Vanaf de bank
Nico Dijkshoorn

Zaterdag was ik in Uffelte.
Drente. Gelukkig regende het. Ik bleef na aankomst even in mijn
auto zitten. Er stond een geluidswagen, met vier speakertjes op het
dak. Dus toch geen geintje.De organisator van het Schrijversfestival Steenwijk had mij een dag eerder nog gemaild dat hij er eentje had gehuurd. Als de belangstelling voor mijn literaire wandeling door Uffelte honderden mensen zou trekken, dan kon ik die auto gebruiken. Nu ik hem zo zag staan, de geluidswagen, hoopte ik dat ze zouden komen, die honderden mensen. Ik in de auto, als een afhaler van chemisch afval, door de straten van Uffelte. “Goedenmiddag, blijft u rustig binnen. Ik ben een schrijver. Blijft u rustig ademhalen. Hallo. Gaat u onder uw trap zitten en vouw uw armen over uw hoofd. Ik zal nu een stukje uit mijn boek voorlezen. Nogmaals, blijft u rustig binnen. Dakkuuwel”
Die honderden mensen kwamen niet. Vijftig vrouwen en mannen waren naar Uffelte gekomen om mij te horen voorlezen uit de roman De tranen van Kuif den Dolder. Kuif, de beste voetballer die ooit leefde en altijd voor V.V. Uffelte bleef spelen. Het programma: voorlezen in de kantine waar Kuif ooit zijn boterhammen at, dan een wandeling langs alle belangrijke plekken in Uffelte, onder andere de oude locatie van de dierenwinkel waar Kuif zo graag kwam en uiteindelijk een bezoek aan Café de Molensteen, waar Kuif op een haar na Rinus Kuiper, de spits van Havelte doodsloeg.
Het werd een ontroerende middag. Er waren veel bewoners uit het dorp in de kantine. Ze waren aardig voor mij, terwijl ik in het gunstigste geval op een steniging had gerekend. In mijn boek beschrijf ik de bewoners van het dorp als naargeestige, naar elkaar loerende vreemdelingenhaters, die bijvoorbeeld op de Dwarsweg het licht uit de ogen van een Koreaan schoppen. Omdat hij zijn vlees niet suddert.
Hoe zeggen ze dat? Een warm bad. Ik ben op de foto gegaan met de A1. Ik kreeg een paraplu van de club. Meteen na binnenkomst werd ik de bestuurskamer binnen geloodst. Daar werd ik stil van. Bestuurskamers loop je anders nooit zomaar binnen. Hoe vaak heb ik vroeger als jongetje niet heel even de deur open zien gaan van de bestuurskamer bij DWV, waar mijn vader voetbalde. Je zag maar een glimp. Mannen om een tafel. Gerook. Een schim van een schaal met verse broodjes. Iemand voerde het woord. En dan ging de deur weer dicht. Zo hoorde het ook. Bestuurskamers zijn er om niet gezien te worden.
Nu zat ik opeens een plak cake te eten in de bestuurskamer van V.V. Uffelte. Iemand naast mij controleerde spelerspasjes. De aanwezige medewerkers stelden zich aan mij voor. V.V. Uffelte, na zaterdag voor altijd mijn club.
Ik heb er voorgelezen. De aanwezigen waren, dat zag ik, trots op Kuif. Goed, hij bestond dan misschien niet echt, maar hij had verdomme wel bij hun club gespeeld. We hebben onze jas aangedaan en zijn gaan wandelen. Een stoet. Ik met mijn boekje voor de mensen uit. Soms kwamen zij om mij heen staan en las ik een stukje voor. Over Kuif zijn fascinatie voor woestijnratjes bijvoorbeeld. Daarna liepen we door. Het was zo gezellig.
In café de Molensteen mochten er vragen worden gesteld. Een vinger. Of het waar was dat ik wegging bij de Volkskrant. Ja, dat was waar. Wanneer? Maandag zou ik de laatste column schrijven. “Wilde u zelf weg?” Nee. Voor de Volkskrant schrijven vond ik het mooiste dat er was. 'Waarom moest u dan stoppen?’ Dat wist ik niet.
Ik weet eigenlijk maar een ding. Dat ik u, mensen zoals in Uffelte, erg ga missen. Tot ziens.
O, de schoonheid van de
gepasseerde speler. Zoveel mooier eigenlijk dan de voetballende
held. Ajax en PSV verwennen ons de laatste maanden met Leonardo,
Bruno Silva, Maarten Stekelenburg en Danny Koevermans. Van alle
niet of nauwelijks spelende voetballers vind ik ik Leonardo het
mooist. Die geacteerde trots. Dat gehol als hij er in komt. Die
verwende bek. Een echte prof, maar met moeite, dat is
Leonardo.Hij wil zo graag belangrijk zijn. Zo lang al in Nederland en nog steeds die typisch Braziliaanse behoefte om gestreeld te worden. Was ik zijn coach, ik zou meteen zwichten. Even op schoot nemen. Compliment maken over zijn veters. “Heb je die helemaal zelf gestrikt Ja! Dat geloof ik niet. Laat eens zien dan.’ En dan kijken naar Leonardo die gebukt voor je, steeds opkijkend, een hele mooie knoop met strik in zijn veters maakt.
Zo simpel is het. Prijs Leonardo gemiddeld twee keer per week de hemel in en hij dartelt iedere tegenstander gek. Helaas voor Leonardo zit Marco van Basten bij Ajax. Die is niet zo van de complimenten. Je ziet het aan het handje schudden langs de zijkant, als een speler wordt gewisseld. Professioneel geschud. Vormelijk. De hele week met elkaar op het trainingsveld staan en dan iemand een hand geven. Geef dan niks.
Van Basten geeft altijd een hand. Ook als je er na zes minuten wordt uitgehaald omdat je het tactisch concept niet begrijpt. Dankjewel, het was helemaal kut. Dat is verwarrend. Het mooist vind ik coaches die geen hand schudden. Als statement. Domme rode kaart van een verdediger en dan dat prachtige toneelstukje voor twee heren. Het verontschuldigend gemopper van de speler, op weg naar de kleedkamer, en het recht vooruit kijken van de trainer. Hij geeft demonstratief geen hand. Erger kan niet. Nou ja, misschien het schudden van een hand en tegelijk de wedstrijd blijven volgen, dat is nog erger. Iemand bedanken teruggebracht tot een beledigende formaliteit.
Het luistert allemaal heel erg nauw in de voetballerij. Leonardo snapt dat nog niet helemaal. Hij wil dat we allemaal van hem houden. Leonardo wil het liefst iedereen in Nederland een hand geven. Stekelenburg, ik vraag me af of die ooit nog een hand van Van Basten gaan schudden. Bruno Silva, met tegenzin misschien. Leonardo wast Marco zijn gordijnen als hij maar even even een paar bemoedigende vingers door zijn haar krijgt.
Zaterdag las ik in Schiedam een gedichtje voor over Leonardo. Het luidt als volgt:
LEONARDO
ook in zijn
afscheidswedstrijd
voor cambuur 2
werd leonardo
helaas niet
opgesteld
Er werd net iets te hard gelachen. Met een zachte meevoelende oohhh er tussendoor. Dat vond ik veelzeggend. Ook de mensen in Rotterdam en omstreken leven nog met hem mee. Hij speelt voor Ajax, maar daar dan kan hij ook niets aan doen.
Na het voorlezen voelde ik opeens de voor de hand liggende droomtransfer. Leonardo terug naar Feijenoord. Er is geen beter moment. Mario Been is volgend jaar trainer. Iemand die gaat paintballen met zijn team. Een trainer waar je voor door het vuur gaat. Iets dat Marco van Basten nooit is gelukt. Bij Ajax werk je en is Marco je baas. Bij Feijenoord speel je en is Mario je meelevende vriend. Beenhakker op de achtergrond. Niemand legt mooier een arm om je heen.
Gaat gebeuren. Leonardo op zijn balkonnetje, ergens in Rotterdam. De deurbel. Leo en Mario voor de deur. Ze komen een happie mee-eten. Leonardo laat ze een Braziliaanse film zien. Met zijn drieën op de tweezits-bank. Leo en Mario lachen, al begrijpen ze er geen moer van. Twee dagen later scoort Leonardo zes keer. Tegen Ajax. Na zijn publiekswissel geeft hij, aan de zijlijn, Marco van Basten zes keer een hand.
Sporters en dieren. Dat krijg je
met zo’n boekenweek thema. Ga je daar over na zitten denken.
Ik ken er niet veel, bekende sportdieren. In de schrijverswereld
sterft het van de beroemde katten en honden. Veel auteurs hebben er
speciaal voor deze feestelijke week een boekje over geschreven. In
veel van die werkjes weet de schrijver precies wat het dier denkt.
Zoals Evert ten Napel weet wat voetballers denken. Veel schrijvers
kijken sport met een kat op schoot. En schrijven daar over. Over de
kat of over de sport. Of allebei. Maar goed. Bekende sportdieren. Ik ken Willem van Hanegems hond uit 1972 een beetje. Wodan. Goede naam. Beter dan Flaubert. Het kan bijna niet anders of Arthur Japin heeft een kat die Schopenhauer heet. Willem liet zijn carrière door Wodan uitstippelen. Als Wodan blafte ging hij voor Marseille spelen. Wodan blafte niet. Dat zie ik Japin nog niet doen. Die verzint gewoon zelf dat hij over indianen schrijft.
Bij schrijvers lijken de dieren er te zijn voor de auteur zelf. De dieren mogen wel wat om de schrijftafel heen bewegen en typische dierendingetjes doen, maar niet te opzichtig. Een beetje ronken terwijl er een meesterwerk wordt geschreven.
