daddy!

Afstandsbediening laatste houvast?
Een chipsfabrikant liet een jaar of wat geleden een onderzoekje doen, onder meer naar wie de baas was over de afstandsbediening. Hier bleek nog een ouderwets adagium te gelden: ‘Vaders wil is wet!’. De comfortabele Vaderstoel kwam op een mooie tweede plaats. Daarin lag de afstandsbediening trouw te wachten tot pappa weer thuis kwam van het harde weken voor de dagelijkse portie vlees, dus niet alleen op zondag. Dat waren nog eens tijden!
Voor het overige kunnen we gerust stellen dat vrouwen toen en nu de dienst uitmaakten en –maken in het gezin en dat dit een van de belangrijkste redenen is waarom het de dames maar niet lukt de heren aan het huishouden te krijgen. Heren doen dit namelijk alsmaar niet op de manier zoals dames dit graag zouden willen. Zelfs het in- en uitruimen van de vaatwasser is menige vrouw een doorn in het oog. “Dat kun je toch veel beter zo doen”, wordt er maar al te dikwijls gemopperd. Of: “laat mij maar even, jij ook altijd...”.
Is pappa niet schattig?
Deze huishoudelijke ‘taakverdeling’, die veel werkende huisgezinnen nastreven, zien we nog heviger terug in de kinderverzorging en –opvoeding. Dit is nadrukkelijk het territorium van de moeder. Vader mag de luiers verschonen, het wurm wat kleertjes aandoen (“je kan zo zien wie ‘m heeft verschoond en aangekleed vanochtend...”) (wel eens gevolgd door: “Is pappa niet schattig?”) en 'm naar school brengen alstie wat groter is maar daarna houdt het op. Ook al zou vader willen en heeft hij voldoende goede ideeen, om reden van de lieve vrede legt hij zich meestal bij de beslissingen van de moeder neer.
Seks?
Moeder beheert het kind in elke denkbare zin. Van welke kinderfeestjes wel of niet, tot sportclubs, schoolkeuze, pianoles. Dit wordt in de meeste gevallen met andere moeders bedisseld, een netwerk waarin vaders niet worden toegelaten en dat ook wel bekend staat als de moedermaffia. In dit netwerk wordt regelmatig hevig gegniffeld over vaders onhandigheid tegenover alles en het wurm in het bijzonder. Ook wordt daarin het sociale leven van het kind geregeld: vindt de ene moeder de andere niet aardig dan spelen de kinderen ook niet met elkaar. De beste vriend van de oudste knul blijkt niet helemaal toevallig de zoon te zijn van moeders beste vriendin. Inmiddels ziet moeder haar behoefte aan intimiteit helemaal bevredigd in haar omgang met de kinderen, waardoor pappa ook niet meer aan seks hoeft te denken. Vader wordt uitsluitend nog langs de voetballijn getolereerd, waar hij zijn frustraties uitleeft op de scheids en de trainer van de tegenpartij.
Laatste houvast
Zolang niemand daar last van heeft vind ik het allemaal geen probleem. Komen er evenwel overheidscampagnes gericht op gelijkwaardig ouderschap, dan vind ik dat deze zich niet alleen op ontoereikende vaders zouden moeten richten, maar ook op de geringe bereidheid van moeders het vaderschap te erkennen als een evenknie in het gezinsleven. Maar voor het zover is (als het er ooit van komt) heeft pappa binnen het gezin helaas uitsluitend nog de afstandsbediening om zich krampachtig aan vast te houden. Als hij die ook nog verspeelt dan is het echt met hem gedaan.
Een chipsfabrikant liet een jaar of wat geleden een onderzoekje doen, onder meer naar wie de baas was over de afstandsbediening. Hier bleek nog een ouderwets adagium te gelden: ‘Vaders wil is wet!’. De comfortabele Vaderstoel kwam op een mooie tweede plaats. Daarin lag de afstandsbediening trouw te wachten tot pappa weer thuis kwam van het harde weken voor de dagelijkse portie vlees, dus niet alleen op zondag. Dat waren nog eens tijden!
Voor het overige kunnen we gerust stellen dat vrouwen toen en nu de dienst uitmaakten en –maken in het gezin en dat dit een van de belangrijkste redenen is waarom het de dames maar niet lukt de heren aan het huishouden te krijgen. Heren doen dit namelijk alsmaar niet op de manier zoals dames dit graag zouden willen. Zelfs het in- en uitruimen van de vaatwasser is menige vrouw een doorn in het oog. “Dat kun je toch veel beter zo doen”, wordt er maar al te dikwijls gemopperd. Of: “laat mij maar even, jij ook altijd...”.
Is pappa niet schattig?
Deze huishoudelijke ‘taakverdeling’, die veel werkende huisgezinnen nastreven, zien we nog heviger terug in de kinderverzorging en –opvoeding. Dit is nadrukkelijk het territorium van de moeder. Vader mag de luiers verschonen, het wurm wat kleertjes aandoen (“je kan zo zien wie ‘m heeft verschoond en aangekleed vanochtend...”) (wel eens gevolgd door: “Is pappa niet schattig?”) en 'm naar school brengen alstie wat groter is maar daarna houdt het op. Ook al zou vader willen en heeft hij voldoende goede ideeen, om reden van de lieve vrede legt hij zich meestal bij de beslissingen van de moeder neer.
Seks?
Moeder beheert het kind in elke denkbare zin. Van welke kinderfeestjes wel of niet, tot sportclubs, schoolkeuze, pianoles. Dit wordt in de meeste gevallen met andere moeders bedisseld, een netwerk waarin vaders niet worden toegelaten en dat ook wel bekend staat als de moedermaffia. In dit netwerk wordt regelmatig hevig gegniffeld over vaders onhandigheid tegenover alles en het wurm in het bijzonder. Ook wordt daarin het sociale leven van het kind geregeld: vindt de ene moeder de andere niet aardig dan spelen de kinderen ook niet met elkaar. De beste vriend van de oudste knul blijkt niet helemaal toevallig de zoon te zijn van moeders beste vriendin. Inmiddels ziet moeder haar behoefte aan intimiteit helemaal bevredigd in haar omgang met de kinderen, waardoor pappa ook niet meer aan seks hoeft te denken. Vader wordt uitsluitend nog langs de voetballijn getolereerd, waar hij zijn frustraties uitleeft op de scheids en de trainer van de tegenpartij.
Laatste houvast
Zolang niemand daar last van heeft vind ik het allemaal geen probleem. Komen er evenwel overheidscampagnes gericht op gelijkwaardig ouderschap, dan vind ik dat deze zich niet alleen op ontoereikende vaders zouden moeten richten, maar ook op de geringe bereidheid van moeders het vaderschap te erkennen als een evenknie in het gezinsleven. Maar voor het zover is (als het er ooit van komt) heeft pappa binnen het gezin helaas uitsluitend nog de afstandsbediening om zich krampachtig aan vast te houden. Als hij die ook nog verspeelt dan is het echt met hem gedaan.
Omgangshuis bestendigt familie(on-)recht en vergroot daarmee kans op familiedrama's
zaterdag 17 maart 2007 16:08
“Vooral vaders kunnen vluchten in geweld als ze hun kinderen
dreigen te verliezen”, luidt een van de onderkoppen bij het
artikel ‘Verlaten ouder vlucht soms in geweld’, van
Peter de Waard over familiedrama's, het omgangshuis Zaandam en
diens directrice Loes Michiels, in de Volkskrant van vandaag. Dit
statement suggereert een zekere wetenschappelijkheid, en tevens als
zou een dergelijke gewelddadigheid besloten liggen in de psyche van
vaders. Ze zijn gevaarlijk voor kinderen en moeders, zeker als de
laatsten vinden dat hun kinderen maar beter tijdig voor die vader
in veiligheid gebracht, c.q. bij hem vandaan ontvoerd kunnen
worden. ‘Vader drinkt en heeft losse handjes’, is een
klassieker. Het omgangshuis kan familiedrama’s voorkomen,
beweert Loes Michiels.
Aan de basis van het probleem waar omgangshuizen mee van doen willen hebben, staat het uit een vervlogen eeuw stammende familierecht, waar helaas nog in teveel gevallen een beroep op moet worden gedaan, omdat vooral moeders hun rancunes over de ruggen van kinderen uitleven op zogenaamd alcoholistische, gewelddadige en incestueuze vaders. Deze krijgen hun kinderen dus niet of nauwelijks meer te zien. Al decennia lang wordt tegen dit familie-‘recht’ geageerd door iedereen die hier maar enigszins mee te maken heeft (gehad), van dwaze vaders tot hooggeleerde heren en ja, ook dames. De essentie van hun kritiek is dat dit familierecht ervan uitgaat dat de enige ouder die er werkelijk toedoet de moeder is. Dan is het verder simpel: het kind hoort bij de moeder. Vader (maar ook het kind dat hem mist) blijft verweesd en maar al te vaak verdwaasd achter.
Het bestaande familierecht kan zo functioneren omdat vaderschap geen enkele status heeft. Vader dient er alleen maar voor te zorgen dat er voor het gezin (ook na de scheiding) überhaupt vlees is om aan te snijden, meer niet. Het is natuurlijk aan vaders zelf om de verbetering van hun positie aan de orde te stellen, maar teveel vinden het (ook na de scheiding) vaak wel best zo. Dat bevestigt de moeder dan weer in haar superieure ouderschap en geen enkele minister van justitie ziet aanleiding het familierecht aan te passen. In Spanje is nu een wet aangenomen die stelt dat vaders na de geboorte van hun kind vijftien dagen zorgverlof krijgen, oplopend tot een maand in 2013. Actief vaderschap stelt vrouwen in staat om te gaan werken, stellen ze daar terecht, evenzeer als een goede opleiding dit doet. Groenlinks wil in Nederland een zorgverlof voor vaders van veertien dagen.
Wanneer, mee als gevolg van een dergelijke wet, voldoende zichtbaar wordt dat vaderschap daadwerkelijk iets voorstelt zal vaders’ positie (ook na een scheiding) minder kwetsbaar zijn. En zal ook aan moeder duidelijk worden dat haar ouderlijke superioriteit helemaal niet bestaat. En durft een minister van justitie het aan om het familierecht nu eens doorslaggevend in het belang van de kinderen (in plaats van de moeders) in te richten, zoals in aanzet onder het vorige kabinet door kamerlid Luchtenveld van de VVD in een wetsontwerp, dat helaas op wat kleinigheden sneuvelde in de Eerste Kamer, werd voorgesteld. Het geneuzel waar Donner en het CDA tezelfdertijd mee kwam was ridicuul. Ook de huidige minister van justitie is van het CDA, gezinspartij bij uitstek en eigenlijk principieel tegen scheiding, laat staan dat ze willen meewerken aan een goede regeling hiervan. Een ouderschapsplan en bemiddeling is alles wat ze kunnen verzinnen, terwijl in aantallen gevallen het strafrecht van toepassing gemaakt zou moeten worden. Dus in Nederland kunnen moeders nog steeds doen wat ze willen. Alleen wanneer een Spaanse rechter beslist dat er sprake moet zijn van gelijkwaardig ouderschap kan Nederland uiteindelijk toch niet anders dan de moeder, die het kind al drie jaar in Nederland voor de in Spanje woonachtige vader verborgen houdt, opsluiten. Opmerkelijk eigenlijk dat de Nederlandse moeder die haar kind voor diens Italiaanse vader verborgen hield, ook al was aan hem door een Italiaanse en een Nederlandse rechter de volledige voogdij toegewezen, nog steeds vrij rondloopt.
De meest droeve uitwas van een absurd familierecht en de ondergeschoven rol van vaders is het omgangshuis. Als was vader per definitie een crimineel die elk moment zijn gezin kan uitmoorden mag hij, onder toezicht(!), eens een uurtje zijn kind zien. In de meeste gevallen uitsluitend vanwege een van de moeder afkomstige ernstige lastercampagne (alcohol, gewelddadigheid, incest – prijsschieten!) jegens hem. Dit ‘contact’ wordt op video opgenomen, die later door een ‘deskundige’ van het omgangshuis met beide ouders wordt besproken. Alleen als pappa door het moederexamen heen komt mag hij naar twee uurtjes. Een beschamende en familie(on-)recht bestendigende praktijk die zo snel mogelijk moet worden verboden. Het draagt bij aan het drama, in plaats van dat het iets oplost. Alleen een familierecht dat van gelijkwaardig ouderschap uitgaat, in een samenleving waar de politieke wil bestaat gelijkwaardig ouderschap ook daadwerkelijk vorm te geven, kan oplossingen bieden. Zoals bijvoorbeeld het afschaffen van omgangshuizen.
Aan de basis van het probleem waar omgangshuizen mee van doen willen hebben, staat het uit een vervlogen eeuw stammende familierecht, waar helaas nog in teveel gevallen een beroep op moet worden gedaan, omdat vooral moeders hun rancunes over de ruggen van kinderen uitleven op zogenaamd alcoholistische, gewelddadige en incestueuze vaders. Deze krijgen hun kinderen dus niet of nauwelijks meer te zien. Al decennia lang wordt tegen dit familie-‘recht’ geageerd door iedereen die hier maar enigszins mee te maken heeft (gehad), van dwaze vaders tot hooggeleerde heren en ja, ook dames. De essentie van hun kritiek is dat dit familierecht ervan uitgaat dat de enige ouder die er werkelijk toedoet de moeder is. Dan is het verder simpel: het kind hoort bij de moeder. Vader (maar ook het kind dat hem mist) blijft verweesd en maar al te vaak verdwaasd achter.
Het bestaande familierecht kan zo functioneren omdat vaderschap geen enkele status heeft. Vader dient er alleen maar voor te zorgen dat er voor het gezin (ook na de scheiding) überhaupt vlees is om aan te snijden, meer niet. Het is natuurlijk aan vaders zelf om de verbetering van hun positie aan de orde te stellen, maar teveel vinden het (ook na de scheiding) vaak wel best zo. Dat bevestigt de moeder dan weer in haar superieure ouderschap en geen enkele minister van justitie ziet aanleiding het familierecht aan te passen. In Spanje is nu een wet aangenomen die stelt dat vaders na de geboorte van hun kind vijftien dagen zorgverlof krijgen, oplopend tot een maand in 2013. Actief vaderschap stelt vrouwen in staat om te gaan werken, stellen ze daar terecht, evenzeer als een goede opleiding dit doet. Groenlinks wil in Nederland een zorgverlof voor vaders van veertien dagen.
Wanneer, mee als gevolg van een dergelijke wet, voldoende zichtbaar wordt dat vaderschap daadwerkelijk iets voorstelt zal vaders’ positie (ook na een scheiding) minder kwetsbaar zijn. En zal ook aan moeder duidelijk worden dat haar ouderlijke superioriteit helemaal niet bestaat. En durft een minister van justitie het aan om het familierecht nu eens doorslaggevend in het belang van de kinderen (in plaats van de moeders) in te richten, zoals in aanzet onder het vorige kabinet door kamerlid Luchtenveld van de VVD in een wetsontwerp, dat helaas op wat kleinigheden sneuvelde in de Eerste Kamer, werd voorgesteld. Het geneuzel waar Donner en het CDA tezelfdertijd mee kwam was ridicuul. Ook de huidige minister van justitie is van het CDA, gezinspartij bij uitstek en eigenlijk principieel tegen scheiding, laat staan dat ze willen meewerken aan een goede regeling hiervan. Een ouderschapsplan en bemiddeling is alles wat ze kunnen verzinnen, terwijl in aantallen gevallen het strafrecht van toepassing gemaakt zou moeten worden. Dus in Nederland kunnen moeders nog steeds doen wat ze willen. Alleen wanneer een Spaanse rechter beslist dat er sprake moet zijn van gelijkwaardig ouderschap kan Nederland uiteindelijk toch niet anders dan de moeder, die het kind al drie jaar in Nederland voor de in Spanje woonachtige vader verborgen houdt, opsluiten. Opmerkelijk eigenlijk dat de Nederlandse moeder die haar kind voor diens Italiaanse vader verborgen hield, ook al was aan hem door een Italiaanse en een Nederlandse rechter de volledige voogdij toegewezen, nog steeds vrij rondloopt.
De meest droeve uitwas van een absurd familierecht en de ondergeschoven rol van vaders is het omgangshuis. Als was vader per definitie een crimineel die elk moment zijn gezin kan uitmoorden mag hij, onder toezicht(!), eens een uurtje zijn kind zien. In de meeste gevallen uitsluitend vanwege een van de moeder afkomstige ernstige lastercampagne (alcohol, gewelddadigheid, incest – prijsschieten!) jegens hem. Dit ‘contact’ wordt op video opgenomen, die later door een ‘deskundige’ van het omgangshuis met beide ouders wordt besproken. Alleen als pappa door het moederexamen heen komt mag hij naar twee uurtjes. Een beschamende en familie(on-)recht bestendigende praktijk die zo snel mogelijk moet worden verboden. Het draagt bij aan het drama, in plaats van dat het iets oplost. Alleen een familierecht dat van gelijkwaardig ouderschap uitgaat, in een samenleving waar de politieke wil bestaat gelijkwaardig ouderschap ook daadwerkelijk vorm te geven, kan oplossingen bieden. Zoals bijvoorbeeld het afschaffen van omgangshuizen.
‘Jij krijgt je kind nooit meer te zien!”, was de
boodschap waarmee de vader ooit werd heengezonden. Vijf
rechtszaken, zeven jaren en vele guldens en euro’s later
blijkt dit toch mee te vallen: keurig conform de uitspraak van de
laatste Rechter is het bestaan van het jongetje nu in tweeën
gesplitst. Natuurlijk ‘woont’ hij bij zijn moeder, maar
de Raad voor de Kinderbescherming zag in het uiteindelijke advies
aan die Rechter geen enkele reden waarom de jongen niet een
‘ruime omgangsregeling’ met zijn vader kon worden
gegund. Dus stapt het knaapje nu regelmatig middenin de nacht zijn
bed uit, doet zijn slofjes en zijn kamerjas aan, loopt de trap op
naar boven, slofjes en kamerjas weer uit, en slaapt dan naast zijn
vader verder. Om je handjes bij dicht te knijpen, zoals dat heet in
het jargon van familierechters, bijbehorende advocaten en
‘scheidingsbemiddelaars’. Ook al zou het jongetje ook
nog graag willen dat zijn vader weer eens bij een voetbalwedstrijd
kwam kijken. Zoals wel eens het geval is geweest. Er zijn veel
soorten vaders. Minstens zoveel als er soorten moeders zijn, denk
ik. Alhoewel. Ik lees tegenwoordig iets te vaak dat er vaders zijn
die hun (voormalige) gezin, inclusief zichzelf, van kant maken. Van
moeders lees ik hooguit dat ze samen met hun nieuwe vriend wel eens
de kinderen uit haar vorige of huidige ‘relatie’ het
leven zuur maken, waarvan sommige kleintjes dan in kofferbakken of
in stukjes gesneden verspreid over het land eindigen. Ik zie nooit
een moeder in een rare (barbie-)jurk of zo op een brug of op een
dak van een rechtbank staan. Dat doen alleen dwaas uitgedoste
vaders die van hun ex hun kinderen niet meer mogen zien, omdat dat
namelijk heel erg slecht is voor die kinderen. Daarnaast zijn er
heel veel vaders die het wel lekker rustig vinden wanneer ze na de
scheiding hun kinderen alleen maar een klein weekendje in de
veertien dagen zien. Je wil toch zeker niet elke dag naar de
Efteling of het Land van Ooit, god nee. Spaar me. Maar ook zijn er
nog gewoon ‘gelukkige’ huwelijken. Om de hypotheek en
de kinderopvang te kunnen betalen moeten ze allebei meer werken dan
hen lief is. Vaak zijn ouders qua zorgtaken tot een of ander
compromis bereid en in staat, maar dikwijls ook is carrière voor
allebei een hele opluchting, een mogelijkheid om te ontsnappen aan
de maar al te vaak zo knellende band van huwelijk en gezin. Niet
alleen voor moeders wordt in die carrière de "worsteling met
conventies en de drang naar vrijheid” (het leidmotief van de
voorstelling ‘Moeders/zonen/dochters’ van het
Onafhankelijk Toneel) weerspiegeld. Vaders tobben daar al sinds de
industriële revolutie mee, omdat zij vanaf dat moment nog
uitsluitend degenen waren die er zorg voor dienden te dragen dat er
op zondag überhaupt vlees te snijden viel. Het spreekt dus voor
zich dat, ook nu moeders een forse inhaalslag maken in die
“worsteling” (en er dus ook alleen nog maar op zondag
zijn), de dames toch nog steeds de enigen zijn die over het welzijn
van hun kroost kunnen waken. Zowel vóór als ná de scheiding. Wat
hó! Als vaders nog niet eens in staat zijn een vaatwasser op een
voor moeder acceptabele manier in te ruimen, hoe kunnen zij dan
godbetert weten wat een dreumes van node heeft? Teveel vaders laten
het maar zo, zorgen dat ze op zaterdag en zondag ook nog eens
ontsnappen aan de kwelling van het gezin door lekker te gaan bieren
op de tennis- of hockeyclub en proberen na de scheiding de
omgangsregeling zo vorm te geven dat de kinderen pas na het bier
worden ‘afgeleverd’. Geen wonder dat de Raad voor de
Kinderbescherming vindt dat kinderen beter af zijn bij hun moeders.
Ook al laten die zich, in het kader van ieders eigen individuele
‘worsteling’, ook steeds meer vollopen op de
tennisclub. Pas na de scheiding beginnen vaders zich te roeren. En
dan ook nog uitsluitend in die gevallen waarin ze hun kinderen niet
meer te zien krijgen. Daar zijn simpelweg twee soorten van. Aan de
ene kant de vaders die er nu pas achter komen dat ze hun kinderen
missen (maar die zich voorheen zelden of nooit afvroegen of dat
omgekeerd misschien altijd al het geval is geweest) en aan de
andere kant de vaders die nadrukkelijk vader zijn (geweest) maar
ernstig te lijden hebben onder het traditionele beeld dat er van
hen nu eenmaal bestaat: mannen ‘kunnen of willen toch niks
met kinderen en vaatwassers’. Rechter en Raad weten zich,
afhankelijk van de opstelling van de moeder, met deze vaders vaak
geen raad. Beide types zijn niettemin het slachtoffer van
uitsluitend rancune, en moeders wraak is zoet, zo zoet... Maar hoe
komt een Rechter of Raad daar door een woud van mystificatie
achter? Door dat dan misschien maar eens een tijdje als
vooronderstelling te hanteren, in plaats van de huidige: dat
moeders per definitie gelijk hebben. Deze hebben het ondertussen
net zo druk als vaders met de “worsteling met conventies en
de drang naar vrijheid” en zo, dat het echt geen zin meer
heeft te blijven geloven in de mythe van Het Heilige Moederschap.
Alleen wanneer er sprake zou zijn geweest van een onbevlekte
ontvangenis. Dan wel natuurlijk. Maar dat komt maar heel zelden
voor, geloof ik.
Op het station, op weg naar spoor negen om naar Den Haag te gaan,
bleek de roltrap kapot. Ik liep met een krant in de ene en een
broodje kroket in de andere hand naar de roltrap toe die het dus
niet deed om daar onderworpen te worden aan een kaartjescontrole.
Ik had het de hele dag al niet zo naar mijn zin en zag tegen het
gegoochel op met een krant en een servetje in de ene en een broodje
kroket in de andere hand en zie dan maar eens je kaartje uit het
dingetje te halen waarin zich ook mijn diverse (voor het grootste
deel langzamerhand zinloos geworden) pasjes bevonden. Dat lukte,
maar ik was door dit gegoochel enigszins geïrriteerd geraakt, nee,
ik was al geïrriteerd en dit kwam er nog eens bij, waardoor ik het
noodzakelijk achtte een opmerking te maken over het feit dat de
roltrap het ook nog eens niet deed. Grotere stappen nemend dan de
gewone trap van mij had gevraagd, was ik op de vierde trede
aangeland toen een vrouw naast mij (die dus de gewone trap had
genomen, waarom ik niet?) luid riep: "Ja, maar de trein rijdt zo
weg!" Wat ook inderdaad zo was. Er was hier sprake van een ietwat
oudere mevrouw, keurig, kon je zo zien, geen vandalistisch type of
zo. Maar daar had de jonge, te dikke vrouw (vroeger vast meer dan
twee uur per dag al chips etend televisie gekeken) in het te krappe
uniform geen enkele boodschap aan. "Mevrouw, ik moet uw kaartje
zien." Zei ze beheerst, doch beslist. Het vervolg heb ik gemist,
want ondertussen bleef ik mijn grote stappen nemen op de roltrap
die het verdomme niet deed en toen ik weer voor mij keek zag ik een
klein jongetje, vermoedelijk van zo'n jaar of vier, misschien nog
maar drie. Op de roltrap in zijn eentje. Direct keek ik om mij heen
of ik een verantwoordelijke volwassene zag, maar die kon ik niet
ontwaren. Tegelijkertijd was ik bezig mijn broodje kroket uit mijn
linkerhand terug te brengen naar de rechter, welke hand ik zojuist
nog had gebruikt om mijn treinkaartje terug te stoppen in het
dingetje waarin ik mijn pasjes bewaar. Het jongetje zette ook grote
stappen op de roltrap maar het leek hem niet te lukken en hij
huilde bij zijn pogingen. Dat kon ik duidelijk zien, maar horen
deed ik hem niet zo goed. Dus weet ik ook niet zeker of ik hem toch
ook nog heel zachtjes: "Help mij" hoorde zeggen. Nu was ik al naast
hem en nog een stap en ik was hem voorbij, nog twee treden en ik
zou op het perron staan. Nog steeds geen spoor van een ouder of
verzorger. Ook had ik ondertussen mijn mond weer vol, anders had ik
kunnen zeggen: "Waar is je moeder?", of: "Waar is je vader?" Onzin,
dat had ik ook met volle mond kunnen zeggen. Ik had mij naar hem
toe kunnen buigen, net zoals ik dat bij mijn zoon doe als er iets
met hem is, en hem die vraag kunnen stellen en dan had hij vast wel
gezegd waar een van beide was. Ondertussen was ik nog één trede van
het perron verwijderd, het knaapje was nog niet gevorderd en zag er
volkomen hulpeloos uit. Ik hield hem wel voortdurend in de gaten,
moet ik toch wel zeggen, en het raakte me ook diep. Nu stond ik op
het perron, maar nog steeds op het jongetje gericht: ik had me
helemaal omgedraaid om te zien wat er van hem terecht zou komen. Te
mijner verdediging moet ik dus aanvoeren dat hij mijn volledige
aandacht had en wanneer dat meisje er niet was geweest was ik
vermoedelijk wel toegeschoten. Het beklimmen van die laatste paar
treden nam in feite ook maar een enkele seconde in beslag; een
tijdspanne die feitelijk te kort was om mij in voldoende mate los
te rukken van mijn eigen narigheid (slechte dag, broodje kroket cum
kaartjescontrole en een roltrap die het weer eens niet deed) om mij
volledig op hem te kunnen richten. Dat vereist even een mentale
omslag en ik was de hele dag al vergeten de kopjes achter mij op te
ruimen. Dus hier keek ik neer op dat jongetje dat daar op die trap
stond en niet naar boven kon komen. Gelukkig is niet iedereen zo
egoïstisch als ik. Twee treden na mij liep dus een meisje en zij
deed wat ik natuurlijk ook onmiddellijk had moeten doen: zich naar
het jongetje voorover buigen en hem simpelweg de trap op helpen.
