ik hang om lege muren rond
om hoeken plakt de tijd
oude woorden
die nog steeds gebeuren
aan spijkers
haken bleke vlekken
en rijen sporen van een simpele vork
die mijn broer naar snel ontweken
hoofden smeet
later wilde hij messen werpen
maar door een voorgestoken stokje
ging hij als eerste uit het huis
de stemming toch al om te snijden
mijn vader was een sluipschutter
mijn moeder koorddanseres
van haar leerde ik voorzichtig stappen
altijd op de hoede voor de val
als mijn vader schoot
het was een circus bij ons thuis
©D. 2010
na de regen
dianne,fotografie jo hendriks, na de regen, tanka, poëzie, 2010
werd ik werd
jij
kwam jij kwam ik
jou dichterbij
bij mij bij jou
hoe zat het nou
deed ik deed jij
wat ik dat ik zo graag
en jij zo blij en ik
dus stil ik wil
kus jij ik jou
ik hou
jij mij
?
©DS 2010
Het schilderij Verliefd dat ik bij het gedicht Verlieven mocht gebruiken is gemaakt door Linda Bouwman.
Het schilderij en meer werk van haar hand is te vinden bij Vrolijke Kunst http://www.lindabouwman.nl/
Uiteindelijk is er de reden
die leegte laat geloven
in hoge spiegels maanglas
en licht valt onbewogen
met ons samen
in zoveel kouder dan vermoed
slechts gekleed in handen
- er kruipen gaten -
dekken we kruiselings
onszelf toe
het onvermogen
naar een tederheid
duwt zich daar in bijval tussen.
Ik ben veel haartjes vannacht
als ik me erbij neerleg.
©DS
dag kindlief
kom je me helpen in de tuin
dan trekken we het pestkruid uit
dat gaat de perken te buiten
pluk tierlook maar bij de wortels
het woekert ondergronds
dolend bitterklap mag op de hoop
ja hoor schat
doe je niet te hoog met schommelen
dan strooi ik ogentroost en moederkoren
en plant de maan voor jou
in avonddauw
maan van groei en zoete dromen
ent de zon op sprookjesmunt
de waarheid zal ik later zaaien
die zou nu maar in het honderd waaien
©DS
De vrouw die ontplofte
2010, dianne, poëzie, opstand, ontploffingsgevaar, taalspel
Onvermoed
is zijn talent tot schimpen:
hij schimpt een gistend gat
in haar. Zij dicht haar dijen
voor zijn bestand.
Zo schampert het verlet
zijn zwellend lot. Op een oor na
wacht ze onderhuids
al dik. Haar brede rug
groeit door, haar ene oor
ontluistert. Tot op die dag
dat ze ontploft;
het huis en hem ontzet.
©DS
muziek in een straat
waar mensen in haast op weg
maar oren blijven
vormen een vrolijk gezicht
op vooruit gesnelde wind
©DS 2009
Gestorven taal
dianne 2010, poëzie, taal, andamanen, bo-taal, boa sr
onder stenen, dan sterft
jongstleden is een taal gestorven, een vrouw.
Ze blies haar met haar laatste woorden
uit.
Stel je het verdwijnen voor
terwijl we woorden zoeken, spreken
van een ongekend verlies.
Dianne 2010
http://www.nrcnext.nl/blog/2010/02/05/met-mevrouw-boa-stierf-ook-het-bo/
zie ook: http://www.vkblog.nl/bericht/299908/boa__sr
of hoe het lippen samen klemt
met nu en dan een rare piep
die uit een kiertje van je mond ontsnapt
hoe het vochtig tussen wimpers plakt
een rare grimas maakt
en handen zich tot stenen ballen
't drukt in keel en buik en hart
en hoe dat heel alleen
tot iemand lieve woorden zegt
en daar omheen zijn armen legt
dan stroomt het
sneller over
©DS 2010
bij de walmuur
park, walmuur, kinderen, herinnering, poëzie, dianne 2010, maastricht
we gooiden brood als kogels
en eenden muitten als piraten
een koe (sic)
graasde ons op met lange halen
we zochten dekking, bij de bomen
bij de muren, in hielenlikkend gras
voor tongen en snavels, voor kruimels
en een lilagroene knipperzon
zo terloops dat we er later pas
door werden opgeslokt
verslindend lang herkauwd
©DS 2010
Verrassing met een uitroepteken
remco ekkers, punt, verrassing, beslommering, huis, lieve
Soms heb je van die dagen dat vermoeidheid
onherroepelijk toeslaat omdat je nog niet helemaal opgeknapt
bent, zoals je graag zou willen, en je zelfs te landerig
bent om te schrijven na bijvoorbeeld een dagje ziekenhuis met
jongste die wel even van een hoog muurtje dacht af te springen en
daarbij een kleine fractuur in zijn hielbotje opliep en die nu
twee weken zoet is met krukken, wat heel wat gedoe is voor een
negenjarige - en als je daarbij meetelt dat in die twee
weken CARNAVAL in het verschiet ligt zodat je als kleine
Limburgse vierder niet mee kunt springen met twee krukken
omdat uitdrukkelijk verboden is de voet te gebruiken, is dat
wel heel zuur - en...