Sporters en dieren zijn elkaars gelijken. Ik ken een foto van Willem van Hanegem op een paard. Het ziet er heel natuurlijk uit. Willem kan morgen zo boodschappen gaan doen met een jonge ruin onder zijn kont. Kijkt niemand van op. Dat zie ik Gerrit Komrij niet doen.
De honden van Barry Hulshof herinner ik me. Monsters van beesten die altijd goed gezond bleven door een uitgekiende melange hondenvoer. Hij wandelde in een bos. Barry gooide met een stok. Dat is het zo’n beetje. Daarom is het jammer dat er niemand op het idee is gekomen om bij bekende sporters en trainers langs te gaan en ze indringend te ondervragen over hun huisdier.
Een goudmijn. De hond van René van der Gijp, die iedere avond in een Sparta shirt met zijn baasje mee moet naar bedrijfsfeesten. Als René voor de 659e keer Rinus Michels nadoet gaat hij bij het woord ‘oorlog’ even doodstil op de grond liggen en jankt zachtjes. Zaal plat. De kat van Royston Drenthe is al drie keer ontsnapt uit een spierwit huis vol elektronica in Madrid en op eigen kracht naar Rotterdam gelopen.
Makaay en zijn dwergreiger. Veel mensen weten dat Roy hem iedere avond wat rond zijn huis laat vliegen. Ook de reiger maakt het, net als Makaay, niets uit waar hij zijn vleugels uitslaat. De hond van Andries Jonkers, staat overal met een natte neus mensen hun kont te likken. Heeft hij zijn baasje zien doen. Het beest weet niet beter.
Louis van Gaal en zijn gnoe. Daar zit zelfs een documentaire in. Hond en kat zijn te gewoon en te slaafs voor van Gaal. Hij koopt een gnoe. Er volgt een machtsstrijd. Louis en de gnoe snuivend tegenover elkaar in de keuken. Het wonder van mens en dier. Binnen een week haalt de gnoe zes flesjes wijn bij een slijter in een andere gemeente. Van Gaal zal volgende maand in zijn Sportweek-column verklaren dat iedere Gnoe onder hem beter is gaan lopen.
Maar het mooist is het verhaal van oud NEC-speler Eus Marijnissen, die een door de aanhang van Feijenoord op het veld gegooid gordeldier (‘NEC is daar, NEC is hier, NEC dat is een gordeldier’) in zijn armen nam, van het veld liep en het beest voor zo lang even in de doucheruimte van de kleedkamer opsloot. Na de wedstrijd heeft Eus hem meegenomen naar huis. Daar heeft hij het dier opgevoed als zijn eigen zoon. Zo kan het dus ook.
Per april schrijf ik geen
sportcolumn meer voor de Volkskrant. Ik vind dat erg jammer. Van
alle dingen die ik schreef was deze column mij het
dierbaarst.De reden: Remco Campert wil weer voor de krant schrijven. Desnoods over sport. Andere reden: ik zou door mijn gedichten in de DWDD "niet genoeg Volkskrant meer zijn".
Ik wil u, de lezers, danken voor alle reacties. Ik schreef de column graag. Er volgen er nog drie.
Het ga u goed.
(Nagekomen bericht. Campert wil toch niet over sport schrijven. Dus voortaan én geen Campert én geen column van mij. Ik zal mijn voetbal-columns voortaan in VI schrijven.)
Keeper Sergio Romero van AZ
heeft zijn hand gebroken. Tijdens het werk. Hij wilde graag aan
zijn ploeggenoten laten zien dat hij het heel erg vond, zijn foutje
in de bekerwedstrijd tegen NAC. Daarom sloeg hij tegen een muur.
Romero probeerde hiermee de emotie schuldbewuste machteloze woede
uit te drukken.Dat herken ik wel. Ruzie en dan veel te hard een pot pindakaas op tafel neerzetten. “Goed, dan kies jij de kleur van het behang uit!” Weglopen en dreunend de deur achter je dicht te doen. In de gang wachten op een reactie. Het ballet van de geacteerde radeloosheid.
Volgens Louis van Gaal zat Romero na afloop te huilen in de kleedkamer. Een schilderij. Huilende keeper met gebroken hand. Jammer dat Van Gaal er naast staat om het schilderij uit te leggen. “Wat we hier zien is de totale mens Romero die net zijn team heeft benadeeld met een impuls doorbraak. En wat zijn impuls doorbraken, Stijn? Heel goed, impuls doorbraken zijn uitingen van ongenoegen en zoals jullie zien, laat je vuist maar zien Romero, heeft hij daarmee ons team benadeeld. Omdat hij een Argentijn is. Doe je vuist maar weer naar beneden.’
De totale mens. Louis heeft het echt gezegd. Bij AZ kijken ze naar de totale mens. Scheringa had het er op de televisie ook al over. Hij vond het erg onverstandig, als keeper je vuist kapot slaan, maar het gaat bij AZ om de mens. En hoeveel geld die van Dick wil lenen. Maar dat zei hij er niet bij.
Het is jammer dat Louis en Scheringa het uit gingen leggen. Zie je toch dat het nog geen topclub is. Nog te veel onder de indruk van emoties. Bij AZ kan je met een verfrommeld vuistje gaan zitten janken in de kleedkamer en is er meteen volop begrip. Ploeggenoten om hem heen. “Joh, dat kunnen ze tegenwoordig heel knap weer recht zetten, zo’n duim.” Ik denk dat Huub Stevens de hand zelf had gezet. Bij hem thuis brak je iedere week je hand. Je wist niet beter.
Ik mag er graag naar kijken, geacteerde machteloze woede. Gooien met stoeltjes. Trainers zijn er heel goed in, en dan met name van Louis van Gaal. Dat is juist een trainer die niets anders doet dan tijdens een wedstrijd met het hele lichaam laten zien dat hij een heel betrokken coach is. Armpjes in de lucht na een gemiste kans. Kijken naar het publiek op de tribune. Rollende ogen van ongeloof. Niemand die mooier en duidelijker en fotogenieker oeeehhh roept na een gemiste kans.
Het hangende hoofd, als een speler vindt dat hij onterecht wordt gewisseld. Het gooien met de schaatsen na een verloren rit. Het op de grond gaan liggen na een mislukte tweede service. Allemaal zwaar aangezette stukjes acteerwerk van mensen die begrijpen dat je het in de sport larger dan life neer moet zetten, om ook de achterste rijen te bereiken.
Maar je moet het wel goed doen. Ik geloof helemaal niets van Romero als totale mens. Een overdreven Argentijnse janker is het. Je zou hem voor eeuwig een fel wit verband om zijn hand toewensen, zoals René van de Kerkhof ooit droeg tijdens de finale van het WK in Argentinië. Stonden die Argentijnen trouwens ook alweer om te huilen.
Dat is denk ik het verschil tussen de beperkte mens Stijn Schaars en de totale mens Romero. Stijn heeft het in zich om zijn voet te breken tegen een muurtje als AZ dit jaar, door Romero, weer net naast het kampioenschap grijpt. Hij zal niet huilen. Niet heel overdreven schokkend in de kleedkamer gaan zitten. Voetje gebroken, kan gebeuren. Volgend jaar staat hij er weer. Zo hoort het. Niet dat pampa-theater.
Ik denk dat Evert ten Napel is
opgevoed door een Italiaanse vrouw op blote voeten. Dat kan niet
anders. Evert, in een lendendoek, tegen de borst van een
Napolitaanse mamma. Als ze bij een marktkraam vol Italiaanse
groente bukt om een artisjok te betasten, houdt ze Evert goed vast.
Vorige keer is hij ook al zo hard op zijn hoofdje gevallen en
sindsdien spreekt hij - 2 jaar oud pas - hele zinnen in een
onverstaanbare taal.Evert en Italianen, daar is iets bijzonders mee aan de hand. Opgevoed achter in een ijswinkel, dat kan ook. Malaga-ijs smeuïg mengen met melk van Italiaanse koeien. Pistachenoten sorteren op kleur. Evert ziet de goedlachse Italiaanse ijsco-man als zijn enige echte vader. Zoiets moet het zijn. Een bloedband.
Goed idee dus, om Evert afgelopen donderdag de wedstrijd Ajax - Fiorentina te laten verslaan. Evert en Brazilianen, die kende ik al. Balkunstenaars. Deksels. Watervlug. Aan een touwtje. Virtuozen. Ik noem maar wat steekwoordjes. Evert zet Brazilianen graag neer als dartelende levensgenieters. Het zijn allemaal vanuit het hart voetballende jongens die, volgens Evert dan, ‘ooit met een uit bananen-bladeren en oude condooms geboetseerde bal zich verpoosden op de overvolle stranden van Rio, waar ze voetbalden voor een appel en een ei.’ Daarna volgt vaak het woord liefhebbers. Of sloppenwijken.
Als Evert Italianen ziet voetballen dan gebeurt er iets heel anders. Woorden als frivool en speels zijn dan ver te zoeken. Echte mannen. Onverzettelijke atleten die het verdedigen tot een ware kunst hebben verheven. Italianen kunnen een wedstrijd op slot gooien. Voetballers pur sang. Dat soort zinnetjes.
Dat is het wereldbeeld van Evert ten Napel. Wij Nederlanders klootzakken maar wat aan, mensen in het buitenland zijn gepassioneerde specialisten. Nederlandse voetballers doen hun voetbalschoenen aan, Italianen of Brazilianen binden met de veters van God hun door het leven gelooide kalfslederen voetbalschoenen om hun voeten. Nederlandse voetballers betreden een veld, Italianen worden verenigd met het gras.
