, de nek is omgedraait, is er nog steeds geen therapie voor hen.
Scheiding tussen abiogenese en evolutieleer.
Zoals in de introductie al stond, heeft abiogenese met evolutieleer niet zoveel te maken. Als je vanuit de evolutieleer een enkele gemeenschappelijke voorouder concludeert heeft het wel raakvlakken. Want die gemeenschappelijke ouder moet ergens vandaan komen. Maar de evolutietheorie handelt in het geheel niet over hoe die voorouder ontstaan is. Het is slechts een conclusie uit de moderne evolutieleer dat er een gemeenschappelijke voorouder is. Zoals in het plaatje te zien is er een duidelijke scheiding tussen abiogenese en evolutie. Evolutie gaat vanaf het eerste primitieve en eencellige leven tot en met het nu. Toekomst laat het geheel buiten beschouwing. Over hoe de aarde is ontstaan en daarna op die planeet uit de oersoep het eerste leven doet de theorie geen uitspraken of voorspellingen.

Ontstaan van leven op aarde.
Een van de twee vraagtekens in het plaatje is het ontstaan van leven vanuit een levenloze situatie op de aarde. Op die vraag zijn verschillende antwoorden mogelijk. Religies hebben in dit ontstaan van leven een rol weggelegd voor hun Diviniteit(en). Zeer orthodoxe stromingen van de verschillende religies betwisten daarbij de leeftijd van de aarde, het eerste leven op aarde en (grote delen van) de evolutietheorie. Meer liberale gelovigen accepteren grotendeels of geheel deze wetenschappelijke feiten en theoriën, maar plaatsen hun God voor datgene wat we weten. Daarbij is God de schrijver van de natuurwetten en heeft de Big Bang geïnitiëerd. Anderen geloven weer niet in de Big Bang, maar laten God alles maken, en vervolgens het eerste primitieve leven op aarde enten, om het te laten groeien en evolueren tot het huidige bestand aan soorten, met de mens als kroon op het werk.
Een ander idee is dat van de Panspermia. De panspermia theorie is het idee dat de aarde lang geleden een zeer vruchtbare oersoep had, waarin het leven via een meteoriet is neergestort. Zowel bij de religie als de panspermia wordt de bron van het leven buiten de wetenschap geplaatst. Want hoe is het leven in de meteoriet ontstaan die de aarde "bevrucht" heeft? Het is een interessante theorie, en kan best waar zijn. Maar dan moet elders in het heelal op een of andere manier leven ontstaan zijn. Ook hier zetten religieuze volgelingen van de panspermia theorie God aan de bron van dat leven in de meteoriet.
De wetenschappelijk meest gangbare theorie is toch die van de abiogenese. Op een levenloze aarde, met aanwezigheid van de juiste chemicaliën en voldoende energie van zon of interne thermiek, zou het leven ontstaan zijn. Waar de evolutietheorie uitvoerig beschreven is en er veel ondersteunende data en experimenten zijn, staat het abiogenese onderzoek nog niet zo ver. Dat heeft deels te maken met het feit dat evolutie te volgen is in organismen met korte levensspanne en door het fossielen bestand, waarin organismen gevangen zitten en gedateerd kunnen worden.
Abiogenese moet plaatsgehad hebben onder condities miljarden jaren geleden, die ten eerste niet precies bekend zijn, en ten tweede lastig te simuleren. Daarnaast kan een volledige abiogenese (van chemicaliën tot zelf replicerende cel) niet in één experiment worden getoetst. De tijdsspanne voor zo'n experiment zou een paar miljoen jaar moeten zijn. Daarom wordt abiogenese onderzoek gedaan aan allemaal kleine stapjes die nodig zijn om van simpele moleculen tot een zelfreplicerend "levend" systeem te komen.
Synthese van essentiële moleculen.
De eerste stap voor abiogenese is het vormen van de bouwstenen van het leven. Er zijn verschillende moleculen die in het leven belangrijk zijn, zoals vetzuren, aminozuren, koolhydraten, nucleotiden, porphirines, etc. Maar voor het allereerste basale leven zijn er drie essentiëel. Koolhydraten, aminozuren en nucleotiden zijn de meest belangrijke moleculen. De meeste oersoep-experimenten zijn daarom gericht op deze moleculen. Hoewel porphirine synthese in geothermische condities al in 1967 is getoond door Hodgson en Baker. Porphirine moleculen zijn belangrijk voor binding en transport van zuurstof, maar ook in bepaalde communicatie trajecten tussen cellen en in de fotosynthese als doorslag molecuul voor de opgevangen licht-energie.
De bekendste oersoep experimenten zijn van Urey en Miller uit de jaren 50 van de vorige eeuw. Deze experimenten toonden dat in een gasfase opstelling vrijwel alle essentiële aminozuren te synthetiseren waren onder invloed van kunstmatige bliksem, evenals enkele nucleotiden (bouwblokjes voor RNA en DNA, ofwel genetisch materiaal). Deze experimenten worden nog vaak in discussies over abiogenese aangehaald om aan te tonen dat abiogenese onmogelijk zou zijn.
Deze eerste experimenten zijn gedaan op basis van een foute vooronderstelling over de samenstelling van de oer-atmosfeer, en het idee dat de abiogenese in de atmosfeer zou plaatsvinden. Deze experimenten zijn vanuit een synthetisch perspectief nog steeds interessant, omdat het toont dat met voldoende energie uit verschillende basale componenten de eerste start van complexe moleculen spontaan vormen. Voor de abiogenese hypothese zijn ze echter niet meer van groot belang.
De huidige hypotheses over de synthese van aminozuren, nucleotiden en koolhydraten vinden allemaal plaats in een waterige omgeving. In oer oceanen in de buurt van thermische spleten of aan de kustlijn, op een katalytisch zandoppervlak. Voor beide locaties is wat te zeggen. In de oceaan bij een thermische spleet is de temperatuur heel hoog. Dat is gunstig voor de synthese van complexe moleculen uit basale moleculen. Die syntheses hebben namelijk vrij veel energie nodig. Aan de kusten zijn weer gunstige katalytische oppervlakken, waarbij in poreuze steensoorten en zandafzettingen metaal deeltjes als katalysator kunnen werken. Het kenmerk van een katalysator is dat het een lastige reactie makkelijker maakt, door de initiële energie die nodig is om de reactie in gang te zetten te verlagen. Aan de kust is dan wel minder energie aanwezig, maar op een katalytisch oppervlak is ook minder energie nodig.
Experimenten om de abiosynthese van aminozuren en nucleotiden in waterige omgeving te tonen begon in de jaren 70 (Siegel & Siegel 1976; Koleshnikov & Egorov, 1978). Dat het vormen van aminozuren via spontane chemische synthese niet zo heel ingewikkeld is wordt wel getoond door het grote aantal experimenten met verschillende beginsituaties die allemaal een breed scala aan aminozuren en nucleotiden opleveren. Evenals het feit dat in verschillende meteorieten die zijn ingeslagen aminozuren zijn gevonden. Sommige aminozuren in die meteorieten komen zelfs niet op aarde voor.