soms heb je van die dagen dat je witregels gebruikt omdat je geen
zin hebt om een punt achter de zin te zetten zodat dit
waarschijnlijk de langste zin wordt die ik ooit heb geschreven
bovenop de onzin van puinhoop in mijn huis omdat de oudsten en
aanhang vrij spel hadden tijdens ons ziekenhuisbezoekafwezigheid
en het niet in puberbloed zit om te zien dat afwas niet vanzelf
naar de keuken verdwijnt;
dat een afwasmachine (!) zich niet automatisch leegt en geen extra uitschuifbare robotgestuurde arm heeft die het schone serviesgoed naar de daarvoor bestemde kasten verplaatst;
dat mijn kinderen nog nooit van een stofzuiger gehoord hebben omdat die geen ingebouwde moederstem heeft die hun toespreekt dat ze eens naar de kruimels op de vloer moeten kijken enzovoorts, enzovoorts (ik kan nog wel even doorgaan, punt). Punt? Heb ik geen enne-tjes en omdat-jes meer? Vast wel, maar ik wil niemand vervelen en de verrassing staat beneden.
Kleindochter is eindelijk toe aan haar middagdut, ik zou nu wel
even, snel…de wasmachine volproppen... Oh nee, die maakt
tegenwoordig plassen water op de vloer tijdens het draaien,
wat alleen prettig is als je de vloer moet dweilen (als die
tenminste eerst gezogen is). Toch maar eerst even kijken of er
nog iets leuks op het Volkskrantblog staat: momentje met koffie
en uitgestelde plannen.
Voor lezen en reageren heb ik geen –
uitbreidende - tijd, dat moet wachten tot vanavond maar ik kan
wel alvast wat koppensnellen en onthouden waar ik straks of
morgen langs wil gaan...
Dan valt mijn oog op de
kop Lieve. Lieve? Lieve, zoals in de naam van mijn
brabbelende kleindochter boven, die schijnbaar besloten heeft om
haar middagdut een stuk te verkorten?
Nieuwsgierig klik ik open en ben sprakeloos met een uitroepteken...
Wat een verrassing! Dank je wel, Remco.
Dianne
Er waait een gure driftige wind. De koude maakt de aarde bleek en het asfalt gebarsten onder smeltijs.
Rechtop lopen, zegt ze in zijn gedachten, dan heb je minder last van de kou. Hij trekt zijn nek in tussen zijn schouderbladen en kromt zijn rug.
Het is niet ver naar de bushalte maar hij heeft de vermoeide houding van iemand die elke stap teveel is. Als hij de bus de hoek om ziet komen, versnelt hij zijn pas, even, steekt zijn hand op totdat de chauffeur hem in het oog heeft gekregen.
‘Als je wist hoeveel mooie vrouwen in de bus zitten, had je wel wat harder gelopen’, zegt die goedmoedig. Hij glimlacht flauw en ziet een vrouw die haar tanden laat zien, een vreemde grijns, alsof ze elk moment kan opspringen, hem zal bespringen, als een hongerig dier. Hij laat zich op een vrij bankje neerzakken, achter de middendeuren en zucht diep. 'Moe?', vraagt de hongerige vrouw die schuin aan de overkant zit, met een lage doorrookte stem. Ook dat nog! Hij geeft geen antwoord, doet of hij haar contactbegerigheid niet heeft gehoord en kijkt strak naar buiten, zijn nek nog steeds gekromd tussen zijn schouderbladen. De bomen zijn kaal, lege staketsels tegen een vaag blauwe lucht. Hij vraagt zich af hoe daar een lente in moet groeien. Alles lijkt dor en van een rampzalige dood.
Van alle seizoenen hield ze het meest van de lente. Als ze de knoppen in de twijgen had kunnen kijken, dan had ze dat gedaan. Ze was kinderlijk enthousiast als ze hem wees op het prille ontluiken: ‘Je kijkt niet, de wereld is mooi en ruikt naar appel- en vanille-ijs.’