Ajax mocht dan wel met 1 - 0 hebben gewonnen in Italië, maar dat zei volgens Evert niets. We hadden ons weer in slaap laten sussen. Met 1 - 0 achter staan, Italianen weten niet beter. Die hebben dat uitgevonden, met 1 - 0 achterstaan. Goedbeschouwd staan Italianen het liefst met 1 - 0 achter. Maakt ze niet uit, want ze zijn toch heel balvast.
Dat was Everts favoriete woordje donderdagavond. Balvast. Niet geheel verrassend waren alle Italianen enorm balvast. De Ajacieden daarentegen controleerden moeizaam. Of dat leek maar zo, naast die balvaste Italianen. Ajax miste dat enorm, een balvaste spits. Iemand die een balletje vast kan houden.
Het vervelende is, als je naar Everts commentaar luistert, dat je, of je wilt of niet, mee gaat met die rare obsessies van hem. Je gaat er, tegen je zin in, op letten. Zit je opeens naar de balvastheid van Emanuelson te kijken. Die viel niet tegen, maar blijkbaar zag Evert details waar ik met mijn Hollandse slagershoofd helemaal niet op lette.
Het was een kwestie van tijd. Ajax ging vanaf de eerste minuut op een onafwendbare nederlaag af. Door die balvastheid. Geen doen, voetballen tegen Italianen. Helemaal niet met een voorsprong uit de eerste wedstrijd. Een gelopen koers voor die raspaardjes.
Twee minuten voor tijd scoorde Leonardo voor Ajax. Via een heel onartistiek klutsje. Het Braziliaanse gevoelsmens Leonardo juichte als een 24 jarige weduwnaar in een crematorium. Een verveelde bek. De Italianen speelden in de blessuretijd als een derdeklasser uit Zaire. Hopen dat de bal binnenwaaide.
Het maakt niets uit. Volgende keer zal Evert ze weer als onoverwinnelijk presenteren. Dan is er wel weer iets anders. Zal je net zien. Zijn die Italianen de hele wedstrijd weer veel uitgekookter.
Tom Egbers klaagde er over in de VI en
Kees Jansma vertelde zaterdag aan de Volkskrant dat hij er lang
geleden al voor had gewaarschuwd. Voetbal, het is allemaal te veel.
Ze hebben gelijk. Voetbal op de televisie is een kamerplant
geworden. Verdomd, die heb je ook nog. Al twee maanden geen water
gegeven.Als ik in het weekend Eredivisie Live aan heb staan, sluipt op zondagmiddag de verveling er in. Dat gebabbel, dat gedraaf. Opeens begrijp je niet meer waarom er zo nodig met de voeten moet worden gespeeld. Oppakken is handiger. In dat doel smijten, klaar. Naar huis. Die broekjes ook. Met die beentjes. Dat soort observaties. Zoals je af en toe in een wachtkamer stomverbaasd naar de muis van je hand kunt kijken. Wat doet dat rare stukje vlees daar?
Dat krijg je, als iets onbeperkt naar binnen blijft stromen. Als je het te veel en te makkelijk consumeert. Ooit had ik een jaarkaart voor Artis. Drie keer in de week ging ik met mijn kinderen dieren kijken. Fout. Ik merkte al snel dat andere kinderen met tranen in de ogen naar een stokstaartje keken. Zoiets hadden ze nog nooit gezien. Een beestje dat, balancerend op zijn achterpootjes, naar een denkbeeldige horizon keek. Mijn kinderen lagen ergens op hun rug in het gras naar rare wolken te kijken. Een zeekoe, het deed ze niets meer. Olifanten werden terloops gegroet. “Ha, Mumba, zoon van Kala!’ Het exclusieve was er af.
Dat heb ik nu met voetbal. Of liever, had ik met voetbal. Vanochtend vroeg deed ik de televisie aan en viel in het blokje club-televisie. Berichten uit de schoot van Ajax, PSV en Feyenoord. Ik heb ademloos zitten kijken. Voetbal zoals het is bedoeld. Lekker lullig. Ongecompliceerd. Televisie gemaakt door enthousiaste mensen. Doodsbange presentatoren. Ze kunnen het zelf nog niet geloven. Ze kijken echt in een camera!
Alles wordt gemonteerd als in een aflevering van Gewest tot Gewest. Als spelers gaan trainen zie je eerst een hekje. Dan een hand. Een voetbalschoen. Gras. Als er een besloten training is zie je een hek met een ketting. Iemand draait een sleutel rond in het slot. Daarna zegt een wat onvaste voice-over: we laten de spelers nu maar snel met rust.
Heerlijk! Berichten over Ajax, Feyenoord en PSV gebracht als regionaal nieuws. De keeper van Jong PSV heeft nieuwe handschoenen. Snel met een cameraploeg er op af. Dat soort reportages, daar sterft het van bij club televisie. De terugkeer van Beenhakker, Ajax in het verre Italië, PSV en de techniek training, het wordt allemaal met een aandoenlijk, goedbedoeld amateurisme gebracht.
Eindelijk zie je weer eens interviews met voetballers die keurig antwoord geven op een vraag. “Rob, dat wordt zeker een zware reis naar huis”. Antwoord: “Ik denk zeker dat dit een zware reis naar huis wordt” In de bus belt Rob meteen de hele familie om te zeggen dat hij deze week op de televisie komt. Met een interview. Over reizen in een bus als je hebt verloren.
Alles wat kijken naar voetbal normaal gesproken zo vervelend maakt, de sleur, het professionalisme, de loze statements, het wijzen op de spierballen, het ontbreekt gelukkig allemaal. Vanochtend zag ik Afellay eindelijk weer eens lachen. Hij won een spelletje op de training. Hij trok een gele pion over op zijn hoofd. Nu ja! Urby Emanuelson kondigde een item aan en hield de microfoon hartverscheurend dicht voor zijn mond. Geluid door een draadje, hij begreep er niets van.
In het weekend loopt de club-televisie hopeloos achter. Ook dat is heerlijk. Op zondagmiddag kijken naar een voorbeschouwing op een wedstrijd die zaterdagavond al is gespeeld. Wat doet het er allemaal toe. Die sfeer heb ik gemist.
Gisteren zag ik Marco van
Basten, vlak voor de de wedstrijd tegen Feyenoord. Hij werd
geïnterviewd door Jan Joost van Gangelen. Die met al dat haar.
Redelijk gevaarloos. Een gesprekje over de opstelling, zoals dat al
jaren gebeurt. Je geeft de interviewer af en toe gelijk en zegt dat
je de spelers voor een wedstrijd tegen Feyenoord niet hoeft te
motiveren. Routine interviewtje.Toch zag ik een doodsbange jongen.
Waarom hij Kennedy Bakircioglu - die aan het begin van het seizoen toch nog weg mocht - nu weer een basisplaats gunde. De oude Van Basten zou op deze vraag een minzaam lachje hebben laten volgen. “Tsja, Kennedy was hier toevallig in de buurt. Hij moest zijn vrouw afzetten bij Ikea, dus ik dacht, waarom niet.” Daarna Jan Joost lachend op zijn rug kloppen, vragen welke shampoo hij gebruikt en weglopen.
Het ging heel anders. Van Basten knikte tijdens de vragen. Als zo’n plastic hondje achter in je auto. Na iedere vraag volgde een uitputtende uitleg. Kennedy kon goed een balletje vasthouden. Hij zorgde voor rust aan de bal. Er moest meer zekerheid achter in komen, dus had hij dit keer maar eens een verdediger neergezet die meer zekerheid achterin bracht. Kijken hoe dat beviel. Vooral ook omdat de aanvallers de laatste weken veel te veel risico in hun spel legden. Dat leidde maar tot balverlies met alle gevolgen van dien. Wedstrijden verliezen enzo. Leonardo begon tegen Feyenoord op de bank. Hij legde te veel risico in zijn spel.
Precies. Risico. Daarom gaan we al een jaartje of 100 naar Ajax kijken. We willen spelers zien gokken. Ze kunnen alles winnen maar ook alles verliezen. We noemen dit: sport. De Ajax school. Amsterdamse bravoure. Allemaal clichés. Vitesse speelt de laatste weken als Ajax. Ze hebben niets te verliezen, het kan alleen maar beter. Vleugelspelers zoeken opeens weer hun tegenstander op. Proberen twee man te passeren. Schieten op doel. Voetbal waar je graag voor betaalt.
Ajax is onder van Basten een club geworden die dolblij is met een overwinning. Een club vol schichtig om zich heen kijkende spelers, trainers en bestuurders die er maar het beste van hopen. Geen risico, rustig aan dan breekt het lijntje niet en vooral met elkaar blijven praten.
Dat was het ergste moment, een week geleden, toen Marco van Basten samen met Danny Blind in gesprek met ging met ontevreden Ajax-supporters. Vervang de naam ‘Marco van Basten’ door ‘Johan Cruyijff’ en voel hoe vreemd dit is. Johan Cruijff was gaan winkelen met zijn vrouw, in Barcelona. Een volle zaal acht uur laten wachten en dan afbellen vanaf de Ramblas. Rinus Michels, die had de supporters allemaal laten komen en het gebouw onder water gezet. Met de aanhang gaan spreken, dat is Clemens Westerhof gedoe.
Toch zat hij er, Marco van Basten. In een zaaltje vol met ontevreden supporters. Een luguber beeld. Hoe is dat gegaan? Heeft Marco tijdens die bespreking zogenaamd aantekeningen gemaakt. Wat schreef hij op. “Die man met dat lekkende oog lult poep” Hoe heeft hij gereageerd op de supporters? “Ok Bennie, ja, ik begrijp je verhaal, je vrouw is al zestien jaar invalide, je bent zelf afgekeurd, jullie hond is dood gegaan door een bepaalde ziekte, je hebt een hekel aan negers die al ons werk hebben afgepakt, je zat samen met die meneer naast je, Dikke Leo, vier jaar vast en daarom moeten wij bij Ajax ons godverdomde pleuris tyfus stinkende best doen. Vat ik het zo goed samen? Ja? Ik ga er zeker iets mee doen! Dank je.’