Voor koolhydraten is het mogelijk deze uit formaldehyde te synthetiseren in een "formose" reactie (Butlerov). De eerste stap van twee formaldehyde moleculen tot een C2 structuur is een lastige en langzame stap, maar als die eenmaal heeft plaatsgevonden volgt een cascade van reacties met formaldehyde en het C2 product to een diversiteit aan koolhydraten, inclusief ribose, wat van belang is voor RNA en DNA.
Van bouwstenen naar bouwsels.
De synthese van de bouwstoffen in de oersoep is slechts de eerste stap. Je moet daarna van aminozuren peptide ketens vormen, en die peptide ketens moeten vervolgens zich gaan vermeerderen. Nu is de chemische synthese van peptiden eigenlijk helemaal niet zo lastig. In feite is een aminozuur een molecule dat een soort van klittenband plakkertje heeft, ze koppelen bij voldoende hoge temperatuur redelijk vanzelf aan elkaar. Twee losse aminozuren gaat redelijk snel. Het product, een diaminozuur, reageert nog redelijk snel met een los aminozuur of een ander diaminozuur, tot een tri- of tetrapeptide (drie of vier bouwblokjes). Daarna wordt het steeds langzamer, omdat een juiste botsing voor de koppelingsreactie steeds lastiger wordt.
Je moet maar rekenen dat je bolletjes hebt met een klittenband plekje met stof en eentje met haakjes. De kans dat twee bolletjes met de goede kanten op elkaar botsen en blijven plakken is redelijk groot. Twee setjes van twee bolletjes, of een los bolletje met een setje van twee dat kan ook nog best makkelijk. Als de ketens langer worden is er een steeds groter oppervlak waar een klittenband niet zal plakken, met slechts twee uiteinden met ofwel haakjes, danwel stof. En dan moet een los aminozuur maar net met de haakjeskant op de stofkant van zo'n keten botsen. Dus hoe langer de keten, hoe lastiger de verlenging is. Zo kan een diaminozuur binnen een paar minuten in redelijke hoeveelheid geproduceerd worden in een reactievat. Een peptide van 10 aminozuren kost je al 1 dag en een peptide van 28 aminozuren krijg je pas na een week.
Maar peptidéns van 28 aminozuren is beschreven (Ghadini 1996, 1997) die vervolgens in de oplossing met aminozuren en korte peptiden zich zo vouwden en gedroegen dat ze het vormen van peptiden met dezelfde sequentie bevorderden. Zogenaamde zelfreplicerende peptiden. Dus als eenmaal deze peptiden gevormd zijn in zo'n oersoep, tussen miljarden keer miljarden keer miljarden andere peptiden van 28 aminozuren, gaan ze zorgen dat zijzelf steeds meer gaan voorkomen.
Hetzelfde is gevonden voor een hexanucleotide, een aaneenkoppeling van 6 nucleotiden (uiteindelijk de informatiedrager in RNA). En eveneens een is een zelfreplicerend RNA-polymerase (eiwit dat uit nucleotiden RNA ketens bouwt) beschreven door Ekland (1995, Science).
Het belang van zelfreplicerende systemen is dat deze voorbeelden in een oersoepmodel binnen redelijke termijn vanzelf vormen, door willekeurige chemische reacties, gevolgd door willekeurige koppelingen van ofwel aminozuren, danwel nucleotiden. En vervolgens gaan ze de oersoep verrijken met kopietjes van zichzelf. In feite is dat wat leven ook doet, zichzelf vermeerderen.
Onbekenden.
Met deze peptiden en RNA ketens die zichzelf kopiëren, of zelfs een eiwitje dat RNA ketens kan bouwen en tevens zichzelf kopiëren ben je natuurlijk nog niet bij leven aangeland. Daartussen moeten nog meer stappen volgen, van associatie van verschillende van deze zelfreplicerende systemen. Daarna het bouwen van vetzuren door die systemen om een lipide-laag te vormen, waarmee je een echte afgesloten cel hebt. En uiteindelijk moet ergens vanuit een collectief aan zelfreplicerende moleculen een systeem ontstaan waarbij de informatie om deze moleculen te bouwen op een informatiedrager als RNA, of een polynucleotide, wordt opgeslagen en afgelezen.
Die stappen zijn nog erg onduidelijk. Want wanneer is RNA een rol gaan spelen? Is het begonnen met RNA als informatiedrager, of eerder met een polynucleotide (zonder ribose als ruggengraat), of juist een specifieke peptide-sequentie waaraan de nucleotiden gekoppeld waren. Er zijn dus nog veel vraagtekens. Dat betekent dat abiogenese nog niet bewezen is. Mensen die niet in abiogenese geloven wijzen graag naar de open gaten als zou het feit van onbekenden aantonen dat de theorie fout is. Dat zou betekenen dat we de zwaartekracht ook wel kunnen afschrijven, omdat er nog altijd op kwantum niveau onverklaarde aspecten aan gravitatie zitten.
Het is natuurlijk ook nog altijd mogelijk dat de abiogenese op aarde nooit heeft plaatsgevonden. Maar dat deze bijvoorbeeld elders in het heelal heeft plaatsgehad en vervolgens via de panspermia theorie alsnog op aarde terecht kwam. Dit plaatst de vraag van het ontstaan van leven op aarde buiten de aarde. Dat is enerzijds ontwijkend gedrag. Maar het zou kunnen dat de condities voor (een deel van) de abiogenese niet op aarde hebben bestaan, maar juist buiten de aarde hebben plaatsgevonden. Maar vooralsnog ziet het ernaar uit dat alle echt essentiële beginstappen prima op aarde hebben kunnen plaatsvinden.
Ook dat iets heeft kùnnen gebeuren, betekent niet per se dat het ook gebeurt is. Maar zoals het gaat in de wetenschap is de meest eenvoudige verklaring die alle observaties dekt de geldende theorie, totdat een experiment de theorie falsificeert.
Osmose
Je hebt twee glazen, in het ene zit water met veel zout, in het andere water met geen zout. Gooi de inhoud van de twee glazen bij elkaar en het zal geheel vanzelf mengen. Ook als je niet roert, zal na een tijdje het zout gelijk verdeeld zijn over het gehele volume. Dit komt doordat de moleculen in het glas nooit stilstaan. Ze bewegen chaotisch door elkaar heen. Hoe snel ze bewegen hangt van de temperatuur af. Dit zie je gebeuren als je een druppel blauwe inkt in een glas laat vallen. De inkt gaat vanzelf, zonder te roeren door de vloeistof heen mengen.
Als je het nu anders doet met dat zout. Bijvoorbeeld, je hebt een bak met twee compartimenten. Deze compartimenten zijn gescheiden door een membraan waar wel water moleculen doorheen passen, maar de grotere zout moleculen kunnen er niet doorheen. Dit soort membranen bestaan. Als je nu aan de ene kant water met 6 gram per liter zout doet en aan de andere kant evenveel water met 2 gram per liter gebeurt er iets. Aan het begin staat het niveau in de twee compartimenten even hoog. Maar na een tijdje zal het niveau aan de kant met 6 gram per liter hoger staan. Simpel gezegd komt dit doordat er aan de ene kant meer water moleculen aan de rand van het membraan zijn, en dus vaker moleculen van de kant met 2 gram per liter, naar de 6 gram per liter gaan, dan andersom. Dit gaat door totdat de concentratie aan beide kanten van het membraan gelijk is.
Als je het vloeien van water van de ene naar de andere kant onmogelijk maakt, door een plunjer op beide kanten te zetten, zodat het water-niveau niet kan stijgen, bouwt er druk op. Deze druk wordt de osmotische druk genoemd.
Reverse Osmose
Stel nu dat je water hebt met een hoge concentratie zout, en daar wil je water van maken met weinig zout. Dan kan je dat doen met reverse osmose. Je neemt in feite datzelfde membraan waar zout niet door kan, maar water wel. En dan ga je heel hard drukken. Je moet dus meer kracht zetten dan de osmotische druk die je zou hebben bij het verschil tussen het zoute water waar je mee begint, en het zoutvrije water dat je maakt.
Het Ashkelon project
In het Ashkelon project wordt zout water met een concentratie van 40.750 ppm zout omgetoverd tot water met minder dan 200 ppm zout. Om te rekenen moeten we straks niet de waarde in ppm (mg/l) hebben, maar in molair (maat voor aantal deeltjes per liter). De samenstelling van het zeewater in die regio is 22.219 ppm Cl-, 14.225 ppm Na+, 3.078 SO42- en 742 ppm Ca2+, en dan nog wat componenten die we even negeren. Daarmee kom je op een zout-concentratie van (naar beneden afgerond) 0,6 molair.
De osmotische druk is uit te rekenen met de formule
P=2RTc
R is de Gasconstante (8,31 kJ/kmol.K), T is de temperatuur in K (283 K = 10 graden celcius), en c is het verschil in concentratie.
In het geval van Ashkelon hebben we dus een osmotische druk van 2*8,31*283*0,6=2,822 kN/m3 = 2,8 MJ/s/m3
Dat komt overeen met een potentiële energie van 2,8 kWh/l. Dus in het meest gunstige geval heb je 2,8 kWh nodig voor het zuiveren van elke liter water in het Ashkelon project. Dan hebben we de kosten voor de inlaat pompen nog niet meegenomen, alleen de druk-pompen. Ook kosten voor de membranen die wegens slijtage regelmatig vervangen moeten worden zijn niet meegerekend. Tegen Nederlandse electriciteits-productiekosten zou een liter water in deze Ashkelon opstelling aan electriciteit alleen al 19,6 cent per liter kosten. Dat is 392 keer zoveel als het Ashkelon artikel suggereert.
Dit komt waarschijnlijk doordat overcapaciteit op het Israelisch electriciteitsnetwerk wordt ingezet voor de zuivering van dit water, zoals al eerder betoogd. Maar dat mochten we niet betogen, omdat het verhaal daarmee te technisch werd en niet meer te controleren.
Vergelijk ook het KEMA project Blue Energy, waarbij het mengen van rivierwater met zeewater wordt gebruikt om electriciteit op te wekken. Het is nog een pilot-project, maar met alle inefficiënties meegenomen verwachten ze een energie-opwekking te kunnen krijgen van 1 MW per m3, dat is ongeveer een rendement van 35,7 % van de maximale energieopbrengst uit de mengenergie. Dergelijke rendementen klinken mij reëel.
Volgens de vele opinieschrijvers bestaat het conflict in Israel/Palestina al ruim 60 jaar. Tel daar maar rustig 50 jaar bij op, zou ik zeggen. Hoewel dat evengoed een arbitraire grens is, maar alleszins redelijker dan die van 60 jaar geleden. De 60 jaren grens wordt gelegd wegens de onafhankelijkheidsoorlog van 1948. Maar het conflict tussen de Joden met Zionistische droom in het gebied en de arabische bevolking van het gebied begon al tijdens de herfstdagen van het Ottomaans Sultanaat.
In een van de weinige discussies die ik wel heb gevoerd in de afgelopen weken, ging het over de historie van het conflict. Ik heb betoogd bij Rutger, tegenover PeterV (Ajakuka) dat de historie losgelaten moet worden voor een oplossing. De historie is namelijk één van de facetten die maakt dat de oplossing voor het conflict niet bestaat. De historische waarheid bestaat namelijk niet. Dit is te illustreren met twee arbitraire voorbeelden uit de historie van het conflict.
De Ottoman Land Registration Law
Het eerste voorbeeld stamt uit 1858, toen het Ottomaanse Sultanaat voor het eerst land-eigendom in de wet erkende en liet registreren. In die tijd heerste het Ottomaanse rijk ook over het Midden-Oosten, met daarbij het latere Palestijnse mandaatgebied, waarin nog later de staat Israel gesticht is. Arabische notabelen die, in tegenstelling tot de boeren families in Palestine, geletterd waren kwamen te weten dat het land geregistreerd werd. Daarbij namen deze notabelen op slimme wijze het beste land in Palestina tot eigendom. Slechts enkele Palestijnen wisten van de nieuwe wet en registreerden hun land. In eerste instantie leidde dit niet tot problemen, omdat de Arabische landeigenaren het land aan de wonende boeren verpachtten. Deze boerenfamilies bewerkten dat land al generaties lang, en zolang hun levensonderhoud niet teveel aangetast werd was de pacht geen probleem.
Het probleem ontstond kort na 1897 toen Herzl's Zionistische droom op de Zionistische conventie werd besproken en "Palestina" werd uitgekozen als de meest logische locatie. Niet alleen wegens oud Testamentse claims op het gebied voor het Joodse volk, maar ook doordat de slinkse landeigenaren best de grond wilden verkopen aan deze rijke Joodse organisatie. Tussen grofweg 1900 en 1917 werd zo, afhnakelijk van de bron die je raadpleegt tussen de 6 en 12% van het grondgebied in wat Palestina zou worden door de Joods Zionistische conventie aangekocht.
De boeren families werden onteigend en door de Ottomaanse ordehandhaving, op verzoek van de kopers, verwijderd. Nu bestaan er vanaf dat punt twee versies van de geschiedenis. De ene is de Zionistische, die menen dat ze hun land voor het Joods nationale tehuis in Palestina, eerlijk gekocht hebben van de Arabieren, die vervolgens weigerden het over te dragen. De Zionistische organisatie voelde zich bekocht en bedonderd. Dus waren "de Palestijnen" oneerlijk en onbetrouwbaar. De tweede versie is die van "de Palestijnen" die ineens werd ingepikt door die vuile dievende Joden, met behulp van de Ottomaanse Sultan, die niets om de Palestijnen gaf.
Vanuit ieders perspectief is de versie die aangehangen wordt begrijpelijk en legitiem. Echter zijn beide partijen slachtoffer van enerzijds Ottomaans absentistisch wanbestuur en slinkse, ver weg wonende landeigenaren, die eerst onrechtmatig landclaims hebben gelegd, en toen opportunistisch verkocht.
Ieder van de twee versies van de historie is een eigen leven gaan leiden. Wat we niet kunnen achterhalen is of de Zionistische conventie vooraf wist dat er nog boeren op het gekochte land woonden. Eveneens is niet te achterhalen of de Zionistische conventie een redelijke prijs hebben betaald, of slechts een fooi, en dus konden vermoeden dat ze aan "heling" deden. Ook kunnen we niet nagaan of het nu 6, danwel 12% was, en ook niet of er veel geweld is gebruikt tegen de boeren. Ook onbekend is hoe breed bekend deze incidenten van onteigening waren, noch hoeveel procent van het land ook daadwerkelijk bewerkt en bewoond was. Elk van deze vragen wordt door de respectievelijke kampen maximaal in eigen voordeel of nadeel ingevuld. Door die waas van propaganda en opportunistisch invullen van de onbekenden is het inmiddels onmogelijk te achterhalen hoe het precies gegaan is. Wie in hoeverre blaam treft is niet langer te achterhalen. De historie kan dus geen recht doen in het heden.
