Damnieuws

Van de vier partijen die Kees Thijssen in het NK 2007 won en die
(ruimschoots) voldoende zouden blijken voor een vijfde(!) nationale
titel op rij, vond ik die uit de derde ronde tegen Bennie Provoost
het mooist. En misschien betrof het ook wel Thijssens
belangrijkste partij. In elk geval was het de eerste
overwinning die Thijssen, na een moeizame start (met onder meer een
zeer nipte puntendeling tegen Sven Winkel), in Soest liet
aantekenen. De fraaie zege op Provoost, tot stand gekomen in een
(hekstelling)partij-uit-één-stuk, bleek de opmaat te vormen tot een
tweetal nieuwe overwinningen (ten koste van Schuitema en Sekongo)
en - uiteindelijk - een onbedreigde prolongatie van zijn
titel!
Thijssen-Provoost
(3de ronde NK 2007)
1.34-30 18-22 2.30-25 12-18 3.31-26 19-23 4.33-29 23x34 5.40x29
Thijssen bedient zich van een speelwijze die al langer bekend was maar waaraan sinds een jaar of acht de naam van Alfons Ottink (Ons Genoegen/Utrecht) is verbonden. Door veld 33 te ontruimen probeert wit tot 37-31 of 36-31 te komen en met 32-27 een hekstelling te formeren.
5...7-12
In de loop van 1999 wijdde ik in het tijdschrift DAMMEN een aantal afleveringen van de rubriek Openingstheorie aan de Ottink-variant. In het eerste van die drie artikelen legde ik uit dat wit na 5...7-12 uit twee wezenlijk verschillende systemen moet kiezen. Enerzijds kan hij met 6.37-31 zijn belangrijkste troef al meteen op tafel leggen. Anderzijds kan hij, door een afwachtende opstelling met 6.44/45-40, 7.50-44/45 en eventueel nog 8.39-34 in te nemen, de betreding van veld 31 net zo lang uitstellen tot daar het in zijn ogen meest geschikte moment voor is aangebroken.
Ottink zelf pleegt zonder uitzondering 6.37-31 spelen; daarbij ervaart hij de scherpe reactie 6...22-27 7.32x21 16x27 8.31x22 17x28!? (zie bijvoorbeeld Ottink-Watoetin, Clubcompetitie 1995/1995, maar - te zijner tijd! - óók de spannende partij Sijbrands-Wielaard, onderlinge competitie ADG 2004/2005) klaarblijkelijk niet als een onoverkomelijk bezwaar. Thijssen daarentegen geeft de voorkeur aan de tweede methode:
6.44-40 13-19 7.39-34
Met een minuscule wijziging (50 op 45 en 9 op 13) speelde Alexander Dybman voor het eerst zo in zijn partij tegen Sjtsjogoljew, Minsk 1983. De gedachte is dat wit er verstandig aan doet om, alvorens veld 31 te betreden, eerst de opstoot 22-28x28 te elimineren.
7...1-7 8.37-31 19-23 9.34-30 23x34 10.30x39 18-23
Zeker nu de vijandelijke hekstelling een zo goed als voldongen feit is, dient zwart alles in het werk te stellen om zijn linker vleugel zodanig te ontwikkelen dat hij het centrumveld 23 blijft controleren. In dat licht bezien zou een plan als 10...8-13(?) 11.32-27! 20-24? uiterst discutabel zijn, omdat na 12.38-33! 14-20 13.25x14 10x19 14.40-34! de weg naar 23 voor langere tijd - om niet te zeggen permanent - is afgesneden.
11.32-27(!) 12-18 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 2 t/m 11, 14 t/m 18, 20, 22 en 23;
achttien witte schijven op 25 t/m 27, 31, 35, 36, 38 t/m 43 en 45 t/m 50.]
De diagramstand is, al dan niet met verwisselde kleuren of met andere kleine verschilletjes (zoals met 50 op 40 en 4 al op 13), in een zestal partijen voorgekomen. Maar alleen in Watoetin-Kats, Oost-Europees Zone-toernooi 1992, deed zich exact dezelfde positie voor. Teneinde het voortbestaan van de hekstelling te garanderen, vervolgde Watoetin met 12.41-37 14-19 13.25x14 9x20 14.37-32 (14...7-12), maar hij zou nog in het middenspel ten onder gaan... (Zie DAMMEN 136, pag. 74.)
Hoewel er natuurlijk geen rechtstreeks verband tussen 12.41-37 en Watoetins nederlaag hoeft te zijn, geloof ik toch dat Thijssens volgende zet de voorkeur verdient:
12.38-33(!)
Nu is 12...14-19 13.25x14 9x20 op z’n minst onaantrekkelijk vanwege de 4x4-ruil 14.27-21! en 15.33-28. Ook zou ik mij kunnen voorstellen dat een zwartspeler op 12...8-13 de manoeuvre 13.33-29 23x34 14.40x29 vervelend vindt: tegen de (dam)dreiging 15.29-24! enz. vormt 14...20-24? 15.29x20 15x24 geen bevredigende parade wegens 16.39-34! (bezetting van veld 19 wordt dan immers altijd met 34-30! beantwoord), zodat hij geen betere optie dan het schijnoffer 14...18-23 15.29x18 13-19 zou hebben.
Vandaar dat Provoost voor een andere methode kiest om zijn linker vleugel te ontwikkelen:
12...20-24 13.40-34(!)
Weer zo’n stekelig zetje waarmee Thijssen de rust in het vijandelijke kamp verstoort. Op alle andere zetten had zwart 13...14-20 14.25x14 10x19 en desgewenst 15...17-21 16.26x28 23x21 kunnen doen. Maar na de alerte tekstzet zou datzelfde 14-20x19? een ernstige positionele misgreep zijn wegens 15.34-29! 23x34 16.39x30. Zie in dit verband andermaal de aantekening bij de 10de zet.
13...24-29 14.33x24 14-20 15.25x14 9x40 16.45x34 10-14 17.42-38 14-19 18.34-29 23x34 19.39x30
Voorlopig bedient Thijssen zich (nog) van de oudste en bekendste methode om de verbreking van de hekstelling middels 18...17-21 onmogelijk te maken: door de zwarte centrumschijf 23 af te ruilen.
19...19-23 20.38-33 8-13 21.47-42 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 2 t/m 7, 11, 13, 15 t/m 18, 22 en 23;
veertien witte schijven op 26, 27, 30, 31, 33, 35, 36, 41 t/m 43, 46 en 48 t/m 50.]
21...5-10
Een belangrijk, of op z’n minst opmerkelijk moment. Zwart kòn namelijk met 21...13-19 en 22...17-21 de spanningen opheffen (ook al had wit dan iets beter gestaan). Maar Provoost ziet kennelijk geen reden - en waarom zou hij ook? - om de hekstelling nu al te verbreken. Die beslissing is weinig minder dan een zegen voor de partij. Maar tegelijkertijd is het goed te bedenken dat zwart géén herkansing meer zal krijgen en dat het straks een kwestie van buigen of barsten wordt...
22.30-25(!) 10-14 23.35-30(!) 14-19 24.33-29(!) 23x34 25.30x39 19-23 26.41-37(!!)
Nu zich er, dankzij de ruilen op de 13de en de 24ste zet, géén overtollige stukken meer op de diagonaal 47/15 bevinden, acht Thijssen de tijd rijp voor de ambitieuze strategie die ooit door oud-kampioen Wim de Jong is geïntroduceerd: het hermetisch afgrendelen van de (hek)stelling door met 41-37-32 en aansluitend 46-41-37 op te bouwen.
26...13-19 27.37-32(!!)
Zo haalt wit het vereenvoudigende (27...)17-21 voorgoed uit de stand. Daar 27...22-28?? voorlopig tòch taboe is (wit zou liefst twee schijven winnen), krijgt hij ruimschoots voldoende gelegenheid om het stuk op 46 in het spel te betrekken.
27...7-12 28.42-38(!) (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6, 11, 12, 15 t/m 19, 22 en 23;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 36, 38, 39, 43, 46 en 48 t/m 50.]
En ditmaal zou 28...22-28?? op 29.27-22 + falen. Maar daarmee is het halve uitroepteken achter de tekstzet natuurlijk nog lang niet verklaard. Nee - 28.42-38 verdient naar mijn mening hìerom een uitroeptekentje omdat wit met de tekstzet toewerkt naar een situatie waarin al zijn stukken maximaal tot hun recht komen. Dat had hij bij een - op zich bekende en vaak voorkomende - opstelling met 28.43-38(?) nog maar moeten afwachten. In dat geval was het namelijk denkbaar geweest dat schijf 42 ooit ‘buitenspel’ was komen te staan, een kans die des te groter was geweest wanneer men bedenkt dat de stellingsstructuur op één onderdeel wezenlijk afwijkt van de geijkte patronen. Immers: in een hekstellingpartij bezet de ‘opgeslotene’ doorgaans (en niet zonder reden, voeg ik er onmiddellijk aan toe) veld 7. Provoost daarentegen heeft zich, door de zet 2-7 zo lang mogelijk uit te stellen, de mogelijkheid voorbehouden schijf 2 desgewenst in de andere richting te dirigeren (2-8-13). Zuiver getalsmatig bezien betekent dit dus dat er in het gevorderde middenspel situaties zouden kunnen ontstaan waarin zwart aan dìe vleugel waar de strijd in feite wordt uitgevochten, over meer mankracht beschikt dan in een ‘gewone’ hekstellingpartij.
Het is dàt besef dat - naar ik althans vermoed - ten grondslag lag aan de beslissing van de zwartspeler om de hekstelling intact te laten (21...5-10). Voorts vermoed ik dat Thijssens weigering om de hekstelling al in een eerder stadium een permanent karakter te geven (behalve op de 12de zet had hij bijvoorbeeld ook op de 17de of de 20ste zet voor 41-37-32 enz. kunnen kiezen), uit dezelfde overweging voortsproot. En ik weet haast wel zeker dat de witspeler zich bij zijn keuze voor 28.42-38 eveneens heeft laten leiden door de gedachte dat hij, voor het geval zwart ooit 2-8-13 mocht spelen, zelf óók een zo groot mogelijke troepenmacht aan de rechter flank moest kunnen samentrekken.
28...3-9
Uiteraard niet 28...2-8?? of 28...4-9?? wegens 29.26-21! en 30.38-33 +.
29.46-41 9-13 30.41-37 4-9 31.49-44 9-14 32.44-40 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 2, 6, 11 t/m 19, 22 en 23;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 36 t/m 40, 43, 48 en 50.]
32...14-20?
Deze terugruil, ingegeven wellicht door de wens de weg vrij te maken voor de stukken op 13 en 2, betekent - zeker bij het vervolg dat Provoost er straks aan zal geven - niets minder dan het begin van het einde. Daarom geloof ik dat de zwartspeler er verstandig aan had gedaan de strijd zo scherp mogelijk voort te zetten en 32...15-20(!) te doen. Er had dan onder meer kunnen volgen 33.40-35 20-24 en nu:
1) 34.39-34.
Hierop zou de 2x2-ruil 34...24-30? 35.35x24 19x39 36.43x34 zwart geen verlichting brengen, zelfs niet wanneer hij, om zich te bevrijden, van een vervolg met 2-8 afziet en een opstelling met 2-7 inneemt. Een lange, maar daarom niet minder plausibele variant ter illustratie:
36...13-19 37.34-30! 2-7 38.50-44! 14-20 39.25x14 19x10 40.44-39! 10-14 41.30-25! (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 7, 11, 12, 14, 16 t/m 18, 22 en 23;
tien witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 36 t/m 39 en 48.]
41...23-28 (geen keus: 41...14-19? 42.25-20! 19-24 43.20x29 23x43 44.48x39/38x49 +) 42.32x23 18x29 43.27x18 12x23 44.37-32! 17-21 (nog slechter is 44...16-21? 45.48-43! 11-16?? 46.38-33 +) 45.26x17 11x22 46.39-33!! 29-34 (na 46...22-28 47.33x24! 28x26 48.24-19 wint wit op z’n minst door overmacht) 47.32-28!! 23x43 48.48x30 16-21 49.30-24 21-27 50.24-20 14-19 51.20-15 en nu bijvoorbeeld nog 51...27-32 52.15-10 22-28 53.33x22 32-38 54.10-5 19-24 55.5-23! 7-11 (merk op dat 55...38-43 56.23x1 43-48 na de dammenruil 57.1-34!! 48x26 58.36-31! 26x30 59.25x34 6-11 60.22-18 enz. op tempo verliest!) 56.23-37! 38-43 57.37-32!! 43-49 (of 57...43-48 58.27-16! met een gewonnen 4x2-eindspel) 58.27-16!! en zwart kan het opgeven.
Dit lijkt dus sterk voor een opstelling met 33.40-35 (33...20-24) en 34.39-34 te pleiten. Maar als zwart niet 34...24-30 maar 34...2-8! speelt (en daarmee 35.34-30?? verhindert door 35...14-20! +), ziet het er voor wit plotseling een stuk minder florissant uit. Zo is op 35.43-39 de manoeuvre 35...24-30! 36.35x24 19x30 vervelend. En na 35.50-45 14-20! (nu pas) 36.25x14 19x10 37.43-39 10-14 kampt wit met het probleem dat hij, als gevolg van de weggevallen controle over veld 44, niet meer zo gemakkelijk tot 34-30 komt. Daardoor zou het kunnen verder gaan met 38.39-33 (op 38.48-43 doet zwart 38...14-20!) 38...14-20! (maar onder geen beding 38...13-19? vanwege de damzet-annex-rondslag 39.33-29!! enz.) 39.34-30 (ook 39.48-42 13-19! levert bij het sterkste spel van beiden niet meer dan remise op) 39...22-28!! 40.33x22* 17x28 41.30x19 23x14 42.32x23 18x29 en zwart staat niet slechter.
2) 34.39-33 2-8! 35.43-39 [slecht is 35.50-45? wegens 35...23-29!! met belangrijk voordeel voor zwart na 36.43-39 (gedwongen in verband met de dreiging 36...22-28!, 37...17-21 en 39...24-30 +) 36...22-28! 37.32x34 17-21 38.26x17 12x43 39.34-30 43x34 40.30x39; zie analyse-diagram]

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 6, 8, 11 t/m 14, 16 t/m 19 en 22 t/m 24;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 31 t/m 33, 35 t/m 39, 45 en 48.]
35...23-28! (al het andere lijkt te verliezen; overigens heeft de diagramstand zich, maar dan met - belangrijk verschil! - 8 op 7 en 50 al op 40, daadwerkelijk voorgedaan in de partij Stokkel-Bastiaannet, NK 1984; zie ook DAMMEN 135, pp. 58-63) 36.32x23 19x28 37.37-32 28x37 38.31x42 22x31 39.26x37 18-23 en hoewel de belegering van de zwarte veste nog niet helemaal achter de rug is, lijkt het mij toch dat wit (ook) aan deze spelgang onvoldoende voordeel overhoudt.
33.25x14 19x10 34.39-34! 13-19 35.43-39! 10-14 36.34-30! (zie diagram)
Thijssen richt zijn positie zo flexibel mogelijk in.

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 2, 6, 11, 12, 14 t/m 19, 22 en 23;
twaalf witte schijven op 26, 27, 30 t/m 32, 36 t/m 40, 48 en 50.]
Met de diagramstand is - in analytische zin - het laatste werkelijk spannende moment van de partij aangebroken...
36...2-8(?)
Provoost besluit definitief zijn onderste schijf een andere dan de gebruikelijke bestemming te geven. Maar dit gaat dus - zoals eerder betoogd - ten koste van de controle over veld 7. En zowel het partijverloop als de analyse daarvan laten er geen twijfel over bestaan dat zwart - onder de gegeven omstandigheden althans - zònder dit steunpunt domweg niet kan “leven”!
Nu was de zwarte stelling, sinds de terugruil op de 32ste zet, sowieso al kritiek. Desondanks had hij beter op een opstelling met 2-7 kunnen aansturen, in de hoop zich onder althans enigszins acceptabele omstandigheden uit de hekstelling te kunnen bevrijden. Bijvoorbeeld 36...15-20 37.40-35 2-7(!), waarop ik twee verschillende winstpogingen van wit onderzoek:
1) 38.50-45 (bedoeld om op 38...20-24? met 39.39-33! + te kunnen reageren) 38...20-25! 39.48-43 25x34 40.39x30 23-29! (dit is exacter dan meteen 40...23-28) 41.45-40 19-23 42.40-34 29x40 43.35x44 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 7, 11, 12, 14, 16 t/m 18, 22 en 23;
tien witte schijven op 26, 27, 30 t/m 32, 36 t/m 38, 43 en 44.]
43...23-28! (nu pas; merk overigens op dat wit 43...14-20? niet met 44.30-25? beantwoordt maar met het fraaie schijnoffer 44.30-24!! 20x29 45.43-39!! +) 44.32x23 18x29 45.27x18 12x23 46.37-32 14-19! (dreigt 47...19-24 +) 47.30-25 19-24 48.44-40 17-21 49.26x17 11x22 50.31-27 22x31 51.36x27
[opmerkelijke parallel: met verwisselde kleuren en schijf 43 al op veld 39 figureerde dit 6x6-standje óók in mijn (overigens bepaald niet foutloze!) analyse van de partij Mansjien-Andreiko, kamp. USSR 1961 (zie Andris Andreiko - een damtechnische monografie, pag. 20); toen stond zwart machteloos tegen de dreiging 39-33-28 + (bijvoorbeeld 51...6-11 52.39-33 11-17 53.33-28 17-22 54.28x30 22x31 55.32-27! 31x22 56.30-24 29x20 57.25x14 enz.), maar het verschil van één tempo blijkt precies het verschil tussen verlies en remise uit te maken:]
51...7-12! (dit is veiliger dan 51...6-11, waarop wit 52.27-22! 7-12* 53.22-18! 12-17 en nu, ter vermijding van 54.18-13? 24-30! 55.25x34 23-28 =, de tussenzet 54.25-20!! laat volgen) 52.43-39 12-18 53.39-33 18-22! 54.27x18 23x12 55.25-20 24x15 56.33x24 12-18 57.24-19 15-20 en ondanks zijn voorpost op de zevende rij blijkt wit niet meer te kunnen winnen.
2) 38.50-44 en nu:
2.1) 38...20-25? 39.48-43 25x34 40.39x30 23-28 (nu 45 op 44 staat, faalt 40...23-29 op simpel 41.44-39 +) 41.32x23 18x29 (niet beter is 41...19x28 wegens 42.38-32! met dodelijke tempodwang) 42.27x18 12x23 43.44-39! (het eenvoudigst) 43...23-28 44.37-32! 28x37 45.31x42 en 46.39-33 met schijf- en partijwinst.
2.2) 38...20-24(!) 39.44-40 23-28 40.32x23 18x29 41.27x18 12x23 42.37-32 (zie analyse-diagram) en nu een laatste splitsing:

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 7, 11, 14, 16, 17, 19, 23, 24 en 29;
tien witte schijven op 26, 30 t/m 32, 35, 36, 38 t/m 40 en 48.]
2.2.1) 42...17-21? (het in dergelijke standen thematische vervolg; overigens verliest 42...7-12? eveneens door 43.32-27!, terwijl voor 42...14-20? hetzelfde geldt) 43.26x17 11x22 44.32-27!! (de niet zo heel erg thematische weerlegging) 44...14-20 (de enige parade tegen de verschrikkelijke dreiging 46.39-34 +) 45.27x18 23x12 46.30-25! 29-34 47.25x23 34x32 48.40-34 en redding voor zwart is in de verste verte niet te zien.
2.2.2) 42...17-22(!).
Het spreekt boekdelen dat zwarts enige overlevingskans in deze a-positionele voortzetting schuilt. Maar zelfs met de assistentie van de computer is het mij - merkwaardig genoeg - nìet gelukt een waterdichte winst voor wit boven tafel te krijgen.
37.40-35 15-20 38.30-25 20-24
Evenals op de vorige zet ging 38...23-28?? 39.32x23 19x28 niet wegens 40.38-32! 28-33 41.39x28 22x33 42.27-21 met dam.
39.39-34! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 6, 8, 11, 12, 14, 16 t/m 19 en 22 t/m 24;
twaalf witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 34 t/m 38, 48 en 50.]
39...24-29
39...8-13 kwam nauwelijks in aanmerking omdat wit na 40.34-30 24-29(*) desgewenst altijd kan terugruilen met (41.)38-33! en (42.)32x43, waarna materiaalverlies voor zwart op den duur onvermijdelijk is. En op 39...14-20 40.25x14 19x10 had kunnen volgen 41.48-43! (ter voorbereiding van 42.34-30) en nu:
1) 41...8-13/10-14 42.43-39 10-14/8-13 43.34-30 13-19 44.50-45! (dit is veiliger dan 44.39-33 16-21!? enz.) en na het vrijwel gedwongen 44...16-21 45.27x7 12x1 46.45-40(!) 1-7 47.40-34(!) heeft zwart onvoldoende compensatie voor de verloren schijf.
2) 41...24-29 42.43-39 29x40 43.35x44 8-13 44.44-40 13-19 45.39-34 en nu luidt de naar mijn smaak meest karakteristieke variant 45...19-24 [eveneens kansloos is 45...10-14 46.40-35 14-20 47.50-44 19-24 (of 47...20-25 48.35-30! +) 48.34-30! 24-29 49.38-33! 29x38 50.32x43] 46.40-35 24-29 47.50-45 29x40 48.35x44 10-14 49.44-39 14-20 50.45-40 20-24 51.40-35! (zie analyse-diagram) en zwart moet binnen enkele zetten een schijf geven.

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 6, 11, 12, 16 t/m 18 en 22 t/m 24;
negen witte schijven op 26, 27, 31, 32 en 35 t/m 39.]
40.34-30! 14-20 41.25x14 19x10 42.30-25! 29-34
Wanhoop. Maar er viel al niets meer te redden; een enkel voorbeeldje: 42...10-14 43.35-30 8-13 44.38-33 29x38 45.32x43 23-29 46.37-32 13-19 (of 46...29-33 47.43-39 33x44 48.50x39 +) 47.30-24!! +.
43.48-43! (zie diagram)
De meest voor de hand liggende reactie. Maar wit staat inmiddels dermate superieur dat hij zich zelfs het frivole 43.50-45 had kunnen permitteren. Bijvoorbeeld 43...34-39 44.45-40 10-14 45.48-42! (niet 45.35-30? wegens 45...23-28! enz.) 45...8-13 46.35-30! (nu pas) 46...23-29 (wat anders?) 47.30-24! 29x20 48.38-33 39x28 49.32x23 18x29 50.27x9 14x3 51.25x14 +.

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 6, 8, 10 t/m 12, 16 t/m 18, 22, 23 en 34;
elf witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 35 t/m 38, 43 en 50.]
43...8-13
Op 43...23-29 had 44.35-30! de beslissing gebracht. En na 43...10-14 44.50-45! ontbreekt het zwart aan een geschikte tempozet om 45.35-30 door de doorbraak 45...34-40 en 46...23-28 te (blijven) verhinderen.
Misschien was 43...10-14 44.50-45 23-29 45.35-30 22-28 46.30x39! (maar vooral niet 46.32x23? wegens 46...17-22!!, 47...29-33!, 48...12x41, 49...41-47 en 50...47x15 =) 46...28-33 (merk op dat zwart na 46...29-33?? 47.38x29! opnieuw in tempodwang zou verkeren!) 47.39x28 17-21 48.26x17 11x42 49.37x48 29-33 relatief nog het beste. Maar ook dan had zwart nauwelijks serieus tegenspel voor het verloren materiaal gehad.
44.50-45 13-19 45.35-30 19-24 46.30x28 22x42 47.37x48
Zwart geeft het op.
Thijssen-Provoost
(3de ronde NK 2007)
1.34-30 18-22 2.30-25 12-18 3.31-26 19-23 4.33-29 23x34 5.40x29
Thijssen bedient zich van een speelwijze die al langer bekend was maar waaraan sinds een jaar of acht de naam van Alfons Ottink (Ons Genoegen/Utrecht) is verbonden. Door veld 33 te ontruimen probeert wit tot 37-31 of 36-31 te komen en met 32-27 een hekstelling te formeren.
5...7-12
In de loop van 1999 wijdde ik in het tijdschrift DAMMEN een aantal afleveringen van de rubriek Openingstheorie aan de Ottink-variant. In het eerste van die drie artikelen legde ik uit dat wit na 5...7-12 uit twee wezenlijk verschillende systemen moet kiezen. Enerzijds kan hij met 6.37-31 zijn belangrijkste troef al meteen op tafel leggen. Anderzijds kan hij, door een afwachtende opstelling met 6.44/45-40, 7.50-44/45 en eventueel nog 8.39-34 in te nemen, de betreding van veld 31 net zo lang uitstellen tot daar het in zijn ogen meest geschikte moment voor is aangebroken.
Ottink zelf pleegt zonder uitzondering 6.37-31 spelen; daarbij ervaart hij de scherpe reactie 6...22-27 7.32x21 16x27 8.31x22 17x28!? (zie bijvoorbeeld Ottink-Watoetin, Clubcompetitie 1995/1995, maar - te zijner tijd! - óók de spannende partij Sijbrands-Wielaard, onderlinge competitie ADG 2004/2005) klaarblijkelijk niet als een onoverkomelijk bezwaar. Thijssen daarentegen geeft de voorkeur aan de tweede methode:
6.44-40 13-19 7.39-34
Met een minuscule wijziging (50 op 45 en 9 op 13) speelde Alexander Dybman voor het eerst zo in zijn partij tegen Sjtsjogoljew, Minsk 1983. De gedachte is dat wit er verstandig aan doet om, alvorens veld 31 te betreden, eerst de opstoot 22-28x28 te elimineren.
7...1-7 8.37-31 19-23 9.34-30 23x34 10.30x39 18-23
Zeker nu de vijandelijke hekstelling een zo goed als voldongen feit is, dient zwart alles in het werk te stellen om zijn linker vleugel zodanig te ontwikkelen dat hij het centrumveld 23 blijft controleren. In dat licht bezien zou een plan als 10...8-13(?) 11.32-27! 20-24? uiterst discutabel zijn, omdat na 12.38-33! 14-20 13.25x14 10x19 14.40-34! de weg naar 23 voor langere tijd - om niet te zeggen permanent - is afgesneden.
11.32-27(!) 12-18 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 2 t/m 11, 14 t/m 18, 20, 22 en 23;
achttien witte schijven op 25 t/m 27, 31, 35, 36, 38 t/m 43 en 45 t/m 50.]
De diagramstand is, al dan niet met verwisselde kleuren of met andere kleine verschilletjes (zoals met 50 op 40 en 4 al op 13), in een zestal partijen voorgekomen. Maar alleen in Watoetin-Kats, Oost-Europees Zone-toernooi 1992, deed zich exact dezelfde positie voor. Teneinde het voortbestaan van de hekstelling te garanderen, vervolgde Watoetin met 12.41-37 14-19 13.25x14 9x20 14.37-32 (14...7-12), maar hij zou nog in het middenspel ten onder gaan... (Zie DAMMEN 136, pag. 74.)
Hoewel er natuurlijk geen rechtstreeks verband tussen 12.41-37 en Watoetins nederlaag hoeft te zijn, geloof ik toch dat Thijssens volgende zet de voorkeur verdient:
12.38-33(!)
Nu is 12...14-19 13.25x14 9x20 op z’n minst onaantrekkelijk vanwege de 4x4-ruil 14.27-21! en 15.33-28. Ook zou ik mij kunnen voorstellen dat een zwartspeler op 12...8-13 de manoeuvre 13.33-29 23x34 14.40x29 vervelend vindt: tegen de (dam)dreiging 15.29-24! enz. vormt 14...20-24? 15.29x20 15x24 geen bevredigende parade wegens 16.39-34! (bezetting van veld 19 wordt dan immers altijd met 34-30! beantwoord), zodat hij geen betere optie dan het schijnoffer 14...18-23 15.29x18 13-19 zou hebben.
Vandaar dat Provoost voor een andere methode kiest om zijn linker vleugel te ontwikkelen:
12...20-24 13.40-34(!)
Weer zo’n stekelig zetje waarmee Thijssen de rust in het vijandelijke kamp verstoort. Op alle andere zetten had zwart 13...14-20 14.25x14 10x19 en desgewenst 15...17-21 16.26x28 23x21 kunnen doen. Maar na de alerte tekstzet zou datzelfde 14-20x19? een ernstige positionele misgreep zijn wegens 15.34-29! 23x34 16.39x30. Zie in dit verband andermaal de aantekening bij de 10de zet.
13...24-29 14.33x24 14-20 15.25x14 9x40 16.45x34 10-14 17.42-38 14-19 18.34-29 23x34 19.39x30
Voorlopig bedient Thijssen zich (nog) van de oudste en bekendste methode om de verbreking van de hekstelling middels 18...17-21 onmogelijk te maken: door de zwarte centrumschijf 23 af te ruilen.
19...19-23 20.38-33 8-13 21.47-42 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 2 t/m 7, 11, 13, 15 t/m 18, 22 en 23;
veertien witte schijven op 26, 27, 30, 31, 33, 35, 36, 41 t/m 43, 46 en 48 t/m 50.]
21...5-10
Een belangrijk, of op z’n minst opmerkelijk moment. Zwart kòn namelijk met 21...13-19 en 22...17-21 de spanningen opheffen (ook al had wit dan iets beter gestaan). Maar Provoost ziet kennelijk geen reden - en waarom zou hij ook? - om de hekstelling nu al te verbreken. Die beslissing is weinig minder dan een zegen voor de partij. Maar tegelijkertijd is het goed te bedenken dat zwart géén herkansing meer zal krijgen en dat het straks een kwestie van buigen of barsten wordt...
22.30-25(!) 10-14 23.35-30(!) 14-19 24.33-29(!) 23x34 25.30x39 19-23 26.41-37(!!)
Nu zich er, dankzij de ruilen op de 13de en de 24ste zet, géén overtollige stukken meer op de diagonaal 47/15 bevinden, acht Thijssen de tijd rijp voor de ambitieuze strategie die ooit door oud-kampioen Wim de Jong is geïntroduceerd: het hermetisch afgrendelen van de (hek)stelling door met 41-37-32 en aansluitend 46-41-37 op te bouwen.
26...13-19 27.37-32(!!)
Zo haalt wit het vereenvoudigende (27...)17-21 voorgoed uit de stand. Daar 27...22-28?? voorlopig tòch taboe is (wit zou liefst twee schijven winnen), krijgt hij ruimschoots voldoende gelegenheid om het stuk op 46 in het spel te betrekken.
27...7-12 28.42-38(!) (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6, 11, 12, 15 t/m 19, 22 en 23;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 36, 38, 39, 43, 46 en 48 t/m 50.]
En ditmaal zou 28...22-28?? op 29.27-22 + falen. Maar daarmee is het halve uitroepteken achter de tekstzet natuurlijk nog lang niet verklaard. Nee - 28.42-38 verdient naar mijn mening hìerom een uitroeptekentje omdat wit met de tekstzet toewerkt naar een situatie waarin al zijn stukken maximaal tot hun recht komen. Dat had hij bij een - op zich bekende en vaak voorkomende - opstelling met 28.43-38(?) nog maar moeten afwachten. In dat geval was het namelijk denkbaar geweest dat schijf 42 ooit ‘buitenspel’ was komen te staan, een kans die des te groter was geweest wanneer men bedenkt dat de stellingsstructuur op één onderdeel wezenlijk afwijkt van de geijkte patronen. Immers: in een hekstellingpartij bezet de ‘opgeslotene’ doorgaans (en niet zonder reden, voeg ik er onmiddellijk aan toe) veld 7. Provoost daarentegen heeft zich, door de zet 2-7 zo lang mogelijk uit te stellen, de mogelijkheid voorbehouden schijf 2 desgewenst in de andere richting te dirigeren (2-8-13). Zuiver getalsmatig bezien betekent dit dus dat er in het gevorderde middenspel situaties zouden kunnen ontstaan waarin zwart aan dìe vleugel waar de strijd in feite wordt uitgevochten, over meer mankracht beschikt dan in een ‘gewone’ hekstellingpartij.
Het is dàt besef dat - naar ik althans vermoed - ten grondslag lag aan de beslissing van de zwartspeler om de hekstelling intact te laten (21...5-10). Voorts vermoed ik dat Thijssens weigering om de hekstelling al in een eerder stadium een permanent karakter te geven (behalve op de 12de zet had hij bijvoorbeeld ook op de 17de of de 20ste zet voor 41-37-32 enz. kunnen kiezen), uit dezelfde overweging voortsproot. En ik weet haast wel zeker dat de witspeler zich bij zijn keuze voor 28.42-38 eveneens heeft laten leiden door de gedachte dat hij, voor het geval zwart ooit 2-8-13 mocht spelen, zelf óók een zo groot mogelijke troepenmacht aan de rechter flank moest kunnen samentrekken.
28...3-9
Uiteraard niet 28...2-8?? of 28...4-9?? wegens 29.26-21! en 30.38-33 +.
29.46-41 9-13 30.41-37 4-9 31.49-44 9-14 32.44-40 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 2, 6, 11 t/m 19, 22 en 23;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 36 t/m 40, 43, 48 en 50.]
32...14-20?
Deze terugruil, ingegeven wellicht door de wens de weg vrij te maken voor de stukken op 13 en 2, betekent - zeker bij het vervolg dat Provoost er straks aan zal geven - niets minder dan het begin van het einde. Daarom geloof ik dat de zwartspeler er verstandig aan had gedaan de strijd zo scherp mogelijk voort te zetten en 32...15-20(!) te doen. Er had dan onder meer kunnen volgen 33.40-35 20-24 en nu:
1) 34.39-34.
Hierop zou de 2x2-ruil 34...24-30? 35.35x24 19x39 36.43x34 zwart geen verlichting brengen, zelfs niet wanneer hij, om zich te bevrijden, van een vervolg met 2-8 afziet en een opstelling met 2-7 inneemt. Een lange, maar daarom niet minder plausibele variant ter illustratie:
36...13-19 37.34-30! 2-7 38.50-44! 14-20 39.25x14 19x10 40.44-39! 10-14 41.30-25! (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 7, 11, 12, 14, 16 t/m 18, 22 en 23;
tien witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 36 t/m 39 en 48.]
41...23-28 (geen keus: 41...14-19? 42.25-20! 19-24 43.20x29 23x43 44.48x39/38x49 +) 42.32x23 18x29 43.27x18 12x23 44.37-32! 17-21 (nog slechter is 44...16-21? 45.48-43! 11-16?? 46.38-33 +) 45.26x17 11x22 46.39-33!! 29-34 (na 46...22-28 47.33x24! 28x26 48.24-19 wint wit op z’n minst door overmacht) 47.32-28!! 23x43 48.48x30 16-21 49.30-24 21-27 50.24-20 14-19 51.20-15 en nu bijvoorbeeld nog 51...27-32 52.15-10 22-28 53.33x22 32-38 54.10-5 19-24 55.5-23! 7-11 (merk op dat 55...38-43 56.23x1 43-48 na de dammenruil 57.1-34!! 48x26 58.36-31! 26x30 59.25x34 6-11 60.22-18 enz. op tempo verliest!) 56.23-37! 38-43 57.37-32!! 43-49 (of 57...43-48 58.27-16! met een gewonnen 4x2-eindspel) 58.27-16!! en zwart kan het opgeven.
Dit lijkt dus sterk voor een opstelling met 33.40-35 (33...20-24) en 34.39-34 te pleiten. Maar als zwart niet 34...24-30 maar 34...2-8! speelt (en daarmee 35.34-30?? verhindert door 35...14-20! +), ziet het er voor wit plotseling een stuk minder florissant uit. Zo is op 35.43-39 de manoeuvre 35...24-30! 36.35x24 19x30 vervelend. En na 35.50-45 14-20! (nu pas) 36.25x14 19x10 37.43-39 10-14 kampt wit met het probleem dat hij, als gevolg van de weggevallen controle over veld 44, niet meer zo gemakkelijk tot 34-30 komt. Daardoor zou het kunnen verder gaan met 38.39-33 (op 38.48-43 doet zwart 38...14-20!) 38...14-20! (maar onder geen beding 38...13-19? vanwege de damzet-annex-rondslag 39.33-29!! enz.) 39.34-30 (ook 39.48-42 13-19! levert bij het sterkste spel van beiden niet meer dan remise op) 39...22-28!! 40.33x22* 17x28 41.30x19 23x14 42.32x23 18x29 en zwart staat niet slechter.
2) 34.39-33 2-8! 35.43-39 [slecht is 35.50-45? wegens 35...23-29!! met belangrijk voordeel voor zwart na 36.43-39 (gedwongen in verband met de dreiging 36...22-28!, 37...17-21 en 39...24-30 +) 36...22-28! 37.32x34 17-21 38.26x17 12x43 39.34-30 43x34 40.30x39; zie analyse-diagram]

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 6, 8, 11 t/m 14, 16 t/m 19 en 22 t/m 24;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 31 t/m 33, 35 t/m 39, 45 en 48.]
35...23-28! (al het andere lijkt te verliezen; overigens heeft de diagramstand zich, maar dan met - belangrijk verschil! - 8 op 7 en 50 al op 40, daadwerkelijk voorgedaan in de partij Stokkel-Bastiaannet, NK 1984; zie ook DAMMEN 135, pp. 58-63) 36.32x23 19x28 37.37-32 28x37 38.31x42 22x31 39.26x37 18-23 en hoewel de belegering van de zwarte veste nog niet helemaal achter de rug is, lijkt het mij toch dat wit (ook) aan deze spelgang onvoldoende voordeel overhoudt.
33.25x14 19x10 34.39-34! 13-19 35.43-39! 10-14 36.34-30! (zie diagram)
Thijssen richt zijn positie zo flexibel mogelijk in.

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 2, 6, 11, 12, 14 t/m 19, 22 en 23;
twaalf witte schijven op 26, 27, 30 t/m 32, 36 t/m 40, 48 en 50.]
Met de diagramstand is - in analytische zin - het laatste werkelijk spannende moment van de partij aangebroken...
36...2-8(?)
Provoost besluit definitief zijn onderste schijf een andere dan de gebruikelijke bestemming te geven. Maar dit gaat dus - zoals eerder betoogd - ten koste van de controle over veld 7. En zowel het partijverloop als de analyse daarvan laten er geen twijfel over bestaan dat zwart - onder de gegeven omstandigheden althans - zònder dit steunpunt domweg niet kan “leven”!
Nu was de zwarte stelling, sinds de terugruil op de 32ste zet, sowieso al kritiek. Desondanks had hij beter op een opstelling met 2-7 kunnen aansturen, in de hoop zich onder althans enigszins acceptabele omstandigheden uit de hekstelling te kunnen bevrijden. Bijvoorbeeld 36...15-20 37.40-35 2-7(!), waarop ik twee verschillende winstpogingen van wit onderzoek:
1) 38.50-45 (bedoeld om op 38...20-24? met 39.39-33! + te kunnen reageren) 38...20-25! 39.48-43 25x34 40.39x30 23-29! (dit is exacter dan meteen 40...23-28) 41.45-40 19-23 42.40-34 29x40 43.35x44 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 7, 11, 12, 14, 16 t/m 18, 22 en 23;
tien witte schijven op 26, 27, 30 t/m 32, 36 t/m 38, 43 en 44.]
43...23-28! (nu pas; merk overigens op dat wit 43...14-20? niet met 44.30-25? beantwoordt maar met het fraaie schijnoffer 44.30-24!! 20x29 45.43-39!! +) 44.32x23 18x29 45.27x18 12x23 46.37-32 14-19! (dreigt 47...19-24 +) 47.30-25 19-24 48.44-40 17-21 49.26x17 11x22 50.31-27 22x31 51.36x27
[opmerkelijke parallel: met verwisselde kleuren en schijf 43 al op veld 39 figureerde dit 6x6-standje óók in mijn (overigens bepaald niet foutloze!) analyse van de partij Mansjien-Andreiko, kamp. USSR 1961 (zie Andris Andreiko - een damtechnische monografie, pag. 20); toen stond zwart machteloos tegen de dreiging 39-33-28 + (bijvoorbeeld 51...6-11 52.39-33 11-17 53.33-28 17-22 54.28x30 22x31 55.32-27! 31x22 56.30-24 29x20 57.25x14 enz.), maar het verschil van één tempo blijkt precies het verschil tussen verlies en remise uit te maken:]
51...7-12! (dit is veiliger dan 51...6-11, waarop wit 52.27-22! 7-12* 53.22-18! 12-17 en nu, ter vermijding van 54.18-13? 24-30! 55.25x34 23-28 =, de tussenzet 54.25-20!! laat volgen) 52.43-39 12-18 53.39-33 18-22! 54.27x18 23x12 55.25-20 24x15 56.33x24 12-18 57.24-19 15-20 en ondanks zijn voorpost op de zevende rij blijkt wit niet meer te kunnen winnen.
2) 38.50-44 en nu:
2.1) 38...20-25? 39.48-43 25x34 40.39x30 23-28 (nu 45 op 44 staat, faalt 40...23-29 op simpel 41.44-39 +) 41.32x23 18x29 (niet beter is 41...19x28 wegens 42.38-32! met dodelijke tempodwang) 42.27x18 12x23 43.44-39! (het eenvoudigst) 43...23-28 44.37-32! 28x37 45.31x42 en 46.39-33 met schijf- en partijwinst.
2.2) 38...20-24(!) 39.44-40 23-28 40.32x23 18x29 41.27x18 12x23 42.37-32 (zie analyse-diagram) en nu een laatste splitsing:

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 7, 11, 14, 16, 17, 19, 23, 24 en 29;
tien witte schijven op 26, 30 t/m 32, 35, 36, 38 t/m 40 en 48.]
2.2.1) 42...17-21? (het in dergelijke standen thematische vervolg; overigens verliest 42...7-12? eveneens door 43.32-27!, terwijl voor 42...14-20? hetzelfde geldt) 43.26x17 11x22 44.32-27!! (de niet zo heel erg thematische weerlegging) 44...14-20 (de enige parade tegen de verschrikkelijke dreiging 46.39-34 +) 45.27x18 23x12 46.30-25! 29-34 47.25x23 34x32 48.40-34 en redding voor zwart is in de verste verte niet te zien.
2.2.2) 42...17-22(!).
Het spreekt boekdelen dat zwarts enige overlevingskans in deze a-positionele voortzetting schuilt. Maar zelfs met de assistentie van de computer is het mij - merkwaardig genoeg - nìet gelukt een waterdichte winst voor wit boven tafel te krijgen.
37.40-35 15-20 38.30-25 20-24
Evenals op de vorige zet ging 38...23-28?? 39.32x23 19x28 niet wegens 40.38-32! 28-33 41.39x28 22x33 42.27-21 met dam.
39.39-34! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 6, 8, 11, 12, 14, 16 t/m 19 en 22 t/m 24;
twaalf witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 34 t/m 38, 48 en 50.]
39...24-29
39...8-13 kwam nauwelijks in aanmerking omdat wit na 40.34-30 24-29(*) desgewenst altijd kan terugruilen met (41.)38-33! en (42.)32x43, waarna materiaalverlies voor zwart op den duur onvermijdelijk is. En op 39...14-20 40.25x14 19x10 had kunnen volgen 41.48-43! (ter voorbereiding van 42.34-30) en nu:
1) 41...8-13/10-14 42.43-39 10-14/8-13 43.34-30 13-19 44.50-45! (dit is veiliger dan 44.39-33 16-21!? enz.) en na het vrijwel gedwongen 44...16-21 45.27x7 12x1 46.45-40(!) 1-7 47.40-34(!) heeft zwart onvoldoende compensatie voor de verloren schijf.
2) 41...24-29 42.43-39 29x40 43.35x44 8-13 44.44-40 13-19 45.39-34 en nu luidt de naar mijn smaak meest karakteristieke variant 45...19-24 [eveneens kansloos is 45...10-14 46.40-35 14-20 47.50-44 19-24 (of 47...20-25 48.35-30! +) 48.34-30! 24-29 49.38-33! 29x38 50.32x43] 46.40-35 24-29 47.50-45 29x40 48.35x44 10-14 49.44-39 14-20 50.45-40 20-24 51.40-35! (zie analyse-diagram) en zwart moet binnen enkele zetten een schijf geven.

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 6, 11, 12, 16 t/m 18 en 22 t/m 24;
negen witte schijven op 26, 27, 31, 32 en 35 t/m 39.]
40.34-30! 14-20 41.25x14 19x10 42.30-25! 29-34
Wanhoop. Maar er viel al niets meer te redden; een enkel voorbeeldje: 42...10-14 43.35-30 8-13 44.38-33 29x38 45.32x43 23-29 46.37-32 13-19 (of 46...29-33 47.43-39 33x44 48.50x39 +) 47.30-24!! +.
43.48-43! (zie diagram)
De meest voor de hand liggende reactie. Maar wit staat inmiddels dermate superieur dat hij zich zelfs het frivole 43.50-45 had kunnen permitteren. Bijvoorbeeld 43...34-39 44.45-40 10-14 45.48-42! (niet 45.35-30? wegens 45...23-28! enz.) 45...8-13 46.35-30! (nu pas) 46...23-29 (wat anders?) 47.30-24! 29x20 48.38-33 39x28 49.32x23 18x29 50.27x9 14x3 51.25x14 +.

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 6, 8, 10 t/m 12, 16 t/m 18, 22, 23 en 34;
elf witte schijven op 25 t/m 27, 31, 32, 35 t/m 38, 43 en 50.]
43...8-13
Op 43...23-29 had 44.35-30! de beslissing gebracht. En na 43...10-14 44.50-45! ontbreekt het zwart aan een geschikte tempozet om 45.35-30 door de doorbraak 45...34-40 en 46...23-28 te (blijven) verhinderen.
Misschien was 43...10-14 44.50-45 23-29 45.35-30 22-28 46.30x39! (maar vooral niet 46.32x23? wegens 46...17-22!!, 47...29-33!, 48...12x41, 49...41-47 en 50...47x15 =) 46...28-33 (merk op dat zwart na 46...29-33?? 47.38x29! opnieuw in tempodwang zou verkeren!) 47.39x28 17-21 48.26x17 11x42 49.37x48 29-33 relatief nog het beste. Maar ook dan had zwart nauwelijks serieus tegenspel voor het verloren materiaal gehad.
44.50-45 13-19 45.35-30 19-24 46.30x28 22x42 47.37x48
Zwart geeft het op.
Bij onze bespreking van de partij Van den Akker-Van Berkel, NK
2007, waren we gebleven bij de volgende positie:

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 3, 5, 6, 8, 11 t/m 19, 23 en 24;
vijftien witte schijven op 25 t/m 27, 30, 32, 33, 35, 36, 38, 41 t/m 44, 48 en 50.]
Vanuit deze geladen stelling volgde er:
23...5-10
Een typische alles-of-niets zet, waarvan er nog meer zullen volgen. Op zich pleit het natuurlijk voor Van Berkel dat hij in voorwaartse richting blijft denken en spelen. Maar het is de vraag of hij geen gunstiger voorwaarden had kunnen creëren voor de klaverblad-opsluiting die straks op het bord komt. Ik heb althans de indruk (maar ook niet meer dan dat, haast ik mij eraan toe te voegen) dat onmiddellijk 23...15-20!? beter was. Immers: onderneemt wit niets bijzonders, dan komt zwart ongestoord tot 5-10-15 en - indien gewenst - de bevrijdende opstoot 24-29x29. Een op winst beluste witspeler zal dus - evenals in de partij - op ontruiming van veld 33 moeten aansturen. Maar 24.43-39?? (ter voorbereiding van het impliciet genoemde 33-28) verliest gewoon een schijf door simpel 24...23-28! 25.32x23 18x29! 26.27-22* 17x28 27.33x22 12-17. Derhalve dient wit eerst 24.41-37 te spelen, om pas na 24...5-10 met 25.43-39 te vervolgen. De volgende mogelijkheden, steeds in opklimmende volgorde van sterkte gepresenteerd, dienen zich dan aan:
1) 25...17-22? 26.37-31! 12-17 (gedwongen vanwege de positionele dreiging 27.33-28! 22x33 28.39x28) 27.42-37! 8-12 (zwart heeft er belang bij schijf 10 zo lang mogelijk te laten staan) 28.50-45! (op direct 28.44-40? was 28...23-28!, 29...19x28 en 30...17-21 mogelijk geweest; nu echter zou 28...23-28? 29.32x23 19x28 30.30x8 17-21 hardhandig falen op 31.8x17! 21x34 32.33-29!! 34x23 33.37-32! met dam op 5) 28...3-8 29.44-40! (zie analyse-diagram) en nu:

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 6, 8, 10 t/m 14, 16 t/m 20 en 22 t/m 24;
vijftien witte schijven op 25 t/m 27, 30 t/m 33, 35 t/m 40, 45 en 48.]
1.1) 29...10-15 30.48-43! en zwart verliest op z’n minst een schijf: er volgt ofwel 30...24-29 31.33x24 20x29 32.39-33 +, ofwel (nog veel verschrikkelijker) 30...23-29 31.39-34!! met dodelijke tempodwang.
1.2) 29...23-28 30.32x23 19x28 31.30x19 13x24 32.37-32! (van dit simpele terugruiltje gaat veel meer kracht uit dan van de damzet 32.35-30 enz., die niet meer dan remise oplevert) 32...28x37 33.31x42 22x31 34.26x37 en na 34...10-15 35.39-34! verkeert zwart in grote moeilijkheden. Daarvoor biedt in elk geval 35...8-13 36.34-30 13-19 37.40-34 18-22 (om de dreiging 38.34-29, 39.45-40 en 40.29-23 + te pareren) geen afdoende oplossing wegens 38.45-40!, bijvoorbeeld 38...16-21(?) 39.33-28! gevolgd door 40.38x29, 41.42-38 en 42.36x18 +.
Ziedaar waarom 25...17-22 mijns inziens niet goed is. Toch is daarmee nog niet alles over deze (sub-)variant gezegd. Want het is óók de moeite waard te onderzoeken waartoe in deze laatste spelgang 32.40-34?!! (zie analyse-diagram) precies leidt.

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 6, 8, 10 t/m 12, 14, 16 t/m 18, 20, 22, 24 en 28;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 31, 33 t/m 39, 45 en 48.]
Die schijnbaar krankzinnige zet blijkt namelijk wel degelijk speelbaar. Het enige bezwaar dat men er tegen kan aanvoeren, is dat zwart na 32...10-15 33.37-32 28x37 34.31x42 22x31 35.26x37 in de 2x2-ruil 35...24-30 een mogelijkheid heeft die hem met onmiddellijk 32.37-32 enz. wordt onthouden. (En men kan zich zelfs afvragen of dat wel een onoverkomelijk bezwaar is, daar wit ook na 36.35x24 20x40 37.45x34 nog steeds zeer overwegend zou staan...) 32.40-34 is echter allerminst een blunder. Want als zwart met het voor de hand liggende 32...17-21? (33.26x17) reageert, is het juist wit die aan het langste eind trekt! Men zie:
a) 33...12x41 34.36x47 en nu:
a.1) 34...8-13(??) 35.34-30! 13-19 36.31-27 +.
a.2) 34...16-21/18-23 35.34-30! 18-23/16-21 36.30x19, waarna de dreiging 37.39-34 + tot het nieuwe offer 36...10-15 37.19x10 15x4 38.25x14 + verplicht.
a.3) 34...28-32 35.38x27 en nu een laatste splitsing:
a.3.1) 35...8-13 36.34-30! 13-19 37.48-42! 11-17 38.42-37 met positionele vernietiging.
a.3.2) 35...10-15 36.34-30! (veel sterker dan de verleidelijke de damzet 36.27-21? 16x36 37.47-41 36x47 38.45-40 47x29 39.34x3, die na 39...24-30!! 40.35x24 20x29 41.3x17 11x22 in een 4x3-eindspel resulteert dat niet meer te winnen is) 36...24-29 37.33x24 20x29 38.39-34! 29x40 39.45x34 en zwart staat machteloos tegen de vijandelijke vleugelaanval.
b) 33...12x43 34.34-30! 43x34 35.30x19 28x39 36.35-30! 14x23 37.25x5 34x25 38.5x3 39-44 39.31-27! 44-50 40.37-31! 11-17* 41.3x26 18-23 42.26-12! 23-28 43.12-8! en zwart lijkt niet meer te kunnen verhinderen dat hij in het dammeneindspel een tweede schijf achter komt.
Vandaar dus 32...10-15. Overigens kon ik het evenmin laten na te gaan of wit (na 32.40-34 10-15) wellicht nog beter 33.34-30 (zie analyse-diagram) in plaats van 33.37-32 zou kunnen spelen.

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 6, 8, 11, 12, 14 t/m 18, 20, 22, 24 en 28;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 30, 31, 33, 35 t/m 39, 45 en 48.]
Dit nu blijkt niet het geval: hij houdt er géén serieuze winstkansen aan over. Maar het is wèl goed te bedenken dat zwart na 33...17-21* 34.30x10 21x34 35.25x14 onder geen beding met schijf 15 mag slaan (35...15x4?) wegens 36.31-27! 22x42 37.33x2 42-47 en nu 38.14-10!, 39.48-42! (39...47x29*), 40.35-30!, 41.26-21 en 42.2x24 +. En na het - derhalve - gedwongen 35...28x39 36.10-4 zou 36...39-44? op spectaculaire wijze verliezen door 37.26-21!, 38.37-32!, 39.35-30!, 40.31-27 en 41.4x16 +.
Maar na het correcte 36...11-17! is wit in zoverre uitgepraat dat hij niet meer op voordeel hoeft te rekenen. Al wil ik de - vanzelfsprekend door de computer aangedragen - remise-forcing waarover hij na 37.14-9 39-44 38.35-30 34x25 39.45-40 44x35 40.37-32 35-40?! zou beschikken, niet onvermeld laten: 41.32-28!! 22x33 42.26-21!! 17x37 43.9-3 en ondanks een voorsprong van zes(!!) schijven heeft zwart niet beter dan in 43...18-23 44.4-13 8x19 45.3x45 23-28 = te berusten.
2) 25...10-15(!) 26.33-28 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 3, 6, 8, 11 t/m 20, 23 en 24;
vijftien witte schijven op 25 t/m 28, 30, 32, 35 t/m 39, 42, 44, 48 en 50.]
26...17-22(!) 27.28x17 11x31 28.36x27 12-17(!), waarna het voor mij nog lang niet vaststaat dat de strijd tussen opsluiter en opgeslotene per definitie in het voordeel van de eerste zou moeten eindigen. In elk geval is zwart er ten opzichte van het partijverloop in zoverre op vooruitgegaan dat wit:
a) niet langer over het steunpunt 36 beschikt;
b) in 50, 44 en 39 liefst drie schijven heeft die vooralsnog(?) niet actief aan het spel deelnemen.
24.33-28(!) 17-22
Uit de notatie sec valt helaas niet af te leiden waarom Van Berkel de zet 15-20 niet al op dit moment speelde, in plaats van in de 13x13-stand na 24...17-22. Of heeft de zwartspeler wellicht overzien - wat ik mij overigens levendig zou kunnen voorstellen - dat hij (24...15-20) 25.43-39(?) met 25...24-29!! (zie analyse-diagram) kan beantwoorden?

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 3, 6, 8, 10 t/m 14, 16 t/m 20, 23 en 29;
vijftien witte schijven op 25 t/m 28, 30, 32, 35, 36, 38, 39, 41, 42, 44, 48 en 49.]
Hoe onwaarschijnlijk het ook moge lijken - het is een niet te loochenen feit dat wit zich op geen van de mogelijke damzetten naar 4 mag inlaten. Kijkt u maar:
1) 26.30-24 19x30 27.35x4 13-19! 28.4x22 14-20 29.25x14 19x10 30.28x19 17x46 +.
2) 26.26-21 17x26 27.30-24 19x30 28.35x4 14-20!! 29.25x14 12-17 30.28x19 13x24 31.4x22 17x46 +.
3) 26.26-21 17x26 27.36-31 26x46 28.28-22 46x17 29.39-33 17x39 30.44x4 14-20! 31.25x14 19x10 32.4x15 23-29 33.15x33 11-17 34.33x11 6x17 en ook nu zijn alle kansen aan zwart, bijvoorbeeld 35.42-37? (beter is 35.35-30) 35...17-21! enz.
Wits beste reactie op (25.43-39) 25...24-29 bestaat uit het bescheiden 26.39-33. Maar zelfs daarop zou zwart, ingeval hij 26...10-15 27.33x24 20x29 28.48-43 of het ambitieuzere 26...20-24 niet mocht vertrouwen, naar een puntendeling kunnen afwikkelen; men zie: 26...17-21!!? 27.33x4 19-24!! 28.30/28x10 12-17 29.28/30x19 13x24 30.4x22 17x46 31.26x17 11x31 32.36x27 46x5, waarna het wit is die middels 33.44-39, 34.42-37, 35.38-32 en 36.50x39 remise moet maken.
Betekent dit nu dat zwart met 24...15-20 al zijn problemen in één klap kon oplossen? Toch niet. Want met behulp van de (thematische) manoeuvre 25.27-21! 16x27 26.32x21 23x32 27.38x27 had wit de klaverblad-opsluiting wel degelijk kunnen handhaven. Maar zelfs in dat geval was 25...15-20 het proberen waard geweest, zeker wanneer men de stand na 26.27-21 afzet tegen die na 25...17-22 annex 27...15-20.
25.28x17 11x31 26.36x27 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 3, 6, 8, 10, 12 t/m 16, 18, 19, 23 en 24;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 30, 32, 35, 38, 41 t/m 44, 48 en 50.]
26...15-20?
Dit is een wel heel ongelukkig moment om ‘in’ de opsluiting te gaan staan. Het logische vervolg op zwarts vorige zet leek te bestaan uit 26...23-28(!) 27.32x23 19x28(!) 28.30x19 14x23, en het is mij vooralsnog niet duidelijk waarom Van Berkel die bevrijdende opstoot achterwege laat. Zo heeft zwart van een omsingeling als 29.42-37 13-19 30.38-32 10-14 31.43-38 8-13 32.44-39 15-20 enz. niets te vrezen, onder meer omdat 38-33? tòch steeds taboe is (3-8! en 16-21). Wits kansrijkste plan schuilt mijns inziens in de afruil van 28, hetzij meteen (29.38-33 28x39 30.44x33), hetzij na eerst 29.42-37 13-19 (30.38-33 28x39 31.44x33). Maar de positionele ongemakken die zwart dan nog ondervindt, zijn kinderspel vergeleken bij de levensgrote problemen waarmee hij in het partijverloop zal worden geconfronteerd...
27.42-37! 10-15 28.41-36! 12-17 29.37-31! 17-22 30.48-42?! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 3, 6, 8, 13 t/m 16, 18 t/m 20 en 22 t/m 24;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 30 t/m 32, 35, 36, 38, 42 t/m 44 en 50.]
Op het eerste gezicht lijkt dit een volstrekt normale, logische voortzetting. Toch was de inlas 30.44-39! aanmerkelijk nauwkeuriger geweest. (Waarbij aangetekend dient te worden dat het ruiltje 30...22-28 31.50-44/45 28x37 32.31x42 het witte voordeel geenszins aantast.) Het bezwaar van de tekstzet is namelijk dat zwart zich met behulp van een offer-op-lange-termijn volkomen kan loswerken; men zie: 30...22-28!! 31.42-37 28-33! 32.38x29 24x33 33.43-39 6-11! 34.39x28 11-17! 35.44-39 20-24!
Nu zou 36.39-33 (met de bedoeling 50-44-39 annex 28-22x22) niet meer dan een verwaarloos voordeeltje opleveren na 36...3-9! 37.50-44 23-29! 38.44-40 29x38 39.32x43 18-22 40.27x18 13x33 41.31-27 8-13 42.37-31 17-22 43.27x18 13x22 44.31-27 22x31 45.36x27 9-13 enz. En na 36.50-45 (op 36.50-44 doet zwart natuurlijk 36...24-29!) 36...8-12! 37.45-40 3-8! 38.39-33 (38.40-34 24-29!) heeft zwart het laatste tempo in 38...15-20!, zodat het zowaar wit is die naar remise moet afwikkelen door liefst vier schijven terug te geven: 39.26-21!! 17x26 40.27-22!! 18x29 41.40-34! 23x41 42.34x23 26x37 43.36x47 19x28 44.30x10 =.
Maar gelukkig voor Van den Akker zal ook Van Berkel deze verborgen redding over het hoofd zien:
30...8-12(?) 31.44-39! (zie diagram)
Nu (31...)22-28 daadwerkelijk van de baan is, is voor wit alles weer in orde.
Met de tekstzet is het laatste interessante moment van de partij aangebroken...

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 3, 6, 12 t/m 16, 18 t/m 20 en 22 t/m 24;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 30 t/m 32, 35, 36, 38, 39, 42, 43 en 50.]
31...12-17(??)
Na deze onzalige voortzetting, waarvoor ik als enige zinnige verklaring zou kunnen bedenken dat Van Berkel moet hebben gehoopt tot 32...22-28 en 33...17-22 te komen, wordt zwart gruwelijk overspeeld. Nu was het evenwicht naar alle waarschijnlijkheid tòch al beslissend verbroken, maar dit neemt niet weg dat wit na 31...6-11 nog wel enige probleempjes had moeten oplossen. Het meest voor de hand liggende vervolg luidt immers 32.42-37 11-17/3-8 33.50-45 3-8/11-17, waarop hij plotseling voor een lastige keuze blijkt te staan:
1) 34.45-40 23-28! 35.32x23 19x28 36.30x10 15x4 37.25x14 28-32 38.37x28 22x42 39.27-21 16x27 40.31x11 12-17 41.11x22 18x27 42.43-38 42x44 43.40x49 13-18 en het is zeer de vraag of het resterende 5x4-schijveneindspel nog wel te winnen is.
2) 34.39-34 24-29 35.45-40 (op zich een mooi plan) 35...20-24 36.43-39 (zie analyse-diagram) en nu:

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 8, 12 t/m 19, 22 t/m 24 en 29;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 30 t/m 32 en 34 t/m 40.]
2.1) 36...15-20(?) 37.39-33 en wit gaat inderdaad probleemloos winnen na 37...22-28 38.33x11 16x7 39.27-22! 18x27 40.31x22! +.
2.2) 36...22-28(!!) [zonder vrees voor 37.27-21 16x27 38.31x11 28-33! en 39...12-17 enz. =; en aan 37.27-21 16x27 38.31x33 heeft wit niets wegens 38...18-22! 39.37-31 (39.36-31?? 13-18! +) 39...14-20! 40.25x14 19x10 41.30x28 13-18! en altijd 42/43...22x42; dus:] 37.27-22 18x27 38.31x33 13-18! 39.33-28 8-13 (niet 39...18-22? 40.25-20! 22x31 41.20x9 +) 40.37-31 15-20! (en hier zou 40...18-22? schipbreuk lijden op 41.38-33!!, 42.25-20!, 43.20x20, 44.31x11 en 45.40x49 +) 41.39-33 18-22 42.31-27 22x31 43.36x27 (zie analyse-diagram) en nu een laatste splitsing:

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 12 t/m 14, 16, 17, 19, 20, 23, 24 en 29;
elf witte schijven op 25 t/m 28, 30, 32 t/m 35, 38 en 40.]
2.2.1) 43...12-18? (verbluffende parallel: langs een totaal andere weg is er nu een stelling uit de partij W. de Jong-Gournier, Brinta-toernooi 1963/1964, ontstaan!) 44.27-21! 16x27 45.32x12 23x43 46.12x23 19x39 47.30x10(!) 39x30 48.35x15 (Wim de Jong) en wit wint te allen tijde door overmacht.
2.2.2) 43...13-18? 44.26-21! 16x27 45.28-22 +.
2.2.3) 43...16-21!! 44.27x16 13-18! en ondanks een tijdelijke voorsprong van twee schijven zit er voor wit niet meer dan remise in!
Mochten deze varianten geen al te grote lekken bevatten (bij een dergelijke gecompliceerde, om niet te zeggen aalgladde materie kan men niet genoeg slagen-om-de-arm houden), dan luidt de conclusie dat wit het na 31...6-11 op enig moment van 27-21 (16x27) en 32x21 zal moeten hebben. Daar is op zich niets mis mee: ongetwijfeld moet er een versie te bedenken zijn (en waarschijnlijk zelfs meer dan één) waarin die manoeuvre - al dan niet in ‘hogere zin’ - de winst veilig stelt. Maar het is wèl goed te bedenken dat er uit niet minder dan zeven(!!) verschillende versies een keuze moet worden gemaakt! (Men ga dit na.) Dat had - inclusief de ‘schijnwinsten’ uit de varianten “1” en “2” - nogal wat rekenwerk van de witspeler gevergd, oneindig veel méér rekenwerk dan hij voor het partijverloop nodig zal hebben...
32.42-37!
Door (32...)22-28 uit de stand te halen berooft Van den Akker zijn tegenstander van diens allerlaatste serieuze plan.
32...6-11 33.50-45 3-9 34.45-40 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 9, 11, 13 t/m 20 en 22 t/m 24;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 30 t/m 32, 35 t/m 40 en 43.]
34...24-29
In plaats van capituleren.
35.30-24 19x30 36.35x33 13-19 37.27-21 16x27 38.32x12 18x7 39.37-32
Zo komt wit zelfs een tweede schijf voor (39...23-28 40.32x23 19x28 41.31-27 +). Zwart gaf het dan ook op.

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 3, 5, 6, 8, 11 t/m 19, 23 en 24;
vijftien witte schijven op 25 t/m 27, 30, 32, 33, 35, 36, 38, 41 t/m 44, 48 en 50.]
Vanuit deze geladen stelling volgde er:
23...5-10
Een typische alles-of-niets zet, waarvan er nog meer zullen volgen. Op zich pleit het natuurlijk voor Van Berkel dat hij in voorwaartse richting blijft denken en spelen. Maar het is de vraag of hij geen gunstiger voorwaarden had kunnen creëren voor de klaverblad-opsluiting die straks op het bord komt. Ik heb althans de indruk (maar ook niet meer dan dat, haast ik mij eraan toe te voegen) dat onmiddellijk 23...15-20!? beter was. Immers: onderneemt wit niets bijzonders, dan komt zwart ongestoord tot 5-10-15 en - indien gewenst - de bevrijdende opstoot 24-29x29. Een op winst beluste witspeler zal dus - evenals in de partij - op ontruiming van veld 33 moeten aansturen. Maar 24.43-39?? (ter voorbereiding van het impliciet genoemde 33-28) verliest gewoon een schijf door simpel 24...23-28! 25.32x23 18x29! 26.27-22* 17x28 27.33x22 12-17. Derhalve dient wit eerst 24.41-37 te spelen, om pas na 24...5-10 met 25.43-39 te vervolgen. De volgende mogelijkheden, steeds in opklimmende volgorde van sterkte gepresenteerd, dienen zich dan aan:
1) 25...17-22? 26.37-31! 12-17 (gedwongen vanwege de positionele dreiging 27.33-28! 22x33 28.39x28) 27.42-37! 8-12 (zwart heeft er belang bij schijf 10 zo lang mogelijk te laten staan) 28.50-45! (op direct 28.44-40? was 28...23-28!, 29...19x28 en 30...17-21 mogelijk geweest; nu echter zou 28...23-28? 29.32x23 19x28 30.30x8 17-21 hardhandig falen op 31.8x17! 21x34 32.33-29!! 34x23 33.37-32! met dam op 5) 28...3-8 29.44-40! (zie analyse-diagram) en nu:

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 6, 8, 10 t/m 14, 16 t/m 20 en 22 t/m 24;
vijftien witte schijven op 25 t/m 27, 30 t/m 33, 35 t/m 40, 45 en 48.]
1.1) 29...10-15 30.48-43! en zwart verliest op z’n minst een schijf: er volgt ofwel 30...24-29 31.33x24 20x29 32.39-33 +, ofwel (nog veel verschrikkelijker) 30...23-29 31.39-34!! met dodelijke tempodwang.
1.2) 29...23-28 30.32x23 19x28 31.30x19 13x24 32.37-32! (van dit simpele terugruiltje gaat veel meer kracht uit dan van de damzet 32.35-30 enz., die niet meer dan remise oplevert) 32...28x37 33.31x42 22x31 34.26x37 en na 34...10-15 35.39-34! verkeert zwart in grote moeilijkheden. Daarvoor biedt in elk geval 35...8-13 36.34-30 13-19 37.40-34 18-22 (om de dreiging 38.34-29, 39.45-40 en 40.29-23 + te pareren) geen afdoende oplossing wegens 38.45-40!, bijvoorbeeld 38...16-21(?) 39.33-28! gevolgd door 40.38x29, 41.42-38 en 42.36x18 +.
Ziedaar waarom 25...17-22 mijns inziens niet goed is. Toch is daarmee nog niet alles over deze (sub-)variant gezegd. Want het is óók de moeite waard te onderzoeken waartoe in deze laatste spelgang 32.40-34?!! (zie analyse-diagram) precies leidt.

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 6, 8, 10 t/m 12, 14, 16 t/m 18, 20, 22, 24 en 28;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 31, 33 t/m 39, 45 en 48.]
Die schijnbaar krankzinnige zet blijkt namelijk wel degelijk speelbaar. Het enige bezwaar dat men er tegen kan aanvoeren, is dat zwart na 32...10-15 33.37-32 28x37 34.31x42 22x31 35.26x37 in de 2x2-ruil 35...24-30 een mogelijkheid heeft die hem met onmiddellijk 32.37-32 enz. wordt onthouden. (En men kan zich zelfs afvragen of dat wel een onoverkomelijk bezwaar is, daar wit ook na 36.35x24 20x40 37.45x34 nog steeds zeer overwegend zou staan...) 32.40-34 is echter allerminst een blunder. Want als zwart met het voor de hand liggende 32...17-21? (33.26x17) reageert, is het juist wit die aan het langste eind trekt! Men zie:
a) 33...12x41 34.36x47 en nu:
a.1) 34...8-13(??) 35.34-30! 13-19 36.31-27 +.
a.2) 34...16-21/18-23 35.34-30! 18-23/16-21 36.30x19, waarna de dreiging 37.39-34 + tot het nieuwe offer 36...10-15 37.19x10 15x4 38.25x14 + verplicht.
a.3) 34...28-32 35.38x27 en nu een laatste splitsing:
a.3.1) 35...8-13 36.34-30! 13-19 37.48-42! 11-17 38.42-37 met positionele vernietiging.
a.3.2) 35...10-15 36.34-30! (veel sterker dan de verleidelijke de damzet 36.27-21? 16x36 37.47-41 36x47 38.45-40 47x29 39.34x3, die na 39...24-30!! 40.35x24 20x29 41.3x17 11x22 in een 4x3-eindspel resulteert dat niet meer te winnen is) 36...24-29 37.33x24 20x29 38.39-34! 29x40 39.45x34 en zwart staat machteloos tegen de vijandelijke vleugelaanval.
b) 33...12x43 34.34-30! 43x34 35.30x19 28x39 36.35-30! 14x23 37.25x5 34x25 38.5x3 39-44 39.31-27! 44-50 40.37-31! 11-17* 41.3x26 18-23 42.26-12! 23-28 43.12-8! en zwart lijkt niet meer te kunnen verhinderen dat hij in het dammeneindspel een tweede schijf achter komt.
Vandaar dus 32...10-15. Overigens kon ik het evenmin laten na te gaan of wit (na 32.40-34 10-15) wellicht nog beter 33.34-30 (zie analyse-diagram) in plaats van 33.37-32 zou kunnen spelen.

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 6, 8, 11, 12, 14 t/m 18, 20, 22, 24 en 28;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 30, 31, 33, 35 t/m 39, 45 en 48.]
Dit nu blijkt niet het geval: hij houdt er géén serieuze winstkansen aan over. Maar het is wèl goed te bedenken dat zwart na 33...17-21* 34.30x10 21x34 35.25x14 onder geen beding met schijf 15 mag slaan (35...15x4?) wegens 36.31-27! 22x42 37.33x2 42-47 en nu 38.14-10!, 39.48-42! (39...47x29*), 40.35-30!, 41.26-21 en 42.2x24 +. En na het - derhalve - gedwongen 35...28x39 36.10-4 zou 36...39-44? op spectaculaire wijze verliezen door 37.26-21!, 38.37-32!, 39.35-30!, 40.31-27 en 41.4x16 +.
Maar na het correcte 36...11-17! is wit in zoverre uitgepraat dat hij niet meer op voordeel hoeft te rekenen. Al wil ik de - vanzelfsprekend door de computer aangedragen - remise-forcing waarover hij na 37.14-9 39-44 38.35-30 34x25 39.45-40 44x35 40.37-32 35-40?! zou beschikken, niet onvermeld laten: 41.32-28!! 22x33 42.26-21!! 17x37 43.9-3 en ondanks een voorsprong van zes(!!) schijven heeft zwart niet beter dan in 43...18-23 44.4-13 8x19 45.3x45 23-28 = te berusten.
2) 25...10-15(!) 26.33-28 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 3, 6, 8, 11 t/m 20, 23 en 24;
vijftien witte schijven op 25 t/m 28, 30, 32, 35 t/m 39, 42, 44, 48 en 50.]
26...17-22(!) 27.28x17 11x31 28.36x27 12-17(!), waarna het voor mij nog lang niet vaststaat dat de strijd tussen opsluiter en opgeslotene per definitie in het voordeel van de eerste zou moeten eindigen. In elk geval is zwart er ten opzichte van het partijverloop in zoverre op vooruitgegaan dat wit:
a) niet langer over het steunpunt 36 beschikt;
b) in 50, 44 en 39 liefst drie schijven heeft die vooralsnog(?) niet actief aan het spel deelnemen.
24.33-28(!) 17-22
Uit de notatie sec valt helaas niet af te leiden waarom Van Berkel de zet 15-20 niet al op dit moment speelde, in plaats van in de 13x13-stand na 24...17-22. Of heeft de zwartspeler wellicht overzien - wat ik mij overigens levendig zou kunnen voorstellen - dat hij (24...15-20) 25.43-39(?) met 25...24-29!! (zie analyse-diagram) kan beantwoorden?

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 3, 6, 8, 10 t/m 14, 16 t/m 20, 23 en 29;
vijftien witte schijven op 25 t/m 28, 30, 32, 35, 36, 38, 39, 41, 42, 44, 48 en 49.]
Hoe onwaarschijnlijk het ook moge lijken - het is een niet te loochenen feit dat wit zich op geen van de mogelijke damzetten naar 4 mag inlaten. Kijkt u maar:
1) 26.30-24 19x30 27.35x4 13-19! 28.4x22 14-20 29.25x14 19x10 30.28x19 17x46 +.
2) 26.26-21 17x26 27.30-24 19x30 28.35x4 14-20!! 29.25x14 12-17 30.28x19 13x24 31.4x22 17x46 +.
3) 26.26-21 17x26 27.36-31 26x46 28.28-22 46x17 29.39-33 17x39 30.44x4 14-20! 31.25x14 19x10 32.4x15 23-29 33.15x33 11-17 34.33x11 6x17 en ook nu zijn alle kansen aan zwart, bijvoorbeeld 35.42-37? (beter is 35.35-30) 35...17-21! enz.
Wits beste reactie op (25.43-39) 25...24-29 bestaat uit het bescheiden 26.39-33. Maar zelfs daarop zou zwart, ingeval hij 26...10-15 27.33x24 20x29 28.48-43 of het ambitieuzere 26...20-24 niet mocht vertrouwen, naar een puntendeling kunnen afwikkelen; men zie: 26...17-21!!? 27.33x4 19-24!! 28.30/28x10 12-17 29.28/30x19 13x24 30.4x22 17x46 31.26x17 11x31 32.36x27 46x5, waarna het wit is die middels 33.44-39, 34.42-37, 35.38-32 en 36.50x39 remise moet maken.
Betekent dit nu dat zwart met 24...15-20 al zijn problemen in één klap kon oplossen? Toch niet. Want met behulp van de (thematische) manoeuvre 25.27-21! 16x27 26.32x21 23x32 27.38x27 had wit de klaverblad-opsluiting wel degelijk kunnen handhaven. Maar zelfs in dat geval was 25...15-20 het proberen waard geweest, zeker wanneer men de stand na 26.27-21 afzet tegen die na 25...17-22 annex 27...15-20.
25.28x17 11x31 26.36x27 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 3, 6, 8, 10, 12 t/m 16, 18, 19, 23 en 24;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 30, 32, 35, 38, 41 t/m 44, 48 en 50.]
26...15-20?
Dit is een wel heel ongelukkig moment om ‘in’ de opsluiting te gaan staan. Het logische vervolg op zwarts vorige zet leek te bestaan uit 26...23-28(!) 27.32x23 19x28(!) 28.30x19 14x23, en het is mij vooralsnog niet duidelijk waarom Van Berkel die bevrijdende opstoot achterwege laat. Zo heeft zwart van een omsingeling als 29.42-37 13-19 30.38-32 10-14 31.43-38 8-13 32.44-39 15-20 enz. niets te vrezen, onder meer omdat 38-33? tòch steeds taboe is (3-8! en 16-21). Wits kansrijkste plan schuilt mijns inziens in de afruil van 28, hetzij meteen (29.38-33 28x39 30.44x33), hetzij na eerst 29.42-37 13-19 (30.38-33 28x39 31.44x33). Maar de positionele ongemakken die zwart dan nog ondervindt, zijn kinderspel vergeleken bij de levensgrote problemen waarmee hij in het partijverloop zal worden geconfronteerd...
27.42-37! 10-15 28.41-36! 12-17 29.37-31! 17-22 30.48-42?! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 3, 6, 8, 13 t/m 16, 18 t/m 20 en 22 t/m 24;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 30 t/m 32, 35, 36, 38, 42 t/m 44 en 50.]
Op het eerste gezicht lijkt dit een volstrekt normale, logische voortzetting. Toch was de inlas 30.44-39! aanmerkelijk nauwkeuriger geweest. (Waarbij aangetekend dient te worden dat het ruiltje 30...22-28 31.50-44/45 28x37 32.31x42 het witte voordeel geenszins aantast.) Het bezwaar van de tekstzet is namelijk dat zwart zich met behulp van een offer-op-lange-termijn volkomen kan loswerken; men zie: 30...22-28!! 31.42-37 28-33! 32.38x29 24x33 33.43-39 6-11! 34.39x28 11-17! 35.44-39 20-24!
Nu zou 36.39-33 (met de bedoeling 50-44-39 annex 28-22x22) niet meer dan een verwaarloos voordeeltje opleveren na 36...3-9! 37.50-44 23-29! 38.44-40 29x38 39.32x43 18-22 40.27x18 13x33 41.31-27 8-13 42.37-31 17-22 43.27x18 13x22 44.31-27 22x31 45.36x27 9-13 enz. En na 36.50-45 (op 36.50-44 doet zwart natuurlijk 36...24-29!) 36...8-12! 37.45-40 3-8! 38.39-33 (38.40-34 24-29!) heeft zwart het laatste tempo in 38...15-20!, zodat het zowaar wit is die naar remise moet afwikkelen door liefst vier schijven terug te geven: 39.26-21!! 17x26 40.27-22!! 18x29 41.40-34! 23x41 42.34x23 26x37 43.36x47 19x28 44.30x10 =.
Maar gelukkig voor Van den Akker zal ook Van Berkel deze verborgen redding over het hoofd zien:
30...8-12(?) 31.44-39! (zie diagram)
Nu (31...)22-28 daadwerkelijk van de baan is, is voor wit alles weer in orde.
Met de tekstzet is het laatste interessante moment van de partij aangebroken...

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 3, 6, 12 t/m 16, 18 t/m 20 en 22 t/m 24;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 30 t/m 32, 35, 36, 38, 39, 42, 43 en 50.]
31...12-17(??)
Na deze onzalige voortzetting, waarvoor ik als enige zinnige verklaring zou kunnen bedenken dat Van Berkel moet hebben gehoopt tot 32...22-28 en 33...17-22 te komen, wordt zwart gruwelijk overspeeld. Nu was het evenwicht naar alle waarschijnlijkheid tòch al beslissend verbroken, maar dit neemt niet weg dat wit na 31...6-11 nog wel enige probleempjes had moeten oplossen. Het meest voor de hand liggende vervolg luidt immers 32.42-37 11-17/3-8 33.50-45 3-8/11-17, waarop hij plotseling voor een lastige keuze blijkt te staan:
1) 34.45-40 23-28! 35.32x23 19x28 36.30x10 15x4 37.25x14 28-32 38.37x28 22x42 39.27-21 16x27 40.31x11 12-17 41.11x22 18x27 42.43-38 42x44 43.40x49 13-18 en het is zeer de vraag of het resterende 5x4-schijveneindspel nog wel te winnen is.
2) 34.39-34 24-29 35.45-40 (op zich een mooi plan) 35...20-24 36.43-39 (zie analyse-diagram) en nu:

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 8, 12 t/m 19, 22 t/m 24 en 29;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 30 t/m 32 en 34 t/m 40.]
2.1) 36...15-20(?) 37.39-33 en wit gaat inderdaad probleemloos winnen na 37...22-28 38.33x11 16x7 39.27-22! 18x27 40.31x22! +.
2.2) 36...22-28(!!) [zonder vrees voor 37.27-21 16x27 38.31x11 28-33! en 39...12-17 enz. =; en aan 37.27-21 16x27 38.31x33 heeft wit niets wegens 38...18-22! 39.37-31 (39.36-31?? 13-18! +) 39...14-20! 40.25x14 19x10 41.30x28 13-18! en altijd 42/43...22x42; dus:] 37.27-22 18x27 38.31x33 13-18! 39.33-28 8-13 (niet 39...18-22? 40.25-20! 22x31 41.20x9 +) 40.37-31 15-20! (en hier zou 40...18-22? schipbreuk lijden op 41.38-33!!, 42.25-20!, 43.20x20, 44.31x11 en 45.40x49 +) 41.39-33 18-22 42.31-27 22x31 43.36x27 (zie analyse-diagram) en nu een laatste splitsing:

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 12 t/m 14, 16, 17, 19, 20, 23, 24 en 29;
elf witte schijven op 25 t/m 28, 30, 32 t/m 35, 38 en 40.]
2.2.1) 43...12-18? (verbluffende parallel: langs een totaal andere weg is er nu een stelling uit de partij W. de Jong-Gournier, Brinta-toernooi 1963/1964, ontstaan!) 44.27-21! 16x27 45.32x12 23x43 46.12x23 19x39 47.30x10(!) 39x30 48.35x15 (Wim de Jong) en wit wint te allen tijde door overmacht.
2.2.2) 43...13-18? 44.26-21! 16x27 45.28-22 +.
2.2.3) 43...16-21!! 44.27x16 13-18! en ondanks een tijdelijke voorsprong van twee schijven zit er voor wit niet meer dan remise in!
Mochten deze varianten geen al te grote lekken bevatten (bij een dergelijke gecompliceerde, om niet te zeggen aalgladde materie kan men niet genoeg slagen-om-de-arm houden), dan luidt de conclusie dat wit het na 31...6-11 op enig moment van 27-21 (16x27) en 32x21 zal moeten hebben. Daar is op zich niets mis mee: ongetwijfeld moet er een versie te bedenken zijn (en waarschijnlijk zelfs meer dan één) waarin die manoeuvre - al dan niet in ‘hogere zin’ - de winst veilig stelt. Maar het is wèl goed te bedenken dat er uit niet minder dan zeven(!!) verschillende versies een keuze moet worden gemaakt! (Men ga dit na.) Dat had - inclusief de ‘schijnwinsten’ uit de varianten “1” en “2” - nogal wat rekenwerk van de witspeler gevergd, oneindig veel méér rekenwerk dan hij voor het partijverloop nodig zal hebben...
32.42-37!
Door (32...)22-28 uit de stand te halen berooft Van den Akker zijn tegenstander van diens allerlaatste serieuze plan.
32...6-11 33.50-45 3-9 34.45-40 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 9, 11, 13 t/m 20 en 22 t/m 24;
dertien witte schijven op 25 t/m 27, 30 t/m 32, 35 t/m 40 en 43.]
34...24-29
In plaats van capituleren.
35.30-24 19x30 36.35x33 13-19 37.27-21 16x27 38.32x12 18x7 39.37-32
Zo komt wit zelfs een tweede schijf voor (39...23-28 40.32x23 19x28 41.31-27 +). Zwart gaf het dan ook op.
Het lijkt mij een goede gedachte om tijdens het toernooi om het
Nederlands kampioenschap 2007, dat afgelopen woensdag in Soest van
start is gegaan en tot volgende week zaterdag duurt, eens in de
drie à vier dagen (afhankelijk van tijd en/of inspiratie) een
partij integraal onder de loep te nemen. De eerste partij die ik in
dit kader bespreek, is die uit de openingsronde tussen Jeroen van
den Akker (wit) en Anton van Berkel.
Mijn keuze voor dit duel, waaraan ik eigenlijk al vanaf het allereerste moment ben blijven haken, is niet moeilijk te begrijpen voor wie zich nog herinnert dat ik ooit een artikelenserie in het vaktijdschrift DAMMEN als titel “De onweerstaanbare charme van de onvoltooide hekstelling” meegaf. En inderdaad: de door Van den Akker en Van Berkel gekozen openingsvariant behoort voor mij tot de mooiste en meest inspirerende openingsvarianten die het damspel kent!
Maar het speltype dat, nadat de onvoltooide hekstelling eenmaal is verbroken, langzaam maar zeker gestalte krijgt, te weten dat van de klaverblad-opsluiting, mag zich - zoals de trouwe Volkskrant-lezer in de loop der jaren ervaren heeft - eveneens in mijn warme belangstelling verheugen. Dit ondanks - of wellicht juist dankzij - het feit dat ik er eens hardhandig mee verloor (Sijbrands-Fijn van Draat, Utrechtse Bekercompetitie 1999), èn dat ik er in teampartij tegen Bram Goedhart heel even heel erg verloren mee kwam te staan. (Zie de rubriek van 1 oktober 1994.) Die belangstelling - om geen sterkere termen als fascinatie en dergelijke te bezigen - heeft primair betrekking op de vraag welke nu precies de voorwaarden zijn die maken dat zo’n opsluiting nu eens gunstig voor de opsluiter, dan weer gunstig voor de opgeslotene blijkt. Maar ook de vele, vaak buitengewoon verrassende tactische mogelijkheden die de fase vlak voor de 25ste zet bevat, maken voor mij deel uit van de bijzondere charme die van onderstaand duel uitgaat.
Maar oordeelt u vooral zèlf.
Van den Akker-Van Berkel
(1ste ronde NK 2007)
1.33-29 18-22 2.31-26 20-24 3.29x20 15x24
Deze openingsvariant, die (pas) in 1985 door drievoudig Nederlands kampioen Hans Jansen in de wedstrijdpraktijk geïntroduceerd werd en sindsdien in een kleine 150 partijen is voorgekomen, geniet ook onder top-grootmeesters een zekere populariteit. Een denkbaar bezwaar is dat wit met het saaie 4.32-28 22x33 5.38x20 14x25 zou kunnen reageren, zoals onder meer in de competitiepartij Watoetin-Wiersma van februari 2006 het geval was. Maar bij het scherpste tegenspel (en daar zal Van den Akker gelukkig voor kiezen!) kan er juist een buitengewoon interessante strijd uit voortvloeien.
4.34-30 13-18
Zwart gaat indirect akkoord met de formering van een onvoltooide hekstelling via 5.36-31 (5...18-23) en 6.32-27. Die had hij - desgewenst - uit de weg kunnen gaan door met 4...12-18 5.36-31 7-12 op te bouwen. 6.32-27(?) is dan namelijk hoogst onaantrekkelijk vanwege de opstoot 6...22-28!, zodat de witspelers doorgaans eerst 6.41-36 doen, om pas na 6...18-23 met 7.32-27 12/13-18 (onder meer Stokkel-H. Jansen, Groningen 1986) een orthodoxe of - zo men wil - ‘voltooide’ hekstelling op het bord te brengen. Datzelfde speltype kan wit ook nastreven door 4...12-18 niet met 5.36-31 maar met 5.37-31 18-23(*) en - op enig moment - 32-27 te beantwoorden. Zie bijvoorbeeld Gantwarg-Van der Wal, Nederland-USSR 1986, of de partij Wiersma-T. Delmotte uit het WK 1992, welk duel ook in mijn analyse van Van den Akker-Thijssen 2006 (eerder deze week op ditzelfde weblog) heel even ter sprake kwam.
5.36-31 18-23 6.32-27 12-18 7.37-32
De onvoltooide hekstelling, die zich (zoals wij allen weten of anders wel uit de vorige aantekening hadden begrepen) van de ‘gewone’ hekstelling onderscheidt door de afwezigheid van een witte schijf op veld 36, is een feit.
7...8-13
De gebruikelijke opbouw. Enkel en alleen in de partij Baljakin-Bromberg, kamp. USSR 1988, richtte de zwartspeler (na eerst nog 7...7-12 8.41-37) zijn stand met 8...9-13 en 9...4-9 in. (Baljakin zou dit duel, dat in de Volkskrant van 2 april 1988 besproken werd, op prachtige wijze winnen.)
8.41-37 7-12 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negentien zwarte schijven op 1 t/m 6, 9 t/m 14, 16 t/m 19 en 22 t/m 24;
negentien witte schijven op 26, 27, 30 t/m 32, 35, 37 t/m 40 en 42 t/m 46.]
9.30-25
Dit is, ook al zijn we nog maar acht luttele zetten onderweg, beslist geen moment om achteloos aan voorbij te gaan. Ik zal proberen uit te leggen wat er aan de hand is.
In de onvoltooide hekstelling gaat wit, behalve 36, ook bezetting van veld 33 doorgaans liever uit de weg. Daarom zal hij vanuit de diagramstand bij voorkeur naar de formering van het klaverblad 35/30/25 streven. De tekstzet lijkt daar een logische aanzet toe te vormen. Maar of het ook werkelijk de meest geschikte beginzet is, staat nog te bezien. Want na 9.30-25 1-7 kan zwart op 10.39-34 (of eerst nog 10.46-41 2-8 en dan pas 11.39-34) met de 2x2-ruil 10/11...24-30 11/12.35x24 19x39 12/13.43x34 reageren, terwijl 10.40-34 (of eerst nog 10.46-41 2-8 en dan pas 11.40-34) de decorwisseling 10/11...23-28 mogelijk zou maken.
Om die beide varianten te omzeilen, houdt men de zet 30-25 ook wel achter de hand, om in plaats daarvan met 9.40-34 van start te gaan. De achterliggende gedachte is dat wit dan na 9...1-7 10.45-40(!) via een kleine omweg (en - vooral - onder vermijding van de zojuist genoemde decorwisseling!) alsnog tot een opstelling met 30-25 en 34-30 komt. (Zie onder meer Baljakin-Korenjewski, kamp. USSR 1989.) Maar ook die speelwijze kan zwart - indien gewenst - ‘torpederen’. Hij zou 9.40-34 namelijk ook met 9...14-20 10.30-25 en nu het temporiserende 10...24-29 11.25x14 29x40 12.45x34 9x20 kunnen beantwoorden. Niet dat dat op zich zo rampzalig zou zijn: er is geen reden te bedenken waarom wit in de stand na 12...9x20 niet op z’n minst gelijkwaardig zou staan. Maar de romantische spelbeelden die kunnen optreden wanneer zwart nìet de gelegenheid krijgt zich van het eigen stuk op 24 te ontdoen en derhalve binnen afzienbare tijd de vijandelijke bordhelft zal moeten betreden (22-28 dan wel 23-28x28), zijn toch een beetje van de baan. En inderdaad: in de drie partijen waarin dit specifieke variantje tot dusver is voorgekomen (in chronologische volgorde zijn dat Tsjizjow-Clerc, WK-rapid 1999; M. Nas-Wiersma, clubcompetitie 2000/2001; en B. Zwart-Krajenbrink, Nijmegen 2003), verdween de hekstelling al in een betrekkelijk vroeg stadium (nog vóór de 26ste zet) van het bord, met drie puntendelingen als resultaat...
Daarom bestaat wits meest nauwkeurigste zet naar mijn smaak (en het is goed voor ogen te houden dat het in de openingsfase vaak letterlijk een kwestie van - zeer persoonlijke - smaak betreft) niet uit 9/10.30-25, noch uit 9.40-34 maar uit 9.39-34(!) Alleen daarmee lukt het wit alle zojuist gesignaleerde ‘bezwaren’ te ondervangen. Immers: anders dan na 9.40-34 enz. heeft zwart na 9.39-34 14-20 10.30-25(!) geen mogelijkheden om 24 op te lossen. En in vrijwel alle andere gevallen komt wit via 10.44-39 (en eventueel nog 11.46-41) langzaam maar zeker tot de gewenste opstelling met 11/12.30-25 en 12/13.34-30.
Moeilijk te vinden? Nee hoor, althans nìet voor wie zijn “klassieken” kent. Want 9.39-34(!) werd nota bene al gespeeld in de allereerste partij waarin de stand na 1.33-29 18-22 2.31-26 20-24 3.29x20 15x24 vóórkwam, te weten het competitieduel Wiersma-H. Jansen van november 1985! En ook in menig andere grootmeesterpartij (ik noem slechts Baljakin-Valneris, kamp. USSR 1990, en Scholma-Valneris, Westerhaar-Riga 1990) namen de witspelers een opstelling met 9.39-34 in. Overigens ging het in de ‘stampartij’ na 9.39-34 1-7 10.44-39 verder met 10...10-15 11.30-25 14-20 12.25x14 19x10 13.50-44 en nu het opmerkelijke 13...24-29. De fraaie wijze waarop Wiersma als het ware om de vijandelijke voorpost heen speelde en zijn tegenstander uiteindelijk in beslissende temponood wist te brengen, heb ik destijds in mijn Volkskrant-rubriek (23-11-1985) beschreven.
9...1-7 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negentien zwarte schijven op 2 t/m 7, 9 t/m 14, 16 t/m 19 en 22 t/m 24;
negentien witte schijven op 25 t/m 27, 31 32, 35, 37 t/m 40 en 42 t/m 50.]
10.40-34
Het alternatief luidt - zoals gezegd - 10.39-34, al zou ik mij goed kunnen voorstellen dat een witspeler die op het volle pond uit, de kaalslag-variant 10...24-30 11.35x24 19x39 12.43x34 23-28 13.32x23 18x29 14.34x23 2-8 15.27x18 13x22 liever niet toelaat. Eerst 10.46-41 2-8 en dan pas 11.39-34 brengt daar niet veel verandering in, omdat wit zich na 11...24-30 12.35x24 19x39 13.43x34 23-28 14.32x23 18x29 15.34x23 10-15 16.27x18 13x22 nog steeds niet aan het (ambitieuze) tegenoffer 17.31-27 22x31 mag vergrijpen: anders dan in (iets) ‘dunnere’ standen kan zwart de vijandelijke voorpost middels 18/19...4-10! onder zware druk zetten.
Daarentegen was 10.46-41 2-8 11.40-34 wellicht een fractie subtieler geweest. Immers: na 11...23-28 12.32x23 18x40 13.45x34(!) zou zwart - aangenomen tenminste dat deze niet voor 13...24-30 voelt - het tempo 13...10-15 14.27x18 12x23 moeten maken, welke zet hij in de partij kan uitsparen. Een vierde en laatste alternatief voor de tekstzet had wit in 10.46-41 2-8 11.41-36, om pas op 11...10-15 met 12.40-34 te vervolgen: de 3x3-ruil 12...23-28 zou zwart dan wel erg compromitteren. Maar wit moet in dat geval wèl bereid zijn de stand na 11...23-28 12.32x23 19x28 13.47-41 17-21 14.26x17 12x32 15.38x27 te spelen, èn hij zou over zijn (eventuele) bezwaren tegen de transformatie van een onvoltooide in een orthodoxe hekstelling moeten heenstappen.
Ten slotte wil ik er nog op wijzen dat, hoe zelden de precieze stand na 9...1-7 (of die na 10.46-41 2-8) zich ook moge hebben voorgedaan, de bedoelde stelling met verwisselde kleuren en 10 op 15 juist menigmaal is voorgekomen. Toegegeven: vanuit de bekende openingsvariant 1.32-28 18-23 2.33-29 23x32 3.37x28 20-25 4.41-37 17-21 zullen de witspelers, als zij al niet de opstoot 5.29-24 19x30 6.35x24 plaatsen, doorgaans met (5/8.)37-32 opbouwen; men denke in dit verband bijvoorbeeld aan de legendarische partij Sjtsjogoljew-Bronstring uit het toernooi van Den Haag 1967.
(Voor wie het vergeten mocht zijn: het vervolg luidde 5.37-32 15-20 6.39-33 19-24 7.44-39 21-26 8.50-44 26x37 9.42x31 14-19 10.46-41 16-21 11.41-37 10-14 12.31-26 5-10 13.26x17 12x21 14.28-23!? 19x28 15.32x23 21-27!? enz. enz. Nog altijd prijs ik mij gelukkig de prachtige tijd te hebben meegemaakt waarin er zo weldadig gedamd werd!)
Maar het komt eveneens voor dat de witspelers, na bijvoorbeeld eerst 5.39-33 15-20 6.44-39 19-24 en eventueel nog 7.50-44 14-19 te hebben gedaan, de behoefte voelen schijf 49 te activeren en hun stand met 8.38-32 en 9.43-38 inrichten. En als zwart schijf 21 dan aan de bordrand parkeert (8/9...21-26) en wit op enig moment 31-27 doet, is in feite dezelfde positie als in het diagram ontstaan! Het enige verschil is dat de ‘aanvaller’ een tempo méér heeft, maar so what?
Overigens: ook met betrekking tot de stelling met verwisselde kleuren (en schijf 10 dus al op veld 15) bestaat er weinig eensgezindheid over de vraag wat de beste dan wel aantrekkelijkste zet is. Vrijwel iedereen speelt wel eerst “10.46-41”, maar na “10...2-8” (en vanaf nu stop ik met het gebruik van aanhalingstekentjes; de lezer dient zèlf maar te onthouden dat 10 op 15 staat) doet men zowel 11.39-34 (belangrijkste pleitbezorger: Tjeerd Harmsma) als 11.40-34. Die laatste zet is weliswaar in de minderheid maar heeft wèl aanhangers in (onder anderen) Virni, Goloebjewa en Kirzner...
Maar keren wij na dit openings-theoretisch uitstapje weer terug naar dìe partij waar het allemaal om begonnen was.
10...23-28
In de tot op heden enige(!) partij waarin de stand na 10.40-34 zich heeft voorgedaan, te weten die tussen Bert Zwart (wit) en het Oekraïense talent Joeri Anikejew (Salou 2004), werd hier vervolgd met 10...24-30 11.35x24 19x30. Met de tekstzet daarentegen verbreekt Van Berkel de (onvoltooide) hekstelling, wellicht in de hoop te zijner tijd van de vijandelijke randschijf op 26 te kunnen profiteren. Maar afgezien van het feit dat die hoop ijdel zal blijken (en dat het - integendeel - juist wit is die de onvoldoende ontwikkelde linker vleugel van zijn tegenstander op de korrel gaat nemen!), zou men kunnen opmerken dat de zwartspeler zijn licht enigszins(?) onder de korenmaat laat schijnen. Want was het niet Van Berkel die, bij zijn rentree in het NK van vorig jaar, niemand minder dan Baljakin in - uitgerekend - een hekstellingpartij wist te verrassen en een sensationele nederlaag toe te brengen?
Hoe dan ook - voor de liefhebbers van de hekstelling in het algemeen, en de onvoltooide of (ook wel) “Bronstring-hekstelling” in het bijzonder, is het jammer dat de zwartspeler tot de vereenvoudiging 10...23-28 overgaat. Maar voor de liefhebbers van klaverblad-opsluitingen zal de tekstzet juist een zegen blijken...
11.32x23 18x40 12.45x34 2-8 13.27x18 12x23 14.46-41 13-18 15.38-33(!) 9-13
Via een kleine omwisseling-van-zetten (in plaats van 9.30-25 was er 9.46-41 1-7 10.40-34 23-28 gespeeld) ontstond deze zelfde stelling ook in het competitieduel Mathijsen-Korenjewski van maart 1990. Maar anders dan Van Berkel liet Korenjewski het zich niet bewijzen: voordat het er te laat voor zou zijn, bracht de Russische grootmeester (die begin jaren tachtig zelfs een serieuze WK-kandidaat was maar inmiddels geheel uit de damwereld verdwenen lijkt) zijn linker vleugel met 15...14-20 16.25x14 9x20 tot ontwikkeling. Mathijsen verkreeg/behield echter bevredigend spel, met een volkomen gelijkwaardige remise als resultaat.
16.34-29(!) 23x34 17.39x30
Legt de vijandelijke linker vleugel aan banden.
17...4-9 18.43-38 18-23 19.49-43 7-12 20.41-36 13-18 21.47-41(!) 9-13 22.31-27(!) 10-15 23.37-32 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 3, 5, 6, 8, 11 t/m 19, 23 en 24;
vijftien witte schijven op 25 t/m 27, 30, 32, 33, 35, 36, 38, 41 t/m 44, 48 en 50.]
Van den Akker speelt het mooi: pas nu 10 op 15 staat, laat hij de terugruil 23...24-29, 24...23-28 en 25...18x20 toe. Zwart zou dan namelijk nog lang geen gelijk spel hebben, ook niet na de nieuwe terugtocht 26...19-23, 27...14-19 en 28...19x10.
(WORDT VERVOLGD)
Mijn keuze voor dit duel, waaraan ik eigenlijk al vanaf het allereerste moment ben blijven haken, is niet moeilijk te begrijpen voor wie zich nog herinnert dat ik ooit een artikelenserie in het vaktijdschrift DAMMEN als titel “De onweerstaanbare charme van de onvoltooide hekstelling” meegaf. En inderdaad: de door Van den Akker en Van Berkel gekozen openingsvariant behoort voor mij tot de mooiste en meest inspirerende openingsvarianten die het damspel kent!
Maar het speltype dat, nadat de onvoltooide hekstelling eenmaal is verbroken, langzaam maar zeker gestalte krijgt, te weten dat van de klaverblad-opsluiting, mag zich - zoals de trouwe Volkskrant-lezer in de loop der jaren ervaren heeft - eveneens in mijn warme belangstelling verheugen. Dit ondanks - of wellicht juist dankzij - het feit dat ik er eens hardhandig mee verloor (Sijbrands-Fijn van Draat, Utrechtse Bekercompetitie 1999), èn dat ik er in teampartij tegen Bram Goedhart heel even heel erg verloren mee kwam te staan. (Zie de rubriek van 1 oktober 1994.) Die belangstelling - om geen sterkere termen als fascinatie en dergelijke te bezigen - heeft primair betrekking op de vraag welke nu precies de voorwaarden zijn die maken dat zo’n opsluiting nu eens gunstig voor de opsluiter, dan weer gunstig voor de opgeslotene blijkt. Maar ook de vele, vaak buitengewoon verrassende tactische mogelijkheden die de fase vlak voor de 25ste zet bevat, maken voor mij deel uit van de bijzondere charme die van onderstaand duel uitgaat.
Maar oordeelt u vooral zèlf.
Van den Akker-Van Berkel
(1ste ronde NK 2007)
1.33-29 18-22 2.31-26 20-24 3.29x20 15x24
Deze openingsvariant, die (pas) in 1985 door drievoudig Nederlands kampioen Hans Jansen in de wedstrijdpraktijk geïntroduceerd werd en sindsdien in een kleine 150 partijen is voorgekomen, geniet ook onder top-grootmeesters een zekere populariteit. Een denkbaar bezwaar is dat wit met het saaie 4.32-28 22x33 5.38x20 14x25 zou kunnen reageren, zoals onder meer in de competitiepartij Watoetin-Wiersma van februari 2006 het geval was. Maar bij het scherpste tegenspel (en daar zal Van den Akker gelukkig voor kiezen!) kan er juist een buitengewoon interessante strijd uit voortvloeien.
4.34-30 13-18
Zwart gaat indirect akkoord met de formering van een onvoltooide hekstelling via 5.36-31 (5...18-23) en 6.32-27. Die had hij - desgewenst - uit de weg kunnen gaan door met 4...12-18 5.36-31 7-12 op te bouwen. 6.32-27(?) is dan namelijk hoogst onaantrekkelijk vanwege de opstoot 6...22-28!, zodat de witspelers doorgaans eerst 6.41-36 doen, om pas na 6...18-23 met 7.32-27 12/13-18 (onder meer Stokkel-H. Jansen, Groningen 1986) een orthodoxe of - zo men wil - ‘voltooide’ hekstelling op het bord te brengen. Datzelfde speltype kan wit ook nastreven door 4...12-18 niet met 5.36-31 maar met 5.37-31 18-23(*) en - op enig moment - 32-27 te beantwoorden. Zie bijvoorbeeld Gantwarg-Van der Wal, Nederland-USSR 1986, of de partij Wiersma-T. Delmotte uit het WK 1992, welk duel ook in mijn analyse van Van den Akker-Thijssen 2006 (eerder deze week op ditzelfde weblog) heel even ter sprake kwam.
5.36-31 18-23 6.32-27 12-18 7.37-32
De onvoltooide hekstelling, die zich (zoals wij allen weten of anders wel uit de vorige aantekening hadden begrepen) van de ‘gewone’ hekstelling onderscheidt door de afwezigheid van een witte schijf op veld 36, is een feit.
7...8-13
De gebruikelijke opbouw. Enkel en alleen in de partij Baljakin-Bromberg, kamp. USSR 1988, richtte de zwartspeler (na eerst nog 7...7-12 8.41-37) zijn stand met 8...9-13 en 9...4-9 in. (Baljakin zou dit duel, dat in de Volkskrant van 2 april 1988 besproken werd, op prachtige wijze winnen.)
8.41-37 7-12 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negentien zwarte schijven op 1 t/m 6, 9 t/m 14, 16 t/m 19 en 22 t/m 24;
negentien witte schijven op 26, 27, 30 t/m 32, 35, 37 t/m 40 en 42 t/m 46.]
9.30-25
Dit is, ook al zijn we nog maar acht luttele zetten onderweg, beslist geen moment om achteloos aan voorbij te gaan. Ik zal proberen uit te leggen wat er aan de hand is.
In de onvoltooide hekstelling gaat wit, behalve 36, ook bezetting van veld 33 doorgaans liever uit de weg. Daarom zal hij vanuit de diagramstand bij voorkeur naar de formering van het klaverblad 35/30/25 streven. De tekstzet lijkt daar een logische aanzet toe te vormen. Maar of het ook werkelijk de meest geschikte beginzet is, staat nog te bezien. Want na 9.30-25 1-7 kan zwart op 10.39-34 (of eerst nog 10.46-41 2-8 en dan pas 11.39-34) met de 2x2-ruil 10/11...24-30 11/12.35x24 19x39 12/13.43x34 reageren, terwijl 10.40-34 (of eerst nog 10.46-41 2-8 en dan pas 11.40-34) de decorwisseling 10/11...23-28 mogelijk zou maken.
Om die beide varianten te omzeilen, houdt men de zet 30-25 ook wel achter de hand, om in plaats daarvan met 9.40-34 van start te gaan. De achterliggende gedachte is dat wit dan na 9...1-7 10.45-40(!) via een kleine omweg (en - vooral - onder vermijding van de zojuist genoemde decorwisseling!) alsnog tot een opstelling met 30-25 en 34-30 komt. (Zie onder meer Baljakin-Korenjewski, kamp. USSR 1989.) Maar ook die speelwijze kan zwart - indien gewenst - ‘torpederen’. Hij zou 9.40-34 namelijk ook met 9...14-20 10.30-25 en nu het temporiserende 10...24-29 11.25x14 29x40 12.45x34 9x20 kunnen beantwoorden. Niet dat dat op zich zo rampzalig zou zijn: er is geen reden te bedenken waarom wit in de stand na 12...9x20 niet op z’n minst gelijkwaardig zou staan. Maar de romantische spelbeelden die kunnen optreden wanneer zwart nìet de gelegenheid krijgt zich van het eigen stuk op 24 te ontdoen en derhalve binnen afzienbare tijd de vijandelijke bordhelft zal moeten betreden (22-28 dan wel 23-28x28), zijn toch een beetje van de baan. En inderdaad: in de drie partijen waarin dit specifieke variantje tot dusver is voorgekomen (in chronologische volgorde zijn dat Tsjizjow-Clerc, WK-rapid 1999; M. Nas-Wiersma, clubcompetitie 2000/2001; en B. Zwart-Krajenbrink, Nijmegen 2003), verdween de hekstelling al in een betrekkelijk vroeg stadium (nog vóór de 26ste zet) van het bord, met drie puntendelingen als resultaat...
Daarom bestaat wits meest nauwkeurigste zet naar mijn smaak (en het is goed voor ogen te houden dat het in de openingsfase vaak letterlijk een kwestie van - zeer persoonlijke - smaak betreft) niet uit 9/10.30-25, noch uit 9.40-34 maar uit 9.39-34(!) Alleen daarmee lukt het wit alle zojuist gesignaleerde ‘bezwaren’ te ondervangen. Immers: anders dan na 9.40-34 enz. heeft zwart na 9.39-34 14-20 10.30-25(!) geen mogelijkheden om 24 op te lossen. En in vrijwel alle andere gevallen komt wit via 10.44-39 (en eventueel nog 11.46-41) langzaam maar zeker tot de gewenste opstelling met 11/12.30-25 en 12/13.34-30.
Moeilijk te vinden? Nee hoor, althans nìet voor wie zijn “klassieken” kent. Want 9.39-34(!) werd nota bene al gespeeld in de allereerste partij waarin de stand na 1.33-29 18-22 2.31-26 20-24 3.29x20 15x24 vóórkwam, te weten het competitieduel Wiersma-H. Jansen van november 1985! En ook in menig andere grootmeesterpartij (ik noem slechts Baljakin-Valneris, kamp. USSR 1990, en Scholma-Valneris, Westerhaar-Riga 1990) namen de witspelers een opstelling met 9.39-34 in. Overigens ging het in de ‘stampartij’ na 9.39-34 1-7 10.44-39 verder met 10...10-15 11.30-25 14-20 12.25x14 19x10 13.50-44 en nu het opmerkelijke 13...24-29. De fraaie wijze waarop Wiersma als het ware om de vijandelijke voorpost heen speelde en zijn tegenstander uiteindelijk in beslissende temponood wist te brengen, heb ik destijds in mijn Volkskrant-rubriek (23-11-1985) beschreven.
9...1-7 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negentien zwarte schijven op 2 t/m 7, 9 t/m 14, 16 t/m 19 en 22 t/m 24;
negentien witte schijven op 25 t/m 27, 31 32, 35, 37 t/m 40 en 42 t/m 50.]
10.40-34
Het alternatief luidt - zoals gezegd - 10.39-34, al zou ik mij goed kunnen voorstellen dat een witspeler die op het volle pond uit, de kaalslag-variant 10...24-30 11.35x24 19x39 12.43x34 23-28 13.32x23 18x29 14.34x23 2-8 15.27x18 13x22 liever niet toelaat. Eerst 10.46-41 2-8 en dan pas 11.39-34 brengt daar niet veel verandering in, omdat wit zich na 11...24-30 12.35x24 19x39 13.43x34 23-28 14.32x23 18x29 15.34x23 10-15 16.27x18 13x22 nog steeds niet aan het (ambitieuze) tegenoffer 17.31-27 22x31 mag vergrijpen: anders dan in (iets) ‘dunnere’ standen kan zwart de vijandelijke voorpost middels 18/19...4-10! onder zware druk zetten.
Daarentegen was 10.46-41 2-8 11.40-34 wellicht een fractie subtieler geweest. Immers: na 11...23-28 12.32x23 18x40 13.45x34(!) zou zwart - aangenomen tenminste dat deze niet voor 13...24-30 voelt - het tempo 13...10-15 14.27x18 12x23 moeten maken, welke zet hij in de partij kan uitsparen. Een vierde en laatste alternatief voor de tekstzet had wit in 10.46-41 2-8 11.41-36, om pas op 11...10-15 met 12.40-34 te vervolgen: de 3x3-ruil 12...23-28 zou zwart dan wel erg compromitteren. Maar wit moet in dat geval wèl bereid zijn de stand na 11...23-28 12.32x23 19x28 13.47-41 17-21 14.26x17 12x32 15.38x27 te spelen, èn hij zou over zijn (eventuele) bezwaren tegen de transformatie van een onvoltooide in een orthodoxe hekstelling moeten heenstappen.
Ten slotte wil ik er nog op wijzen dat, hoe zelden de precieze stand na 9...1-7 (of die na 10.46-41 2-8) zich ook moge hebben voorgedaan, de bedoelde stelling met verwisselde kleuren en 10 op 15 juist menigmaal is voorgekomen. Toegegeven: vanuit de bekende openingsvariant 1.32-28 18-23 2.33-29 23x32 3.37x28 20-25 4.41-37 17-21 zullen de witspelers, als zij al niet de opstoot 5.29-24 19x30 6.35x24 plaatsen, doorgaans met (5/8.)37-32 opbouwen; men denke in dit verband bijvoorbeeld aan de legendarische partij Sjtsjogoljew-Bronstring uit het toernooi van Den Haag 1967.
(Voor wie het vergeten mocht zijn: het vervolg luidde 5.37-32 15-20 6.39-33 19-24 7.44-39 21-26 8.50-44 26x37 9.42x31 14-19 10.46-41 16-21 11.41-37 10-14 12.31-26 5-10 13.26x17 12x21 14.28-23!? 19x28 15.32x23 21-27!? enz. enz. Nog altijd prijs ik mij gelukkig de prachtige tijd te hebben meegemaakt waarin er zo weldadig gedamd werd!)
Maar het komt eveneens voor dat de witspelers, na bijvoorbeeld eerst 5.39-33 15-20 6.44-39 19-24 en eventueel nog 7.50-44 14-19 te hebben gedaan, de behoefte voelen schijf 49 te activeren en hun stand met 8.38-32 en 9.43-38 inrichten. En als zwart schijf 21 dan aan de bordrand parkeert (8/9...21-26) en wit op enig moment 31-27 doet, is in feite dezelfde positie als in het diagram ontstaan! Het enige verschil is dat de ‘aanvaller’ een tempo méér heeft, maar so what?
Overigens: ook met betrekking tot de stelling met verwisselde kleuren (en schijf 10 dus al op veld 15) bestaat er weinig eensgezindheid over de vraag wat de beste dan wel aantrekkelijkste zet is. Vrijwel iedereen speelt wel eerst “10.46-41”, maar na “10...2-8” (en vanaf nu stop ik met het gebruik van aanhalingstekentjes; de lezer dient zèlf maar te onthouden dat 10 op 15 staat) doet men zowel 11.39-34 (belangrijkste pleitbezorger: Tjeerd Harmsma) als 11.40-34. Die laatste zet is weliswaar in de minderheid maar heeft wèl aanhangers in (onder anderen) Virni, Goloebjewa en Kirzner...
Maar keren wij na dit openings-theoretisch uitstapje weer terug naar dìe partij waar het allemaal om begonnen was.
10...23-28
In de tot op heden enige(!) partij waarin de stand na 10.40-34 zich heeft voorgedaan, te weten die tussen Bert Zwart (wit) en het Oekraïense talent Joeri Anikejew (Salou 2004), werd hier vervolgd met 10...24-30 11.35x24 19x30. Met de tekstzet daarentegen verbreekt Van Berkel de (onvoltooide) hekstelling, wellicht in de hoop te zijner tijd van de vijandelijke randschijf op 26 te kunnen profiteren. Maar afgezien van het feit dat die hoop ijdel zal blijken (en dat het - integendeel - juist wit is die de onvoldoende ontwikkelde linker vleugel van zijn tegenstander op de korrel gaat nemen!), zou men kunnen opmerken dat de zwartspeler zijn licht enigszins(?) onder de korenmaat laat schijnen. Want was het niet Van Berkel die, bij zijn rentree in het NK van vorig jaar, niemand minder dan Baljakin in - uitgerekend - een hekstellingpartij wist te verrassen en een sensationele nederlaag toe te brengen?
Hoe dan ook - voor de liefhebbers van de hekstelling in het algemeen, en de onvoltooide of (ook wel) “Bronstring-hekstelling” in het bijzonder, is het jammer dat de zwartspeler tot de vereenvoudiging 10...23-28 overgaat. Maar voor de liefhebbers van klaverblad-opsluitingen zal de tekstzet juist een zegen blijken...
11.32x23 18x40 12.45x34 2-8 13.27x18 12x23 14.46-41 13-18 15.38-33(!) 9-13
Via een kleine omwisseling-van-zetten (in plaats van 9.30-25 was er 9.46-41 1-7 10.40-34 23-28 gespeeld) ontstond deze zelfde stelling ook in het competitieduel Mathijsen-Korenjewski van maart 1990. Maar anders dan Van Berkel liet Korenjewski het zich niet bewijzen: voordat het er te laat voor zou zijn, bracht de Russische grootmeester (die begin jaren tachtig zelfs een serieuze WK-kandidaat was maar inmiddels geheel uit de damwereld verdwenen lijkt) zijn linker vleugel met 15...14-20 16.25x14 9x20 tot ontwikkeling. Mathijsen verkreeg/behield echter bevredigend spel, met een volkomen gelijkwaardige remise als resultaat.
16.34-29(!) 23x34 17.39x30
Legt de vijandelijke linker vleugel aan banden.
17...4-9 18.43-38 18-23 19.49-43 7-12 20.41-36 13-18 21.47-41(!) 9-13 22.31-27(!) 10-15 23.37-32 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 3, 5, 6, 8, 11 t/m 19, 23 en 24;
vijftien witte schijven op 25 t/m 27, 30, 32, 33, 35, 36, 38, 41 t/m 44, 48 en 50.]
Van den Akker speelt het mooi: pas nu 10 op 15 staat, laat hij de terugruil 23...24-29, 24...23-28 en 25...18x20 toe. Zwart zou dan namelijk nog lang geen gelijk spel hebben, ook niet na de nieuwe terugtocht 26...19-23, 27...14-19 en 28...19x10.
(WORDT VERVOLGD)
[In de eerste aflevering gewijd aan de partij Thijssen-Hage, NK
2006, waren we gebleven bij de stand na 31.33-28. Die luidde in
cijfers:
twaalf zwarte schijven op 4, 6, 8, 12, 13 t/m 19 en 23;
twaalf witte schijven op 27, 28, 30, 32, 38, 39, 41, 42, 44, 45, 47 en 49.
Het is vanuit deze stelling dat we de draad weer oppakken.]
31...14-20 (zie diagram)
De zwarte vooruitzichten in de stand na 31...15-20(?) 32.30-25 17-22 (32...20-24?? 33.27-22! +) 33.28x17 12x21 34.38-33 enz. zijn dermate somber (wit heeft sterke troeven in achtereenvolgens het tempoverschil, de ‘gedeplaceerde’ positie van schijf 4 èn de Coup Royal-dreiging die we zo-even al voorbij zagen komen) dat Hage terecht voor de tekstzet kiest.

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 4, 6, 8, 12, 13, 15 t/m 20 en 23;
twaalf witte schijven op 27, 28, 30, 32, 38, 39, 41, 42, 44, 45, 47 en 49.]
32.41-37
Een lastige keuze. Ondanks het feit namelijk dat wit er geen moment op hoefde te rekenen dat zwart zo vriendelijk zou zijn 32.30-25 met 32...20-24? te beantwoorden, kwam (ook) 32.30-25 wel degelijk in aanmerking. Immers: zowel na 32...17-22 33.28x17(!) 12x21 34.25x14 19x10 35.38-33 als na 32...17-21 33.25x14 19x10 34.28x19 13x24 35.38-33 had hij duidelijk voordeel gehad. Waaraan ik toevoeg dat zwart in het eerste geval niet alleen rekening dient te houden met de mogelijke overgang naar een gesloten klassiek afspel (waarin het ontwikkelingsverschil van 6 tempi allerminst verwaarloosbaar is!), maar óók met een (half-open klassieke) omsingeling van zijn centrum. En in het laatste geval heeft wit weinig of niets te duchten van een eventuele afbraak van het strategische punt 27, daar de aanwezigheid van het zwarte stuk op 6 een opstelling met 8-13, 4-9 en 12-17(?) min of meer uitsluit. Bijgevolg behoort ook na 32.30-25 17-21 enz. een overgang naar gesloten klassiek (met opnieuw een verschil van 6 tempi ten gunste van wit!) tot de reële mogelijkheden.
Maar tegelijkertijd kan ik mij voorstellen dat Thijssen de schijven liever op het bord houdt.
32...20-25 33.39-34!?
Het sluiten van veld 34 vormt de aanzet tot een hoogst opmerkelijk plan, de kansrijkste speelwijze ongetwijfeld waarover wit in deze situatie beschikt. En passant spant Thijssen zijn tegenstander een - zij het bescheiden - valstrik. Anders namelijk dan op de vorige zet mag zwart nu niet 33...19-24?? spelen vanwege de combinatie 34.28x19!, 35.32-28!!, 36.28-22, 37.27-21, 38.34-30! (eerst zo), 39.44-40! (idem), 40.49x20, 41.38-32 (nu pas) en 42.42x2 +.
33...15-20 34.44-40!? 20-24
Dat Hage de uitdaging accepteert en níet op vereenvoudigingen aanstuurt, zal Thijssen met instemming hebben begroet: ik twijfel er nauwelijks aan dat de witspeler het terugruiltje 34...19-24 35.30x19 23x14 heel wat vervelender had gevonden! Maar hoeveel (meer) risico’s er ook aan de tekstzet verbonden zijn - de analyse wijst uit dat zwart zich best op de komende verwikkelingen kan inlaten.
35.40-35 4-10 36.49-44!!? (zie diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 6, 8, 10, 12, 13, 16 t/m 19 en 23 t/m 25;
twaalf witte schijven op 27, 28, 30, 32, 34, 35, 37, 38, 42, 44, 45 en 47.]
Door 49 naar 40 te dirigeren en aldus geheel vrijwillig zijn rechter vleugel te laten opsluiten, roept Thijssen zoveel mogelijk spanningen op.
36…17-22(!)
Hage reageert adequaat. Inderdaad had zwart na 36…10-14? 37.44-40!! (dat 37...17-22?? 38.28x17 12x21 uitschakelt door 39.27-22! 18x27 40.34-29 + en op 37...17-21? de doorbraak-combinatie 38.27-22! en 39.34-29 enz. mogelijk maakt) om een werkelijk goede zet verlegen gezeten. Zo was een denkbaar vervolg geweest 37...14-20 (in dit soort standen vrijwel altijd een loodzware positionele concessie) 38.37-31! (sterker nog dan 38.38-33 17-21) 38...24-29
[ook 38...17-21 39.31-26! 12-17 (gedwongen: 39...24-29? 40.26x17 12x21 faalt op 41.27-22!, 42.28-22! en 43.32-28 met winnende rondslag) 40.38-33 17-22 41.28x17 21x12 42.47-41! (om het opkomen van schijf 6 te blijven beletten) 42...12-17 43.33-28! ziet er buitengewoon zorgwekkend uit voor zwart, bijvoorbeeld 43...8-12 44.42-38! of 43...24-29 44.42-38! 16-21 (44...8-12?? 45.30-24! en 47.27-21 +) 45.27x16 18-22 46.26-21! 22x42 47.21x3 met een gewonnen macro-eindspel]
39.31-26! 20-24* (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 6, 8, 12, 13, 16 t/m 19, 23 t/m 25 en 29;
twaalf witte schijven op 26 t/m 28, 30, 32, 34, 35, 38, 40, 42, 45 en 47.]
40.38-33!
[zelfs 40.42-37 lijkt te winnen, zowel na 40...17-21 41.26x17 12x21 42.27-22! 18x27 43.28-22! 27x18 44.32-28 23x43 (nog het beste) 45.34x3 25x34 46.40x20 (bijvoorbeeld 46...21-26 47.20-15 43-48 48.3-14!! enz. of 46...19-24? 47.3x26!! 24x15 48.37-31!! en altijd 49.47-42! met onmiddellijke beslissing) als na 40...16-21 41.27x16 18-22 42.47-42 22x33 43.16-11!, waarop zwart in verband met de tactische wending 43...17-22? 44.37-31! 6x17 45.32-28! + een schijf moet geven; maar de ‘tekstzet’ is nog exacter]
40...29x38 41.42x33 17-21 (ook het offer 41...24-29 gevolgd door 17-21x21 verliest na 44.47-42!, 45.42-38!, 46.24-20!, 47.30-24 en 48.28x10 +) 42.26x17 12x21 43.34-29! 23x34 44.40x20 25x14 45.33-29! 6-11 46.45-40 11-17 47.29-24 (of ook 30-24x24) 47...21-26 48.30-25 19x30 49.35x24 8-12 50.40-34! 17-21 51.34-29! (wit komt precies op tijd om 51...12-17 met 52.28-23! + te beantwoorden; zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
zeven zwarte schijven op 12 t/m 14, 16, 18, 21 en 26;
zeven witte schijven op 24, 25, 27 t/m 29, 32 en 47.]
51...14-19 52.29-23!! (de zekerste weg naar winst) 52...18x20 53.25x23 12-17 (niet beter is 53...13-18 54.23-19, bijvoorbeeld 54...18-23 55.27-22! 23x14 56.22-18 12x23 57.28x10 +; en op 53...26-31 54.27x36 21-27 55.32x21 16x27 wint het tegenoffer 56.36-31! 27x36 57.28-22 het snelst) 54.47-42!! (een dubbel uitroepteken is allerminst overdreven wanneer men bedenkt dat 54.47-41? niet meer dan remise oplevert na 54...26-31!! 55.27x36 21-26! 56.32-27 26-31!! 57.27-22 31-37!! enz.; het cruciale verschil is dat wit datzelfde offer nu simpel kan ontkrachten met 56.42-38! +) 54...13-18 55.23x12 17x8 56.42-37! met winst door viervoudige oppositie: er volgt ofwel 56...8-12 57.28-22 +, ofwel 56...8-13 57.28-23 +.
37.28x17 12x21 38.38-33 10-14 39.33-28! 21-26
Misschien was 39...8-12(!) 40.42-38 24-29(!) 41.44-40 21-26! 42.30-24 19x39 43.28x17 29-33/34 44.38/40x29 39-43/44 enz. = relatief veiliger. Maar ook de tekstzet is op zich (nog) goed speelbaar.
40.42-38 8-12 41.38-33!! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 6, 12 t/m 14, 16, 18, 19 en 23 t/m 26;
elf witte schijven op 27, 28, 30, 32 t/m 35, 37, 44, 45 en 47.]
Door (41.)38-33 aan (42.)44-40 vooraf te laten gaan, berooft Thijssen zijn tegenstander van de (extra) mogelijkheid uit de vorige aantekening. Tegelijkertijd houdt de tekstzet een mooie, want ongewoon soort lokzet in:
41...23-29?
En Hage trapt er met open ogen in. Of had de zwartspeler juist alles voorzien en meende hij wellicht dat zijn beste overlevingskans in de komende afwikkeling school? Dan was hij bepaald te pessimistisch. Dat wil zeggen: na zetten met de schijven 14 of 12 zou wit inderdaad hebben gewonnen. Die winst kàn zich in een enkel geval langs combinatieve weg voltrekken, zoals na 41…12-17? 42.44-40! 6-11(?), waarop wit met het aan Henk Smit herinnerende 43.27-21!! en 44.47-41! + de genadeklap uitdeelt. Maar zij komt in principe langs positionele weg tot stand; een enkel voorbeeldje: 41...14-20? 42.44-40! 6-11 43.47-41!! 11-17 (43...12-17 maakt geen verschil) 44.41-36! 17-21 (zie analyse-diagram), waarop de Ghestem-doorstoot 45.28-22! + de beslissing brengt.

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 12, 13, 16, 18 t/m 21 en 23 t/m 26;
elf witte schijven op 27, 28, 30, 32 t/m 37, 40 en 45.]
Maar met de opmars van 6 naar 21 kon zwart wel degelijk het evenwicht handhaven. Men zie: 41…6-11! 42.44-40 (misschien is 42.34-29 een fractie kansrijker, al zie ik dat evenmin winnen) 42...11-17! (zonder enige vrees voor 43.28-22 enz., noch voor de remise-combinatie 43.27-22 18x29 44.47-41 23x32 45.34x23 19x28 46.30x10 32-38 enz.) 43.47-41 17-21! (het cruciale verschil met de vorige variant is dat zwart nu op 44.28-22 over het reddende 44...23-28! 45.32x23 18x38 46.22-17! 21x32 47.37x28 12x21 48.28-23 19x28 49.30x10 38-43 = beschikt; zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 12 t/m 14, 16, 18, 19, 21 en 23/26;
elf witte schijven op 27, 28, 30, 32 t/m 35, 37, 40, 41 en 45.]
44.34-29 (44.41-36? 12-17! zou zelfs slechter voor wit zijn) 44...25x34 45.29x9 13x4 46.40x29 23x34 47.33-29! (want na 47.35-30?! 34x25 48.28-22 18-23 faalt 49.22-18? op 49...12-17! 50.18x29 19-23! 51.29x18 17-22) 47...34x23 48.28-22 en zwart kan zowel met 48...19-24 49.22x13 23/24-29 enz. als met het geestige 48...23-28(!!) 49.32x14 21x32 50.22x13 16-21! 51.37x28 12-18 52.13x22 21-27 53.22x31 26x46 naar een puntendeling afwikkelen.
42.34x23 18x38 43.32x43 25x34 44.37-31!!
De tactische rechtvaardiging van zijn 41ste zet.
44…26x37 45.47-41! 37x46 46.44-40 46x23 47.40x29
Met schijfwinst voor wit. Maar daarmee ís hij er nog niet…
47…12-17!
De juiste reactie. Zwarts beide overige zetten hadden geforceerd verloren, bijvoorbeeld 47…12-18? 48.29-24! 19x30 49.35x24 6-11 50.24-20 11-17 51.20-14 17-22 52.14-10 22x31 53.10-5 31-36, waarop wit middels 54.43-39! 16-21 55.39-34! + de vangstelling 45/34 formeert.
48.43-38!? (zie diagram)
Het moet voor Thijssen een onaangename ontdekking zijn geweest dat hij, ondanks de zo fraai uitgelokte materiaalwinst, tòch niet duidelijk gewonnen stond. Zo had 48.29-24 19x30 49.35x24 17-21 50.27-22 21-26 51.22-18 26-31 na damhalen op 3 en 46 niet meer dan een 4x3-eindspel opgeleverd dat zwart met goed spel moet kunnen houden.
De tekstzet (b)lijkt inderdaad nog de beste bordkansen te geven:

[Stand in cijfers:
vier zwarte schijven op 6, 16, 17 en 19;
vijf witte schijven op 27, 29, 35, 38 en 45.]
48…19-23??
Zonder dat er van werkelijke tijdnood sprake is (Hage trok voor de hele partij niet meer dan 1 uur en 47 minuten uit), begaat de zwartspeler een nieuwe, ditmaal fatale fout (om geen sterkere termen te bezigen...) Na het temporiserende 48…6-11! is niet te zien hoe wit nog had moeten winnen. Een van de problemen waarmee hij te kampen heeft, is dat na 49.35-30/45-40 19-23! (nu wèl) 50.29x18 17-22 51.18-13 22x31 52.13-9 31-36 enz. het winstschema uit de partij faalt op de ‘hangende’ positie van 30 of 40. En na 49.38-32 19-23! 50.29x18 17-22 51.18-13 22x31 52.13-9 31-36 53.9-3 36-41 54.32-28 41-46 55.28-22 46-10! (of ook -41!) komt wit een tempo te kort om te verhinderen dat schijf 22 naar veld 12 wordt opgedreven en vervolgens afgeruild met 57…11-17 =.
Blijft over 49.29-24 19x30 50.35x24 17-21 51.27-22 (op 51.38-32 doet zwart uiteraard 11-17-22! annex 21-27x27 =) 51…21-26 52.24-20 (zie analyse-diagram).

[Stand in cijfers:
drie zwarte schijven op 11, 16 en 26;
vier witte schijven op 20, 22, 38 en 45.]
Het is waar dat in de diagramstand 52…26-31? zou verliezen door 53.20-14! 31-36 54.14-9!! (zonder vrees voor 54…11-17 55.22x11 16x7 56.9-4! 36-41 57.4-10 +) 54…36-41 55.9-3! met een gewonnen 4x2-eindspel na 55…11-17* 56.3x26 41-47 57.38-32 47-41 58.32-27 enz.
Maar de inlas 52…16-21! (53.22-18* 26-31 =) bederft alles.
49.29x18 17-22 50.18-13! 22x31 51.13-9! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
drie zwarte schijven op 6, 16 en 31;
vier witte schijven op 9, 35, 38 en 45.]
Met de niet al te moeilijke pointe (die Hage - eerlijk gezegd - natuurlijk nooit had mogen missen) 51…31-36/37 52.9-4! 36/37-41 53.4-10! +.
Zwart geeft het op.
twaalf zwarte schijven op 4, 6, 8, 12, 13 t/m 19 en 23;
twaalf witte schijven op 27, 28, 30, 32, 38, 39, 41, 42, 44, 45, 47 en 49.
Het is vanuit deze stelling dat we de draad weer oppakken.]
31...14-20 (zie diagram)
De zwarte vooruitzichten in de stand na 31...15-20(?) 32.30-25 17-22 (32...20-24?? 33.27-22! +) 33.28x17 12x21 34.38-33 enz. zijn dermate somber (wit heeft sterke troeven in achtereenvolgens het tempoverschil, de ‘gedeplaceerde’ positie van schijf 4 èn de Coup Royal-dreiging die we zo-even al voorbij zagen komen) dat Hage terecht voor de tekstzet kiest.

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 4, 6, 8, 12, 13, 15 t/m 20 en 23;
twaalf witte schijven op 27, 28, 30, 32, 38, 39, 41, 42, 44, 45, 47 en 49.]
32.41-37
Een lastige keuze. Ondanks het feit namelijk dat wit er geen moment op hoefde te rekenen dat zwart zo vriendelijk zou zijn 32.30-25 met 32...20-24? te beantwoorden, kwam (ook) 32.30-25 wel degelijk in aanmerking. Immers: zowel na 32...17-22 33.28x17(!) 12x21 34.25x14 19x10 35.38-33 als na 32...17-21 33.25x14 19x10 34.28x19 13x24 35.38-33 had hij duidelijk voordeel gehad. Waaraan ik toevoeg dat zwart in het eerste geval niet alleen rekening dient te houden met de mogelijke overgang naar een gesloten klassiek afspel (waarin het ontwikkelingsverschil van 6 tempi allerminst verwaarloosbaar is!), maar óók met een (half-open klassieke) omsingeling van zijn centrum. En in het laatste geval heeft wit weinig of niets te duchten van een eventuele afbraak van het strategische punt 27, daar de aanwezigheid van het zwarte stuk op 6 een opstelling met 8-13, 4-9 en 12-17(?) min of meer uitsluit. Bijgevolg behoort ook na 32.30-25 17-21 enz. een overgang naar gesloten klassiek (met opnieuw een verschil van 6 tempi ten gunste van wit!) tot de reële mogelijkheden.
Maar tegelijkertijd kan ik mij voorstellen dat Thijssen de schijven liever op het bord houdt.
32...20-25 33.39-34!?
Het sluiten van veld 34 vormt de aanzet tot een hoogst opmerkelijk plan, de kansrijkste speelwijze ongetwijfeld waarover wit in deze situatie beschikt. En passant spant Thijssen zijn tegenstander een - zij het bescheiden - valstrik. Anders namelijk dan op de vorige zet mag zwart nu niet 33...19-24?? spelen vanwege de combinatie 34.28x19!, 35.32-28!!, 36.28-22, 37.27-21, 38.34-30! (eerst zo), 39.44-40! (idem), 40.49x20, 41.38-32 (nu pas) en 42.42x2 +.
33...15-20 34.44-40!? 20-24
Dat Hage de uitdaging accepteert en níet op vereenvoudigingen aanstuurt, zal Thijssen met instemming hebben begroet: ik twijfel er nauwelijks aan dat de witspeler het terugruiltje 34...19-24 35.30x19 23x14 heel wat vervelender had gevonden! Maar hoeveel (meer) risico’s er ook aan de tekstzet verbonden zijn - de analyse wijst uit dat zwart zich best op de komende verwikkelingen kan inlaten.
35.40-35 4-10 36.49-44!!? (zie diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 6, 8, 10, 12, 13, 16 t/m 19 en 23 t/m 25;
twaalf witte schijven op 27, 28, 30, 32, 34, 35, 37, 38, 42, 44, 45 en 47.]
Door 49 naar 40 te dirigeren en aldus geheel vrijwillig zijn rechter vleugel te laten opsluiten, roept Thijssen zoveel mogelijk spanningen op.
36…17-22(!)
Hage reageert adequaat. Inderdaad had zwart na 36…10-14? 37.44-40!! (dat 37...17-22?? 38.28x17 12x21 uitschakelt door 39.27-22! 18x27 40.34-29 + en op 37...17-21? de doorbraak-combinatie 38.27-22! en 39.34-29 enz. mogelijk maakt) om een werkelijk goede zet verlegen gezeten. Zo was een denkbaar vervolg geweest 37...14-20 (in dit soort standen vrijwel altijd een loodzware positionele concessie) 38.37-31! (sterker nog dan 38.38-33 17-21) 38...24-29
[ook 38...17-21 39.31-26! 12-17 (gedwongen: 39...24-29? 40.26x17 12x21 faalt op 41.27-22!, 42.28-22! en 43.32-28 met winnende rondslag) 40.38-33 17-22 41.28x17 21x12 42.47-41! (om het opkomen van schijf 6 te blijven beletten) 42...12-17 43.33-28! ziet er buitengewoon zorgwekkend uit voor zwart, bijvoorbeeld 43...8-12 44.42-38! of 43...24-29 44.42-38! 16-21 (44...8-12?? 45.30-24! en 47.27-21 +) 45.27x16 18-22 46.26-21! 22x42 47.21x3 met een gewonnen macro-eindspel]
39.31-26! 20-24* (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 6, 8, 12, 13, 16 t/m 19, 23 t/m 25 en 29;
twaalf witte schijven op 26 t/m 28, 30, 32, 34, 35, 38, 40, 42, 45 en 47.]
40.38-33!
[zelfs 40.42-37 lijkt te winnen, zowel na 40...17-21 41.26x17 12x21 42.27-22! 18x27 43.28-22! 27x18 44.32-28 23x43 (nog het beste) 45.34x3 25x34 46.40x20 (bijvoorbeeld 46...21-26 47.20-15 43-48 48.3-14!! enz. of 46...19-24? 47.3x26!! 24x15 48.37-31!! en altijd 49.47-42! met onmiddellijke beslissing) als na 40...16-21 41.27x16 18-22 42.47-42 22x33 43.16-11!, waarop zwart in verband met de tactische wending 43...17-22? 44.37-31! 6x17 45.32-28! + een schijf moet geven; maar de ‘tekstzet’ is nog exacter]
40...29x38 41.42x33 17-21 (ook het offer 41...24-29 gevolgd door 17-21x21 verliest na 44.47-42!, 45.42-38!, 46.24-20!, 47.30-24 en 48.28x10 +) 42.26x17 12x21 43.34-29! 23x34 44.40x20 25x14 45.33-29! 6-11 46.45-40 11-17 47.29-24 (of ook 30-24x24) 47...21-26 48.30-25 19x30 49.35x24 8-12 50.40-34! 17-21 51.34-29! (wit komt precies op tijd om 51...12-17 met 52.28-23! + te beantwoorden; zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
zeven zwarte schijven op 12 t/m 14, 16, 18, 21 en 26;
zeven witte schijven op 24, 25, 27 t/m 29, 32 en 47.]
51...14-19 52.29-23!! (de zekerste weg naar winst) 52...18x20 53.25x23 12-17 (niet beter is 53...13-18 54.23-19, bijvoorbeeld 54...18-23 55.27-22! 23x14 56.22-18 12x23 57.28x10 +; en op 53...26-31 54.27x36 21-27 55.32x21 16x27 wint het tegenoffer 56.36-31! 27x36 57.28-22 het snelst) 54.47-42!! (een dubbel uitroepteken is allerminst overdreven wanneer men bedenkt dat 54.47-41? niet meer dan remise oplevert na 54...26-31!! 55.27x36 21-26! 56.32-27 26-31!! 57.27-22 31-37!! enz.; het cruciale verschil is dat wit datzelfde offer nu simpel kan ontkrachten met 56.42-38! +) 54...13-18 55.23x12 17x8 56.42-37! met winst door viervoudige oppositie: er volgt ofwel 56...8-12 57.28-22 +, ofwel 56...8-13 57.28-23 +.
37.28x17 12x21 38.38-33 10-14 39.33-28! 21-26
Misschien was 39...8-12(!) 40.42-38 24-29(!) 41.44-40 21-26! 42.30-24 19x39 43.28x17 29-33/34 44.38/40x29 39-43/44 enz. = relatief veiliger. Maar ook de tekstzet is op zich (nog) goed speelbaar.
40.42-38 8-12 41.38-33!! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 6, 12 t/m 14, 16, 18, 19 en 23 t/m 26;
elf witte schijven op 27, 28, 30, 32 t/m 35, 37, 44, 45 en 47.]
Door (41.)38-33 aan (42.)44-40 vooraf te laten gaan, berooft Thijssen zijn tegenstander van de (extra) mogelijkheid uit de vorige aantekening. Tegelijkertijd houdt de tekstzet een mooie, want ongewoon soort lokzet in:
41...23-29?
En Hage trapt er met open ogen in. Of had de zwartspeler juist alles voorzien en meende hij wellicht dat zijn beste overlevingskans in de komende afwikkeling school? Dan was hij bepaald te pessimistisch. Dat wil zeggen: na zetten met de schijven 14 of 12 zou wit inderdaad hebben gewonnen. Die winst kàn zich in een enkel geval langs combinatieve weg voltrekken, zoals na 41…12-17? 42.44-40! 6-11(?), waarop wit met het aan Henk Smit herinnerende 43.27-21!! en 44.47-41! + de genadeklap uitdeelt. Maar zij komt in principe langs positionele weg tot stand; een enkel voorbeeldje: 41...14-20? 42.44-40! 6-11 43.47-41!! 11-17 (43...12-17 maakt geen verschil) 44.41-36! 17-21 (zie analyse-diagram), waarop de Ghestem-doorstoot 45.28-22! + de beslissing brengt.

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 12, 13, 16, 18 t/m 21 en 23 t/m 26;
elf witte schijven op 27, 28, 30, 32 t/m 37, 40 en 45.]
Maar met de opmars van 6 naar 21 kon zwart wel degelijk het evenwicht handhaven. Men zie: 41…6-11! 42.44-40 (misschien is 42.34-29 een fractie kansrijker, al zie ik dat evenmin winnen) 42...11-17! (zonder enige vrees voor 43.28-22 enz., noch voor de remise-combinatie 43.27-22 18x29 44.47-41 23x32 45.34x23 19x28 46.30x10 32-38 enz.) 43.47-41 17-21! (het cruciale verschil met de vorige variant is dat zwart nu op 44.28-22 over het reddende 44...23-28! 45.32x23 18x38 46.22-17! 21x32 47.37x28 12x21 48.28-23 19x28 49.30x10 38-43 = beschikt; zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 12 t/m 14, 16, 18, 19, 21 en 23/26;
elf witte schijven op 27, 28, 30, 32 t/m 35, 37, 40, 41 en 45.]
44.34-29 (44.41-36? 12-17! zou zelfs slechter voor wit zijn) 44...25x34 45.29x9 13x4 46.40x29 23x34 47.33-29! (want na 47.35-30?! 34x25 48.28-22 18-23 faalt 49.22-18? op 49...12-17! 50.18x29 19-23! 51.29x18 17-22) 47...34x23 48.28-22 en zwart kan zowel met 48...19-24 49.22x13 23/24-29 enz. als met het geestige 48...23-28(!!) 49.32x14 21x32 50.22x13 16-21! 51.37x28 12-18 52.13x22 21-27 53.22x31 26x46 naar een puntendeling afwikkelen.
42.34x23 18x38 43.32x43 25x34 44.37-31!!
De tactische rechtvaardiging van zijn 41ste zet.
44…26x37 45.47-41! 37x46 46.44-40 46x23 47.40x29
Met schijfwinst voor wit. Maar daarmee ís hij er nog niet…
47…12-17!
De juiste reactie. Zwarts beide overige zetten hadden geforceerd verloren, bijvoorbeeld 47…12-18? 48.29-24! 19x30 49.35x24 6-11 50.24-20 11-17 51.20-14 17-22 52.14-10 22x31 53.10-5 31-36, waarop wit middels 54.43-39! 16-21 55.39-34! + de vangstelling 45/34 formeert.
48.43-38!? (zie diagram)
Het moet voor Thijssen een onaangename ontdekking zijn geweest dat hij, ondanks de zo fraai uitgelokte materiaalwinst, tòch niet duidelijk gewonnen stond. Zo had 48.29-24 19x30 49.35x24 17-21 50.27-22 21-26 51.22-18 26-31 na damhalen op 3 en 46 niet meer dan een 4x3-eindspel opgeleverd dat zwart met goed spel moet kunnen houden.
De tekstzet (b)lijkt inderdaad nog de beste bordkansen te geven:

[Stand in cijfers:
vier zwarte schijven op 6, 16, 17 en 19;
vijf witte schijven op 27, 29, 35, 38 en 45.]
48…19-23??
Zonder dat er van werkelijke tijdnood sprake is (Hage trok voor de hele partij niet meer dan 1 uur en 47 minuten uit), begaat de zwartspeler een nieuwe, ditmaal fatale fout (om geen sterkere termen te bezigen...) Na het temporiserende 48…6-11! is niet te zien hoe wit nog had moeten winnen. Een van de problemen waarmee hij te kampen heeft, is dat na 49.35-30/45-40 19-23! (nu wèl) 50.29x18 17-22 51.18-13 22x31 52.13-9 31-36 enz. het winstschema uit de partij faalt op de ‘hangende’ positie van 30 of 40. En na 49.38-32 19-23! 50.29x18 17-22 51.18-13 22x31 52.13-9 31-36 53.9-3 36-41 54.32-28 41-46 55.28-22 46-10! (of ook -41!) komt wit een tempo te kort om te verhinderen dat schijf 22 naar veld 12 wordt opgedreven en vervolgens afgeruild met 57…11-17 =.
Blijft over 49.29-24 19x30 50.35x24 17-21 51.27-22 (op 51.38-32 doet zwart uiteraard 11-17-22! annex 21-27x27 =) 51…21-26 52.24-20 (zie analyse-diagram).

[Stand in cijfers:
drie zwarte schijven op 11, 16 en 26;
vier witte schijven op 20, 22, 38 en 45.]
Het is waar dat in de diagramstand 52…26-31? zou verliezen door 53.20-14! 31-36 54.14-9!! (zonder vrees voor 54…11-17 55.22x11 16x7 56.9-4! 36-41 57.4-10 +) 54…36-41 55.9-3! met een gewonnen 4x2-eindspel na 55…11-17* 56.3x26 41-47 57.38-32 47-41 58.32-27 enz.
Maar de inlas 52…16-21! (53.22-18* 26-31 =) bederft alles.
49.29x18 17-22 50.18-13! 22x31 51.13-9! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
drie zwarte schijven op 6, 16 en 31;
vier witte schijven op 9, 35, 38 en 45.]
Met de niet al te moeilijke pointe (die Hage - eerlijk gezegd - natuurlijk nooit had mogen missen) 51…31-36/37 52.9-4! 36/37-41 53.4-10! +.
Zwart geeft het op.
In de tiende ronde van het toernooi om het Nederlands kampioenschap
2006 (ja - ik weet wat u zeggen wilt; maar beter laat dan nooit,
zullen we maar denken) boekte - toen nog - drievoudig titelhouder
Kees Thijssen een stijlvolle zege op debutant Toby Hage. Dat dat
resultaat vanuit een klassiek speltype tot stand kwam, was
beslist geen vanzelfsprekendheid voor dìe toeschouwers die het
eerste partijgedeelte van nabij hadden gevolgd. Want die eerste 25
zetten kenmerkten zich juist door onversneden flankspel.
Maar nadat Hage het witte stuk op 29 in achterwaartse richting had
afgeruild (24...20-24) en Thijssen met behulp van de manoeuvre
32-27x27 veld 27 voor zich had opgeëist, ontstond er langzaam maar
zeker een gesloten klassieke positie die ontegenzeggelijk beter
voor wit was.
Maar “beter” is natuurlijk nog geen synoniem voor “gewonnen”. Bovendien was Hage wel zo verstandig om met 31...14-20 althans de mogelijkheid te creëren de stelling opnieuw open te breken. Vandaar dat Thijssen besloot het wapen van de tactiek in de strijd te werpen. Om de spanningen zo ver mogelijk op te voeren, accepteerde de latere toernooiwinnaar geheel vrijwillig een opsluiting van zijn rechter vleugel, waardoor er allerlei spectaculaire combinaties in de stand kwamen. Dat bleek een gouden greep, want Thijssen slaagde erin zijn tegenstander binnen acht zetten twee forse fouten te ontlokken. En waar Hage’s eerste fout nog wel te herstellen was, bleek de laatste vrijwel op slag beslissend.
Thijssen-Hage
(NK 2006)
1.33-28 18-22 2.38-33 12-18 3.31-26 19-23
Door bij de eerste de beste gelegenheid naar 23 te ruilen, omzeilt zwart de diverse hekstelling-varianten die na 3...7-12 4.37-31!? in het vizier zouden zijn gekomen. Daarvan zijn 4...19-23 5.28x19 14x23 6.32-27 (de Wiersma-variant) en de - relatief lange - spelgang 4...1-7 5.42-38 20-25 6.47-42 14-20 7.41-37 10-14 8.46-41 5-10 9.32-27 19-23 10.28x19 14x23 11.34-30 25x34 12.40x29 23x34 13.39x30 20-25 14.44-39 25x34 15.39x30 veruit het populairst, veel populairder althans dan het principiële doch helaas zelden voorkomende (3...7-12 4.37-31) 4...1-7 5.42-38 19-23 6.28x19 14x23 7.32-28 23x32 8.38x27 10-14.
Het mag overigens verrassend heten dat van de beide combattanten juist Hage de meeste praktijkvoorbeelden (als witspeler, welteverstaan) met de Wiersma-variant op zijn naam heeft staan! De tòch al schaarse keren dat Thijssen de stand na 1.33-28 18-22 2.38-33 12-18 3.31-26 op het bord bracht c.q. kreeg, gooiden zijn tegenstanders roet in het eten door òf (zoals in het onderhavige duel) met 3...19-23 4.28x19 14x23 te vervolgen, òf na 3...7-12 4.37-31 een andere zet dan 4...19-23 te doen.
4.28x19 14x23 5.32-28
Als we de 2x2-ruil 5.33-28 enz. even niet meerekenen, zijn er slechts twee manieren waarop wit kan verhinderen dat zwart met (5.42-38) 5...7-12 en 6...22-27 enz. een voorpost op 27 inneemt: door veld 32 middels 5/6.32-28 en 6/7.37x28 te ontruimen, of door diezelfde doelstelling middels 5.34-29 23x34 6.40x29 7-12 7.32-28 te verwezenlijken. Van die beide methodes draagt de laatste (5.34-29 enz.) het meest bij aan de harmonie in de witte stand, maar de eerste heeft weer de verdienste dat wit zijn tegenstander berooft van dat aanknopingspunt op veld 29.
Er is overigens een klein doch niet geheel verwaarloosbaar verschil tussen enerzijds 5.42-38 7-12 6.32-28 23x32 7.37x28 en anderzijds direct 5.32-28. In het eerste geval namelijk moet wit na 7...16-21!? 8.41-37 21-27 al meteen een keuze maken tussen 9.37-31 of 9.37-32, aangenomen tenminste dat hij er niet voor voelt de 4x4-ruil 9.48-42 27-32 enz. toe te laten. Na onmiddellijk 5.32-28 23x32 6.37x28 7-12 7.41-37 daarentegen kàn hij 7...16-21 ook met 8.46-41/43-38!? 21-27 9.43-38/46-41!? beantwoorden. De verdienste van die opstelling is dat wit zich links nog niet heeft vastgelegd (voorlopig zal zwart zowel met 37-31 als met 37-32 rekening moeten blijven houden), terwijl - “onder omstandigheden”, zoals dat heet - de zwarte Roozenburg-aanval zelfs met 37-31 en 49-43!!? zou kunnen worden bestreden.
Maar het is allemaal lood om oud ijzer wanneer zwart, zoals Hage zal doen, van de speelwijze met 16-21-27 afziet.
5...23x32 6.37x28 10-14 7.41-37 7-12 8.46-41
Mogelijk hoopte Thijssen in deze fase nog steeds op 16-21-27. Had de witspeler echter zeker geweten dat zwart op een hernieuwde afruil van 28 zou aansturen, dan had hij wellicht voor 8.42-38 5-10/1-7 9.37-32 1-7/5-10 10.36-31 gekozen. Die van Andreiko afkomstige opstelling (zie diens stijlvolle duel met Mansjien uit het internationale toernooi van Jalta 1961) heeft ten opzichte van het partijverloop het voordeel dat wit na 10...18-23 (Mansjien speelde overigens 10...16-21) 11.28x19 14x23 12.31-27 22x31 13.26x37 het randstuk op 36 heeft opgelost, zodat hij zich betrekkelijk ongestoord op een (eventueel) aanvalsspel langs de andere bordrand kan richten. (De partij Sijbrands-Van der Sluis, NK 1973, geeft daar een - al zeg ik het zelf - geslaagd voorbeeld van.) Desgewenst zou wit diezelfde doelstelling ook met (8/9.)43-38 in plaats van (8/9.)42-38 kunnen nastreven, zoals onder meer in Wiersma-Cazemier, Genève 1980, en een tweetal (wit-)partijen van Sjtsjogoljew het geval was.
De keerzijde van Andreiko’s speelwijze is dat zwart natuurlijk allerminst verplicht is 10...18-23 11.28x19 14x23 te doen. In plaats daarvan kan hij namelijk ook met 10...22-27 11.31x22 18x27 12.32x21 16x27 (zie bijvoorbeeld Sjtsjogoljew-Koljesnik, kamp. USSR 1991, of Sjtsjogoljew-Kolesow, Russisch Ploegenkamp. 2005) dan wel eerst 10...20-24 (zoals in de partijen van - alweer - Sjtsjogoljew tegen Vjerchovich en Foerman uit de Sowjet-Russische kampioenstoernooien van respectievelijk 1985 en 1991) een speltype op het bord brengen waarin al iets zichtbaar wordt van de disharmonie in de witte stand waar ik in de vorige aantekening op doelde. Het laat zich dan ook begrijpen dat lang niet iedere (wit)speler gecharmeerd is van de gelijktijdige bezetting van de velden 32 en 31.
8...1-7 9.37-32
Een ander beproefd idee is 9.42-38 5-10 10.48-42, om op 10...18-23 11.28x19 14x23 te vervolgen met hetzij 12.35-30 20-25 13.30-24 (zie zowel Baljakin-Guinard, Cannes 1990, als Wiersma-G. Jansen, 1ste barragepartij NK 1998; waaraan ik nog toevoeg dat deze zelfde variant - maar dan met schijf 47 op veld 48 - óók in de competitiepartij Scholma-Binenbaum 1992 is voorgekomen), hetzij 12.34-29 23x34 13.40x29 (Van den Akker-Brouwers, clubcompetitie 2002/2003).
Overigens wil ik er (al is het wellicht overbodig) tòch even op wijzen dat met de tekstzet een stelling op het bord is verschenen die ook net zo goed uit de 1.32-28 18-22-opening had kunnen voortvloeien; men zie: 2.37-32 12-18 3.41-37 7-12 4.46-41 1-7 5.31-26 19-23 6.28x19 14x23 7.32-28 23x32 8.37x28 10-14 9.38-32 q.e.d.
9...5-10 10.42-38 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6 t/m 18, 20 en 22;
achttien witte schijven op 26, 28, 32 t/m 36, 38 t/m 41, 43 t/m 45 en 47 t/m 50.]
10...18-23
De vraag wat er allemaal had kunnen gebeuren wanneer zwart hetzij hier, hetzij op een van de vorige zetten of na eerst nog 10...20-24 (11.47/48-42) het scherpe 7/11...16-21 zou hebben gespeeld, valt buiten het bestek van deze partijbespreking. Gezegd zij slechts dat de Roozenburg-opstelling vanuit deze specifieke openingsvariant zowel kansen als (niet te onderschatten) risico’s met zich meebrengt.
11.28x19 14x23 12.32-27
In een relatief oude partij tegen Friedman, Junioren-WK 1994, had Thijssen hier 12.41-37 (12...22-27 13.32x21 16x27 14.34-29 23x34 15.39x30) gedaan.
Met het bescheiden terugruiltje waartoe de tekstzet de inleiding vormt (en dat ditmaal dus niet eens gepaard gaat met het oplossen van 36!), erkent de witspeler impliciet hoe moeilijk het is om in deze openingsvariant ‘spel’ te maken wanneer de tegenstander dat niet wil.
12...22x31 13.26x37 13-19 14.35-30!?
Maar door de terugtocht naar 37 onmiddellijk te laten volgen door het opkomen van schijf 35, laat Thijssen er niet de geringste onduidelijkheid over bestaan dat hij wel degelijk strijd wenst. Hage, die zich kennelijk minder aangetrokken voelt tot 14...10-14 15.30-25 12-18/8-13 16.34-29 23x34 17.40x29, neemt de uitdaging aan:
14...20-25 15.30-24!? 19x30 16.40-35 12-18 17.35x24 7-12 18.33-29(!)
Thijssen maakt er terecht een (soort) Roozenburg-opstelling van: in de open stand na 18.33-28(?) 23x32 19.37x28 had het zwart weinig moeite gekost de vijandelijke aanval tot de grond toe af te breken en het initiatief zelfs over te nemen.
18...9-13 19.39-33 17-22 20.44-39 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6, 8, 10 t/m 13, 15, 16, 18, 22, 23 en 25;
vijftien witte schijven op 24, 29, 33, 34, 36 t/m 39, 41, 43, 45 en 47 t/m 50.]
20...13-19
Voor de hand liggend, maar daarmee nog niet noodzakelijkerwijs de beste. Zo zou zwart er baat bij hebben gehad eerst het randstuk op 16 op te lossen, alvorens de vijandelijke voorpost af te ruilen. Bijvoorbeeld 20...16-21 21.38-32 11-17(!) met zowel na 22.32-28 23x32 23.37x28 13-19 (of eerst nog 23...3-9 of zelfs 23...10-14) 24.24x13 8x19 als na 22.50-44 13-19 23.24x13 8x19 uitstekend spel voor zwart, om van 22.36-31? 21-27! 23.32x21 17x26 maar te zwijgen.
Maar ik moet hier ogenblikkelijk aan toevoegen dat dit voorbeeldje weinig relevant is. Ik vermoed namelijk dat Thijssen 20...16-21 niet met 21.38-32(?) maar met 21.37-31(!) of met 21.37-32(!) had beantwoord. (Waarbij volledigheidshalve zij opgemerkt dat wit in het laatste geval niet bovenmatig bevreesd hoeft te zijn voor de kaalslag-variant 21...21-27 22.32x21 22-27 23.21x32 13-19 24.24x22 12-17 25.29x18 17x46 26.18-13! 8x19 27.47-41 46x40 28.45x34, omdat hij daar onmiskenbaar voordeel aan overhoudt.) Met 37 op 31 zou zwart de positionele dreiging 22.31-27! 21x32 23.38x27 22x31 24.36x27 12-17 25.27-22 enz. wellicht nog kunnen tegengaan met 21...3/4-9 of het scherpe - en bepaald niet van risico’s ontblote! - 21...12-17. (Niet echter 21...21-27?? wegens 22.33-28! +.) Maar (20...16-21) 21.37-32 laat hem haast geen andere constructieve optie dan 21...21-27 22.32x21 11-16, wat via 23.41-37 16x27 24.37-32 6-11 25.32x21 11-16 26.47-41!? 16x27 27.41-37 12-17 (met 48 op 47 had zwart kunnen volstaan met simpel 27...13-19 28.24x13 8x19, daar 29.37-32?? in dat geval faalt op het damzetje 29...10-14!, 30...25-30! en 32...12-17 +) 28.37-31! (zie analyse-diagram) tot grote spanningen had kunnen leiden.

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 2 t/m 4, 8, 10, 13, 15, 17, 18, 22, 23, 25 en 27;
dertien witte schijven op 24, 29, 31, 33, 34, 36, 38, 39, 43, 45 en 48 t/m 50.]
Nu bezweert de computer mij dat na 28...23-28 29.48-42 13-19 [de enige parade tegen de dreiging (29...8-12?) 30.42-37! en 31.38-32 +] 30.24x13 8x19 31.42-37 19-24 32.29x20 15x24 33.45-40 (dreigt 34.38-32 +) 33...18-23 34.40-35 (met de nieuwe dreiging 35.35-30! en 36.33-29 +) het offer 34...25-30!!? 35.34x25 10-14 goed speelbaar is. Maar zelfs als de zwartspeler deze lange spelgang al aan zijn geestesoog voorbij heeft zien trekken, dan nog kan men zich levendig voorstellen dat hij het er liever niet op aan liet komen...
[Met bovenstaande wetenschap gewapend zou men zich kunnen afvragen of, in plaats van het schijnbaar zo logische 18...9-13, direct 18...17-22 of 18...16-21 wellicht nauwkeuriger was geweest: bij hetzelfde witte spel als in de partij (19.39-33 en 20.44-39) was zwart dan mogelijk wèl tot de gewenste opstelling uit het allereerste variantje gekomen. Maar daarmee zouden we wel erg ver van het werkelijke verloop afdwalen.]
21.24x13 8x19 22.38-32(!)
Nu wèl.
22...3-8 23.48-42
Wit heeft de formatie 41/37/32 in stelling gebracht, maar dat niet alleen: met een schuin oog kijkt hij nu óók naar veld 27, op de bezetting waarvan zwart vanaf dit moment voortdurend bedacht moet zijn.
23...15-20 24.50-44 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 2, 4, 6, 8, 10 t/m 12, 16, 18 t/m 20, 22, 23 en 25;
veertien witte schijven op 29, 32 t/m 34, 36, 37, 39, 41 t/m 45, 47 en 49.]
24...20-24
Flankstanden als deze mogen op het eerste gezicht misschien een overzichtelijke indruk maken - in werkelijkheid laten zij zich helemaal niet zo gemakkelijk doorgronden. Ik heb op dit punt enig recht van spreken, daar ik er tijdens mijn carrière een behoorlijk aantal keren mee te maken hebben gehad. Zoals (een kleine greep slechts) in mijn partijen tegen Fokke de Jong (Den Haag 1970), Van Heerde (Diemen 1971), Lesjtsjinski (Moskou 1979) en Stokkel (WK 1990), of in de competitieduels met Varkevisser (1969), Scholma (1979), Visser (1982) en Bastiaannet (1988). Al is het waar dat in geen van de genoemde voorbeelden het verschil-in-ontwikkeling zo groot was (8 tempi!) als in Thijssen-Hage 2006.
Heel in het algemeen kan men - denk ik - wel stellen dat de speler die het centrum beheerst (en die doorgaans ook op tempovoordeel zal kunnen bogen), de beste kansen heeft. Dat geldt zeker voor díe gevallen waarin zijn tegenstander hardnekkig probeert hem de controle over de velden 28 en 23 te betwisten, om uiteindelijk tot de ontdekking te komen dat het allemaal tevergeefs is geweest en dat het openen der stellingen alleen maar als een boemerang heeft gewerkt. Het wordt echter een heel ander verhaal wanneer de ‘tegenspeler’ het centrum gesloten houdt en daarbij een strategie toepast die erop gericht is om:
a) de aanvaller in temponood te brengen;
of
b) veld 27 te veroveren (32-27x27) en de vijandelijke positie middels de manoeuvre 27-22! (18x27) en 29x18 uiteen te rijten (zoals in de prachtige partij Dybman-Van den Borst, WK 1986, of in de partij die Schwarzman in het WK-rapid 2005 van Heusdens won). In dit laatste geval zal veel afhangen van de vraag hoe stevig het zwarte centrum is (kan hij bijvoorbeeld de velden 13 en 9 nog dichten?), èn - vooral - van de uitkomst van de kettingstelling die hij met 19-24 op het bord kan brengen. Onnodig te zeggen dat een dergelijke speelwijze grote, schier onberekenbare complicaties tot gevolg kan hebben!
Ziedaar dus waarom ik niet zonder meer zou durven beweren dat Hage de achterwaartse afruil van schijf 29 beter had kunnen uit- of afstellen. Maar door al in zo’n relatief vroeg stadium tot 20-24 en 25x14 over te gaan, maakt de zwartspeler het zijn tegenstander wèl gemakkelijker.
25.29x20 25x14 26.32-27! 22x31 27.36x27
Zo maakt Thijssen van de nood (de randschijf op 36) een deugd. Door veld 27 in bezit te nemen en langzaam maar zeker gesloten klassieke structuren aan te brengen, trekt de witspeler het voordeel (of op z’n minst de gemakkelijker, want veruit meest flexibele stelling) naar zich toe.
27…11-17 28.43-38 10-15 29.34-30 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 2, 4, 6, 8, 12, 14 t/m 19 en 23;
twaalf witte schijven op 27, 30, 33, 37 t/m 39, 41, 42, 44, 45, 47 en 49.]
Mogelijk omdat het na 29.37-32 8-13 tòch nog te vroeg is voor 30.33-28? (30...17-22! 31.28x8 23-29 32.34x12 13-18 33.12x23 19x48! 34.8-3 48x25 +) of omdat hij op 29.37-32 de reactie 29...6-11!? (met de dreiging 30...23-29 +) vervelend vindt, ontruimt Thijssen eerst veld 34. Daarbij koestert de witspeler geen bezwaar tegen 29...17-22 30.41-36 22x31 31.36x27 12-17, daar zwart na 32.37-32(!) tòch niet opnieuw 32...17-22?? mag spelen wegens 33.30-24! 19x30 34.33-28 +. Datzelfde effect kan niet met 32.38-32 17-22 33.30-24(?) worden bereikt, omdat zwart in dat geval via 33...22x31(!!) 34.24x22 2-7! 35.37x26 23-29 36.33x24 14-19 37.24x11 6x48 (38.47-41* 48x25 39.44-39/49-43 25x48 40.41-37 48x31 41.36x47) linea recta naar een puntendeling afwikkelt.
Wel kan wit in deze variant (29...17-22 30.41-36 22x31 31.36x27 12-17 32.38-32 17-22) goed 33.37-31! spelen, bijvoorbeeld 33...15-20 34.33-28! 22x33 35.39x28 (zie analyse-diagram).

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 2, 4, 6, 8, 14, 16, 18 t/m 20 en 23;
tien witte schijven op 27, 28, 30 t/m 32, 42, 44, 45, 47 en 49.]
In de stand van het analyse-diagram heeft zwart met moeilijkheden van zowel strategische als tactische aard te kampen. Zo mag hij - om te beginnen - schijf 20 om voor de hand liggende redenen niet beroeren (bijvoorbeeld 35...20-25?? 36.28-22! 25x34 37.22x24 23-29 38.24x33 34-39 39.32-28 39x50 40.49-44 +). Onmiddellijk sluiten van veld 13 (35...8-13?) komt echter evenmin in aanmerking; immers: na 36.30-25 20-24 37.42-38/31-26 is zwart rechts al zijn formaties kwijt, terwijl het overtollige stuk op 4 tot een troosteloos verblijf op de velden 9 of 15 veroordeeld lijkt. Maar dit betekent nog geenszins dat hij ‘dus’ maar met 35...4-9? moet opbouwen, want in dat geval combineert wit met 36.30-24!! 20x29 37.27-21! 16x36 38.28-22 18x38 39.42x4 + naar dam!
Daarom is de decorwisseling 35...16-21(!) 36.27x16 20-24 (met als rechtvaardiging 37.30-25?? 18-22!, 38...24-30, 39...23-29 en 40...19x48 +) 37.31-27 24x35 vermoedelijk nog het beste. Maar zelfs dan heeft zwart nog lang geen gelijk spel.
Hage laat het witte stuk op 27 dan ook wijselijk ongemoeid:
29...8-13 30.37-32 2-8 31.33-28
Thijssen probeert zijn tegenstander een gesloten klassiek middenspel op te dringen.
(WORDT VERVOLGD)
Maar “beter” is natuurlijk nog geen synoniem voor “gewonnen”. Bovendien was Hage wel zo verstandig om met 31...14-20 althans de mogelijkheid te creëren de stelling opnieuw open te breken. Vandaar dat Thijssen besloot het wapen van de tactiek in de strijd te werpen. Om de spanningen zo ver mogelijk op te voeren, accepteerde de latere toernooiwinnaar geheel vrijwillig een opsluiting van zijn rechter vleugel, waardoor er allerlei spectaculaire combinaties in de stand kwamen. Dat bleek een gouden greep, want Thijssen slaagde erin zijn tegenstander binnen acht zetten twee forse fouten te ontlokken. En waar Hage’s eerste fout nog wel te herstellen was, bleek de laatste vrijwel op slag beslissend.
Thijssen-Hage
(NK 2006)
1.33-28 18-22 2.38-33 12-18 3.31-26 19-23
Door bij de eerste de beste gelegenheid naar 23 te ruilen, omzeilt zwart de diverse hekstelling-varianten die na 3...7-12 4.37-31!? in het vizier zouden zijn gekomen. Daarvan zijn 4...19-23 5.28x19 14x23 6.32-27 (de Wiersma-variant) en de - relatief lange - spelgang 4...1-7 5.42-38 20-25 6.47-42 14-20 7.41-37 10-14 8.46-41 5-10 9.32-27 19-23 10.28x19 14x23 11.34-30 25x34 12.40x29 23x34 13.39x30 20-25 14.44-39 25x34 15.39x30 veruit het populairst, veel populairder althans dan het principiële doch helaas zelden voorkomende (3...7-12 4.37-31) 4...1-7 5.42-38 19-23 6.28x19 14x23 7.32-28 23x32 8.38x27 10-14.
Het mag overigens verrassend heten dat van de beide combattanten juist Hage de meeste praktijkvoorbeelden (als witspeler, welteverstaan) met de Wiersma-variant op zijn naam heeft staan! De tòch al schaarse keren dat Thijssen de stand na 1.33-28 18-22 2.38-33 12-18 3.31-26 op het bord bracht c.q. kreeg, gooiden zijn tegenstanders roet in het eten door òf (zoals in het onderhavige duel) met 3...19-23 4.28x19 14x23 te vervolgen, òf na 3...7-12 4.37-31 een andere zet dan 4...19-23 te doen.
4.28x19 14x23 5.32-28
Als we de 2x2-ruil 5.33-28 enz. even niet meerekenen, zijn er slechts twee manieren waarop wit kan verhinderen dat zwart met (5.42-38) 5...7-12 en 6...22-27 enz. een voorpost op 27 inneemt: door veld 32 middels 5/6.32-28 en 6/7.37x28 te ontruimen, of door diezelfde doelstelling middels 5.34-29 23x34 6.40x29 7-12 7.32-28 te verwezenlijken. Van die beide methodes draagt de laatste (5.34-29 enz.) het meest bij aan de harmonie in de witte stand, maar de eerste heeft weer de verdienste dat wit zijn tegenstander berooft van dat aanknopingspunt op veld 29.
Er is overigens een klein doch niet geheel verwaarloosbaar verschil tussen enerzijds 5.42-38 7-12 6.32-28 23x32 7.37x28 en anderzijds direct 5.32-28. In het eerste geval namelijk moet wit na 7...16-21!? 8.41-37 21-27 al meteen een keuze maken tussen 9.37-31 of 9.37-32, aangenomen tenminste dat hij er niet voor voelt de 4x4-ruil 9.48-42 27-32 enz. toe te laten. Na onmiddellijk 5.32-28 23x32 6.37x28 7-12 7.41-37 daarentegen kàn hij 7...16-21 ook met 8.46-41/43-38!? 21-27 9.43-38/46-41!? beantwoorden. De verdienste van die opstelling is dat wit zich links nog niet heeft vastgelegd (voorlopig zal zwart zowel met 37-31 als met 37-32 rekening moeten blijven houden), terwijl - “onder omstandigheden”, zoals dat heet - de zwarte Roozenburg-aanval zelfs met 37-31 en 49-43!!? zou kunnen worden bestreden.
Maar het is allemaal lood om oud ijzer wanneer zwart, zoals Hage zal doen, van de speelwijze met 16-21-27 afziet.
5...23x32 6.37x28 10-14 7.41-37 7-12 8.46-41
Mogelijk hoopte Thijssen in deze fase nog steeds op 16-21-27. Had de witspeler echter zeker geweten dat zwart op een hernieuwde afruil van 28 zou aansturen, dan had hij wellicht voor 8.42-38 5-10/1-7 9.37-32 1-7/5-10 10.36-31 gekozen. Die van Andreiko afkomstige opstelling (zie diens stijlvolle duel met Mansjien uit het internationale toernooi van Jalta 1961) heeft ten opzichte van het partijverloop het voordeel dat wit na 10...18-23 (Mansjien speelde overigens 10...16-21) 11.28x19 14x23 12.31-27 22x31 13.26x37 het randstuk op 36 heeft opgelost, zodat hij zich betrekkelijk ongestoord op een (eventueel) aanvalsspel langs de andere bordrand kan richten. (De partij Sijbrands-Van der Sluis, NK 1973, geeft daar een - al zeg ik het zelf - geslaagd voorbeeld van.) Desgewenst zou wit diezelfde doelstelling ook met (8/9.)43-38 in plaats van (8/9.)42-38 kunnen nastreven, zoals onder meer in Wiersma-Cazemier, Genève 1980, en een tweetal (wit-)partijen van Sjtsjogoljew het geval was.
De keerzijde van Andreiko’s speelwijze is dat zwart natuurlijk allerminst verplicht is 10...18-23 11.28x19 14x23 te doen. In plaats daarvan kan hij namelijk ook met 10...22-27 11.31x22 18x27 12.32x21 16x27 (zie bijvoorbeeld Sjtsjogoljew-Koljesnik, kamp. USSR 1991, of Sjtsjogoljew-Kolesow, Russisch Ploegenkamp. 2005) dan wel eerst 10...20-24 (zoals in de partijen van - alweer - Sjtsjogoljew tegen Vjerchovich en Foerman uit de Sowjet-Russische kampioenstoernooien van respectievelijk 1985 en 1991) een speltype op het bord brengen waarin al iets zichtbaar wordt van de disharmonie in de witte stand waar ik in de vorige aantekening op doelde. Het laat zich dan ook begrijpen dat lang niet iedere (wit)speler gecharmeerd is van de gelijktijdige bezetting van de velden 32 en 31.
8...1-7 9.37-32
Een ander beproefd idee is 9.42-38 5-10 10.48-42, om op 10...18-23 11.28x19 14x23 te vervolgen met hetzij 12.35-30 20-25 13.30-24 (zie zowel Baljakin-Guinard, Cannes 1990, als Wiersma-G. Jansen, 1ste barragepartij NK 1998; waaraan ik nog toevoeg dat deze zelfde variant - maar dan met schijf 47 op veld 48 - óók in de competitiepartij Scholma-Binenbaum 1992 is voorgekomen), hetzij 12.34-29 23x34 13.40x29 (Van den Akker-Brouwers, clubcompetitie 2002/2003).
Overigens wil ik er (al is het wellicht overbodig) tòch even op wijzen dat met de tekstzet een stelling op het bord is verschenen die ook net zo goed uit de 1.32-28 18-22-opening had kunnen voortvloeien; men zie: 2.37-32 12-18 3.41-37 7-12 4.46-41 1-7 5.31-26 19-23 6.28x19 14x23 7.32-28 23x32 8.37x28 10-14 9.38-32 q.e.d.
9...5-10 10.42-38 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6 t/m 18, 20 en 22;
achttien witte schijven op 26, 28, 32 t/m 36, 38 t/m 41, 43 t/m 45 en 47 t/m 50.]
10...18-23
De vraag wat er allemaal had kunnen gebeuren wanneer zwart hetzij hier, hetzij op een van de vorige zetten of na eerst nog 10...20-24 (11.47/48-42) het scherpe 7/11...16-21 zou hebben gespeeld, valt buiten het bestek van deze partijbespreking. Gezegd zij slechts dat de Roozenburg-opstelling vanuit deze specifieke openingsvariant zowel kansen als (niet te onderschatten) risico’s met zich meebrengt.
11.28x19 14x23 12.32-27
In een relatief oude partij tegen Friedman, Junioren-WK 1994, had Thijssen hier 12.41-37 (12...22-27 13.32x21 16x27 14.34-29 23x34 15.39x30) gedaan.
Met het bescheiden terugruiltje waartoe de tekstzet de inleiding vormt (en dat ditmaal dus niet eens gepaard gaat met het oplossen van 36!), erkent de witspeler impliciet hoe moeilijk het is om in deze openingsvariant ‘spel’ te maken wanneer de tegenstander dat niet wil.
12...22x31 13.26x37 13-19 14.35-30!?
Maar door de terugtocht naar 37 onmiddellijk te laten volgen door het opkomen van schijf 35, laat Thijssen er niet de geringste onduidelijkheid over bestaan dat hij wel degelijk strijd wenst. Hage, die zich kennelijk minder aangetrokken voelt tot 14...10-14 15.30-25 12-18/8-13 16.34-29 23x34 17.40x29, neemt de uitdaging aan:
14...20-25 15.30-24!? 19x30 16.40-35 12-18 17.35x24 7-12 18.33-29(!)
Thijssen maakt er terecht een (soort) Roozenburg-opstelling van: in de open stand na 18.33-28(?) 23x32 19.37x28 had het zwart weinig moeite gekost de vijandelijke aanval tot de grond toe af te breken en het initiatief zelfs over te nemen.
18...9-13 19.39-33 17-22 20.44-39 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6, 8, 10 t/m 13, 15, 16, 18, 22, 23 en 25;
vijftien witte schijven op 24, 29, 33, 34, 36 t/m 39, 41, 43, 45 en 47 t/m 50.]
20...13-19
Voor de hand liggend, maar daarmee nog niet noodzakelijkerwijs de beste. Zo zou zwart er baat bij hebben gehad eerst het randstuk op 16 op te lossen, alvorens de vijandelijke voorpost af te ruilen. Bijvoorbeeld 20...16-21 21.38-32 11-17(!) met zowel na 22.32-28 23x32 23.37x28 13-19 (of eerst nog 23...3-9 of zelfs 23...10-14) 24.24x13 8x19 als na 22.50-44 13-19 23.24x13 8x19 uitstekend spel voor zwart, om van 22.36-31? 21-27! 23.32x21 17x26 maar te zwijgen.
Maar ik moet hier ogenblikkelijk aan toevoegen dat dit voorbeeldje weinig relevant is. Ik vermoed namelijk dat Thijssen 20...16-21 niet met 21.38-32(?) maar met 21.37-31(!) of met 21.37-32(!) had beantwoord. (Waarbij volledigheidshalve zij opgemerkt dat wit in het laatste geval niet bovenmatig bevreesd hoeft te zijn voor de kaalslag-variant 21...21-27 22.32x21 22-27 23.21x32 13-19 24.24x22 12-17 25.29x18 17x46 26.18-13! 8x19 27.47-41 46x40 28.45x34, omdat hij daar onmiskenbaar voordeel aan overhoudt.) Met 37 op 31 zou zwart de positionele dreiging 22.31-27! 21x32 23.38x27 22x31 24.36x27 12-17 25.27-22 enz. wellicht nog kunnen tegengaan met 21...3/4-9 of het scherpe - en bepaald niet van risico’s ontblote! - 21...12-17. (Niet echter 21...21-27?? wegens 22.33-28! +.) Maar (20...16-21) 21.37-32 laat hem haast geen andere constructieve optie dan 21...21-27 22.32x21 11-16, wat via 23.41-37 16x27 24.37-32 6-11 25.32x21 11-16 26.47-41!? 16x27 27.41-37 12-17 (met 48 op 47 had zwart kunnen volstaan met simpel 27...13-19 28.24x13 8x19, daar 29.37-32?? in dat geval faalt op het damzetje 29...10-14!, 30...25-30! en 32...12-17 +) 28.37-31! (zie analyse-diagram) tot grote spanningen had kunnen leiden.

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 2 t/m 4, 8, 10, 13, 15, 17, 18, 22, 23, 25 en 27;
dertien witte schijven op 24, 29, 31, 33, 34, 36, 38, 39, 43, 45 en 48 t/m 50.]
Nu bezweert de computer mij dat na 28...23-28 29.48-42 13-19 [de enige parade tegen de dreiging (29...8-12?) 30.42-37! en 31.38-32 +] 30.24x13 8x19 31.42-37 19-24 32.29x20 15x24 33.45-40 (dreigt 34.38-32 +) 33...18-23 34.40-35 (met de nieuwe dreiging 35.35-30! en 36.33-29 +) het offer 34...25-30!!? 35.34x25 10-14 goed speelbaar is. Maar zelfs als de zwartspeler deze lange spelgang al aan zijn geestesoog voorbij heeft zien trekken, dan nog kan men zich levendig voorstellen dat hij het er liever niet op aan liet komen...
[Met bovenstaande wetenschap gewapend zou men zich kunnen afvragen of, in plaats van het schijnbaar zo logische 18...9-13, direct 18...17-22 of 18...16-21 wellicht nauwkeuriger was geweest: bij hetzelfde witte spel als in de partij (19.39-33 en 20.44-39) was zwart dan mogelijk wèl tot de gewenste opstelling uit het allereerste variantje gekomen. Maar daarmee zouden we wel erg ver van het werkelijke verloop afdwalen.]
21.24x13 8x19 22.38-32(!)
Nu wèl.
22...3-8 23.48-42
Wit heeft de formatie 41/37/32 in stelling gebracht, maar dat niet alleen: met een schuin oog kijkt hij nu óók naar veld 27, op de bezetting waarvan zwart vanaf dit moment voortdurend bedacht moet zijn.
23...15-20 24.50-44 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 2, 4, 6, 8, 10 t/m 12, 16, 18 t/m 20, 22, 23 en 25;
veertien witte schijven op 29, 32 t/m 34, 36, 37, 39, 41 t/m 45, 47 en 49.]
24...20-24
Flankstanden als deze mogen op het eerste gezicht misschien een overzichtelijke indruk maken - in werkelijkheid laten zij zich helemaal niet zo gemakkelijk doorgronden. Ik heb op dit punt enig recht van spreken, daar ik er tijdens mijn carrière een behoorlijk aantal keren mee te maken hebben gehad. Zoals (een kleine greep slechts) in mijn partijen tegen Fokke de Jong (Den Haag 1970), Van Heerde (Diemen 1971), Lesjtsjinski (Moskou 1979) en Stokkel (WK 1990), of in de competitieduels met Varkevisser (1969), Scholma (1979), Visser (1982) en Bastiaannet (1988). Al is het waar dat in geen van de genoemde voorbeelden het verschil-in-ontwikkeling zo groot was (8 tempi!) als in Thijssen-Hage 2006.
Heel in het algemeen kan men - denk ik - wel stellen dat de speler die het centrum beheerst (en die doorgaans ook op tempovoordeel zal kunnen bogen), de beste kansen heeft. Dat geldt zeker voor díe gevallen waarin zijn tegenstander hardnekkig probeert hem de controle over de velden 28 en 23 te betwisten, om uiteindelijk tot de ontdekking te komen dat het allemaal tevergeefs is geweest en dat het openen der stellingen alleen maar als een boemerang heeft gewerkt. Het wordt echter een heel ander verhaal wanneer de ‘tegenspeler’ het centrum gesloten houdt en daarbij een strategie toepast die erop gericht is om:
a) de aanvaller in temponood te brengen;
of
b) veld 27 te veroveren (32-27x27) en de vijandelijke positie middels de manoeuvre 27-22! (18x27) en 29x18 uiteen te rijten (zoals in de prachtige partij Dybman-Van den Borst, WK 1986, of in de partij die Schwarzman in het WK-rapid 2005 van Heusdens won). In dit laatste geval zal veel afhangen van de vraag hoe stevig het zwarte centrum is (kan hij bijvoorbeeld de velden 13 en 9 nog dichten?), èn - vooral - van de uitkomst van de kettingstelling die hij met 19-24 op het bord kan brengen. Onnodig te zeggen dat een dergelijke speelwijze grote, schier onberekenbare complicaties tot gevolg kan hebben!
Ziedaar dus waarom ik niet zonder meer zou durven beweren dat Hage de achterwaartse afruil van schijf 29 beter had kunnen uit- of afstellen. Maar door al in zo’n relatief vroeg stadium tot 20-24 en 25x14 over te gaan, maakt de zwartspeler het zijn tegenstander wèl gemakkelijker.
25.29x20 25x14 26.32-27! 22x31 27.36x27
Zo maakt Thijssen van de nood (de randschijf op 36) een deugd. Door veld 27 in bezit te nemen en langzaam maar zeker gesloten klassieke structuren aan te brengen, trekt de witspeler het voordeel (of op z’n minst de gemakkelijker, want veruit meest flexibele stelling) naar zich toe.
27…11-17 28.43-38 10-15 29.34-30 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 2, 4, 6, 8, 12, 14 t/m 19 en 23;
twaalf witte schijven op 27, 30, 33, 37 t/m 39, 41, 42, 44, 45, 47 en 49.]
Mogelijk omdat het na 29.37-32 8-13 tòch nog te vroeg is voor 30.33-28? (30...17-22! 31.28x8 23-29 32.34x12 13-18 33.12x23 19x48! 34.8-3 48x25 +) of omdat hij op 29.37-32 de reactie 29...6-11!? (met de dreiging 30...23-29 +) vervelend vindt, ontruimt Thijssen eerst veld 34. Daarbij koestert de witspeler geen bezwaar tegen 29...17-22 30.41-36 22x31 31.36x27 12-17, daar zwart na 32.37-32(!) tòch niet opnieuw 32...17-22?? mag spelen wegens 33.30-24! 19x30 34.33-28 +. Datzelfde effect kan niet met 32.38-32 17-22 33.30-24(?) worden bereikt, omdat zwart in dat geval via 33...22x31(!!) 34.24x22 2-7! 35.37x26 23-29 36.33x24 14-19 37.24x11 6x48 (38.47-41* 48x25 39.44-39/49-43 25x48 40.41-37 48x31 41.36x47) linea recta naar een puntendeling afwikkelt.
Wel kan wit in deze variant (29...17-22 30.41-36 22x31 31.36x27 12-17 32.38-32 17-22) goed 33.37-31! spelen, bijvoorbeeld 33...15-20 34.33-28! 22x33 35.39x28 (zie analyse-diagram).

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 2, 4, 6, 8, 14, 16, 18 t/m 20 en 23;
tien witte schijven op 27, 28, 30 t/m 32, 42, 44, 45, 47 en 49.]
In de stand van het analyse-diagram heeft zwart met moeilijkheden van zowel strategische als tactische aard te kampen. Zo mag hij - om te beginnen - schijf 20 om voor de hand liggende redenen niet beroeren (bijvoorbeeld 35...20-25?? 36.28-22! 25x34 37.22x24 23-29 38.24x33 34-39 39.32-28 39x50 40.49-44 +). Onmiddellijk sluiten van veld 13 (35...8-13?) komt echter evenmin in aanmerking; immers: na 36.30-25 20-24 37.42-38/31-26 is zwart rechts al zijn formaties kwijt, terwijl het overtollige stuk op 4 tot een troosteloos verblijf op de velden 9 of 15 veroordeeld lijkt. Maar dit betekent nog geenszins dat hij ‘dus’ maar met 35...4-9? moet opbouwen, want in dat geval combineert wit met 36.30-24!! 20x29 37.27-21! 16x36 38.28-22 18x38 39.42x4 + naar dam!
Daarom is de decorwisseling 35...16-21(!) 36.27x16 20-24 (met als rechtvaardiging 37.30-25?? 18-22!, 38...24-30, 39...23-29 en 40...19x48 +) 37.31-27 24x35 vermoedelijk nog het beste. Maar zelfs dan heeft zwart nog lang geen gelijk spel.
Hage laat het witte stuk op 27 dan ook wijselijk ongemoeid:
29...8-13 30.37-32 2-8 31.33-28
Thijssen probeert zijn tegenstander een gesloten klassiek middenspel op te dringen.
(WORDT VERVOLGD)
[In de eerste aflevering gewijd aan de partij Van den
Akker-Thijssen, NK 2006, waren we gebleven bij de stand na
31…12-17! Die luidde in cijfers:
dertien zwarte schijven op 3, 6, 7, 13 t/m 20, 23 en 24;
dertien witte schijven op 25, 27, 28, 31 t/m 35, 38, 42, 43, 45 en 48.
Het is vanuit deze stelling dat we de draad weer oppakken:]
32.34-30 17-21! 33.43-39 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 3, 6, 7, 13 t/m 16, 18 t/m 21, 23 en 24;
dertien witte schijven op 25, 27, 28, 30 t/m 33, 35, 38, 39, 42, 45 en 48.]
33...3-8(!)
Om de remise-forcing te elimineren waarover wit straks blijkt te beschikken (maar die Van den Akker dus - zoals impliciet gezegd - zal overzien), hàd zwart ook 33...7-11 kunnen overwegen. Bijvoorbeeld 34.39-34 24-29 35.33x24 20x40 36.45x34 15-20 37.38-33 20-24 (zie analyse-diagram) 38.34-29 23x34 39.30x39 18-23! 40.39-34 13-18! en wit bevindt zich wel degelijk in moeilijkheden. (De vraag of die moeilijkheden van beslissende aard zijn of niet, is wat mij betreft minder relevant.)

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 3, 6, 11, 13, 14, 16, 18, 19, 21, 23 en 24;
elf witte schijven op 25, 27, 28, 30 t/m 35, 42 en 48.]
Toch heeft Thijssen groot gelijk dat hij er - en dat geldt voor het hele klassieke afspel van deze partij! - alles aan doet om schijf 7 in eerste instantie op z’n plaats te laten en uiteindelijk naar het centraler gelegen veld 12 te dirigeren. Om te beginnen zou 33...7-11 minder dwingend zijn dan het gespeelde 33...3-8, in dìe zin dat wit op de 36ste zet desgewenst ook achteruit (35x44) kan slaan. Maar dat is bij lange na niet het enige bezwaar dat 33...7-11(?) aankleeft. Want in de stand van het analyse-diagram kan wit het op liefst twee manieren beduidend beter doen.
Zo zou, in plaats van de ontijdige terugruil 38.34-29? 23x34 39.30x39, eerst 38.42-37! al veel sterker zijn. Immers: als zwart, ter vermijding van de tempodwang waarin hij na 38...3-8 39.31-26(!!) komt te verkeren, het logische 38...21-26 zou spelen, stuit hij na 39.34-29! (nu pas) 39...23x34 40.30x39 18-23? 41.39-34! 13-18? (zwart doet er verstandig aan zijn ambities lager af te stellen) 42.28-22! op het probleem dat hij een tempo te kort komt om veld 13 te sluiten. Het gevolg van die (toevallige) omstandigheid is dat zijn stand na 42...11-17 43.22x13! 19x8 44.33-28! 14-19 45.34-29! 24x22 46.27x29 finaal aan flarden gescheurd wordt!
Het tweede alternatief waarover wit in de stand van het analyse-diagram beschikt, brengt het meest principiële bezwaar van de opstelling met (33...)7-11 aan het licht. Wit kan namelijk ook 38.28-22! 21-26 39.33-28! 26x37 40.42x31 doen. Evenals in de partij Koeperman-Bom uit het WK 1964 (zie het in 2002 verschenen Jan Bom - dammer, pp. 300-309), maakt de aanwezigheid van het min of meer gedeplaceerde stuk op 11 het zwart onmogelijk om optimaal profijt te trekken van de vijandelijke kerkhofbezetting.
34.39-34 24-29 35.33x24 20x40 36.45x34 15-20 37.38-33(!) 20-24 38.34-29(!) 23x34 39.30x39 18-23 40.39-34(!) 13-18 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6 t/m 8, 14, 16, 18, 19, 21, 23 en 24;
tien witte schijven op 25, 27, 28, 31 t/m 35, 42 en 48.]
41.48-43?
Van den Akker maakt onvoldoende gebruik van de tactische mogelijkheden die de schijnbaar zo hermetisch gesloten stelling wel degelijk blijkt te bevatten. Daarmee bedoel ik nìet te zeggen dat hij 41.28-22? had moeten spelen. Dat zetje, waarvan de bedoeling is 41...8-13? met simpel 42.33-28 (42...21-26 43.22-17! 26x37 44.42x31) dan wel de remise-afwikkeling 42.34-29!, 43.32-28!, 44.25-20 en 45.20x20 te beantwoorden, had in werkelijkheid namelijk een schijf en de partij verloren door 41...21-26! enz.
Nee - wit had zijn toevlucht tot het even fraaie als verborgen 41.42-38!! moeten nemen. De eerste pointe van die zet schuilt in de combinatieve dreiging (41...8-13?) 42.34-29! 23x34 43.28-23! 19x26 44.25-20!! 21x43 45.48x10; in het resterende eindspel (met spoedig twee witte dammen!) staat voor zwart zelfs een puntendeling nog niet vast... Vrijwel gedwongen is daarom 41…21-26, waarop wit met 42.34-29!! (zie analyse-diagram) de tweede pointe van 41.42-38 uitserveert.

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6 t/m 8, 14, 16, 18, 19, 23, 24 en 26;
tien witte schijven op 25, 27 t/m 29, 31 t/m 33, 35, 38 en 48.]
Zwart moet dan kiezen tussen enerzijds 42...26x37 43.29x9 8-13 44.32x41 23x43 45.48x39 13x4 = en anderzijds 42...23x34 43.28-23! 26x39 44.23x1 24-29! 45.35-30! 8-13! (en vooral niet eerst 45...16-21? 46.27x16 en dan pas 46...8-13 wegens 47.25-20!! 14x25 48.38-32! met winst voor wit!) 46.27-22! 14-20! 47.25x23 29x27 48.1x40 27-31 enz., waarna het eveneens remise moet worden.
Met de foutieve tekstzet verzuimt Van den Akker zijn misgreep op de 31ste zet alsnog goed te maken; de uitroeptekentjes achter wits laatste drie zetten worden er als het ware in één klap mee teniet gedaan.
41…8-13! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 7, 13, 14, 16, 18, 19, 21, 23 en 24;
tien witte schijven op 25, 27, 28, 31 t/m 35, 42 en 43.]
42.43-39(?)
En na deze tweede fout in successie wordt wit strategisch zelfs overspeeld. Het is waar dat ook een opstelling met 43-38 kansloos zou hebben verloren, bijvoorbeeld 42.42-37(?) 21-26! 43.43-38 7-12 44.34-30 en nu niet 44...6-11? (45.27-21!!, 46.33-29!, 47.30-24 en 48.28x6 met remise na 48...30-34 49.32-27! 31x22 50.6-1 =) doch simpel 44...12-17! +. Maar met 42.34-30(!) kon wit nog fel van zich af bijten. Het wezenlijke verschil met de tekstzet is dat 42…21-26? ditmaal niet meer dan remise oplevert wegens 43.33-29!! 26x39 44.29x9 13x4 45.30-24 19x30 46.25x43 23-29 47.28-23 =. En de charmante afwikkeling 42...7-12 43.31-26(!) 24-29(?) 44.26x8 29x47 45.8-2 18-22(!!) 46.27x20 47x15 47.2x24 15x17 wint helaas evenmin na 48.25-20 17-21 49.20-14 21x49 50.14-10 enz., zodat een eerste conclusie luidt dat dezelfde winst als in het partijverloop voor zwart geen haalbare optie is.
Nu wil daar geenszins mee gezegd zijn dat het na 42.34-30 “dus” zonder meer remise was geweest, want zwart beschikt waarachtig nog wel over andere plannen. Zo zou hij, ter voorbereiding van 43...21-26 (welke zet wit tenslotte niet nòg langer kan tegengaan), eerst 42...7-11 kunnen spelen. En zwart kan - op meerdere momenten zelfs - met de Ghestem-doorstoot 23-29 werken. Ik som de diverse mogelijkheden in willekeurige volgorde voor u op:
1) 42...7-11 43.43-39 21-26 44.42-37 11-17 (niet kansrijker is 44...23-29 45.28-23! 29x38 46.23x12 38-42 47.37x48 26x28 48.39-34 13-18 49.12x32 24-29 50.34x23 19x37 51.30-24 enz. =) 45.39-34 6-11! 46.34-29 23x34 47.30x39 17-21! (zie analyse-diagram).

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 11, 13, 14, 16, 18, 19, 21, 24 en 26;
negen witte schijven op 25, 27, 28, 31 t/m 33, 35, 37 en 39.]
Aanvankelijk meende ik dat de stand van het analyse-diagram gewonnen was voor zwart, reden waarom ik destijds in de krant schreef dat 42.34-30 “taaier, ofschoon vermoedelijk niet meer toereikend” was. Inderdaad lijkt zwart na 48.39-34 24-30 49.35x24 19x39 50.33x44 13-19 in een lange variant te gaan winnen; men zie: 51.44-39 19-24 52.39-34 (52.39-33?? 11-17! +) 52...14-19 53.34-30 24x35 54.25-20 35-40 55.20-15 40-45! (zo omzeilt hij de remise-afwikkeling 55...40-44? 56.28-22! 18-23 57.32-28!! gevolgd door 15-10-4 en 60.22-17 =) 56.15-10 18-23! en wit komt in het dammeneindspel (of moeten we hier wellicht van “macro-eindspel” spreken?) twee volle schijven achter, daar 57.10-4 45-50 58.4-22?? taboe is wegens 58...19-24! 59.28x30 50x17 +.
Maar een later analytisch onderzoek heeft mij doen inzien dat wit zich in de diagramstand nog wel degelijk kan redden, mits hij 48.39-34? vervangt door 48.28-22! Er volgt dan namelijk 48...18-23 49.33-28 23-29 50.39-34! (voor het offer 50.28-23?, 51.27-22 en 52.32x34 is het momenteel nog te vroeg) 50...29x40 51.35x44 24-29 (de kansrijkste: na 51...13-18 52.22x13 19x8 53.44-39! staat zwart min of meer met lege handen, bijvoorbeeld 53...8-12 54.28-22! 12-17 55.22-18 17-22 56.18-12 22-28 57.32x23 21x41 58.12-8 26x37 59.8-3 =; zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
acht zwarte schijven op 11, 13, 14, 16, 19, 21, 26 en 29;
acht witte schijven op 22, 25, 27, 28, 31, 32, 37 en 44.]
52.28-23!! (het enige juiste moment voor deze offerwending; merk op dat het na 52.44-40? 19-24 53.40-35 14-19! juist weer te laat zou zijn voor 54.28-23 enz., omdat zwart in dat geval middels 56...11-17 57.35-30 24x35 58.25-20 13-19! 59.20-15 17-22 60.15-10 19-23! naar de winst toespeelt) 52...19x17 53.27-22 17x28 54.32x34 11-17.
Tot zover is het verloop - althans vanaf de 47ste zet van zwart - identiek aan dat van de competitiepartij Op den Kelder-Mulaya 2003. Daarin speelde wit nu 55.34-29?, om (pas) na 55...13-19! tot de ontdekking te komen dat de dreiging 56...19-23! en 57...17-22 + zijn tegenaanval beslissend oponthoud bezorgt; Op den Kelder zag dan ook terecht van verdere tegenstand af. Het is echter sterk de vraag of zwart na het correcte 55.34-30! eveneens had gewonnen. Ik vermoed eerlijk gezegd van nìet. Daarbij speelt een rol dat zwart in het 4x2-eindspel dat via 55...13-19 56.44-40! 17-22 57.40-35! 21-27 58.30-24 19x30 59.35x24 27x36 60.24-20 14-19 61.20-15 22-27 62.15-10 19-24 63.10-5 27-31 64.37-32 31-37 65.32x41 36x47 op het bord zou kunnen komen, op remise blijft steken, daar een eventuele opmars van 29 altijd (uiteraard na ontruiming van veld 5) met de opmars van 25 naar 14 beantwoord wordt.
Uit dit alles kan de voorzichtige conclusie worden getrokken dat, zodra de controle over veld 12 is weggevallen, een “rustig” klassiek afspel voor zwart onvoldoende is om zijn (onmiskenbare) voordeel in winst om te zetten. Maar hij kon, zoals de lezer zich nog herinneren zal, zijn heil óók in de Ghestem-doorstoot beproeven:
2) 42...23-29 (zie analyse-diagram).

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 7, 13, 14, 16, 18, 19, 21, 24 en 29;
tien witte schijven op 25, 27, 28, 30 t/m 33, 35, 42 en 43.]
Hierop beschikt wit over drie mogelijkheden, waarvan uitgerekend de minst voor de hand liggende de beste is:
2.1) 43.42-38? 18-23! en de dreiging 44...21-26 + is absoluut dodelijk.
2.2) 43.43-38?! 21-26! en nu:
2.2.1) 44.42-37 7-12! 45.28-22 (ook 45.28-23 19x39 46.30x17 39-44 verliest kansloos) 45...6-11! (efficiënter nog dan 45...16-21 enz.; de bedoeling is uiteraard 46.33-28 18-23 +) 46.32-28* 18-23 47.22-18* 23x43! 48.18x20 29x38 49.20x29 43-48 en zwart wint probleemloos.
2.2.2) 44.28-23 19x48 45.30x10 26x37 46.33x24 37-41 47.10-4 (want na 47.10-5 41-47! 48.25-20 47x33 49.20-15 33x20 50.15x24 48-42! zou wit drie schijven achter komen) 47...13-19! 48.24x22 41-47 (49.38-32 47-41), waarna zwart in het 5x5-eindspel redelijke winstkansen lijkt te hebben, al is het nog géén gelopen race.
2.3) 43.28-23!! 19x28 44.30x8! 21x32 45.8-3 en ondanks een zijn (tijdelijke) voorsprong van vier(!) stukken wordt winst voor zwart problematisch, daar wit onvermijdelijk materiaal herovert èn uitzicht op een tweede dam krijgt.
Mocht deze laatste spelgang inderdaad niet meer dan remise opleveren, dan kan zwart - ter vermijding van variant “2.3” - óók overwegen de Ghestem-doorstoot twee zetten later te plaatsen:
3) 42...7-12 43.31-26 12-17 44.43-38 23-29 (nu pas) 45.42-37 18-23 (deze positie kan langs meerdere wegen tot stand komen; zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 13, 14, 16, 17, 19, 21, 23, 24 en 29;
tien witte schijven op 25 t/m 28, 30, 32, 33, 35, 37 en 38.]
46.27-22 6-11! 47.37-31 21-27 48.32x12 23x43.
Ook deze variant belooft zwart op z’n minst redelijke winstkansen. Maar evenals in de laatste twee spelgangen (“2.2.2” en “2.3”) is het - zelfs met de hulp van de computer - moeilijk, zoniet onmogelijk een eenduidige conclusie te trekken. Dit temeer daar wit op liefst drie verschillende manieren kan afwikkelen naar een dammeneindspel waarin zwart weliswaar een schijf meer heeft en bovendien het dichtst bij tweede dam is, maar waarin ook wit een tweede dam dreigt te halen; in willekeurige volgorde:
a) 49.12-8 13x2 50.22-18 29x38 51.18-13 19x8 52.30x10.
b) 49.22-18 13x22 50.12-8 29x38 51.8-2 43-48/49 52.2-13 19x8 53.30x10.
c) 49.22-17 11x22 50.12-7 29x38 51.7-1, op enig moment (want na 51...43-49 zou wit desgewenst nog de terugruil 52.31-27 22x31 53.26x37 kunnen inlassen) gevolgd door 1-23 (19x28) en 30x10.
Het is sowieso al geen sinecure uit te maken welke van die drie mogelijkheden de meeste verdediging geeft, laat staan dat men - zonder uitvoerige analyse althans - met stelligheid zou kunnen beweren dat zwart (ook) na 42.34-30 gewonnen had gestaan. En dat is een wezenlijk verschil met het partijverloop, waarin wit geen enkele kans meer op herstel zal krijgen.
42…21-26! 43.42-37 7-12!
Het laten ‘hangen’ van schijf 7 heeft Thijssen bepaald geen windeieren gelegd: dankzij het stuk op 12 staat zwart nu - anders dan na 42.34-30 het geval zou zijn geweest - onomstotelijk gewonnen!
44.34-30 6-11!
Zonder de geringste vrees voor 45.27-22??? en 46.39-34, een zelfmoord-combinatie waarvoor wit niet eens het benodigde tempo zou hebben.
45.39-34 11-17 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 12 t/m 14, 16 t/m 19, 23, 24 en 26;
tien witte schijven op 25, 27, 28, 30 t/m 35 en 37.]
46.34-29 23x34 47.30x39 16-21!
Ook 47...17-21! (met de dreiging 48...14-20 +) had probleemloos gewonnen, bijvoorbeeld 48.35-30 (48.39-34?? 24-29! +) 48...24x35 49.33-29 12-17! (dit simpele zetje is veel efficiënter dan het dubbele tegenoffer 49...14-20? 50.25x23 35-40, dat uitsluitend wint ingeval 31 nog op 36 staat) 50.39-33 (of 50.39-34 17-22 51.28x17 21x12 52.32-28 12-17 53.37-32 26x37 54.32x41 17-21 +) 50...19-24! 51.29x9 13x4 52.33-29 35-40 en wit heeft niet beter dan het verliezende 53.28-22 enz.
Maar de afwikkeling naar 36 en het daaruit voortvloeiende 4x4-schijveneindspel is zo mogelijk nog overtuigender.
48.27x16 14-20 49.25x23 18x36 50.28-22
De logische tegenactie. Inderdaad was wit na 50.39-34 12-18! 51.34-30 13-19 52.30-25 helemaal nergens meer gekomen: zwart zou zowel met 52...18-22 (53.16-11 22x33 54.11x22 33-39 55.22-17 39-43 en 56...43-48 enz.) als met 52...18-23 (53.28-22 17x28 en altijd 54/55...28-32! 55/56.37x28 23x32 +) hebben kunnen winnen.
50...17x28 51.16-11 28-32!
Thijssen bewandelt de meest nauwkeurige, nee: de enige weg naar winst.
52.37x28 12-17! 53.11x22 36-41 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vier zwarte schijven op 13, 24, 26 en 41;
vier witte schijven op 22, 28, 35 en 39.]
54.28-23
Niet beter is 54.22-17 41-46 55.28-22 46-23 56.17-11 26-31 57.11-6 23-1 en zwart wint, zowel na 58.22-18 1x43(!) 59.6-1 31-37(!) 60.1-6 37-41! 61.6-22 13-19 enz. als na 58.39-34 1x45 59.35-30 24x35 60.6-1 31-36! +. En op 54.39-34 beslist de elegante offerwending 54...13-18!! (alleen zo!) 55.22x13 41-46!, ook na 56.34-29 46x8! 57.29x20 8-3! 58.20-15 3-14 +.
54...41-47!
Zo pareert zwart de remise-dreiging 23-18-12, terwijl hij en passant de kleine combinatie (55.22-17) 55...13-19! en 56...24-30 + in de stand vlecht.
55.23-19
In een oude partij Winderman-Swjatoj, kamp. USSR 1954, capituleerde wit al op dit moment.
55...47-36
Of ook eerst 55...13-18 (56.22x13) en dan pas 56...47-36 enz. gevolgd door de opmars van 26.
56.19x30 36x18 57.30-24 18-22
Wit geeft het op.
dertien zwarte schijven op 3, 6, 7, 13 t/m 20, 23 en 24;
dertien witte schijven op 25, 27, 28, 31 t/m 35, 38, 42, 43, 45 en 48.
Het is vanuit deze stelling dat we de draad weer oppakken:]
32.34-30 17-21! 33.43-39 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 3, 6, 7, 13 t/m 16, 18 t/m 21, 23 en 24;
dertien witte schijven op 25, 27, 28, 30 t/m 33, 35, 38, 39, 42, 45 en 48.]
33...3-8(!)
Om de remise-forcing te elimineren waarover wit straks blijkt te beschikken (maar die Van den Akker dus - zoals impliciet gezegd - zal overzien), hàd zwart ook 33...7-11 kunnen overwegen. Bijvoorbeeld 34.39-34 24-29 35.33x24 20x40 36.45x34 15-20 37.38-33 20-24 (zie analyse-diagram) 38.34-29 23x34 39.30x39 18-23! 40.39-34 13-18! en wit bevindt zich wel degelijk in moeilijkheden. (De vraag of die moeilijkheden van beslissende aard zijn of niet, is wat mij betreft minder relevant.)

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 3, 6, 11, 13, 14, 16, 18, 19, 21, 23 en 24;
elf witte schijven op 25, 27, 28, 30 t/m 35, 42 en 48.]
Toch heeft Thijssen groot gelijk dat hij er - en dat geldt voor het hele klassieke afspel van deze partij! - alles aan doet om schijf 7 in eerste instantie op z’n plaats te laten en uiteindelijk naar het centraler gelegen veld 12 te dirigeren. Om te beginnen zou 33...7-11 minder dwingend zijn dan het gespeelde 33...3-8, in dìe zin dat wit op de 36ste zet desgewenst ook achteruit (35x44) kan slaan. Maar dat is bij lange na niet het enige bezwaar dat 33...7-11(?) aankleeft. Want in de stand van het analyse-diagram kan wit het op liefst twee manieren beduidend beter doen.
Zo zou, in plaats van de ontijdige terugruil 38.34-29? 23x34 39.30x39, eerst 38.42-37! al veel sterker zijn. Immers: als zwart, ter vermijding van de tempodwang waarin hij na 38...3-8 39.31-26(!!) komt te verkeren, het logische 38...21-26 zou spelen, stuit hij na 39.34-29! (nu pas) 39...23x34 40.30x39 18-23? 41.39-34! 13-18? (zwart doet er verstandig aan zijn ambities lager af te stellen) 42.28-22! op het probleem dat hij een tempo te kort komt om veld 13 te sluiten. Het gevolg van die (toevallige) omstandigheid is dat zijn stand na 42...11-17 43.22x13! 19x8 44.33-28! 14-19 45.34-29! 24x22 46.27x29 finaal aan flarden gescheurd wordt!
Het tweede alternatief waarover wit in de stand van het analyse-diagram beschikt, brengt het meest principiële bezwaar van de opstelling met (33...)7-11 aan het licht. Wit kan namelijk ook 38.28-22! 21-26 39.33-28! 26x37 40.42x31 doen. Evenals in de partij Koeperman-Bom uit het WK 1964 (zie het in 2002 verschenen Jan Bom - dammer, pp. 300-309), maakt de aanwezigheid van het min of meer gedeplaceerde stuk op 11 het zwart onmogelijk om optimaal profijt te trekken van de vijandelijke kerkhofbezetting.
34.39-34 24-29 35.33x24 20x40 36.45x34 15-20 37.38-33(!) 20-24 38.34-29(!) 23x34 39.30x39 18-23 40.39-34(!) 13-18 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6 t/m 8, 14, 16, 18, 19, 21, 23 en 24;
tien witte schijven op 25, 27, 28, 31 t/m 35, 42 en 48.]
41.48-43?
Van den Akker maakt onvoldoende gebruik van de tactische mogelijkheden die de schijnbaar zo hermetisch gesloten stelling wel degelijk blijkt te bevatten. Daarmee bedoel ik nìet te zeggen dat hij 41.28-22? had moeten spelen. Dat zetje, waarvan de bedoeling is 41...8-13? met simpel 42.33-28 (42...21-26 43.22-17! 26x37 44.42x31) dan wel de remise-afwikkeling 42.34-29!, 43.32-28!, 44.25-20 en 45.20x20 te beantwoorden, had in werkelijkheid namelijk een schijf en de partij verloren door 41...21-26! enz.
Nee - wit had zijn toevlucht tot het even fraaie als verborgen 41.42-38!! moeten nemen. De eerste pointe van die zet schuilt in de combinatieve dreiging (41...8-13?) 42.34-29! 23x34 43.28-23! 19x26 44.25-20!! 21x43 45.48x10; in het resterende eindspel (met spoedig twee witte dammen!) staat voor zwart zelfs een puntendeling nog niet vast... Vrijwel gedwongen is daarom 41…21-26, waarop wit met 42.34-29!! (zie analyse-diagram) de tweede pointe van 41.42-38 uitserveert.

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6 t/m 8, 14, 16, 18, 19, 23, 24 en 26;
tien witte schijven op 25, 27 t/m 29, 31 t/m 33, 35, 38 en 48.]
Zwart moet dan kiezen tussen enerzijds 42...26x37 43.29x9 8-13 44.32x41 23x43 45.48x39 13x4 = en anderzijds 42...23x34 43.28-23! 26x39 44.23x1 24-29! 45.35-30! 8-13! (en vooral niet eerst 45...16-21? 46.27x16 en dan pas 46...8-13 wegens 47.25-20!! 14x25 48.38-32! met winst voor wit!) 46.27-22! 14-20! 47.25x23 29x27 48.1x40 27-31 enz., waarna het eveneens remise moet worden.
Met de foutieve tekstzet verzuimt Van den Akker zijn misgreep op de 31ste zet alsnog goed te maken; de uitroeptekentjes achter wits laatste drie zetten worden er als het ware in één klap mee teniet gedaan.
41…8-13! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 7, 13, 14, 16, 18, 19, 21, 23 en 24;
tien witte schijven op 25, 27, 28, 31 t/m 35, 42 en 43.]
42.43-39(?)
En na deze tweede fout in successie wordt wit strategisch zelfs overspeeld. Het is waar dat ook een opstelling met 43-38 kansloos zou hebben verloren, bijvoorbeeld 42.42-37(?) 21-26! 43.43-38 7-12 44.34-30 en nu niet 44...6-11? (45.27-21!!, 46.33-29!, 47.30-24 en 48.28x6 met remise na 48...30-34 49.32-27! 31x22 50.6-1 =) doch simpel 44...12-17! +. Maar met 42.34-30(!) kon wit nog fel van zich af bijten. Het wezenlijke verschil met de tekstzet is dat 42…21-26? ditmaal niet meer dan remise oplevert wegens 43.33-29!! 26x39 44.29x9 13x4 45.30-24 19x30 46.25x43 23-29 47.28-23 =. En de charmante afwikkeling 42...7-12 43.31-26(!) 24-29(?) 44.26x8 29x47 45.8-2 18-22(!!) 46.27x20 47x15 47.2x24 15x17 wint helaas evenmin na 48.25-20 17-21 49.20-14 21x49 50.14-10 enz., zodat een eerste conclusie luidt dat dezelfde winst als in het partijverloop voor zwart geen haalbare optie is.
Nu wil daar geenszins mee gezegd zijn dat het na 42.34-30 “dus” zonder meer remise was geweest, want zwart beschikt waarachtig nog wel over andere plannen. Zo zou hij, ter voorbereiding van 43...21-26 (welke zet wit tenslotte niet nòg langer kan tegengaan), eerst 42...7-11 kunnen spelen. En zwart kan - op meerdere momenten zelfs - met de Ghestem-doorstoot 23-29 werken. Ik som de diverse mogelijkheden in willekeurige volgorde voor u op:
1) 42...7-11 43.43-39 21-26 44.42-37 11-17 (niet kansrijker is 44...23-29 45.28-23! 29x38 46.23x12 38-42 47.37x48 26x28 48.39-34 13-18 49.12x32 24-29 50.34x23 19x37 51.30-24 enz. =) 45.39-34 6-11! 46.34-29 23x34 47.30x39 17-21! (zie analyse-diagram).

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 11, 13, 14, 16, 18, 19, 21, 24 en 26;
negen witte schijven op 25, 27, 28, 31 t/m 33, 35, 37 en 39.]
Aanvankelijk meende ik dat de stand van het analyse-diagram gewonnen was voor zwart, reden waarom ik destijds in de krant schreef dat 42.34-30 “taaier, ofschoon vermoedelijk niet meer toereikend” was. Inderdaad lijkt zwart na 48.39-34 24-30 49.35x24 19x39 50.33x44 13-19 in een lange variant te gaan winnen; men zie: 51.44-39 19-24 52.39-34 (52.39-33?? 11-17! +) 52...14-19 53.34-30 24x35 54.25-20 35-40 55.20-15 40-45! (zo omzeilt hij de remise-afwikkeling 55...40-44? 56.28-22! 18-23 57.32-28!! gevolgd door 15-10-4 en 60.22-17 =) 56.15-10 18-23! en wit komt in het dammeneindspel (of moeten we hier wellicht van “macro-eindspel” spreken?) twee volle schijven achter, daar 57.10-4 45-50 58.4-22?? taboe is wegens 58...19-24! 59.28x30 50x17 +.
Maar een later analytisch onderzoek heeft mij doen inzien dat wit zich in de diagramstand nog wel degelijk kan redden, mits hij 48.39-34? vervangt door 48.28-22! Er volgt dan namelijk 48...18-23 49.33-28 23-29 50.39-34! (voor het offer 50.28-23?, 51.27-22 en 52.32x34 is het momenteel nog te vroeg) 50...29x40 51.35x44 24-29 (de kansrijkste: na 51...13-18 52.22x13 19x8 53.44-39! staat zwart min of meer met lege handen, bijvoorbeeld 53...8-12 54.28-22! 12-17 55.22-18 17-22 56.18-12 22-28 57.32x23 21x41 58.12-8 26x37 59.8-3 =; zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
acht zwarte schijven op 11, 13, 14, 16, 19, 21, 26 en 29;
acht witte schijven op 22, 25, 27, 28, 31, 32, 37 en 44.]
52.28-23!! (het enige juiste moment voor deze offerwending; merk op dat het na 52.44-40? 19-24 53.40-35 14-19! juist weer te laat zou zijn voor 54.28-23 enz., omdat zwart in dat geval middels 56...11-17 57.35-30 24x35 58.25-20 13-19! 59.20-15 17-22 60.15-10 19-23! naar de winst toespeelt) 52...19x17 53.27-22 17x28 54.32x34 11-17.
Tot zover is het verloop - althans vanaf de 47ste zet van zwart - identiek aan dat van de competitiepartij Op den Kelder-Mulaya 2003. Daarin speelde wit nu 55.34-29?, om (pas) na 55...13-19! tot de ontdekking te komen dat de dreiging 56...19-23! en 57...17-22 + zijn tegenaanval beslissend oponthoud bezorgt; Op den Kelder zag dan ook terecht van verdere tegenstand af. Het is echter sterk de vraag of zwart na het correcte 55.34-30! eveneens had gewonnen. Ik vermoed eerlijk gezegd van nìet. Daarbij speelt een rol dat zwart in het 4x2-eindspel dat via 55...13-19 56.44-40! 17-22 57.40-35! 21-27 58.30-24 19x30 59.35x24 27x36 60.24-20 14-19 61.20-15 22-27 62.15-10 19-24 63.10-5 27-31 64.37-32 31-37 65.32x41 36x47 op het bord zou kunnen komen, op remise blijft steken, daar een eventuele opmars van 29 altijd (uiteraard na ontruiming van veld 5) met de opmars van 25 naar 14 beantwoord wordt.
Uit dit alles kan de voorzichtige conclusie worden getrokken dat, zodra de controle over veld 12 is weggevallen, een “rustig” klassiek afspel voor zwart onvoldoende is om zijn (onmiskenbare) voordeel in winst om te zetten. Maar hij kon, zoals de lezer zich nog herinneren zal, zijn heil óók in de Ghestem-doorstoot beproeven:
2) 42...23-29 (zie analyse-diagram).

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 7, 13, 14, 16, 18, 19, 21, 24 en 29;
tien witte schijven op 25, 27, 28, 30 t/m 33, 35, 42 en 43.]
Hierop beschikt wit over drie mogelijkheden, waarvan uitgerekend de minst voor de hand liggende de beste is:
2.1) 43.42-38? 18-23! en de dreiging 44...21-26 + is absoluut dodelijk.
2.2) 43.43-38?! 21-26! en nu:
2.2.1) 44.42-37 7-12! 45.28-22 (ook 45.28-23 19x39 46.30x17 39-44 verliest kansloos) 45...6-11! (efficiënter nog dan 45...16-21 enz.; de bedoeling is uiteraard 46.33-28 18-23 +) 46.32-28* 18-23 47.22-18* 23x43! 48.18x20 29x38 49.20x29 43-48 en zwart wint probleemloos.
2.2.2) 44.28-23 19x48 45.30x10 26x37 46.33x24 37-41 47.10-4 (want na 47.10-5 41-47! 48.25-20 47x33 49.20-15 33x20 50.15x24 48-42! zou wit drie schijven achter komen) 47...13-19! 48.24x22 41-47 (49.38-32 47-41), waarna zwart in het 5x5-eindspel redelijke winstkansen lijkt te hebben, al is het nog géén gelopen race.
2.3) 43.28-23!! 19x28 44.30x8! 21x32 45.8-3 en ondanks een zijn (tijdelijke) voorsprong van vier(!) stukken wordt winst voor zwart problematisch, daar wit onvermijdelijk materiaal herovert èn uitzicht op een tweede dam krijgt.
Mocht deze laatste spelgang inderdaad niet meer dan remise opleveren, dan kan zwart - ter vermijding van variant “2.3” - óók overwegen de Ghestem-doorstoot twee zetten later te plaatsen:
3) 42...7-12 43.31-26 12-17 44.43-38 23-29 (nu pas) 45.42-37 18-23 (deze positie kan langs meerdere wegen tot stand komen; zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 13, 14, 16, 17, 19, 21, 23, 24 en 29;
tien witte schijven op 25 t/m 28, 30, 32, 33, 35, 37 en 38.]
46.27-22 6-11! 47.37-31 21-27 48.32x12 23x43.
Ook deze variant belooft zwart op z’n minst redelijke winstkansen. Maar evenals in de laatste twee spelgangen (“2.2.2” en “2.3”) is het - zelfs met de hulp van de computer - moeilijk, zoniet onmogelijk een eenduidige conclusie te trekken. Dit temeer daar wit op liefst drie verschillende manieren kan afwikkelen naar een dammeneindspel waarin zwart weliswaar een schijf meer heeft en bovendien het dichtst bij tweede dam is, maar waarin ook wit een tweede dam dreigt te halen; in willekeurige volgorde:
a) 49.12-8 13x2 50.22-18 29x38 51.18-13 19x8 52.30x10.
b) 49.22-18 13x22 50.12-8 29x38 51.8-2 43-48/49 52.2-13 19x8 53.30x10.
c) 49.22-17 11x22 50.12-7 29x38 51.7-1, op enig moment (want na 51...43-49 zou wit desgewenst nog de terugruil 52.31-27 22x31 53.26x37 kunnen inlassen) gevolgd door 1-23 (19x28) en 30x10.
Het is sowieso al geen sinecure uit te maken welke van die drie mogelijkheden de meeste verdediging geeft, laat staan dat men - zonder uitvoerige analyse althans - met stelligheid zou kunnen beweren dat zwart (ook) na 42.34-30 gewonnen had gestaan. En dat is een wezenlijk verschil met het partijverloop, waarin wit geen enkele kans meer op herstel zal krijgen.
42…21-26! 43.42-37 7-12!
Het laten ‘hangen’ van schijf 7 heeft Thijssen bepaald geen windeieren gelegd: dankzij het stuk op 12 staat zwart nu - anders dan na 42.34-30 het geval zou zijn geweest - onomstotelijk gewonnen!
44.34-30 6-11!
Zonder de geringste vrees voor 45.27-22??? en 46.39-34, een zelfmoord-combinatie waarvoor wit niet eens het benodigde tempo zou hebben.
45.39-34 11-17 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 12 t/m 14, 16 t/m 19, 23, 24 en 26;
tien witte schijven op 25, 27, 28, 30 t/m 35 en 37.]
46.34-29 23x34 47.30x39 16-21!
Ook 47...17-21! (met de dreiging 48...14-20 +) had probleemloos gewonnen, bijvoorbeeld 48.35-30 (48.39-34?? 24-29! +) 48...24x35 49.33-29 12-17! (dit simpele zetje is veel efficiënter dan het dubbele tegenoffer 49...14-20? 50.25x23 35-40, dat uitsluitend wint ingeval 31 nog op 36 staat) 50.39-33 (of 50.39-34 17-22 51.28x17 21x12 52.32-28 12-17 53.37-32 26x37 54.32x41 17-21 +) 50...19-24! 51.29x9 13x4 52.33-29 35-40 en wit heeft niet beter dan het verliezende 53.28-22 enz.
Maar de afwikkeling naar 36 en het daaruit voortvloeiende 4x4-schijveneindspel is zo mogelijk nog overtuigender.
48.27x16 14-20 49.25x23 18x36 50.28-22
De logische tegenactie. Inderdaad was wit na 50.39-34 12-18! 51.34-30 13-19 52.30-25 helemaal nergens meer gekomen: zwart zou zowel met 52...18-22 (53.16-11 22x33 54.11x22 33-39 55.22-17 39-43 en 56...43-48 enz.) als met 52...18-23 (53.28-22 17x28 en altijd 54/55...28-32! 55/56.37x28 23x32 +) hebben kunnen winnen.
50...17x28 51.16-11 28-32!
Thijssen bewandelt de meest nauwkeurige, nee: de enige weg naar winst.
52.37x28 12-17! 53.11x22 36-41 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vier zwarte schijven op 13, 24, 26 en 41;
vier witte schijven op 22, 28, 35 en 39.]
54.28-23
Niet beter is 54.22-17 41-46 55.28-22 46-23 56.17-11 26-31 57.11-6 23-1 en zwart wint, zowel na 58.22-18 1x43(!) 59.6-1 31-37(!) 60.1-6 37-41! 61.6-22 13-19 enz. als na 58.39-34 1x45 59.35-30 24x35 60.6-1 31-36! +. En op 54.39-34 beslist de elegante offerwending 54...13-18!! (alleen zo!) 55.22x13 41-46!, ook na 56.34-29 46x8! 57.29x20 8-3! 58.20-15 3-14 +.
54...41-47!
Zo pareert zwart de remise-dreiging 23-18-12, terwijl hij en passant de kleine combinatie (55.22-17) 55...13-19! en 56...24-30 + in de stand vlecht.
55.23-19
In een oude partij Winderman-Swjatoj, kamp. USSR 1954, capituleerde wit al op dit moment.
55...47-36
Of ook eerst 55...13-18 (56.22x13) en dan pas 56...47-36 enz. gevolgd door de opmars van 26.
56.19x30 36x18 57.30-24 18-22
Wit geeft het op.
Naar mijn smaak (maar eenieder heeft het volste recht daar anders
over te denken) behoort de partij die Kees Thijssen in de elfde
ronde van het Nederlands kampioenschap 2006 van Jeroen van den
Akker won, niet echt tot de hoogpunten uit het almaar groeiende
oeuvre van de viervoudige titelhouder. Dat heeft alles te
maken met het verloop van de openingsfase, waarin dermate veel
vereenvoudigingen plaatsvonden dat er na achttien zetten wederzijds
nog maar dertien schijven op het bord stonden. En het lijkt mij
sterk dat Thijssen de partij óók zou hebben gewonnen wanneer Van
den Akker op de 31ste zet, in een nog altijd volkomen
gelijkwaardige stelling, niet een levensgrote fout had
gemaakt.
Maar Van den Akker-Thijssen was wél van grote invloed op de einduitslag van het toernooi. Dankzij zijn zege hield Thijssen namelijk gelijke tred met Auke Scholma (die diezelfde ronde in een onderhoudend duel Sekongo versloeg), zodat hij met gelijke kansen het toptreffen met zijn mede-koploper inging. En eigenlijk zelfs meer dan dat. Want de bepaling dat bij gelijke aankomst de titel toegewezen wordt aan de speler met het grootste aantal winstpartijen (en dat was Thijssen, die - anders dan Scholma - eerder in het toernooi óók een partij - zij het volstrekt onnodig en onterecht - verloren had), werkte zozeer in Thijssens voordeel dat Scholma een onverantwoorde winstpoging zou ondernemen en het spreekwoordelijke lid op de neus kreeg. Daarmee was de strijd om de titel, ook al was er nog een ronde te gaan, in één klap beslist.
Overigens: mijn voorzichtige kritiek op het spel van de kampioen, een kritiek die wellicht ook generatie-gebonden is (zie het uitvoerige commentaar bij wits 10de zet), heeft enkel en alleen betrekking op de openingsfase. Zijn behandeling van het klassieke middenspel is juist voorbeeldig, en de accurate wijze waarop Thijssen het eenmaal verkregen voordeel vasthoudt en - uiteindelijk - in winst weet om te zetten, verdient niets dan lof!
Van den Akker-Thijssen
(NK 2006)
1.32-28 17-21 2.34-29 11-17 3.40-34 21-26 4.45-40 17-21 5.38-32
Thijssen en Van den Akker hebben zo’n beetje alle denkbare vertakkingen van de 1.32-28 16-21-opening of de 1.32-28 17-21-opening (die soms zelfs via 1.34-29 18-22 2.32-28 16-21 tot stand kwam) wel eens tegen elkaar op het bord gehad. Met de tekstzet wijkt Van den Akker af van hun duel uit het Bijlmer-toernooi 2003; daarin had hij vervolgd met 5.37-32 26x37 6.42x31, wat via 6...19-23 (het alternatief is 6...21-26) 7.28x19 14x23 8.41-37 10-14 9.35-30 20-25 10.47-41 21-26 11.40-35 5-10 12.32-28 23x32 13.37x28 26x37 14.41x32 tot een principiële strijd van aanval versus omsingeling leidde.
De mededeling dat dit achtste onderlinge treffen in een puntendeling zou eindigen, is overigens allerminst de open deur die het bij een beschouwing over partijen tussen àndere grootmeesters was geweest. Thijssen en Van den Akker hebben namelijk de (aangename) gewoonte tegen elkaar meer winst- dan remisepartijen te produceren: op het moment dat ik deze regels schrijf hebben zij - als ik de computer mag geloven - 13 maal de degens gekruist, en van die 13 partijen eindigden er 8 in een beslissing! Waarbij het, gezien de veel aansprekender resultaten van Thijssen in met name de NK-toernooien van de laatste vier jaar, toch verrassend mag heten dat de (tussen)stand nog altijd in evenwicht is: 4-4!
5...20-24 6.29x20 15x24 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negentien zwarte schijven op 1 t/m 10, 12 t/m 14, 16, 18, 19, 21, 24 en 26; negentien witte schijven op 28, 31 t/m 37, 39 t/m 44 en 46 t/m 50.]
De keuze voor de klassieke speelwijze met (5...)20-24 en (6...)15x24 moet op z’n minst een kleine verrassing voor Van den Akker zijn geweest: tot dusver had Thijssen hier vrijwel uitsluitend het naar Schwarzman vernoemde 5/6…21-27 gedaan.
7.42-38
Er is een wezenlijk verschil tussen een opbouw met 43-38 en 49-43 (al dan niet voorafgegaan door 7.31-27) en de manier waarop Van den Akker zijn stand inricht. In het eerste geval namelijk beschikt wit, dankzij het feit dat er nog een schijf op veld 47 staat, over méér mogelijkheden om zijn linker vleugel te ontwikkelen. Er staat tegenover (tenslotte heeft elk voordeel haast per definitie ook zijn nadeel) dat wit, mocht hij ooit van plan zijn een aanval met zijn rechter vleugel te lanceren, het aan die bordrand met een schijf minder zal moeten stellen.
Overigens: aan de (enkele) lezers die zich afvragen naar welke van de twee speelwijzen de voorkeur van ondergetekende nu precies uitgaat, wil ik wel kwijt dat ik in het begin van mijn carrière in een tweetal partijen (waarvan er één straks heel even ter sprake zal komen) voor een opstelling met 42-38 en 47-42 koos. Nà december 1969 bekeerde ik mij echter radicaal tot het systeem met 43-38 en 49-43, dat ik sindsdien in een kleine veertig(!) partijen toepaste en dat ik mijn verdere (dam)leven lang trouw zou blijven. Op één uitzondering na. Want toen ik in de 7de partij van de WK-match tegen Tsjizjow (Amersfoort, februari 1990) bijna dezelfde stand als Van den Akker tegen Thijssen op het bord kreeg (het enige verschil was dat - doordat ik met 1.33-29 was begonnen - schijf 44 op veld 45 stond), greep ik juist weer terug op 7.42-38. De bedoeling van die revisionistische koerswijziging was op 7...18-23 (waar Tsjizjow overigens wèl even over leek na te denken) 8.34-29 23x34 9.40x20 14x25 te kunnen doen en op 7...10-15 (zoals daadwerkelijk gespeeld werd) de opstoot 8.28-22 18x27 9.31x22 te plaatsen.
7...18-23
Ik had het zo-even over het “wezenlijke verschil” tussen (7.)43-38 en het gespeelde (7.)42-38. Hoe relevant het is durf ik niet te zeggen, maar ik constateer nog een ander verschil. Met schijf 43 op veld 42 namelijk zou wit na 7...18-23 8.31-27 12-18 de vijandelijke opbouw kunnen verstoren (en bovenal de eigen linker vleugel ontwikkelen!) met behulp van de manoeuvre 9.27-22(!) 26x37 10.37-31 26x37 11.42x22, bijvoorbeeld 11...21-26?! (zinvoller lijkt 11...7-11, teneinde 12.47-42 met 12...11-17 13.22x11 16x7 te beantwoorden) 12.47-42! In de gegeven situatie echter heeft wit een dergelijke mogelijkheid nìet, en wel omdat hij links als het ware een tempootje te kort komt (8.31-27 12-18 9.47-42 7-12!?).
8.47-42 12-18 9.50-45 10-15 10.31-27 7-12 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negentien zwarte schijven op 1 t/m 6, 8, 9, 12 t/m 16, 18, 19, 21, 23, 24 en 26;
negentien witte schijven op 27, 28, 32 t/m 46, 48 en 49.]
11.34-29
De inleiding tot een 4x4-, ja eigenlijk zelfs 6x6-ruil, waarmee eventuele spanningen op z’n minst naar een (veel) later stadium worden dóórgeschoven. Voor dìe toeschouwers die - indachtig de vorige ontmoetingen tussen Van den Akker en Thijssen - op “vuurwerk” hadden gerekend, moet dat een teleurstellende ontwikkeling zijn. Toch vind ik dat de witspeler weinig of niets te verwijten valt: wie eenmaal in de diagramstand verzeild is geraakt en er niet voor voelt zijn hoofd in de strop te steken, heeft inderdaad niet beter dan te vereenvoudigen met 11.34-29 en 13.27-22 enz. Toegegeven: de praktijk heeft uitgewezen dat wit met 6 op 11 en 12 nog op 7 uitstekend 11.27-22! 18x27 12.37-31 26x37 13.42x22 (13...14-20* 14.34-29! 23x34 15.40x29 13-18* 16.22x13 9x18 17.44-40/39-34 enz.) kan spelen; zie bijvoorbeeld Sijbrands-Palmer, GS-jubileumtoernooi 1967, het competitieduel Virni-Kousemaker 1993 of de partij Samb-Berçot uit het toernooi van Cannes 2002. En het is eveneens waar dat er heel wat partijen zijn waarin de witspelers zich met 11.36-31 en 12.41-36 opstelden en daar bevredigend spel mee kregen; ik noem slechts Koeperman-Hisard, Suikertoernooi 1969, en Valneris-Bakker, Junioren-WK 1986.
Maar die wetenschap brengt Van den Akker geen stap verder. Wat de eerste van de twee genoemde speelwijzen betreft, volstaat de nuchtere constatering dat het domweg niet zo staat en dat, met 7 al op 12, de manoeuvre 11.27-22 en 12.37-31 geen serieuze optie is. En ook ten aanzien van het plan 11.36-31 annex 12.41-36 dient te worden opgemerkt dat het bij Hisard en (Andries) Bakker c.s. nèt even anders stond dan bij Thijssen. Beide zwartspelers hadden namelijk hun stelling met 7-11 in plaats van 7-12 ingericht (dat hadden zij al in de 20x20-fase gedaan), zodat Koeperman en Valneris c.s. ongestoord tot 13.27-22 18x27 14.31x22 dan wel 13.34-29 gevolgd door 15.27-22 18x27 16.31x22 kwamen. Met schijf 11 op veld 12 daarentegen beschikt zwart over een mogelijkheid die men met een gerust hart als de weerlegging van 11.36-31? kan beschouwen, te weten 11...5-10 (of ook 11...1-7 dan wel direct de opstoot waar het allemaal om draait) 12.41-36 23-29!! 13.34x23 18x29. Omdat 14.39-34?? dan is uitgeschakeld in verband met een simpel damzetje naar 50, heeft wit niet beter dan hetzij 14.40-34 29x40 15.45x34, hetzij 14.35-30 24x35 15.33x24 19x30 16.40-34 te spelen en in de permanente (klaverblad-)opsluiting van zijn linker vleugel te berusten. Een dergelijk verloop resulteerde in een oude NK-partij Laros-Bom (1953), opmerkelijk genoeg het enige praktijkvoorbeeld trouwens waarin die manoeuvre 23-29x29! is voorgekomen (terwijl er toch heel wat spelers geweest zijn die diezelfde mogelijkheid hadden!), in een strategisch fiasco voor wit.
Overigens betwijfel ik sterk of ik, in dezelfde situatie verkerend als de zwartspeler bij de aanvang van de elfde ronde (alleen met een overwinning kon Thijssen gelijke tred met Scholma houden), de opening zelf óók zo zou hebben behandeld. En ik vermoed, nee: weet haast wel zeker, dat dit evenzeer geldt voor spelers als Harm Wiersma en Anatoli Gantwarg. De grootmeesters van mijn generatie zijn namelijk opgegroeid met het leerstuk dat wie tot elke prijs wil winnen, al te grote vereenvoudigingen uit de weg dient te gaan; in de bijna contactloze, althans ‘contactarme’ 13x13-stand waarin de stelling van het diagram binnen enkele zetten zal uitmonden, zouden wij domweg te weinig fiducie hebben gehad.
Laat ik mij haasten hieraan toe te voegen dat er, ook voor “de zestigers” (waarmee ik dìe generatie bedoel die in de jaren zestig dóórbrak), wel degelijk omstandigheden denkbaar zijn waaronder een 2x2-terugruil zoals Van den Akker die straks zal nemen (13.27-22 enz.) zonder bezwaar kan worden toegelaten. Maar er moet dan wèl een zeker aanknopingspunt in de vorm van - bij voorkeur - een witte randschijf op 25 tegenover staan. Zie bijvoorbeeld de partijen van Wiersma tegen achtereenvolgens Twiest (Clubcompetitie 1991/1992), Thierry Delmotte (WK 1992) en Koeperman (WK 1994), het spannende duel Tokoesarow-Gantwarg uit het toernooi van Salou 2002, of mijn eigen competitiepartijen tegen Rigterink (1990), Andries Bakker (1995) en Wijninga (1997).
Behalve uit een randschijf op 25 zou dat “aanknopingspunt” eveneens kunnen bestaan uit de aanwezigheid van vijandelijke stukken op de velden 35, 34, 40 en 45. Immers: zeker sinds de partijen van Tsjizjow weten we (maar dat konden we ook al sinds de partijen van Andreiko weten) dat wit dan beslist nog geen gelijk spel heeft; de gevreesde puntendeling staat bijgevolg nog lang niet vast. Bij Van den Akker en Thijssen daarentegen is van een soortgelijke “compensatie” voor het verdwijnende materiaal geen sprake, en die constatering maakt de zwarte openingsbehandeling naar mijn overtuiging tè “remise-gevoelig”.
Maar ik moet toegeven dat het partijverloop mij zwaar in het ongelijk zal stellen...
11...23x34 12.40x20 15x24 13.27-22
Uitstel van deze hergroepering heeft weinig zin en zou zwart bovendien in de gelegenheid stellen met 13...18-23! (zelfs ingeval van een vijandelijke opstelling met 13.44-40 en 14.39-34) de zo noodzakelijke ontwikkeling van de witte linker vleugel te belemmeren.
13...18x27 14.28-23 19x28 15.33x31 12-18
Dit kleine maar nuttige zetje is primair bedoeld om wit te ontmoedigen eerst schijf 24 af te ruilen (bijvoorbeeld via 45-40-34-29x29) en daarna pas 32-27x28x32 te doen: zodra veld 38 onbezet is, speelt zwart 21-27! (32x21) en 26x17 met onmiskenbaar voordeel. En passant verhindert de tekstzet 16.39-33?? door het damzetje 16...24-30!, 17...13-19 en 18...21-27 +.
16.32-27 21x32 17.37x28 26x37 18.41x32 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 1 t/m 6, 8, 9, 13, 14, 16, 18 en 24;
dertien witte schijven op 28, 32, 35, 36, 38, 39, 42 t/m 46, 48 en 49.]
In de (papieren) krant van zaterdag 22 april 2006 schreef ik over de stand na 18.41x32 (en het is wellicht goed te bedenken dat dit - in flagrante tegenstelling tot de voor u liggende analyse - pas het allereerste commentaar was dat ik aan het verloop van de openingsfase wijdde!):
“De opening is achter de rug, aan weerskanten staan er nog maar 13 schijven op het bord. Zwart geniet weliswaar een ontwikkelingsachterstand van 2 tempi (plus de nazet), maar kan dat op hoog niveau voldoende zijn voor de winst? Thijssen laat zien dat het kan.”
Inmiddels weet de lezer dus hoe ik er echt over denk. Maar in de gedecimeerde rubriek die ik sinds januari 2005 mag redigeren, is het nu eenmaal onmogelijk dieper op de zaken in te gaan; noodgedwongen praat je als “analysator” dan maar min of meer naar het eindresultaat toe...
18…5-10 19.46-41 14-19 20.41-37 1-7 21.39-33 10-14 22.44-39 7-12 23.49-44 2-7 24.37-31 18-23
Na een korte periode van opbouw maakt Thijssen de stand weer klassiek.
25.44-40 4-10 26.39-34 10-15 27.31-27 14-20 28.36-31 13-18
Gespeeld om onder omstandigheden (bijvoorbeeld na 29.31-26) desgewenst óók een opstelling met (29...)9-13 in te kunnen nemen. Die is na wits volgende zet uiteraard meteen weer van de baan:
29.34-30 8-13 30.30-25 9-14!? (zie diagram)
Een lovenswaardige poging om in elk geval zoveel mogelijk “spel” te houden. Thijssen zal er eerder voor beloond worden dan hij ooit had durven hopen:

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 3, 6, 7, 12 t/m 16, 18 t/m 20, 23 en 24;
dertien witte schijven op 25, 27, 28, 31 t/m 33, 35, 38, 40, 42, 43, 45 en 48.]
31.40-34??
In mijn rubriek noemde ik dit een “slordigheid”, maar dat was bepaald een understatement. De tekstzet is namelijk een regelrechte blunder. Na eerst 31.31-26(!) 7-11 en dan pas 32.40-34 waren de stellingen volkomen in evenwicht geweest. Van den Akker was ongetwijfeld van plan 31...7-11 alsnog met 32.31-26 te beantwoorden maar moet het zwarte antwoord totaal hebben gemist:
31…12-17!
Door de dreiging 32...17-22! en 33...24-30 + in de stand te vlechten, berooft Thijssen zijn tegenstander van de mogelijkheid (32.)31-26, zodat deze met een ernstige zwakte op veld 31 wordt opgezadeld. En hoewel het evenwicht in zuiver analytische zin nog niet verbroken is (zie vooral de aantekening bij wits 41ste zet), wijst het partijverloop uit dat Van den Akker deze gevoelige tegenslag niet meer te boven zal komen.
(WORDT VERVOLGD)
Maar Van den Akker-Thijssen was wél van grote invloed op de einduitslag van het toernooi. Dankzij zijn zege hield Thijssen namelijk gelijke tred met Auke Scholma (die diezelfde ronde in een onderhoudend duel Sekongo versloeg), zodat hij met gelijke kansen het toptreffen met zijn mede-koploper inging. En eigenlijk zelfs meer dan dat. Want de bepaling dat bij gelijke aankomst de titel toegewezen wordt aan de speler met het grootste aantal winstpartijen (en dat was Thijssen, die - anders dan Scholma - eerder in het toernooi óók een partij - zij het volstrekt onnodig en onterecht - verloren had), werkte zozeer in Thijssens voordeel dat Scholma een onverantwoorde winstpoging zou ondernemen en het spreekwoordelijke lid op de neus kreeg. Daarmee was de strijd om de titel, ook al was er nog een ronde te gaan, in één klap beslist.
Overigens: mijn voorzichtige kritiek op het spel van de kampioen, een kritiek die wellicht ook generatie-gebonden is (zie het uitvoerige commentaar bij wits 10de zet), heeft enkel en alleen betrekking op de openingsfase. Zijn behandeling van het klassieke middenspel is juist voorbeeldig, en de accurate wijze waarop Thijssen het eenmaal verkregen voordeel vasthoudt en - uiteindelijk - in winst weet om te zetten, verdient niets dan lof!
Van den Akker-Thijssen
(NK 2006)
1.32-28 17-21 2.34-29 11-17 3.40-34 21-26 4.45-40 17-21 5.38-32
Thijssen en Van den Akker hebben zo’n beetje alle denkbare vertakkingen van de 1.32-28 16-21-opening of de 1.32-28 17-21-opening (die soms zelfs via 1.34-29 18-22 2.32-28 16-21 tot stand kwam) wel eens tegen elkaar op het bord gehad. Met de tekstzet wijkt Van den Akker af van hun duel uit het Bijlmer-toernooi 2003; daarin had hij vervolgd met 5.37-32 26x37 6.42x31, wat via 6...19-23 (het alternatief is 6...21-26) 7.28x19 14x23 8.41-37 10-14 9.35-30 20-25 10.47-41 21-26 11.40-35 5-10 12.32-28 23x32 13.37x28 26x37 14.41x32 tot een principiële strijd van aanval versus omsingeling leidde.
De mededeling dat dit achtste onderlinge treffen in een puntendeling zou eindigen, is overigens allerminst de open deur die het bij een beschouwing over partijen tussen àndere grootmeesters was geweest. Thijssen en Van den Akker hebben namelijk de (aangename) gewoonte tegen elkaar meer winst- dan remisepartijen te produceren: op het moment dat ik deze regels schrijf hebben zij - als ik de computer mag geloven - 13 maal de degens gekruist, en van die 13 partijen eindigden er 8 in een beslissing! Waarbij het, gezien de veel aansprekender resultaten van Thijssen in met name de NK-toernooien van de laatste vier jaar, toch verrassend mag heten dat de (tussen)stand nog altijd in evenwicht is: 4-4!
5...20-24 6.29x20 15x24 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negentien zwarte schijven op 1 t/m 10, 12 t/m 14, 16, 18, 19, 21, 24 en 26; negentien witte schijven op 28, 31 t/m 37, 39 t/m 44 en 46 t/m 50.]
De keuze voor de klassieke speelwijze met (5...)20-24 en (6...)15x24 moet op z’n minst een kleine verrassing voor Van den Akker zijn geweest: tot dusver had Thijssen hier vrijwel uitsluitend het naar Schwarzman vernoemde 5/6…21-27 gedaan.
7.42-38
Er is een wezenlijk verschil tussen een opbouw met 43-38 en 49-43 (al dan niet voorafgegaan door 7.31-27) en de manier waarop Van den Akker zijn stand inricht. In het eerste geval namelijk beschikt wit, dankzij het feit dat er nog een schijf op veld 47 staat, over méér mogelijkheden om zijn linker vleugel te ontwikkelen. Er staat tegenover (tenslotte heeft elk voordeel haast per definitie ook zijn nadeel) dat wit, mocht hij ooit van plan zijn een aanval met zijn rechter vleugel te lanceren, het aan die bordrand met een schijf minder zal moeten stellen.
Overigens: aan de (enkele) lezers die zich afvragen naar welke van de twee speelwijzen de voorkeur van ondergetekende nu precies uitgaat, wil ik wel kwijt dat ik in het begin van mijn carrière in een tweetal partijen (waarvan er één straks heel even ter sprake zal komen) voor een opstelling met 42-38 en 47-42 koos. Nà december 1969 bekeerde ik mij echter radicaal tot het systeem met 43-38 en 49-43, dat ik sindsdien in een kleine veertig(!) partijen toepaste en dat ik mijn verdere (dam)leven lang trouw zou blijven. Op één uitzondering na. Want toen ik in de 7de partij van de WK-match tegen Tsjizjow (Amersfoort, februari 1990) bijna dezelfde stand als Van den Akker tegen Thijssen op het bord kreeg (het enige verschil was dat - doordat ik met 1.33-29 was begonnen - schijf 44 op veld 45 stond), greep ik juist weer terug op 7.42-38. De bedoeling van die revisionistische koerswijziging was op 7...18-23 (waar Tsjizjow overigens wèl even over leek na te denken) 8.34-29 23x34 9.40x20 14x25 te kunnen doen en op 7...10-15 (zoals daadwerkelijk gespeeld werd) de opstoot 8.28-22 18x27 9.31x22 te plaatsen.
7...18-23
Ik had het zo-even over het “wezenlijke verschil” tussen (7.)43-38 en het gespeelde (7.)42-38. Hoe relevant het is durf ik niet te zeggen, maar ik constateer nog een ander verschil. Met schijf 43 op veld 42 namelijk zou wit na 7...18-23 8.31-27 12-18 de vijandelijke opbouw kunnen verstoren (en bovenal de eigen linker vleugel ontwikkelen!) met behulp van de manoeuvre 9.27-22(!) 26x37 10.37-31 26x37 11.42x22, bijvoorbeeld 11...21-26?! (zinvoller lijkt 11...7-11, teneinde 12.47-42 met 12...11-17 13.22x11 16x7 te beantwoorden) 12.47-42! In de gegeven situatie echter heeft wit een dergelijke mogelijkheid nìet, en wel omdat hij links als het ware een tempootje te kort komt (8.31-27 12-18 9.47-42 7-12!?).
8.47-42 12-18 9.50-45 10-15 10.31-27 7-12 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negentien zwarte schijven op 1 t/m 6, 8, 9, 12 t/m 16, 18, 19, 21, 23, 24 en 26;
negentien witte schijven op 27, 28, 32 t/m 46, 48 en 49.]
11.34-29
De inleiding tot een 4x4-, ja eigenlijk zelfs 6x6-ruil, waarmee eventuele spanningen op z’n minst naar een (veel) later stadium worden dóórgeschoven. Voor dìe toeschouwers die - indachtig de vorige ontmoetingen tussen Van den Akker en Thijssen - op “vuurwerk” hadden gerekend, moet dat een teleurstellende ontwikkeling zijn. Toch vind ik dat de witspeler weinig of niets te verwijten valt: wie eenmaal in de diagramstand verzeild is geraakt en er niet voor voelt zijn hoofd in de strop te steken, heeft inderdaad niet beter dan te vereenvoudigen met 11.34-29 en 13.27-22 enz. Toegegeven: de praktijk heeft uitgewezen dat wit met 6 op 11 en 12 nog op 7 uitstekend 11.27-22! 18x27 12.37-31 26x37 13.42x22 (13...14-20* 14.34-29! 23x34 15.40x29 13-18* 16.22x13 9x18 17.44-40/39-34 enz.) kan spelen; zie bijvoorbeeld Sijbrands-Palmer, GS-jubileumtoernooi 1967, het competitieduel Virni-Kousemaker 1993 of de partij Samb-Berçot uit het toernooi van Cannes 2002. En het is eveneens waar dat er heel wat partijen zijn waarin de witspelers zich met 11.36-31 en 12.41-36 opstelden en daar bevredigend spel mee kregen; ik noem slechts Koeperman-Hisard, Suikertoernooi 1969, en Valneris-Bakker, Junioren-WK 1986.
Maar die wetenschap brengt Van den Akker geen stap verder. Wat de eerste van de twee genoemde speelwijzen betreft, volstaat de nuchtere constatering dat het domweg niet zo staat en dat, met 7 al op 12, de manoeuvre 11.27-22 en 12.37-31 geen serieuze optie is. En ook ten aanzien van het plan 11.36-31 annex 12.41-36 dient te worden opgemerkt dat het bij Hisard en (Andries) Bakker c.s. nèt even anders stond dan bij Thijssen. Beide zwartspelers hadden namelijk hun stelling met 7-11 in plaats van 7-12 ingericht (dat hadden zij al in de 20x20-fase gedaan), zodat Koeperman en Valneris c.s. ongestoord tot 13.27-22 18x27 14.31x22 dan wel 13.34-29 gevolgd door 15.27-22 18x27 16.31x22 kwamen. Met schijf 11 op veld 12 daarentegen beschikt zwart over een mogelijkheid die men met een gerust hart als de weerlegging van 11.36-31? kan beschouwen, te weten 11...5-10 (of ook 11...1-7 dan wel direct de opstoot waar het allemaal om draait) 12.41-36 23-29!! 13.34x23 18x29. Omdat 14.39-34?? dan is uitgeschakeld in verband met een simpel damzetje naar 50, heeft wit niet beter dan hetzij 14.40-34 29x40 15.45x34, hetzij 14.35-30 24x35 15.33x24 19x30 16.40-34 te spelen en in de permanente (klaverblad-)opsluiting van zijn linker vleugel te berusten. Een dergelijk verloop resulteerde in een oude NK-partij Laros-Bom (1953), opmerkelijk genoeg het enige praktijkvoorbeeld trouwens waarin die manoeuvre 23-29x29! is voorgekomen (terwijl er toch heel wat spelers geweest zijn die diezelfde mogelijkheid hadden!), in een strategisch fiasco voor wit.
Overigens betwijfel ik sterk of ik, in dezelfde situatie verkerend als de zwartspeler bij de aanvang van de elfde ronde (alleen met een overwinning kon Thijssen gelijke tred met Scholma houden), de opening zelf óók zo zou hebben behandeld. En ik vermoed, nee: weet haast wel zeker, dat dit evenzeer geldt voor spelers als Harm Wiersma en Anatoli Gantwarg. De grootmeesters van mijn generatie zijn namelijk opgegroeid met het leerstuk dat wie tot elke prijs wil winnen, al te grote vereenvoudigingen uit de weg dient te gaan; in de bijna contactloze, althans ‘contactarme’ 13x13-stand waarin de stelling van het diagram binnen enkele zetten zal uitmonden, zouden wij domweg te weinig fiducie hebben gehad.
Laat ik mij haasten hieraan toe te voegen dat er, ook voor “de zestigers” (waarmee ik dìe generatie bedoel die in de jaren zestig dóórbrak), wel degelijk omstandigheden denkbaar zijn waaronder een 2x2-terugruil zoals Van den Akker die straks zal nemen (13.27-22 enz.) zonder bezwaar kan worden toegelaten. Maar er moet dan wèl een zeker aanknopingspunt in de vorm van - bij voorkeur - een witte randschijf op 25 tegenover staan. Zie bijvoorbeeld de partijen van Wiersma tegen achtereenvolgens Twiest (Clubcompetitie 1991/1992), Thierry Delmotte (WK 1992) en Koeperman (WK 1994), het spannende duel Tokoesarow-Gantwarg uit het toernooi van Salou 2002, of mijn eigen competitiepartijen tegen Rigterink (1990), Andries Bakker (1995) en Wijninga (1997).
Behalve uit een randschijf op 25 zou dat “aanknopingspunt” eveneens kunnen bestaan uit de aanwezigheid van vijandelijke stukken op de velden 35, 34, 40 en 45. Immers: zeker sinds de partijen van Tsjizjow weten we (maar dat konden we ook al sinds de partijen van Andreiko weten) dat wit dan beslist nog geen gelijk spel heeft; de gevreesde puntendeling staat bijgevolg nog lang niet vast. Bij Van den Akker en Thijssen daarentegen is van een soortgelijke “compensatie” voor het verdwijnende materiaal geen sprake, en die constatering maakt de zwarte openingsbehandeling naar mijn overtuiging tè “remise-gevoelig”.
Maar ik moet toegeven dat het partijverloop mij zwaar in het ongelijk zal stellen...
11...23x34 12.40x20 15x24 13.27-22
Uitstel van deze hergroepering heeft weinig zin en zou zwart bovendien in de gelegenheid stellen met 13...18-23! (zelfs ingeval van een vijandelijke opstelling met 13.44-40 en 14.39-34) de zo noodzakelijke ontwikkeling van de witte linker vleugel te belemmeren.
13...18x27 14.28-23 19x28 15.33x31 12-18
Dit kleine maar nuttige zetje is primair bedoeld om wit te ontmoedigen eerst schijf 24 af te ruilen (bijvoorbeeld via 45-40-34-29x29) en daarna pas 32-27x28x32 te doen: zodra veld 38 onbezet is, speelt zwart 21-27! (32x21) en 26x17 met onmiskenbaar voordeel. En passant verhindert de tekstzet 16.39-33?? door het damzetje 16...24-30!, 17...13-19 en 18...21-27 +.
16.32-27 21x32 17.37x28 26x37 18.41x32 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 1 t/m 6, 8, 9, 13, 14, 16, 18 en 24;
dertien witte schijven op 28, 32, 35, 36, 38, 39, 42 t/m 46, 48 en 49.]
In de (papieren) krant van zaterdag 22 april 2006 schreef ik over de stand na 18.41x32 (en het is wellicht goed te bedenken dat dit - in flagrante tegenstelling tot de voor u liggende analyse - pas het allereerste commentaar was dat ik aan het verloop van de openingsfase wijdde!):
“De opening is achter de rug, aan weerskanten staan er nog maar 13 schijven op het bord. Zwart geniet weliswaar een ontwikkelingsachterstand van 2 tempi (plus de nazet), maar kan dat op hoog niveau voldoende zijn voor de winst? Thijssen laat zien dat het kan.”
Inmiddels weet de lezer dus hoe ik er echt over denk. Maar in de gedecimeerde rubriek die ik sinds januari 2005 mag redigeren, is het nu eenmaal onmogelijk dieper op de zaken in te gaan; noodgedwongen praat je als “analysator” dan maar min of meer naar het eindresultaat toe...
18…5-10 19.46-41 14-19 20.41-37 1-7 21.39-33 10-14 22.44-39 7-12 23.49-44 2-7 24.37-31 18-23
Na een korte periode van opbouw maakt Thijssen de stand weer klassiek.
25.44-40 4-10 26.39-34 10-15 27.31-27 14-20 28.36-31 13-18
Gespeeld om onder omstandigheden (bijvoorbeeld na 29.31-26) desgewenst óók een opstelling met (29...)9-13 in te kunnen nemen. Die is na wits volgende zet uiteraard meteen weer van de baan:
29.34-30 8-13 30.30-25 9-14!? (zie diagram)
Een lovenswaardige poging om in elk geval zoveel mogelijk “spel” te houden. Thijssen zal er eerder voor beloond worden dan hij ooit had durven hopen:

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 3, 6, 7, 12 t/m 16, 18 t/m 20, 23 en 24;
dertien witte schijven op 25, 27, 28, 31 t/m 33, 35, 38, 40, 42, 43, 45 en 48.]
31.40-34??
In mijn rubriek noemde ik dit een “slordigheid”, maar dat was bepaald een understatement. De tekstzet is namelijk een regelrechte blunder. Na eerst 31.31-26(!) 7-11 en dan pas 32.40-34 waren de stellingen volkomen in evenwicht geweest. Van den Akker was ongetwijfeld van plan 31...7-11 alsnog met 32.31-26 te beantwoorden maar moet het zwarte antwoord totaal hebben gemist:
31…12-17!
Door de dreiging 32...17-22! en 33...24-30 + in de stand te vlechten, berooft Thijssen zijn tegenstander van de mogelijkheid (32.)31-26, zodat deze met een ernstige zwakte op veld 31 wordt opgezadeld. En hoewel het evenwicht in zuiver analytische zin nog niet verbroken is (zie vooral de aantekening bij wits 41ste zet), wijst het partijverloop uit dat Van den Akker deze gevoelige tegenslag niet meer te boven zal komen.
(WORDT VERVOLGD)
Bijna zestig jaar geleden publiceerde de Fransman Pierre Ghestem
een intrigerend boek onder de titel Comment je suis devenu
champion du monde. Hoewel(?) ik inmiddels redelijk vertrouwd
ben met de inhoud ervan, zie ik er bij vakantiereizen altijd
nauwlettend op toe dat Comment je suis devenu champion du
monde, evenals het monumentale boek dat Ghestems opvolger Piet
Roozenburg over het WK 1948 schreef, deel uitmaakt van mijn bagage.
Met een knipoog naar dat boek van Ghestem, dat overigens - naar ik
vrees - door slechts weinig hedendaagse dammers zal zijn gelezen,
hàd ik Waarom ik nooit meer wereldkampioen zal worden als
kop boven het onderhavige artikel kunnen zetten, maar een serieuze
optie was dat natuurlijk niet. Tenslotte zou de lezer eruit kunnen
afleiden dat ik mijzelf nog altijd als een potentiële kandidaat
voor de hoogste titel zag, terwijl daar in werkelijkheid al
jarenlang geen sprake meer van was. Ik bedoel: ik denk dat ik al
vanaf het moment dat ik in de slotpartij van de WK-match tegen
Tsjizjow (Amersfoort, maart 1990) de winst, en daarmee de titel uit
handen gaf, moet hebben geweten dat het nooit meer tot een
herhaling van 1972 en 1973 zou komen. Natuurlijk ben ik het na die
dramatische ontknoping nog wel even blijven proberen (en insiders
weten hoe weinig het scheelde in het WK-toernooi dat datzelfde
najaar in Groningen werd gehouden: met nog twee ronden te gaan, en
bovendien de partijen Clerc-Tsjizjow en Sijbrands-Souleymane Ba op
het programma, gingen Tsjizjow en ik gezamenlijk aan de
leiding…), maar er echt in geloven deed ik toen
waarschijnlijk al niet meer.
Maar nu is het dan helemaal zeker, zij het om een andere, nog veel concretere reden: ik stop ermee. Die beslissing, die ik uiteraard niet zonder slag of stoot genomen heb, is het resultaat van een niet eens zo heel erg moeilijke optelsom. Enerzijds is er namelijk het leeftijdsaspect (ik word over enkele maanden 57), de daarmee gepaard gaande angst voor teruglopende prestaties èn de vrees onvoldoende tijd over te houden voor het schrijven van mijn (dam-technische) autobiografie. Anderzijds is er het deprimerende besef dat er weinig of geen toekomst meer is voor dammers die de opvatting huldigen dat het prachtige spel dat wij van onze voorouders hebben mogen beërven, niet op essentiële punten mag worden gewijzigd, en dat het geen pas geeft een nieuwe damspel-variëteit in het leven te roepen die het ‘echte’ damspel (1885 - 2004?) onvermijdelijk tot zoiets als een dode taal zal reduceren. Niet dat ik denk dat ik de enige ben die er zo over denkt; tenslotte is het nog geen drie jaar geleden dat een enquête uitwees dat de overgrote meerderheid van de - naar ik meen - tweehonderd sterkste Nederlandse dammers niets moest hebben van zaken als ‘plusremises’ of ‘puntenoverwinningen’. Maar in drie jaar tijd kan er veel veranderen. En het is hoe dan ook zonneklaar dat zij die nog altijd bereid zijn om voor het ‘echte’ spel in de bres te springen, niet of onvoldoende vertegenwoordigd zijn in dìe organen waar de beleidsbeslissingen worden genomen.
Ten slotte is er dan nog dat lachwekkende, maar daarom niet minder principiële punt van dopingcontrole-voor-denksporters, een onderwerp waarover Hans Ree - als altijd trouwens - zo mooi heeft geschreven in New in Chess (1999, nr. 7). Ook op dit punt belooft de toekomst weinig goeds voor dammers die er niet voor voelen om zich - letterlijk! (en met excuses aan de fijngevoeligen onder de lezers) - ‘voor lul’ te laten zetten.
Maar misschien kan ik, in plaats van naar nieuwe formuleringen voor dezelfde overwegingen te zoeken, het beste de integrale tekst overnemen van de brief waaraan ik drie weken geleden begon en die ik, om te voorkomen dat ik op sommige punten wat al te hard van stapel zou lopen, pas vijf dagen later voltooide. Die brief, gericht aan Henk Boers, secretaris van de stichting WK Dammen Hardenberg 2007, luidde aldus:
“Beste Henk,
Hierbij deel ik je mede dat ik, na kennis te hebben genomen van de antwoorden op de drie vragen die ik je een week geleden stelde en die antwoorden (waarvoor overigens nogmaals mijn dank) gedurende enige dagen te hebben laten bezinken, besloten heb niet deel te nemen aan het Wereldkampioenschap 2007. Ik zal die beslissing proberen toe te lichten.
In het leven van iedere denksporter dient zich een moment aan waarop hij, hoeveel moeite dit hem ook kost en met hoeveel pijn-in-het-hart dit ook gepaard gaat, er het verstandigst aan doet een punt achter zijn carrière te zetten. Alleen al mijn leeftijd dwingt mij de vraag te stellen of dat moment zo langzamerhand niet ook voor mij is aangebroken, en ik ben geneigd die vraag bevestigend te beantwoorden. Immers: het lijkt mij beter te stoppen op een punt in mijn carrière waarop ik - ofschoon uiteraard niet meer zo gemotiveerd en slagvaardig als in vroeger dagen - qua speelsterkte nog altijd gerespecteerd word door zelfs de allergrootsten van ons tijdsgewricht, in plaats van net zo lang dóór te gaan tot de concurrentie - met recht! - meent dat de “houdbaarheidsdatum” van mijn loopbaan inmiddels is overschreden en mij achter het bord als aangeschoten wild gaat behandelen. Ik noem geen namen, maar te vaak heb ik gezien hoe - figuurlijk gesproken natuurlijk - voormalige reuzen, die in hun glorietijd de meest stoutmoedige concepten bedachten en hun opponenten de stuipen op het lijf joegen, in de nadagen van hun carrière als het ware ineenschrompelden tot kleine, bange mannetjes die zelfs met een puntendeling tegen middelmatige tegenstanders al dik tevreden waren. Dat is geen prettig gezicht, en ik zou ervoor willen passen zelf óók zo te eindigen.
Daar komt in mijn geval nog bij dat ik - hoe onzinnig andere dammers (een enkeling als Sjtsjogoljew uitgezonderd) dit wellicht ook vinden; maar dat is dan eerder hun probleem dan het mijne - een “missie” te volbrengen heb waarvoor de tijd inmiddels aardig begint te dringen: het in boekvorm vastleggen en - vooral - becommentariëren van althans de beste, interessantste of anderszins meest gedenkwaardige van de ruim 2000 partijen (simultaan-, kloksimultaan- en blindpartijen niet eens meegerekend!) die ik in mijn leven gespeeld heb. Dat “megaproject” gaat in het gunstigste geval 10 à 15 jaar vergen, en men hoeft de overlijdensberichten in de dagbladen er maar op na te slaan om te weten dat het allerminst vanzelf spreekt dat een dergelijke tijd-van-leven een mens ook daadwerkelijk vergund is… Voorbereiding, deelname en “herstellen” van het WK 2007 zou algauw een klein jaar van die resterende tijd afknibbelen.
Niettemin - en ik zou je willen verzoeken hiervan nota te nemen! - zou ik de uitnodiging om aan het WK 2007 deel te nemen (en daarmee de uitdaging om mij nog één laatste maal in het avontuur te storten), wel degelijk hebben aangenomen wanneer er niet een drietal wedstrijdvoorwaarden waren geweest die voor mij domweg onacceptabel zijn: de mogelijkheid van “doping”controles, het werken met zogeheten plusremises en het (al dan niet veredelde) “uitvluggeren” van een partij wanneer die na 6 uur spelen nog niet mocht zijn afgelopen.
Van die drie bezwaren is het laatste wellicht niet geheel onoverkomelijk, om de simpele reden dat partijen van langer dan 6 uur slechts bij hoge uitzondering vóórkomen. (Van mijn eigen partijen uit “Zwartsluis 2003” herinner ik mij alleen die tegen Milsjien.) Ik zou mij dus op het standpunt kunnen stellen dat we hier met een bepaling te maken hebben die voornamelijk van theoretisch belang is. Maar daarmee zou ik ongewild wèl instemmen met een in mijn ogen negatieve tendens in de damwereld, te weten de neiging om het eindspel als een minder essentieel, eigenlijk te verwaarlozen onderdeel van een partij te zien. Bovendien: welke noodzaak, of zelfs maar wenselijkheid, kan er in vredesnaam zijn om het zevende en de eventueel daarop volgende speeluren af te schaffen? Bij een toernooi waarbij men twee ronden op een en dezelfde dag afwerkt (zoals in het Bijlmer-toernooi of in het tot dusver laatste, eveneens in de Bijlmer gehouden WK-toernooi), kan ik mij voorstellen dat er op dit punt een bepaalde regeling dient te worden getroffen. Maar bij een “normaal” toernooi, met maximaal één partij per dag, is daar toch geen sprake van? Of zou het dan werkelijk tòch zo zijn dat, zoals een voormalig FMJD-voorzitter mij eens in alle ernst zei, de duur van een dampartij gelimiteerd dient te worden omdat het anders allemaal te lang duurt voor de sponsors en - met name - hun vrouwen? Dat zou natuurlijk te-gek-voor-woorden zijn (in mijn ogen althans), maar kennelijk denkt men daar bij de FMJD anders over.
Maar goed. Met het afschaffen van het zevende speeluur zou ik, zij het met de hierboven geformuleerde kanttekening, desnoods nog wel kunnen leven: de invloed van deze bepaling op het verloop van het toernooi zal vermoedelijk (uiterst) gering zijn. Dit geldt echter nìet voor het werken met plusremises, een andere “verworvenheid” van dat armzalige toernooi dat voor het WK 2005 dóór moest gaan. Ik begrijp - of meen te begrijpen - dat die plusremises in eerste instantie bedoeld zijn om vonnis te wijzen ingeval twee of meer spelers op hetzelfde aantal wedstrijdpunten eindigen. “Vroeger” - wat heet: tot voor zeer kort zelfs - bestond daar een andere, naar mijn overtuiging heel wat geschiktere oplossing voor: als het om een belangrijke klassering ging werd er, in de vorm van een barrage of herkamp, gewoon om gespeeld. (Zoals ook een partij die na 6 uur nog niet beslist was, gewoon werd uitgespeeld.) Dat is misschien wat onbevredigend voor organisatoren die - om het wat oneerbiedig te formuleren - bij de prijsuitreiking zo snel mogelijk van de aangeschafte bekers af willen, maar uit sportief oogpunt is het de enige juiste handelwijze.
De huidige mode om eventuele herkampen (en dus ook het zevende speeluur) rigoureus af te schaffen, doet mij sterk denken aan de toernooien die in de tweede helft van de jaren zestig in (Noord-)Italië werden gehouden, waarbij vaak twee partijen per dag werden gespeeld en waarbij zelfs voor de verdeling van de allerhoogste plaatsen het SB-systeem werd toegepast. (Nog zie en hoor ik wijlen R.C. Keller, die een of twee dagen na aanvang van het WK 1968 in Bolzano arriveerde en Harm en mij vroeg waarom wij bij de opening in vredesnaam niet geprotesteerd hadden tegen de toepassing van het SB-systeem.) In de loop der jaren heeft het FMJD-bestuur aan zowel het één (het toestaan van twee partijen per dag) als het ander (het SB-systeem) de oorlog verklaard, maar helaas lijkt er sinds enige tijd - en dàt onder het mom van “vernieuwing”! - van een regelrechte restauratie sprake.
Hoe dan ook - ik moet er niet aan denken dat straks, wanneer in het WK 2007 twee of meer spelers op de eerste plaats mochten eindigen, de titel zonder verdere strijd zou worden toegewezen aan dìe speler die de meeste “plusjes” achter zijn naam heeft staan. Dat hoeft namelijk helemaal niet de sterkste dammer te zijn; evengoed kan het degene zijn die het handigst heeft weten in te spelen op de nieuwe, verzonnen spelregels die van het damspel een karikatuur maken en die alleen maar afleiden van waar het in het damspel al eeuwenlang werkelijk om gaat: winnen of remise spelen. Een schemergebied van kunstmatig in het leven geroepen “halve winst” of “half verlies” hoort er naar mijn overtuiging domweg niet te zijn, en zal ìk in elk geval nooit erkennen. Dit temeer daar er niet veel voorstellingsvermogen voor nodig is om te begrijpen dat het hanteren van “plusremises” slechts een (voorlaatste?) halte is op de weg naar invoering van de zogeheten “puntenoverwinning” (Delftse Telling enz.), wat in mijn optiek helemaal de barbarij ten top zou zijn: het zou het damspel radicaal en definitief van zijn wortels afsnijden!
Ik zal niet ontkennen dat ik, zoekende naar mogelijkheden om mijn deelname aan het WK 2007 desondanks doorgang te laten vinden, de afgelopen maanden serieus gespeeld heb met de gedachte om dan in vredesnaam maar bij aanvang van het toernooi een schriftelijke verklaring te overleggen waarin ik uitleg dat ik de “plusremise” niet erken en, ingeval van een puntendeling, op voorhand instem met een “minremise”; mijn tegenstanders en ik zouden ons dan in elk geval niet het hoofd hoeven te breken over allerlei onzin die met dammen niets te maken heeft. Maar het behoeft nauwelijks betoog dat ook dàt geen bevredigende oplossing zou zijn. Tenslotte zou ik mijzelf daarmee ernstig benadelen, en dat niet alleen: het zou - voor àlle betrokkenen! - een constante bron van onrust, of op z’n minst discussie of gekrakeel betekenen, en daarmee een smet werpen op het toernooi (en mijn deelname daaraan) nog voordat het goed en wel begonnen is.
Ten slotte het derde obstakel dat mijn deelname aan het WK 2007 in de weg staat: dopingcontroles voor dammers. Het is een onderwerp waar doorgaans lacherig over wordt gedaan, en ik herinner mij nog goed de algemene hilariteit die het veroorzaakte toen, in september 1999 (het was aan de vooravond van het EK-toernooi in Hoogezand), de mogelijkheid van dopingcontroles voor denksporters voor het eerst ter sprake kwam. Maar hoe onzinnig men het ook vond (zelfs toenmalig bondsdirecteur Johan Haijtink noemde het in een interview “pure werkverschaffing”, en voegde daaraan toe: “In principe is het onzin, die controle, want het probleem bestaat gewoon niet”) - de dambond, die overheidsgelden niet in de waagschaal wilde stellen, durfde er géén stelling tegen te nemen, waarna de dopingcontroleurs daadwerkelijk ten tonele verschenen. En tot mijn teleurstelling bleken er - voor zover mij bekend - evenmin spelers te zijn (dammers althans; gelukkig hielden sommige topschakers hun rug wèl recht) die de zinloze en vernederende gang naar het plashokje weigerden te maken.
Maar hoezeer ik er mijzelf ook mee in de vingers moge snijden: ik zal nimmer vóór, tijdens of na afloop van een dampartij in opdracht van de een of andere nitwit van de WADA (of hoe die instituten ook mogen heten) in een potje staan gaan pissen. Misschien vinden sommigen dat dit bewijst dat ik het “te hoog in de bol” heb, maar dat moet dan maar: zonder een minimum aan zelfrespect kan en wil ik niet door het leven. Bovendien weet ik wel zeker dat wanneer men iemand als Keller een dergelijke vraag had voorgelegd, hij categorisch zou hebben geweigerd. Met betrekking tot Henk Smit, mijn andere leermeester, durf ik dezelfde stelling aan. En ik twijfel er al helemaal niet aan dat mijn vader, ware hij dammer geweest en met deze kwestie geconfronteerd, de desbetreffende controleurs op z’n minst verbaal alle hoeken van het podium had laten zien. Hoe zou ik ooit anders kunnen handelen dan in de geest van hen die mij gevormd hebben?
Kortom: organisatoren van damtoernooien waarop - in de woorden van FMJD-voorzitter Hildering (zie diens antwoord op jouw mail van 13 september) - “het dopingreglement van toepassing” is, kunnen zich eigenlijk net zo goed de moeite besparen mij voor hun toernooi uit te nodigen. (Dat ik, zoals ik ook in mijn brief van 11 mei schreef, die uitnodiging op zich - sportief en menselijk gezien - wel degelijk op prijs stel, spreekt voor zich, maar is helaas een heel andere zaak.) Er lijkt immers sprake te zijn van een schier onoplosbaar probleem. Nu is als eventuele “oplossing” voor het gerezen probleem wel de mogelijkheid geopperd (meestal slechts in informele zin, al deinsde KNDB-secretaris Marcel Kosters - zie diens mail van 13 september - er niet voor terug die gedachte ook aan het papier toe te vertrouwen) om het WK 2007 domweg nìet aan te melden bij de bevoegde(?) dopinginstanties, bijvoorbeeld door die aanmelding te “vergeten”. Maar een bevredigende of werkbare oplossing kan dit mijns inziens nooit zijn. Nog afgezien namelijk van het opportunistische en weinig principiële karakter ervan, lijdt het voor mij nauwelijks twijfel dat daar allerlei narigheid van komt: die dopingcontroleurs zijn - hoewel hun “beroep” misschien anders doet vermoeden - óók niet achterlijk; ook zij lezen kranten, met als gevolg dat zij zich binnen de kortste keren bij de receptie van Theater De Voorveghter zullen melden…
Nee - de enige werkelijke oplossing voor dit probleem (dat overigens niet door mìj in de wereld is gebracht) zou bestaan uit een principiële stellingname van het organisatiecomité tegen dat belachelijke en weerzinwekkende fenomeen “dopingcontrole-voor-dammers”. Als men werkelijk de mening is toegedaan (en kennelijk ìs men dat, getuige de vorige alinea) dat het hier om een zinloze actie gaat die evengoed achterwege kan blijven, dan zou het zowel de bestuurders van de KNDB als de organisatoren van het WK 2007 sieren wanneer zij die mening ook in woord en daad tot uitdrukking zouden brengen door de dopingcontroleurs te laten weten dat deze in Hardenberg niet welkom zijn (behalve natuurlijk als, liefst betalend, toeschouwer). Het organisatiecomité hééft mij echter al in een eerdere brief laten weten dat het zich, waar het de reglementen betreft, conformeert aan de richtlijnen van de FMJD. Op zich heb ik daar best begrip voor: formeel bezien, en onder ‘normale’ omstandigheden (ik denk bijvoorbeeld aan de tijd dat de FMJD onder voorzitterschap van oud-wereldkampioen Roozenburg stond), lijkt het mij zelfs het enige juiste standpunt. Maar ik zou mij óók kunnen voorstellen dat men, zodra er door de top van de FMJD beslissingen worden genomen die evident strijdig zijn met de belangen van het spel en de spelers, als lid van het organisatiecomité naar zijn eigen stem en geweten luistert en dienovereenkomstig handelt, alles met de bedoeling een zo mooi mogelijk WK-toernooi van de grond te krijgen. Tegelijkertijd echter ben ik realistisch genoeg om te beseffen dat een dergelijke “autonome” opstelling van de leden van het organisatiecomité wel erg veel gevraagd is; de - schriftelijke zowel als mondelinge - contacten die er tot dusver over deze beide reglementenkwesties zijn geweest, laten mij weinig of geen hoop.
Ziedaar dus de redenen waarom ik, tenzij er een wonder gebeurt (maar dat zal dan van jullie kant moeten komen), nìet aan het WK 2007 zal deelnemen. Nogmaals: mocht het organisatiecomité besluiten niet langer vast te houden aan de directieven van de FMJD en een eigen koers te varen waar het de “plusremises” en de dopingcontroles betreft, dan zou ik mij, in weerwil van de overpeinzingen uit de tweede en derde alinea van deze brief, alsnog vol overgave op de voorbereiding storten van wat in dat geval mijn laatste WK-toernooi zou worden. Maar ik voel aan alles dat de kans op een dergelijk wonder uiterst gering is, om niet te zeggen nihil. Ik vrees dan ook dat het hoofdstuk “WK 2007” hiermee voor mij is afgesloten. Dat zou dan tevens inhouden (maar die constatering is vooral bedoeld om voor mijzelf duidelijkheid omtrent de verdere invulling van mijn leven te krijgen) dat mijn damcarrière ten einde is, dat mijn optreden in het WK 2003 en het Bijlmer-toernooi van datzelfde jaar géén vervolg meer krijgt en dat ik mij - géén straf, overigens - aan het schrijven van mijn “memoires” kan gaan wijden.
Met vriendelijke groet,
Ton Sijbrands”
In de tweede alinea van dit artikel had ik het over het “deprimerende besef” dat er vrijwel geen toekomst meer is voor dammers met opvattingen zoals ik die huldig. Wie meent dat ik de situatie te pessimistisch beoordeel, zou ik het antwoord willen voorleggen dat ik op bovenstaande brief kreeg. Dat bestond namelijk, als we in- en uitleiding even niet meerekenen, uit een mantra van welgeteld drie zinnen, te weten:
1) “Het Dagelijks Bestuur van de stichting WK Dammen Hardenberg 2007 deelt jou hierbij mee dat wij ons conformeren aan de reglementen die opgesteld zijn door de FMJD”;
2) “Het WK Dammen Hardenberg 2007 vindt immers plaats onder auspiciën van de FMJD”;
en
3) “De FMJD heeft het WK Dammen 2007 op voordracht van de KNDB in november 2005 officieel aan Hardenberg toegewezen.”
En daar bleef het bij: op geen van de punten die ik in mijn brief had aangesneden, werd inhoudelijk gereageerd! Misschien was dat ook teveel gevraagd. Maar als zelfs zij die mij, getuige de keuzeplaats die mij in hun toernooi was aangeboden, in principe toch goed gezind zijn, zich zo verschrikkelijk doof houden voor mijn argumenten - wat zou ik (en voor eventuele 'geestverwanten' geldt natuurlijk hetzelfde) dan in vredesnaam nog te verwachten hebben van instanties waarmee géén vriendschappelijke banden worden onderhouden?
Tot slot dit. In mijn brief aan Henk Boers refereerde ik aan een paar mensen die mij, op welke wijze dan ook, “gevormd” hebben en die, ook al zijn zij al lang geleden gestorven, mijn denken en handelen nog altijd beïnvloeden. Ook Pierre Ghestem, de Fransman met wie dit artikel opende, is niet meer onder ons: hij overleed in maart 2000. In zekere zin is Ghestem zelfs nooit ‘onder ons’ geweest, want na een bliksemcarrière die hem twee achtereenvolgende wereldtitels bracht (in matches met Raichenbach en Keller liet hij geen spaan van zijn tegenstanders heel), trok hij zich in 1948 uit de damwereld terug, om zich vervolgens op de bridgesport te storten. Er zullen dus niet veel hedendaagse (Nederlandse) dammers zijn die Ghestem ooit ontmoet hebben.
Zelf heb ik de ‘aartsvader van het klassieke spel’, zoals zijn bijnaam luidde, ook maar sporadisch mogen meemaken. Ik geloof dat ik Ghestem tweemaal - met tussenpozen overigens van ongeveer twintig jaar! - in het Scheveningse Kurhaus ben wezen opzoeken toen hij daar aan een bridgetoernooi deelnam, met toenmalig Parool-journalist Jan Wielaard ben ik ooit (1988) naar Lille afgereisd om hem te interviewen, en bij een simultaan in Noord-Frankrijk kwam Ghestem wel eens kijken. Misschien - maar waarom zouden we dat ook van onze medemens verlangen? - was niet alles aan deze man even verheffend; in sommige opzichten deed hij mij althans aan Bep van Mokum denken (zij het zonder diens cognacglas ter grootte van een vissekom). Maar wàt een karakter! Geen denken aan dat die zich na een partij gedwee naar de dopingcontrole zou hebben laten dirigeren.
Toen ik onlangs wat zat te googlen, stuitte ik op een site waarop Ghestems lof gezongen werd als bedenker van een bepaald biedsysteem. Ik wist wel dat Ghestem het ook bij bridge tot wereldkampioen had geschopt, maar dat hij er in twee takken van (denk)sport in geslaagd was zijn naam blijvend aan een speelwijze te verbinden, was eigenlijk nooit echt tot mij doorgedrongen. De ontdekking vervulde mij op een vreemde manier met trots, en het scheelde niet veel (eigenlijk niets) of de tranen waren mij in de ogen gesprongen.
Misschien moest ik, bij leven en welzijn, óók dat boek over Ghestem maar eens schrijven!
Maar nu is het dan helemaal zeker, zij het om een andere, nog veel concretere reden: ik stop ermee. Die beslissing, die ik uiteraard niet zonder slag of stoot genomen heb, is het resultaat van een niet eens zo heel erg moeilijke optelsom. Enerzijds is er namelijk het leeftijdsaspect (ik word over enkele maanden 57), de daarmee gepaard gaande angst voor teruglopende prestaties èn de vrees onvoldoende tijd over te houden voor het schrijven van mijn (dam-technische) autobiografie. Anderzijds is er het deprimerende besef dat er weinig of geen toekomst meer is voor dammers die de opvatting huldigen dat het prachtige spel dat wij van onze voorouders hebben mogen beërven, niet op essentiële punten mag worden gewijzigd, en dat het geen pas geeft een nieuwe damspel-variëteit in het leven te roepen die het ‘echte’ damspel (1885 - 2004?) onvermijdelijk tot zoiets als een dode taal zal reduceren. Niet dat ik denk dat ik de enige ben die er zo over denkt; tenslotte is het nog geen drie jaar geleden dat een enquête uitwees dat de overgrote meerderheid van de - naar ik meen - tweehonderd sterkste Nederlandse dammers niets moest hebben van zaken als ‘plusremises’ of ‘puntenoverwinningen’. Maar in drie jaar tijd kan er veel veranderen. En het is hoe dan ook zonneklaar dat zij die nog altijd bereid zijn om voor het ‘echte’ spel in de bres te springen, niet of onvoldoende vertegenwoordigd zijn in dìe organen waar de beleidsbeslissingen worden genomen.
Ten slotte is er dan nog dat lachwekkende, maar daarom niet minder principiële punt van dopingcontrole-voor-denksporters, een onderwerp waarover Hans Ree - als altijd trouwens - zo mooi heeft geschreven in New in Chess (1999, nr. 7). Ook op dit punt belooft de toekomst weinig goeds voor dammers die er niet voor voelen om zich - letterlijk! (en met excuses aan de fijngevoeligen onder de lezers) - ‘voor lul’ te laten zetten.
Maar misschien kan ik, in plaats van naar nieuwe formuleringen voor dezelfde overwegingen te zoeken, het beste de integrale tekst overnemen van de brief waaraan ik drie weken geleden begon en die ik, om te voorkomen dat ik op sommige punten wat al te hard van stapel zou lopen, pas vijf dagen later voltooide. Die brief, gericht aan Henk Boers, secretaris van de stichting WK Dammen Hardenberg 2007, luidde aldus:
“Beste Henk,
Hierbij deel ik je mede dat ik, na kennis te hebben genomen van de antwoorden op de drie vragen die ik je een week geleden stelde en die antwoorden (waarvoor overigens nogmaals mijn dank) gedurende enige dagen te hebben laten bezinken, besloten heb niet deel te nemen aan het Wereldkampioenschap 2007. Ik zal die beslissing proberen toe te lichten.
In het leven van iedere denksporter dient zich een moment aan waarop hij, hoeveel moeite dit hem ook kost en met hoeveel pijn-in-het-hart dit ook gepaard gaat, er het verstandigst aan doet een punt achter zijn carrière te zetten. Alleen al mijn leeftijd dwingt mij de vraag te stellen of dat moment zo langzamerhand niet ook voor mij is aangebroken, en ik ben geneigd die vraag bevestigend te beantwoorden. Immers: het lijkt mij beter te stoppen op een punt in mijn carrière waarop ik - ofschoon uiteraard niet meer zo gemotiveerd en slagvaardig als in vroeger dagen - qua speelsterkte nog altijd gerespecteerd word door zelfs de allergrootsten van ons tijdsgewricht, in plaats van net zo lang dóór te gaan tot de concurrentie - met recht! - meent dat de “houdbaarheidsdatum” van mijn loopbaan inmiddels is overschreden en mij achter het bord als aangeschoten wild gaat behandelen. Ik noem geen namen, maar te vaak heb ik gezien hoe - figuurlijk gesproken natuurlijk - voormalige reuzen, die in hun glorietijd de meest stoutmoedige concepten bedachten en hun opponenten de stuipen op het lijf joegen, in de nadagen van hun carrière als het ware ineenschrompelden tot kleine, bange mannetjes die zelfs met een puntendeling tegen middelmatige tegenstanders al dik tevreden waren. Dat is geen prettig gezicht, en ik zou ervoor willen passen zelf óók zo te eindigen.
Daar komt in mijn geval nog bij dat ik - hoe onzinnig andere dammers (een enkeling als Sjtsjogoljew uitgezonderd) dit wellicht ook vinden; maar dat is dan eerder hun probleem dan het mijne - een “missie” te volbrengen heb waarvoor de tijd inmiddels aardig begint te dringen: het in boekvorm vastleggen en - vooral - becommentariëren van althans de beste, interessantste of anderszins meest gedenkwaardige van de ruim 2000 partijen (simultaan-, kloksimultaan- en blindpartijen niet eens meegerekend!) die ik in mijn leven gespeeld heb. Dat “megaproject” gaat in het gunstigste geval 10 à 15 jaar vergen, en men hoeft de overlijdensberichten in de dagbladen er maar op na te slaan om te weten dat het allerminst vanzelf spreekt dat een dergelijke tijd-van-leven een mens ook daadwerkelijk vergund is… Voorbereiding, deelname en “herstellen” van het WK 2007 zou algauw een klein jaar van die resterende tijd afknibbelen.
Niettemin - en ik zou je willen verzoeken hiervan nota te nemen! - zou ik de uitnodiging om aan het WK 2007 deel te nemen (en daarmee de uitdaging om mij nog één laatste maal in het avontuur te storten), wel degelijk hebben aangenomen wanneer er niet een drietal wedstrijdvoorwaarden waren geweest die voor mij domweg onacceptabel zijn: de mogelijkheid van “doping”controles, het werken met zogeheten plusremises en het (al dan niet veredelde) “uitvluggeren” van een partij wanneer die na 6 uur spelen nog niet mocht zijn afgelopen.
Van die drie bezwaren is het laatste wellicht niet geheel onoverkomelijk, om de simpele reden dat partijen van langer dan 6 uur slechts bij hoge uitzondering vóórkomen. (Van mijn eigen partijen uit “Zwartsluis 2003” herinner ik mij alleen die tegen Milsjien.) Ik zou mij dus op het standpunt kunnen stellen dat we hier met een bepaling te maken hebben die voornamelijk van theoretisch belang is. Maar daarmee zou ik ongewild wèl instemmen met een in mijn ogen negatieve tendens in de damwereld, te weten de neiging om het eindspel als een minder essentieel, eigenlijk te verwaarlozen onderdeel van een partij te zien. Bovendien: welke noodzaak, of zelfs maar wenselijkheid, kan er in vredesnaam zijn om het zevende en de eventueel daarop volgende speeluren af te schaffen? Bij een toernooi waarbij men twee ronden op een en dezelfde dag afwerkt (zoals in het Bijlmer-toernooi of in het tot dusver laatste, eveneens in de Bijlmer gehouden WK-toernooi), kan ik mij voorstellen dat er op dit punt een bepaalde regeling dient te worden getroffen. Maar bij een “normaal” toernooi, met maximaal één partij per dag, is daar toch geen sprake van? Of zou het dan werkelijk tòch zo zijn dat, zoals een voormalig FMJD-voorzitter mij eens in alle ernst zei, de duur van een dampartij gelimiteerd dient te worden omdat het anders allemaal te lang duurt voor de sponsors en - met name - hun vrouwen? Dat zou natuurlijk te-gek-voor-woorden zijn (in mijn ogen althans), maar kennelijk denkt men daar bij de FMJD anders over.
Maar goed. Met het afschaffen van het zevende speeluur zou ik, zij het met de hierboven geformuleerde kanttekening, desnoods nog wel kunnen leven: de invloed van deze bepaling op het verloop van het toernooi zal vermoedelijk (uiterst) gering zijn. Dit geldt echter nìet voor het werken met plusremises, een andere “verworvenheid” van dat armzalige toernooi dat voor het WK 2005 dóór moest gaan. Ik begrijp - of meen te begrijpen - dat die plusremises in eerste instantie bedoeld zijn om vonnis te wijzen ingeval twee of meer spelers op hetzelfde aantal wedstrijdpunten eindigen. “Vroeger” - wat heet: tot voor zeer kort zelfs - bestond daar een andere, naar mijn overtuiging heel wat geschiktere oplossing voor: als het om een belangrijke klassering ging werd er, in de vorm van een barrage of herkamp, gewoon om gespeeld. (Zoals ook een partij die na 6 uur nog niet beslist was, gewoon werd uitgespeeld.) Dat is misschien wat onbevredigend voor organisatoren die - om het wat oneerbiedig te formuleren - bij de prijsuitreiking zo snel mogelijk van de aangeschafte bekers af willen, maar uit sportief oogpunt is het de enige juiste handelwijze.
De huidige mode om eventuele herkampen (en dus ook het zevende speeluur) rigoureus af te schaffen, doet mij sterk denken aan de toernooien die in de tweede helft van de jaren zestig in (Noord-)Italië werden gehouden, waarbij vaak twee partijen per dag werden gespeeld en waarbij zelfs voor de verdeling van de allerhoogste plaatsen het SB-systeem werd toegepast. (Nog zie en hoor ik wijlen R.C. Keller, die een of twee dagen na aanvang van het WK 1968 in Bolzano arriveerde en Harm en mij vroeg waarom wij bij de opening in vredesnaam niet geprotesteerd hadden tegen de toepassing van het SB-systeem.) In de loop der jaren heeft het FMJD-bestuur aan zowel het één (het toestaan van twee partijen per dag) als het ander (het SB-systeem) de oorlog verklaard, maar helaas lijkt er sinds enige tijd - en dàt onder het mom van “vernieuwing”! - van een regelrechte restauratie sprake.
Hoe dan ook - ik moet er niet aan denken dat straks, wanneer in het WK 2007 twee of meer spelers op de eerste plaats mochten eindigen, de titel zonder verdere strijd zou worden toegewezen aan dìe speler die de meeste “plusjes” achter zijn naam heeft staan. Dat hoeft namelijk helemaal niet de sterkste dammer te zijn; evengoed kan het degene zijn die het handigst heeft weten in te spelen op de nieuwe, verzonnen spelregels die van het damspel een karikatuur maken en die alleen maar afleiden van waar het in het damspel al eeuwenlang werkelijk om gaat: winnen of remise spelen. Een schemergebied van kunstmatig in het leven geroepen “halve winst” of “half verlies” hoort er naar mijn overtuiging domweg niet te zijn, en zal ìk in elk geval nooit erkennen. Dit temeer daar er niet veel voorstellingsvermogen voor nodig is om te begrijpen dat het hanteren van “plusremises” slechts een (voorlaatste?) halte is op de weg naar invoering van de zogeheten “puntenoverwinning” (Delftse Telling enz.), wat in mijn optiek helemaal de barbarij ten top zou zijn: het zou het damspel radicaal en definitief van zijn wortels afsnijden!
Ik zal niet ontkennen dat ik, zoekende naar mogelijkheden om mijn deelname aan het WK 2007 desondanks doorgang te laten vinden, de afgelopen maanden serieus gespeeld heb met de gedachte om dan in vredesnaam maar bij aanvang van het toernooi een schriftelijke verklaring te overleggen waarin ik uitleg dat ik de “plusremise” niet erken en, ingeval van een puntendeling, op voorhand instem met een “minremise”; mijn tegenstanders en ik zouden ons dan in elk geval niet het hoofd hoeven te breken over allerlei onzin die met dammen niets te maken heeft. Maar het behoeft nauwelijks betoog dat ook dàt geen bevredigende oplossing zou zijn. Tenslotte zou ik mijzelf daarmee ernstig benadelen, en dat niet alleen: het zou - voor àlle betrokkenen! - een constante bron van onrust, of op z’n minst discussie of gekrakeel betekenen, en daarmee een smet werpen op het toernooi (en mijn deelname daaraan) nog voordat het goed en wel begonnen is.
Ten slotte het derde obstakel dat mijn deelname aan het WK 2007 in de weg staat: dopingcontroles voor dammers. Het is een onderwerp waar doorgaans lacherig over wordt gedaan, en ik herinner mij nog goed de algemene hilariteit die het veroorzaakte toen, in september 1999 (het was aan de vooravond van het EK-toernooi in Hoogezand), de mogelijkheid van dopingcontroles voor denksporters voor het eerst ter sprake kwam. Maar hoe onzinnig men het ook vond (zelfs toenmalig bondsdirecteur Johan Haijtink noemde het in een interview “pure werkverschaffing”, en voegde daaraan toe: “In principe is het onzin, die controle, want het probleem bestaat gewoon niet”) - de dambond, die overheidsgelden niet in de waagschaal wilde stellen, durfde er géén stelling tegen te nemen, waarna de dopingcontroleurs daadwerkelijk ten tonele verschenen. En tot mijn teleurstelling bleken er - voor zover mij bekend - evenmin spelers te zijn (dammers althans; gelukkig hielden sommige topschakers hun rug wèl recht) die de zinloze en vernederende gang naar het plashokje weigerden te maken.
Maar hoezeer ik er mijzelf ook mee in de vingers moge snijden: ik zal nimmer vóór, tijdens of na afloop van een dampartij in opdracht van de een of andere nitwit van de WADA (of hoe die instituten ook mogen heten) in een potje staan gaan pissen. Misschien vinden sommigen dat dit bewijst dat ik het “te hoog in de bol” heb, maar dat moet dan maar: zonder een minimum aan zelfrespect kan en wil ik niet door het leven. Bovendien weet ik wel zeker dat wanneer men iemand als Keller een dergelijke vraag had voorgelegd, hij categorisch zou hebben geweigerd. Met betrekking tot Henk Smit, mijn andere leermeester, durf ik dezelfde stelling aan. En ik twijfel er al helemaal niet aan dat mijn vader, ware hij dammer geweest en met deze kwestie geconfronteerd, de desbetreffende controleurs op z’n minst verbaal alle hoeken van het podium had laten zien. Hoe zou ik ooit anders kunnen handelen dan in de geest van hen die mij gevormd hebben?
Kortom: organisatoren van damtoernooien waarop - in de woorden van FMJD-voorzitter Hildering (zie diens antwoord op jouw mail van 13 september) - “het dopingreglement van toepassing” is, kunnen zich eigenlijk net zo goed de moeite besparen mij voor hun toernooi uit te nodigen. (Dat ik, zoals ik ook in mijn brief van 11 mei schreef, die uitnodiging op zich - sportief en menselijk gezien - wel degelijk op prijs stel, spreekt voor zich, maar is helaas een heel andere zaak.) Er lijkt immers sprake te zijn van een schier onoplosbaar probleem. Nu is als eventuele “oplossing” voor het gerezen probleem wel de mogelijkheid geopperd (meestal slechts in informele zin, al deinsde KNDB-secretaris Marcel Kosters - zie diens mail van 13 september - er niet voor terug die gedachte ook aan het papier toe te vertrouwen) om het WK 2007 domweg nìet aan te melden bij de bevoegde(?) dopinginstanties, bijvoorbeeld door die aanmelding te “vergeten”. Maar een bevredigende of werkbare oplossing kan dit mijns inziens nooit zijn. Nog afgezien namelijk van het opportunistische en weinig principiële karakter ervan, lijdt het voor mij nauwelijks twijfel dat daar allerlei narigheid van komt: die dopingcontroleurs zijn - hoewel hun “beroep” misschien anders doet vermoeden - óók niet achterlijk; ook zij lezen kranten, met als gevolg dat zij zich binnen de kortste keren bij de receptie van Theater De Voorveghter zullen melden…
Nee - de enige werkelijke oplossing voor dit probleem (dat overigens niet door mìj in de wereld is gebracht) zou bestaan uit een principiële stellingname van het organisatiecomité tegen dat belachelijke en weerzinwekkende fenomeen “dopingcontrole-voor-dammers”. Als men werkelijk de mening is toegedaan (en kennelijk ìs men dat, getuige de vorige alinea) dat het hier om een zinloze actie gaat die evengoed achterwege kan blijven, dan zou het zowel de bestuurders van de KNDB als de organisatoren van het WK 2007 sieren wanneer zij die mening ook in woord en daad tot uitdrukking zouden brengen door de dopingcontroleurs te laten weten dat deze in Hardenberg niet welkom zijn (behalve natuurlijk als, liefst betalend, toeschouwer). Het organisatiecomité hééft mij echter al in een eerdere brief laten weten dat het zich, waar het de reglementen betreft, conformeert aan de richtlijnen van de FMJD. Op zich heb ik daar best begrip voor: formeel bezien, en onder ‘normale’ omstandigheden (ik denk bijvoorbeeld aan de tijd dat de FMJD onder voorzitterschap van oud-wereldkampioen Roozenburg stond), lijkt het mij zelfs het enige juiste standpunt. Maar ik zou mij óók kunnen voorstellen dat men, zodra er door de top van de FMJD beslissingen worden genomen die evident strijdig zijn met de belangen van het spel en de spelers, als lid van het organisatiecomité naar zijn eigen stem en geweten luistert en dienovereenkomstig handelt, alles met de bedoeling een zo mooi mogelijk WK-toernooi van de grond te krijgen. Tegelijkertijd echter ben ik realistisch genoeg om te beseffen dat een dergelijke “autonome” opstelling van de leden van het organisatiecomité wel erg veel gevraagd is; de - schriftelijke zowel als mondelinge - contacten die er tot dusver over deze beide reglementenkwesties zijn geweest, laten mij weinig of geen hoop.
Ziedaar dus de redenen waarom ik, tenzij er een wonder gebeurt (maar dat zal dan van jullie kant moeten komen), nìet aan het WK 2007 zal deelnemen. Nogmaals: mocht het organisatiecomité besluiten niet langer vast te houden aan de directieven van de FMJD en een eigen koers te varen waar het de “plusremises” en de dopingcontroles betreft, dan zou ik mij, in weerwil van de overpeinzingen uit de tweede en derde alinea van deze brief, alsnog vol overgave op de voorbereiding storten van wat in dat geval mijn laatste WK-toernooi zou worden. Maar ik voel aan alles dat de kans op een dergelijk wonder uiterst gering is, om niet te zeggen nihil. Ik vrees dan ook dat het hoofdstuk “WK 2007” hiermee voor mij is afgesloten. Dat zou dan tevens inhouden (maar die constatering is vooral bedoeld om voor mijzelf duidelijkheid omtrent de verdere invulling van mijn leven te krijgen) dat mijn damcarrière ten einde is, dat mijn optreden in het WK 2003 en het Bijlmer-toernooi van datzelfde jaar géén vervolg meer krijgt en dat ik mij - géén straf, overigens - aan het schrijven van mijn “memoires” kan gaan wijden.
Met vriendelijke groet,
Ton Sijbrands”
In de tweede alinea van dit artikel had ik het over het “deprimerende besef” dat er vrijwel geen toekomst meer is voor dammers met opvattingen zoals ik die huldig. Wie meent dat ik de situatie te pessimistisch beoordeel, zou ik het antwoord willen voorleggen dat ik op bovenstaande brief kreeg. Dat bestond namelijk, als we in- en uitleiding even niet meerekenen, uit een mantra van welgeteld drie zinnen, te weten:
1) “Het Dagelijks Bestuur van de stichting WK Dammen Hardenberg 2007 deelt jou hierbij mee dat wij ons conformeren aan de reglementen die opgesteld zijn door de FMJD”;
2) “Het WK Dammen Hardenberg 2007 vindt immers plaats onder auspiciën van de FMJD”;
en
3) “De FMJD heeft het WK Dammen 2007 op voordracht van de KNDB in november 2005 officieel aan Hardenberg toegewezen.”
En daar bleef het bij: op geen van de punten die ik in mijn brief had aangesneden, werd inhoudelijk gereageerd! Misschien was dat ook teveel gevraagd. Maar als zelfs zij die mij, getuige de keuzeplaats die mij in hun toernooi was aangeboden, in principe toch goed gezind zijn, zich zo verschrikkelijk doof houden voor mijn argumenten - wat zou ik (en voor eventuele 'geestverwanten' geldt natuurlijk hetzelfde) dan in vredesnaam nog te verwachten hebben van instanties waarmee géén vriendschappelijke banden worden onderhouden?
Tot slot dit. In mijn brief aan Henk Boers refereerde ik aan een paar mensen die mij, op welke wijze dan ook, “gevormd” hebben en die, ook al zijn zij al lang geleden gestorven, mijn denken en handelen nog altijd beïnvloeden. Ook Pierre Ghestem, de Fransman met wie dit artikel opende, is niet meer onder ons: hij overleed in maart 2000. In zekere zin is Ghestem zelfs nooit ‘onder ons’ geweest, want na een bliksemcarrière die hem twee achtereenvolgende wereldtitels bracht (in matches met Raichenbach en Keller liet hij geen spaan van zijn tegenstanders heel), trok hij zich in 1948 uit de damwereld terug, om zich vervolgens op de bridgesport te storten. Er zullen dus niet veel hedendaagse (Nederlandse) dammers zijn die Ghestem ooit ontmoet hebben.
Zelf heb ik de ‘aartsvader van het klassieke spel’, zoals zijn bijnaam luidde, ook maar sporadisch mogen meemaken. Ik geloof dat ik Ghestem tweemaal - met tussenpozen overigens van ongeveer twintig jaar! - in het Scheveningse Kurhaus ben wezen opzoeken toen hij daar aan een bridgetoernooi deelnam, met toenmalig Parool-journalist Jan Wielaard ben ik ooit (1988) naar Lille afgereisd om hem te interviewen, en bij een simultaan in Noord-Frankrijk kwam Ghestem wel eens kijken. Misschien - maar waarom zouden we dat ook van onze medemens verlangen? - was niet alles aan deze man even verheffend; in sommige opzichten deed hij mij althans aan Bep van Mokum denken (zij het zonder diens cognacglas ter grootte van een vissekom). Maar wàt een karakter! Geen denken aan dat die zich na een partij gedwee naar de dopingcontrole zou hebben laten dirigeren.
Toen ik onlangs wat zat te googlen, stuitte ik op een site waarop Ghestems lof gezongen werd als bedenker van een bepaald biedsysteem. Ik wist wel dat Ghestem het ook bij bridge tot wereldkampioen had geschopt, maar dat hij er in twee takken van (denk)sport in geslaagd was zijn naam blijvend aan een speelwijze te verbinden, was eigenlijk nooit echt tot mij doorgedrongen. De ontdekking vervulde mij op een vreemde manier met trots, en het scheelde niet veel (eigenlijk niets) of de tranen waren mij in de ogen gesprongen.
Misschien moest ik, bij leven en welzijn, óók dat boek over Ghestem maar eens schrijven!
In het eerste deel van dit vierluik liet ik zien hoe Kees Thijssen
op de openingsdag van het Nederlands kampioenschap 2006 zijn
(Amsterdamse) clubgenoot Michiel Kloosterziel versloeg. Ook de
fraaie aanvalspartij die Thijssen in de vierde ronde van Cor van
Dusseldorp won, was - evenals het duel met Kloosterziel - van
belang voor de moderne openingstheorie. Overigens betrof het alweer
Thijssens derde(!) winstpartij: in de tweede ronde had hij, voordat
hij met Baljakin de punten zou delen, óók al van debutant Johan
Sterrenburg gewonnen.
C. van Dusseldorp-Thijssen
(NK 2006)
1.32-28 19-23 2.28x19 14x23 3.37-32 10-14 4.41-37 5-10 5.46-41 17-21
Tot december 1997 speelde Thijssen hier vrijwel zonder uitzondering 5…14-19. Het ging dan meestal verder met ofwel 6.35-30 20-25 7.33-29 10-14 8.40-35 23-28 9.32x23 19x28 (zie Thijssens partijen tegen onder anderen Bronstring, halve finales NK 1993, en Getmanski, Challenge Mondial 1997), ofwel 6.32-28 23x32 7.37x28 9-14 8.41-37 16-21 9.31-26 18-22 (onder meer Greveraars-Thijssen, halve finales NK 1997), òf - derde en laatste mogelijkheid - 6.34-29 23x34 7.39x30 10-14 8.44-39 17-21!? gevolgd door hetzij 9.31-26 21-27 10.32x21 16x27 (Passchier-Thijssen, Brunssum 1997), hetzij 9.32-27 21x32 10.37x28 16-21!? 11.41-37 21-26 (P. Lansbergen-Thijssen, Clubcompetitie 1992/1993).
Maar de laatste jaren geniet de tekstzet zijn overduidelijke voorkeur.
6.31-26 21-27 7.32x21 16x27 8.34-30
Tot heel ander spel leidt 8.35-30 20-25 (natuurlijk niet 8…14-19?? wegens 9.36-31!, 10.37-31, 11.33-28 en 12.30-24 +) 9.33-29/40-35, zoals Van Dusseldorp tegen Swizinski (Minsk 1999) en Wesselink (halve finales NK 2001) speelde. Het verschil tussen 8.35-30 en 8.34-30 schuilt hìerin dat wit in dit laatste geval na 8….20-25 niet verplicht is 9.40-34 te doen: hij kàn desgewenst ook 9.37-31 spelen (zie onder meer de wit-partijen van Tsjizjow tegen Virni en Hein Meijer uit respectievelijk het Sowjet-Russisch kampioenschap 1983 en de Olympiade 2000) of - zelfs - 9.37-32 25x34 10.32x21 (10…11-16*).
8…14-19 9.30-25 10-14 10.40-34 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 1 t/m 4, 6 t/m 9, 11 t/m 15, 18 t/m 20, 23 en 27;
achttien witte schijven op 25, 26, 33 t/m 39, 41 t/m 45 en 47 t/m 50.]
10…11-17
Dat we met een populaire openingsvariant van doen hebben, moge alleen al blijken uit het feit dat de positie na 10.40-34 zich in een kleine zeshonderd(!) partijen heeft voorgedaan. Al is het wellicht goed te preciseren dat de bedoelde stelling in meer dan de helft van al die gevallen langs een wezenlijk andere weg tot stand kwam, te weten 5…14-19 (in plaats dus van Thijssens 5…17-21) 6.35-30 10-14 (slaat de uitnodiging af) 7.30-25 17-21 8.31-26 (maar hier kan ook heel goed 8.32-28 23x32 9.37x28, reden waarom de door zwart gekozen volgorde-van-zetten als minder scherp te boek staat) 8…21-27 9.32x21 16x27 10.40-35.
In veel partijen nu begingen de zwartspelers de fout om zonder voorbereidende maatregelen 22 te bezetten (10…18-22) en het zojuist ontruimde veld 18 meteen weer op te vullen (11…12/13-18). Dat is hìerom fout - of op z’n minst niet aanbevelenswaardig - omdat na 11.44/45-40, 12.50-44/45 en 13.33-29! de standaardreactie 13…20-24?? 14.29x20 15x24 uitgeschakeld is (zelfs bij een voorafgaande opbouw met 11…12-18 en 12…7-12 zou wit middels 15.34-29!, 16.39x17 en 17/18.37-32 een schijf vóórkomen). Daardoor moet zwart er ernstig voor waken dat hij helemaal vastloopt, wat immers het geval zou zijn zodra wit (14.)39-33! en (15.)44-39! heeft weten dóór te zetten.
Maar door veld 22 - voorlopig althans - te mijden, gaat Thijssen dergelijke problemen wijselijk uit de weg.
11.44-40
Hier wordt - evenals op de 12de zet - ook wel meteen 11.33-29 gedaan, wat overigens in de meeste praktijkvoorbeelden slechts op zetverwisseling met 11.44-40 of 11.45-40 pleegt neer te komen. 11.37-31 daarentegen heeft wel degelijk zelfstandige betekenis, maar daar is dan ook meteen alles mee gezegd. Want in Gantwarg-Van der Wal (Valkenburg 1985), de enige partij waarin 11.37-31 is voorgekomen, zou de witspeler er na 11…6-11 12.31x22 18x27 13.44-40 13-18 14.50-44 9-13 15.33-29 4-9 16.41-37 18-22(!) 17.29x18 12x23 nìet in slagen de door hem beoogde omsingeling gestalte te geven, met alle desastreuze gevolgen van dien.
11…6-11
Harm Wiersma heeft, afgaande althans op de partijen die de oud-wereldkampioen in het toernooi van Brunssum 1993 en het WK-rapid 1999 tegen respectievelijk Abdoulaye Der en Koifman speelde, een uitgesproken voorkeur voor een opstelling met 11…20-24 (12.50-44 6-11).
12.50-44 1-6 13.33-29 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6 t/m 9, 11 t/m 15, 17 t/m 20, 23 en 27;
achttien witte schijven op 25, 26, 29, 34 t/m 45 en 47 t/m 49.]
13…20-24
Een heel ander idee is 13…18-22 14.29x18 12x23, zoals voor het eerst door Cees Varkevisser werd gespeeld in een partij tegen Schotanus (NK 1971), maar dat we bijvoorbeeld óók kennen van Thijssen(!)-J. Masselink (Nijmegen 1994) of een matchpartij Georgiew-Tsjizjow (maart 2003). Ontegenzeggelijk is 18-22x23 minder vrijblijvend dan 20-24x24. Maar of men de gedeplaceerde positie van schijf 6 werkelijk als een bezwaar ervaart, is bovenal een kwestie van persoonlijke smaak. En misschien valt er zelfs wel iets te zeggen voor de stelling (die je zo vaak in de openingsboekjes van wijlen J.F. Moser kon aantreffen) dat beide kleuren kansen (moeten) hebben. In elk geval vind ik het opmerkelijk dat Rob Clerc, die met wit aansprekende overwinningen boekte op Schotanus (KSH-toernooi 1975) en Westerhaar-speler René Schippers (Clubcompetitie 1991/1992), er in een partij tegen Gantwarg (WK 1990) evenmin voor terugdeinsde om dezelfde stand met zwart op het bord te brengen!
14.29x20 15x24 15.38-33
Om zwart - naar ik althans vermoed - zelfs geen gelegenheid te geven met 15…24-30 16.35x24 19x30 naar de rand te vluchten, doen sommige witspelers hier ook wel 15.34-30. Zie bijvoorbeeld de partijen van Baljakin tegen Koeperman (WK 1986) en Henk Kalk (Nijmegen 2005), het spannende duel Georgiew-Thijssen(!) uit het toernooi van Delft 2004, alsook de partij die ik in oktober 2001 voor de onderlinge competitie van ADG tegen Ton Bollebakker speelde en waarvan een (spectaculair) fragment is opgenomen in de jubileumuitgave Vijftig jaar Amersfoorts Damgenootschap, 1955 - 2005.
15…14-20!? 16.25x14 9x20 (zie diagram)
Met deze manoeuvre, voor het eerst op grootmeesterniveau toegepast in een partij Tsjizjow-Baljakin, Parijs 1988, probeert zwart tot elke prijs het initiatief vast te houden. Dat zou hem na 15…24-30 16.35x24 19x30 17.34-29 23x34 18.40x29 30-35 19.37-32 27x38 20.43x32 (met 44 op 50 en 6 nog op 1 onder meer voorgekomen in Sjtsjogoljew-Andreiko, Samarkand 1969; Valneris-Baljakin, Minsk 1986; én - opnieuw - een van de eerste matchpartijen tussen Georgiew en Tsjizjow) nooit meer zijn gelukt.

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6 t/m 8, 11 t/m 13, 17 t/m 20, 23, 24 en 27;
zeventien witte schijven op 26, 33 t/m 37, 39 t/m 45 en 47 t/m 49.]
Overigens zou men kunnen zeggen dat Thijssen nauwelijks keus had. De Nederlandse kampioen wordt namelijk al enige tijd getraind/begeleid door Anatoli Gantwarg, en het was uitgerekend Gantwarg die in zijn - in nauwe samenwerking met Alexander Baljakin geschreven - verhandeling 1.32-28 19-23 2.28x19 14x23; 12 systems (Minsk 1991) een warm pleidooi voor de tekstzet hield… (“Gantwarg’s idea is that the centre by no means can be conceded; it should be fought for even by weakening one’s long flank.”)
17.42-38
Gantwarg en Baljakin schenken in hun boekje niet alleen aandacht aan 17.42-38 - ook 17.34-30 en 17.34-29 23x34 18.39x30 worden in kort bestek onder de loep genomen. Dat het achterwege laten van (17.)42-38 bepaalde voordelen met zich mee kàn brengen, kwam aan het licht in de competitiepartij Krasnjanski-Zijlema van februari 2001. Daarin volgde namelijk 17.34-30 3-9 18.30-25 9-14 19.40-34 17-22 20.44-40 11-17 (met 37 op 31 en 11 al op 17 beveelt het Wit-Russische duo 21…23-28! aan; mocht die zet inderdaad bezwaarlijk zijn voor wit, dan is het wellicht een idee om - zoals gebeurde in de partij Woolschot-Zijlema, Gelders kampioenschap 2002 - de manoeuvre 20.34-29 en 21.39x30 aan 22/23.44-40 vooraf te laten gaan) 21.34-29 23x34 22.39x30 18-23 23.43-38! 6-11 24.40-34! 13-18 25.37-31 4-10 26.45-40! (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 7, 8, 10 t/m 12, 14, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33 t/m 36, 38, 40 t/m 42 en 47 t/m 49.]
26…8-13? (dan altijd nog liever hetzij 26…23-28, hetzij 26…10-15 27.33-29 24x33 28.38x29 27-32* met vooralsnog onduidelijke positie) 27.33-29! (met 42 op 43 heeft wit deze mogelijkheid vanzelfsprekend nìet, terwijl het in dat geval evenmin goed lukt tot een opstelling met 48-42 of 47-42 te komen) 27…24x33 28.38x29 10-15 (gedwongen vanwege de damdreiging naar 4) 29.42-38(!), waarna zwart in feite al overspeeld was!
17…3-9 18.34-30 9-14 19.30-25 4-10
Zowel in de ‘stampartij’ Tsjizjow-Baljakin 1988 als in W. Aliar-Robbens, Suriname-Nederland 1993, lasten de zwartspelers eerst 19…17-22 in, alvorens op 20.37-31 (20.48-42?! 23-28!) met 20…4-10 21.40-34 10-15 (22.34-29 23x34 23.39x30 18-23) te vervolgen.
20.40-34 10-15 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zestien zwarte schijven op 2, 6 t/m 8, 11 t/m 15, 17 t/m 20, 23, 24 en 27;
zestien witte schijven op 25, 26, 33 t/m 39, 41, 43 t/m 45 en 47 t/m 49.]
21.34-29?
De klaverblad-opsluiting van de zwarte linker vleugel ziet er weliswaar verleidelijk uit maar zal onder de gegeven omstandigheden minder dan niets blijken op te leveren. Daarom geloof ik dat 21.48-42!? wits meest realistische optie was. Na het vrijwel gedwongen 21…24-29/30 22.33/35x24 20x40 23.45x34 is er dan een even principiële als aantrekkelijke stelling ontstaan met - om nogmaals Moser aan te halen - “kansen voor beiden”.
21…23x34 22.39x30 18-23!
En vooral niet “eerst” 22…17-22?, omdat zwart na 23.48-42! in verband met diverse kleine finesses nooit meer tot die cruciale zet 18-23 zou zijn gekomen. Bijvoorbeeld 23…11-17 24.45-40! 6-11 25.44-39!, waarna wit klaar staat om òf 26.37-31 dan wel 26.37-32 te spelen, òf zelfs 26.49-44 gevolgd door 33-28x28. (Ziedaar waarom zwart na 21.48-42 niet beter zou hebben gehad dan de 2x2-ruil 21…24-29/30.)
23.43-39
Met 37 dus al op 31 - en 17 uiteraard op 22 - deed Tsjizjow hier eerst 24.47-42; pas na 24…13-18 ging hij met 25.43-39 (25…11-17 26.41-37 7-11 27.44-40) verder. (Op die partij tegen Baljakin zal ik straks nog uitvoerig terugkomen.) In het al eerder genoemde interlandduel Aliar-Robbens zou al spoedig de beslissing vallen toen de zwartspeler (37 en 17 opnieuw op respectievelijk 31 en 22) na 24.43-39 11-17?! 25.41-37(!) nietsvermoedend 25…6-11? (aangewezen is 25…17-21 enz.) 26.37-32! 11-16 27.32x21 16x27 speelde. Want daarop haalde de lepe Aliar - aan wie ik overigens eeuwig dank verschuldigd ben voor de punten(delingen) die hij in het WK-toernooi van Hengelo 1972 zowel Koeperman als Andreiko(!) afhandig maakte - combinatief uit met 28.26-21!! 17x37 29.48-42 37x48 30.44-40 48x34 31.40x9 14x3 32.25x23 (32…3-9 33.30x19 9-13 34.19-14 +).
23…13-18 24.44-40 17-22
Pas nu zijn stand er rijp voor is, bezet Thijssen veld 22.
25.37-31 11-17 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 6 t/m 8, 12, 14, 15, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33, 35, 36, 38 t/m 41, 45 en 47 t/m 49.]
26.41-37 (zie diagram)
“Wit kampt met het levensgrote probleem dat 39-34? permanent verhinderd is door 23-29! +”, schreef ik in de (kranten)rubriek van zaterdag 6 mei. En in de oorspronkelijke versie (die ik later met het oog op de - te - beperkte ruimte weer danig moest inkorten) voegde ik er nog aan toe dat het “daardoor vrijwel ondoenlijk [is] een bevredigend plan te vinden.”
Ik wist toen nog niet wat ik nù weet, namelijk dat het slechts drie ply zijn (twee zetten van wit, één van zwart) die Van Dusseldorp-Thijssen 2006 scheiden van dat inmiddels meermalen genoemde duel Tsjizjow-Baljakin 1988. (Dat is overigens tegelijkertijd de enige partij waarmee Van Dusseldorp-Thijssen zinvol kan worden vergeleken!) Immers: na 26.47-42 7-11 27.41-37 (zie analyse-diagram) zouden we, alle zetverwisselingen ten spijt, alsnog middenin Tsjizjow-Baljakin gezeten hebben!

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 6, 8, 11, 12, 14, 15, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33, 35 t/m 40, 42, 45, 48 en 49.]
Vanuit die stand ging het, althans voor wat de eerstkomende tien zetten betreft, als volgt verder:
27…8-13 28.40-34 (28.37-32?? 24-29! +) 28…2-8 (vooral niet te snel 28…23-28? wegens 29.49-44!) 29.37-32 11-16 30.32x21 16x27 31.42-37 23-28 32.34-29 (koelbloedig verdedigd; zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 6, 8, 12 t/m 15, 17 t/m 20, 22, 24, 27 en 28;
veertien witte schijven op 25, 26, 29 t/m 31, 33, 35 t/m 39, 45, 48 en 49.]
32…17-21 33.26x17 22x11 34.31x22 18x27 35.33x31 24x42 36.31-26 42x31 37.26x37 19-23 met een licht doch ontoereikend positioneel overwicht voor zwart: na nog 13 zetten eindigde de partij in remise.
Nog twee opmerkingen over dit verloop. Ten eerste: in de stand van het laatste analyse-diagram deinst Baljakin, door 32…17-21 te spelen, begrijpelijkerwijs terug voor de consequenties van de afwikkeling 32…19-23 33.30x10 23x41 34.25x14 15x4 35.36x47 28x39 36.14-9 27x36 37.9-3. Dat laat zich hìerom goed begrijpen omdat het volstrekt onduidelijk is wat de peperdure witte dam (die liefst drie stukken heeft gekost!) precies waard was geweest. Weliswaar kan zwart met 37…18-23 de vijandelijke bewegingsvrijheid tot een minimum inperken (zo is 38.3-25? uitgeschakeld door de damvangst 22-28-32! +, terwijl 38.35-30? faalt op de combinatie 38…39-44! 39.49x40 17-21 40.26x19 13x44), maar na het - derhalve - gedwongen 38.48-42 is in hij in feite nog even ver van huis.
De tweede opmerking geldt zwarts 29ste zet. Baljakin speelde op dat moment 11-16x27 maar hàd ook heel goed voor het tijdelijke offer 29…22-28! 30.31x22 (30.32x21?? 28-32! en 31…23-29 +) 30…28x37 31.42x31 17x28 32.33x22 18x27 33.31x22 12-18 kunnen kiezen. Na 34.22-17 11x22 (35.38-32 22-28!; 35.26-21 8-12) had wit voor een even zware als ondankbare verdedigende taak gestaan…
Met andere woorden: zelfs als ik, tien weken geleden, wèl doordrongen was geweest van de onmiskenbare overeenkomst die er tussen Van Dusseldorp-Thijssen en Tsjizjow-Baljakin bestaat, had ik geen werkelijke, althans damtechnische reden gehad mijn pessimistische oordeel over de witte stand bij te stellen. Maar los daarvan (om voor de zoveelste maal een geliefde stijlfiguur te lenen van het recentelijk - ook tot mijn verdriet - ‘wegbeledigde’ Volkskrant-boegbeeld Jan Blokker): Thijssen hoeft zich na 26.47-42 helemaal geen reprise van Tsjizjow-Baljakin aan te laten leunen. Om te beginnen zou hij namelijk al 26…27-32 27.38x27 23-29 28.42-38 (28.42-37?? 29x38 29.37-32/48-43 18-23! +) 28…17-21 29.26x28 29-34 30.40x29 18-22 31.27x18 12x23 kunnen spelen. Maar waarschijnlijk doet zwart er nog verstandiger aan de schijven op het bord te houden en een opstelling met 26…8-13 27.41-37 en nu het centraliserende 27…6-11(!) (zie analyse-diagram) in te nemen.

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 7, 11 t/m 15, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33, 35 t/m 40, 42, 45, 48 en 49.]
Na 28.40-34 levert de 2x2-ruil 28…24-29! 29.33x24 20x40 30.45x34, onmiddellijk gevolgd door de manoeuvre 30…23-29! 31.34x23 19x28, hem dan een prachtige aanvalsstand op (Baljakins schijf 6 staat nu immers op veld 7), waarbij wit ook nog eens geplaagd wordt door de omstandigheid dat 32.38-33? verhinderd is door een damzetje naar 47 (32…28-32! enz. +).

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 6 t/m 8, 12, 14, 15, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33, 35 t/m 40, 45 en 47 t/m 49.]
26...27-32!!?
Anders dan een gemakzuchtige beschouwer zou kunnen menen (ik was bijna zèlf in die valkuil gelopen…), is het beslist niet zo dat uit het bovenstaande automatisch zou volgen dat zwart ook na een zet op de velden 11 of 13 prima spel had gehad. Immers: 26…8-13? zou onbedoeld de reactie 27.39-34! mogelijk maken. En zowel na 26…6-11 als na 26…7-11 is Van Dusseldorp, als gevolg van het open veld 13, ontslagen van de verplichting Tsjizjows (28.)40-34 aan 37-32 vooraf te laten gaan. Niet dat zwart na 26…6-11 27.37-32 11-16 28.32x21 16x27 nìet goed zou staan (merk op dat wit op een zet met schijf 47 op z’n minst bedacht dient te zijn op de tactische mogelijkheid 29…27-32!!? 30.38x27 23-29! enz.); maar de omstandigheid dat 34 nog op 40 staat, maakt dat er wel degelijk van een nieuwe situatie sprake is.
Hoe dan ook - met de 4x4-ruil-in-etappes waartoe de tekstzet de inleiding vormt, consolideert Thijssen zijn positionele overwicht, zonder dat hij zelf ook maar het geringste risico loopt. Er kleeft slechts één bezwaar aan de tekstzet, een bezwaar dat echter veeleer van academische dan van praktische waarde is. Wit zou namelijk het offer 27.37x28(!!) 23x34 28.40x29 kunnen brengen. Dat lijkt op het eerste gezicht misschien een onzinnige actie, maar wie de stand na 28.40x29 aan een nadere studie onderwerpt, komt al spoedig tot het inzicht dat wit voldoende compensatie voor de geofferde schijf heeft. Het staat althans vast dat zwart nìet meer gaat winnen wanneer hij zijn plusschijf niet heel tijdig teruggeeft. Als “bewijs” voor die - schijnbaar zo boude - bewering zou ik de volgende (lange) spelgang willen aandragen:
28…6-11 29.49-43 8-13 30.31-27 22x31 31.36x27 2-8 32.43-38 11-16 33.38-32 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 7, 8, 12 t/m 20 en 24;
elf witte schijven op 25 t/m 27, 29, 30, 32, 33, 35, 45, 47 en 48.]
33…17-22 (want na 33…17-21? 34.26x17 12x21 35.45-40 7-12 36.48-42! 12-17 37.42-37! zouden de beste kansen zelfs aan wit zijn!; waaraan ik - mogelijk ten overvloede - toevoeg dat het uitroepteken achter de opmars van 48 er staat omdat zwart na 36.47-42? 12-17! 37.42-37 21-26! 38.32-28 de doorbraak 38…19-23!! enz. had laten volgen) 34.45-40! 22x31 35.26x37 18-22 36.40-34! (vlecht de positionele dreiging 37/38.29-23 in de stand) 36…12-18 37.32-28! 7-12 38.28x17 12x21 39.37-31! 8-12 (wat anders?) 40.48-42! (om 40…21-26 41.31-27 12-17 te kunnen beantwoorden met 42.47-41!) 40…12-17 41.31-26! (nu pas) 41…21-27 42.42-38! 17-22 43.47-42 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 13 t/m 16, 18 t/m 20, 22, 24 en 27;
negen witte schijven op 25, 26, 29, 30, 33 t/m 35, 38 en 42.]
43…27-31! 44.26x37 22-28! 45.33x22 24x33 46.38x29 18x27 (na dit tegenoffer lijkt zwart alsnog aan het langste eind te trekken; maar wit beschikt nog juist over een verdedigende finesse:) 47.37-32!! 27x47 48.29-23 19x28 49.34-29 47x24 50.30x8, waarna zwart vanwege de dreiging 51.8-3 annex 35-30-24 zijn winstpogingen kan staken.
Het heeft er dus alle schijn van dat Van Dusseldorp - zuiver analytisch bezien - nog had kunnen ontsnappen. Maar tegelijkertijd hoeft het geen betoog dat een speler in de praktijk niet of nauwelijks aandacht aan een (bovendien nogal vage) offervariant zal schenken, zeker niet wanneer deze daar (nog) geen aanleiding voor ziet. In die praktische dan wel psychologische zin valt er op Thijssens 26ste zet dan ook geen werkelijke aanmerking te maken.
27.38x27?! 17-21 28.26x28 23x41 29.47-42 41-47!
Zwart levert opzettelijk een tempo in om het witte stuk op 42 uit zijn centrale positie te verdrijven.
30.42-37 47x29 31.40-34 29x40 32.45x34 8-13!
Een tweede positionele fijnheid binnen vier zetten. Na meteen 32…18-23(?) 33.39-33! (33…8-13 34.34-29 23x34 35.30x39) zou er nog maar weinig aan de hand zijn geweest. Maar door eerst het open veld 13 te sluiten, maakt Thijssen het mogelijk om op 33.39-33 via 33…24-29! 34.33x24 20x40 35.35x44 15-20! zeer groot, zoniet winnend voordeel naar zich toe te trekken!
33.48-42 18-23 (zie diagram)
Nu pas.