Ophouden met dat congres gedoe. Van Basten moet met helemaal niemand spreken. Hij coacht en wij begrijpen hem niet. Dat is zijn functie.
Liplezen, het wordt een steeds
populairder tijdverdrijf in de topsport. Kort geleden nog moest er
een Joegoslavische doventolk aan te pas komen om te duiden wat de
voetballer Lazovic naar trainer Huub Stevens riep.Jammer. Ik verzin dat altijd graag zelf. Mag ik graag doen, de slowmotion van een geschreeuwde belediging bekijken en die dan simultaan vertalen voor mijn meekijkende kinderen. “Die meneer zegt: Ik neuk de broer van je moeder met zijn buik op een Servische vlag en trek hem daarna in zijn blote reet met een paard door de straten van Mostar en zal onkruid op zijn rug wieden tot hij huilend om zijn zus schreeuwt, goal, goal goal!”
Zaterdag was het de beurt aan Sven Kramer. Hij schreeuwde na zijn 5000 meter ‘Fuck you all’ naar het Noorse publiek. Daar had ik ook eerst iets anders in gezien. “Rendieren!!” dacht ik. In de herhaling liplas ik: ‘kijk, een hertje’. De waarheid bleek minder prozaïsch. Fuck you all. Omdat de Noren Sven niet met respect behandelden.
Sven kan deze week weer de beminnelijke Friese schaatszoon uit gaan zitten hangen in diverse talkshows, maar dit weekend liet hij zich recht in zijn ziel kijken. Zijn kleine ziel. Alweer een luguber eind-product van jaren topsport. Zelf zo gaan geloven in alle mensen om je heen die je bovenmenselijke eigenschappen toedichten, dat je normaal menselijk gedrag van het Noors publiek als vijandig ervaart
Sven was er zaterdag erg van in de war. Noren in Noorwegen moedigen tijdens een kampioenschap in Noorwegen liever Noren aan. Dat kwam alle bezoekers na de 5000 meter op een welgemeend Fuck You All te staan. En die vreselijke vinger voor de mond.
Van alle gebaren is dat de ergste. Uitrijden en een vinger voor je lippen leggen. Ja, jij schaatsende god, Sven Kramer, unieke sporter, hebt die Noorse schoften stil. Die vuile sekreten die jouw grootheid niet willen zien.
Wat treurig. Daar moet je het karakter voor hebben om zo’n gevaar te maken. Dan moet je je miskend voelen. Tijdens de race en voor de race heeft Sven dat al bedacht. Als hij wint gaat hij ze uitschelden. Gaat hij zijn vinger voor zijn lippen doen. Want hij is de beste. Hij is Sven. Keizer Sven.
Dan vind ik de Noren mooiere sporters. Die laten zich al jaren de massahysterie in het Thialf welgevallen. Thialf, waar we over de rug van de sporters, ieder jaar moeten laten zien wat een heerlijk volk we toch zijn. Waar we hard juichen voor hele slechte schaatsers. Want ja mensen, als het om schaatsen gaat zijn we me er een paar gekkies bij elkaar.
Nooit een Noor horen klagen over de duizenden dronken gekken langs de kant, die vreselijke van voor naar achter van links naar rechts bende. Nog nooit een Noor dat brallende feestpubliek een middelvinger zien geven.
Sven wilde zaterdag iedere Noor neuken omdat er een scheurtje in het ijs zat. Dat werd niet snel genoeg gerepareerd. Een walgelijke, provocerende Norenstreek. Volgens Sven dan.
Het ging over niets anders dit weekend. Hoe reageerde Svens lichaam op dat scheurtje? Probeerde de Noren hem op deze manier kapot te krijgen? Verloor Sven daarom tijd op de 1000 meter? In een interview vlak na de race gaf Sven aan dat hij er verder niet over wilde praten. Zijn neus begon te bloeden Daarna reed hij een wraakzuchtige 5000 meter. En vervloekte hij het publiek en de hele organisatie die het hadden gewaagd hem voor even van zijn wolk af te trappen.
Sven haalde zaterdag zijn motivatie uit woede. Om niks. Jammer. Perfecte race of niet, Sven kan nooit meer een groot sporter worden. Kans verkeken.
Ik ben nooit gebeld door
Kees Fens. Na Kees zijn overlijden bleek - als je alle verhalen van
de columnisten mag geloven - dat hij een groot deel van de dag
doorbracht met collega's bellen over hun geplaatste stukjes.Eerst was ik jaloers. Leek me toch mooi. Ik nog in bed en dan beneden de telefoon. Mijn vriendin neemt op. Roepen in het trapgat. “Nico, een zekere Fens.’ En dan in je ochtendjas de complimenten of de kritiek in ontvangst nemen. “Dank u meneer Fens. Ja, ik heb er inderdaad erg mijn best op gedaan en dat idee van u, om met een goede uitsmijter een column te eindigen, dat werkt inderdaad. Dank u wel. Tot de volgende keer, meneer Fens. Ja, nee, precies, goed mijn tanden poetsen en regelmatig eten, ik zal er aan denken”
Nooit. Geen belletje. Maar ik begrijp, sinds een week, waar dat aan ligt. Kees en ik hadden geen klik. Dan houdt alles op. Er moet een klik zijn, anders moet je niet eens aan zo’n contact beginnen. Kees moet dat hebben gevoeld.
Huub Stevens had geen klik meer met zijn selectie. Ik heb Huub Stevens het afgelopen half jaar diverse keren aan het woord gezien, op persconferenties en in sportprogramma’s, en het lijkt mij iemand waar je heel moeilijk mee klikt. Misschien met zes deuren er tussen. Of je moet heel erg houden van verhalen over het sluiten van de mijnen, werklust, vechten tegen de armoe en je 400 keer opdrukken voordat je een prei gaat kopen. Hopeloos ouderwets gedoe in de ogen van de gemiddelde 22 jarige voetbalprof. En dan klikt het al snel niet meer.
Gertjan Verbeek. Zelfde verhaal. Geen chemie. Net zo’n woordje als klik. In dit specifieke geval kunnen wij dat moeiteloos vertalen als: de Feyenoord selectie vond Verbeek vanaf het begin een raar sprekende boerenzoon met een baal ruw katoen op zijn hoofd en de verkeerde truien aan. Het zat meteen fout daar. De spelers vonden hun trainer een lachwekkende provinciewetenschapper, met zijn gezeur over goed doorbloede kuitspieren. Roy Makaay moest na een hele carrière lusteloos scoren opeens met een haltertje naast zijn bed slapen. Een kind zag dat het niet klikte.
En dat is in het moderne voetbal, in de moderne sport, nu eenmaal de norm. Het moet klikken. Coaches moeten niet te veel zeuren. Spelers willen zich gewoon goed voelen. Geen gezeur over gezelligheid en clubliefde. Als zij na iedere training binnen 2 minuten in hun leasebak zitten om thuis even bij te slapen, dan moet dat kunnen. Zelfs Van Gaal snapt dat. Spelers moeten in hun eigen bed of op hun eigen bank slapen. Van Hanegem en Wim Jansen, ergens in Roemenië, samen in een twijfelaar, dat kan niet meer. Binnen een half jaar nemen spelers hun hond mee naar de training. Voor het gevoel. Gaat gebeuren bij Feyenoord. Van Hooydonk met de labrador van Timmer langs het veld. Duim omhoog. Hij deed een grote bah.
Feyenoord wil eens iets anders. Dat treft. Mario Been is de best klikkende trainer van Nederland. Eerst was dat Robert Maaskant. Die duwde briefjes met geinige teksten bij de spelers onder de deur door. “Trek eens aan mijn vinger! Prettige wedstrijd. Robert!” Mario Been heeft een mooie balans gevonden. Te dikke spelers krijgt hij vrolijk dun en een van zijn spelers wist kort geleden nog te melden dat Mario al de hele week diarree had. Dat zie ik een speler van Ajax niet over Van Basten zeggen.
Misschien is dat het geheim van klikken. Vrijuit over de ontlasting van je trainer kunnen spreken. Ook alweer geen zin waar Kees Fens me over zou hebben gebeld.
Het mooiste nieuws van dit
weekend: er bestaat een Menu Louis van Gaal. Je kunt het bestellen
in de brasserie van AZ. Willem Vissers schrijft zaterdag in de
Volkskrant: “ Het hoofdgerecht: een hutspotje van andijvie en
katenspek met zachtgegaarde kalfssukade en jus van gepofte
knoflook.” Dat klinkt goed. Typisch van Gaal. Hutspot zonder
wortels en uien. Je ziet hem zo staan bij de groenteman. “En
dan nog wat andijvie en aardappelen voor de hutspot.” Ik zou
het meteen voor hem inpakken. Met Van Gaal ga je zelfs over hutspot
niet in discussie. Als die in zijn hoofd heeft dat je een sudderlap
even kort moet aanbakken, dan zit je als vriend van Louis van Gaal
vier uur te kauwen op een bieflap. Ook eten gebeurt zoals hij het
zegt.Eerst was het een koolraapstampotje. Maar daar houdt Louis helemaal niet van. Bijna iedere zin in het interview roept prachtige beelden op. De chefkok van de brasserie met zijn hele staf naast een bordje koolraaphutspot. Nog snel een stukje katenspek anders neerleggen. Van Gaal komt in zijn trainingspak binnenwandelen. Kijken. Proeven. Daar gaat het tegenwoordig om bij het moderne coachen. Een kluit groente door je mondholte laten rollen. Hij spuugt het uit, net als wijn. Dan de vraag. “Wie heeft dit gemaakt?” “Ik meneer Van Gaal.” “Er zit koolraap in.” “ Ja meneer van Gaal.” ‘En wat lust ik niet?” “Koolraap, meneer van Gaal.” “ Dus wat gaan wij doen?” “Overnieuw maken meneer Van Gaal, met andijvie, want dat vindt u zo lekker”
Het is essentiële informatie. Ik ben een Louis van Gaal voedsel-volger. Je wilt toch een zo compleet mogelijk beeld hebben. Ik wist al dat hij ook de wijn heeft uitgekozen die in het stadion wordt gedronken. Niet een echt lekker wegdrinkertje. Meer een fles die je drinkt als je naakt met een stier moet vechten.