Hij voelt hoe zijn mond zich rondt tot een glimlach. De schok van het voelen van de glimlach zorgt ervoor dat haastig opkomend maagzuur in zijn middenrif brandt terwijl de bijtende gal tergend langzaam doorstroomt naar zijn slokdarm en in zijn keel blijft steken.
De middendeuren in de bus klappen open. Er gaat niemand uit, er
komt iemand naar binnen. Hij kan haar niet missen, zo vet is ze,
denkt hij hatelijk. Ze houdt een geplastificeerde kaart in de
lucht, richting chauffeur. ‘Het is goed’, roept die,
half omgedraaid, terwijl hij zijn blik gulzig op haar achterste
vestigt.
Als hij een tas had, waarmee hij de plaats tegenover hem bezet
kon houden, zou hij dat meteen doen. Nu moet hij lijdzaam toezien
hoe ze hem het uitzicht beneemt: hij kan niet anders dan naar
haar kijken, zijn blik telkens weer aangetrokken door haar
imposante verschijning. Ze draagt een prettig licht parfum dat
hem aangenaam verrast, een donkerroze jas van suèdine die ze open
heeft geknoopt zodat hij zicht heeft op haar indrukwekkende
boezem. Maar wat hem het meest fascineert is haar gezicht. Haar
ogen zijn klein en smal, liggen grijs en diep naar achteren boven
het opbollende vet van haar wangen. Haar neus is breed en iets
afgeplat boven spitse roodgestifte lippen die op een grappige
manier omhoog krullen. Ze kijkt hem onderzoekend aan, lacht hem
toe met een sikkelmanen mond. Haar korte witblonde haar staat
recht omhoog als van een varkensharen penseel. Ze lijkt ook op
een varken, denkt hij. Schaam je!, zegt zij bits in zijn
hoofd. Hij schrikt zo van haar onverwachte bemoeienis dat hij
naar voren schiet. Alsof de buschauffeur vol op zijn remmen is
gaan staan, zet hij zich af tegen de borsten. Vol en zwaar liggen
ze onder zijn handen die hij langzaam terugtrekt terwijl hij in
gedachten de rondingen volgt, het zachte vel dat onder zijn
handen rilt. Hij voelt hoe zijn penis opzwelt en ongemakkelijk
tegen zijn rits aan drukt.
Ze zit op zijn schoot, haar benen aan
weerskanten van zijn benen, haar gezicht naar hem toe. Haar
bovenkleding heeft ze uit. Ze heeft zachte borsten. Hij speelt
met haar tepels, draait en duwt een beetje met zijn vingers. Hij
voelt hoe haar lichaam reageert, hoe ze naar meer verlangt, haar
handen knijpend in zijn bovenarmen, terwijl haar ogen de zijne
geen moment los laten. Ze ontvangt.
Ze zegt niets over het feit dat zijn handen net ergens lagen waar ze niet thuishoorden. Op zijn gemompeld excuus reageert ze met een strak uit het raam kijken naar het kille bleke landschap dat grommend voorbijtrekt. Haar ogen lijken nu minder diep in haar gezicht te liggen. Hij ziet hoe parelgrijs ze zijn, ze zijn mooi, nauw als van een kat. Er ligt een blos op haar gezicht. Hij moet zijn blik van haar afwenden, maar dat blijft onmogelijk. Ze wil dat hij naar háár kijkt. Ze staat op. Ze kijkt hem niet meer aan. Hij ziet een man die haar opwacht, die haar in zijn armen neemt, haar kust. Het spijt hem dat ze weg is. Ze liet hem voelen dat hij nog harder lopen kon. In zijn handen klemt hij een roze knoop, zacht en bollend als een tepel. Nog zeven haltes. Haar plaats blijft leeg.
©DS 2010
Was Hast Du Mit Meinem Herz Getan
Nicolas Lens - Claron McFadden
we waren in de dodenstad
mijn hand tot aan de drempel
van voorbije eeuwen
in hun huizen brandde licht
het was of ze er nog woonden
terugkeer hadden voorbereid
we probeerden te waken maar
de schaduw van rome was te heet
gras onder voeten verdween
in de koepels van de tumuli
zochten we zon die samenkneep
we spraken niet van goden
niet van kraaien op de heuvels
niet van indringers die wij waren
niet van moeheid in onze benen
niet van liefde die ons begon op te
breken
we dronken tekens
en zwegen in de grond van dit vertrek
©D.M.E.L.
bewerking 2009
tekst en camfoto: 'Lieve kijkt mee op de PC'.