Eenmaal boven lachte ze naar me (dacht ze, omdat het vermoedelijk
leek alsof ik op hem wachtte, dat ik de vader was? Of wou ze
zeggen: kijk, zo eenvoudig is dat nou, sukkel) en kwam er een
meneer aan met een dreumes op zijn nek. Het jongetje liep, nog
steeds zachtjes huilend, op zijn vader toe en deze zei: "Zeg maar
eventjes dankjewel."
“O, en wil je ook even zijn nagels knippen? Ik ben het
knippertje kwijt.” Met veel aplomb van moederlijke zorg wordt
de vader dit bij het verlaten van het pand nog even meegegeven. Zij
heeft zijn nagels nog nooit geknipt. Nog nooit een nagelschaartje
gehad in al die jaren dat het jongetje leeft. Noch zijn gezicht
gewassen, tanden gepoetst, haren gekamd, kleding klaargelegd.
Persoonlijke verzorging dus. Wel zich veel beziggehouden met de
klemmende "worsteling met conventies en de drang naar
vrijheid”, zoals een van de kernzinnen luidt uit de
promotietekst van de nieuwe voorstelling van het Onafhankelijk
Toneel: “Moeders/zonen/dochters”. Ongetwijfeld een
verheerlijking van het moederschap, middels uit de wereldliteratuur
verzamelde lamentaties over de kwellingen daarvan. Máárrrr, ik heb
het stuk niet gezien (dus hoe durf ik) en dat ga ik vermoedelijk
niet doen ook.
Dat komt, ik ben nou eenmaal veel meer geïnteresseerd in ouderschap. En daar hoort ook een pappa bij. Zonen en dochters zijn niet het prerogatief van de moeder. Als er moeders zijn die dat wel vinden, dan verdient dit voorrecht ook meteen een aanrecht. Zonder vaatwasser! Niet zeuren. Maar kennelijk leven we, ondanks duizenden over het hele land verspreide wipkippen, in een kindonvriendelijke samenleving. Omdat namelijk de kinderopvang te duur is en de kwaliteit twijfelachtig, kiezen veel verse huisgezinnen – als ze nog kinderen willen – er steeds meer voor om toch maar weer zelf voor hun twee deugnieten te zorgen. Als gevolg van ruim anderhalve eeuw arbeidsdeling is het daarbij iets te vanzelfsprekend geworden dat pappa de enige is die de hypotheek kan opbrengen (net als alimentatie trouwens, maar dat is een ander verhaal). Dus blijft mamma meestal (deels) thuis, ongeacht opleiding en ambities. Omdat pappa het ondertussen ook wel gemakkelijk is gaan vinden dat zijn overhemd ’s ochtends gestreken voor hem klaar ligt, is hij uiteindelijk nog de enige die steeds meer uren gaat ‘maken’ om de hypotheek voor het iets te grote en te dure huis op te brengen. Dan is het toch ook wel fijn dat hij ‘s avonds niet meer de kinderen naar bed hoeft te brengen en zo. Of de strijk te doen. Dank zij hem zitten deze kinderen (en mamma trouwens ook) wèl goed in de kleren, hebben goed te eten, hebben een mooi huis om in op te groeien, gaan naar een dure school en krijgen later een vette alimentatie – ook ouderlijke zorg natuurlijk. Maar ondanks verschillende overheidscampagnes zijn het dus toch weer de vaders die steeds meer gaan werken en bijgevolg hun kinderen minder zien. Waardoor deze inderdaad het prerogatief van de moeder worden, waar pappa zich maar beter helemaal niet meer mee moet bemoeien. Behalve als pretvader natuurlijk: kijk toch eens hoe leuk hij op zondagmiddag met de kinderen is! (Op zaterdag moet hij hockeyen...)
Moeder is mee als gevolg van ruim anderhalve eeuw arbeidsdeling ondertussen gaan denken dat haar uitzonderlijk voorrecht genetisch bepaald is. En dat vaders, behalve dat beetje jool, helemaal niets met kinderen ‘kunnen’. Ook wanneer vaders zich niet in een carrière storten en moeders wel, dan nog weten moeders het vaak beter. Dit wordt echt duidelijk na de tegenwoordig bijna onvermijdelijke scheiding. Ook al zit vader hopeloos te wachten tot hij zijn kinderen weer eens mag zien, moeder brengt ze liever naar de kinderopvang of laat ze aan een oppas. Een goede truc hiervoor was (ook al lijkt de hausse nu voorbij) het doen van aangifte van incest – pappa staat gegarandeerd een jaar buiten spel. Of hij mag zijn rol als pretvader voortzetten: een klein weekend in de veertien dagen. Voor veel lulhannesen, die nu een stevige hypotheekschuld plus een forse alimentatie (en soms ook weer de zorg voor een nieuw gezin) moeten opbrengen, is zelfs dit nog wel eens te veel. Ze slaan net zo lief eens een keertje over. Waardoor moeders maar weer bevestigd worden in hun ouderlijke superioriteit en de kwellingen daarvan. Het is wat. Dat komt nooit meer goed. De vader die evenwel niet uitsluitend op carrière gericht is geweest maar wel op zorg, aandacht en opvoeding heeft ernstig te lijden onder het beeld (“Moeders/zonen/dochters”) dat zich ondertussen in de samenleving over ouderschap heeft gevestigd. In het gunstigste geval mag hij na de scheiding nog net een beetje gaan ‘pretvaderen’. Joepie!
En moet hij de zorg voor de nagels, gepoetste neusjes, sterke tanden, haren, kleding, voldoende slaap, op tijd op school, opvoeding, ontwikkeling en wat daar wel niet allemaal bij komt kijken, overlaten aan een in het huidige tijdsgewricht bijna Heilig Verklaarde Moeder die, vanwege haar klemmende "Worsteling met Conventies en de Drang naar Vrijheid”, daar nauwelijks aan toe komt. Dát, dus inclusief de rol van de om wat voor reden dan ook afwezige vader, zou pas drama opleveren! Nu rest ons in "Moeders/zonen/dochters" weinig meer dan een "even poëtisch als dynamisch" introspectief gemummel, vrees ik. Een voorstelling die dus helemaal niet gemaakt had hoeven worden.
Dat komt, ik ben nou eenmaal veel meer geïnteresseerd in ouderschap. En daar hoort ook een pappa bij. Zonen en dochters zijn niet het prerogatief van de moeder. Als er moeders zijn die dat wel vinden, dan verdient dit voorrecht ook meteen een aanrecht. Zonder vaatwasser! Niet zeuren. Maar kennelijk leven we, ondanks duizenden over het hele land verspreide wipkippen, in een kindonvriendelijke samenleving. Omdat namelijk de kinderopvang te duur is en de kwaliteit twijfelachtig, kiezen veel verse huisgezinnen – als ze nog kinderen willen – er steeds meer voor om toch maar weer zelf voor hun twee deugnieten te zorgen. Als gevolg van ruim anderhalve eeuw arbeidsdeling is het daarbij iets te vanzelfsprekend geworden dat pappa de enige is die de hypotheek kan opbrengen (net als alimentatie trouwens, maar dat is een ander verhaal). Dus blijft mamma meestal (deels) thuis, ongeacht opleiding en ambities. Omdat pappa het ondertussen ook wel gemakkelijk is gaan vinden dat zijn overhemd ’s ochtends gestreken voor hem klaar ligt, is hij uiteindelijk nog de enige die steeds meer uren gaat ‘maken’ om de hypotheek voor het iets te grote en te dure huis op te brengen. Dan is het toch ook wel fijn dat hij ‘s avonds niet meer de kinderen naar bed hoeft te brengen en zo. Of de strijk te doen. Dank zij hem zitten deze kinderen (en mamma trouwens ook) wèl goed in de kleren, hebben goed te eten, hebben een mooi huis om in op te groeien, gaan naar een dure school en krijgen later een vette alimentatie – ook ouderlijke zorg natuurlijk. Maar ondanks verschillende overheidscampagnes zijn het dus toch weer de vaders die steeds meer gaan werken en bijgevolg hun kinderen minder zien. Waardoor deze inderdaad het prerogatief van de moeder worden, waar pappa zich maar beter helemaal niet meer mee moet bemoeien. Behalve als pretvader natuurlijk: kijk toch eens hoe leuk hij op zondagmiddag met de kinderen is! (Op zaterdag moet hij hockeyen...)
Moeder is mee als gevolg van ruim anderhalve eeuw arbeidsdeling ondertussen gaan denken dat haar uitzonderlijk voorrecht genetisch bepaald is. En dat vaders, behalve dat beetje jool, helemaal niets met kinderen ‘kunnen’. Ook wanneer vaders zich niet in een carrière storten en moeders wel, dan nog weten moeders het vaak beter. Dit wordt echt duidelijk na de tegenwoordig bijna onvermijdelijke scheiding. Ook al zit vader hopeloos te wachten tot hij zijn kinderen weer eens mag zien, moeder brengt ze liever naar de kinderopvang of laat ze aan een oppas. Een goede truc hiervoor was (ook al lijkt de hausse nu voorbij) het doen van aangifte van incest – pappa staat gegarandeerd een jaar buiten spel. Of hij mag zijn rol als pretvader voortzetten: een klein weekend in de veertien dagen. Voor veel lulhannesen, die nu een stevige hypotheekschuld plus een forse alimentatie (en soms ook weer de zorg voor een nieuw gezin) moeten opbrengen, is zelfs dit nog wel eens te veel. Ze slaan net zo lief eens een keertje over. Waardoor moeders maar weer bevestigd worden in hun ouderlijke superioriteit en de kwellingen daarvan. Het is wat. Dat komt nooit meer goed. De vader die evenwel niet uitsluitend op carrière gericht is geweest maar wel op zorg, aandacht en opvoeding heeft ernstig te lijden onder het beeld (“Moeders/zonen/dochters”) dat zich ondertussen in de samenleving over ouderschap heeft gevestigd. In het gunstigste geval mag hij na de scheiding nog net een beetje gaan ‘pretvaderen’. Joepie!
En moet hij de zorg voor de nagels, gepoetste neusjes, sterke tanden, haren, kleding, voldoende slaap, op tijd op school, opvoeding, ontwikkeling en wat daar wel niet allemaal bij komt kijken, overlaten aan een in het huidige tijdsgewricht bijna Heilig Verklaarde Moeder die, vanwege haar klemmende "Worsteling met Conventies en de Drang naar Vrijheid”, daar nauwelijks aan toe komt. Dát, dus inclusief de rol van de om wat voor reden dan ook afwezige vader, zou pas drama opleveren! Nu rest ons in "Moeders/zonen/dochters" weinig meer dan een "even poëtisch als dynamisch" introspectief gemummel, vrees ik. Een voorstelling die dus helemaal niet gemaakt had hoeven worden.
Ali B. komt een beetje afgeknepen uit een telefoontje zetten. De
eigenaar hiervan heeft kennelijk nog geen ‘oortjes’. Ik
weet dat het Ali B. is want mijn zoon heeft dat ook op zijn van
Sinterklaas gekregen mp3-speler. Die natuurlijk zoek is trouwens.
‘Pappa! Mijn mp3-speler is kwijt!’ Net als het
sleuteltje van zijn nieuwe fiets. Vier weken na zijn verjaardag
staat deze al weer werkeloos in de schuur, te wachten tot pappa een
oplossing heeft verzonnen. Zelfde geldt voor Snor, de poes, die is
(helaas) niet zoek maar alweer bijna twee jaar van hem. En wie
maakt de katte(n?)bak schoon? Pappa natuurlijk. Wie moet niet
vergeten het stomme beest te eten te geven? Pappa. Alsof die niets
beters te doen heeft.
Maar zo liep ik dus in het eerste ochtendlicht aan die jongen voorbij die zijn mobiele telefoon voor zich uit hield waar Ali B. uitkwam. Knuffelmarokkaan. Troetelmarokkaan. Aardige knul inderdaad, denk ik, geen Diamantbuurt. Met een vlotte tong waar best wel eens een leuke babbel van af komt. Humor. Of is het ernst? Zijn liedjes zijn ook lekker vlot, bijna jolig. Meezingdeuntjes afgewisseld met populaire ‘straatpoezie’. Pimps, bitches, dope. Eigenlijk ken ik vooral de versies van mijn zoon want Ali B. gaat er rechtstreeks via zijn trommelvlies in en wat er als gevolg daarvan dan weer uit zijn mond komt, dat hoor ìk dan weer. Flarden van zinnen, delen van een melodie. En dan hoor ik ‘m dus allemaal dingen zeggen die we niet hadden afgesproken. ‘Maar het is Ali B.’, zegt hij, ‘ik verzin het heus niet zelf.’ Nee, Ali is koninklijk goedgekeurd en kom verder ook vooal niet aan de ‘jongerencultuur’, hoe excessief ook soms, want dan ben je een ouwe lul. En als je iets zo rond je vijftigste niet wilt dan is het wel uitgemaakt worden voor oud. En meewarig uitgesproken flauwiteiten naar het grijzende of kalende hoofd geslingerd krijgen als: ‘ben jij dan niet jong geweest vroeger’. Jawel, maar mijn ouders zeiden er (op zijn minst) wèl iets van. Dus ik zit er mee, wat moet ik doen: Ali B. in de ban, of ‘m doodknuffelen? Eerst maar eens de katte(n?)bak verschonen. Zien we daarna wel eens weer.
(Een ander nadeel van zo rond de vijftig is, dat ik een aantal spellingswijzigingen mee heb mogen maken, waardoor het me nu helemaal duister is geworden, hoe logisch ook.)
Maar zo liep ik dus in het eerste ochtendlicht aan die jongen voorbij die zijn mobiele telefoon voor zich uit hield waar Ali B. uitkwam. Knuffelmarokkaan. Troetelmarokkaan. Aardige knul inderdaad, denk ik, geen Diamantbuurt. Met een vlotte tong waar best wel eens een leuke babbel van af komt. Humor. Of is het ernst? Zijn liedjes zijn ook lekker vlot, bijna jolig. Meezingdeuntjes afgewisseld met populaire ‘straatpoezie’. Pimps, bitches, dope. Eigenlijk ken ik vooral de versies van mijn zoon want Ali B. gaat er rechtstreeks via zijn trommelvlies in en wat er als gevolg daarvan dan weer uit zijn mond komt, dat hoor ìk dan weer. Flarden van zinnen, delen van een melodie. En dan hoor ik ‘m dus allemaal dingen zeggen die we niet hadden afgesproken. ‘Maar het is Ali B.’, zegt hij, ‘ik verzin het heus niet zelf.’ Nee, Ali is koninklijk goedgekeurd en kom verder ook vooal niet aan de ‘jongerencultuur’, hoe excessief ook soms, want dan ben je een ouwe lul. En als je iets zo rond je vijftigste niet wilt dan is het wel uitgemaakt worden voor oud. En meewarig uitgesproken flauwiteiten naar het grijzende of kalende hoofd geslingerd krijgen als: ‘ben jij dan niet jong geweest vroeger’. Jawel, maar mijn ouders zeiden er (op zijn minst) wèl iets van. Dus ik zit er mee, wat moet ik doen: Ali B. in de ban, of ‘m doodknuffelen? Eerst maar eens de katte(n?)bak verschonen. Zien we daarna wel eens weer.
(Een ander nadeel van zo rond de vijftig is, dat ik een aantal spellingswijzigingen mee heb mogen maken, waardoor het me nu helemaal duister is geworden, hoe logisch ook.)
Ik heb het altijd wel gedacht: televisie kan niet goed zijn.
Sowieso is er, omgekeerd evenredig aan de toename van het aantal
zenders, steeds minder op. Nederlandse en Amerikaanse pulp van een
zorgwekkend allooi. Dat is wat het volk wil kennelijk en dus
verdienen we ook niet beter dan Balkenende en de rest. Die helpt
dan weer de publieke omroep om zeep waardoor het apparaat feitelijk
inderdaad gewoon bij het vuilnis kan. Zoals ik er vanochtend al een
hier in de straat zag staan, een breedbeeld nog wel. Die heeft het
begrepen, dacht ik nog. Want ook blijkt nu dat een televisie op de
slaapkamer vijftig procent minder seks oplevert. Dus weg ermee. Kun
je nagaan wat er gebeurt als je ook het huiskamerding de deur
uitdoet. Zo los je de vergrijzing op! Krijg je vrouwen vast wel
weer aan het moederen. Een veelvuldig goed uitgevoerde daad geeft
het persoonlijk leven zoveel meer glans immers, zoveel meer diepte.
Zin, welhaast. Daar kan geen ‘new age’ of welke andere
vorm van geluksvervangend spiritualisme, laat staan een carriere
tegenop, dames! Dus doe dat ding de deur uit. En dan drie keer
daags, na het eten. Zal je eens zien. Ik zit straks gebeiteld in
het bejaardenhuis!
Schoot er zomaar door me heen toen ik vanochtend die televisie langs de weg zag staan. Ik was nog niet helemaal wakker en het was nog lekker schemerdonker, dus associeerde ik, een beetje dromerig eigenlijk nog, vrijelijk door. Het was maar goed dat de jongen bij mij achterop zat en, nauwelijks hoorbaar boven het stadse lawaai, tegen me aan begon te kletsen. Anders had ik die vier man sterke politie controle vast niet gezien. Naast het fietspad stonden ze eerzame burgers zonder licht aan te houden. Dus wij maar gauw verder met de fiets aan de hand. Wat er in hun fuik verdween? Moeders (!) met kinderen achterop en bergen scholieren. Zag ik in het ruim aanwezige licht van de straatlantarens. Die natuurlijk ook geen van allen een identiteitsbewijs bij zich hadden. Wat is dit toch een ernstig onveilige samenleving! Hoe kan het toch ooit weer goed komen met ons als je, ruim een jaar na de invoering van deze zo zinvolle regel, nog steeds niet je paspoort bij je hebt! Je durft geen kinderen meer te krijgen bijna. Al was het alleen maar vanwege die onzinnige boetes waar ze tegenwoordig mee thuis komen. Afijn, we waren vlakbij school en even later zijn we maar weer verder gefietst.
Ik kijk hem nog even na als hij de poort doorloopt het schoolplein op. Wat wordt hij toch al groot. En wat ga ik hem weer missen de komende anderhalve week. Ik vergeet er de politie helemaal van en fiets op de terugweg regelrecht in hun armen, maar net floept de straatverlichting uit, dus rest de heren nog slechts de evaluatie. Even later thuis is het stil en leeg. Ik ruim wat speelgoed op, doe de klep van de piano dicht (“hoe vaak moet ik dat nou nog zeggen!”), zet zijn bord in de vaatwasser. Loop de huiskamer in. Daar staat best een mooie breedbeeld televisie eigenlijk. Ik doe hem toch nog maar niet weg, denk ik.
Schoot er zomaar door me heen toen ik vanochtend die televisie langs de weg zag staan. Ik was nog niet helemaal wakker en het was nog lekker schemerdonker, dus associeerde ik, een beetje dromerig eigenlijk nog, vrijelijk door. Het was maar goed dat de jongen bij mij achterop zat en, nauwelijks hoorbaar boven het stadse lawaai, tegen me aan begon te kletsen. Anders had ik die vier man sterke politie controle vast niet gezien. Naast het fietspad stonden ze eerzame burgers zonder licht aan te houden. Dus wij maar gauw verder met de fiets aan de hand. Wat er in hun fuik verdween? Moeders (!) met kinderen achterop en bergen scholieren. Zag ik in het ruim aanwezige licht van de straatlantarens. Die natuurlijk ook geen van allen een identiteitsbewijs bij zich hadden. Wat is dit toch een ernstig onveilige samenleving! Hoe kan het toch ooit weer goed komen met ons als je, ruim een jaar na de invoering van deze zo zinvolle regel, nog steeds niet je paspoort bij je hebt! Je durft geen kinderen meer te krijgen bijna. Al was het alleen maar vanwege die onzinnige boetes waar ze tegenwoordig mee thuis komen. Afijn, we waren vlakbij school en even later zijn we maar weer verder gefietst.
Ik kijk hem nog even na als hij de poort doorloopt het schoolplein op. Wat wordt hij toch al groot. En wat ga ik hem weer missen de komende anderhalve week. Ik vergeet er de politie helemaal van en fiets op de terugweg regelrecht in hun armen, maar net floept de straatverlichting uit, dus rest de heren nog slechts de evaluatie. Even later thuis is het stil en leeg. Ik ruim wat speelgoed op, doe de klep van de piano dicht (“hoe vaak moet ik dat nou nog zeggen!”), zet zijn bord in de vaatwasser. Loop de huiskamer in. Daar staat best een mooie breedbeeld televisie eigenlijk. Ik doe hem toch nog maar niet weg, denk ik.
Kerst 2004 Het is grijs, onzichtbaar en zit op de bank. Dat zou
zomaar het begin van een mopje van mijn zoon kunnen zijn. Maar het
is dus zijn oma. Oma is in de tachtig en het droevig stemmende
eindproduct van een zwaar gereformeerde opvoeding en opgroeien in
de moeilijke jaren dertig, veertig en vijftig. En dat alles ook nog
eens in de provincie. Vanaf de jaren zestig heeft het leven in een
steeds sneller veranderende samenleving een loop genomen die voor
haar meer en meer onbegrijpelijk werd. Haar kinderen plukten de
vruchten van de vrijheid die aan de groter wordende welvaart
gepaard ging. Voor oma maakte het drukkend gereformeerd
provincialisme een actieve deelname aan het ‘nieuwe
denken’ evenwel bijna onmogelijk. Waardoor gezamenlijkheid en
wederzijds begrip tussen moeder en kinderen feitelijk ophielden in
de jaren zestig, zeventig. De generatiekloof. Ondanks gekende
zegeningen als wasautomaat, koelkast, televisie en automobiel
(welke laatste met het overlijden van mijn vader weer verdween) heb
ik vanachter mijn computer nu het uitzicht op een steeds kleiner en
brozer wordend relikwietje uit de jaren vijftig. Al zolang ik weet
leeft ze in een voor mij bijna onbegrijpelijke, geen kritische noot
verdragende verheerlijking van de beklemming waarin ze is
grootgebracht. En met de steeds sterker wordende afname van haar
korte termijn geheugen lijkt de grens van haar bewustzijn nu
definitief teruggebracht tot vóór Elvis Presley. Ook al loopt ze
nog als een kievit. Haar gezin viel begin jaren zeventig
grotendeels uit elkaar. Met het overlijden van mijn vader
halverwege de jaren negentig was er voor haar helemaal niets meer
van over. De zondagmiddagse autoritjes, een door mijn vader
langzaam op haar beleving van het geloof bevochten (en door haar
uiteindelijk met volle teugen genoten) vrijheid, mist ze misschien
nog wel het meest. Omdat ze zoals veel van haar generatiegenoten
nooit iets anders geleerd heeft dan zichzelf wegcijferen ten
behoeve van haar gezin (en natuurlijk De Here) is ze uitzonderlijk
bekwaam geraakt in deze kunst. En praktiseert deze met, lijkt het
wel, steeds groter wordende verve en virtuositeit waar ze maar
gaat. Als ze onzichtbaar, of op zijn minst onhoorbaar zou kunnen
worden dan zou ze vermoedelijk niets liever doen dan dat. Zij en
haar generatiegenoten hebben absoluut nooit iemand tot last willen
zijn. Op verjaardagsfeestjes, maar tegenwoordig natuurlijk steeds
meer op begrafenissen, bieden ze op een alleen nog voor elkaar te
hanteren manier tegen elkaar op. Loopt altijd enorm uit. Een val
van de trap noopte haar kinderen onlangs tot initiatieven richting
persoonsalarmering. Omdat de ziektenkostenverzekeraars in een
keiharde concurrentiestrijd alle dubbeltjes drie keer om moeten
draaien willen ze hun enorme winsten kunnen blijven maken, gaan zij
heel goed nut en noodzaak van eventuele uitgaven na. Haar
verzekeraar belde haar dus op. Oma dankte het wichtje hartelijk
voor haar roerende belangstelling en zei dat het alweer een heel
stuk beter met haar ging. En laat u anders maar, hoor, als het zo
lastig voor u is. Nogmaals, dank u wel voor uw bezorgdheid.