Ik weet niet waarom het zo is, maar ik denk daar graag over na. Van Gaal ruikend aan een glas en ondertussen om zich heen kijkend of iedereen het wel ziet. Meneer is ook al een wijnkenner. Het is nog niet onderzocht, maar ik denk dat het veel verder gaat. Van Gaal met een dode haas over zijn rug op weg naar de poelier. Klagen. “Hoe kijkt deze haas met zijn ogen? “Angstig meneer van Gaal. Hij heeft de hagel waarschijnlijk aan zien komen.” “En wat wordt een haas van angst?” “Geil?” “Nee, bitter. Jij gaat vanmiddag een nieuwe haas voor mij schieten. Op de Bossenberger heide, want daar eten ze het lekkerste gras. Daar worden de dijstukken malser van.”
Alle andere trainers van de eredivisie, die doen maar wat. Huub Stevens staat doodsbang naar een gerookte makreel te kijken. Van Gaal niet. Achter de kop pakken, aanloop nemen en met de zijkant keihard op een keukenblad meppen, zodat het visvlees op een natuurlijke manier de graat verlaat. Mario Been lijkt me een tosti-bakker. Die voelt zich al een lekker creatief kookdier als hij een beetje sambal-oelek op de kaas smeert. Foeke Booy: kan hooguit een camembert frituren.
In Barcelona gingen ze heel anders om met de culinaire reus Louis van Gaal. In het boek
“Het Barcelona gevoel” van Edwin Winkels beschrijft deze de martelgang van het personeel in restaurant Cal Pinxo. Louis van Gaal eet er soms een paella. De trainer hield van pittige gerechten, met een pepertje er in. Daar kunnen we wat mee. De eigenaar Josep Maria Ribera wordt geciteerd. “Mijn moeder kon hem helemaal niet uitstaan. “Ik snij je keel door” zei ze me “als je aardig doet tegen die vent” Een vrij domme, typisch Spaanse reactie. Van de keel doorsnijden word je namelijk heel bitter.
Zomaar een ideetje. Arie
Ribbens als hoofdcoach van Feyenoord. Wat maakt het nog uit. Ik
denk dat hij het heel goed zou doen, Arie. Veel meer dan Gertjan
Verbeek bezit Arie het vermogen om zich als een kameleon aan te
passen aan zijn omgeving. Zet Ribbens aan tafel met de zes
belangrijkste filosofen van de 21e eeuw en hij praat gezellig mee.
Vrijdagavond schoof Arie Ribbens in het televisie programma van
Raoul Heertje aan bij een discussie over media-conditionering.
Maakte Arie niets uit. Binnen vier minuten zat hij over zijn
camper, Frank Sinatra en de kunst van het playbacken te praten. Zo
iemand heeft Feyenoord nodig. Een fijne zondagmiddag bezigheid, met het hele gezin geschikte trainers voor Feyenoord verzinnen. Gewoon lukraak. Op gevoel. Zoals Feyenoord het zelf ook altijd doet. Verbeek, hij wilde graag en houdt van hard werken. Geinig haar ook. Contracteren die man. Mijn gezin en ik denken dat Feyenoord daar van af moet, het rare idee dat een trainer van Feyenoord op een of andere manier altijd naar zweet en vis moet ruiken. Misschien komt het door Ruud Gullit. De laatste Feyenoord trainer die zijn haar föhnde. Sinds Gullit zoekt Feyenoord naar trainers die met 1 hand losjes een Oceaanreus achteruit de haven in kunnen manoeuvreren. Coaches die bij een eventuele watersnoodramp met een koe op hun rug naar het vaste land waden. Trainers die niet te veel literatuur lezen.
Enige tijd geleden zag ik Gertjan Verbeek na een voorstelling van Hard Gras met Anna Enquist praten. Ik heb toen niet aan haar durven vragen of Gertjan zelf ook gedichten schrijft, maar ik hield mijn hart vast. Als dat maar goed ging. We lezen de bundel binnenkort wel.
Uiteindelijk is het allemaal de schuld van Ernst Happel. Hij heeft voor eeuwig zijn stempel op Feyenoord gedrukt. Niet lullen, voetballen. De mouwen opstropen. Strijd leveren. Op zich knap, drie jaar geen stom woord met je spelers wisselen, als een levend vraagteken plaatsnemen op de bank en dan maar kijken wat er gebeurt.
Bij het afscheid van Gertjan Verbeek waarde de geest van Happel door de catacomben. Verbeek stond de pers te woord stond in een zelfgebreide trui van rauwe schapenwol. Na de persconferentie toonde hij zich in al zijn weerloze naaktheid aan de toegestroomde havenarbeiders. Met het teer in hun handen en hun ketelpak nog aan, juichten zij met hun verweerde garnalenknuisten, met hun door de netten kapotgesneden jajem-handen, voor de man die Feyenoord weer had proberen te laten werken.
Mijn gezin en ik hebben een tip. Houd op met dat werken. Met dat obsessieve gezoek naar een trainer die bij Feyenoord past. Laat het gevoel nu eens echt spreken. Houd eens op met dat eeuwige gezeik over arbeiders, grootste aanhang, schitterend stadion, unieke sfeer. Dat is geweest. Niveautje derde wereld club hebben we het over. Feyenoord heeft minder uitstraling dan een Griekse vierde klasser. Het wordt een beetje pathetisch, dat gezeur over vroeger. Over Rinus en Theo. Dat gekoketteer met dat arbeidersimago. Lee Towers vlak voor een wedstrijd laten zingen. Van eenvoudige havenjongen naar de nationale neuszanger van Nederland. Dan sta je al 4 - 0 achter. Houd daar mee op.
Vergeet Mario Been. Alweer de verkeerde keuze. Hij heeft veel met Feyenoord, hij kent de club, het is altijd zijn droom geweest, is lekker nuchter, houdt van een opgeruimd huis en hij doet het nu al een krap jaartje heel aardig bij NEC. Allemaal redenen om hem niet te nemen.
Toon karakter en neem nu juist eens iemand die helemaal niets van Feyenoord begrijpt. Iemand die een rothekel heeft aan arbeiders. Jort Kelder wordt de nieuwe hoofdcoach van Feyenoord.
Tussen de tien televisiemomenten
van het jaar zaten drie sportfragmenten. Bram Tankink mist de start
van een Tour de France etappe omdat hij gezellig met een vriend
staat te babbelen, voetballer Martin Drent laat zijn zoontje
struikelen en Pieter van den Hoogenband geeft gillend commentaar
bij de gouden olympische race van Maarten van der Weijden.Alle fragmenten werden zaterdagavond meerdere malen vertoond. Steeds dat geloei van Pieter. Er waren ook beelden van Pieter zelf, terwijl hij het commentaar gaf. Springend naast de commentator. Schreeuwend. Matthijs van Nieuwkerk vroeg aan de commentator of hij dat niet vervelend had gevonden, dat gebrul van Pieter in zijn oor.
Nee, dat vond de commentator helemaal niet erg. Hij legde iets ingewikkelds uit, dat de wedstrijd van Maarten van der Weijden een zeker gelaagdheid had. De wedstrijd, het drama van de overwonnen ziekte en dan die vriendschap. De ontlading aan het eind waarin een kampioen, Pieter van den Hoogenband, het kon opbrengen om blij te zijn voor een andere sporter.
Zo heb ik het zelf niet beleefd. Ik heb me na de race gek geërgerd aan Pieter van der Hoogenband. Zijn commentaar tijdens de race was mooi. Daar zat een doorleefde snik in. Je hoorde het ongeloof. Hij zag dat er iets magisch gebeurde. Als iemand kon navoelen wat Maarten nu voelde, aantikken en weten dat je goud hebt, dan was het Pieter wel. En toch koos Pieter er voor om zichzelf na de race in beeld te dringen.
Ik kan daar nog steeds slecht naar kijken. Het had zo mooi kunnen zijn. Die schitterende kale natte reus, de verbijstering op zijn gezicht. Daar staat hij, alleen op het steigertje, samen met een official. Zoeken naar iemand op de tribune. Zijn vriendin of zijn moeder. Dan de wijd open ogen en, vooruit dan maar, de tranen. Of de juich. Een mooie uitbundige juich.
Dat zagen we allemaal niet omdat Pieter van den Hoogenband als een wapperende vlag om Maarten heen hing. Zo jammer. Het is gebeurd en het kan nooit meer over. Pieter stal het moment van Maarten. Zaterdag werd dat nog eens bewezen tijdens de verkiezing. Het ging nauwelijks over Maarten, maar over die gekke, leuke Pieter en zijn reacties tijdens en na de wedstrijd.
Kijk het fragment nog maar eens terug op YouTube. Maarten is helemaal niet blij met Pieter. Hij wil verbaasd zijn, op zijn eigen manier genieten maar hij moet zich - hij kan niet anders want Pieter hangt huilend om zijn nek - met zijn vriend bezighouden.