©Dianne 2010
Hij kneep zijn ogen iets samen om
zijn zicht te verscherpen, kon niet direct thuisbrengen wat hij
zag. Toen hij dichterbij kwam, zijn ogen bijna dicht, zag hij
schoenen, een paar bruinleren herenschoenen, met losgeknoopte
veters. Ze stonden met de neuzen voor een twee meter hoge
langgerekte muur die de stoep scheidde van een achtergelegen,
braakliggend terrein. Een schoen stond recht, de andere lag
gekanteld. Nu hij duidelijk had gezien wat zijn aandacht had
getrokken, liep hij langzamer door, peinzend. Het beeld van de
schoenen liep met hem mee.
Hij vroeg zich af waarom de schoenen daar
waren achtergelaten. Ze zagen niet uit alsof ze versleten waren.
Het was of iemand er gewoon uit was gestapt, misschien op
kousenvoeten over de muur was geklommen. Waarom zou iemand
zonder schoenen over een muur willen klimmen om op een
besneeuwd kuilenterrein uit te komen?
Niet meer in je eigen schoenen willen staan, kwam in hem op.
Alsof die gedachte hem in de andere schoenen dwong. Hij liep
terug en maakte een foto met zijn mobiele
telefoon.
Afwezig stak hij zijn sleutels in het
voordeurslot. Zijn schoenen zette hij in de gang onder de
kapstok; een spoortje vuil smeltwater liep onder de zolen
uit.
De schoenen bij de muur stonden er nog niet zo lang,
bedacht hij. In de afgelopen nacht had het flink gesneeuwd maar
de schoenen waren droog, niet bevroren. Hij tuurde naar zijn
eigen schoenen, het natte vuile water rondom dat zijn sokken
vochtig maakte. Hij nam een krant en zette zijn schoenen
erbovenop. De neuzen naar de muur. Hij kantelde de rechterschoen,
zoals bij de schoen op straat en liep naar de keuken.
Het beeld van de schoenen liet hem niet los toen hij zijn
maaltijd at.
Nadat hij de schoenenfoto via zijn computer had gekopieerd,
printte hij die op fotopapier. En nog een en nog een tot het
geheel verwerd tot een chaotische
schoenenberg.
Hij knipte de schoenen uit en legde ze naast
elkaar op de grond. Alle schoenen. Ze deden hem denken aan passen
die op dansvloeren kleefden, oefenpassen. Hij zette
zijn voeten op de schoenen. Zijn enkel zwikte om op een
gekantelde schoen. Hij stapte er af. Niet meer in je eigen
schoenen willen staan. Gewoon uit je schoenen stappen en een
ander bestaan leiden achter de muur die het ene leven van het
andere scheidt. Misschien in onwetendheid. Alsof met het uitdoen
van de schoenen ook je geheugen werd gewist, misschien je hele
lichaam. Zodat je werkelijk iemand anders wordt als je niet meer
in je eigen schoenen staat. Die gedachte bracht hem in een
verheugde staat van waanzin.
Hij schoof de schoenen door de hele kamer en stapte van de ene
schoen op de andere. Hij kon er niet mee stoppen.
Ik zou niet in jouw schoenen willen staan, had een
collega-ambtenaar tegen hem gezegd. Ontkennen had geen zin: de
bewijzen uitgeplozen en breed uitgemeten waarna hij publiekelijk
aan de schandpaal werd genageld.
Hij had het vonnis met opgeheven hoofd aangehoord. Zijn
schoenveters werden afgenomen. Na zijn detentie zat hij thuis,
alleen. Voor zijn partner was de schande te groot.
Hij schoof de papieren schoenen op een hoop en legde ze in het
aanrecht. Een lucifer was genoeg om alles te
verkolen.
De sneeuw joeg hem in het gezicht toen hij de schoenen aantrok. Hij keek op zijn horloge. Vijf uur geweest. Hij moest zich haasten. De kaarten voor het theater in zijn jaszak. Vroeg eten vanavond. Dan had ze nog tijd om zich mooi te maken.
©D.M.E.L. Soeters, januari 2010
Omgevallen licht -
door een snijdend
takkenweb
schemert witstil zicht
in de sneeuwgesponnen lucht
kleeft het lege
vogelnest
©D.M.E.L. Soeters 10-01-1010

een liedje
dianne 2010, liedje, roodborstje, herinnering, sneeuw, natuur, tuin, kind, poëzie, tanka
mijmerend kijken
dat kris kras de
sneeuw doorloopt
roodborstje scharrelt
het doet geluidloos zingen
met tikvingers op een raam
©D.M.E.L. 08-01-2010

Op 20
december is de tweede bundel verschenen van Dianne Soeters:
Wat blijven zal, maakt ademloos Gedichten, 52 bladz.
gebonden Hernia&Co 2008 ISBN 9789081192453
het water zingt, mijn debuutbundel, is nu als
tweede druk verkrijgbaar bij 
foto:

