
http://www.janjans.nl.nu/
Wat als je dolgraag muziek wilt maken, maar je hebt geen zangstem? Tja, heel simpel. Je zoekt naar een ander medium. Dat kan bijvoorbeeld een gitaar zijn, een piano of zelfs een triangel. De mogelijkheden zijn bijna onuitputtelijk. De manakin-vogel was blijkbaar ook niet onder de indruk van zijn eigen kunnen en vond een nieuwe praatbuis in… de vleugels.
"In a cat's eye, all things belong to cats."
Lana zat daar niet zo mee, en nam genoegen met het kattenmandje.
Morgen is het eindelijk zo ver; naast de beslommeringen van alle dag krijg ik er dan een nieuwe zorg bij. Ik doe namelijk dit jaar mee aan het concept NaNoWriMo (National Novel Writing Month) waarbij je probeert in één maand tijd de doelstelling van 50.000 woorden bij elkaar te schrijven.
Het idee voor mijn plot lag al meer dan een jaar te verstoffen in een donker hoekje van mijn brein, maar speciaal voor deze gelegenheid heb ik het toch weer een keer naar voren gehaald. Tot nu toe met succes! De afgelopen dagen heb ik besteed aan het ontwikkelen van een stel heerlijke personages, het bedenken van de gekste vervoersmiddelen en het omschrijven van een obscuur landschap. Inderdaad, het wordt een fantasy-verhaal. Eentje voor kinderen, welteverstaan, want dat vind ik nou eenmaal de leukste doelgroep om voor te schrijven.
School gaat natuurlijk altijd voor, en mede daarom zal het halen van die 50.000 woorden een lastige opgave worden, maar met een flinke lading enthousiasme en doorzettingsvermogen hoop ik dat ik mezelf er toch doorheen zal weten te slaan. Zo niet, dan heb ik aan het eind van de maand in ieder geval een mooi opzetje voor mijn verhaal.
Ach, en zoals de Amerikaanse schrijfster C. J. Cherryh ooit eens sprak: “It is perfectly okay to write garbage – as long as you edit brilliantly.”
Je hebt van die dagen dat het lijkt alsof het met geen mogelijkheid goed zal komen met je leven. Vorige week had ik zo'n dag. Wéér een wiskundetoets, opnieuw gefaald. Zelfs de onderdelen waar ik de vorige keer 100% op had gescoord, zaten blijkbaar niet meer in mijn brein gegraveerd. Uit de eindresultaten bleek dat ze verdrongen waren door andere wiskundige zaken, maar niet genoeg zaken om de toets te halen dus.
Gefrustreerd ("Tot de volgende keer dan maar weer...") verliet ik het lokaal, waarop ik onmiddelijk mijn mobiel met net iets meer kracht dan absoluut noodzakelijk was aandrukte. Ik drukte een nummer in, maar tot mijn schrik leek de andere kant van de lijn de ernst van de zaak niet echt in te zien. Er werd vrolijk overheen gepraat. Na een korte babbel hing ik snel weer op, mijn gemoedstoestand nog altijd ver beneden het nulpunt verkerend. Medeleven had ik nodig, of op zijn minst iemand die me zou kunnen vertellen dat alles wel weer goed zou komen!
Even overwoog ik mijn telefoon er weer bij te pakken en iemand anders op te bellen, maar bang voor nieuwe teleurstellingen borg ik hem weer op. Nog een keer genegeerd worden of het krijgen van een preek zouden mij op dit moment totaal geen soelaas bieden. Misschien later, als ik wat gekalmeerd was.
Ik stopte mijn oordopjes in mijn oren en Dream Theater wist mijn wereld onmiddelijk een stukje lichter te maken. Toch bleef mijn hand ook fietsend naar mijn telefoon toe flitsen. Met mijn telefoon stevig in de rechterhand geklemd viel het me ineens op dat er wel heel veel auto's voor het stoplicht stonden te wachten. Al snel werd me ook duidelijk waarom; er was een ongeluk gebeurd. Midden op straat was nog een autowrak te zien, aan de zijkant van de weg hadden politiemannen en ambulancepersoneel zich verzameld. Een andere agent probeerde het verkeer nog enigszins in goede banen te leiden. Dat mislukte - de bus voor mij reed bijna een wat oudere dame omver in zijn pogingen het autowrak te omzeilen.
Met een naar gevoel in mijn maag stopte ik mijn telefoon terug in mijn zak. Wat worden je problemen ineens relatief.
Een doorgewinterde politicus
natuur, winterkoning, winterkoninkje, dieren, vogels, ecologie
Het winterkoninkje is niet zo’n bikkel als zijn naam je doet geloven. Zijn naam als geheel doet immers vermoeden dat de winter wel het favoriete seizoen van het winterkoninkje zal moeten zijn, maar niets is minder waar. Tijdens strenge winters sterft zo’n 50% van de Nederlandse populatie uit, zo leerde ik laatst tijdens een college ecologie. Tsja, zo’n klein lichaampje verliest haar warmte nu eenmaal snel en insecten zijn in die temperaturen net wat moeilijker te vinden.
Maar waar komt zijn naam dan wel vandaan? Hij begeeft zich per slot van rekening ook niet - zoals het een echte vorst betaamd - regelmatig onder het volk om te trachten zich ermee te identificeren. Integendeel, meneer verslijt zijn dagen tussen de takken van bomen en dankzij zijn geringe grootte zien we hem zelfs nauwelijks – we horen hem vooral. Eerder een goed politicus dan een koning dus. En dat is nu precies hetgeen waar hij zijn ietwat misplaatste naam waarschijnlijk aan te danken heeft. Het is namelijk zijn roep die we gedurende de wintermaanden zo gezellig blijven horen. Een winterkoninkje heeft in verhouding 10 keer zoveel volume in zijn zang als een kraaiende haan en kan zo’n 16 tot 36 noten per seconde zingen. Doet u dat maar eens na in de badkamer.
Foto afkomstig van fotohobby.nl
Wiskunde. Het is alweer een tijdje terug en ik hoopte dat ik er nooit meer aan zou hoeven te geloven, maar morgen is het dan zover: ik krijg een diagnostische toets wiskunde en scheikunde voorgeschoteld. Scheikunde, daar maak ik me niet zo'n zorgen over. Daar ben ik op de middelbare school niet op doorgegaan, dus als ik dat niet haal en het lessenblok moet volgen dan is dat niet zo'n probleem. Daarnaast vind ik scheikunde moeilijk, maar wel uitermate interessant.
Wiskunde is een ander verhaal. Wiskunde, daar heb ik les in gehad en ik zou het dus moeten weten. En hoewel ik welgeteld 10 wiskundeboeken in mijn kast heb staan om er op na te slaan (werken bij een uitgeverij heeft zo zijn voordelen), heb ik er geen vertrouwen in. Een paar uur geleden alweer begon ik met oefenen, en ja, het ging goed, en ik kreeg de smaak te pakken. U moet weten, wanneer ik de smaak ergens van te pakken krijg (bijvoorbeeld bij het eten van chocoladekoekjes of olijventapenade) dan laat ik niet meer los. Maar wiskunde is iets waarvan de smaak na verloop van tijd als bij toverslag weer verandert. Ineens proeft het zuur en wil ik dat boek en die belachelijk veel knopjes bevattende rekenmachine zo snel als het kan van me af gooien.
Wiskunde. Het is een opmerkelijk vak. Lukt het, dan kan ik er zonder ergernis aan werken - vind ik het soms zelfs leuk, alsof ik een fijne puzzel oplos. Maar vaker dan eens snap ik het niet, en dan wordt het zo mateloos frustrerend. Er is me meer dan eens verteld dat je wiskunde niet hoeft te snappen, dat je het gewoon moet doen. Toch denk ik dat er - naast een hele hoop formules - een beperkte hoeveelheid begrip nodig is om met wiskunde aan de slag te kunnen. Daarstraks was dat begrip nog bij me. Nu zit ik hier aan mijn bureau, alleen. Alle hoop op zelfs maar een procentje of 60 is me ontvlucht. Zoals ene Daniel eens sprak: en als dit alles is, dan heb ik alles vast gemist - net als wiskunde.
Duim voor me.
Silent ways, silent winds, silent whispers
A silent breeze that shakes the flower's solid stem
Shakes it, never breaks it
Tickles petals, scared to damage them
Silent rays, silent rain, silent rivers
The flower grows but never shall its soft pink petals bloom
Feeling, never healing
The wounds she grew whilst caught in partial gloom
Silent fields, silent fiends, silent falters
Still there she is, her petals torn held firm apart
Standing, still pretending
She can not leave him there, not leave him with a broken heart
Silent ways, silent winds, silent whispers
A silent breeze that shakes the flower's solid stem
Shakes it, never breaks it
Tickles petals, scared to damage them
Acid rays, acid rain, acid rivers
The flower grows but never shall its soft pink petals bloom
Frowning, as she's drowning
Wonders why she's there, and what it was that caught her in this doom
Luscious lies, luscious love, luscious liqueurs
The mellow sound of silence gives a cry
Kissing, the past reminiscing
Crack
The stem did break and now in fields of gold doth lie
Twee versies die ik ooit schreef van hetzelfde gedicht.
Foto's resp. van visualizeus.com en redbubble.com
Laat de wind je zachtjes dragen,
Spreid je beiden vleugels uit.
Leg het gitzwart op de vlagen,
Je donkere snavel recht vooruit.
Als een koning van de hemel,
Trots en krachtig, zonder angst.
Men zal met verbazing toezien,
Hoe jij op de wolken danst.
foto: deviantart, Eric Raynolds.
Sommige gedichten staan tot mijn groot geluk al op de computer, dat houdt het simpel. Andere stukken moet ik nog compleet overtypen en hier en daar wellicht zelfs een beetje oppoetsen. Een gering aantal gedichten staan al op het weblog (zwarte panter bijvoorbeeld, en stilte) Natuurlijk ben ik geen meesterdichter, maar ik geloof in de kracht van woorden en daarnaast vind ik het ook gewoon leuk om te doen.
De komende dagen zal ik dus waarschijnlijk veel gedichtjes plaatsen, in het Nederlands en in het Engels. En dat is mooi, want door gebrek aan tijd zou ik anders waarschijnlijk de komende maand niet kunnen updaten.
Een luchtig gedichtje om mee te beginnen. Een tekeningetje van een maan in een oud schrift van mij bracht deze woorden voort.
Moonlit Guide
I walked the restless, shadowed ground,
Until at last in shades I found,
The light that made the darkness bright,
The moon that filled the lonesome night.
I greeted her as I walked by,
Took off my hat, smiled at the sky,
And told her of the things I'd seen
Of places new, where grass was green.
I guess she must have liked my greet,
For every night again we'd meet,
And every night she'd walk with me
Until the day would take our glee.
But day would give back, when it came
To take away Moon's silver frame,
A golden friend, with rays so bright
That glee returned just at the sight.
And I could trot, forever on,
No need to dream of times forgone.
And always they walked by my side,
My sun-warmed friend, my moonlit guide.
Groeten uit Wedde
boerderij, wedde, groningen, persoonlijk, sil, dieren
We passen nu nagenoeg twee weken op de boerderij, en blijkbaar breng ik ongeluk. Een van de konijnen - die lopen hier normaal gesproken los over het terrein - is verdwenen, het enige konijntje dat wél in een konijnenren vertoeft is ontsnapt en teruggekomen met een gat in haar oor, ook twee van de geiten hebben al meerdere malen redelijk succesvol geprobeerd te ontsnappen, de kippen hebben zich ontpopt tot ware stalkers, een kat stalkt op zijn beurt de kippen, en de schapen lopen allebei mank (waarschijnlijk omdat ze hebben geprobeerd achter bovengenoemde geiten aan te komen zonder het stroomdraad in acht te nemen).
Desalniettemin vermaak ik me hier prima. Ik ben niet mank, blind of chronisch ziek en ondanks dat ik zelf ook al onder stroom ben komen te staan heb ik hier in twee weken tijd meer boeken gelezen dan ik normaal gesproken in twee maanden doe – dat kan maar één ding betekenen: ik heb rust! Net als vorig jaar in de zomervakantie hebben we ons ook in 2009 buiten het huis weten te sluiten, maar gelukkig was er dit keer een vriendelijke bouwvakker in de buurt die ons er de volgende dag weer in kon laten en hoefden we niet zoals toen in Groningen-stad de brandweer te bellen. Ja, het leven hier in Wedde is zo gek nog niet.
Nog iemand die zich hier vermaakt… ik had mijn vermoedens in een andere blog al uitgesproken maar Sil de Pony vind het dus inderdaad leuk om op je voeten te kauwen, je omver te duwen en achter je aan te gaan rennen (in willekeurige volgorde). Dat alles heb ik inmiddels in levende lijve ondervonden. Maar verder is het een echte schat. Gelukkig voor hem zou ik hem dan ook alles vergeven. En volgens mij weet hij dat helaas…
De dames Kip (op bovenstaande foto's zien we Roofvogel-Kip en Lieve-Kip) volgen me overal op het terrein. Doe je er bij honden tijden over ze het commando “voet” te leren, zij hadden het zo door…. Wie zei er ooit dat kippen dom zijn? ;-)
Dit geitje gaf ik ooit nog de fles! Nu ze een stuk groter en sterker is zie ik haar nog steeds regelmatig terwijl ze bij de moeder probeert te drinken. Of dat helemaal gezond is durf ik niet te zeggen...
Copicabana's dochtertje is nog vrij jong maar toch begint ze al een aardig hoefje in de pap te krijgen in de kudde. Ook handig: iedere keer als de twee andere geiten ontsnappen gaat er een heus geitenalarm af. Jaloers op hun inventiviteit, dames?
ScHeijnheilig
dierenleed, vleesindustrie, persoonlijk, albert heijn, albert heyn, fok, slacht
Met enige verbazing las ik vandaag een nieuwsartikel over supermarktketen Albert Heijn. Het werd nog geen maand geleden geplaatst in het Agrarisch Dagblad. Volgens het artikel overweegt Albert Heijn haar seizoensgebonden kangoeroevlees uit de schappen te halen omdat ze het ethisch onverantwoord vindt dat de dieren, die hun hele leven vrij rond hebben kunnen springen in Australië, ’s nachts verblind worden door schijnwerpers en vervolgens door hun hoofd worden geschoten.
Naast het feit dat je je kunt afvragen waarom dat vlees überhaupt in onze supermarkt te vinden is, kun je je ook afvragen in hoeverre een slachtmethode als deze vergelijkt met wat er met het gemiddelde kippetje of varkentje dat bij de Albert Heijn ligt is gebeurt. Persoonlijk denk ik namelijk dat die laatste twee heel wat meer te verduren hebben gehad. Als er inderdaad onethische dingen gebeuren daar in het verre Australië, dan is dat natuurlijk hartstikke erg. Maar zelfs gevangen in een wildpark heeft een gemiddelde kangaroe een beter leven als in onze vleesindustrie, en ik vraag me af of het in deze Albert Heijns plaats is om de Australiaanse (aan wetten gebonden) slachtwijze te bekritiseren. Want al die kippen, koeien, varkens en vissen die via de achterdeur naar binnen komen, hebben die dan geen recht op een goed bestaan? Misschien zouden die maar wat blij zijn met een vrij leven - zelfs als dat moet eindigen met een lichtflits en een kogel door het hoofd.
Ik was er zelf al eens over begonnen in mijn blog “interessante beestjes”, maar nu kwam ik ook in the Daily Mail een artikel tegen over een aantal van de bijzondere schepsels die onze aarde bevolken. Wij denken met jumbo jets, duikboten en zelfs space shuttles heel wat bereikt te hebben, maar ook in dit geval was moeder natuur ons voor (en die heeft geen bedrijven nodig om ze te maken, ze worden gewoon zo geboren).
Laat ik vandaag eens beginnen met de kolibrie, die inmiddels ook het Nederlandse nieuws heeft bereikt. Het is een klein, licht vogeltje dat zich in principe voortbeweegt als een soort gevleugeld insect. Sommige insecten halen wel 200 vleugelslagen per seconde. De kolibrie zal zich onder normale omstandigheden misschien niet kunnen meten met deze insecten, maar in een competitie met andere vogels zal ze het zeker winnen: kolibries kunnen – variërend naar soort en omstandigheden – per seconden 25 tot 90 vleugelslagen maken! Tijdens de balts zijn dit er aanzienlijk meer. Op dat moment zouden ze best een gelijkspel kunnen spelen tegen bovengenoemde insecten. Doe ze dat maar eens na…
Terugkomend op het nieuws, het betrof een onderzoek dat recentelijk gedaan is door wetenschappers aan de universiteit van Berkeley. Zij ontdekten dat de Calypte anna - ofwel de Anna-kolibrie, een kolibrie met een lengte van ongeveer tien centimeter die leeft aan de noord-kust van Amerika – tijdens zijn duikvlucht een snelheid kan bereiken van 383 keer zijn eigen lichaamslengte per seconde. Dit is sneller dan een spaceshuttle, die 207 keer zijn eigen lichaamslengte kan afleggen per seconde. Die laatste moet het overigens óók afleggen tegen de zwaluw (350 lichaamslengtes per seconde).
Om dit resultaat te bereiken moet de kolibrie zich natuurlijk wel een beetje inspannen. Hij moet wel 1000 keer per seconde met zijn vleugels slaan. Met zo’n actieve vlucht heb je natuurlijk veel energie nodig – tijdens zijn duikvlucht verbrand de kolibrie de energie 400 keer sneller als een gemiddeld mens. Ter vergelijking: zouden wij dit proberen, dan zouden we zoveel lichaamswarmte moeten ontwikkelen dat we al geroosterd waren voor we enig resultaat hadden geboekt. Best knap, dus.
Nog een evolutionair handigheidje: dankzij de aparte manier waarop de kolibrie haar vleugels beweegt (het schouder gewricht waar de vleugel aan vast zit kan in alle richtingen bewegen en 180 graden draaien, maar de pols kan hij juist weer niet bewegen) kan de kolibrie naast vooruit, naar rechts, naar links, naar achteren, omhoog en naar beneden ook nog eens ondersteboven vliegen.
Foto: http://i175.photobucket.com/albums/w138/Nikki_Fikes
Fietsen in Groningen is iedere keer weer één groot avontuur. Om
het te overleven moet je je kansen goed kunnen inschatten en
bereid zijn risico's te nemen. Je moet ten aller tijden je
hoofd bij het verkeer en je handen bij de rem zien te houden,
want je weet nooit wat er komen gaat bij de volgende bocht of
oversteek. Ikzelf fiets vrijwel altijd een beetje met mijn
hoofd in de wolken en dit leidt regelmatig tot (soms bijna
letterlijke) aanvaringen met mijn medeweggebruikers. Auto's,
campers, bussen, scootmobiels, voetgangers en fietsen - ik heb
ze allemaal gehad. Alleen vliegtuigen lijken veilig te zijn
voor mijn wegpraktijken, Zolang zij zich ten minste in de lucht
begeven.
Maar ook als ik me helemaal in het hier en nu begeef, blijft
het vaak moeilijk mijn weg zonder kleerscheuren te vinden.
Laatst bijvoorbeeld kon ik bijna mijn eerste aanrijding met
gezinsauto inclusief kinderen afstrepen; de auto in kwestie
negeerde de haaientanden en ik zag het gebeuren en reed
eigenwijs door. Zelfs toen ik vlak voor de auto tot stilstand
was gekomen omdat het me nu toch iets te gevaarlijk werd bleef
de auto doorrijden. Een vriendelijke voorbijganger aan de
overkant van de weg sloeg het tafereel gade en besloot dat hij
het nodig vond de man uit te schelden.
Diezelfde week nog besloot een meisje op een prachtige
paarsgespoten fiets (mijn lievelingskleur, nog wel!) ook al dat
ze de haaientanden moest negeren. Daar ging ik natuurlijk niet
vanuit en met mijn toch al niet zo wakkere hoofd fietste ik dus
rustig door het fietspad af, vertrouwend op haar goede wil. Tot
zij in vol ornaat tegen mij (met de hand op de rem, dat wel) op
knalde met paarse fiets en al. Het tafereel was wat mij betreft
niet voor herhaling vatbaar.
Aan de staat van mijn fiets kun je het ook merken. Ik woon
inmiddels 3 jaar in Groningen en in die tijd is mijn Gazelle
hard achteruit gegaan. Was het eerst nog een prima fiets waar
(behalve misschien het sporadisch kapotte achterlicht) niks op
aan te merken was, inmiddels is het ding gedegradeerd tot wat
ik graag een barrel noem. Het spatbord dat zich hoort te
begeven bij de kettingkast heb ik er noodgedwongen af moeten
halen (ten minste, wat er nog van over was), het spatbord boven
mijn voorwiel wordt met plakband op de plek gehouden, de
versnelling vond ik op een goede dag kapot aan de andere kant
van de tuin, de handvaten moet je regelmatig weer even goed
draaien en er zit een een slag in het wiel - om maar niet te
spreken over de schade die ze op die zwarte dag in de Oude
Boteringstraat opliep.
Gelukkig ben ik duidelijk niet de enige die lijdt onder het fenomeen. Een paar weken terug zag ik bijvoorbeeld een jongetje met een lichamelijke handicap de weg oversteken. Helaas stak hij over bij een stoplicht in de categorie 'Alle Fietsers Tegelijk Groen’ – wat simpelweg inhield dat de fietsers vanuit de andere richting sneller waren dan hij, want hij had ook nog eens een langzame start. Tot mijn grote verbazing reed iedereen uit de andere richting gewoon door, ook al wilde de jongen duidelijk rechtdoor! Hierdoor was hij genoodzaakt op het laatste moment mee te gaan met de bocht naar rechts om een aanrijding te voorkomen en vervolgens de volgende afslag te nemen. Andere gespotte eigenaardigheden op het fietspad: iemand naar rechts duwen in plaats van even de fietsbel te gebruiken, zo snel mogelijk inhalen met zo weinig mogelijk ruimte en ogenschijnlijk doelbewust voetgangers overrijden op het zebrapad.
Tsja, iedereen heeft er last van en intussen doen we er allemaal stiekem wel eens aan mee (zij het misschien wat minder extreem). Maar ik binnenkort niet meer. Ik ben aangenomen op de studie en verhuis over niet al te lange tijd dus lekker naar Gelderland, waar mijn fiets in alle rust haar laatste dagen zal kunnen slijten. Letterlijk en figuurlijk.
Maar dit jaar is alles anders. Niet alleen zijn er inmiddels wat meer konijnenmondjes om te voeden (dat krijg je als konijnen gezellig besluiten te buurten), maar ook is er een nieuwe bewoner bijgekomen. Sil de Pony. Sil de Pony is een prachtige bruine shetlandpony die schijnbaar net in zijn pubertijd is aanbeland. Drie weken geleden ontmoette ik hem voor het eerst. Ter kennismaking bood ik hem een heerlijke winterpeen aan, zodat hij een beetje kon inschatten wat hij in de toekomst van me zou kunnen verwachten. Nadat hij de ene helft verorbert had en de andere helft alweer kwijt was geraakt (Sil is duidelijk minstens zo chaotisch als ik) besloot hij dat hij dan maar verder moest gaan kauwen op mijn broek. Toen was ik nog naïef; ik dacht dat het wel door de geur van de winterpeen zou komen, die had ik immers in mijn broekzak gehad.
Niets bleek minder waar want de keer daarop besloot Sil dat het wederom nodig was te gaan kauwen op mijn ditmaal spiksplinternieuwe broek. De broek, die ik na lang beraad had gekocht (hij kostte immers wel tien euro), heeft het voorval gelukkig overleeft. Ik ben er echter niet gerust op wie deze vakantie de baas wordt over wie. Niet alleen duwde die goeie ouwe Sil mij bij het laatste bezoek praktisch omver zonder enige aanleiding, ook besloot hij dat het gras buiten zijn weide een stuk eetbaarder was dan het gras dat hij zelf voorhanden had. The grass is always greener on the other side, zeggen ze dan, maar Sil nam dit gezegde wel heel erg letterlijk. Hij plantte beide poten recht tegen zijn toch al niet zo stabiele (hoe zou dat nou komen?) omheining aan en duwde deze zover naar voren dat ik even bang was dat het hele hekwerk spontaan om zou vallen. Een paar rukken aan zijn halster mochten niet baten – ik werd genegeerd. Ik had het fijner gevonden als hij me opzij had geduwd en vervolgens over me heen was gelopen. Dan had ik in ieder geval geweten dat hij het had gemerkt. Nu had ik wel het gevoel dat hij moest weten dat ik als een bezetene aan zijn halster zat te rukken, maar ik kon het met geen mogelijkheid bewijzen.
Aan deze opmerkelijke eerste indrukken van Sil wil ik ook nog toevoegen dat meneer het geweldig vindt om zijn relatief grote snoet in weerloze mensen hun zaken te steken (en dat mag je geheel letterlijk opvatten), om na een wandeling midden op straat stil te gaan staan zodra de boerderij weer in zicht komt en om zich met ferme hand zijn stal in te laten duwen…
Iets zegt me dat het lang zo rustig niet wordt dit jaar, daar op die boerderij in het hoge Noorden. Maar goed... als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan. ;)

Haar lange nek
Reikt tot de hemel
Bezoekers gapen het dier aan
Vol van trots, in volle glorie
Gaat zij nog wat rechter staan
De mensen, nietig, staan te wijzen
Een kleine jongen slaakt een zucht
Oh, als hij toch zo’n nek zou hebben,
Wat zou dat mooi zijn, in de lucht!
Dat “mooi” kan de giraffe beamen
Ze kijkt op haar bezoekers neer:
Een grote hoop van kleine mieren
Die voor haar komen, keer op keer
Maar iedere avond wordt het rustig
De paden worden langzaam stil
Snel zal de dierentuin weer sluiten
Dan wordt de eenzaamheid haar deel
Nog even kijkt ze naar beneden
En waant ze zich een ware reus
Dan wordt ze uit haar droom gestoten
Ze wil niet, maar ze heeft geen keus
Een hemels leven bij het daglicht
Een ware hel nu, in haar kooi
Verdrietig denkt ze aan die middag
Aan al die ruimte, wat was het mooi!
Nu is de zon allang verdwenen
De deuren zet men weer op slot
Ingesloten tussen muren
Schikt zij zich moedig in haar lot
In de stilte van de nacht verborgen
Doet zij haar ogen langzaam dicht
Reikhalzend kijkt ze uit naar morgen
Naar de aankomst van het ochtendlicht.
Foto: http://www.flickr.com/photos/joinee_dave
Nadat de e-mail en mijn make-up uitgebreid gecheckt zijn vertrekken we. We gaan eerst met de tram om vervolgens op het station over te stappen op de bus. Bij de bushalte aangekomen worden we al snel vergezeld door een grote aaneenschakeling van juichende jongetjes. Het moge duidelijk zijn waar wij vandaag heen gaan.... inderdaad, de dierentuin.
Na een half uurtje bussen zijn we er al. Er staat een man te wachten bij de poortjes waardoor je naar binnen moet, maar dat lijkt meer voor de show te gebeuren: het systeem is hypermodern, een pasje met magneetstrip. De man in kwestie probeert dit vermoedelijk in handgebaren aan ons uit te leggen. Al sinds dag 1 is ons duidelijk dat het engels van de lokalen hier veel te wensen overlaat. Natuurlijk moet je dat allemaal ook vanuit een ander perspectief bekijken; ons Tsjechisch is immers ook niet alles.
In de dierentuin hebben we vooral beiden heel veel foto's gemaakt van dezelfde dieren, iets waar wij op den duur achterkwamen en toen maar mee gestopt zijn om de boel nog enigszins gevarieerd te houden. Als we de hele beestenboel hebben gezien, is het tijd voor de souvenirwinkel. De vrouw achter de kassa probeert ons uit alle macht te helpen en wanneer wij vragen naar de vertaling van de tekst op één van de t-shirts in de etalage deelt zij ons dan ook vriendelijk en bloedserieus mede dat het een XL is. We proberen het nogmaals, maar het antwoord blijf XL... Of dit er nou echt opstond betwijfel ik nog steeds.
Al met al een leuk dagje dierentuin, waarvan hier een paar foto's:


Graag speciale aandacht voor deze geweldige treffers van Gary :)

Omdat ik het ene onderwerp nu eenmaal belangrijker vind dan het ander, krijgt het ene onderwerp soms een flinke voorsprong – ook al liggen van het andere onderwerp nog minstens 3 verhalen en 10 pagina’s gevuld met aantekeningen klaar. Eigenlijk wilde ik vandaag het volgende deel van het Tsjechië-verhaal posten, want dat ligt al een x-aantal dagen verkreukeld en wel op mijn bureau te wachten zodat zij hier vereeuwigd kan worden. Maar het mag niet zo zijn; interessantere dingen zijn op mijn pad gekomen. Een onderwerp dat me altijd zal blijven fascineren, verbazen en vermaken, is onze snuffelende vriend de Hond. Hondenverhalen vind ik leuk. Honden vind ik leuk. Soms vind ik ze eng, zoals de uit de kluiten gegroeide rottweiler van de overbuurman die altijd naar je gromt als je langs loopt (waarop zijn baas hem gelukkig snel aanlijnt). Soms vind ik ze vervelend, zoals de kleine witte terriër die me vroeger achtervolgde tijdens mijn krantenwijk. Soms vind ik ze zielig, zoals de arme dieren die je iedere dag opnieuw op animal planet kunt bekijken. Maar bovenal vind ik honden leuk.
Dit is een verhaal over misschien wel de leukste onder honden (mijn toekomstige beste vriend en Sandy daargelaten natuurlijk), Banjo, en over zijn Bal. Het begint op een ietwat sobere zaterdagmiddag in Oosterbeek, waar een man, een heel onschuldig meisje, een nog onschuldigere hond en een Bal zich begeven richting de Annastraat (dit om de bij Gary impopulaire paddentrek te omzeilen). Nog voor we goed en wel bij de hoofdstraat zijn aanbeland, van waaruit we dan verder zouden kunnen wandelen richting bos, worden we belaagd door een natte, speelse bruine labrador, die vermoedelijk ook nog eens de lente in zijn bol heeft. Vol enthousiasme rent het dier achter Banjo aan, voor Banjo langs, langs Banjo heen – had het gekund dan was hij er bovenop gaan springen voor dat beetje aandacht vanuit Banjo’s zijde. Maar helaas; aandacht van ons genoeg (“Waar komt die ineens vandaan?”, “Hoe komt hij zo nat?”), maar Banjo is hoogstens bang dat deze blaag gekomen is om hem zijn Bal af te nemen. Hij loopt rustig door in de hoop Muffin, zoals we hem maar even hebben gedoopt, af te schudden, maar die heeft al lang bepaald dat hij er iets minder rustig achter wil gaan.
Als er na tien minuten nog geen baasje in beeld verschenen is, besluiten we onze route maar terug te volgen in de hoop iemand tegen te komen die zijn hond kwijt is. Heel wat hondenbezitters en buurtbewoners later blijkt echter dat niemand enig idee heeft van wie de hond kan zijn. Een paar keer wordt de naam Joris genoemd, maar nadat de hond hierop nul komma bakfiets reactie heeft getoond schrijven we die ook snel weer af als optie. Banjo is niet blij; dat veel van de voor hem gereserveerde aandacht nu naar die andere hond gaat, is tot daar aan toe, maar dat hij nog steeds achter hem aanloopt, daar kan hij met zijn natte snuit niet bij! Al grommend probeert hij de afstand een beetje te vergroten maar dit werkt averechts; dol van geluk rent Muffin op hem af – en ligt bijna onder een auto. Tijd voor een tweede riem, dus, die we gelukkig kunnen lenen van de buurvrouw. Een man die toevallig voorbij fietst en ons ziet lopen, verteld ons in het voorbijgaan (uiteraard net op het moment dat we eindelijk verbinding hebben met de dierenambulance) dat hij op de Tafelberg wel eens zo’n hond heeft zien lopen. Dat betekend dat de hond wel erg ver zou zijn afgedwaald, maar het is te proberen. Het telefoongesprek met de dierenambulance wordt afgekapt en met zijn vijven, een man, een onschuldig meisje, een nog onschuldigere hond, een Bal en een erg schuldige enthousiasteling gaan we weer op pad.
Aangekomen bij de Tafelberg krijgen we geen reactie op ons bellen aan de deur, maar gelukkig komt er net een vrouw aanlopen die er goed bekend is; hier woont zeker weten niet zo’n hond, misschien kan je het nog aan de andere kant proberen. Aan de andere kant van de Tafelberg worden we enthousiast onthaald want de deur vliegt meteen open. Ook deze bewoner moet ons echter melden dat op de Tafelberg geen bruine labrador woont (wel een zwarte).
Teleurgesteld druipen wij dus opnieuw af. Met name Banjo is duidelijk uit zijn doen, want inmiddels heeft de Labrador naast Banjo zelf nu ook Banjo’s Bal ontdekt. We lopen een stukje verder maar over een paar meter al zullen de huizenrijen hier toch echt gaan stoppen om plaats te maken voor het door Banjo zo geliefde bos; er is weinig hoop. Tot er een rode auto voorbij rijdt en de inzittenden mij en Banjo enigszins verdacht aankijken (tsja, we stonden dan ook op hun grasveld
Goddank kwam er nog voor wij aan hoefden te bellen al een vrouw naar buiten, wat betekende dat we veilig achter het tuinhekje konden blijven staan terwijl zij met haar voet het kleine hondje opzij schoof (zou hij daarom naar voeten en andere laaghangende lichaamsdelen happen?). Aan de halsband werd Muffin vervolgens de tuin in getrokken, want bij Banjo was hij nog altijd niet weg te slaan. Banjo is nou eenmaal leuk, en dat zien honden helaas voor hem ook. Hoe hij uit de tuin is geraakt, is nog altijd een raadsel. Waarschijnlijk was het het gevolg van een ontzettend uitgelaten sprong. En hoe hij zo nat kwam, dat zullen we ook nooit weten… misschien toch stiekem een bezoekje gebracht aan het bos? Met Banjo hebben we nog heerlijk door het bos kunnen wandelen de rest van de middag en de meeste aandacht ging alsnog naar hem, dus deze vertelling heeft op alle fronten een happy end, maar laat dit een les voor u zijn.
Hondenbezitter, laat in ieder geval een telefoonnummer in het halsbandplaatje van uw hond graveren; ze zijn creatiever dan u wellicht denkt.
Baasjes van Banjo, hartstikke bedankt voor alle leuke dagen die we met jullie hond hebben kunnen meemaken! Hopelijk komen er nog meer, want zoiets gaat nooit vervelen.
bron foto's: http://smileys.on-my-web.com, twenga.com.
Na een bezoekje aan het sanitair moesten we constateren dat iemand al het wc papier uit de trein had ontvreemd. Nou ja, gelukkig waren we overal op voorbereid toen we vertrokken. Maar zoals eerder gezegd bleef het daar niet bij: onze cabinegenoten kwamen namelijk tot de schrikbarende conclusie dat er 20 euro uit hun portemonnee verdwenen was. Dat is misschien niet zoveel, maar het is toch wel even schrikken want voor hetzelfde geld (een onfortuinlijke woordspeling?) was het meer geweest. Gelukkig hadden ze nog wel hun bankpas.
Plotseling merkte Gary op dat we eigenlijk al in Praag zouden moeten zijn. Verwonderd kijkt hij uit het raam, maar het station lijkt niet echt op het grote knooppunt dat we verwachtten. Hij kijkt nog eens en ineens verschijnt er een blik van herkenning in zijn ogen. Hysterisch sprinten we de trein uit, en gelukkig krijgen we in onze haast alles mee (zelfs de Voormalig-Joegoslaven).
We kwamen dus, zelfs zonder dit echt door te hebben, netjes op tijd aan: tien voor half tien, slechts twintig minuutjes later dan gepland. We besloten meteen maar de metro (na teken waarschijnlijk mijn grootste nachtmerrie) te pakken richting ons hotel. Daar aangekomen bleek helaas dat we te vroeg waren om in te kunnen checken… Gelukkig was het knappe (Poolse?) meisje van de receptie wel zo vriendelijk ons het bagagedepot te wijzen, dus die rugtassen waren we in ieder geval kwijt. Om de tijd te doden besloten we dan maar een paar uurtjes de stad in te gaan.
Met de tram begaven wij ons naar Vaclavske namesti, waar zich een centraal plein bevond vol met winkels. Hier moesten we ons wel enigszins kunnen vermaken!
Onze eerste indruk van Praag in de winter: druk. Overal waren toeristen. Om de drukte een beetje te ontvluchten – en om Gary’s honger te stillen – gingen we een klein cafeetje binnen waar we thee en een broodje bestelden. Dit bleek geen goede zet, want een baguette uit de magnetron smaakt nou eenmaal erg klef. Ook de opgewarmde huzarensalade zorgde niet voor extra smaakgenot; we dronken onze thee op, betaalden de serveerster en gingen weer op pad (Gary nu enigszins misselijk en chagrijnig).
Een uurtje later besloten we wederom neer te strijken voor een kopje thee, ditmaal natuurlijk op een ander stekkie. We kozen voor een gezellig uitziend koffiehuisje in de binnenstad. Eenmaal binnen bleek de thee erg decadent (je kreeg een hele pot en kon kiezen uit talloze smaken!) maar dat was natuurlijk geen probleem. Wat me wel dwars zat was het feit dat de ober niet zo blij met ons leek te zijn, en ik kon maar niet uitvogelen waarom niet. Zuchten, puffen, steunen en met zijn ogen rollen – de ober draaide er zijn handen niet voor om. We begrepen er niets van, we deden toch niets verkeerd?
We hebben daar nog een tijdje gezeten onder het genot van onze thee en de gekwelde geluiden van de ober, maar toen was het toch echt tijd om al dit moois achter ons te laten en de stad weer verder te verkennen; op de kerstmarkt zagen we nog net hoe iemand een toerist probeerde af te zetten door middel van een broodje warm vlees (dat overigens wel ontzettend lekker rook, maar om daar nu acht euro voor te gaan betalen terwijl er drie euro op het bord staat…? … jaja, gierige Hollanders, ik weet het.). Gary wilde nog even een zwaardenwinkel gaan bekijken in een bepaald straatje, maar dit bleek uiteindelijk een museum te zijn. Helaas. We zijn nog even langs de lokale wapensmid geweest, hebben vele winkels en het kasteel bezocht en vele toeristen bekeken eer we toe waren aan ons avondeten.
Het eerste restaurant waar we heen gingen (het was inmiddels negen uur) ging volgens de eigenaresse net dicht. Opmerkelijk, want er zaten binnen wel verscheidene stelletjes en gezinnetjes te eten… Het gaf niet, en uiteindelijk zijn we geëindigd bij een ontzettend leuk tentje in de buurt, waar we heerlijk hebben genoten van onze kalkoen cq wild zwijn. Op de terugweg zijn we verdwaald geraakt en kwamen we per toeval uit bij de John Lennon muur die ik persoonlijk erg graag wilde zien. Dat kwam goed uit, dus. Daar hebben we een tijdje rondgehangen en wat foto’s gemaakt en daarna zijn we doorgegaan richting het hotel waar we hebben genoten van een heerlijk laatste kopje thee zonder bemoeienissen van obers of rare broodjes die onze nachtrust in de war zouden kunnen sturen…








Het moge duidelijk zijn dat dit niet de bussen zijn die Gary en ik – gekleed in functionele kledij en bepakt met grote rugzakken – moeten hebben. Na een tijdje zien we gelukkig ook een stadsbus rijden. Al het plebs dat zich inmiddels bij de bushalte heeft verschranst leeft zichtbaar op. De teleurstelling is daardoor des te groter wanneer de buschauffeur – die toch echt genoeg lege zitplekken mee had genomen! – besluit ons gewoon voorbij te rijden.
De volgende bus stopt gelukkig gewoon zoals het hoort en ondanks de kleine tegenvaller van bus 1 arriveren we een uur te vroeg op station Arnhem. Na het inkopen van het broodnodige ontbijt voor morgen (je weet maar nooit hoeveel vertraging je hebt) begeven we ons maar meteen richting het perron. Hier worden wij opgewacht door een spontane medewerker van de NS die ons verteld dat we het beste bij “bordje Q” kunnen gaan wachten, want daar zal onze coupe tot stilstand komen. Tot aan P volgen we zijn advies (en dus ook de bordjes) maar daarna houd het alfabet het spontaan voor gezien. Gelukkig heeft de NS nog meer verrassingen voor ons in petto, want niet veel later verschijnt er een andere medewerker die op deze koude avond blijkbaar het geluk heeft dienst te moeten doen als plaatsvervangend bord.
Dankzij bovengenoemde man loopt alles toch nog goed af en wanneer de trein verschijnt is onze coupe dan ook snel gevonden. We delen de coupe vannacht met twee gezellige Voormalig-Joegoslaven die wel in zijn voor een praatje. Het trapje naar mijn slaapplek blijkt enigszins los te zitten, en nadat ik van de schrik bekomen ben is het tijd om mijn leven te wagen om de bagage in het kleine bagageruim te passen. Na wat stunten en hier en daar wat geprop is die missie geslaagd te noemen en kan ik eindelijk onder mijn propagandadeken (een hele grote Europese vlag) gaan liggen en, je zag het misschien al aankomen, hier houd mijn verhaal van deze nacht ook meteen op....zzzzzzzzzzzzzzzzzzzzz....
(Toevoeging vriendlief: Ik pak de draad hier dan maar meteen weer op: geen bijzonderheden de rest van de avond.)