Ik heb daarna veel interviews gezien met Maarten. Steeds begon men over Pieter. Maarten zei dan netjes hoe mooi hij het vond, die reactie. Ik geloof daar niets van. Ik denk dat Maarten, als het kon, liever alleen de overwinning had gevierd. Nu is het, in de media, vooral de overwinning met dat gekke commentaar geworden.
Sjoerd Huisman won donderdag de NK Marathon schaatsen. Aan zijn act na de finish, het glijden op zijn knieën, zag je dat Huisman goed had nagedacht over een overwinning en hoe hij die ging vieren. Mooi, een sporter die een dag voor de wedstrijd droomt van de huldiging. Een beetje als een dichter die droomt over zijn begrafenis en wat ze van zijn paarse kist zullen vinden.
Sjoerd Huisman werd vlak na de race geïnterviewd door tientallen journalisten. Dat was fijn. Precies de goede verlegenheid. Het bekende gestamel met een barre tocht in je benen. Leuke jongen. Prettig nuchter. Het was prettig om naar te kijken.
Tot trainer Erik Hulzebosch zich van achteren het beeld in knokte om dwars door het interview heen te schreeuwen. Dat was er weer eentje. Een van den Hoogenbandje
Een fijn berichtje op de
site van Sport 1. Klaas Jan Huntelaar kwam maandag te laat op de
training bij Real Madrid omdat zijn vliegtuig vertraging had. Zie
je meteen voor je, die zenuwenkop ergens tien kilometer boven de
Franse Pyreneeën.Wat doe je als je te laat op de training van Real Madrid verschijnt? Als je pech hebt zitten ze net midden in een oefening. Moet je langs het veld gaan staan wachten. Hoe kijk je daar dan bij? Dat leren ze je niet op de voetbalschool.
In hetzelfde bericht lees ik dat Huntelaar zich geen zorgen hoeft te maken. Samen met de andere aankoop Lassana Diarra strijdt hij om een plek in de selectie voor de Champions League. Beide spelers kwamen eerder dit seizoen al voor hun voormalige clubs Europees in actie, en Real mag er maar één inschrijven.Volgens Sport 1 worden er In de fanshop van Real wel shirts verkocht met Huntelaars naam en niet met die van Diarra. Dat zit dus wel goed.
Een Spaans jongetje, met zijn vader in de fanshop van Real Madrid, die na lang wikken en wegen een shirt van Klaas Jan Huntelaar koopt. Ik kan het me bijna niet voorstellen. Alleen al door die naam. Voor Spanjaarden moet zijn achternaam lezen als een Zweedse koning uit de veertiende eeuw. Buitenlandser kan het bijna niet. Al die a’tjes. Een Nederlands jongetje met een shirt van een voetballende Chinees zou ik verdacht vinden. Jongens die naar school gaan met Kau Li Hung achter op hun rug, die moet je scherp in de gaten houden. Voordat je het weet worden het kunstenaars.
Kleding of materiaal kopen waar je held zijn naam aan heeft verbonden. Je moet er denk ik een bepaald type voor zijn. Tot mijn grote schrik wilde mijn zoon een jaar of drie geleden opeens goudkleurige voetbalschoenen. Met het cijfer 10 op de zijkant. De Ronaldinho-schoen. Ik reageerde voetbalschoen-fundamentalistisch. Kicksen - noemt iemand die dingen nog zo? - horen zwart te zijn. Met witte strepen. De zwarte veters zitten op de bovenkant. Die doe je een keer onder je schoen door. En meer van dat soort wijsheden.
Het maakte geen indruk. Ik vroeg hem: maar als je nou rugnummer 27 hebt. Wat dan? Ik zette wat druk. ‘Ga je ook nog wat tandvlees er bij laten plakken? En voetballen met een wollen mutsje op je hoofd?’ Daarna sprak ik visionaire woorden. ’Over een paar jaar speelt die en die op lichtpaarse schoenen met een gele polkadot. Dan wil je die weer hebben.’ Op het moment van schrijven zit Lazovic zijn roze schoenen in te vetten voor de tweede seizoenshelft.
Mijn zoon speelt nu op blauwe schoenen. Hij zal binnenkort wel op kamers gaan wonen.
Maar hoe zit dat toch? Precies het shirt van je sportheld willen dragen, precies de pijltjes van Barney willen hebben. Het blijft me verbazen. Een gymschoen met de handtekening van Johan Cruijff er op. Daar zie ik volwassen mannen dagelijks op lopen. Zou het bij mij ook zo ver kunnen komen? Dat ik bij het 4e met Henk Timmer sokken onder de lat sta.
Enkele weken geleden trok er vlak naast mij een speler van een veteranen-team zijn shirt uit. Er onder droeg hij een ultramodern ondershirt. Prachtig bij Thierry Henry, minder mooi bij Leo Schouten. Een blauw condoom volgepropt met vlees en een paar oogjes er boven. Volgens Leo ging hij er beter door voetballen. Het ademde.
Ik snap het wel. Je bent een beetje Barney, met zijn pijltjes. Een beetje Huntelaar met zijn shirt. Dat is gevaarlijk, want tegelijk geef je de moed ook op. Jijzelf, dat wordt blijkbaar niks.
Dat krijg je aan het eind van het
jaar. Je gaat terugkijken. Beste cd, leukste televisieprogramma,
grappigste reclame. Dat geeft blijkbaar houvast, ieder jaar
constateren dat precies dezelfde 2000 platen in de Top 2000 staan.
Paul de Leeuw heeft vorige maand in zijn blote reet staan zingen.
We kunnen rustig het nieuwe jaar in.Terugkijken. Het sportbeeld van 2008 stond op 7 juni in De Volkskrant. Wesley Sneijder, loopt tijdens het EK, ergens in een tuin, onder een paraplu. In zijn trainingspak. De paraplu wordt vastgehouden door een meisje. Wesley kijkt strak voor zich uit. Meer is het niet. Nooit werd in 1 beeld de hele teloorgang van het Nederlandse voetbal zo schrijnend gevangen. De foto roept tientallen vragen op. Dit zijn er een paar.
Is daar over vergaderd, die parapluutjes? Dat moet wel. Ergens in een kantoor heeft men verzonnen dat spelers, als ze door een tuin lopen, een meisje naast zich krijgen met een paraplu. Het lijkt mij een UEFA-dingetje. Wat is daar nog meer verzonnen, maar op het laatste moment afgevallen. Een speciaal meisje bij het ontbijt, dat kleine stukjes brood in melk doopt en ze heel voorzichtig in de open mond van de voetballer legt? Meisjes die vlak voor het douchen, met hun handpalm, de temperatuur van het water controleren? Die paraplumeisjes vonden ze in ieder geval een goed idee.
Hebben die meisjes geoefend? Dat zal wel. Iedereen die wel eens met een paraplu een ander droog heeft gehouden, weet hoe lastig dit is. Je moet je opofferen en inschatten hoe de ander loopt. Meebewegen. Vaak loop je met een goede bekende onder een paraplu. Een intieme situatie. Regen, te klein parapluutje, dicht tegen elkaar, ach waarom niet, we nemen een kind.
Het meisje op de foto loopt naast een wildvreemde voetballer. Dat lijkt me lastig. Misschien hebben ze in de aanloop naar het toernooi van de paraplu-trainer conversatietips gekregen. “In het echt lijkt u veel groter, meneer Sneijder”. Of ‘u neemt toch alle vrije trappen? Of is dat Van Persie?” Zinnetjes die het gesprek even op gang brengen. Dat je niet zwijgend door zo’n tuin loopt.
Dat meisje op de foto redt zich wel. Die vertelde ‘s avonds aan haar ouders wie ze nu weer droog had overgebracht. Een zekere Wesley Sneijder.
Wat mij zo treft is de vanzelfsprekendheid waarmee Wesley Sneijder het hele gegeven van een parapluvrouwtje accepteert. Logisch. Als het regent lopen die naast je. Zo gaat dat in de profvoetballerij. Als je het veld oploopt doe je automatisch je hand opzij en voel je een kinderhandje. Als je je voetbalkleding van je af laat vallen wordt het door iemand gewassen. In winkels worden de boodschappen voor je ingepakt en hoef je niet af te rekenen. Als je door een tuin loopt verschijnt er een parapluvrouwtje. Zodat je niet nat wordt.
Wesley Sneijder is 24 jaar en verbaast zich nergens meer over. Dat is verontrustend. Het zou zo leuk zijn geweest als Wesley dat parapluutje zelf had gedragen. Arm om dat meisje heen. Hij likt voor de grap haar oor. Of Wesley drijfnat in de tuin, lachend naar de fotograaf. Maar helaas.
Daarom, aan het eind van het jaar, een wens. Augustus 2009. Wesley Sneijder, midden in Spanje. Lekke band. Hij moet 30 kilometer lopen naar een dorpje. Niemand herkent hem, maar hij mag toch mee eten. Knoflooksoep met brood. De oudste zoon van de familie ligt met de vliegende tering in bed. Hij zwaait naar Wesley. De jongste dochter laat Wesley een tekening zien. Hij vindt hem prachtig. Hij mag hem houden. Buiten regent het. De deur zwaait open en Guus Dubbelman maakt een foto.
Dat mag de VI meer doen,
profvoetballers enquêteren. Je krijgt er een kerstgevoel van. Dat
de voetballers hem thuis zelf hebben ingevuld vind ik een fijn
idee. Met het voetbalvrouwtje op de bank en dan samen hokjes zwart
krassen. Van sommige spelers weet je meteen zeker dat ze hem heel
nauwkeurig hebben ingevuld. Sander Boschker is een geboren
enquête-invuller. Emanuelson is er gisteren pas achter gekomen dat
hij de enquête al weken lang als onderzettertje gebruikt. Te
belazerd om uit een bus te stappen, dus die zie ik niet invullen
welke club het beste beleid van Nederland heeft. Op straat doe ik zelf graag aan enquêtes mee. Een verkleumde werkstudente die je vraagt: ‘vindt u Bakker Brood Nodig een makkelijk te bereiken bakker, een moeilijk te bereiken bakker of weet ik ik niet want ik ken Bakker Brood Nodig helemaal niet.’ Deze enquête gaat ook nog eens over voetbal. Dat is dus dubbel fijn.
