daddy!
VKBlog Headerimage

Vaders wil is wet

maandag 26 maart 2007 13:48
Afstandsbediening laatste houvast?

Een chipsfabrikant liet een jaar of wat geleden een onderzoekje doen, onder meer naar wie de baas was over de afstandsbediening. Hier bleek nog een ouderwets adagium te gelden: ‘Vaders wil is wet!’. De comfortabele Vaderstoel kwam op een mooie tweede plaats. Daarin lag de afstandsbediening trouw te wachten tot pappa weer thuis kwam van het harde weken voor de dagelijkse portie vlees, dus niet alleen op zondag. Dat waren nog eens tijden!

Voor het overige kunnen we gerust stellen dat vrouwen toen en nu de dienst uitmaakten en –maken in het gezin en dat dit een van de belangrijkste redenen is waarom het de dames maar niet lukt de heren aan het huishouden te krijgen. Heren doen dit namelijk alsmaar niet op de manier zoals dames dit graag zouden willen. Zelfs het in- en uitruimen van de vaatwasser is menige vrouw een doorn in het oog. “Dat kun je toch veel beter zo doen”, wordt er maar al te dikwijls gemopperd. Of: “laat mij maar even, jij ook altijd...”.

Is pappa niet schattig?

Deze huishoudelijke ‘taakverdeling’, die veel werkende huisgezinnen nastreven, zien we nog heviger terug in de kinderverzorging en –opvoeding. Dit is nadrukkelijk het territorium van de moeder. Vader mag de luiers verschonen, het wurm wat kleertjes aandoen (“je kan zo zien wie ‘m heeft verschoond en aangekleed vanochtend...”) (wel eens gevolgd door: “Is pappa niet schattig?”) en 'm naar school brengen alstie wat groter is maar daarna houdt het op. Ook al zou vader willen en heeft hij voldoende goede ideeen, om reden van de lieve vrede legt hij zich meestal bij de beslissingen van de moeder neer.

Seks?

Moeder beheert het kind in elke denkbare zin. Van welke kinderfeestjes wel of niet, tot sportclubs, schoolkeuze, pianoles. Dit wordt in de meeste gevallen met andere moeders bedisseld, een netwerk waarin vaders niet worden toegelaten en dat ook wel bekend staat als de moedermaffia. In dit netwerk wordt regelmatig hevig gegniffeld over vaders onhandigheid tegenover alles en het wurm in het bijzonder. Ook wordt daarin het sociale leven van het kind geregeld: vindt de ene moeder de andere niet aardig dan spelen de kinderen ook niet met elkaar. De beste vriend van de oudste knul blijkt niet helemaal toevallig de zoon te zijn van moeders beste vriendin. Inmiddels ziet moeder haar behoefte aan intimiteit helemaal bevredigd in haar omgang met de kinderen, waardoor pappa ook niet meer aan seks hoeft te denken. Vader wordt uitsluitend nog langs de voetballijn getolereerd, waar hij zijn frustraties uitleeft op de scheids en de trainer van de tegenpartij.

Laatste houvast

Zolang niemand daar last van heeft vind ik het allemaal geen probleem. Komen er evenwel overheidscampagnes gericht op gelijkwaardig ouderschap, dan vind ik dat deze zich niet alleen op ontoereikende vaders zouden moeten richten, maar ook op de geringe bereidheid van moeders het vaderschap te erkennen als een evenknie in het gezinsleven. Maar voor het zover is (als het er ooit van komt) heeft pappa binnen het gezin helaas uitsluitend nog de afstandsbediening om zich krampachtig aan vast te houden. Als hij die ook nog verspeelt dan is het echt met hem gedaan.
“Vooral vaders kunnen vluchten in geweld als ze hun kinderen dreigen te verliezen”, luidt een van de onderkoppen bij het artikel ‘Verlaten ouder vlucht soms in geweld’, van Peter de Waard over familiedrama's, het omgangshuis Zaandam en diens directrice Loes Michiels, in de Volkskrant van vandaag. Dit statement suggereert een zekere wetenschappelijkheid, en tevens als zou een dergelijke gewelddadigheid besloten liggen in de psyche van vaders. Ze zijn gevaarlijk voor kinderen en moeders, zeker als de laatsten vinden dat hun kinderen maar beter tijdig voor die vader in veiligheid gebracht, c.q. bij hem vandaan ontvoerd kunnen worden. ‘Vader drinkt en heeft losse handjes’, is een klassieker. Het omgangshuis kan familiedrama’s voorkomen, beweert Loes Michiels.

Aan de basis van het probleem waar omgangshuizen mee van doen willen hebben, staat het uit een vervlogen eeuw stammende familierecht, waar helaas nog in teveel gevallen een beroep op moet worden gedaan, omdat vooral moeders hun rancunes over de ruggen van kinderen uitleven op zogenaamd alcoholistische, gewelddadige en incestueuze vaders. Deze krijgen hun kinderen dus niet of nauwelijks meer te zien. Al decennia lang wordt tegen dit familie-‘recht’ geageerd door iedereen die hier maar enigszins mee te maken heeft (gehad), van dwaze vaders tot hooggeleerde heren en ja, ook dames. De essentie van hun kritiek is dat dit familierecht ervan uitgaat dat de enige ouder die er werkelijk toedoet de moeder is. Dan is het verder simpel: het kind hoort bij de moeder. Vader (maar ook het kind dat hem mist) blijft verweesd en maar al te vaak verdwaasd achter.

Het bestaande familierecht kan zo functioneren omdat vaderschap geen enkele status heeft. Vader dient er alleen maar voor te zorgen dat er voor het gezin (ook na de scheiding) überhaupt vlees is om aan te snijden, meer niet. Het is natuurlijk aan vaders zelf om de verbetering van hun positie aan de orde te stellen, maar teveel vinden het (ook na de scheiding) vaak wel best zo. Dat bevestigt de moeder dan weer in haar superieure ouderschap en geen enkele minister van justitie ziet aanleiding het familierecht aan te passen. In Spanje is nu een wet aangenomen die stelt dat vaders na de geboorte van hun kind vijftien dagen zorgverlof krijgen, oplopend tot een maand in 2013. Actief vaderschap stelt vrouwen in staat om te gaan werken, stellen ze daar terecht, evenzeer als een goede opleiding dit doet. Groenlinks wil in Nederland een zorgverlof voor vaders van veertien dagen.
Wanneer, mee als gevolg van een dergelijke wet, voldoende zichtbaar wordt dat vaderschap daadwerkelijk iets voorstelt zal vaders’ positie (ook na een scheiding) minder kwetsbaar zijn. En zal ook aan moeder duidelijk worden dat haar ouderlijke superioriteit helemaal niet bestaat. En durft een minister van justitie het aan om het familierecht nu eens doorslaggevend in het belang van de kinderen (in plaats van de moeders) in te richten, zoals in aanzet onder het vorige kabinet door kamerlid Luchtenveld van de VVD in een wetsontwerp, dat helaas op wat kleinigheden sneuvelde in de Eerste Kamer, werd voorgesteld. Het geneuzel waar Donner en het CDA tezelfdertijd mee kwam was ridicuul. Ook de huidige minister van justitie is van het CDA, gezinspartij bij uitstek en eigenlijk principieel tegen scheiding, laat staan dat ze willen meewerken aan een goede regeling hiervan. Een ouderschapsplan en bemiddeling is alles wat ze kunnen verzinnen, terwijl in aantallen gevallen het strafrecht van toepassing gemaakt zou moeten worden. Dus in Nederland kunnen moeders nog steeds doen wat ze willen. Alleen wanneer een Spaanse rechter beslist dat er sprake moet zijn van gelijkwaardig ouderschap kan Nederland uiteindelijk toch niet anders dan de moeder, die het kind al drie jaar in Nederland voor de in Spanje woonachtige vader verborgen houdt, opsluiten. Opmerkelijk eigenlijk dat de Nederlandse moeder die haar kind voor diens Italiaanse vader verborgen hield, ook al was aan hem door een Italiaanse en een Nederlandse rechter de volledige voogdij toegewezen, nog steeds vrij rondloopt.

De meest droeve uitwas van een absurd familierecht en de ondergeschoven rol van vaders is het omgangshuis. Als was vader per definitie een crimineel die elk moment zijn gezin kan uitmoorden mag hij, onder toezicht(!), eens een uurtje zijn kind zien. In de meeste gevallen uitsluitend vanwege een van de moeder afkomstige ernstige lastercampagne (alcohol, gewelddadigheid, incest – prijsschieten!) jegens hem. Dit ‘contact’ wordt op video opgenomen, die later door een ‘deskundige’ van het omgangshuis met beide ouders wordt besproken. Alleen als pappa door het moederexamen heen komt mag hij naar twee uurtjes. Een beschamende en familie(on-)recht bestendigende praktijk die zo snel mogelijk moet worden verboden. Het draagt bij aan het drama, in plaats van dat het iets oplost. Alleen een familierecht dat van gelijkwaardig ouderschap uitgaat, in een samenleving waar de politieke wil bestaat gelijkwaardig ouderschap ook daadwerkelijk vorm te geven, kan oplossingen bieden. Zoals bijvoorbeeld het afschaffen van omgangshuizen.

Vaders/moeders/kinderen

maandag 27 februari 2006 14:38
‘Jij krijgt je kind nooit meer te zien!”, was de boodschap waarmee de vader ooit werd heengezonden. Vijf rechtszaken, zeven jaren en vele guldens en euro’s later blijkt dit toch mee te vallen: keurig conform de uitspraak van de laatste Rechter is het bestaan van het jongetje nu in tweeën gesplitst. Natuurlijk ‘woont’ hij bij zijn moeder, maar de Raad voor de Kinderbescherming zag in het uiteindelijke advies aan die Rechter geen enkele reden waarom de jongen niet een ‘ruime omgangsregeling’ met zijn vader kon worden gegund. Dus stapt het knaapje nu regelmatig middenin de nacht zijn bed uit, doet zijn slofjes en zijn kamerjas aan, loopt de trap op naar boven, slofjes en kamerjas weer uit, en slaapt dan naast zijn vader verder. Om je handjes bij dicht te knijpen, zoals dat heet in het jargon van familierechters, bijbehorende advocaten en ‘scheidingsbemiddelaars’. Ook al zou het jongetje ook nog graag willen dat zijn vader weer eens bij een voetbalwedstrijd kwam kijken. Zoals wel eens het geval is geweest. Er zijn veel soorten vaders. Minstens zoveel als er soorten moeders zijn, denk ik. Alhoewel. Ik lees tegenwoordig iets te vaak dat er vaders zijn die hun (voormalige) gezin, inclusief zichzelf, van kant maken. Van moeders lees ik hooguit dat ze samen met hun nieuwe vriend wel eens de kinderen uit haar vorige of huidige ‘relatie’ het leven zuur maken, waarvan sommige kleintjes dan in kofferbakken of in stukjes gesneden verspreid over het land eindigen. Ik zie nooit een moeder in een rare (barbie-)jurk of zo op een brug of op een dak van een rechtbank staan. Dat doen alleen dwaas uitgedoste vaders die van hun ex hun kinderen niet meer mogen zien, omdat dat namelijk heel erg slecht is voor die kinderen. Daarnaast zijn er heel veel vaders die het wel lekker rustig vinden wanneer ze na de scheiding hun kinderen alleen maar een klein weekendje in de veertien dagen zien. Je wil toch zeker niet elke dag naar de Efteling of het Land van Ooit, god nee. Spaar me. Maar ook zijn er nog gewoon ‘gelukkige’ huwelijken. Om de hypotheek en de kinderopvang te kunnen betalen moeten ze allebei meer werken dan hen lief is. Vaak zijn ouders qua zorgtaken tot een of ander compromis bereid en in staat, maar dikwijls ook is carrière voor allebei een hele opluchting, een mogelijkheid om te ontsnappen aan de maar al te vaak zo knellende band van huwelijk en gezin. Niet alleen voor moeders wordt in die carrière de "worsteling met conventies en de drang naar vrijheid” (het leidmotief van de voorstelling ‘Moeders/zonen/dochters’ van het Onafhankelijk Toneel) weerspiegeld. Vaders tobben daar al sinds de industriële revolutie mee, omdat zij vanaf dat moment nog uitsluitend degenen waren die er zorg voor dienden te dragen dat er op zondag überhaupt vlees te snijden viel. Het spreekt dus voor zich dat, ook nu moeders een forse inhaalslag maken in die “worsteling” (en er dus ook alleen nog maar op zondag zijn), de dames toch nog steeds de enigen zijn die over het welzijn van hun kroost kunnen waken. Zowel vóór als ná de scheiding. Wat hó! Als vaders nog niet eens in staat zijn een vaatwasser op een voor moeder acceptabele manier in te ruimen, hoe kunnen zij dan godbetert weten wat een dreumes van node heeft? Teveel vaders laten het maar zo, zorgen dat ze op zaterdag en zondag ook nog eens ontsnappen aan de kwelling van het gezin door lekker te gaan bieren op de tennis- of hockeyclub en proberen na de scheiding de omgangsregeling zo vorm te geven dat de kinderen pas na het bier worden ‘afgeleverd’. Geen wonder dat de Raad voor de Kinderbescherming vindt dat kinderen beter af zijn bij hun moeders. Ook al laten die zich, in het kader van ieders eigen individuele ‘worsteling’, ook steeds meer vollopen op de tennisclub. Pas na de scheiding beginnen vaders zich te roeren. En dan ook nog uitsluitend in die gevallen waarin ze hun kinderen niet meer te zien krijgen. Daar zijn simpelweg twee soorten van. Aan de ene kant de vaders die er nu pas achter komen dat ze hun kinderen missen (maar die zich voorheen zelden of nooit afvroegen of dat omgekeerd misschien altijd al het geval is geweest) en aan de andere kant de vaders die nadrukkelijk vader zijn (geweest) maar ernstig te lijden hebben onder het traditionele beeld dat er van hen nu eenmaal bestaat: mannen ‘kunnen of willen toch niks met kinderen en vaatwassers’. Rechter en Raad weten zich, afhankelijk van de opstelling van de moeder, met deze vaders vaak geen raad. Beide types zijn niettemin het slachtoffer van uitsluitend rancune, en moeders wraak is zoet, zo zoet... Maar hoe komt een Rechter of Raad daar door een woud van mystificatie achter? Door dat dan misschien maar eens een tijdje als vooronderstelling te hanteren, in plaats van de huidige: dat moeders per definitie gelijk hebben. Deze hebben het ondertussen net zo druk als vaders met de “worsteling met conventies en de drang naar vrijheid” en zo, dat het echt geen zin meer heeft te blijven geloven in de mythe van Het Heilige Moederschap. Alleen wanneer er sprake zou zijn geweest van een onbevlekte ontvangenis. Dan wel natuurlijk. Maar dat komt maar heel zelden voor, geloof ik.

Dankjewel

maandag 20 februari 2006 16:52
Op het station, op weg naar spoor negen om naar Den Haag te gaan, bleek de roltrap kapot. Ik liep met een krant in de ene en een broodje kroket in de andere hand naar de roltrap toe die het dus niet deed om daar onderworpen te worden aan een kaartjescontrole. Ik had het de hele dag al niet zo naar mijn zin en zag tegen het gegoochel op met een krant en een servetje in de ene en een broodje kroket in de andere hand en zie dan maar eens je kaartje uit het dingetje te halen waarin zich ook mijn diverse (voor het grootste deel langzamerhand zinloos geworden) pasjes bevonden. Dat lukte, maar ik was door dit gegoochel enigszins geïrriteerd geraakt, nee, ik was al geïrriteerd en dit kwam er nog eens bij, waardoor ik het noodzakelijk achtte een opmerking te maken over het feit dat de roltrap het ook nog eens niet deed. Grotere stappen nemend dan de gewone trap van mij had gevraagd, was ik op de vierde trede aangeland toen een vrouw naast mij (die dus de gewone trap had genomen, waarom ik niet?) luid riep: "Ja, maar de trein rijdt zo weg!" Wat ook inderdaad zo was. Er was hier sprake van een ietwat oudere mevrouw, keurig, kon je zo zien, geen vandalistisch type of zo. Maar daar had de jonge, te dikke vrouw (vroeger vast meer dan twee uur per dag al chips etend televisie gekeken) in het te krappe uniform geen enkele boodschap aan. "Mevrouw, ik moet uw kaartje zien." Zei ze beheerst, doch beslist. Het vervolg heb ik gemist, want ondertussen bleef ik mijn grote stappen nemen op de roltrap die het verdomme niet deed en toen ik weer voor mij keek zag ik een klein jongetje, vermoedelijk van zo'n jaar of vier, misschien nog maar drie. Op de roltrap in zijn eentje. Direct keek ik om mij heen of ik een verantwoordelijke volwassene zag, maar die kon ik niet ontwaren. Tegelijkertijd was ik bezig mijn broodje kroket uit mijn linkerhand terug te brengen naar de rechter, welke hand ik zojuist nog had gebruikt om mijn treinkaartje terug te stoppen in het dingetje waarin ik mijn pasjes bewaar. Het jongetje zette ook grote stappen op de roltrap maar het leek hem niet te lukken en hij huilde bij zijn pogingen. Dat kon ik duidelijk zien, maar horen deed ik hem niet zo goed. Dus weet ik ook niet zeker of ik hem toch ook nog heel zachtjes: "Help mij" hoorde zeggen. Nu was ik al naast hem en nog een stap en ik was hem voorbij, nog twee treden en ik zou op het perron staan. Nog steeds geen spoor van een ouder of verzorger. Ook had ik ondertussen mijn mond weer vol, anders had ik kunnen zeggen: "Waar is je moeder?", of: "Waar is je vader?" Onzin, dat had ik ook met volle mond kunnen zeggen. Ik had mij naar hem toe kunnen buigen, net zoals ik dat bij mijn zoon doe als er iets met hem is, en hem die vraag kunnen stellen en dan had hij vast wel gezegd waar een van beide was. Ondertussen was ik nog één trede van het perron verwijderd, het knaapje was nog niet gevorderd en zag er volkomen hulpeloos uit. Ik hield hem wel voortdurend in de gaten, moet ik toch wel zeggen, en het raakte me ook diep. Nu stond ik op het perron, maar nog steeds op het jongetje gericht: ik had me helemaal omgedraaid om te zien wat er van hem terecht zou komen. Te mijner verdediging moet ik dus aanvoeren dat hij mijn volledige aandacht had en wanneer dat meisje er niet was geweest was ik vermoedelijk wel toegeschoten. Het beklimmen van die laatste paar treden nam in feite ook maar een enkele seconde in beslag; een tijdspanne die feitelijk te kort was om mij in voldoende mate los te rukken van mijn eigen narigheid (slechte dag, broodje kroket cum kaartjescontrole en een roltrap die het weer eens niet deed) om mij volledig op hem te kunnen richten. Dat vereist even een mentale omslag en ik was de hele dag al vergeten de kopjes achter mij op te ruimen. Dus hier keek ik neer op dat jongetje dat daar op die trap stond en niet naar boven kon komen. Gelukkig is niet iedereen zo egoïstisch als ik. Twee treden na mij liep dus een meisje en zij deed wat ik natuurlijk ook onmiddellijk had moeten doen: zich naar het jongetje voorover buigen en hem simpelweg de trap op helpen. Eenmaal boven lachte ze naar me (dacht ze, omdat het vermoedelijk leek alsof ik op hem wachtte, dat ik de vader was? Of wou ze zeggen: kijk, zo eenvoudig is dat nou, sukkel) en kwam er een meneer aan met een dreumes op zijn nek. Het jongetje liep, nog steeds zachtjes huilend, op zijn vader toe en deze zei: "Zeg maar eventjes dankjewel."

Moeders/zonen/dochters

maandag 30 januari 2006 13:59
“O, en wil je ook even zijn nagels knippen? Ik ben het knippertje kwijt.” Met veel aplomb van moederlijke zorg wordt de vader dit bij het verlaten van het pand nog even meegegeven. Zij heeft zijn nagels nog nooit geknipt. Nog nooit een nagelschaartje gehad in al die jaren dat het jongetje leeft. Noch zijn gezicht gewassen, tanden gepoetst, haren gekamd, kleding klaargelegd. Persoonlijke verzorging dus. Wel zich veel beziggehouden met de klemmende "worsteling met conventies en de drang naar vrijheid”, zoals een van de kernzinnen luidt uit de promotietekst van de nieuwe voorstelling van het Onafhankelijk Toneel: “Moeders/zonen/dochters”. Ongetwijfeld een verheerlijking van het moederschap, middels uit de wereldliteratuur verzamelde lamentaties over de kwellingen daarvan. Máárrrr, ik heb het stuk niet gezien (dus hoe durf ik) en dat ga ik vermoedelijk niet doen ook.

Dat komt, ik ben nou eenmaal veel meer geïnteresseerd in ouderschap. En daar hoort ook een pappa bij. Zonen en dochters zijn niet het prerogatief van de moeder. Als er moeders zijn die dat wel vinden, dan verdient dit voorrecht ook meteen een aanrecht. Zonder vaatwasser! Niet zeuren. Maar kennelijk leven we, ondanks duizenden over het hele land verspreide wipkippen, in een kindonvriendelijke samenleving. Omdat namelijk de kinderopvang te duur is en de kwaliteit twijfelachtig, kiezen veel verse huisgezinnen – als ze nog kinderen willen – er steeds meer voor om toch maar weer zelf voor hun twee deugnieten te zorgen. Als gevolg van ruim anderhalve eeuw arbeidsdeling is het daarbij iets te vanzelfsprekend geworden dat pappa de enige is die de hypotheek kan opbrengen (net als alimentatie trouwens, maar dat is een ander verhaal). Dus blijft mamma meestal (deels) thuis, ongeacht opleiding en ambities. Omdat pappa het ondertussen ook wel gemakkelijk is gaan vinden dat zijn overhemd ’s ochtends gestreken voor hem klaar ligt, is hij uiteindelijk nog de enige die steeds meer uren gaat ‘maken’ om de hypotheek voor het iets te grote en te dure huis op te brengen. Dan is het toch ook wel fijn dat hij ‘s avonds niet meer de kinderen naar bed hoeft te brengen en zo. Of de strijk te doen. Dank zij hem zitten deze kinderen (en mamma trouwens ook) wèl goed in de kleren, hebben goed te eten, hebben een mooi huis om in op te groeien, gaan naar een dure school en krijgen later een vette alimentatie – ook ouderlijke zorg natuurlijk. Maar ondanks verschillende overheidscampagnes zijn het dus toch weer de vaders die steeds meer gaan werken en bijgevolg hun kinderen minder zien. Waardoor deze inderdaad het prerogatief van de moeder worden, waar pappa zich maar beter helemaal niet meer mee moet bemoeien. Behalve als pretvader natuurlijk: kijk toch eens hoe leuk hij op zondagmiddag met de kinderen is! (Op zaterdag moet hij hockeyen...)

Moeder is mee als gevolg van ruim anderhalve eeuw arbeidsdeling ondertussen gaan denken dat haar uitzonderlijk voorrecht genetisch bepaald is. En dat vaders, behalve dat beetje jool, helemaal niets met kinderen ‘kunnen’. Ook wanneer vaders zich niet in een carrière storten en moeders wel, dan nog weten moeders het vaak beter. Dit wordt echt duidelijk na de tegenwoordig bijna onvermijdelijke scheiding. Ook al zit vader hopeloos te wachten tot hij zijn kinderen weer eens mag zien, moeder brengt ze liever naar de kinderopvang of laat ze aan een oppas. Een goede truc hiervoor was (ook al lijkt de hausse nu voorbij) het doen van aangifte van incest – pappa staat gegarandeerd een jaar buiten spel. Of hij mag zijn rol als pretvader voortzetten: een klein weekend in de veertien dagen. Voor veel lulhannesen, die nu een stevige hypotheekschuld plus een forse alimentatie (en soms ook weer de zorg voor een nieuw gezin) moeten opbrengen, is zelfs dit nog wel eens te veel. Ze slaan net zo lief eens een keertje over. Waardoor moeders maar weer bevestigd worden in hun ouderlijke superioriteit en de kwellingen daarvan. Het is wat. Dat komt nooit meer goed. De vader die evenwel niet uitsluitend op carrière gericht is geweest maar wel op zorg, aandacht en opvoeding heeft ernstig te lijden onder het beeld (“Moeders/zonen/dochters”) dat zich ondertussen in de samenleving over ouderschap heeft gevestigd. In het gunstigste geval mag hij na de scheiding nog net een beetje gaan ‘pretvaderen’. Joepie!

En moet hij de zorg voor de nagels, gepoetste neusjes, sterke tanden, haren, kleding, voldoende slaap, op tijd op school, opvoeding, ontwikkeling en wat daar wel niet allemaal bij komt kijken, overlaten aan een in het huidige tijdsgewricht bijna Heilig Verklaarde Moeder die, vanwege haar klemmende "Worsteling met Conventies en de Drang naar Vrijheid”, daar nauwelijks aan toe komt. Dát, dus inclusief de rol van de om wat voor reden dan ook afwezige vader, zou pas drama opleveren! Nu rest ons in "Moeders/zonen/dochters" weinig meer dan een "even poëtisch als dynamisch" introspectief gemummel, vrees ik. Een voorstelling die dus helemaal niet gemaakt had hoeven worden.

Katte(n)bak

woensdag 25 januari 2006 13:35
Ali B. komt een beetje afgeknepen uit een telefoontje zetten. De eigenaar hiervan heeft kennelijk nog geen ‘oortjes’. Ik weet dat het Ali B. is want mijn zoon heeft dat ook op zijn van Sinterklaas gekregen mp3-speler. Die natuurlijk zoek is trouwens. ‘Pappa! Mijn mp3-speler is kwijt!’ Net als het sleuteltje van zijn nieuwe fiets. Vier weken na zijn verjaardag staat deze al weer werkeloos in de schuur, te wachten tot pappa een oplossing heeft verzonnen. Zelfde geldt voor Snor, de poes, die is (helaas) niet zoek maar alweer bijna twee jaar van hem. En wie maakt de katte(n?)bak schoon? Pappa natuurlijk. Wie moet niet vergeten het stomme beest te eten te geven? Pappa. Alsof die niets beters te doen heeft.

Maar zo liep ik dus in het eerste ochtendlicht aan die jongen voorbij die zijn mobiele telefoon voor zich uit hield waar Ali B. uitkwam. Knuffelmarokkaan. Troetelmarokkaan. Aardige knul inderdaad, denk ik, geen Diamantbuurt. Met een vlotte tong waar best wel eens een leuke babbel van af komt. Humor. Of is het ernst? Zijn liedjes zijn ook lekker vlot, bijna jolig. Meezingdeuntjes afgewisseld met populaire ‘straatpoezie’. Pimps, bitches, dope. Eigenlijk ken ik vooral de versies van mijn zoon want Ali B. gaat er rechtstreeks via zijn trommelvlies in en wat er als gevolg daarvan dan weer uit zijn mond komt, dat hoor ìk dan weer. Flarden van zinnen, delen van een melodie. En dan hoor ik ‘m dus allemaal dingen zeggen die we niet hadden afgesproken. ‘Maar het is Ali B.’, zegt hij, ‘ik verzin het heus niet zelf.’ Nee, Ali is koninklijk goedgekeurd en kom verder ook vooal niet aan de ‘jongerencultuur’, hoe excessief ook soms, want dan ben je een ouwe lul. En als je iets zo rond je vijftigste niet wilt dan is het wel uitgemaakt worden voor oud. En meewarig uitgesproken flauwiteiten naar het grijzende of kalende hoofd geslingerd krijgen als: ‘ben jij dan niet jong geweest vroeger’. Jawel, maar mijn ouders zeiden er (op zijn minst) wèl iets van. Dus ik zit er mee, wat moet ik doen: Ali B. in de ban, of ‘m doodknuffelen? Eerst maar eens de katte(n?)bak verschonen. Zien we daarna wel eens weer.

(Een ander nadeel van zo rond de vijftig is, dat ik een aantal spellingswijzigingen mee heb mogen maken, waardoor het me nu helemaal duister is geworden, hoe logisch ook.)

Seks en boete

woensdag 18 januari 2006 12:13
Ik heb het altijd wel gedacht: televisie kan niet goed zijn. Sowieso is er, omgekeerd evenredig aan de toename van het aantal zenders, steeds minder op. Nederlandse en Amerikaanse pulp van een zorgwekkend allooi. Dat is wat het volk wil kennelijk en dus verdienen we ook niet beter dan Balkenende en de rest. Die helpt dan weer de publieke omroep om zeep waardoor het apparaat feitelijk inderdaad gewoon bij het vuilnis kan. Zoals ik er vanochtend al een hier in de straat zag staan, een breedbeeld nog wel. Die heeft het begrepen, dacht ik nog. Want ook blijkt nu dat een televisie op de slaapkamer vijftig procent minder seks oplevert. Dus weg ermee. Kun je nagaan wat er gebeurt als je ook het huiskamerding de deur uitdoet. Zo los je de vergrijzing op! Krijg je vrouwen vast wel weer aan het moederen. Een veelvuldig goed uitgevoerde daad geeft het persoonlijk leven zoveel meer glans immers, zoveel meer diepte. Zin, welhaast. Daar kan geen ‘new age’ of welke andere vorm van geluksvervangend spiritualisme, laat staan een carriere tegenop, dames! Dus doe dat ding de deur uit. En dan drie keer daags, na het eten. Zal je eens zien. Ik zit straks gebeiteld in het bejaardenhuis!

Schoot er zomaar door me heen toen ik vanochtend die televisie langs de weg zag staan. Ik was nog niet helemaal wakker en het was nog lekker schemerdonker, dus associeerde ik, een beetje dromerig eigenlijk nog, vrijelijk door. Het was maar goed dat de jongen bij mij achterop zat en, nauwelijks hoorbaar boven het stadse lawaai, tegen me aan begon te kletsen. Anders had ik die vier man sterke politie controle vast niet gezien. Naast het fietspad stonden ze eerzame burgers zonder licht aan te houden. Dus wij maar gauw verder met de fiets aan de hand. Wat er in hun fuik verdween? Moeders (!) met kinderen achterop en bergen scholieren. Zag ik in het ruim aanwezige licht van de straatlantarens. Die natuurlijk ook geen van allen een identiteitsbewijs bij zich hadden. Wat is dit toch een ernstig onveilige samenleving! Hoe kan het toch ooit weer goed komen met ons als je, ruim een jaar na de invoering van deze zo zinvolle regel, nog steeds niet je paspoort bij je hebt! Je durft geen kinderen meer te krijgen bijna. Al was het alleen maar vanwege die onzinnige boetes waar ze tegenwoordig mee thuis komen. Afijn, we waren vlakbij school en even later zijn we maar weer verder gefietst.

Ik kijk hem nog even na als hij de poort doorloopt het schoolplein op. Wat wordt hij toch al groot. En wat ga ik hem weer missen de komende anderhalve week. Ik vergeet er de politie helemaal van en fiets op de terugweg regelrecht in hun armen, maar net floept de straatverlichting uit, dus rest de heren nog slechts de evaluatie. Even later thuis is het stil en leeg. Ik ruim wat speelgoed op, doe de klep van de piano dicht (“hoe vaak moet ik dat nou nog zeggen!”), zet zijn bord in de vaatwasser. Loop de huiskamer in. Daar staat best een mooie breedbeeld televisie eigenlijk. Ik doe hem toch nog maar niet weg, denk ik.

Oma

zaterdag 14 januari 2006 01:54
Kerst 2004 Het is grijs, onzichtbaar en zit op de bank. Dat zou zomaar het begin van een mopje van mijn zoon kunnen zijn. Maar het is dus zijn oma. Oma is in de tachtig en het droevig stemmende eindproduct van een zwaar gereformeerde opvoeding en opgroeien in de moeilijke jaren dertig, veertig en vijftig. En dat alles ook nog eens in de provincie. Vanaf de jaren zestig heeft het leven in een steeds sneller veranderende samenleving een loop genomen die voor haar meer en meer onbegrijpelijk werd. Haar kinderen plukten de vruchten van de vrijheid die aan de groter wordende welvaart gepaard ging. Voor oma maakte het drukkend gereformeerd provincialisme een actieve deelname aan het ‘nieuwe denken’ evenwel bijna onmogelijk. Waardoor gezamenlijkheid en wederzijds begrip tussen moeder en kinderen feitelijk ophielden in de jaren zestig, zeventig. De generatiekloof. Ondanks gekende zegeningen als wasautomaat, koelkast, televisie en automobiel (welke laatste met het overlijden van mijn vader weer verdween) heb ik vanachter mijn computer nu het uitzicht op een steeds kleiner en brozer wordend relikwietje uit de jaren vijftig. Al zolang ik weet leeft ze in een voor mij bijna onbegrijpelijke, geen kritische noot verdragende verheerlijking van de beklemming waarin ze is grootgebracht. En met de steeds sterker wordende afname van haar korte termijn geheugen lijkt de grens van haar bewustzijn nu definitief teruggebracht tot vóór Elvis Presley. Ook al loopt ze nog als een kievit. Haar gezin viel begin jaren zeventig grotendeels uit elkaar. Met het overlijden van mijn vader halverwege de jaren negentig was er voor haar helemaal niets meer van over. De zondagmiddagse autoritjes, een door mijn vader langzaam op haar beleving van het geloof bevochten (en door haar uiteindelijk met volle teugen genoten) vrijheid, mist ze misschien nog wel het meest. Omdat ze zoals veel van haar generatiegenoten nooit iets anders geleerd heeft dan zichzelf wegcijferen ten behoeve van haar gezin (en natuurlijk De Here) is ze uitzonderlijk bekwaam geraakt in deze kunst. En praktiseert deze met, lijkt het wel, steeds groter wordende verve en virtuositeit waar ze maar gaat. Als ze onzichtbaar, of op zijn minst onhoorbaar zou kunnen worden dan zou ze vermoedelijk niets liever doen dan dat. Zij en haar generatiegenoten hebben absoluut nooit iemand tot last willen zijn. Op verjaardagsfeestjes, maar tegenwoordig natuurlijk steeds meer op begrafenissen, bieden ze op een alleen nog voor elkaar te hanteren manier tegen elkaar op. Loopt altijd enorm uit. Een val van de trap noopte haar kinderen onlangs tot initiatieven richting persoonsalarmering. Omdat de ziektenkostenverzekeraars in een keiharde concurrentiestrijd alle dubbeltjes drie keer om moeten draaien willen ze hun enorme winsten kunnen blijven maken, gaan zij heel goed nut en noodzaak van eventuele uitgaven na. Haar verzekeraar belde haar dus op. Oma dankte het wichtje hartelijk voor haar roerende belangstelling en zei dat het alweer een heel stuk beter met haar ging. En laat u anders maar, hoor, als het zo lastig voor u is. Nogmaals, dank u wel voor uw bezorgdheid. Waardoor de persoonsalarmering dus niet vergoed werd. Mijn gisteravond aan haar aangeboden keuze uit een wit- of een roodgekleurd drankje bracht haar zo in de war dat ze niets anders kon dan terugvallen op die zo veilige vaardigheid. Welke fles wil jij het eerste leeg hebben? Aarzelde ze uiteindelijk. Ze heeft nog een hele week om elke dag te proberen deze te overtreffen. Later op de avond vertoonde de publieke omroep de kinderfilm Pietje Bell als familiefilm en oma, die vrijwel nog nooit een film gezien heeft, leefde intens mee. Straks komt mijn zoon. Hij is dol op oma. Samen spelen ze veel spelletjes. Gisteren belde hij op om te vragen of ze er al was. Eerder zei hij al dat het hem zo leuk leek om samen met oma nu eens op ònze bank te zitten. Ik laat ze denk ik vanmiddag maar even samen achter bij mens-erger-je-niet om in de videotheek een paar ‘familiefilms’ te halen. Gaan we met zijn drieën, ieder om onze eigen reden, lekker traantjes wegpinkelen bij Kruimeltje of zo.

Fryslan boppe!

vrijdag 13 januari 2006 14:07
Oktober 2004 De logeerpartij die we, als gevolg van de herfstvakantie, voor onze poes Snor in gedachten hadden liep al in een vroeg stadium uit op een drama. Vader en zoon gingen een paar dagen naar oma en ja, hoe moet het dan met de veestapel. In het aquarium stortte mijn zoon een bommetje samengeperste voedingsstoffen waar Jansen gerust een paar dagen mee toe kon. Maar Snorretje zou bij opofferende vrienden worden opgevangen. Zij wisten ook nog een mandje. Onze pogingen het beestje te pakken en in dat mandje te krijgen liepen echter vooral op niets uit. Toen het op zeker moment dan toch leek te gaan lukken verzette ze zich zo heftig dat ze diepe wonden wist te slaan in zowel lichaam als ziel van ons en onze gastvrije vrienden. Au! Ondankbaar mormel. Dan niet. Dan blijf je maar zielig alleen thuis. Oma woont in een stukje Nederland waar de lucht nog redelijk schoon is, zo bleek vorige week uit onderzoek. Eenmaal terug in het Friese dorp waar ik ooit mijn ‘falende’ lagere school opleiding heb mogen genieten begonnen we dan ook meteen diep in en uit te ademen. En keerde de blos op onze wangen al ras terug. Zou de gezonde lucht, nou ja, in principe de gewone door god gegeven lucht natuurlijk, de oorzaak zijn van het feit dat de wedstrijden uit de jeugd voetbal competitie hier nooit stil hoeven worden gelegd? Na het gesodemieter over de gestaakte wedstrijd ADO-PSV kwam de KNVB met cijfers over de toestanden in het jeugdvoetbal. Wekelijks moeten in het land vier wedstrijden vroegtijdig worden afgebroken. Hier en daar moet de politie er aan te pas komen. Voornaamste oorzaak? Ruziënde ouders langs de lijn. Alleen in de drie noordelijke provincies komt zulks niet voor. Vanwege de schone lucht? Of vanwege het feit dat de dorpsscholen hier drie maanden achterlopen waardoor ouders misschien wel minder getraind zijn in de competitie die ze in de randstad onderling over de ruggen van hun kinderen voeren? Ik herinner mij nog mijn eigen kortstondige carrière als teamleider van een cluppie effies. Wat sommige kinderen wel niet moesten doen van hun ouders! Ook de teamleider werd niet gespaard, maar dat is nog tot daar aan toe. We wandelen door de straat waar vroeger mijn lagere school stond. Waarom precies weet ik niet, maar vermoedelijk omdat ik mij wel eens zorgen maak over een groeiend ‘buikje’, herinner ik mij nog dikwijls het bezoek van de schoolarts. In het kamertje van de bovenmeester (die nog gewoon lesgaf en alleen maar na schooltijd af en toe van dat kamertje gebruik maakte, geen wonder dat die school de achterstand nooit meer heeft kunnen wegwerken) stond ik in mijn onderbroekje voor een aardige mevrouw. Mijn moeder was er ook. Ik werd een beetje beklopt en bekeken en mij staat bij dat de schoolarts zei dat ik aanleg had voor een buikje. Dus wil ik nu wel even stellen dat, ook al valt het eigenlijk best nog wel een beetje mee, dit dus niets met mijn huidige bierconsumptie te maken heeft. Nu las ik in Trouw afgelopen week dat het fenomeen schoolarts in 2004 precies een eeuw bestaat. Ingesteld tegelijk met de algemene leerplicht. En met de gezondheid van de kinderen gaat het een stuk beter dan vroeger. Misschien wel omdat ze tegenwoordig zo ‘gewenst’ zijn. Dat de kinderen daardoor ook wel eens te veel onder druk komen te staan, brengt een nieuw probleem met zich mee, waardoor de schoolarts zich nog lang niet overbodig acht: “Veel kinderen hebben stress, concentratieproblemen, faalangst of een andere vorm van angst”. Oorzaken: de Cito-toets en allerlei ‘clubjes’ waarin de kinderen moeten presteren. De schoolarts ziet zich, net als vroeger, weer meer in een opvoedende rol functioneren: “In kleine gemeenschappen heeft de school al lang een opvoedende rol. Dorpsscholen durven nog wel te zeggen: na negen uur ’s avonds mogen kinderen niet meer buitenspelen. Want dan zitten ze de volgende ochtend te slapen in de schoolbanken.” Schoolartsen vinden bijvoorbeeld ook steeds meer dat scholen al die moderne, zogenaamd gezonde, heerlijke hapjes en drankjes moeten weren: op deze school komt alleen nog fruit naar binnen. En voor de overblijvers brood. Met kaas en worst. Vooral vanwege dat andere moderne probleem: overgewicht. Ik begin ondertussen een steeds grotere hekel te krijgen aan dat meisje dat destijds met dat (afstudeer-)onderzoek kwam waaruit bleek dat de Friese dorpscholen potdomme wel drie maanden achterlopen op scholen in de gezegende randstad. Waardoor nu in boven- en achterzaaltjes van café’s in Beetsterzwaag en andere buitenplaatsen onderwijzers elkaar een overspanning, vergelijkbaar met die van hun randstedelijke collega’s, zitten aan te praten. Ik stel eigenlijk voor om met ingang van vandaag voor iedere randstedelijke basisschool maar een schoolarts te benoemen als directeur. En dan ook meteen uitsluitend nog psychiaters aan te trekken als teamleider van de randstedelijke effies en eetjes (ook handig voor de ouders natuurlijk). Wie weet valt op die manier nog iets te redden aan die zegenrijke ‘voorsprong’ die we hebben ten opzichte van de drie noordelijke provincies.

Afwachten

maandag 9 januari 2006 14:16
juli 2005 Ik zit al een tijdje beneden als de bovenverdieping nog in diepe slaap is. Wij, mijn zoon en ik, logeren een weekje bij oma. Ik kom hier vaak de laatste tijd want ze wordt al oud. En nu dus met mijn zoon, want voor hem vind ik het van belang dat hij, zodra daar enige gelegenheid toe bestaat, zijn familie van vaders kant toch ook voldoende leert kennen. Oma wil nooit iemand tot last zijn dus ik merk normaal gesproken pas dat ze wakker is wanneer ze opeens in de kamer staat. Dan heb ik haar niet eens de trap af horen komen. Ik schrik me wild. Met mijn zoon er bij is dat wat anders. Zo is het nog helemaal stil en dan hoor ik opeens zijn hoge kinderstem in oma-voor-en-oma-na. Ik ga onder aan de trap staan om zijn gebrabbel wat beter te kunnen volgen. Hij wordt wat eigenwijs de laatste tijd maar dat geeft niet. Het is een heerlijke jongen. Gewoon een kwestie van nog even afwachten en het is een fantastische vent. Gisteren zat ik zomaar wat na te denken over zijn jongensstem. En hoe die over een jaar of wat zal gaan klinken. Je weet het niet, hè? Van meisjes kun je misschien wel zeggen dat hun stem zich zal ontwikkelen in een logische richting: een hoge meisjesstem zal toch eerder een sopraan dan een alt opleveren. Denk ik. Zonder dat ik er verstand van heb, hoor. Maar van jongetjes weet ik dat echt niet. Vroeger had ik een vriendje met niet eens zo'n harde maar wel een hele hoge stem. Ik hoor hem nog op een heldere winterdag boven alles uit: 'Meneer Riemersma!' Riep hij mijn vader die we in een lang lint met veel lawaai van wel twintig scherpe ijzers op hard ijs opeens voorbij zagen schaatsen. Ik was tien of zo en zat doodongelukkig bij Smalle Ee aan de kant met een gebroken veter van mijn doorloper en hele stijve vingers van de kou. Als één man zette de groep onmiddellijk de rem er op, een breed wit spoor van geschaafd ijs trekkend. Even later was mijn veter natuurlijk weer gerepareerd en kon iedereen weer verder. Na afloop van de tocht kwam ik mijn vader tegen bij de keet, waar hij van een bij uitstek revitaliserende (weet ik nu) sportdrank stond te nippen: Beerenburg. En dat vriendje had een jaar of wat later opeens een hele dikke, diepe bas. Dus je weet het niet, hè? Kwestie van afwachten. "Ben ik nu weer gegroeid?", hoor ik zijn jongenssopraan boven aan de trap. Ongetwijfeld. Van mij hoeft dat helemaal niet overigens. Blijf maar lekker klein. Maar je kan er op wachten, hè? En voor hem is er niets belangrijkers. Bijna elke dag heeft hij het erover en dan meet hij zich weer ergens aan. De deurkruk van de badkamer was het deze keer, begrijp ik. "Kijk maar, oma, ik ben weer gegroeid." "Oe-oe-oe-oe-oe," slaakt oma met haar zuinigste kopstemmetje één van haar kreetjes. Haar vocabulaire is, in tegenstelling tot een rijke verzameling geluidjes waaronder kreetjes, nooit groot geweest (daar was ook geen reden toe) en wordt alleen maar minder. Dit weer in tegenstelling tot de geluidjes. Er komen nog steeds nieuwe bij, lijkt het wel. Zij is al lang geleden uitgegroeid en is ruimschoots op de omgekeerde weg. Samen kunnen ze langdurig kibbelen over de spelregels van Mens Erger Je Niet. Gisteren probeerden ze een spelletje Scrabble. Maar daar begreep ze echt niets meer van. Als ik samen met mijn zoon even boodschappen ga doen zeg ik hem dat hij wat voorzichtig met oma moet zijn. Ze weet het niet meer zo goed. Ze wordt al oud. Wat ik niet hardop zeg maar zachtjes in mezelf is dat het misschien nog maar een kwestie van afwachten is. Op een gegeven moment zit toch de bovenverdieping weer geheel gekleed en met een ontbijtje achter de kiezen beneden. Oma kijkt langs haar kopje koffie naar de auto's die voorbij rijden, en vindt, net als iedere dag, dat het er maar veel zijn. Zoonlief loopt met de doos Mens Erger Je Niet rond en hoopt op een spel. En ikzelf? Tja, ik weet het niet zo goed, hè? Ik wacht eerlijk gezegd maar een beetje af.

Hoe droef ons lied

maandag 9 januari 2006 14:10
juli 2005 Hij is geen kind meer. Een half jaar geleden uitte hij al zijn eerste twijfels aan het bestaan van Sinterklaas, nu is de tandenfee het slachtoffer geworden van de ontwikkeling van zijn intellect. “Waar heb je de tand gelaten?” vroeg hij vanochtend aan het ontbijt. “Lag er dan een centje onder je kussen?” vroeg ik. “Dat weet je best wel! Dat heb jij gedaan.” Zo gaat het met alle kinderen. Ik verbaas me dan ook heel erg over de kinderen die, hoe groot ze uiteindelijk ook worden, blijven vasthouden aan het sprookje van onze lieve heer. En wat dies meer zij. De stad was afgeladen vol die zondagmiddag. Een vliegshow op de rivier (overvliegende vliegtuigjes dus) leverde een enorm aantal bezoekers op, waardoor vrijwel niemand het ‘spektakel’ meer fatsoenlijk kon volgen. Maar we staan wel weer mooi op de kaart, dus dat is een goede zaak. Na forse omzwervingen ontdekten mijn zoon en ik een groot tv-scherm waar we uiteindelijk naar hebben staan kijken. “Kunnen we net zo goed thuis naar de tv gaan kijken, pappa,” zei het jong. Het lukte de vliegtuigjes verder niet de jongen af te brengen van waar zijn voornaamste aandacht naar uitging: één tand zat wel bijzonder los, en twee andere al heel aardig. Ongeacht de herrie of het visuele spektakel, voortdurend liet hij mij zien hoe ver hij de tand al dubbel kon vouwen. Voorzien van bijbehorend commentaar: “Kijk eens, pappa, hoe ver ik mijn tand al dubbel kan vouwen. ik kan er gewoon met mijn tong onder. Ik denk dat hij er vandaag wel uit gaat.” Ik meende dat deze ontwikkeling een ommetje langs het standbeeld van de dichter Hendrik Tollens (1780-1856) rechtvaardigde, immers gewoon in het park aan de rand waarvan wij ondertussen waren aangeland. Tollens was een vaderlandslievende man, alsmede een gevoelige vader en hondenbezitter. Bekend van ‘Wien Neerlandsch Bloed’, tevens van een droef poëem bij de dood van zijn hond, maar bij mij vooral van: “Triomf, triomf! Heft aan mijn luit, want moeder zegt: de tand is uit”, enzovoort. Zes strofen vol ‘eerste tand van het eerste wicht’ bombasme. Bij thuiskomst bleek een hapje parmezaanse kaas voldoende om zijn bijzonder losse tand op de keukentafel te doen belanden. Het is maar goed dat ik, naast van god (en de rest) los, ook niet van Rudolf Steiner ben, anders had hij nu pas zo’n beetje mogen beginnen met leren lezen. Nu las hij een half jaar geleden al de kop: ‘kind heeft het recht zijn vader te zien’ uit de krant en maakte daar toen zelf ‘vader heeft het recht zijn kind te zien’ van. En kijken we Shrek 2 gewoon in het Engels met ondertiteling. Veel leuker. Als we dat nog even willen gaan doen blijkt dat een klein drama ons gezinnetje heeft bezocht: het is onze poes Snor (de snoodaard!) uiteindelijk toch gelukt om het grijzende goudvisje Jansen uit het aquariumpje te lichten. “Pappa, ik zie Jansen niet meer,” riep mijn zoon verbaasd. Niet alleen het graatje ligt naast mijn bed. Het beestje is Snor kennelijk zo slecht bekomen dat zij de vis (en nog veel meer) ondankbaar heeft teruggegeven aan nagenoeg de hele bovenverdieping. Hierbij zorgvuldig al het zeil vermijdend, want vaste vloerbedekking is zoveel fijner. Lang nadat mijn zoon mij die avond nog heeft geroepen om de tand onder zijn kussen te leggen loop ik steeds nieuwe hoopjes narigheid op te ruimen. En voelde ik mij van lieverlee onafwendbaar bekropen door de aandrang tot een klein maar mooi poëem, recht uit het hart gesneden: Bij het verscheiden van onze goudvis Hoe droef, hoe droef! Klinkt toch ons lied, hoe oeverloos nu ons verdriet, nu ’t visje is bezweken. Eerst gaf gods gunst ’t beest een kom Waar ’t vrolijk in den rondte zwom Nu is hij opgegeten... Enzovoort...

Groeicurve

maandag 9 januari 2006 12:24
December 2004 Tegenwoordig roep ik achterom dat ik gewoon doorloop en niet meer wacht. Dat is wel anders geweest. Boodschappen doen duurde ooit wel eens nagenoeg de gehele bezoekregeling. In mijn straat zit een klein theatertje dat natuurlijk een invalidenopgang heeft. Eenmaal binnen heeft de rolstoeler weinig andere mogelijkheden dan de zalen gelijkvloers, maar daar gaat het nu niet over. Die invalidenopgang biedt veel kinderen uiteenlopend vertier. Een stukje van de ingang is overdekt waardoor deze voor vermoeide jongelui ook geregeld dienst doet als 'hangplek'. Ook weer zo'n geweldige hedendaagse verworvenheid. Toch een samenleving om trots op te zijn. Voor het tweejarige jongetje bood het trapje van twee treden destijds natuurlijk een enorme uitdaging. Hij klom er op en er weer af. En dan er weer op om de invalidenopgang af te lopen. Zijn beentjes gingen steeds meer vanzelf, waardoor het wel leek alsof hij er zelf een beetje achteraan kwam. En weer terugklimmen natuurlijk. De heuvel op. En weer het trapje af. En op. De helling. En dan konden we pas weer eens verder. Onderweg werd elke scheefzittende stoeptegel een 'hoepla' die minstens twee keer gehoeplaad moest worden, uiteenlopende hindernissen werden trots overwonnen en de op de ruit van de kapper geplakte scharen een voor een aandachtig bestudeerd: Pappa! Knippuh! Op de terugweg ging het niet anders. Kortom, de totale tijd die hij een keer in de veertien dagen bij zijn vader doorbracht zat er na de zaterdagmiddagse boodschappen ongeveer op. Toen hij een klein jaartje ouder was ontdekte hij het fietsenrek van het theater. Daar moest over- en doorheen gekropen en geklommen worden. Een immense opgave want het was voor een klein mannetje een enorm lang rek. We hadden nu iets meer tijd want die ridicule bezoekregeling was verruimd naar een iets minder ridicule weekendregeling. Het fietsenrek paste er, zowel op de heen- als op de terugweg, in zijn geheel gemakkelijk in. En voor de winkeltjes verderop in de straat waren nu voor klantenfietsen drie hele smalle aluminium hekjes geplaatst, waar natuurlijk doorheen gekropen moest worden. Nog steeds is de invalidenopgang een uitdaging in onze winkelwandeling. Nu geldt het randje als evenwichtsbalk. Die telkens wanneer hij een misstap maakt opnieuw genomen moet worden. “Ik wacht niet, hoor”, roep ik nu achterom. Ik weet dat hij mij straks achterna komt rennen. Als ik mijn hand uitsteek probeert hij tijdens het rennen deze vast te pakken en als rem te gebruiken, mij in zijn vaart een stapje meeslepend. Wanneer ik al aan de aluminium fietsenhekjes voorbij ben moeten deze toch eerst genomen worden en wat ik mij nu afvraag is of hij de belangstelling hiervoor al verloren zal hebben tegen de tijd dat hij hier niet meer doorheen past. Of dat hij op een dag zal roepen: “Pappa! Ik ben te groot geworden!” En dat ik hem uit moet zagen. Aan de hand van obstakels in de buitenruimte heeft hij zijn eigen groeicurve opgesteld. De bel is voor ieder kind een hele put, maar ook mijn brievenbus zat tot voor kort nog te hoog voor hem, net als de klink van de schuurdeur. Voor de klink hoeft hij nu niet meer op zijn tenen te gaan staan. Moeiteloos (“Pappa, kijk! Ik kan er gewoon bij!”) zwaait hij de deur open en achter onze fiets weer dicht. Als gevolg van kleinere en grotere hiaten in de bezoeken aan zijn vader vallen zijn vorderingen hem en mij misschien wel meer op, denk ik, dan wanneer hij gewoon dagelijks over de vloer zou zijn gekomen. Feit is dat ik teveel van zijn ontwikkelingen heb gemist, waardoor elk volgend stapje voor mij eigenlijk veel te bijzonder wordt. Niettemin knijpen vader en zoon natuurlijk hun handjes stevig dicht, want in ieder geval de vader weet dat er heel veel kinderen zijn die hun vader ondertussen niet eens meer willen zien. Sommigen hebben zelfs geen idee wie het is. Ik knijp dus mijn handjes dicht dat ik hem nog vier keer diepgelovig voor de sint heb mogen horen zingen. Dat ik hem twee keer heel blij heb mogen horen roepen dat er iets in zijn schoen zat. De groeicurve van zijn verstand zal hem vanaf volgend jaar ongetwijfeld tot afvallige maken. Ik hoop van harte dat deze gezonde ontwikkeling zich ononderbroken voortzet.

Gesprek

zondag 8 januari 2006 13:22
Januari 2006 Omdat oma een paar nachtjes in zijn bed logeerde sliep de jongen bij mij. Je durft dat bijna niet meer te doen, laat staan hardop te zeggen: voor je ’t weet zit vader in de cel. We besloten het er toch maar op te wagen. In de oudejaarsnacht leverde dat, slapeloos na alle emoties van lang opblijven en vuurwerk, het eerste echte Grote Gesprek op tussen vader en zoon. Zoals ik hoop dat er nog vele zullen volgen. Naast mij lag hij op zijn rug met ernstige ogen hardop na te denken over al het geld dat deze nacht in rook was opgegaan en had dat niet zoveel beter besteed kunnen worden? Pappa, wat betekent Warchild? En donateur? Nog vlak voor de kerstvakantie had zijn snoet heel even de landelijke televisie gesierd met een actie van zijn school voor de kinderen van de aardbeving in Pakistan. Modieus gedoe natuurlijk allemaal, en er zijn al heel wat kinderen op een dergelijke manier door de school gelopen, zonder dat er nu wezenlijk zoveel veranderd is. Wat je toch haast zou verwachten met al die maatschappelijke vorming en zo. Maar kwaad kan het niet, geloof ik. Voor het eerst werd mij toen trouwens duidelijk, toen hij tussen de reclames door op een zo heel andere manier dan anders mijn huiskamer binnenkwam, hoe ouderschap in elkaar steekt: ook al lopen wij nog heel veel hand in hand, steeds minder ga ik er toe doen. Ik frummel nog wel wat aan zijn franje, maar zijn leven zoekt steeds meer zijn eigen zin. Nu nog vooral ingebed in kaders van school en vriendjes gaat hij zijn eigen weg. Niet helemaal stiekem hoop ik eigenlijk dat hij op een dag ook een aantal van deze vriendjes in de eenzame, zelfzuchtige arrogantie van hun op vooral materialistische zingeving stoelende tweeverdienersleventje zal laten voor wat ze zijn. Maar dat is dus niet aan mij. Zo lag hij dus naast mij een kwartiertje lang zijn (geld-)zorgen te hebben. Om dan toch met rode ogen van de slaap in slaap te vallen. Morgen wacht een nieuwe, enerverende dag van spelletjes met oma en haar eindeloos de spelregels uitleggen. Haar geduldig helpen herinneren wat voor dag het nog maar weer is. “Nee, oma, je wordt pas over drie dagen opgehaald.” Al na twee dagen verblijf pakte ze elke ochtend weer haar tas in. ‘Goh, nu is het al weer het nieuwe jaar’, verzuchtte ze onmiddellijk na de kerst. Zoals mijn zoon het leven in zich opzuigt, zo glijdt het steeds meer van haar af. Hij begint er steeds meer van te “begrijpen”, en zij steeds minder. Ook al vind ik het moeilijk om onderscheid te maken tussen wat haar werkelijk ontgaat en wat het levenslange gereformeerde filter voor haar zuivert. Dit filter betekende immers dat ook al voorheen een groot deel van de werkelijkheid aan haar voorbijging. Zeg maar: het meeste dat geen betrekking had op de eigen familie of het kerkelijk leven werd buitengesloten. Zelfs een busreis naar een meubelhal was christelijk. Vanaf begin jaren zeventig, ongeveer samenvallend met het vertrek van haar kinderen, hield haar bemoeienis met deze samenleving definitief op. En dus ook ons gesprek. Wat is nu het eigen onvermogen en wat wordt ingegeven door die aangeleerde bekrompenheid? Ze lijken hand in hand te gaan, hoe meer het leven wegglijdt hoe sterker de werking van het filter. Ik herken nog maar weinig van de moeder die zij eens voor mij was. Zoals zij daar nu stil zit, een glimp van een beleefde glimlach bestorven om haar lippen. Keurig rechtop op het hoekje van de bank. Zal ooit mijn zoon zo naar zijn vader zitten kijken? Niet meer tot een gewoon gesprek in staat? Ze zeggen dat het erfelijk is. Ik hoop dat we, voor het dus zover is, alles gezegd hebben wat we hadden willen zeggen.

Het is stil in de stad

zaterdag 7 januari 2006 14:28
Januari 2005 Sinds de afgelopen december-cadeau-maand is het aanzienlijk stiller geworden in de stad, maar ook moeilijker om nog met een ander in contact te treden. De weg vragen bijvoorbeeld. Het was me eerder tijdens mijn omzwervingen in Noord Nederland al opgevallen: iedereen loopt met oortelefoontjes in. Vermoedelijk vanwege de afstanden die met name groepen jongelui in die regio moeten afleggen om bij een school te komen draagt iedereen graag zijn eigen persoonlijke muziekvoorkeur met zich mee. Welke zich slechts sissend aan de medereiziger openbaart - verre te verkiezen natuurlijk boven de gettoblaster die enkele decennia geleden de akoestiek teisterde. Nu zie ik ze ook, vermoedelijke vanonder de kerstboom vandaan, volop in de stad. De oormuziektelefoontjes wekken de indruk als is iedereen ondertussen eigenlijk wel zo’n beetje uitgecommuniceerd: de mobiele telefoon heb ik nog wel onder handbereik, en als het echt nodig is wil ik nog wel zeggen waar ik ben, maar liever wil ik lekker op mezelf volkomen met rust gelaten worden. Lijkt het oortelefoontje te willen zeggen. Alleen in de metro op Zuid zag ik iemand niet alleen ruim behangen met gouden kettingen, maar ook welden er links en rechts allemaal dunne draadjes uit zijn wezen op. Luidkeels blies hij onbegrijpelijke klanken om zich heen, die door een ergens aan zijn persoonlijkheid bevestigd membraantje werden opgevangen, terwijl een heftig gesis vanuit zijn oren hem af en toe tot stilte maande. Los langs zijn jas hingen twee draadjes, uit het einde waarvan doelloos een ondefinieerbaar ritme de ruimte in werd gedreven. Het was duidelijk: hij was er nog niet uit. Hij was nog in transitie. Ergens dwalend in het niemandsland tussen de nietsontziende communicatieneurose van 2005 en daarvoor, tegenover de innerlijke rust en vrede van de hoogst individuele emotie op het hoogstpersoonlijke trommelvlies, welke bezit van 2006 lijkt te gaan nemen. De mp3 speler luidt een nieuw tijdperk in. Het wordt stil op straat en in de huizen. Burenruzies bestaan niet meer en ook de kinderen begeven zich in een vreemde, ongekende rust door de kamer. ’s Nachts dralen drommen uitgaanders vredig door de stad. In gedachten zingt ieder stil zijn eigen lied. Alleen de weg vragen is een beetje lastig geworden. Maar daar is straks, voor een verdwaalde voetganger, ook een draadje voor, denk ik. De mp3-tomtom-speler, dat lijkt me wel wat. Tweeduizendzes wordt een stil en vredig jaar, wat ik je brom.

Geldzorgen

vrijdag 6 januari 2006 19:23
December 2005 In de klas bieden de kinderen nog steeds hun cadeaus tegen elkaar op. Niet de kwaliteit, of de grootte of hoe leuk dan wel nuttig, maar hoe duur ze wel niet waren. Naast de viering van Sinterklaas is een aantal knaapjes, waaronder mijn zoon, ook nog jarig geweest. “Raad eens hoeveel geld ik heb gekregen?” is het eerste dat een nu negen jarig knaapje tegen mijn jongen zegt. Mijn zoon wil dus ook weten wat zijn nieuwe fiets heeft gekost, maar dat ga ik hem aan zijn neus hangen. Hij doet dus maar een gok, maar natuurlijk is de fiets van het andere jongetje twee keer zo duur. “Hoe kan het toch dat die kinderen zo met geld bezig zijn”, verzuchtte een moeder zorgelijk na afloop van het kinderfeestje van mijn zoon. Inderdaad was het mij ook opgevallen dat op mijn achterbank de jongetjes vrijwel uitsluitend bezig waren met de vraag hoeveel het feestje waar ze nu weer naar onderweg waren wel niet zou kosten. Volgens hen moest het wel erg duur zijn, misschien wel duurder dan hun eigen feestje. Het zou hen dan ook niet verbazen wanneer een patatje daar dus ook wel vijf euro, misschien wel tien zou kosten. Met zijn hoevelen zijn we? Wat kosten al die patatjes bij elkaar? En als we nou allemaal een half patatje nemen, of een kwart, wat kost het dan? Ze zijn al flink aan het rekenen, de boys. Ze zitten al in groep vijf en zes. Volgend jaar is zijn feestje weer aan pappa. De jongen weet nu al wat hij wil: een slaapfeestje. Maar die beginnen ondertussen toch behoorlijk armoedig te worden, vrees ik. Parachutespringen lijkt me wel eens leuk voor die knaapjes. Vast heel leerzaam ook nog. Als ik mijn jongen een fijne dag heb gewenst en weer de klas uitloop sleurt een vader een huilend meisje mee over het schoolplein. “Je moet wakker zijn als je de klas binnenkomt”, hoor ik hem in het voorbijgaan zeggen. Het meisje begint nog harder te gillen. “Misschien had ze gisteravond op tijd moeten gaan slapen”, knipoog ik tegen een willekeurige moeder naast mij. Ze kijkt me niet begrijpend aan. Ik spreek een andere taal, denk ik. Ik begrijp de meeste andere ouders ook niet namelijk. Laat staan de geldzorgen van hun kinderen.

Wipkip

vrijdag 6 januari 2006 18:53
December 2005 Gistermiddag keek ik weer eens bij een voorschoolse-kinderopvang-instelling naar binnen. Ik weet niet of het een chreche was of een peuterspeelzaal. De aan alle veiligheidsvoorschriften beantwoordende wipkippen op het rubberen pleintje konden hierover ook geen uitsluitsel bieden. Achter in de langwerpige ruimte stond een rechthoek van lage tafeltjes, met daarop de stoeltjes. Aan de wanden hingen allemaal tot de kinderverbeelding sprekende posters. De rest van de ruimte was opgetast met uitdagend leerzame maar vooral veilige speeltoestellen. Geen enkele dreumes die zich hier ooit een buil zal vallen! Over de luchtkwaliteit kan ik helaas niks zeggen. Er stond weliswaar geen raam open, maar misschien was er wel geinvesteerd in een luxe installatie, wie weet? Bovendien wordt er volgens mij nog gesteggeld over de wettelijke norm. Bij welke luchtvòchtigheid gedijt een kind trouwens het best? Is dit voor ieder kind, net als met piano’s, hetzelfde? Of hebben Marokkaanse kinderen andere waarden nodig dan Friese? Idem voor ADHD versus Hoogbegaafd? Ik bepleit een onderzoek. In de kleine openbare groenvoorziening bij mij om de hoek, dus het parkje waar mijn zoon tegenwoordig naar toe loopt om te gaan voetballen, zijn onlangs ook twee wipkippen geplaatst, terwijl de doelpalen zijn verdwenen. Misschien wel het begin. Ik ken parken die voor minstens de helft tot superspeeltuin zijn omgetoverd. Dit omdat dertig jaar geleden eens van overheidswege is geconstateerd dat kinderen te weinig speelgelegenheid hadden zo midden in de stad. Nu staat er op iedere vrije, en dus ook meteen rubber betegelde vierkante meter wel een wipkip – van welke benaming ik vroeger trouwens dacht dat daarmee sommige meisjes uit Zuid werden bedoeld. Onder de wipkippen in het park is het echte gras vervangen door kunstgras, want rubber tegels vonden ze toch niet mooi misschien. Nou valt kunstgras volgens mij net zo hard als gewoon gras dus ik moet binnenkort toch eens bellen. Ik wil geen builen en gaten die voorkomen hadden kunnen worden op en in mijn kind! Of hebben ze het gedaan om modderpoelen te vermijden? De wipkippen zijn altijd als ik er langs loop volkomen verlaten. Net als die in mijn straat. De oorspronkelijk zo vrolijke kleuren beginnen ernstig te vergrijzen. Eén kip zit al een jaar zonder zitje! Ondanks de overdaad aan kindvriendelijkheid en –veiligheid beslissen de jongelui zelf anders. Na zich kruip-door-sluip-door een weg te hebben gebaand langs diverse uitdagende speeltuigen, ondertussen nog een wipkip vandaliserend of eens stevig struikelend over het gemeen stiekum opstaande randje tussen de rubber en de gewone tegels (morgen even over bellen!), komen ze bijeen onder het afdakje van het kleine theatertje in mijn straat. Verzamelen binnen alle foldertjes en flyers die ze daar kunnen vinden en deponeren deze willekeurig over het trottoir. Wind en regen verspreiden het kleurrijke drukwerk door een verdere omgeving. Zoals de bijtjes dat met de bloemetjes doen, zo bevruchten deze kinderen dit deel van de stad met kunst en cultuur. Mijn zoon heeft zich eens samen met twee vriendjes een hele middag lang uitzonderlijk vermaakt met een grote kartonnen doos. Waar ooit een breedbeeld in had gezeten, zoiets. Om de beurt nam een van hen plaats in de doos en de twee anderen sleepten het ding een eind vooruit. En weer terug. En weer heen. Tot alleen nog de bodem over was. Ook heeft hij wel eens op een wipkip gezeten. Tien seconden duurde dit genoegen. Daarna nooit meer.

Fijne vakantie!

woensdag 4 januari 2006 08:56
juli 2005 Zodra hij me ziet pakt hij mij bij mijn hand en begint mij het schoolplein over te sleuren. Er is iets dat ik per se moet zien. Hij doet dat wel vaker. Elke keer als we een straat over steken pakt hij mijn hand. Maar dat is omdat we dat zo gewend zijn geraakt. Nu is het iets anders. Het schoolplein is vol met kinderen, ouders en leerkrachten want het is zo'n beetje de laatste dag voor de vakantie en dus is het feest voor iedereen. Ik realiseer me dat iedereen dus kan zien hoe de jongen aan zijn vader loopt te trekken. Menige vader zal dat gewoon vinden. In ons wat meer problematisch geval kan een goed gevuld schoolplein nu getuigen van de onverbrekelijke band die deze vader en zijn zoon hebben opgebouwd. Dit krijgt niemand meer kapot. Rechters, 'mediators' en andere officiële instanties hebben pas een boodschap aan wat kinderen willen vanaf het moment dat ze twaalf jaar worden. Je moet toch iets afspreken. Vindt de minister. Ik ken kinderen die tot die tijd heel prettig met hun vaders zijn opgetrokken. Het loyaliteitsconflict waar ze hun leven lang genadeloos door hun moeders aan zijn blootgesteld doet hen echter juist rond die leeftijd kiezen voor het eigen vege lijf. Zijnde de veiligheid van de 'verzorgende' ouder, ook al berust deze op een jarenlang uitgeoefende psychologische druk. Onder welke druk kinderen uit 'eigen vrije wil' besluiten om hun vader maar niet meer te zien. Dan houdt die druk misschien wel op. De relatie tussen het kind en de vader loopt een dramatische en bijna niet meer te repareren schade op. Wanneer het kind in een gunstig geval op latere leeftijd toch probeert deze weer te herstellen zal het zich realiseren hoe de vork werkelijk in de steel heeft gestoken. Met als gevolg dat de relatie tussen het kind en de moeder een dramatische schade oploopt. Ik vind dat het kind dan de rechter (en de 'mediator', en de officiële instanties, en de minister) voor het gerecht moet kunnen slepen. Net als zieke rokers dat nu met fabrikanten van sigaretten doen. Mijn zoon is al weer ruim acht. Ik doe mijn uiterste best om te zorgen dat het met ons niet zo ver zal komen. Dat hij later zijn beide ouders niets te verwijten heeft en dus geen reden heeft om achter rechters, 'mediators', officiële instanties en ministers aan te zitten. Tot dusver heeft het er de schijn van dat hij zich hierover geen zorgen hoeft te maken. Ook al wordt de jongen getroffen door een wel heel bijzonder soort stadionverbod van de vader, waardoor de zoon niet in de gelegenheid is zijn tegenwoordig zo grote voetbalhobby met zijn vader te delen. Vader en zoon moeten het op bijvoorbeeld hun wandelingen naar school doen met uitgebreide en rijk geïllustreerde mondelinge wedstrijdverslagen, schoten vlak onder de lat, 'panna's' en andere mooie passeerbewegingen. Natuurlijk gevolgd door de vraag wanneer ik nu eens kom kijken. En wat te denken van het contactverbod? Wat is specifiek in het belang van een kind wanneer het diens vader niet is toegestaan contact op te nemen met andere begeleiders van zijn kind dan de juf? En met de laatste ook alleen maar onder toezicht? Het is opmerkelijk hoe dom (en dus laakbaar) de 'mediators', rechters, officiële instanties en ministers zijn, dat zij dit soort gedrag niet onmiddellijk afschieten. De door iedereen o zo belangrijk geachte, maar feitelijk slechts ogenschijnlijke 'rust' kan bij het jong nog een hoop onrust teweeg brengen. Maar in kinderbeschermingsland hebben we het niet over kinderen. 'Verzorgende' ouders mogen hun kinderen jarenlang half, dan wel helemaal doodmartelen zonder dat hen een strobreed in de weg wordt gelegd. Dus wat zullen we ons druk maken over een beetje geestelijke mishandeling? Iedere vader die daar op wijst wordt met genoegen genadeloos afgeschoten. Door 'mediators', rechters, officiële instanties en ministers. Maar goed, laat ook hier en nu duidelijk zijn vastgelegd hoe een achtjarige jongen temidden van talloze getuigen zijn vader, van wie hij zo vanzelfsprekend zo heel veel houdt, voort sleurt over het schoolplein. Het is aan één redelijk verstandig iemand bij de Raad voor de Kinderbescherming (!) te danken dat zijn vriendjes zich niet meer afvragen wie ik ben. Eén daarvan zwaait een oud en versleten boek voor mijn neus: kopen? Vijftig cent. De kinderen uit de hogere groepen slijten oude bibliotheekboeken. De opbrengst is bestemd voor nieuwe. Mijn zoon graait in zijn zak, hij wil het wel hebben en kennelijk heeft hij centjes bij zich. Marco Polo en zijn reis naar China valt volkomen uit elkaar maar de belangstelling van de kersverse vijfde groeper brengt de achtste groeper tot een onmiddellijke prijsverhoging van honderd procent. Opeens is het boek een euro. Mijn zoon diept ook die munt uit zijn broekzak op, maar ik weet de prijs weer terug te brengen tot het oorspronkelijke bedrag. Als de transactie is voltooid en de lepe handelaar zich heeft omgedraaid koop ik het boek weer van mijn zoon. Samen gaan we nu iets te drinken halen. Een cola en een wijn. Nadat hij zijn bekertje in een teug heeft leeggedronken spurt hij weer weg en ga ik de tentoonstelling bekijken van tekeningen en gedichten die de groep van mijn zoon op het schoolplein heeft ingericht. Dan zoek ik hem weer op om hem een hele grote kus te geven. Ik ga naar huis en hij gaat op vakantie. Dag pappa. Tot over twee weekjes! Dag lieve jongen. Een hele fijne vakantie!

Kindermobieltje

dinsdag 3 januari 2006 21:25
november 2005 Alleen als mijn zoon van bijna negen met voetballen heeft gewonnen, belt hij mij op. Als hij verloren heeft, doet hij dat niet. Deze najaarscompetitie heeft hij mij na de wedstrijd nog maar een keer gebeld. Mobiel. Vanuit de auto van zijn moeder. Hartstikke handig. Nu de markt voor mobiele telefonie aardig uitgeput begint te raken (dan wel overvol is), wordt er van alles verzonnen om er nog iets uit te peuren. Op zich niks mis mee. Misschien wil ik wel een fotoprinter. Ook wordt driftig op zoek gegaan naar nieuwe doelgroepen. Kinderen bijvoorbeeld. Voor deze groep zijn er nu verschillende mobieltjes in de handel. Allemaal hebben ze gemeen dat ze alleen een klein aantal voorgeprogrammeerde nummers kunnen bellen: pappa, mamma, de oppas. Daarmee loop je als ouder dus het risico te pas en te onpas gebeld te worden met allemaal flauwekul waar ouder en kind met gemak zonder kunnen. Omgekeerd zou ik niet weten wat ik telefonisch nog aan de snotneuzen kwijt zou moeten dat ik ze niet al van te voren op het hart heb gedrukt. Bovendien zijn ze voortdurend in de nabijheid van verantwoordelijke volwassenen die het ‘probleem’ kunnen en moeten oplossen. Als ik ze toch uitbesteed (oppas, peuterspeelzaal, kinderopvang, wat dan ook) wil ik de dingen kunnen doen die ik moet doen zonder voortdurend lastig gevallen te worden met onzin als: “pappa, ik word geloof ik verkouden”, of: “pappa, mijn veter is los”. Het nieuwste is dat er nu mobieltjes zijn waar je je kind ook nog mee kunt afluisteren (Buddy Bear van Scarlet) of waarmee je precies (nou ja, ongeveer) kunt nagaan waar het kind is (I-Kids van KPN). Maar ik hoef niet alles te weten wat mijn kind zegt. Waarom zou ik? Als ik reden zou hebben hem of haar in deze te wantrouwen dan zou ik bij mijzelf te rade moeten gaan: wat is er mis gegaan? En kijken of er nog iets aan te doen valt. Ook zou ik op die manier de kwaliteit van opvang en onderwijs kunnen controleren. In Amerika hebben verborgen camera’s inderdaad wel eens wat onacceptabele dingen aan het licht gebracht. Maar toch, als ik de opvang niet vertrouw moet ik ze niet daar naar toe brengen. En waar die uithangt? Biedt de I-Kids dan uitkomst? Op jongere leeftijd zorgt of vader, of moeder, of de oppas, dan wel alles wat daar op lijkt dat we de kinderen niet uit het oog verliezen. Als je dat al niet eens meer doet. Een mobieltje kan misschien wel aanduiden waar hij is, maar als dat onder een auto is terwijl ik aan de andere kant in het cafe zit, tja... En eenmaal op een zekere leeftijd gekomen moet ik mijn kinderen in hun gangen voldoende kunnen vertrouwen, met daarin voor hem of haar de mogelijkheid om, tegen een mogelijke afspraak in, ergens anders te zijn. Worden ze groot van. Als het nodig is kom ik er toch wel achter - en lukt dat niet dan heb ik al in een eerder stadium een belangrijke afslag gemist. Mijn zoon is bijna negen. Hij belt mij alleen als hij gewonnen heeft met voetballen. Of als er weer een tand uit is. Of zoiets. Hij weet dat ik niet van telefoneren houd. Ik spreek hem liever echt. Laatst klom hij zomaar weer eens op mijn schoot, terwijl ik bezig was de handleiding voor de nieuwe fotoprinter door te nemen en hij de donald duck. Zo hebben we zomaar een tijd gezeten en gelukkig ging de telefoon niet.

Knopzucht

dinsdag 3 januari 2006 21:23
november 2005 Mijn zoon kan toveren. Dat is heel handig voor als er eens wat is. Hij kwam hier gistermiddag achter toen zijn fluisterend gepreveld toverwoord de klapdeurtjes van het metrostation openden. Tourniquets heten ze officieel. Tegen zwartrijders en nu ook heel efficiënt tegen terroristen. In de strijd tegen de laatsten wordt het publiek ook actief om hulp gevraagd. We mogen geen rugzakken of zo in de metro meer achterlaten en als we iets verdachts zien moeten we dat melden bij het metropersoneel. Ik let dus extra goed op tegenwoordig. Waar dat personeel dan is. Niemand te bekennen! Maar tegen zinloos geweld en doelloze agressie zijn al een tijdje terug geruststellende sos-palen neergezet met een rode knop er op. Die komen nu ook tegen terroristen goed van pas. Ik zou zo graag een keer op die knop drukken om te kijken wat er dan gebeurt. Zou het Knopzucht zijn? De knop van het voetgangerslicht kan mijn zoon geen vertrouwen meer inboezemen. Volgens hem is het een zoethoudertje. “Druk eens op die knop”, zeg ik, als we wegwaaien op een groot kruispunt langs de rivier. Maar hij begint er niet eens meer aan. Van alle andere knoppen die hij tot dusver heeft verkend weet hij dat er toch vrij spoedig iets (meer of minder wenselijks) gebeurt, maar hoe hij in de afgelopen jaren ook heeft geprobeerd, de voetgangerslichten blijven onveranderlijk op rood. Toveren dan maar? Het magische woord wil geen wonder bewerkstelligen. Nu begint het ook nog te regenen. Sowieso is het al donker, maar daar kan de dag niks aan doen. Dat is politiek. Een hogere macht waar we eens in de vier jaar iets over mogen vinden. Wat zou ik graag willen kunnen toveren. Echt toveren kunnen alleen kwakzalvers, kruidenvrouwtjes, zieners, handopleggers, waarzeggers, homeopaten en wat dies meer zij. Die helpen mensen van merkwaardige fobieën en rare zuchten af (van de meeste waarvan ik geen idee had dat ze bestonden; neem nou Knopzucht) en schaven teleurstellende persoonlijkheden en karakters bij. Sommigen weten, zeggen ze, ook raad met werkelijke ziektes. Met behulp van weinig meer dan een vertrouwenwekkende factuur. Ik kan me voorstellen dat veel tobbers hierbij veel baat hebben. Niets heerlijkers dan het warme bad van een geruststellend bevestigende egotherapie. Doe maar lekker. Op elk verjaardagspartijtje is er wel zo eentje die met een sterk verhaal komt over een ongelooflijke persoonlijkheidsverbetering of een wonderbaarlijke genezing. Gewoon laten lullen. Ik krijg echter een probleem wanneer er moeders zijn die menen dat ook hun kinderen moeten worden bijgeschaafd. De ‘adhd’ en ‘hoogbegaafd’ diagnoses zijn voor goed geld gewoon te koop. Net als, zo verneem ik nu, een therapie ‘creativiteit-voor kinderen-die-kennelijk-niet-creatief-genoeg-zijn' uit een hoge hoed kan worden getoverd. Als je maar betaalt. In de meeste gevallen is er niks mis met die kinderen, maar omdat de ene therapie de volgende noodzakelijk maakt (je wordt er namelijk gestoord van; zie de moeders die dit voor hun kinderen verzinnen) krijg je dat uiteindelijk heus wel voor elkaar. Sterkt mij in de overtuiging dat de kinderen in onze steeds meer matriarchaal wordende samenleving zitten te springen om vaders die weer eens ouderwets met de vuist op tafel slaan. Afgelopen met dat gesodemieter. “Maar wij kunnen helaas niet toveren”, zei ik tegen mijn zoon bij het verlaten van het metrostation. Hij was zojuist ook tot die teleurstellende conclusie gekomen toen zijn magische formule niet bleek te werken bij het enige metropoortje waar je met een kinderwagen doorheen kunt. Het jonge gezin dat vruchteloos probeerde naar buiten te geraken keerde uiteindelijk maar weer gelaten terug naar het perron om daar de lift te nemen. Jammer. Ik had bijna op de rode knop gedrukt.

Verboden voor vaders

dinsdag 3 januari 2006 21:21
juni 2005 Verboden voor vaders. Kreeg ik vanmorgen van de kinderen te horen. Een ging er aan mijn been hangen, een tweede aan mijn arm en ook mijn zoon begon opeens verwoede pogingen te doen mij de deur uit te werken. Feest voor iedereen. De mededeling bleek in grote letters op de deur van het klaslokaal te staan. Maar ja, die stond open en bovendien is er bij het binnentreden qua gewriemel zo’n hoop te zien voor een ongeoefende vader... Het zijn de voorbereidingen voor Vaderdag die deze drastische verstoting uit het klaslokaal rechtvaardigen. Ook een aantal moeders maant mij vriendelijk doch beslist het lokaal te verlaten. Ach, er is nog niks te zien, zeg ik. Maar toch. Het kan zomaar als een ernstig minpunt op mijn conduitestaat de ronde doen in het moedernetwerk. Vanmiddag zal ik er zeer zeker rekening mee houden. Er zijn van allerlei dingen die een verstoten vader zich niet kan permitteren. Doe nooit iets dat ook maar in de verste verte het moedernetwerk in beweging kan brengen. Ga niet met derden (de juf, de voetbaltrainer, een willekeurige vader of moeder) in welke discussie dan ook. Wees ook niet je zelf in gesprekken met anderen. En stel nooit een vraag. In de meeste gevallen komen mededelingen, die in meer of minder vriendschappelijke (en misschien door u wel als persoonlijk ervaren) gesprekken zijn gedaan, toch bij de moeder terecht. Met alle mogelijke gevolgen van dien. En de juf of mees heeft het al druk genoeg om ook nog uw vragen te beantwoorden over zaken die allang aan de ‘verzorgende ouder’ zijn meegedeeld. Bijvoorbeeld: omdat u, ik zeg maar wat, anderhalf jaar geleden van de ene op de andere dag uw zoon weer eens nagenoeg bent kwijt geraakt (en, nog erger, uw zoon zijn vader) laat u zich op de sportdag van de school alsnog indelen bij de groep van uw zoon. Leuk voor u allebei. Ziet u mekaar weer eens. Dit kan een reden voor de sportjuf zijn zich bij de directeur van de school te beklagen: alles tot in de puntjes voorbereid, komt er weer zo’n gescheiden vader... niet doen dus. Stel u zou aan een collega vader vertellen hoe belachelijk u het vindt dat uw zoon twee kledingkasten heeft: een bij zijn moeder en een bij zijn vader. En dat u dat bijvoorbeeld kenmerkend vind voor een uitermate gebrekkig pedagogisch en psychologisch inzicht. Beter van niet. Wellicht hebt u zich wel eens aangemeld voor deelname aan de werkweek en schoot dit bij uw ex in het verkeerde keelgat. Zij informeert de school over haar bezwaar, de school wenst niet de indruk te wekken in het conflict enige partij te trekken en kiest dus partij voor de moeder: u mag niet mee op werkweek. Alleen al het ventileren van een dergelijke constatering schiet de school dan weer in het verkeerde keelgat. Niet doen dus. Verboden voor vaders. Voor ieder van u is het sinds de geboorte van uw kind natuurlijk iedere dag vaderdag maar voor sommigen (duizenden) iedere dag evenzo verboden terrein. In meer of mindere mate. Hoe moet het met het kind dat in de klas, net als alle andere kinderen, een vaderdagcadeautje maakt, maar aan wie zal hij dat nu eens geven? Een school, op ik meen Terschelling, koos vorig jaar wel voor een heel gemakkelijke oplossing: dan maar helemaal geen vaderdagcadeau. Voor niemand. Ik weet niet of het voor scholen te veel gevraagd is, maar ik zou me kunnen voorstellen dat, wanneer zij het belang van hun leerlingen voorop stellen, zij juist een stapje extra zetten voor die kinderen die hun vader (nagenoeg) niet meer mogen zien. En nog als toevoeging op het lijstje ‘dingen die u nooit moet doen als gescheiden vader’: schrijf nooit dit soort stukjes. Dat is namelijk verboden.
Profielfoto Henk  Riemersma

Henk Riemersma

Woonplaats: Rotterdam
verhalen over een gescheiden vader en zijn zoon en wat dies meer zij...
Man
  • Niet verplicht
  • Je boodschap moet minstens 5 en hoogstens 1500 tekens bevatten
  •  

Links

Groepen

Favorieten van Henk Riemersma

pappa!

Verhalen over een gescheiden vader en zijn zoon, de rest van de wereld en wat dies meer zij...

teller

Laatste reacties

persona

Omgangshuis bestendigt familie(on-)recht en vergroot daarmee kans op familiedrama's
Marlène: Mijn zoon mag over een paar weken zijn 2-jarige dochtertje, …

persona

Omgangshuis bestendigt familie(on-)recht en vergroot daarmee kans op familiedrama's
Ben: Wat een ellende allemaal. Natuurlijk zijn er hufters aan beide …

persona

Omgangshuis bestendigt familie(on-)recht en vergroot daarmee kans op familiedrama's
René: Alweer 42 dagen zonder mijn twee mooie kinderen. Mijn vrouw …

persona

Omgangshuis bestendigt familie(on-)recht en vergroot daarmee kans op familiedrama's
Joost: Duizende kinderen zien na een scheiding hun vader nooit meer …

persona

Vaders wil is wet
Jitschak: Dag Henk, Er zijn natuurlijk allerlei manieren om met een conflict …

Archief / RSS

Bekijk het hele archief van Henk Riemersma, of klik op een van de jaren hieronder om een deel van het archief te ontsluiten.

2007
2006

Zoek in het archief



Zoeken

Abonnementen

Alle blogs rss google netvibes
Deze gebruiker rss google netvibes

Statistieken

TelMiep
  •