Waardoor de persoonsalarmering dus niet vergoed werd. Mijn
gisteravond aan haar aangeboden keuze uit een wit- of een
roodgekleurd drankje bracht haar zo in de war dat ze niets anders
kon dan terugvallen op die zo veilige vaardigheid. Welke fles wil
jij het eerste leeg hebben? Aarzelde ze uiteindelijk. Ze heeft nog
een hele week om elke dag te proberen deze te overtreffen. Later op
de avond vertoonde de publieke omroep de kinderfilm Pietje Bell als
familiefilm en oma, die vrijwel nog nooit een film gezien heeft,
leefde intens mee. Straks komt mijn zoon. Hij is dol op oma. Samen
spelen ze veel spelletjes. Gisteren belde hij op om te vragen of ze
er al was. Eerder zei hij al dat het hem zo leuk leek om samen met
oma nu eens op ònze bank te zitten. Ik laat ze denk ik vanmiddag
maar even samen achter bij mens-erger-je-niet om in de videotheek
een paar ‘familiefilms’ te halen. Gaan we met zijn
drieën, ieder om onze eigen reden, lekker traantjes wegpinkelen bij
Kruimeltje of zo.
Oktober 2004 De logeerpartij die we, als gevolg van de
herfstvakantie, voor onze poes Snor in gedachten hadden liep al in
een vroeg stadium uit op een drama. Vader en zoon gingen een paar
dagen naar oma en ja, hoe moet het dan met de veestapel. In het
aquarium stortte mijn zoon een bommetje samengeperste
voedingsstoffen waar Jansen gerust een paar dagen mee toe kon. Maar
Snorretje zou bij opofferende vrienden worden opgevangen. Zij
wisten ook nog een mandje. Onze pogingen het beestje te pakken en
in dat mandje te krijgen liepen echter vooral op niets uit. Toen
het op zeker moment dan toch leek te gaan lukken verzette ze zich
zo heftig dat ze diepe wonden wist te slaan in zowel lichaam als
ziel van ons en onze gastvrije vrienden. Au! Ondankbaar mormel. Dan
niet. Dan blijf je maar zielig alleen thuis. Oma woont in een
stukje Nederland waar de lucht nog redelijk schoon is, zo bleek
vorige week uit onderzoek. Eenmaal terug in het Friese dorp waar ik
ooit mijn ‘falende’ lagere school opleiding heb mogen
genieten begonnen we dan ook meteen diep in en uit te ademen. En
keerde de blos op onze wangen al ras terug. Zou de gezonde lucht,
nou ja, in principe de gewone door god gegeven lucht natuurlijk, de
oorzaak zijn van het feit dat de wedstrijden uit de jeugd voetbal
competitie hier nooit stil hoeven worden gelegd? Na het
gesodemieter over de gestaakte wedstrijd ADO-PSV kwam de KNVB met
cijfers over de toestanden in het jeugdvoetbal. Wekelijks moeten in
het land vier wedstrijden vroegtijdig worden afgebroken. Hier en
daar moet de politie er aan te pas komen. Voornaamste oorzaak?
Ruziënde ouders langs de lijn. Alleen in de drie noordelijke
provincies komt zulks niet voor. Vanwege de schone lucht? Of
vanwege het feit dat de dorpsscholen hier drie maanden achterlopen
waardoor ouders misschien wel minder getraind zijn in de competitie
die ze in de randstad onderling over de ruggen van hun kinderen
voeren? Ik herinner mij nog mijn eigen kortstondige carrière als
teamleider van een cluppie effies. Wat sommige kinderen wel niet
moesten doen van hun ouders! Ook de teamleider werd niet gespaard,
maar dat is nog tot daar aan toe. We wandelen door de straat waar
vroeger mijn lagere school stond. Waarom precies weet ik niet, maar
vermoedelijk omdat ik mij wel eens zorgen maak over een groeiend
‘buikje’, herinner ik mij nog dikwijls het bezoek van
de schoolarts. In het kamertje van de bovenmeester (die nog gewoon
lesgaf en alleen maar na schooltijd af en toe van dat kamertje
gebruik maakte, geen wonder dat die school de achterstand nooit
meer heeft kunnen wegwerken) stond ik in mijn onderbroekje voor een
aardige mevrouw. Mijn moeder was er ook. Ik werd een beetje beklopt
en bekeken en mij staat bij dat de schoolarts zei dat ik aanleg had
voor een buikje. Dus wil ik nu wel even stellen dat, ook al valt
het eigenlijk best nog wel een beetje mee, dit dus niets met mijn
huidige bierconsumptie te maken heeft. Nu las ik in Trouw afgelopen
week dat het fenomeen schoolarts in 2004 precies een eeuw bestaat.
Ingesteld tegelijk met de algemene leerplicht. En met de gezondheid
van de kinderen gaat het een stuk beter dan vroeger. Misschien wel
omdat ze tegenwoordig zo ‘gewenst’ zijn. Dat de
kinderen daardoor ook wel eens te veel onder druk komen te staan,
brengt een nieuw probleem met zich mee, waardoor de schoolarts zich
nog lang niet overbodig acht: “Veel kinderen hebben stress,
concentratieproblemen, faalangst of een andere vorm van
angst”. Oorzaken: de Cito-toets en allerlei
‘clubjes’ waarin de kinderen moeten presteren. De
schoolarts ziet zich, net als vroeger, weer meer in een opvoedende
rol functioneren: “In kleine gemeenschappen heeft de school
al lang een opvoedende rol. Dorpsscholen durven nog wel te zeggen:
na negen uur ’s avonds mogen kinderen niet meer buitenspelen.
Want dan zitten ze de volgende ochtend te slapen in de
schoolbanken.” Schoolartsen vinden bijvoorbeeld ook steeds
meer dat scholen al die moderne, zogenaamd gezonde, heerlijke
hapjes en drankjes moeten weren: op deze school komt alleen nog
fruit naar binnen. En voor de overblijvers brood. Met kaas en
worst. Vooral vanwege dat andere moderne probleem: overgewicht. Ik
begin ondertussen een steeds grotere hekel te krijgen aan dat
meisje dat destijds met dat (afstudeer-)onderzoek kwam waaruit
bleek dat de Friese dorpscholen potdomme wel drie maanden
achterlopen op scholen in de gezegende randstad. Waardoor nu in
boven- en achterzaaltjes van café’s in Beetsterzwaag en
andere buitenplaatsen onderwijzers elkaar een overspanning,
vergelijkbaar met die van hun randstedelijke collega’s,
zitten aan te praten. Ik stel eigenlijk voor om met ingang van
vandaag voor iedere randstedelijke basisschool maar een schoolarts
te benoemen als directeur. En dan ook meteen uitsluitend nog
psychiaters aan te trekken als teamleider van de randstedelijke
effies en eetjes (ook handig voor de ouders natuurlijk). Wie weet
valt op die manier nog iets te redden aan die zegenrijke
‘voorsprong’ die we hebben ten opzichte van de drie
noordelijke provincies.
juli 2005 Ik zit al een tijdje beneden als de bovenverdieping nog
in diepe slaap is. Wij, mijn zoon en ik, logeren een weekje bij
oma. Ik kom hier vaak de laatste tijd want ze wordt al oud. En nu
dus met mijn zoon, want voor hem vind ik het van belang dat hij,
zodra daar enige gelegenheid toe bestaat, zijn familie van vaders
kant toch ook voldoende leert kennen. Oma wil nooit iemand tot last
zijn dus ik merk normaal gesproken pas dat ze wakker is wanneer ze
opeens in de kamer staat. Dan heb ik haar niet eens de trap af
horen komen. Ik schrik me wild. Met mijn zoon er bij is dat wat
anders. Zo is het nog helemaal stil en dan hoor ik opeens zijn hoge
kinderstem in oma-voor-en-oma-na. Ik ga onder aan de trap staan om
zijn gebrabbel wat beter te kunnen volgen. Hij wordt wat eigenwijs
de laatste tijd maar dat geeft niet. Het is een heerlijke jongen.
Gewoon een kwestie van nog even afwachten en het is een
fantastische vent. Gisteren zat ik zomaar wat na te denken over
zijn jongensstem. En hoe die over een jaar of wat zal gaan klinken.
Je weet het niet, hè? Van meisjes kun je misschien wel zeggen dat
hun stem zich zal ontwikkelen in een logische richting: een hoge
meisjesstem zal toch eerder een sopraan dan een alt opleveren. Denk
ik. Zonder dat ik er verstand van heb, hoor. Maar van jongetjes
weet ik dat echt niet. Vroeger had ik een vriendje met niet eens
zo'n harde maar wel een hele hoge stem. Ik hoor hem nog op een
heldere winterdag boven alles uit: 'Meneer Riemersma!' Riep hij
mijn vader die we in een lang lint met veel lawaai van wel twintig
scherpe ijzers op hard ijs opeens voorbij zagen schaatsen. Ik was
tien of zo en zat doodongelukkig bij Smalle Ee aan de kant met een
gebroken veter van mijn doorloper en hele stijve vingers van de
kou. Als één man zette de groep onmiddellijk de rem er op, een
breed wit spoor van geschaafd ijs trekkend. Even later was mijn
veter natuurlijk weer gerepareerd en kon iedereen weer verder. Na
afloop van de tocht kwam ik mijn vader tegen bij de keet, waar hij
van een bij uitstek revitaliserende (weet ik nu) sportdrank stond
te nippen: Beerenburg. En dat vriendje had een jaar of wat later
opeens een hele dikke, diepe bas. Dus je weet het niet, hè? Kwestie
van afwachten. "Ben ik nu weer gegroeid?", hoor ik zijn
jongenssopraan boven aan de trap. Ongetwijfeld. Van mij hoeft dat
helemaal niet overigens. Blijf maar lekker klein. Maar je kan er op
wachten, hè? En voor hem is er niets belangrijkers. Bijna elke dag
heeft hij het erover en dan meet hij zich weer ergens aan. De
deurkruk van de badkamer was het deze keer, begrijp ik. "Kijk maar,
oma, ik ben weer gegroeid." "Oe-oe-oe-oe-oe," slaakt oma met haar
zuinigste kopstemmetje één van haar kreetjes. Haar vocabulaire is,
in tegenstelling tot een rijke verzameling geluidjes waaronder
kreetjes, nooit groot geweest (daar was ook geen reden toe) en
wordt alleen maar minder. Dit weer in tegenstelling tot de
geluidjes. Er komen nog steeds nieuwe bij, lijkt het wel. Zij is al
lang geleden uitgegroeid en is ruimschoots op de omgekeerde weg.
Samen kunnen ze langdurig kibbelen over de spelregels van Mens
Erger Je Niet. Gisteren probeerden ze een spelletje Scrabble. Maar
daar begreep ze echt niets meer van. Als ik samen met mijn zoon
even boodschappen ga doen zeg ik hem dat hij wat voorzichtig met
oma moet zijn. Ze weet het niet meer zo goed. Ze wordt al oud. Wat
ik niet hardop zeg maar zachtjes in mezelf is dat het misschien nog
maar een kwestie van afwachten is. Op een gegeven moment zit toch
de bovenverdieping weer geheel gekleed en met een ontbijtje achter
de kiezen beneden. Oma kijkt langs haar kopje koffie naar de auto's
die voorbij rijden, en vindt, net als iedere dag, dat het er maar
veel zijn. Zoonlief loopt met de doos Mens Erger Je Niet rond en
hoopt op een spel. En ikzelf? Tja, ik weet het niet zo goed, hè? Ik
wacht eerlijk gezegd maar een beetje af.
juli 2005 Hij is geen kind meer. Een half jaar geleden uitte hij al
zijn eerste twijfels aan het bestaan van Sinterklaas, nu is de
tandenfee het slachtoffer geworden van de ontwikkeling van zijn
intellect. “Waar heb je de tand gelaten?” vroeg hij
vanochtend aan het ontbijt. “Lag er dan een centje onder je
kussen?” vroeg ik. “Dat weet je best wel! Dat heb jij
gedaan.” Zo gaat het met alle kinderen. Ik verbaas me dan ook
heel erg over de kinderen die, hoe groot ze uiteindelijk ook
worden, blijven vasthouden aan het sprookje van onze lieve heer. En
wat dies meer zij. De stad was afgeladen vol die zondagmiddag. Een
vliegshow op de rivier (overvliegende vliegtuigjes dus) leverde een
enorm aantal bezoekers op, waardoor vrijwel niemand het
‘spektakel’ meer fatsoenlijk kon volgen. Maar we staan
wel weer mooi op de kaart, dus dat is een goede zaak. Na forse
omzwervingen ontdekten mijn zoon en ik een groot tv-scherm waar we
uiteindelijk naar hebben staan kijken. “Kunnen we net zo goed
thuis naar de tv gaan kijken, pappa,” zei het jong. Het lukte
de vliegtuigjes verder niet de jongen af te brengen van waar zijn
voornaamste aandacht naar uitging: één tand zat wel bijzonder los,
en twee andere al heel aardig. Ongeacht de herrie of het visuele
spektakel, voortdurend liet hij mij zien hoe ver hij de tand al
dubbel kon vouwen. Voorzien van bijbehorend commentaar: “Kijk
eens, pappa, hoe ver ik mijn tand al dubbel kan vouwen. ik kan er
gewoon met mijn tong onder. Ik denk dat hij er vandaag wel uit
gaat.” Ik meende dat deze ontwikkeling een ommetje langs het
standbeeld van de dichter Hendrik Tollens (1780-1856)
rechtvaardigde, immers gewoon in het park aan de rand waarvan wij
ondertussen waren aangeland. Tollens was een vaderlandslievende
man, alsmede een gevoelige vader en hondenbezitter. Bekend van
‘Wien Neerlandsch Bloed’, tevens van een droef poëem
bij de dood van zijn hond, maar bij mij vooral van: “Triomf,
triomf! Heft aan mijn luit, want moeder zegt: de tand is
uit”, enzovoort. Zes strofen vol ‘eerste tand van het
eerste wicht’ bombasme. Bij thuiskomst bleek een hapje
parmezaanse kaas voldoende om zijn bijzonder losse tand op de
keukentafel te doen belanden. Het is maar goed dat ik, naast van
god (en de rest) los, ook niet van Rudolf Steiner ben, anders had
hij nu pas zo’n beetje mogen beginnen met leren lezen. Nu las
hij een half jaar geleden al de kop: ‘kind heeft het recht
zijn vader te zien’ uit de krant en maakte daar toen zelf
‘vader heeft het recht zijn kind te zien’ van. En
kijken we Shrek 2 gewoon in het Engels met ondertiteling. Veel
leuker. Als we dat nog even willen gaan doen blijkt dat een klein
drama ons gezinnetje heeft bezocht: het is onze poes Snor (de
snoodaard!) uiteindelijk toch gelukt om het grijzende goudvisje
Jansen uit het aquariumpje te lichten. “Pappa, ik zie Jansen
niet meer,” riep mijn zoon verbaasd. Niet alleen het graatje
ligt naast mijn bed. Het beestje is Snor kennelijk zo slecht
bekomen dat zij de vis (en nog veel meer) ondankbaar heeft
teruggegeven aan nagenoeg de hele bovenverdieping. Hierbij
zorgvuldig al het zeil vermijdend, want vaste vloerbedekking is
zoveel fijner. Lang nadat mijn zoon mij die avond nog heeft
geroepen om de tand onder zijn kussen te leggen loop ik steeds
nieuwe hoopjes narigheid op te ruimen. En voelde ik mij van
lieverlee onafwendbaar bekropen door de aandrang tot een klein maar
mooi poëem, recht uit het hart gesneden: Bij het verscheiden van
onze goudvis Hoe droef, hoe droef! Klinkt toch ons lied, hoe
oeverloos nu ons verdriet, nu ’t visje is bezweken. Eerst gaf
gods gunst ’t beest een kom Waar ’t vrolijk in den
rondte zwom Nu is hij opgegeten... Enzovoort...
December 2004 Tegenwoordig roep ik achterom dat ik gewoon doorloop
en niet meer wacht. Dat is wel anders geweest. Boodschappen doen
duurde ooit wel eens nagenoeg de gehele bezoekregeling. In mijn
straat zit een klein theatertje dat natuurlijk een invalidenopgang
heeft. Eenmaal binnen heeft de rolstoeler weinig andere
mogelijkheden dan de zalen gelijkvloers, maar daar gaat het nu niet
over. Die invalidenopgang biedt veel kinderen uiteenlopend vertier.
Een stukje van de ingang is overdekt waardoor deze voor vermoeide
jongelui ook geregeld dienst doet als 'hangplek'. Ook weer zo'n
geweldige hedendaagse verworvenheid. Toch een samenleving om trots
op te zijn. Voor het tweejarige jongetje bood het trapje van twee
treden destijds natuurlijk een enorme uitdaging. Hij klom er op en
er weer af. En dan er weer op om de invalidenopgang af te lopen.
Zijn beentjes gingen steeds meer vanzelf, waardoor het wel leek
alsof hij er zelf een beetje achteraan kwam. En weer terugklimmen
natuurlijk. De heuvel op. En weer het trapje af. En op. De helling.
En dan konden we pas weer eens verder. Onderweg werd elke
scheefzittende stoeptegel een 'hoepla' die minstens twee keer
gehoeplaad moest worden, uiteenlopende hindernissen werden trots
overwonnen en de op de ruit van de kapper geplakte scharen een voor
een aandachtig bestudeerd: Pappa! Knippuh! Op de terugweg ging het
niet anders. Kortom, de totale tijd die hij een keer in de veertien
dagen bij zijn vader doorbracht zat er na de zaterdagmiddagse
boodschappen ongeveer op. Toen hij een klein jaartje ouder was
ontdekte hij het fietsenrek van het theater. Daar moest over- en
doorheen gekropen en geklommen worden. Een immense opgave want het
was voor een klein mannetje een enorm lang rek. We hadden nu iets
meer tijd want die ridicule bezoekregeling was verruimd naar een
iets minder ridicule weekendregeling. Het fietsenrek paste er,
zowel op de heen- als op de terugweg, in zijn geheel gemakkelijk
in. En voor de winkeltjes verderop in de straat waren nu voor
klantenfietsen drie hele smalle aluminium hekjes geplaatst, waar
natuurlijk doorheen gekropen moest worden. Nog steeds is de
invalidenopgang een uitdaging in onze winkelwandeling. Nu geldt het
randje als evenwichtsbalk. Die telkens wanneer hij een misstap
maakt opnieuw genomen moet worden. “Ik wacht niet,
hoor”, roep ik nu achterom. Ik weet dat hij mij straks
achterna komt rennen. Als ik mijn hand uitsteek probeert hij
tijdens het rennen deze vast te pakken en als rem te gebruiken, mij
in zijn vaart een stapje meeslepend. Wanneer ik al aan de aluminium
fietsenhekjes voorbij ben moeten deze toch eerst genomen worden en
wat ik mij nu afvraag is of hij de belangstelling hiervoor al
verloren zal hebben tegen de tijd dat hij hier niet meer doorheen
past. Of dat hij op een dag zal roepen: “Pappa! Ik ben te
groot geworden!” En dat ik hem uit moet zagen. Aan de hand
van obstakels in de buitenruimte heeft hij zijn eigen groeicurve
opgesteld. De bel is voor ieder kind een hele put, maar ook mijn
brievenbus zat tot voor kort nog te hoog voor hem, net als de klink
van de schuurdeur. Voor de klink hoeft hij nu niet meer op zijn
tenen te gaan staan. Moeiteloos (“Pappa, kijk! Ik kan er
gewoon bij!”) zwaait hij de deur open en achter onze fiets
weer dicht. Als gevolg van kleinere en grotere hiaten in de
bezoeken aan zijn vader vallen zijn vorderingen hem en mij
misschien wel meer op, denk ik, dan wanneer hij gewoon dagelijks
over de vloer zou zijn gekomen. Feit is dat ik teveel van zijn
ontwikkelingen heb gemist, waardoor elk volgend stapje voor mij
eigenlijk veel te bijzonder wordt. Niettemin knijpen vader en zoon
natuurlijk hun handjes stevig dicht, want in ieder geval de vader
weet dat er heel veel kinderen zijn die hun vader ondertussen niet
eens meer willen zien. Sommigen hebben zelfs geen idee wie het is.
Ik knijp dus mijn handjes dicht dat ik hem nog vier keer
diepgelovig voor de sint heb mogen horen zingen. Dat ik hem twee
keer heel blij heb mogen horen roepen dat er iets in zijn schoen
zat. De groeicurve van zijn verstand zal hem vanaf volgend jaar
ongetwijfeld tot afvallige maken. Ik hoop van harte dat deze
gezonde ontwikkeling zich ononderbroken voortzet.
Januari 2006 Omdat oma een paar nachtjes in zijn bed logeerde sliep
de jongen bij mij. Je durft dat bijna niet meer te doen, laat staan
hardop te zeggen: voor je ’t weet zit vader in de cel. We
besloten het er toch maar op te wagen. In de oudejaarsnacht leverde
dat, slapeloos na alle emoties van lang opblijven en vuurwerk, het
eerste echte Grote Gesprek op tussen vader en zoon. Zoals ik hoop
dat er nog vele zullen volgen. Naast mij lag hij op zijn rug met
ernstige ogen hardop na te denken over al het geld dat deze nacht
in rook was opgegaan en had dat niet zoveel beter besteed kunnen
worden? Pappa, wat betekent Warchild? En donateur? Nog vlak voor de
kerstvakantie had zijn snoet heel even de landelijke televisie
gesierd met een actie van zijn school voor de kinderen van de
aardbeving in Pakistan. Modieus gedoe natuurlijk allemaal, en er
zijn al heel wat kinderen op een dergelijke manier door de school
gelopen, zonder dat er nu wezenlijk zoveel veranderd is. Wat je
toch haast zou verwachten met al die maatschappelijke vorming en
zo. Maar kwaad kan het niet, geloof ik. Voor het eerst werd mij
toen trouwens duidelijk, toen hij tussen de reclames door op een zo
heel andere manier dan anders mijn huiskamer binnenkwam, hoe
ouderschap in elkaar steekt: ook al lopen wij nog heel veel hand in
hand, steeds minder ga ik er toe doen. Ik frummel nog wel wat aan
zijn franje, maar zijn leven zoekt steeds meer zijn eigen zin. Nu
nog vooral ingebed in kaders van school en vriendjes gaat hij zijn
eigen weg. Niet helemaal stiekem hoop ik eigenlijk dat hij op een
dag ook een aantal van deze vriendjes in de eenzame, zelfzuchtige
arrogantie van hun op vooral materialistische zingeving stoelende
tweeverdienersleventje zal laten voor wat ze zijn. Maar dat is dus
niet aan mij. Zo lag hij dus naast mij een kwartiertje lang zijn
(geld-)zorgen te hebben. Om dan toch met rode ogen van de slaap in
slaap te vallen. Morgen wacht een nieuwe, enerverende dag van
spelletjes met oma en haar eindeloos de spelregels uitleggen. Haar
geduldig helpen herinneren wat voor dag het nog maar weer is.
“Nee, oma, je wordt pas over drie dagen opgehaald.” Al
na twee dagen verblijf pakte ze elke ochtend weer haar tas in.
‘Goh, nu is het al weer het nieuwe jaar’, verzuchtte ze
onmiddellijk na de kerst. Zoals mijn zoon het leven in zich
opzuigt, zo glijdt het steeds meer van haar af. Hij begint er
steeds meer van te “begrijpen”, en zij steeds minder.
Ook al vind ik het moeilijk om onderscheid te maken tussen wat haar
werkelijk ontgaat en wat het levenslange gereformeerde filter voor
haar zuivert. Dit filter betekende immers dat ook al voorheen een
groot deel van de werkelijkheid aan haar voorbijging. Zeg maar: het
meeste dat geen betrekking had op de eigen familie of het kerkelijk
leven werd buitengesloten. Zelfs een busreis naar een meubelhal was
christelijk. Vanaf begin jaren zeventig, ongeveer samenvallend met
het vertrek van haar kinderen, hield haar bemoeienis met deze
samenleving definitief op. En dus ook ons gesprek. Wat is nu het
eigen onvermogen en wat wordt ingegeven door die aangeleerde
bekrompenheid? Ze lijken hand in hand te gaan, hoe meer het leven
wegglijdt hoe sterker de werking van het filter. Ik herken nog maar
weinig van de moeder die zij eens voor mij was. Zoals zij daar nu
stil zit, een glimp van een beleefde glimlach bestorven om haar
lippen. Keurig rechtop op het hoekje van de bank. Zal ooit mijn
zoon zo naar zijn vader zitten kijken? Niet meer tot een gewoon
gesprek in staat? Ze zeggen dat het erfelijk is. Ik hoop dat we,
voor het dus zover is, alles gezegd hebben wat we hadden willen
zeggen.
Januari 2005 Sinds de afgelopen december-cadeau-maand is het
aanzienlijk stiller geworden in de stad, maar ook moeilijker om nog
met een ander in contact te treden. De weg vragen bijvoorbeeld. Het
was me eerder tijdens mijn omzwervingen in Noord Nederland al
opgevallen: iedereen loopt met oortelefoontjes in. Vermoedelijk
vanwege de afstanden die met name groepen jongelui in die regio
moeten afleggen om bij een school te komen draagt iedereen graag
zijn eigen persoonlijke muziekvoorkeur met zich mee. Welke zich
slechts sissend aan de medereiziger openbaart - verre te verkiezen
natuurlijk boven de gettoblaster die enkele decennia geleden de
akoestiek teisterde. Nu zie ik ze ook, vermoedelijke vanonder de
kerstboom vandaan, volop in de stad. De oormuziektelefoontjes
wekken de indruk als is iedereen ondertussen eigenlijk wel
zo’n beetje uitgecommuniceerd: de mobiele telefoon heb ik nog
wel onder handbereik, en als het echt nodig is wil ik nog wel
zeggen waar ik ben, maar liever wil ik lekker op mezelf volkomen
met rust gelaten worden. Lijkt het oortelefoontje te willen zeggen.
Alleen in de metro op Zuid zag ik iemand niet alleen ruim behangen
met gouden kettingen, maar ook welden er links en rechts allemaal
dunne draadjes uit zijn wezen op. Luidkeels blies hij
onbegrijpelijke klanken om zich heen, die door een ergens aan zijn
persoonlijkheid bevestigd membraantje werden opgevangen, terwijl
een heftig gesis vanuit zijn oren hem af en toe tot stilte maande.
Los langs zijn jas hingen twee draadjes, uit het einde waarvan
doelloos een ondefinieerbaar ritme de ruimte in werd gedreven. Het
was duidelijk: hij was er nog niet uit. Hij was nog in transitie.
Ergens dwalend in het niemandsland tussen de nietsontziende
communicatieneurose van 2005 en daarvoor, tegenover de innerlijke
rust en vrede van de hoogst individuele emotie op het
hoogstpersoonlijke trommelvlies, welke bezit van 2006 lijkt te gaan
nemen. De mp3 speler luidt een nieuw tijdperk in. Het wordt stil op
straat en in de huizen. Burenruzies bestaan niet meer en ook de
kinderen begeven zich in een vreemde, ongekende rust door de kamer.
’s Nachts dralen drommen uitgaanders vredig door de stad. In
gedachten zingt ieder stil zijn eigen lied. Alleen de weg vragen is
een beetje lastig geworden. Maar daar is straks, voor een
verdwaalde voetganger, ook een draadje voor, denk ik. De
mp3-tomtom-speler, dat lijkt me wel wat. Tweeduizendzes wordt een
stil en vredig jaar, wat ik je brom.
December 2005 In de klas bieden de kinderen nog steeds hun cadeaus
tegen elkaar op. Niet de kwaliteit, of de grootte of hoe leuk dan
wel nuttig, maar hoe duur ze wel niet waren. Naast de viering van
Sinterklaas is een aantal knaapjes, waaronder mijn zoon, ook nog
jarig geweest. “Raad eens hoeveel geld ik heb
gekregen?” is het eerste dat een nu negen jarig knaapje tegen
mijn jongen zegt. Mijn zoon wil dus ook weten wat zijn nieuwe fiets
heeft gekost, maar dat ga ik hem aan zijn neus hangen. Hij doet dus
maar een gok, maar natuurlijk is de fiets van het andere jongetje
twee keer zo duur. “Hoe kan het toch dat die kinderen zo met
geld bezig zijn”, verzuchtte een moeder zorgelijk na afloop
van het kinderfeestje van mijn zoon. Inderdaad was het mij ook
opgevallen dat op mijn achterbank de jongetjes vrijwel uitsluitend
bezig waren met de vraag hoeveel het feestje waar ze nu weer naar
onderweg waren wel niet zou kosten. Volgens hen moest het wel erg
duur zijn, misschien wel duurder dan hun eigen feestje. Het zou hen
dan ook niet verbazen wanneer een patatje daar dus ook wel vijf
euro, misschien wel tien zou kosten. Met zijn hoevelen zijn we? Wat
kosten al die patatjes bij elkaar? En als we nou allemaal een half
patatje nemen, of een kwart, wat kost het dan? Ze zijn al flink aan
het rekenen, de boys. Ze zitten al in groep vijf en zes. Volgend
jaar is zijn feestje weer aan pappa. De jongen weet nu al wat hij
wil: een slaapfeestje. Maar die beginnen ondertussen toch
behoorlijk armoedig te worden, vrees ik. Parachutespringen lijkt me
wel eens leuk voor die knaapjes. Vast heel leerzaam ook nog. Als ik
mijn jongen een fijne dag heb gewenst en weer de klas uitloop
sleurt een vader een huilend meisje mee over het schoolplein.
“Je moet wakker zijn als je de klas binnenkomt”, hoor
ik hem in het voorbijgaan zeggen. Het meisje begint nog harder te
gillen. “Misschien had ze gisteravond op tijd moeten gaan
slapen”, knipoog ik tegen een willekeurige moeder naast mij.
Ze kijkt me niet begrijpend aan. Ik spreek een andere taal, denk
ik. Ik begrijp de meeste andere ouders ook niet namelijk. Laat
staan de geldzorgen van hun kinderen.
December 2005 Gistermiddag keek ik weer eens bij een
voorschoolse-kinderopvang-instelling naar binnen. Ik weet niet of
het een chreche was of een peuterspeelzaal. De aan alle
veiligheidsvoorschriften beantwoordende wipkippen op het rubberen
pleintje konden hierover ook geen uitsluitsel bieden. Achter in de
langwerpige ruimte stond een rechthoek van lage tafeltjes, met
daarop de stoeltjes. Aan de wanden hingen allemaal tot de
kinderverbeelding sprekende posters. De rest van de ruimte was
opgetast met uitdagend leerzame maar vooral veilige
speeltoestellen. Geen enkele dreumes die zich hier ooit een buil
zal vallen! Over de luchtkwaliteit kan ik helaas niks zeggen. Er
stond weliswaar geen raam open, maar misschien was er wel
geinvesteerd in een luxe installatie, wie weet? Bovendien wordt er
volgens mij nog gesteggeld over de wettelijke norm. Bij welke
luchtvòchtigheid gedijt een kind trouwens het best? Is dit voor
ieder kind, net als met piano’s, hetzelfde? Of hebben
Marokkaanse kinderen andere waarden nodig dan Friese? Idem voor
ADHD versus Hoogbegaafd? Ik bepleit een onderzoek. In de kleine
openbare groenvoorziening bij mij om de hoek, dus het parkje waar
mijn zoon tegenwoordig naar toe loopt om te gaan voetballen, zijn
onlangs ook twee wipkippen geplaatst, terwijl de doelpalen zijn
verdwenen. Misschien wel het begin. Ik ken parken die voor minstens
de helft tot superspeeltuin zijn omgetoverd. Dit omdat dertig jaar
geleden eens van overheidswege is geconstateerd dat kinderen te
weinig speelgelegenheid hadden zo midden in de stad. Nu staat er op
iedere vrije, en dus ook meteen rubber betegelde vierkante meter
wel een wipkip – van welke benaming ik vroeger trouwens dacht
dat daarmee sommige meisjes uit Zuid werden bedoeld. Onder de
wipkippen in het park is het echte gras vervangen door kunstgras,
want rubber tegels vonden ze toch niet mooi misschien. Nou valt
kunstgras volgens mij net zo hard als gewoon gras dus ik moet
binnenkort toch eens bellen. Ik wil geen builen en gaten die
voorkomen hadden kunnen worden op en in mijn kind! Of hebben ze het
gedaan om modderpoelen te vermijden? De wipkippen zijn altijd als
ik er langs loop volkomen verlaten. Net als die in mijn straat. De
oorspronkelijk zo vrolijke kleuren beginnen ernstig te vergrijzen.
Eén kip zit al een jaar zonder zitje! Ondanks de overdaad aan
kindvriendelijkheid en –veiligheid beslissen de jongelui zelf
anders. Na zich kruip-door-sluip-door een weg te hebben gebaand
langs diverse uitdagende speeltuigen, ondertussen nog een wipkip
vandaliserend of eens stevig struikelend over het gemeen stiekum
opstaande randje tussen de rubber en de gewone tegels (morgen even
over bellen!), komen ze bijeen onder het afdakje van het kleine
theatertje in mijn straat. Verzamelen binnen alle foldertjes en
flyers die ze daar kunnen vinden en deponeren deze willekeurig over
het trottoir. Wind en regen verspreiden het kleurrijke drukwerk
door een verdere omgeving. Zoals de bijtjes dat met de bloemetjes
doen, zo bevruchten deze kinderen dit deel van de stad met kunst en
cultuur. Mijn zoon heeft zich eens samen met twee vriendjes een
hele middag lang uitzonderlijk vermaakt met een grote kartonnen
doos. Waar ooit een breedbeeld in had gezeten, zoiets. Om de beurt
nam een van hen plaats in de doos en de twee anderen sleepten het
ding een eind vooruit. En weer terug. En weer heen. Tot alleen nog
de bodem over was. Ook heeft hij wel eens op een wipkip gezeten.
Tien seconden duurde dit genoegen. Daarna nooit meer.
juli 2005 Zodra hij me ziet pakt hij mij bij mijn hand en begint
mij het schoolplein over te sleuren. Er is iets dat ik per se moet
zien. Hij doet dat wel vaker. Elke keer als we een straat over
steken pakt hij mijn hand. Maar dat is omdat we dat zo gewend zijn
geraakt. Nu is het iets anders. Het schoolplein is vol met
kinderen, ouders en leerkrachten want het is zo'n beetje de laatste
dag voor de vakantie en dus is het feest voor iedereen. Ik
realiseer me dat iedereen dus kan zien hoe de jongen aan zijn vader
loopt te trekken. Menige vader zal dat gewoon vinden. In ons wat
meer problematisch geval kan een goed gevuld schoolplein nu
getuigen van de onverbrekelijke band die deze vader en zijn zoon
hebben opgebouwd. Dit krijgt niemand meer kapot. Rechters,
'mediators' en andere officiële instanties hebben pas een boodschap
aan wat kinderen willen vanaf het moment dat ze twaalf jaar worden.
Je moet toch iets afspreken. Vindt de minister. Ik ken kinderen die
tot die tijd heel prettig met hun vaders zijn opgetrokken. Het
loyaliteitsconflict waar ze hun leven lang genadeloos door hun
moeders aan zijn blootgesteld doet hen echter juist rond die
leeftijd kiezen voor het eigen vege lijf. Zijnde de veiligheid van
de 'verzorgende' ouder, ook al berust deze op een jarenlang
uitgeoefende psychologische druk. Onder welke druk kinderen uit
'eigen vrije wil' besluiten om hun vader maar niet meer te zien.
Dan houdt die druk misschien wel op. De relatie tussen het kind en
de vader loopt een dramatische en bijna niet meer te repareren
schade op. Wanneer het kind in een gunstig geval op latere leeftijd
toch probeert deze weer te herstellen zal het zich realiseren hoe
de vork werkelijk in de steel heeft gestoken. Met als gevolg dat de
relatie tussen het kind en de moeder een dramatische schade
oploopt. Ik vind dat het kind dan de rechter (en de 'mediator', en
de officiële instanties, en de minister) voor het gerecht moet
kunnen slepen. Net als zieke rokers dat nu met fabrikanten van
sigaretten doen. Mijn zoon is al weer ruim acht. Ik doe mijn
uiterste best om te zorgen dat het met ons niet zo ver zal komen.
Dat hij later zijn beide ouders niets te verwijten heeft en dus
geen reden heeft om achter rechters, 'mediators', officiële
instanties en ministers aan te zitten. Tot dusver heeft het er de
schijn van dat hij zich hierover geen zorgen hoeft te maken. Ook al
wordt de jongen getroffen door een wel heel bijzonder soort
stadionverbod van de vader, waardoor de zoon niet in de gelegenheid
is zijn tegenwoordig zo grote voetbalhobby met zijn vader te delen.
Vader en zoon moeten het op bijvoorbeeld hun wandelingen naar
school doen met uitgebreide en rijk geïllustreerde mondelinge
wedstrijdverslagen, schoten vlak onder de lat, 'panna's' en andere
mooie passeerbewegingen. Natuurlijk gevolgd door de vraag wanneer
ik nu eens kom kijken. En wat te denken van het contactverbod? Wat
is specifiek in het belang van een kind wanneer het diens vader
niet is toegestaan contact op te nemen met andere begeleiders van
zijn kind dan de juf? En met de laatste ook alleen maar onder
toezicht? Het is opmerkelijk hoe dom (en dus laakbaar) de
'mediators', rechters, officiële instanties en ministers zijn, dat
zij dit soort gedrag niet onmiddellijk afschieten. De door iedereen
o zo belangrijk geachte, maar feitelijk slechts ogenschijnlijke
'rust' kan bij het jong nog een hoop onrust teweeg brengen. Maar in
kinderbeschermingsland hebben we het niet over kinderen.
'Verzorgende' ouders mogen hun kinderen jarenlang half, dan wel
helemaal doodmartelen zonder dat hen een strobreed in de weg wordt
gelegd. Dus wat zullen we ons druk maken over een beetje
geestelijke mishandeling? Iedere vader die daar op wijst wordt met
genoegen genadeloos afgeschoten. Door 'mediators', rechters,
officiële instanties en ministers. Maar goed, laat ook hier en nu
duidelijk zijn vastgelegd hoe een achtjarige jongen temidden van
talloze getuigen zijn vader, van wie hij zo vanzelfsprekend zo heel
veel houdt, voort sleurt over het schoolplein. Het is aan één
redelijk verstandig iemand bij de Raad voor de Kinderbescherming
(!) te danken dat zijn vriendjes zich niet meer afvragen wie ik
ben. Eén daarvan zwaait een oud en versleten boek voor mijn neus:
kopen? Vijftig cent. De kinderen uit de hogere groepen slijten oude
bibliotheekboeken. De opbrengst is bestemd voor nieuwe. Mijn zoon
graait in zijn zak, hij wil het wel hebben en kennelijk heeft hij
centjes bij zich. Marco Polo en zijn reis naar China valt volkomen
uit elkaar maar de belangstelling van de kersverse vijfde groeper
brengt de achtste groeper tot een onmiddellijke prijsverhoging van
honderd procent. Opeens is het boek een euro. Mijn zoon diept ook
die munt uit zijn broekzak op, maar ik weet de prijs weer terug te
brengen tot het oorspronkelijke bedrag. Als de transactie is
voltooid en de lepe handelaar zich heeft omgedraaid koop ik het
boek weer van mijn zoon. Samen gaan we nu iets te drinken halen.
Een cola en een wijn. Nadat hij zijn bekertje in een teug heeft
leeggedronken spurt hij weer weg en ga ik de tentoonstelling
bekijken van tekeningen en gedichten die de groep van mijn zoon op
het schoolplein heeft ingericht. Dan zoek ik hem weer op om hem een
hele grote kus te geven. Ik ga naar huis en hij gaat op vakantie.
Dag pappa. Tot over twee weekjes! Dag lieve jongen. Een hele fijne
vakantie!
november 2005 Alleen als mijn zoon van bijna negen met voetballen
heeft gewonnen, belt hij mij op. Als hij verloren heeft, doet hij
dat niet. Deze najaarscompetitie heeft hij mij na de wedstrijd nog
maar een keer gebeld. Mobiel. Vanuit de auto van zijn moeder.
Hartstikke handig. Nu de markt voor mobiele telefonie aardig
uitgeput begint te raken (dan wel overvol is), wordt er van alles
verzonnen om er nog iets uit te peuren. Op zich niks mis mee.
Misschien wil ik wel een fotoprinter. Ook wordt driftig op zoek
gegaan naar nieuwe doelgroepen. Kinderen bijvoorbeeld. Voor deze
groep zijn er nu verschillende mobieltjes in de handel. Allemaal
hebben ze gemeen dat ze alleen een klein aantal voorgeprogrammeerde
nummers kunnen bellen: pappa, mamma, de oppas. Daarmee loop je als
ouder dus het risico te pas en te onpas gebeld te worden met
allemaal flauwekul waar ouder en kind met gemak zonder kunnen.
Omgekeerd zou ik niet weten wat ik telefonisch nog aan de
snotneuzen kwijt zou moeten dat ik ze niet al van te voren op het
hart heb gedrukt. Bovendien zijn ze voortdurend in de nabijheid van
verantwoordelijke volwassenen die het ‘probleem’ kunnen
en moeten oplossen. Als ik ze toch uitbesteed (oppas,
peuterspeelzaal, kinderopvang, wat dan ook) wil ik de dingen kunnen
doen die ik moet doen zonder voortdurend lastig gevallen te worden
met onzin als: “pappa, ik word geloof ik verkouden”,
of: “pappa, mijn veter is los”. Het nieuwste is dat er
nu mobieltjes zijn waar je je kind ook nog mee kunt afluisteren
(Buddy Bear van Scarlet) of waarmee je precies (nou ja, ongeveer)
kunt nagaan waar het kind is (I-Kids van KPN). Maar ik hoef niet
alles te weten wat mijn kind zegt. Waarom zou ik? Als ik reden zou
hebben hem of haar in deze te wantrouwen dan zou ik bij mijzelf te
rade moeten gaan: wat is er mis gegaan? En kijken of er nog iets
aan te doen valt. Ook zou ik op die manier de kwaliteit van opvang
en onderwijs kunnen controleren. In Amerika hebben verborgen
camera’s inderdaad wel eens wat onacceptabele dingen aan het
licht gebracht. Maar toch, als ik de opvang niet vertrouw moet ik
ze niet daar naar toe brengen. En waar die uithangt? Biedt de
I-Kids dan uitkomst? Op jongere leeftijd zorgt of vader, of moeder,
of de oppas, dan wel alles wat daar op lijkt dat we de kinderen
niet uit het oog verliezen. Als je dat al niet eens meer doet. Een
mobieltje kan misschien wel aanduiden waar hij is, maar als dat
onder een auto is terwijl ik aan de andere kant in het cafe zit,
tja... En eenmaal op een zekere leeftijd gekomen moet ik mijn
kinderen in hun gangen voldoende kunnen vertrouwen, met daarin voor
hem of haar de mogelijkheid om, tegen een mogelijke afspraak in,
ergens anders te zijn. Worden ze groot van. Als het nodig is kom ik
er toch wel achter - en lukt dat niet dan heb ik al in een eerder
stadium een belangrijke afslag gemist. Mijn zoon is bijna negen.
Hij belt mij alleen als hij gewonnen heeft met voetballen. Of als
er weer een tand uit is. Of zoiets. Hij weet dat ik niet van
telefoneren houd. Ik spreek hem liever echt. Laatst klom hij zomaar
weer eens op mijn schoot, terwijl ik bezig was de handleiding voor
de nieuwe fotoprinter door te nemen en hij de donald duck. Zo
hebben we zomaar een tijd gezeten en gelukkig ging de telefoon
niet.
november 2005 Mijn zoon kan toveren. Dat is heel handig voor als er
eens wat is. Hij kwam hier gistermiddag achter toen zijn
fluisterend gepreveld toverwoord de klapdeurtjes van het
metrostation openden. Tourniquets heten ze officieel. Tegen
zwartrijders en nu ook heel efficiënt tegen terroristen. In de
strijd tegen de laatsten wordt het publiek ook actief om hulp
gevraagd. We mogen geen rugzakken of zo in de metro meer
achterlaten en als we iets verdachts zien moeten we dat melden bij
het metropersoneel. Ik let dus extra goed op tegenwoordig. Waar dat
personeel dan is. Niemand te bekennen! Maar tegen zinloos geweld en
doelloze agressie zijn al een tijdje terug geruststellende
sos-palen neergezet met een rode knop er op. Die komen nu ook tegen
terroristen goed van pas. Ik zou zo graag een keer op die knop
drukken om te kijken wat er dan gebeurt. Zou het Knopzucht zijn? De
knop van het voetgangerslicht kan mijn zoon geen vertrouwen meer
inboezemen. Volgens hem is het een zoethoudertje. “Druk eens
op die knop”, zeg ik, als we wegwaaien op een groot kruispunt
langs de rivier. Maar hij begint er niet eens meer aan. Van alle
andere knoppen die hij tot dusver heeft verkend weet hij dat er
toch vrij spoedig iets (meer of minder wenselijks) gebeurt, maar
hoe hij in de afgelopen jaren ook heeft geprobeerd, de
voetgangerslichten blijven onveranderlijk op rood. Toveren dan
maar? Het magische woord wil geen wonder bewerkstelligen. Nu begint
het ook nog te regenen. Sowieso is het al donker, maar daar kan de
dag niks aan doen. Dat is politiek. Een hogere macht waar we eens
in de vier jaar iets over mogen vinden. Wat zou ik graag willen
kunnen toveren. Echt toveren kunnen alleen kwakzalvers,
kruidenvrouwtjes, zieners, handopleggers, waarzeggers, homeopaten
en wat dies meer zij. Die helpen mensen van merkwaardige fobieën en
rare zuchten af (van de meeste waarvan ik geen idee had dat ze
bestonden; neem nou Knopzucht) en schaven teleurstellende
persoonlijkheden en karakters bij. Sommigen weten, zeggen ze, ook
raad met werkelijke ziektes. Met behulp van weinig meer dan een
vertrouwenwekkende factuur. Ik kan me voorstellen dat veel tobbers
hierbij veel baat hebben. Niets heerlijkers dan het warme bad van
een geruststellend bevestigende egotherapie. Doe maar lekker. Op
elk verjaardagspartijtje is er wel zo eentje die met een sterk
verhaal komt over een ongelooflijke persoonlijkheidsverbetering of
een wonderbaarlijke genezing. Gewoon laten lullen. Ik krijg echter
een probleem wanneer er moeders zijn die menen dat ook hun kinderen
moeten worden bijgeschaafd. De ‘adhd’ en
‘hoogbegaafd’ diagnoses zijn voor goed geld gewoon te
koop. Net als, zo verneem ik nu, een therapie
‘creativiteit-voor
kinderen-die-kennelijk-niet-creatief-genoeg-zijn' uit een hoge hoed
kan worden getoverd. Als je maar betaalt. In de meeste gevallen is
er niks mis met die kinderen, maar omdat de ene therapie de
volgende noodzakelijk maakt (je wordt er namelijk gestoord van; zie
de moeders die dit voor hun kinderen verzinnen) krijg je dat
uiteindelijk heus wel voor elkaar. Sterkt mij in de overtuiging dat
de kinderen in onze steeds meer matriarchaal wordende samenleving
zitten te springen om vaders die weer eens ouderwets met de vuist
op tafel slaan. Afgelopen met dat gesodemieter. “Maar wij
kunnen helaas niet toveren”, zei ik tegen mijn zoon bij het
verlaten van het metrostation. Hij was zojuist ook tot die
teleurstellende conclusie gekomen toen zijn magische formule niet
bleek te werken bij het enige metropoortje waar je met een
kinderwagen doorheen kunt. Het jonge gezin dat vruchteloos
probeerde naar buiten te geraken keerde uiteindelijk maar weer
gelaten terug naar het perron om daar de lift te nemen. Jammer. Ik
had bijna op de rode knop gedrukt.
juni 2005 Verboden voor vaders. Kreeg ik vanmorgen van de kinderen
te horen. Een ging er aan mijn been hangen, een tweede aan mijn arm
en ook mijn zoon begon opeens verwoede pogingen te doen mij de deur
uit te werken. Feest voor iedereen. De mededeling bleek in grote
letters op de deur van het klaslokaal te staan. Maar ja, die stond
open en bovendien is er bij het binnentreden qua gewriemel
zo’n hoop te zien voor een ongeoefende vader... Het zijn de
voorbereidingen voor Vaderdag die deze drastische verstoting uit
het klaslokaal rechtvaardigen. Ook een aantal moeders maant mij
vriendelijk doch beslist het lokaal te verlaten. Ach, er is nog
niks te zien, zeg ik. Maar toch. Het kan zomaar als een ernstig
minpunt op mijn conduitestaat de ronde doen in het moedernetwerk.
Vanmiddag zal ik er zeer zeker rekening mee houden. Er zijn van
allerlei dingen die een verstoten vader zich niet kan permitteren.
Doe nooit iets dat ook maar in de verste verte het moedernetwerk in
beweging kan brengen. Ga niet met derden (de juf, de
voetbaltrainer, een willekeurige vader of moeder) in welke
discussie dan ook. Wees ook niet je zelf in gesprekken met anderen.
En stel nooit een vraag. In de meeste gevallen komen mededelingen,
die in meer of minder vriendschappelijke (en misschien door u wel
als persoonlijk ervaren) gesprekken zijn gedaan, toch bij de moeder
terecht. Met alle mogelijke gevolgen van dien. En de juf of mees
heeft het al druk genoeg om ook nog uw vragen te beantwoorden over
zaken die allang aan de ‘verzorgende ouder’ zijn
meegedeeld. Bijvoorbeeld: omdat u, ik zeg maar wat, anderhalf jaar
geleden van de ene op de andere dag uw zoon weer eens nagenoeg bent
kwijt geraakt (en, nog erger, uw zoon zijn vader) laat u zich op de
sportdag van de school alsnog indelen bij de groep van uw zoon.
Leuk voor u allebei. Ziet u mekaar weer eens. Dit kan een reden
voor de sportjuf zijn zich bij de directeur van de school te
beklagen: alles tot in de puntjes voorbereid, komt er weer
zo’n gescheiden vader... niet doen dus. Stel u zou aan een
collega vader vertellen hoe belachelijk u het vindt dat uw zoon
twee kledingkasten heeft: een bij zijn moeder en een bij zijn
vader. En dat u dat bijvoorbeeld kenmerkend vind voor een uitermate
gebrekkig pedagogisch en psychologisch inzicht. Beter van niet.
Wellicht hebt u zich wel eens aangemeld voor deelname aan de
werkweek en schoot dit bij uw ex in het verkeerde keelgat. Zij
informeert de school over haar bezwaar, de school wenst niet de
indruk te wekken in het conflict enige partij te trekken en kiest
dus partij voor de moeder: u mag niet mee op werkweek. Alleen al
het ventileren van een dergelijke constatering schiet de school dan
weer in het verkeerde keelgat. Niet doen dus. Verboden voor vaders.
Voor ieder van u is het sinds de geboorte van uw kind natuurlijk
iedere dag vaderdag maar voor sommigen (duizenden) iedere dag
evenzo verboden terrein. In meer of mindere mate. Hoe moet het met
het kind dat in de klas, net als alle andere kinderen, een
vaderdagcadeautje maakt, maar aan wie zal hij dat nu eens geven?
Een school, op ik meen Terschelling, koos vorig jaar wel voor een
heel gemakkelijke oplossing: dan maar helemaal geen vaderdagcadeau.
Voor niemand. Ik weet niet of het voor scholen te veel gevraagd is,
maar ik zou me kunnen voorstellen dat, wanneer zij het belang van
hun leerlingen voorop stellen, zij juist een stapje extra zetten
voor die kinderen die hun vader (nagenoeg) niet meer mogen zien. En
nog als toevoeging op het lijstje ‘dingen die u nooit moet
doen als gescheiden vader’: schrijf nooit dit soort stukjes.
Dat is namelijk verboden.