Ik heb hem gespeld. De leukste vragen gaan over vrouwen en politiek. Zo hoor je nog eens wat. De meest sexy vrouw van Nederland is Yolanthe Cabau van Kasbergen. Dat vindt 19,8 % van de stemmers. Vlak naast de uitslag staat een foto van Yolanthe. Voetballers houden van vrouwen die voor 84 % uit gebit en tepelhof bestaan. Jammer. Ik had zo gehoopt dat er er een verrassing tussen zou zitten.
“Kaatje Doezels, het meisje achter kassa 3 van de C1000 in Dordrecht.” Of: “Sjaan Ruifels, die al zestien jaar in zelfgebreide truien achter het doel van Heracles, met haar hoofd in haar nek, na iedere doelpunt het geluid van een gevlekte wapiti nadoet.” Die had wat mij betreft vlak achter Chantal Janzen morgen eindigen. Beetje op letten volgend jaar bij het invullen. Dat geslijm van “mijn vrouw / vriendin” (7,1 % van de stemmen) daar trappen we niet meer in.
Politiek dan. 44,5 % van de geënquêteerden blijkt voor de doodstraf te zijn. Johan Derksen vond dat een verrassende uitslag. Ik niet. Ik kan zo 130 voetballers aanwijzen die het wel met hun blote handen willen doen. Sterker nog, ik ken er zo zes die ieder weekend de doodstraf voltrekken, alleen tot nu toe zonder succes. De Noor Pa-Modou Kah van Roda JC, het zou mij niets verbazen als die thuis lekker aan het sleutelen is aan een elektrische stoel. Kah is een voetballer die tegenstanders eigenlijk bij voorbaat als dode materie ziet. Het zal wel te maken hebben met de invloed van de televisie.
In het top tien lijstje van best bekeken programma’s staan Prison Break, CSI en Peter R. de Vries. Voetballers hebben iets met keiharde rechtvaardigheid. In Prison Break herkennen ze waarschijnlijk de moordende eentonigheid van het voetbal-leven. Prison Break is een serie over gevangenen die het liefst gevangen zitten. Af en toe ontsnappen er een paar en vier weken later zitten ze weer achter de tralies. Anders valt er niets te ontsnappen en is er geen serie.
Wat ik jammer vind van deze enquête is dat de nuance niet zichtbaar wordt. Het antwoord van de eenling gaat verloren. Ik had zo graag willen weten wie er het liefst naar documentaires over middelgrote nachtdieren kijkt. Uit de enquête wordt niet helemaal duidelijk of dat soort antwoorden ook mogelijk waren. “Ik keek met plezier naar de televisie premiere van Cha Ki Jau, de iets toegankelijkere tweede film van regisseur Ma Kau Ju.’
Dat maakt enquêtes nu juist vaak zo leuk, niet wat 69 % vindt, maar wat die ene verdediger bij ADO Den Haag heeft ingevuld bij de vraag: “wat is het belangrijkste nadeel waarmee u wordt geconfronteerd als profvoetballer”.
0,2 % : Werken in te koude kleding.
Frits en Barbara Barend gaan een
nieuw sporttijdschrift uitgeven. Sport & Personality. Een klein
stukje tekst uit het persbericht. “Ons glossy magazine sluit
aan bij de behoefte van Nederlanders om steeds meer te weten te
komen over het leven, de achtergronden, de hoogtepunten, de
problemen en de drijfveren van onze sporthelden.”Ik zit blijkbaar weer eens niet in een doelgroep want ik voel die behoefte helemaal niet. Als ze maar heel hard kunnen zwemmen of een strakke pass kunnen geven over 12 meter. Ik vind het juist heel prettig dat ik niet weet dat Nkufo van FC Twente ieder weekend minstens twee oude afleveringen van Cheers kijkt. Maar als Barbara en Frits het zeggen, van die behoefte, dan zal het wel zo zijn. Je begint niet zomaar een tijdschrift.
Er is waarschijnlijk marktonderzoek gedaan en daar moet uit zijn gekomen dat mensen willen weten wat Ron Jans het leukste banketbakkertje van Groningen vindt. Hoewel, met Frits Barend weet je het nooit. Zijn zender Het Gesprek lijkt ook dronken te zijn verzonnen ergens achter op het zeiljacht van een goede vriend.
Toch zette het me aan het denken. Wie vond ik de eerste opwindende sportvrouw? Betty Stöve? Ik kan me niet herinneren dat ik daar rusteloos naar zat te kijken. Enith Brigitta, haar naam dient zich aan, maar dan niet omdat ze haar benen schoor. Ze kon heel snel zwemmen en zo zag ze er ook uit. Rinus Israel moet ik aan denken. Ik zie hem niet direct een nieuw Nespresso apparaat aanprijzen, maar hij verdedigde wel spannend. Wim Jansen heeft al 45 jaar het verkeerde haar, maar het is een van de mooiste voetballers ooit.
Erotiek die ik begrijp: de blik van een vrouw als haar vriend, de middenvelder van DWV, nog na-stomend van de douche, de kantine binnen komt. Een beest op het veld. Ruzie gehad met iedereen. Waarschuwing gehad van de scheidsrechter en zwart van de modder het veld afgesjokt. Daar loopt hij langs de bar. Mensen slaan hem op de schouder. Nat, naar achteren gekamd haar. Overhemd open. Hij pakt een biertje aan. Hij neemt zijn kind op de arm en zoent zijn vrouw. Hij ruikt een beetje naar gras.
Die oer-erotiek is ver te zoeken in de topsport. Ze weten het allemaal te goed dat ze een Personality zijn. Er is veel veranderd in betrekkelijk korte tijd. Ik herinner mij een enorme discussie in de Volkskrant toen een winnend dames-hockeyteam door de fotograaf vanuit kikkerperspectief was gefotografeerd. Ze juichten op een lang erepodium en daardoor zag je hun slipjes. De rubriek met ingezonden brieven stond vol met ronkende stukken tekst. Hoe had de beeldredactie het in zijn hoofd gehaald! Deden ze dat ook met mannen? Wat voegde het toe? Waarom moesten wij de dijen zien van sportende vrouwen? Een foto van het winnende doelpunt had volstaan.
Nu, wat jaren later, staat er nog net geen makkelijk afwasbare reclame op de buitenste schaamlippen van de hockeydames. In de Sportweek kijkt hockeyster Wieke Dijkstra mij - gekleed in dertig gram kleding - met natte lippen aan. Volleybalster Manon Flier lijkt maar een ding te willen: mij. Schaatsster Anette Gerritsen speelt zo te zien gitaar in de band Horny Vibrations and The Cumshooters. Ruud Gullit is officieus ambassadeur van de anale seks
Ik kan mij niet voorstellen dat mensen willen weten of Theo Bos zijn rug laat scheren. Maar misschien hebben Frits en Barbara wel gelijk. Misschien wilt u dat allemaal wel heel graag weten. Vooruit dan maar. Voor 1 keer. Ik schreef deze column in makkelijk te verscheuren rood transparant mannenondergoed met speels vrijgelaten tepels, natuurlijk van modehuis Savage Royale .
Bij Klaas Jan Huntelaar hangt er
bijna altijd mysterie om zijn hoofd. Je ziet het aan de manier
waarop hij vragen van journalisten beantwoordt. Zijn mond spreekt
afgemeten zinnen, maar zijn ogen spelen een heel ander spel. Zij
laten ons, thuis, goed voelen dat hij precies in de gaten heeft hoe
het allemaal werkt in de voetballerij. Hij danst tijdens interviews
een wat onhandig ballet voor twee mannen. Het lijkt hem vooral te
vervelen. Een interview met Huntelaar vindt ogenschijnlijk altijd
plaats als hij net onderweg is naar iets belangrijks. Een lezing
over Multatuli, het kopen van een nieuwe vogelkijker of het
bijwonen van een theatervoorstelling.Klaas Jan Huntelaar ging maandag, midden in de contractbesprekingen met Real Madrid, naar Schouwburg Amstelveen. Ik ken Amstelveen. Ik woonde er jaren. Een parkeergarage met huizen er omheen. Dat Huntelaar ook nog eens naar een voorstelling van Freek de Jonge ging, maakt het nog mooier.
Zoals we allemaal weten wil Freek niet zomaar de eerste beste klootzakken in de zaal. Je moet er een beetje voor hebben doorgeleerd om hem te begrijpen. De gemiddelde boerenlul ziet een man in een zelf genaaid pak met een expres rare bril op zijn hoofd, die heel hard schreeuwt dat vroeger alles beter was. Alleen fijnproevers zien zijn genie. Zo’n fijnproever is Klaas Jan Huntelaar.
Na de voorstelling verliet Klaas Jan het theater door een zijdeur. Een mooi beeld. Al die domme fotografen in de foyer en Klaas Jan, net als The Beatles, hopla zo vanuit de zij-ingang in een ronkende taxi. Jammer, want ik had graag gehoord wat Klaas Jan van Freek vond. Een week eerder had hij bij de opening van een tentoonstelling het werk van Herman Brood nog geduid. Herman schilderde abstract en toch begrijpelijk. Daar hield hij van. Dat is weer eens andere koek dan Sjaak Swart die met een dikke keel naar een handgeschilderde asbak vol huilende zigeuners staat te kijken. Klaas Jan houdt van echte grote mensen kunst. Alleen dat al maakt hem bijzonder.
Ongrijpbaar was hij, tot afgelopen woensdag. Toen kwam Huntelaar aan in Madrid. In een witte, wollen wijventrui. Anders kan ik het niet zeggen. Een trui die je draagt als je tieten hebt. Een trui die je over je hoofd trekt als je op een verjaardag leuk wilt doen. Met een halve kip op je hoofd en de trui van je vrouw om je bovenlichaam een rondje door de tuin hollen. Zo een trui was het. Klaas Kan Huntelaar droeg hem.
Weg mysterie. Deze trui maakt veel duidelijk. Niemand in Klaas Jan zijn familie heeft tegen hem durven zeggen dat hij een rare trui aan had. Zijn vader is in het vliegtuig blijkbaar niet even naast hem gaan zitten. “Klaas Jan, ik wil het even over je trui hebben. Deze ja, die je aanhebt, met die geplisseerde voorkant en die over elkaar heen vallende royale voorflappen. Luister jongen, we gaan naar Spanje. En dit is wol. In deze trui lijkt het of Real Madrid een transseksuele schaapherder uit Griekenland heeft gecontacteerd. Doe hem uit. Desnoods voor mij.
Dat is niet gebeurd. Klaas Jan kwam in Madrid aan met een trui die op de voorkant van de catalogus van een postorderbedrijf staat. Wat later hield hij gelukkig weer zes keer een balletje hoog in een voetbaltenue, om de fans te laten zien dat hij heel goed kan voetballen. Hij zei in een microfoon dat spelen voor Real Madrid een droom was.
Zo kenden we hem weer. Maar die trui heeft Klaas Jan verraden. Hij heeft vlak voor zijn vertrek als een jongetje voor zijn kledingkast gestaan en de verkeerde keuze gemaakt. Op een of andere manier doet mij dat goed.
Zaterdag las ik in deze krant een
stukje over de KNVB, die paal en perk gaat stellen aan de jacht op
hele jonge voetbal talentjes. In het stuk valt een paar keer het
woord ‘busje.’ Han Berger zegt: (...) ‘ik
geloof er niets van dat zulke jongen kinderen er beter van worden
als ze een paar keer per week in busjes heen en weer worden
gesleept.’ (...)Acht jaar in een busje. Vijf dagen per week. Met je tas achterin, die je om half zeven ‘s ochtends zelf hebt ingepakt. Je vader smeert een volkoren boterham terwijl je zelf liever wit eet, met chocoladepasta. Dat wordt afgeraden door de diëtist van de club. De lijst met aanbevolen voedsel hangt aan de binnenkant van het keukenkastje. Je eet zwijgend. Je vader kijkt naar As the world turns. Als het maar beweegt. Om kwart over zeven word je opgehaald. Je gaat om vijf over zeven voor de deur staan, want vorige keer was het busje ook te vroeg. Je ziet binnen het licht uitgaan. Die ouwe is weer naar bed.
Je stapt als eerste in de bus. Je bent jaloers op de jongetjes in Amsterdam, die na jou worden opgehaald. Kwart voor acht pas. Dat is een half uur langer slapen. Je hebt geleerd om niet steeds naar buiten te kijken, want dan moet je zwaaien. Vinden mensen in Noord-Holland leuk, zwaaien naar een AZ busje. Wie weet zwaaien ze naar een toekomstige linkshalf van AZ.
Daar maak je je wel een beetje zorgen over. Of jij dat bent, de toekomstige linkshalf van AZ. Tot nu toe zijn er weinig spelers uit de jeugdopleiding in het eerste terecht gekomen. Maar misschien ben jij de eerste. Dat kan. Toch? Iedereen om je heen zegt dat alle jongetjes hier van dromen. Jij wist niet eens dat ze in Alkmaar speelden en dat Alkmaar, in een busje, als je via Amsterdam moet rijden, ongeveer anderhalf uur rijden is.
Het trainen en het voetballen is heerlijk, maar je vraagt je soms af of je wel een echte AZ speler bent. Ricardo, jullie rechtsachter, heeft een AZ dekbed. Jij niet. Soms halen je vader of je moeder je op van een training en dan doe je zo snel mogelijk je trainingsjas uit. Dat niemand weet dat je bij AZ speelt.
Je praat in de auto ook liever niet over voetbal. Dat weet je vader inmiddels wel. Het gaat iedere dag al 12 uur lang over voetbal, zelfs op school in Alkmaar. Daar hokken de voetballers bij elkaar in de aula. Soms wordt er gevochten. Als je bij AZ zit en je vecht, dan krijg je een gesprek met de trainer. Jij houdt gelukkig niet van vechten. Je hoopt dat je ‘s avonds macaroni eet.
Dat jongetje is mijn zoon. De man die weer naar bed gaat ben ik. Mijn zoon speelde twee jaar lang in de jeugdopleiding van AZ. Hij heeft veel geleerd. En veel niet geleerd. Want dan zat hij in een busje. Hij heeft geleerd dat je bij AZ nooit Ajax mag zeggen. 020 moet je zeggen. 020 waar hij en wat andere talentjes vandaan komen, maar dat schijnt dan weer niet uit te maken. Bij AZ in de spelershome hangen ze de vaantjes van Ajax omgekeerd op. Misschien doen ze dat overal wel.
Hij heeft veel geleerd van zijn trainer. Zijn vader heeft ook veel geleerd. Ouders bij jeugdelftallen van AZ kijken zwijgend naar een wedstrijd.
Nu hij er weg is durft hij het wel te zeggen. Dus bij deze, namens mijn zoon: ouders, laat je zoon voetballen bij een club waar hij op de fiets naar toe kan.
Herman Kuiphof is dood.
Toen hij nog leefde dacht ik niet veel aan hem. Om eerlijk te zijn,
geen een keer. Hij was er gewoon, ergens op de achtergrond.Bij Mart Smeets leeft Herman Kuiphof op een hele alledaagse manier voort. Gevraagd naar zijn herinneringen vertelt hij een Volkskrant-journalist: ‘Ik keek altijd met ademloze bewondering naar de wijze waarop hij zijn boterhammen uit een papieren zakje haalde.’
Dat zet je aan het denken. Hoe pak ik mijn brood uit? Hoe eet ik in het bijzijn van andere mensen? Als ik volgende week opeens met een metaalachtige smaak in mijn mond en met mijn linkerhand nog even zinloos klauwend naar hoop en liefde, dood neerval, hoe zal men mij zich dan etend herinneren? Martin Bril: ‘Dijkshoorn at niet. Die vrat. Met zijn handen. Maakte niet uit wat. Tijdens diners zat hij altijd achter een scherm en dan hoorde je hem dat voedsel naar binnen werken. Enfin’
Het maakte meer los, de dood van Herman. In een aantal programma’s hoorde ik de bekende commentaren voorbij komen. De wedstrijd in de sneeuw. De wedstrijd tegen de Duitsers. Ik kan me er eigenlijk geen woord van herinneren. Die wedstrijd uit 1974, daar zou ik me toch in ieder geval een paar flarden van moeten herinneren. De zin van Kuiphof, “zijn we er toch ingetuind”, zit, door de eindeloze herhaling op de televisie, in het collectief geheugen. Maar wat zei Kuiphof allemaal nog meer? Ik weet het niet.
Dat stoorde me even. Dat Herman - in ieder geval door een jongetje van 14 jaar - niet werd gehoord. Ik herinner mij alleen mijn vader, doodstil achter een gordijntje in onze caravan en het dringende advies van mijn moeder om ‘pappa maar even alleen te laten.’ Ik kan me niet herinneren dat we het na de wedstrijd met zijn allen over het commentaar van Kuiphof hadden.
Zo herinner ik me Kuiphof vooral, als iemand waar je het eigenlijk nooit over had. Een mooier compliment is niet denkbaar. Je had blijkbaar niet eens meer in de gaten dat hij dwars door de wedstrijd heen lulde. Hij zuchtte als jij zuchtte. Hij juichte als jij juichte. In de rust pakte hij zijn boterhammen uit en daar zat Smeets dan naar te kijken. Vlak voor de tweede helft keek hij of er was gewisseld. “Nee, geen wissels’ Nuttige informatie.
Herman Kuiphof wist zich bijna onzichtbaar te maken. Ook in zijn tenniscommentaar. Dat lukt niet veel commentatoren meer. Een wedstrijdverslag lijkt mislukt als de commentator ons niet minimaal 2 of 3 verbale pareltjes cadeau heeft gegeven. Dat permanent zoeken naar de leuke invalshoek. Die eeuwige grap van Frank Snoeks, over schoenmaatje 45. Die belachelijke lijsten met feitjes, vlak voor de neus van iedere commentator. “Suárez aan de bal, Suárez, die deze week nog een herenkapsalon van zijn broer opende.” Commentaar tijdens honkbalwedstrijden bestaat tegenwoordig voor 90 % uit statistieken en 10% uit verhalen over vroeger. Het commentaar bij de Tour de France is entertainment geworden. Duo Hard en Zacht doen iets met wieltjes.
Ik keek net, tijdens het schrijven van deze column, naar AZ - Ajax en luisterde naar commentator Theo Reitsma. Demy de Zeeuw had een rare vlek op zijn voorhoofd en hij zei er de hele wedstrijd niets over. De Argentijnse keeper van AZ werd door Theo op geen enkele manier in verband gebracht met Maradona. Net toen ik dacht: mijn tv doet raar, zei Theo: het is hier gaan sneeuwen. Twintig minuten voor het einde van de wedstrijd voorspelde Theo dat Ajax zich niet meer terug ging knokken. En hij kreeg gelijk.
Als Kuiphof nog had geleefd zou hij in de rust van AZ - Ajax zijn boterhammen hebben gedeeld met Theo.