De 1967 oorlog (6 daagse oorlog)
Het tweede incident is de 6 daagse oorlog. Volgens velen brak die op 5 juni 1967 uit, toen de arabische buurlanden van Israel het land binnenvielen. Het doel zou zijn de vernietiging van Israel. In een toespraak heeft Ariel Sharon verklaard dat dit onuist is. De oorlog begon niet op 5 juni 1967, maar twee en een half jaar eerder. Israel had afspraken met buurlanden over de verdeling van het water uit de Jordaan. Israel bouwde een omleiding, om een deel van dit water af te tappen, ter irrigatie van de Negev. Met die omleiding tapten ze meer af dan hun afgesproken deel. Toen Jordanië een eigen omleiding bouwde om dit te herstellen, of te overtreffen, heeft Israel militair ingegrepen en de bouwwerken op Jordaans grondgebied vernietigd.
Tegelijk speelde ook een water dispuut rond Galilee, waar Israel ook water claimde voor gebruik, waar Syrië en Libanon het niet mee eens waren. Deze disputen om water bouwden op tussen Israel en de buurlanden, die uiteindelijk in 1967 uitbarstte. In de hevige strijd die volgde veroverde Israel grote stukken land, die precies reikten totaan de water reserves waar de strijd om begon. Het is ook niet vreemd dat Israel de stukken veroverd op Egypte redelijk snel terug gaf en de Golan hoogte en Westerlijke Jordaanoever niet zomaar zou opgeven.
In deze historie is het nog ingewikkelder dan de eerste van vóór het uitroepen van de staat Israel. Vooral doordat er al tientallen jaren aan strijd en propaganda aan vooraf is gegaan, waarin veel halve en hele leugens tussen de verschillende partijen gevallen zijn. Hoe de afspraken over het water precies waren weten we eigenlijk niet zo goed. De Arabische landen, Palestijnen en pro-Palestijnse activisten verklaren liefst dat Israel in de grensstreken provoceerde en uiteindelijk een aanval op alle fronten uitlokte, om zo stiekem deze rijke gebieden te veroveren op haar buurlanden. Een groot Joods complot. Dat is natuurlijk onzin. Israel heeft nooit een dergelijke doodswens gehad, dat ze meende het risico te moeten lopen om alle buren tegelijk uit te lokken. Als het uitlokking was, zou Israel dat veel slinkser één voor één hebben gedaan. Dat zou elke verstandige natie met dergelijke doelen hebben gedaan. Daarnaast zou voor de provocaties van Israel toch enig bewijs moeten zijn, gezien dat nog nooit getoond is, is het redelijk om aan dit verhaal te twijfelen.
Hoewel Sharon de werkelijke oorzaak van het conflict, namelijk water, erkende, leeft in de publieke perceptie deze werkelijkheid amper. In de retoriek van het conflict in Israel/Palestina gebruiken de media-voorlichters van het IDF het liefst de versie dat de 1967 oorlog vooral toont hoe groot het antisemitisme in het Midden-Oosten is, en dat Israel dagelijks moet waken voor de totale vernietiging door haar buren.
Water
Ik begon met stellen dat er twee belangrijke oorzaken waren voor de onmogelijkheid van een oplossing in dit conflict. In ieder geval is een eerlijke oplossing onmogelijk. Door de oorlog in 1967 heeft Israel nog altijd de controle over Gaza en de West Bank. En dat is niet zo vreemd, gezien Israel op eigen grondgebied voor 1,7 kubieke km/jaar aan schoon water kan onttrekken (cia world factbook), terwijl Israel jaarlijks voor bijna 2,1 kubieke km aan water gebruikt. Ongeveer een kwart van de jaarlijkse waterbehoefte van Israel wordt uit de West Bank onttrokken. Na de 1967 oorlog heeft Israel eerst van staatswege, en daarna middels het Israelisch waterbedrijf het ontbrekende kwart aan water, van de Palestijnen in de West Bank gestolen. Dat klinkt hard, maar dat is wel de werkelijkheid. Voor alle watervoorziening zijn de Palestijnen op de West Bank afhankelijk van onbetrouwbare en karige waterlevering door Israel. Terwijl dit water uit hun eigen toegewezen grondgebied wordt onttrokken. Ik kan er geen andere term voor bedenken dan diefstal.
Waar de WHO stelt dat voor gezon leven een minimum van 100 liter per dag per persoon nodig is, krijgen de Palestijnen in totaal nog geen 70 liter per dag. En dat is niet alleen voor privaat gebruik, maar ook voor industrie en landbouw. Geen wonder dat de landbouw in WestBank stagneert en industrie zo goed als niet bestaat. Daarnaast heeft de bevolking van de West Bank te kampen met onregelmatige toevoer en slecht onderhoud van de leidingen in hun gebied. De joodse bevolking gebruikt (inclusief landbouw en industrie) 835 liter per persoon per dag. Ongeveer 350 liter voor privaat gebruik per persoon per dag.
In Gaza was ook een kleine grondwatervoorraad aanwezig. Deze is overmatig gebruikt, wederom voor Israelische doeleinden, met een doorverkoop aan de Palestijnen aan wie Gaza was toebedeeld. Het overmatige gebruik resulteerde uiteindelijk in vervuiling van de bron, die bijna onbruikbaar is. Nog geen twee jaar na het begin van verval van die waterbron heeft Sharon de nederzettingen in Gaza ontruimd, de resten van de industrie, waterinstallaties en electricisteitscentrale in die nederzettingen zijn bij de terugtrekking vernietigd.
Dit is de harde werkelijkheid van Palestina. De belangrijkste bron voor leven is water. De belangrijkste drijfveer van de agrarische sector en producerende industrie is water. Het gebied Palestina/Israel produceert net genoeg hernieuwbaar water om de Israelische economie van nu in stand te houden, met een per-capita nationaal product van $ 26.600 per jaar (Nederland $ 39.000). In schril contrast staat het Palestijnse gebied, West Bank en Gaza samen goed voor een per capita inkomen van $ 1.100 per jaar. Een eerlijke oplossing, waarbij West Bank en Gaza een levensvatbare staat met een levensvatbare economie wordt, betekent dat Israel minimaal de 25% gestolen water uit West Bank moet teruggeven aan de West Bank, en dus 25% van het watergebruik moet reduceren. Dan nog wordt Palestina lang niet zo rijk en levensvatbaar als Israel, en vooral Gaza is verloren, zonder eerlijke levering van water en electriciteit, tegen een redelijke prijs, vanuit Israel. Want Gaza heeft zo goed als niets meer.
Elke eerlijke oplossing betekent een drastische welvaartsval in Israel, die daarmee zal balanceren op het randje van een 2e wereldeconomie. Palestina zal in staat zijn dan een economie op te bouwen vergelijkbaar met de buurlanden, die variëren van een per capita inkomen tussen de $ 4.700 (Jordanië en Syrië) en $ 10.300 (Libanon, veruit het beste af in de regio).
Wat voor toekomst
Wat houdt dit nu in voor de toekomst? Ik vrees dat de toekomst een voortduren van dit conflict inhoudt. Elke oplossing die recht doet aan de primaire belangen van de Palestijnen zal onacceptabel zijn voor Israel, immers moet het land dan een flinke hap uit haar economie toestaan. Elke oplossing die acceptabel is voor Israel zal voor de Palestijnen een leven van armoede betekenen. Zonder enige kans om een fatsoenlijk leven op te bouwen. In die zin heeft Israel op zich gelijk, dat wat de Palestijnen willen, de vernietiging van Israel is. De enige manier immers, waarop de Palestijnen kans hebben op een welvarende toekomst, gaat gepaard met een vernietiging van de Israelische welvaart. En daarmee in feite ook Israel, want het land kan zich met 25% minder water niet langer in stand houden. Dus zelfs als de Palestijnse organisaties als Hamas niet zouden oproepen tot totale vernietiging van Israel, zou elke vreedzame protest-organisatie de facto hetzelfde voor Israel wensen als Hamas. Alleen dan niet met raketten, zwaarden en bomgordels. Maar middels een eerlijke verdeling van het water dat leven betekent.
De harde werkelijkheid is dat we in het veilige Westen moeten kiezen wie we leven gunnen. De inwoners van Israel, of de Palestijnen. Als je onbekend bent met de schaarste van het water kan je de illusie hebben dat een eerlijke oplossing mogelijk is. Maar sinds ik een paar maanden geleden realiseerde dat die schaarste bestaat, besef ik me dat we de luxe van een eerlijke oplossing niet hebben. Het is dan ook niet vreemd dat die oplossing er ook nog niet is. Dat heeft minder te maken met hatelijk en egoïstisch Zionisme, noch met antisemitische haat die Israel in zee zou willen drijven. Het heeft alles met water te maken.
Bijstand
Een bijstandsuitkering ligt vast voor alleenstaanden op 970 euro netto per maand, voor gehuwden alweer op 1276 euro per maand (inclusief vakantietoeslag). Daarnaast zijn er nog allerlei regelingen die invloed hebben op je inkomenssituatie. Je hebt toeslagen, zoals huurtoeslag, kindertoeslag, langdurigheidstoeslag. Ook zijn er bijzonder bijstandsbepalingen waarmee je vergoedingen kan krijgen. Dit maakt de vergelijking erg lastig.
Minimumloon
Een volwaardig minimumloon staat vast op 1381,20 per maand. Hiermee valt je netto inkomen op 1174 euro per maand, exclusief vakantietoeslag. Dat is eigenlijk vreemd, want de website van sociale zaken zegt dat voor gehuwden het gezamenlijke bijstandsinkomen op 100% van wettelijk minimumloon ligt. Toch, als ik de Raet bruto-netto berekening laat uitvoeren komt één volwaardig minimumloon lager uit dan een bijstandsuitkering.
Voorbeeldgezin
Voor mijn eigenlijke berekening maak ik gebruik van een voorbeeldgezin. Twee ouders van 30 jaar oud, één kind van 4. Ze wonen in Amsterdam (relevant voor gemeentebelastingen). Als alleen één van de ouders zou werken blijft het heel ondoorzichtig. Want stel dat die ene ouder tegen minimumloon werkt, blijft het netto inkomen lager, de huurtoeslag komt (miraculeus) ook lager uit dan die van de bijstandsgerechtigde. Verder kan het gezin dan nog steeds gebruik maken van de bijzondere bijstand.
Ik heb daarom maar even de zaak anders aangepakt. We gaan twee gezinnen vergelijken. Ouders beiden 30, kind 4. In het ene gezin werkt er niemand en hebben ze bijstand. Al sinds de ouders 24 zijn, waardoor ze ook nog langdurigheidstoeslag krijgen. Het andere gezin verschilt doordat zowel vader als moeder werken. De een werk 4 dagen per week, de ander 3, beiden tegen minimumloon. Het kind gaat 2 dagen in de week naar de kinderopvang.
Beide gezinnen wonen in een huurwoning van 430 euro per maand plus 60 euro servicekosten per maand.
De berekening voor het werkend gezin.
Met de Raet bruto-netto berekenmodule kom je voor deze twee ouders op netto inkomens van 889 euro per maand voor 4 dagen, en 764 netto per maand voor 3 dagen. Dat is samen 1558 euro netto. Dat is te hoog voor enige bijzondere bijstand. Ze kunnen dus geen enkele aanspraak maken op bijdragen in schoolkosten, geen lidmaatschappen voor cultuur- of sportverenigingen. Ook krijgen ze lagere huurtoeslag en kindertoeslag.
Met 1558 euro netto komen ze inclusief vakantiegeld op een netto jaarinkomen van 19696 euro uit. Dat is het basisinkomen.
Basisinkomen 19696
Huurtoeslag 1224 per jaar
Kindertoeslag 984 per jaar
Zorgtoeslag 1236 per jaar
Kinderbijslag 775 per jaar
Totaal : 23915 euro netto per jaar
Dan heb je nog de kinderopvang. Die kost totaal 4993 euro per jaar. Maar daarvan betaalt de belastingdienst en werkgevers 4633 euro per jaar, waardoor het gezin 360 euro per jaar zelf betaalt.
Dan heeft het gezin nog 23555 netto per jaar over, maar moet gemeentelijke belasting betalen van 382 euro per jaar (Amsterdam). En blijft dan met 23173 euro netto per jaar over.
Het bijstandsgezin
Het gezin in de bijstand krijgt netto 15312 euro inclusief vakantiegeld ieder jaar. Dat is het basisinkomen.
Basisinkomen 15312
Huurtoeslag 2892 per jaar
Kindertoeslag 984 per jaar
Zorgtoeslag 1464 per jaar
Kinderbijslag 775 per jaar
Langdurigheidstoeslag 486 per jaar
Dat is totaal 21913 euro per jaar netto. Dat is zo'n 8,4% minder dan het voorbeeldgezin. Maar ze hebben géén kosten aan kinderopvang en ze krijgen kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Dus na verrekening van deze kosten is het netto verschil nog maar 5,5% per jaar.
Dan zijn er nog regelingen voor 250 euro per kind per jaar aan extra kosten in opvoeding/scholing waar ze aanspraak op kunnen maken en 120 per lid van het gezin per jaar aan sport, cultuur en recreatiekosten. Daarnaast kan dit gezin extra vergoeding krijgen voor aanschaf van wasmachine, koelkast, televisie, stoffering. Hieraan zitten geen vaste besdragen verbonden en worden door personeel van de sociale dienst beoordeeld. Maar met al deze regelingen heeft iedere gemeente een eigen vastgesteld budget. Op is op en wie te laat komt heeft pech. De doorgewinterde bijstandsgerechtigde weet dit en claimt aan het begin van iedere periode zo snel mogelijk het maximum voor al deze zaken.
Als het gezin hiervan maximaal gebruik maakt, komt er nog 360 en 250 euro per jaar bij op de balans, en wordt het verschil nog kleiner.
Eindconclusie
De armoedeval lijkt wel te bestaan. Het verschil tussen niet werken en wel werken, op minimumloon niveau, is niet bijzonder groot. Maar als je een inkomen van 100% op minimumniveau hebt, maak je nog steeds aanspraak op de meeste regelingen van de bijstand. Alléén de kwijtschelding van gemeentebelastingen lijkt niet te gelden. En dat is weer vreemd. Ook de huurtoeslag komt om een of andere reden lager uit, evenals het netto inkomen. Ik vermoed dat het netto inkomen vooral lager is doordat een bijstandsuitkering anders wordt aangeslagen voor WW premie en premie sociale verzekeringen.
Als beide ouders gaan werken en gebruik maken van de kinderopvang maak je wel degelijk een sprong vooruit. Dus de kinderopvang is, ook met de nieuwe tarieven, niet te duur. Het verschil, ondanks de regelingen, komt neer op 100 euro netto per maand tussen de twee gezinnen. Dat kan heel anders uitpakken als de modelgezinnen de pech hebben van een kapotte wasmachine, waarbij het bijstandsgezin een vergoeding van de gemeente krijgt, en het werkende gezin niet.
De echte armoedeval zit hem vooral in de tweeouder gezinnen waarbij maar één van de twee tegen minimuminkomen, of vlak daarboven gaat werken. In het laagste inkomen geen probleem, maar wordt het inkomen net boven de 1425 per maand, dan stoppen abrupt alle bijzondere regelingen. Er zit enige fasering in, maar die lijkt, als ik het snel doorloop schokkerig. Het is allemaal erg ingewikkeld om dit in kaart te brengen. Ook de huurtoeslag en zorgtoeslag lopen raar in de inkomensopbouw vanaf bijstand/minimumloon naar de magische grens van 1425 netto per maand, waarop de bijzondere regelingen wegvallen.
Vooral doordat inkomen doorgaans niet op minimumloon blijft steken, vooral als er wat langer een dienstbetrekking is, lijkt mij dat de armoedeval vooral een psychologische val is. Misschien bekijk ik het ook nog eens voor de eenouder situatie, maar dat is weer een hele andere complexe situatie.
Het idee van het electronisch patiënt dossier (EPD) is dat artsen en apothekers makkelijk inzage hebben in de medische historie en huidige medicatie van de patiënt. Zo kunnen veel fouten voorkomen worden en zouden minder medische missers gemaakt worden. We moeten inderdaad niet onderschatten hoe belangrijk het voor een arts is om zoveel mogelijk betrouwbare informatie te hebben over een patiënt. Dat kan inderdaad voorkomen dat een arts een standaard medicijn voorschrijft, wat toevallig in conflict is met een ander medicijn dat al gebruikt wordt.
Aan de andere kant weet een arts dus welke medicijnen of situaties niet samen gaan met een bepaald medicijn. De arts kan dit ook navragen bij de patiënt of een vertegenwoordiger van die patiënt. Als een arts grondig te werk gaat heeft het EPD in deze gevallen geen toegevoegde waarde.
Met de historie van een patiënt mogelijk wat meer. Een patiënt kan vergeten zijn dat hij/zij overgevoelig was voor een bepaald middel zo'n 10 jaar geleden. Of ze vergeten een allergie te melden, die van groot belang is voor het behandelingstraject. Maar ook daar gaat een EPD niet gegarandeerd bij helpen. Veel oude informatie is niet betrouwbaar gedigitaliseerd en zal ook niet in het dossier opgenomen worden. Dat gaat pas over 10 jaar spelen, dat het EPD is opgebouwd tot een betrouwbare database.'
Maar dan moeten we ook even kijken wat er allemaal in dat EPD terecht gaat komen. In feite alle informatie van (huis)artsen en apothekers over consulten, medicatie en controles. En dat van elke Nederlandse burger. Dat pakket aan informatie is dan wel handig en makkelijk voor artsen, maar het is ook een goudmijn aan informatie voor verzekeraars, banken en potentiële werkgevers.
Nu kan je dat wegwuiven als een overdreven zorg, want alleen artsen kunnen in dat dossier kijken. Maar een aantal ziekenhuizen in Nederland heeft financiële zorgen. Een van de ziekenhuizen staat al te koop, met het bericht dat een bank of verzekeraar de tent kan kopen om het ziekenhuis in stand te houden. Dat was niet alleen een ideetje van de directie, het is inmiddels door de overheid en Europa goedgekeurd, dat een geïnteresseerde bank of verzekeraar het ziekenhuis mag kopen. Daarmee krijgt de financiële sector eigendom over een zorginstelling. Dan is het nog maar een klein stapje naar het lichten van patiënteninformatie als die patiënt bij de verzekeraar wil aankloppen voor een levensverzekering, of bij de bank voor een hypotheek.
Daarnaast heeft elke grote werkgever een arbo-arts in dienst. Deze arts moet de werkgever helpen de kosten van (langdurig) zieke werknemers te drukken, door deze te begeleiden en de ziektebeelden te controleren. Maar het is wel een arts. Die kan dus ook in het EPD kijken, voor diezelfde werkgever, om een potentiële nieuwe werknemer even te controleren op mogelijk aandienende gezondheidsproblemen.
Zie ik spoken? Ik denk het niet. Volgens mij werkt de huidige methode prima. Als een arts of specialist mij wil behandelen en graag mijn medische historie wil hebben dan moeten ze mijn toestemming hebben op het dossier bij de huisarts op te vragen. Ik geef die toestemming altijd, maar alleen aan een arts die mij gaat behandelen. En als de behandeling over is krijg ik een brief met het verslag voor mijn huisarts. Ik ben degene die besluit of ik het aan mijn huisarts ga geven. Niet de specialist. Daarmee blijf ik als patiënt degene die controle heeft over wie ik informeer over mijn medische historie. Met het EPD wordt de vraag aan mij als patiënt uit de cyclus geknipt, en daar heb ik bezwaar tegen. Elke burger met gezond verstand zou dat ook moeten hebben.
Het meest interessante onderwerp dat naar voren kwam was anonimiteit op internet. Iets dat op het weblog ook steeds weer naar voren komt. In heftige discussies, waarin vooral de "anonieme" personen het moeten ontgelden. Jawel, wij zijn achterbaks, asociaal en doen het alleen maar om ons straffeloos te kunnen misdragen. Ik zou vooraf willen vragen aan deze mensen eens te kijken naar die grote meerderheid aan webloggers hier die onder pseudoniem opereren en hoeveel ervan zich achterbaks en onfatsoenlijk gedragen.
Onze drie filosofen kwamen er gisteren ook niet helemaal uit. Dat komt waarschijnlijk doordat alle drie 50+ zijn. Dat is niet als belediging bedoeld, maar geen van drie scheen echt te begrijpen hoe het nu in elkaar zit met dat internet, het chatten en vooral de "andere identiteit". De filosofen hechtten heel erg aan het fysiek zichtbaar zijn. Dan ben je blijkbaar niet anoniem. Ik zou willen stellen dat als je fysiek zichtbaar in een winkelstraat loopt, in een stad waar niemand je kent, je behoorlijk anoniem bent.
Nog een groot bezwaar van een van de filosofen was dat mensen op internet zo vaak een andere identiteit aannemen. Zichzelf niet zijn. Dat is nogal een stelling. Alsof het gebruik van een pseudoniem maakt dat ik als internetter niet meer mezelf ben. En de ander niet mijn echte ik te zien krijgt. Ik durf te stellen dat iemand op internet, achter een pseudoniem, makkelijker zijn echte identiteit laat zien, dan op straat.
Ik ken veel mensen die in real-life situaties, zoals men dat op internet noemt, nooit hun mond zouden open doen. Nooit zichzelf zouden willen profileren. Maar op internet kunnen ze wel over die drempel stappen om te zeggen wat ze ergens van vinden. Omdat als het slecht valt, je altijd kan veranderen van naam en een nieuwe start maken. Tekenend is, dat in de praktijk maar heel weinig mensen na een aanvaring of een misser kiezen voor het opgeven van het gekozen pseudoniem. Je moet dan namelijk wel al je plezierige contacten en geschiedenis die je opgebouwd hebt opgeven. Net als in het echte leven, waar je na een foute opmerking op de tennisclub ook kan weglopen, maar je daarvoor wel je hobby moet opgeven.
De filosofen, en ik vrees veel mensen met hen, denken dat iemand die een alias kiest op internet meteen zijn eigen identiteit te grabbel gooit. Maar de innerlijke identiteit blijft dezelfde. Je kan alleen een rol spelen, waarin je een deel van je identiteit uitvergroot. Maar dat is nog steeds je eigen identiteit die je laat zien. Dat er mensen zijn die vatbaar zijn voor meerpersoonlijkheid syndromen, zoals naar voren gebracht door een der filosofen, is een slecht argument om anonimiteit op internet te verbieden. Mensen met die gevoeligheid kunnen hun ziektebeeld ontwikkelen op internet, maar zullen dat net zo goed doen zonder internet.
Uiteraard zijn er mensen die de anonimiteit op internet misbruiken. Misbruiken om jonge jongetjes of meisjes te lokken voor hun verziekte seksuele drang. Of mensen die misbruik maken van de anonimiteit om mensen op te lichten. Maar daar moet bij gezegd worden dat wat de slechtoffers op het scherm zien wel anoniem is, de persoon is het feitelijk niet. Alle data en verkeer wordt opgeslagen. Zelfs als je via een proxy of remailer werkt, zal de server die je gebruikt jouw inloggegevens daar opslaan. Als je dan werkelijk een misdrijf pleegt zal een eigenaar van de proxy of remailer het verzoek om IP gegevens van politie of justitie niet weigeren. En de Internet Service Provider zal bij een rechterlijk verzoek gewoon je NAW gegevens verstrekken.
Tot slot de anonimiteit op het weblog. Ik zag laatst weer eens zo'n discussie over die anonimiteit. Iedereen die met een duidelijk alias opereert is blijkbaar achterbaks en oneerlijk. Maar ik, en met mij vele anderen, ben niet anoniem. Ik werk onder pseudoniem. Dat is heel wat anders. Mijn echte naam en adres zijn bij de redactie bekend. Dat kan je natuurlijk in twijfel trekken, ik kan ook een fictieve naam en adres opgeven voor de database van het VKweblog. En dat kan iedereen, ook iemand die onder een "echte" naam opereert.
Stel ik open een weblog bij de Volkskrant en ik geef mijn naam op als Mvr. Karin Swieten. Ik woon in Alkmaar en werk drie dagen per week als receptioniste. Hoppa, een echte identiteit. Alleen ik ben ten eerste geen vrouw, Karin is mijn naam niet en ik woon niet in Alkmaar. Maar omdat ik me voordoe als iemand die "met open vizier" blogt, zal niemand mijn aanspreken op anonimiteit. Niemand zal van mij eisen dat ik me bekend maak. Ik ben met zo'n nep-identiteit nog anoniemer dan iemand die het fatsoen heeft een leuke alias te verzinnen. Dan kan je tenminste zien dat het een gekozen naam is, in plaats van de naam die mijn ouders voor mij hebben bedacht.
Het argument, veel gehoord, dat alleen achterbakse of valse redenen kunnen bestaan om onder pseudoniem te opereren verwerp ik ook. Een reden die ik altijd heb gehanteerd om onder pseudoniem te werken op het weblog is bescherming van mijn gezin. Er lopen op het internet nu eenmaal malloten rond. De kans dat je er eentje tegenkomt is redelijk aanwezig. Als je zo'n malloot dan ook nog eens tot vijand krijgt heb je voor je het weet nachtelijke telefoonterreur, dozijnen ongewenste bezorg-pizza's of andere vervelende dingen aan huis. Ik wil niet dat mijn hobby per ongeluk zorgt dat zo'n idioot mijn gezin gaat lastig vallen. De enige optie die bestaat voor de malloten is een e-mail naar een geanonimiseerd mail-adres. En gezien de inhoud van die mailbox soms, ben ik toch blij dat ik hier Qabouter heet, en niet onder mijn gegeven naam werk.
Maar dat is niet de enige reden voor mensen om onder pseudoniem te werken. Als je klokkenluider bent, en je hebt het idee dat je melding aan justitie niet serieus wordt genomen, kan je op internet je verhaal kwijt. Maar als je dat onder je echte naam doet, heb je al snel een probleem. Dan kan je beter de bewijzen onder pseudoniem publiceren. Zo ook als je een erg persoonlijk probleem hebt en je op een forum met lotgenoten wil kunnen praten. Dan wil je ook niet dat iedereen zomaar op je naam kan googelen en ontdekken wat voor persoonlijke en gevoelige gezondheidszaken je mee te kampen hebt.
Nog een reden die ik kan bedenken om onder pseudoniem te willen werken, is als je kritiek levert op groepen mensen die nogal agressief zijn. Bijvoorbeeld Hells Angels, Stormfront lieden. Maar ook ideologische groepen hebben vaak leden die zich zo sterk verwant voelen met hun ideologie, dat ze de grenzen van het betamelijke in hun passie nogal eens vergeten. Als je dus, zoals ik wel eens doe, het geloof, of Intelligent Design kritisch benaderd, krijg je wel een e-mail die niet al te fris is. Ik ben dan wederom blij dat het bij e-mail blijft, en men niet weet wat mijn telefoonnummer of adres is. Want de suggestie dat mijn zoontje gered moest worden van de goddeloze opvoeding die ik te bieden heb maakt mij al boos als ik die in mijn mailbox aantref, maar als mijn adres bekend was, zou ik ook nog van de zorgen wakker moeten liggen.
De redactie van Netwerk vroeg zich af wat de term "dagverse melk" nou precies betekende. Eerst werd uitgebreid uitgelegd waarom men zich dit afvroeg. Melk in die verspakken met het label "dagvers" is namelijk soms zelfs tot 15 dagen houdbaar. Hoe kan het dan nog "dagvers" heten? Die term suggereert namelijk dat het niet ouder dan een dag is, zo vers uit de koe.
De intrroductie van het item is een beetje langdradig met drie maal herhaling van de vraagstelling. Het lijkt wel zo'n amerikaans programma waar om de minuut een reclameblok in zit, waardoor de intro-vraag telkens herhaald moet worden, om na de reclame de aandacht weer op het item te krijgen.
Direct na de introductie neemt het filmpje een rare wending. Er komt namelijk de nogal harde stelling dat rauwe melk niet meer verkocht mag worden, omdat die verse melk uit de koe gevaarlijk is. "Je kan er zelfs dood aan gaan." aldus de voice-over. De manier waarop dit gebracht wordt is het net alsof melk direct uit een koe zwaar vergif is. Dat is natuurlijk niet waar. Die melk is prima te drinken. Hij is alleen zeer kort houdbaar en kan zo niet het pak in.
De presentatie meldt vervolgens dat vroeger nog wel rauwe melk verkocht werd. Ze melden niet dat dit kon, doordat er veel kleine veeboeren waren en veel kleine melkverwerkers. Daardoor heb je korte distributielijnen en komt de melk inderdaad binnen 24 uur van de koe bij de klant. Dan groeien de bacterien in de melk nog niet zo hard. In principe kan je die rauwe melk nog wel drinken, tot een dag of 4 a 5 na melken. Maar als het distributiepad wat langer duurt, dan heb je na aankomst in de winkel vaak nog maar een of twee dagen om het te drinken, en daarna wordt het al link, zeker voor mensen met een zwakker gestel.
De huidige dagverse melk is gepasteuriseerd. Dat wordt ook wel 4 keer genoemd op een toon alsof het een schande is. Ook mag een stel kaasboeren vertellen dat de melk uit de melkfabriek eigenlijk geen melk meer mag heten. Het is namelijk heel wat anders geworden dan de rauwe melk.
Hier wordt het helemaal mooi, door pasteuriseren wordt namelijk de melk veranderd, volgens de twee. De enzymen die van nature in rauwe melk zitten gaan eruit. De hele samenstelling verandert. Daardoor kan gepasteuriseerde melk niet goed verteren en krijg je allergie. Je kan rauwmelkse producten nog best hebben met een koemelk allergie, melden de twee.
Zonder een echt expert aan het woord te laten, blijven deze claims hangen. Maar dat is wat vreemd. Want het is een beetje van de klok en de klepel. Ze hebben deels gelijk, maar niet helemaal.
De enzymen ten eerste, die zitten nog wel in de melk. Door het verwarmen is echter een groot gedeelte ervan stuk. Die doen niets meer. Enzymen zijn kleine moleculaire fabriekjes. Ieder type enzym voert een reactie uit in levende wezens. Om voedsel af te breken heb je enzymen nodig die specifiek het juiste type voedsel kan aanpakken en afbreken tot bruikbare bouwblokken, of een hele serie enzymen in een soort fabriekslijn om uit het voedsel energie te halen.
De enzymen die nodig zijn om eiwitten, vetten en suikers in de melk af te breken hoeven niet in die melk te zitten. Die heb je zelf en worden in je lichaam gewoon naar behoefte aangemaakt. Dat de enzymen in de koemelk stuk gemaakt worden heeft op de verteerbaarheid van de melk geen invloed. Die enzymen zitten in de koemelk om te helpen het immuunsysteem van het kalf op te bouwen. Die enzymen hebben voor de volwassen mens geen functie. Bij jonge kinderen kunnen sommige verkeerde enzymen die specifiek voor de koe zijn, en producten die de enzymen maken, zorgen voor allergie. Daarom wordt geadviseerd baby's met borstvoeding groot te brengen. Hoewel de meeste bekende enzymen en enzymproducten in de melkpoeders al zijn verwijderd, of kapot gemaakt.
Nog altijd komt allergie bij baby's met melkpoeder iets meer voor, maar dat kan komen doordat er nog een paar factoren zijn die nog niet bekend zijn in het ontwikkelen van allergie. Daar wordt nog altijd onderzoek naar gedaan.
De smaak van de rauwe melk is ook anders ten opzichte van de gepasteuriseerde melk. En dat is wel interessant. Het verschil in smaak komt doordat bij verhitting de suiker in de melk (lactose) reageert met eiwitten in de melk. Dit heet glycatie. De eerste stap in de glycatie koppelt de suiker aan het eiwit op een instabiele manier. Daarna kunnen er twee dingen gebeuren. Ofwel de suiker komt weer los, danwel het eerste zogenaamde Amadori product wordt gevormd. Een stabiele binding tussen suiker en eiwit. Bij verdere verhitting ontstaan de zogenoemde "Advanced Glycation Products (AGEs)". Deze AGEs zijn gevonden als mogelijke factor in het ontwikkelen van diabetes, kanker, allergie, astma en vele andere aandoeningen.
AGEs worden gevormd bij elke verhitting van een product dat zowel vrije suikers als eiwitten bevat. Hoe langer en hoger de verhitting, hoe meer AGEs er worden gevormd. De verhitting van de melk in pasteuriseren vindt plaats bij 75 graden celcius gedurende 23 seconden. Dat is vrij kort en geeft maar relatief weinig glycatie en dus weinig AGEs. De meeste producten die we koken of bakken bevatten veel meer vrije suiker samen met eiwitten. Zeker als we mooie gezoette marinades op het vlees hebben krijgen we veel glycatie. Of bij sauzen gebaseerd op room.
Ik denk dat "dagverse" melk maar een heel kleine bijdrage geeft aan de totale hoeveelheid AGEs die we innemen. Als je de kans op AGE-veroorzaakte ouderdomskwalen wil vermijden, kan je het beste minder (bij)gezoette producten nuttigen, dan de melk te laten staan.
Wat ik aan het netwerk item helemaal vervelend vond is dat ze bij de grote zuivelfabrieken alleen vroegen hoe hun melk werd bereid en of het dan nog wel dagvers mocht heten. Campina gaf niet thuis, en FrieslandFoods liet keurig zien hoe het allemaal in zijn werk gaat. Maar dat kwam pas aan het eind, nadat er al het hele item laatdunkend over de grote melkproducenten en hun product was gesproken. Een echte hoor en wederhoor is hier niet toegepast. En dat is niet zo netjes van Netwerk.

In het
plaatje is te zien hoe de wetenschappelijk methode hoort te werken.
Je ziet iets, dan stel je over het waargenomen fenomeen een
hypothese op. De gestelde hypothese wordt met gedachte- en fysieke
experimenten getoetst. Vele malen. Als hij ook maar één maal faalt
moet de hypothese aangepast worden. Dan begint het testen van de
hypothese opnieuw. Dezelfde experimenten moeten herhaald worden en
daarna moeten nog extra experimenten gedaan worden. En geen enkele
keer mag de hypothese falen in haar verklaring van de observaties
tijdens het experiment. Vervolgens wordt de hypothese pas een
theorie. Geen voldongen feit nog, maar een theorie. Een theorie
heeft bewezen in haar kinderlijke hypothesetijd sterk te staan. Een
theorie wordt wederom vele malen getoetst middels experimenten. De
theorie moet álle experimenten kunnen doorstaan. Doorstaat hij deze
niet moet er een nieuwe hypothese gemaakt worden en kan de theorie
komen te vervallen. Daarvoor in de plaats moet dan een nieuwe
theorie komen. Pas nadat een theorie lange tijd is getoetst en er
duidelijk verklaarbare wetmatigheden ontdekt zijn, die alle
experimenten en resultaten volledig kunnen verklaren, kunnen deze
als wetmatigheden beschreven worden. Dan kan nog altijd dit weer
vervallen doordat wetenschappelijke experimenten aantonen dat de
natuurwet niet alle werkelijkheid kan verklaren. Maar een hypothese
moet wel heel sterk groeien, kan het een theorie wegbeuken, en een
theorie moet een grote jongen/meid worden voordat het een wet kan
kraken.