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 2, 6, 7, 12 t/m 15, 19, 20, 23 en 24;
elf witte schijven op 25, 27, 30, 31, 34 t/m 37, 39, 42 en 49.]
34.31-26(??)
In hevige tijdnood (zie ook de slotaantekening) begaat de witspeler een fout die hem zelfs op materiaalverlies komt te staan. Maar men hoeft er nauwelijks aan te twijfelen dat Thijssen ook na het gedwongen 34.39-33 24-29! en 36…15-20! zou hebben gewonnen.
De bedoeling van de tekstzet is 34…24-29(?) met 35.37-32! 29x40 36.35x44 te beantwoorden: 36…20-24?? is dan uitgeschakeld door 37.32-28!, 38.26x8, 39.25-20! en 40.8-3, zodat wit juist voldoende tijd heeft voor 37.44-40 en 38.40-35. Maar 34.31-26 zal hardhandig worden weerlegd:
34…13-18!
Zo slaat zwart twee vliegen in één klap: enerzijds maakt hij het slagje naar 8 onschadelijk, anderzijds wordt zelfs de mogelijkheid (35.)39-33 geëlimineerd. Daardoor heeft wit geen serieus verweer meer tegen de dreiging 35…24-29 en 37…20-24 +.
35.42-38
35.49-44, dat twee zetten terug ook al nauwelijks een bruikbare optie was, is inmiddels helemaal onspeelbaar wegens 35…24-29! 36.44-40 29-33! 37.39x28 23x41 38.36x47 18-22/23, waarna wit niets minder dan een strategisch fiasco te wachten had gestaan.
35…24-29!
Met schijfwinst of, ingeval van 36.30-24 29x40 37.24x22 40-45, doorbraak naar dam. Van Dusseldorp, die tot overmaat van ramp nog 15(!) zetten binnen slechts één enkele minuut moest doen, gaf zich dan ook terecht gewonnen.
C. van Dusseldorp-Thijssen
(NK 2006)
1.32-28 19-23 2.28x19 14x23 3.37-32 10-14 4.41-37 5-10 5.46-41 17-21
Tot december 1997 speelde Thijssen hier vrijwel zonder uitzondering 5…14-19. Het ging dan meestal verder met ofwel 6.35-30 20-25 7.33-29 10-14 8.40-35 23-28 9.32x23 19x28 (zie Thijssens partijen tegen onder anderen Bronstring, halve finales NK 1993, en Getmanski, Challenge Mondial 1997), ofwel 6.32-28 23x32 7.37x28 9-14 8.41-37 16-21 9.31-26 18-22 (onder meer Greveraars-Thijssen, halve finales NK 1997), òf - derde en laatste mogelijkheid - 6.34-29 23x34 7.39x30 10-14 8.44-39 17-21!? gevolgd door hetzij 9.31-26 21-27 10.32x21 16x27 (Passchier-Thijssen, Brunssum 1997), hetzij 9.32-27 21x32 10.37x28 16-21!? 11.41-37 21-26 (P. Lansbergen-Thijssen, Clubcompetitie 1992/1993).
Maar de laatste jaren geniet de tekstzet zijn overduidelijke voorkeur.
6.31-26 21-27 7.32x21 16x27 8.34-30
Tot heel ander spel leidt 8.35-30 20-25 (natuurlijk niet 8…14-19?? wegens 9.36-31!, 10.37-31, 11.33-28 en 12.30-24 +) 9.33-29/40-35, zoals Van Dusseldorp tegen Swizinski (Minsk 1999) en Wesselink (halve finales NK 2001) speelde. Het verschil tussen 8.35-30 en 8.34-30 schuilt hìerin dat wit in dit laatste geval na 8….20-25 niet verplicht is 9.40-34 te doen: hij kàn desgewenst ook 9.37-31 spelen (zie onder meer de wit-partijen van Tsjizjow tegen Virni en Hein Meijer uit respectievelijk het Sowjet-Russisch kampioenschap 1983 en de Olympiade 2000) of - zelfs - 9.37-32 25x34 10.32x21 (10…11-16*).
8…14-19 9.30-25 10-14 10.40-34 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 1 t/m 4, 6 t/m 9, 11 t/m 15, 18 t/m 20, 23 en 27;
achttien witte schijven op 25, 26, 33 t/m 39, 41 t/m 45 en 47 t/m 50.]
10…11-17
Dat we met een populaire openingsvariant van doen hebben, moge alleen al blijken uit het feit dat de positie na 10.40-34 zich in een kleine zeshonderd(!) partijen heeft voorgedaan. Al is het wellicht goed te preciseren dat de bedoelde stelling in meer dan de helft van al die gevallen langs een wezenlijk andere weg tot stand kwam, te weten 5…14-19 (in plaats dus van Thijssens 5…17-21) 6.35-30 10-14 (slaat de uitnodiging af) 7.30-25 17-21 8.31-26 (maar hier kan ook heel goed 8.32-28 23x32 9.37x28, reden waarom de door zwart gekozen volgorde-van-zetten als minder scherp te boek staat) 8…21-27 9.32x21 16x27 10.40-35.
In veel partijen nu begingen de zwartspelers de fout om zonder voorbereidende maatregelen 22 te bezetten (10…18-22) en het zojuist ontruimde veld 18 meteen weer op te vullen (11…12/13-18). Dat is hìerom fout - of op z’n minst niet aanbevelenswaardig - omdat na 11.44/45-40, 12.50-44/45 en 13.33-29! de standaardreactie 13…20-24?? 14.29x20 15x24 uitgeschakeld is (zelfs bij een voorafgaande opbouw met 11…12-18 en 12…7-12 zou wit middels 15.34-29!, 16.39x17 en 17/18.37-32 een schijf vóórkomen). Daardoor moet zwart er ernstig voor waken dat hij helemaal vastloopt, wat immers het geval zou zijn zodra wit (14.)39-33! en (15.)44-39! heeft weten dóór te zetten.
Maar door veld 22 - voorlopig althans - te mijden, gaat Thijssen dergelijke problemen wijselijk uit de weg.
11.44-40
Hier wordt - evenals op de 12de zet - ook wel meteen 11.33-29 gedaan, wat overigens in de meeste praktijkvoorbeelden slechts op zetverwisseling met 11.44-40 of 11.45-40 pleegt neer te komen. 11.37-31 daarentegen heeft wel degelijk zelfstandige betekenis, maar daar is dan ook meteen alles mee gezegd. Want in Gantwarg-Van der Wal (Valkenburg 1985), de enige partij waarin 11.37-31 is voorgekomen, zou de witspeler er na 11…6-11 12.31x22 18x27 13.44-40 13-18 14.50-44 9-13 15.33-29 4-9 16.41-37 18-22(!) 17.29x18 12x23 nìet in slagen de door hem beoogde omsingeling gestalte te geven, met alle desastreuze gevolgen van dien.
11…6-11
Harm Wiersma heeft, afgaande althans op de partijen die de oud-wereldkampioen in het toernooi van Brunssum 1993 en het WK-rapid 1999 tegen respectievelijk Abdoulaye Der en Koifman speelde, een uitgesproken voorkeur voor een opstelling met 11…20-24 (12.50-44 6-11).
12.50-44 1-6 13.33-29 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6 t/m 9, 11 t/m 15, 17 t/m 20, 23 en 27;
achttien witte schijven op 25, 26, 29, 34 t/m 45 en 47 t/m 49.]
13…20-24
Een heel ander idee is 13…18-22 14.29x18 12x23, zoals voor het eerst door Cees Varkevisser werd gespeeld in een partij tegen Schotanus (NK 1971), maar dat we bijvoorbeeld óók kennen van Thijssen(!)-J. Masselink (Nijmegen 1994) of een matchpartij Georgiew-Tsjizjow (maart 2003). Ontegenzeggelijk is 18-22x23 minder vrijblijvend dan 20-24x24. Maar of men de gedeplaceerde positie van schijf 6 werkelijk als een bezwaar ervaart, is bovenal een kwestie van persoonlijke smaak. En misschien valt er zelfs wel iets te zeggen voor de stelling (die je zo vaak in de openingsboekjes van wijlen J.F. Moser kon aantreffen) dat beide kleuren kansen (moeten) hebben. In elk geval vind ik het opmerkelijk dat Rob Clerc, die met wit aansprekende overwinningen boekte op Schotanus (KSH-toernooi 1975) en Westerhaar-speler René Schippers (Clubcompetitie 1991/1992), er in een partij tegen Gantwarg (WK 1990) evenmin voor terugdeinsde om dezelfde stand met zwart op het bord te brengen!
14.29x20 15x24 15.38-33
Om zwart - naar ik althans vermoed - zelfs geen gelegenheid te geven met 15…24-30 16.35x24 19x30 naar de rand te vluchten, doen sommige witspelers hier ook wel 15.34-30. Zie bijvoorbeeld de partijen van Baljakin tegen Koeperman (WK 1986) en Henk Kalk (Nijmegen 2005), het spannende duel Georgiew-Thijssen(!) uit het toernooi van Delft 2004, alsook de partij die ik in oktober 2001 voor de onderlinge competitie van ADG tegen Ton Bollebakker speelde en waarvan een (spectaculair) fragment is opgenomen in de jubileumuitgave Vijftig jaar Amersfoorts Damgenootschap, 1955 - 2005.
15…14-20!? 16.25x14 9x20 (zie diagram)
Met deze manoeuvre, voor het eerst op grootmeesterniveau toegepast in een partij Tsjizjow-Baljakin, Parijs 1988, probeert zwart tot elke prijs het initiatief vast te houden. Dat zou hem na 15…24-30 16.35x24 19x30 17.34-29 23x34 18.40x29 30-35 19.37-32 27x38 20.43x32 (met 44 op 50 en 6 nog op 1 onder meer voorgekomen in Sjtsjogoljew-Andreiko, Samarkand 1969; Valneris-Baljakin, Minsk 1986; én - opnieuw - een van de eerste matchpartijen tussen Georgiew en Tsjizjow) nooit meer zijn gelukt.

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6 t/m 8, 11 t/m 13, 17 t/m 20, 23, 24 en 27;
zeventien witte schijven op 26, 33 t/m 37, 39 t/m 45 en 47 t/m 49.]
Overigens zou men kunnen zeggen dat Thijssen nauwelijks keus had. De Nederlandse kampioen wordt namelijk al enige tijd getraind/begeleid door Anatoli Gantwarg, en het was uitgerekend Gantwarg die in zijn - in nauwe samenwerking met Alexander Baljakin geschreven - verhandeling 1.32-28 19-23 2.28x19 14x23; 12 systems (Minsk 1991) een warm pleidooi voor de tekstzet hield… (“Gantwarg’s idea is that the centre by no means can be conceded; it should be fought for even by weakening one’s long flank.”)
17.42-38
Gantwarg en Baljakin schenken in hun boekje niet alleen aandacht aan 17.42-38 - ook 17.34-30 en 17.34-29 23x34 18.39x30 worden in kort bestek onder de loep genomen. Dat het achterwege laten van (17.)42-38 bepaalde voordelen met zich mee kàn brengen, kwam aan het licht in de competitiepartij Krasnjanski-Zijlema van februari 2001. Daarin volgde namelijk 17.34-30 3-9 18.30-25 9-14 19.40-34 17-22 20.44-40 11-17 (met 37 op 31 en 11 al op 17 beveelt het Wit-Russische duo 21…23-28! aan; mocht die zet inderdaad bezwaarlijk zijn voor wit, dan is het wellicht een idee om - zoals gebeurde in de partij Woolschot-Zijlema, Gelders kampioenschap 2002 - de manoeuvre 20.34-29 en 21.39x30 aan 22/23.44-40 vooraf te laten gaan) 21.34-29 23x34 22.39x30 18-23 23.43-38! 6-11 24.40-34! 13-18 25.37-31 4-10 26.45-40! (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 7, 8, 10 t/m 12, 14, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33 t/m 36, 38, 40 t/m 42 en 47 t/m 49.]
26…8-13? (dan altijd nog liever hetzij 26…23-28, hetzij 26…10-15 27.33-29 24x33 28.38x29 27-32* met vooralsnog onduidelijke positie) 27.33-29! (met 42 op 43 heeft wit deze mogelijkheid vanzelfsprekend nìet, terwijl het in dat geval evenmin goed lukt tot een opstelling met 48-42 of 47-42 te komen) 27…24x33 28.38x29 10-15 (gedwongen vanwege de damdreiging naar 4) 29.42-38(!), waarna zwart in feite al overspeeld was!
17…3-9 18.34-30 9-14 19.30-25 4-10
Zowel in de ‘stampartij’ Tsjizjow-Baljakin 1988 als in W. Aliar-Robbens, Suriname-Nederland 1993, lasten de zwartspelers eerst 19…17-22 in, alvorens op 20.37-31 (20.48-42?! 23-28!) met 20…4-10 21.40-34 10-15 (22.34-29 23x34 23.39x30 18-23) te vervolgen.
20.40-34 10-15 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zestien zwarte schijven op 2, 6 t/m 8, 11 t/m 15, 17 t/m 20, 23, 24 en 27;
zestien witte schijven op 25, 26, 33 t/m 39, 41, 43 t/m 45 en 47 t/m 49.]
21.34-29?
De klaverblad-opsluiting van de zwarte linker vleugel ziet er weliswaar verleidelijk uit maar zal onder de gegeven omstandigheden minder dan niets blijken op te leveren. Daarom geloof ik dat 21.48-42!? wits meest realistische optie was. Na het vrijwel gedwongen 21…24-29/30 22.33/35x24 20x40 23.45x34 is er dan een even principiële als aantrekkelijke stelling ontstaan met - om nogmaals Moser aan te halen - “kansen voor beiden”.
21…23x34 22.39x30 18-23!
En vooral niet “eerst” 22…17-22?, omdat zwart na 23.48-42! in verband met diverse kleine finesses nooit meer tot die cruciale zet 18-23 zou zijn gekomen. Bijvoorbeeld 23…11-17 24.45-40! 6-11 25.44-39!, waarna wit klaar staat om òf 26.37-31 dan wel 26.37-32 te spelen, òf zelfs 26.49-44 gevolgd door 33-28x28. (Ziedaar waarom zwart na 21.48-42 niet beter zou hebben gehad dan de 2x2-ruil 21…24-29/30.)
23.43-39
Met 37 dus al op 31 - en 17 uiteraard op 22 - deed Tsjizjow hier eerst 24.47-42; pas na 24…13-18 ging hij met 25.43-39 (25…11-17 26.41-37 7-11 27.44-40) verder. (Op die partij tegen Baljakin zal ik straks nog uitvoerig terugkomen.) In het al eerder genoemde interlandduel Aliar-Robbens zou al spoedig de beslissing vallen toen de zwartspeler (37 en 17 opnieuw op respectievelijk 31 en 22) na 24.43-39 11-17?! 25.41-37(!) nietsvermoedend 25…6-11? (aangewezen is 25…17-21 enz.) 26.37-32! 11-16 27.32x21 16x27 speelde. Want daarop haalde de lepe Aliar - aan wie ik overigens eeuwig dank verschuldigd ben voor de punten(delingen) die hij in het WK-toernooi van Hengelo 1972 zowel Koeperman als Andreiko(!) afhandig maakte - combinatief uit met 28.26-21!! 17x37 29.48-42 37x48 30.44-40 48x34 31.40x9 14x3 32.25x23 (32…3-9 33.30x19 9-13 34.19-14 +).
23…13-18 24.44-40 17-22
Pas nu zijn stand er rijp voor is, bezet Thijssen veld 22.
25.37-31 11-17 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 6 t/m 8, 12, 14, 15, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33, 35, 36, 38 t/m 41, 45 en 47 t/m 49.]
26.41-37 (zie diagram)
“Wit kampt met het levensgrote probleem dat 39-34? permanent verhinderd is door 23-29! +”, schreef ik in de (kranten)rubriek van zaterdag 6 mei. En in de oorspronkelijke versie (die ik later met het oog op de - te - beperkte ruimte weer danig moest inkorten) voegde ik er nog aan toe dat het “daardoor vrijwel ondoenlijk [is] een bevredigend plan te vinden.”
Ik wist toen nog niet wat ik nù weet, namelijk dat het slechts drie ply zijn (twee zetten van wit, één van zwart) die Van Dusseldorp-Thijssen 2006 scheiden van dat inmiddels meermalen genoemde duel Tsjizjow-Baljakin 1988. (Dat is overigens tegelijkertijd de enige partij waarmee Van Dusseldorp-Thijssen zinvol kan worden vergeleken!) Immers: na 26.47-42 7-11 27.41-37 (zie analyse-diagram) zouden we, alle zetverwisselingen ten spijt, alsnog middenin Tsjizjow-Baljakin gezeten hebben!

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 6, 8, 11, 12, 14, 15, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33, 35 t/m 40, 42, 45, 48 en 49.]
Vanuit die stand ging het, althans voor wat de eerstkomende tien zetten betreft, als volgt verder:
27…8-13 28.40-34 (28.37-32?? 24-29! +) 28…2-8 (vooral niet te snel 28…23-28? wegens 29.49-44!) 29.37-32 11-16 30.32x21 16x27 31.42-37 23-28 32.34-29 (koelbloedig verdedigd; zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 6, 8, 12 t/m 15, 17 t/m 20, 22, 24, 27 en 28;
veertien witte schijven op 25, 26, 29 t/m 31, 33, 35 t/m 39, 45, 48 en 49.]
32…17-21 33.26x17 22x11 34.31x22 18x27 35.33x31 24x42 36.31-26 42x31 37.26x37 19-23 met een licht doch ontoereikend positioneel overwicht voor zwart: na nog 13 zetten eindigde de partij in remise.
Nog twee opmerkingen over dit verloop. Ten eerste: in de stand van het laatste analyse-diagram deinst Baljakin, door 32…17-21 te spelen, begrijpelijkerwijs terug voor de consequenties van de afwikkeling 32…19-23 33.30x10 23x41 34.25x14 15x4 35.36x47 28x39 36.14-9 27x36 37.9-3. Dat laat zich hìerom goed begrijpen omdat het volstrekt onduidelijk is wat de peperdure witte dam (die liefst drie stukken heeft gekost!) precies waard was geweest. Weliswaar kan zwart met 37…18-23 de vijandelijke bewegingsvrijheid tot een minimum inperken (zo is 38.3-25? uitgeschakeld door de damvangst 22-28-32! +, terwijl 38.35-30? faalt op de combinatie 38…39-44! 39.49x40 17-21 40.26x19 13x44), maar na het - derhalve - gedwongen 38.48-42 is in hij in feite nog even ver van huis.
De tweede opmerking geldt zwarts 29ste zet. Baljakin speelde op dat moment 11-16x27 maar hàd ook heel goed voor het tijdelijke offer 29…22-28! 30.31x22 (30.32x21?? 28-32! en 31…23-29 +) 30…28x37 31.42x31 17x28 32.33x22 18x27 33.31x22 12-18 kunnen kiezen. Na 34.22-17 11x22 (35.38-32 22-28!; 35.26-21 8-12) had wit voor een even zware als ondankbare verdedigende taak gestaan…
Met andere woorden: zelfs als ik, tien weken geleden, wèl doordrongen was geweest van de onmiskenbare overeenkomst die er tussen Van Dusseldorp-Thijssen en Tsjizjow-Baljakin bestaat, had ik geen werkelijke, althans damtechnische reden gehad mijn pessimistische oordeel over de witte stand bij te stellen. Maar los daarvan (om voor de zoveelste maal een geliefde stijlfiguur te lenen van het recentelijk - ook tot mijn verdriet - ‘wegbeledigde’ Volkskrant-boegbeeld Jan Blokker): Thijssen hoeft zich na 26.47-42 helemaal geen reprise van Tsjizjow-Baljakin aan te laten leunen. Om te beginnen zou hij namelijk al 26…27-32 27.38x27 23-29 28.42-38 (28.42-37?? 29x38 29.37-32/48-43 18-23! +) 28…17-21 29.26x28 29-34 30.40x29 18-22 31.27x18 12x23 kunnen spelen. Maar waarschijnlijk doet zwart er nog verstandiger aan de schijven op het bord te houden en een opstelling met 26…8-13 27.41-37 en nu het centraliserende 27…6-11(!) (zie analyse-diagram) in te nemen.

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 7, 11 t/m 15, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33, 35 t/m 40, 42, 45, 48 en 49.]
Na 28.40-34 levert de 2x2-ruil 28…24-29! 29.33x24 20x40 30.45x34, onmiddellijk gevolgd door de manoeuvre 30…23-29! 31.34x23 19x28, hem dan een prachtige aanvalsstand op (Baljakins schijf 6 staat nu immers op veld 7), waarbij wit ook nog eens geplaagd wordt door de omstandigheid dat 32.38-33? verhinderd is door een damzetje naar 47 (32…28-32! enz. +).

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 6 t/m 8, 12, 14, 15, 17 t/m 20, 22 t/m 24 en 27;
vijftien witte schijven op 25, 26, 30, 31, 33, 35 t/m 40, 45 en 47 t/m 49.]
26...27-32!!?
Anders dan een gemakzuchtige beschouwer zou kunnen menen (ik was bijna zèlf in die valkuil gelopen…), is het beslist niet zo dat uit het bovenstaande automatisch zou volgen dat zwart ook na een zet op de velden 11 of 13 prima spel had gehad. Immers: 26…8-13? zou onbedoeld de reactie 27.39-34! mogelijk maken. En zowel na 26…6-11 als na 26…7-11 is Van Dusseldorp, als gevolg van het open veld 13, ontslagen van de verplichting Tsjizjows (28.)40-34 aan 37-32 vooraf te laten gaan. Niet dat zwart na 26…6-11 27.37-32 11-16 28.32x21 16x27 nìet goed zou staan (merk op dat wit op een zet met schijf 47 op z’n minst bedacht dient te zijn op de tactische mogelijkheid 29…27-32!!? 30.38x27 23-29! enz.); maar de omstandigheid dat 34 nog op 40 staat, maakt dat er wel degelijk van een nieuwe situatie sprake is.
Hoe dan ook - met de 4x4-ruil-in-etappes waartoe de tekstzet de inleiding vormt, consolideert Thijssen zijn positionele overwicht, zonder dat hij zelf ook maar het geringste risico loopt. Er kleeft slechts één bezwaar aan de tekstzet, een bezwaar dat echter veeleer van academische dan van praktische waarde is. Wit zou namelijk het offer 27.37x28(!!) 23x34 28.40x29 kunnen brengen. Dat lijkt op het eerste gezicht misschien een onzinnige actie, maar wie de stand na 28.40x29 aan een nadere studie onderwerpt, komt al spoedig tot het inzicht dat wit voldoende compensatie voor de geofferde schijf heeft. Het staat althans vast dat zwart nìet meer gaat winnen wanneer hij zijn plusschijf niet heel tijdig teruggeeft. Als “bewijs” voor die - schijnbaar zo boude - bewering zou ik de volgende (lange) spelgang willen aandragen:
28…6-11 29.49-43 8-13 30.31-27 22x31 31.36x27 2-8 32.43-38 11-16 33.38-32 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 7, 8, 12 t/m 20 en 24;
elf witte schijven op 25 t/m 27, 29, 30, 32, 33, 35, 45, 47 en 48.]
33…17-22 (want na 33…17-21? 34.26x17 12x21 35.45-40 7-12 36.48-42! 12-17 37.42-37! zouden de beste kansen zelfs aan wit zijn!; waaraan ik - mogelijk ten overvloede - toevoeg dat het uitroepteken achter de opmars van 48 er staat omdat zwart na 36.47-42? 12-17! 37.42-37 21-26! 38.32-28 de doorbraak 38…19-23!! enz. had laten volgen) 34.45-40! 22x31 35.26x37 18-22 36.40-34! (vlecht de positionele dreiging 37/38.29-23 in de stand) 36…12-18 37.32-28! 7-12 38.28x17 12x21 39.37-31! 8-12 (wat anders?) 40.48-42! (om 40…21-26 41.31-27 12-17 te kunnen beantwoorden met 42.47-41!) 40…12-17 41.31-26! (nu pas) 41…21-27 42.42-38! 17-22 43.47-42 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 13 t/m 16, 18 t/m 20, 22, 24 en 27;
negen witte schijven op 25, 26, 29, 30, 33 t/m 35, 38 en 42.]
43…27-31! 44.26x37 22-28! 45.33x22 24x33 46.38x29 18x27 (na dit tegenoffer lijkt zwart alsnog aan het langste eind te trekken; maar wit beschikt nog juist over een verdedigende finesse:) 47.37-32!! 27x47 48.29-23 19x28 49.34-29 47x24 50.30x8, waarna zwart vanwege de dreiging 51.8-3 annex 35-30-24 zijn winstpogingen kan staken.
Het heeft er dus alle schijn van dat Van Dusseldorp - zuiver analytisch bezien - nog had kunnen ontsnappen. Maar tegelijkertijd hoeft het geen betoog dat een speler in de praktijk niet of nauwelijks aandacht aan een (bovendien nogal vage) offervariant zal schenken, zeker niet wanneer deze daar (nog) geen aanleiding voor ziet. In die praktische dan wel psychologische zin valt er op Thijssens 26ste zet dan ook geen werkelijke aanmerking te maken.
27.38x27?! 17-21 28.26x28 23x41 29.47-42 41-47!
Zwart levert opzettelijk een tempo in om het witte stuk op 42 uit zijn centrale positie te verdrijven.
30.42-37 47x29 31.40-34 29x40 32.45x34 8-13!
Een tweede positionele fijnheid binnen vier zetten. Na meteen 32…18-23(?) 33.39-33! (33…8-13 34.34-29 23x34 35.30x39) zou er nog maar weinig aan de hand zijn geweest. Maar door eerst het open veld 13 te sluiten, maakt Thijssen het mogelijk om op 33.39-33 via 33…24-29! 34.33x24 20x40 35.35x44 15-20! zeer groot, zoniet winnend voordeel naar zich toe te trekken!
33.48-42 18-23 (zie diagram)
Nu pas.

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 2, 6, 7, 12 t/m 15, 19, 20, 23 en 24;
elf witte schijven op 25, 27, 30, 31, 34 t/m 37, 39, 42 en 49.]
34.31-26(??)
In hevige tijdnood (zie ook de slotaantekening) begaat de witspeler een fout die hem zelfs op materiaalverlies komt te staan. Maar men hoeft er nauwelijks aan te twijfelen dat Thijssen ook na het gedwongen 34.39-33 24-29! en 36…15-20! zou hebben gewonnen.
De bedoeling van de tekstzet is 34…24-29(?) met 35.37-32! 29x40 36.35x44 te beantwoorden: 36…20-24?? is dan uitgeschakeld door 37.32-28!, 38.26x8, 39.25-20! en 40.8-3, zodat wit juist voldoende tijd heeft voor 37.44-40 en 38.40-35. Maar 34.31-26 zal hardhandig worden weerlegd:
34…13-18!
Zo slaat zwart twee vliegen in één klap: enerzijds maakt hij het slagje naar 8 onschadelijk, anderzijds wordt zelfs de mogelijkheid (35.)39-33 geëlimineerd. Daardoor heeft wit geen serieus verweer meer tegen de dreiging 35…24-29 en 37…20-24 +.
35.42-38
35.49-44, dat twee zetten terug ook al nauwelijks een bruikbare optie was, is inmiddels helemaal onspeelbaar wegens 35…24-29! 36.44-40 29-33! 37.39x28 23x41 38.36x47 18-22/23, waarna wit niets minder dan een strategisch fiasco te wachten had gestaan.
35…24-29!
Met schijfwinst of, ingeval van 36.30-24 29x40 37.24x22 40-45, doorbraak naar dam. Van Dusseldorp, die tot overmaat van ramp nog 15(!) zetten binnen slechts één enkele minuut moest doen, gaf zich dan ook terecht gewonnen.
Het is alweer ruim vijf weken geleden dat Kees Thijssen voor de
vierde achtereenvolgende maal het Nederlands kampioenschap op zijn
naam schreef. En het zou een understatement zijn te
stellen dat Thijssens toernooizege “verdiend” of
“overtuigend” was. Want de kloof van 3(!!) punten die
er in de eindstand gaapte tussen Thijssen en zijn achtervolgers (in
volgorde van aankomst: Heusdens, Scholma en Baljakin), laat - zeker
in combinatie met de wetenschap dat hij óók zijn enige
verliespartij naar alle waarschijnlijkheid zou hebben gewonnen
wanneer hij zich in het late middenspel niet vreselijk had vergist
- geen ruimte voor een andere conclusie dan dat Thijssens
suprematie ditmaal groter was dan ooit!
[Ter vergelijking: in 2003 bedroeg Thijssens voorsprong (op Heusdens) 1 punt, in 2004 zelfs nul punten (Baljakin en Clerc scoorden evenveel wedstrijdpunten als de toernooiwinnaar zelf), en vorig jaar sloot Thijssen het NK af met een voorsprong van 2 punten op het trio Hans Jansen/Gérard Jansen/Baljakin.]
Toch mocht die ontknoping van het in Culemborg gehouden titeltoernooi in zekere zin verrassend heten, daar er tot twee ronden voor het einde nog niets beslist was. Dat lag niet zozeer aan Thijssen zelf (al had hij in de achtste ronde - zoals gezegd - volkomen onnodig verloren van Heusdens), als wel aan het voortreffelijke optreden van Auke Scholma, die op dat moment eveneens op een prachtige score van 16 uit 11 kon bogen. Maar daarna ging het hard. In het topduel met zijn mede-koploper ondernam Scholma namelijk een onbesuisde winstpoging door een volle schijf te offeren in ruil voor (te) vage doorbraakkansen. Thijssen weerlegde het drieste aanvalsplan koelbloedig en was, na een tot op het bot afgekloven dammeneindspel, al zeker van titelprolongatie. Een nieuwe nederlaag van Scholma op de slotdag (tegen - alweer - Heusdens) kostte de Groninger vervolgens zelfs nog de ongedeelde tweede plaats.
In mijn wekelijkse rubriek in de Volkskrant heb ik de afgelopen maand vier van Thijssens (zeven) winstpartijen besproken. Diezelfde vier partijen, die stuk voor stuk om door een ringetje te halen zijn, zullen ook in de voor u liggende serie de revue passeren, ditmaal echter in een andere, want chronologische volgorde. Onnodig te zeggen - de aandachtige lezer was dat natuurlijk allang bij de ‘Koeperman-serie’ opgevallen - dat de analyses op dit weblog veel uitgebreider zijn (soms beslaan zij er zelfs een veelvoud van) dan de noodgedwongen summiere besprekingen in de zaterdagkrant.
Ik open het vierluik met het - mede vanuit openingstheoretisch oogpunt - interessante duel dat Thijssen in de eerste ronde met debutant Michiel Kloosterziel uitvocht.
Thijssen-Kloosterziel
(NK 2006)
1.32-28 17-22 2.28x17 11x22 3.37-32 12-17 4.31-26 6-11 5.36-31 8-12 6.32-27 16-21 7.27x16 22-28 8.33x22 18x36 9.41-37 19-23 10.37-32 14-19 11.32-27
Van dit schema, 25 jaar geleden door Harm Wiersma geïntroduceerd in de 14de partij van de tweekamp om het WK 1981, had Thijssen zich al eerder bediend in duels met Bert Zwart (Nijmegen 2003) en Gerrit Boom (NK 2004). Evenals Gantwarg in de stampartij hadden die toen een opstelling ingenomen met 11…10-14 (12.27-21) en op enig moment 13-18 en 9-13 enz.
Kloosterziel doet het anders:
11…12-18 12.27-21 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1 t/m 5, 7, 9 t/m 11, 13, 15, 17 t/m 20, 23 en 36;
zeventien witte schijven op 16, 21, 26, 34, 35, 38 t/m 40 en 42 t/m 50.]
12…7-12
De drastische tempowinst 12…18-22 13.21x12 7x18 14.16x7 1x12 staat kennelijk in een kwade reuk, afgaande althans op het feit dat deze aanvalsmanoeuvre slechts in twee partijen (waaronder Tsjizjow-Autar, WK-ploegen 1989) is voorgekomen. En toch: onder iets andere omstandigheden (verwisselde kleuren, 15x15- in plaats van 17x7-stand, beter ontwikkelde linker vleugel en 34 al op 30) deed ik er voortreffelijke ervaringen mee op in een blindpartij tegen Leo Nagels, Venlo 1993. Zie ook de Volkskrant van 4 september van dat jaar.
13.16x7 2x11 14.21-16 1-7
Een heel ander, zij het weinig populair idee is 14…1-6 15.16x7 12x1. Zie Sijbrands-Autar, WK 1990, en Kirzner-Clerc, Oekraïne-Nederland 1997.
De stelling daarentegen die met 14…1-7 op het bord is gekomen, heeft zich sinds Baljakin-B. Eggens en Tsjizjow-J. Okken (beide Groningen 1988) in een kleine dertig(!) partijen voorgedaan.
15.39-33 10-14 16.44-39 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zestien zwarte schijven op 3 t/m 5, 7, 11 t/m 15, 17 t/m 20, 23 en 36;
zestien witte schijven op 16, 26, 33 t/m 35, 38 t/m 40, 42, 43 en 45 t/m 50.]
16…5-10 17.46-41 20-25?!
Veel gebruikelijker is 16/17…20-24. En ook 16/17…17-22 en 17/18…11-17, zoals recentelijk nog in de belangrijke partij Getmanski-Valneris uit de slotfase van het WK 2005 gespeeld werd, komt sterk in aanmerking.
Toch is de tekstzet niet helemaal onbekend. Zo had Kloosterziel zelf al eens zo gespeeld tegen Erik Hogewoning, NK-junioren 2000. Toen had hij er na 18.41-37 15-20 19.50-44 10-15 20.38-32 23-28 21.32x23 18x38 22.43x32 13-18 23.32-27 17-22 24.27-21 11-17 juist aantrekkelijk spel mee verkregen. Maar Thijssen zal de bezwaren die aan de door zwart gekozen opstelling kleven, genadeloos blootleggen.
18.41-37 15-20 19.37-32!
Wit laat het vertragende 19.50-44(?) terecht achterwege.
19…10-15?
Door de allerlaatste gelegenheid voor 19…17-22(!) voorbij te laten gaan, roept Kloosterziel groot onheil over zich af:
20.33-28!! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zestien zwarte schijven op 3, 4, 7, 9, 11 t/m 15, 17 t/m 20, 23, 25 en 36;
zestien witte schijven op 16, 26, 28, 32, 34, 35, 38 t/m 40, 42, 43, 45 en 47 t/m 50.]
Vanaf dit moment tot aan het bittere einde op de 40ste zet zal het ‘verstopte’ stuk op 11 een nagel aan zwarts doodskist blijken.
20…4-10
Een opstelling met 20…20-24 21.39-33 14-20 was geenszins beter geweest; men zie: 22.42-37! (verhindert 22…3-8?? door 23.34-30! +) 22…9-14 23.34-29! (nu pas) 23…23x34 24.40x29 3-8 25.45-40! 4-10 26.40-34! 24-30 27.35x24 19x39 28.33x44!! (al is het waar dat wit na 28.43x34 13-19* strategisch evenzeer op winst zou staan) 28…13-19* 29.47-41! 36x47 30.29-24! 47x22 31.24x2 22-36 32.32-27 (of ook 32.37-31) 32…36x22 33.44-39 22x44 34.50x39 met winnende dam na 34…17-22 35.2-35 11-17 36.35-44 enz.
21.39-33 20-24 22.42-37 3-8
En hier zou 22…15-20? tot schijf- of partijverlies hebben geleid via 23.49-44! 3-8 24.44-39! 10-15 25.34-29! (alweer: nu pas) 25…23x34 26.40x29 +.
23.34-29!
Ongetwijfeld gespeeld om de vereenvoudigende mogelijkheid (23.43-39) 23…24-30 uit de stand te halen.
23…23x34 24.40x20 15x24 25.43-39 18-23 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 7 t/m 14, 17, 19, 23 t/m 25 en 36;
veertien witte schijven op 16, 26, 28, 32, 33, 35, 37 t/m 39, 45 en 47 t/m 50.]
26.45-40
Voor zover Thijssen al problemen kent, zijn het slechts luxe vraagstukken die hij voorgeschoteld krijgt. Want ook de uitval 26.28-22! 17x28 27.33x22 zag er buitengewoon sterk en veelbelovend uit. Zo ging het in een partij Clerc-Cordier, WK-rapid 2000, als volgt verder:
27…12-18 28.32-27! 7-12 29.16x7 12x1 30.26-21! 8-12 31.37-31! 24-29 32.39-34 29x40 33.35x44 23-29 34.31-26 19-23 35.21-16 1-6 36.38-32! (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 6, 9, 10, 12 t/m 14, 18, 23, 25, 29 en 36;
elf witte schijven op 16, 22, 26, 27, 32, 44, 45 en 47 t/m 50.]
36…14-19??! (versnelt het tòch al onafwendbare einde) 37.32-28! 23x21 38.26x8 18x27 39.8-3! en zwart gaf het op.
26…13-18 27.49-43 9-13 28.40-34! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 7, 8, 10 t/m 14, 17 t/m 19, 23 t/m 25 en 36;
veertien witte schijven op 16, 26, 28, 32 t/m 35, 37 t/m 39, 43, 47, 48 en 50.]
28…24-30
Absoluut gedwongen: na 28…10-15? (28…14-20?? 29.34-29! +) 29.34-30! 25x34 30.39x30 24-29 31.33x24 14-20 32.48-42 20x29 33.50-44/45 had zwart zelfs al materiaal moeten geven!
29.35x24 19x30 30.28x19 14x23 31.33-28! 10-15
Opnieuw de beste, zoniet de enige. Immers: op 31…13-19 was gevolgd 32.39-33! 30x39 33.43x34 10-14 34.48-43 8-13 en nu ofwel gewoon 35.43-39 23-29 36.33x24 19x30 37.32-27! (met na 37…13-19 een royale keuze tussen enerzijds 38.37-32 + en anderzijds 38.27-22 18x27 39.37-32), ofwel 35.34-30(!!) 25x34 36.33-29! 14-20 37.29x40, waarna zwart binnen hooguit twee zetten moet offeren.
32.28x19 13x24 33.38-33! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 7, 8, 11, 12, 15, 17, 18, 24, 25, 30 en 36;
elf witte schijven op 16, 26, 32 t/m 34, 37, 39, 43, 47, 48 en 50.]
Thijssen houdt vóór alles veld 29 onder controle, zodat zwart geen gelegenheid krijgt de randschijven op 15, 25 en 30 tot leven te wekken. Daarbij ervaart hij het feit dat schijf 11 nu wèl zou kunnen worden bevrijd middels 33…17-22, klaarblijkelijk niet als een onoverkomelijk bezwaar. En terecht: na 34.32-28! 11-17 (34…22-27? 35.43-38! 30-35 36.50-44! en altijd 37.37-32 +) 35.26-21! 17x26 36.28x17 12x21 37.16x27 kan wit, ondanks een achterstand-in-ontwikkeling van 18(!!) tempi, nog steeds op winnend voordeel bogen. Eén enkel voorbeeldje slechts:
37…18-23 38.48-42 7-12 39.50-44 12-18 40.43-38! 15-20* (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 8, 18, 20, 23 t/m 26, 30 en 36;
negen witte schijven op 27, 33, 34, 37 t/m 39, 42, 44 en 47.]
41.27-22! 18x27 42.33-29 24x33 43.38x18 26-31 (anders doet wit 44.42-38! enz. met een soort zevenvoudige oppositie) 44.37x26 27-32 45.44-40! 30-35 46.18-13! (of ook simpel 46.42-37 +) 46…35x33 47.13x2 36-41 48.47x36 32-38 49.42-37 en zwart kan het opgeven.
33…8-13
Behalve 33…17-22 (zie boven) was ook 33…18-23 nauwelijks beter geweest. Wel had wit dan een - niet zo gemakkelijke - keuze moeten maken tussen 34.33-28 15-20* 35.28x19 24x13 36.32-27 enz. en direct 34.32-27! gevolgd door 35.27-21. Merk overigens op dat in dit laatste geval de opstoot 23-28x28 volstrekt onverantwoord is, bijvoorbeeld 34…8-13 35.27-21 23-28? 36.33x22 17x28 37.43-38 11-17 38.38-33! 17-22 39.48-43! 15-20 (de enige zet die geen materiaal kost: 39…30-35?? 40.34-30! +; maar:) 40.50-45!? en zwart moet offeren.
34.32-28! 13-19 35.43-38! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 7, 11, 12, 15, 17 t/m 19, 24, 25, 30 en 36;
elf witte schijven op 16, 26, 28, 33, 34, 37 t/m 39, 47, 48 en 50.]
35…15-20
Omdat 35…19-23 36.28x19 24x13 sterk met 37.34-29 wordt beantwoord (bijvoorbeeld 37…30-35 38.50-44 17-22 39.37-32 13-19 40.32-28! 35-40 41.28x6! 40x49 42.26-21!! +), last Kloosterziel eerst 15-20 in, zodat hij op (38.)34-29 over de terugruil (38…)20-24 en (39…) 25x14 beschikt. Het zal niet meer mogen baten. Maar dat wil nog niet zeggen dat 35…18-23 beter was geweest, want ook in dat geval zou wit na 36.38-32 12-18 37.48-43! 7-12 38.16x7 12x1 39.43-38! (zie analyse-diagram) aan het langste eind hebben getrokken.

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 1, 15, 17 t/m 19, 23 t/m 25, 30 en 36;
tien witte schijven op 26, 28, 32 t/m 34, 37 t/m 39, 47 en 50.]
Ter illustratie geef ik een lange maar - naar mijn smaak althans - des te aantrekkelijker spelgang:
39…1-6 (het schijnoffer 39…17-21 40.26x17 18-22, op zich een even geestige als opmerkelijke echo van de wending uit de aantekening bij zwarts 31ste zet, helpt niet wegens 41.50-44! 22x11 42.28-22, altijd gevolgd door 43.47-42! +) 40.50-44 (wit kan schijf 50 ook laten staan; maar waarom eenvoudig winnen als het ook mooi kan?) 40…6-11 41.28-22 17x28 42.33x13 19x8 43.38-33! 11-17 44.32-27 8-12 45.37-32 12-18 46.27-21 17-22 (want het dubbeloffer 46…18-22 47.21x12 22-28 48.33x22 24-29 faalt hardhandig op 49.44-40 30-35 50.12-8! 35x33 51.8-3! 29x40 52.22-18 23x12 53.3x35 +; en 46…15-20 verliest, evenals op de vorige zet, helemaal kansloos) 47.21-16! (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
acht zwarte schijven op 15, 18, 22 t/m 25, 30 en 36;
acht witte schijven op 16, 26, 32 t/m 34, 39, 44 en 47.]
47…22-28 (nog het beste: na eerst 47…15-20 48.16-11 en dan pas 48…22-28 49.33x13 24-29 wint 50.44-40 30-35 51.11-7 en 52.7-1 wel heel ruim door overmacht) 48.33x13 24-29 49.32-27! 29x49 50.39-33! (het nauwkeurigst) 50…49x21 51.26x17 30-35 52.13-8 35-40 53.8-3 40-44 54.17-11! 25-30 (54…44-49 55.3-12 +) 55.11-7! 44-49 (ook het 4x4-eindspel na 55…30-35 56.7-1 44-50 gaat wit, dankzij het rijke bezit van drie dammen, onherroepelijk winnen, zelfs wanneer zwart de lange diagonaal zou bezetten) 56.7-2! (maar vooral niet 56.7-1? wegens 36-41-46! =) 56…30-35 (op 56…30-34 beslist de kleine maar charmante combinatie 57.33-28!!, 58.3-20 en 59.2x27! +) 57.2-7! (nu pas) 57…15-20 (wat anders?) 58.7x15 35-40 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
twee zwarte schijven op 36 en 40 en een zwarte dam op 49;
drie witte schijven op 16, 33 en 47 en twee witte dammen op 3 en 15.]
59.47-41!! 36x47 60.3-21!! (met als primaire bedoeling 60…47x29 61.15x38! en 62.21x35 +; toch is zwart nog niet helemaal uitgepraat:) 60…47x24/20(!) 61.15x45 en er is een 3x1-motief ontstaan waarin de zwarte dam te allen tijde wordt uitgevangen, hetzij via 61…49-35 62.21-8! 35x2 63.45-7 +, hetzij na 61…49-44 62.45-50! enz.
36.37-32! 19-23 37.28x19 24x13 38.34-29! 20-24 39.29x20 25x14 40.32-28! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 7, 11 t/m 14, 17, 18, 30 en 36;
negen witte schijven op 16, 26, 28, 33, 38, 39, 47, 48 en 50.]
Zwart is positioneel overspeeld. Na nog 40…30-35 41.50-44 13-19 42.28-23 19x28 43.33x13 12-18 44.13x22 17x28 45.26-21 gaf Kloosterziel zich gewonnen.
[Ter vergelijking: in 2003 bedroeg Thijssens voorsprong (op Heusdens) 1 punt, in 2004 zelfs nul punten (Baljakin en Clerc scoorden evenveel wedstrijdpunten als de toernooiwinnaar zelf), en vorig jaar sloot Thijssen het NK af met een voorsprong van 2 punten op het trio Hans Jansen/Gérard Jansen/Baljakin.]
Toch mocht die ontknoping van het in Culemborg gehouden titeltoernooi in zekere zin verrassend heten, daar er tot twee ronden voor het einde nog niets beslist was. Dat lag niet zozeer aan Thijssen zelf (al had hij in de achtste ronde - zoals gezegd - volkomen onnodig verloren van Heusdens), als wel aan het voortreffelijke optreden van Auke Scholma, die op dat moment eveneens op een prachtige score van 16 uit 11 kon bogen. Maar daarna ging het hard. In het topduel met zijn mede-koploper ondernam Scholma namelijk een onbesuisde winstpoging door een volle schijf te offeren in ruil voor (te) vage doorbraakkansen. Thijssen weerlegde het drieste aanvalsplan koelbloedig en was, na een tot op het bot afgekloven dammeneindspel, al zeker van titelprolongatie. Een nieuwe nederlaag van Scholma op de slotdag (tegen - alweer - Heusdens) kostte de Groninger vervolgens zelfs nog de ongedeelde tweede plaats.
In mijn wekelijkse rubriek in de Volkskrant heb ik de afgelopen maand vier van Thijssens (zeven) winstpartijen besproken. Diezelfde vier partijen, die stuk voor stuk om door een ringetje te halen zijn, zullen ook in de voor u liggende serie de revue passeren, ditmaal echter in een andere, want chronologische volgorde. Onnodig te zeggen - de aandachtige lezer was dat natuurlijk allang bij de ‘Koeperman-serie’ opgevallen - dat de analyses op dit weblog veel uitgebreider zijn (soms beslaan zij er zelfs een veelvoud van) dan de noodgedwongen summiere besprekingen in de zaterdagkrant.
Ik open het vierluik met het - mede vanuit openingstheoretisch oogpunt - interessante duel dat Thijssen in de eerste ronde met debutant Michiel Kloosterziel uitvocht.
Thijssen-Kloosterziel
(NK 2006)
1.32-28 17-22 2.28x17 11x22 3.37-32 12-17 4.31-26 6-11 5.36-31 8-12 6.32-27 16-21 7.27x16 22-28 8.33x22 18x36 9.41-37 19-23 10.37-32 14-19 11.32-27
Van dit schema, 25 jaar geleden door Harm Wiersma geïntroduceerd in de 14de partij van de tweekamp om het WK 1981, had Thijssen zich al eerder bediend in duels met Bert Zwart (Nijmegen 2003) en Gerrit Boom (NK 2004). Evenals Gantwarg in de stampartij hadden die toen een opstelling ingenomen met 11…10-14 (12.27-21) en op enig moment 13-18 en 9-13 enz.
Kloosterziel doet het anders:
11…12-18 12.27-21 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1 t/m 5, 7, 9 t/m 11, 13, 15, 17 t/m 20, 23 en 36;
zeventien witte schijven op 16, 21, 26, 34, 35, 38 t/m 40 en 42 t/m 50.]
12…7-12
De drastische tempowinst 12…18-22 13.21x12 7x18 14.16x7 1x12 staat kennelijk in een kwade reuk, afgaande althans op het feit dat deze aanvalsmanoeuvre slechts in twee partijen (waaronder Tsjizjow-Autar, WK-ploegen 1989) is voorgekomen. En toch: onder iets andere omstandigheden (verwisselde kleuren, 15x15- in plaats van 17x7-stand, beter ontwikkelde linker vleugel en 34 al op 30) deed ik er voortreffelijke ervaringen mee op in een blindpartij tegen Leo Nagels, Venlo 1993. Zie ook de Volkskrant van 4 september van dat jaar.
13.16x7 2x11 14.21-16 1-7
Een heel ander, zij het weinig populair idee is 14…1-6 15.16x7 12x1. Zie Sijbrands-Autar, WK 1990, en Kirzner-Clerc, Oekraïne-Nederland 1997.
De stelling daarentegen die met 14…1-7 op het bord is gekomen, heeft zich sinds Baljakin-B. Eggens en Tsjizjow-J. Okken (beide Groningen 1988) in een kleine dertig(!) partijen voorgedaan.
15.39-33 10-14 16.44-39 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zestien zwarte schijven op 3 t/m 5, 7, 11 t/m 15, 17 t/m 20, 23 en 36;
zestien witte schijven op 16, 26, 33 t/m 35, 38 t/m 40, 42, 43 en 45 t/m 50.]
16…5-10 17.46-41 20-25?!
Veel gebruikelijker is 16/17…20-24. En ook 16/17…17-22 en 17/18…11-17, zoals recentelijk nog in de belangrijke partij Getmanski-Valneris uit de slotfase van het WK 2005 gespeeld werd, komt sterk in aanmerking.
Toch is de tekstzet niet helemaal onbekend. Zo had Kloosterziel zelf al eens zo gespeeld tegen Erik Hogewoning, NK-junioren 2000. Toen had hij er na 18.41-37 15-20 19.50-44 10-15 20.38-32 23-28 21.32x23 18x38 22.43x32 13-18 23.32-27 17-22 24.27-21 11-17 juist aantrekkelijk spel mee verkregen. Maar Thijssen zal de bezwaren die aan de door zwart gekozen opstelling kleven, genadeloos blootleggen.
18.41-37 15-20 19.37-32!
Wit laat het vertragende 19.50-44(?) terecht achterwege.
19…10-15?
Door de allerlaatste gelegenheid voor 19…17-22(!) voorbij te laten gaan, roept Kloosterziel groot onheil over zich af:
20.33-28!! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zestien zwarte schijven op 3, 4, 7, 9, 11 t/m 15, 17 t/m 20, 23, 25 en 36;
zestien witte schijven op 16, 26, 28, 32, 34, 35, 38 t/m 40, 42, 43, 45 en 47 t/m 50.]
Vanaf dit moment tot aan het bittere einde op de 40ste zet zal het ‘verstopte’ stuk op 11 een nagel aan zwarts doodskist blijken.
20…4-10
Een opstelling met 20…20-24 21.39-33 14-20 was geenszins beter geweest; men zie: 22.42-37! (verhindert 22…3-8?? door 23.34-30! +) 22…9-14 23.34-29! (nu pas) 23…23x34 24.40x29 3-8 25.45-40! 4-10 26.40-34! 24-30 27.35x24 19x39 28.33x44!! (al is het waar dat wit na 28.43x34 13-19* strategisch evenzeer op winst zou staan) 28…13-19* 29.47-41! 36x47 30.29-24! 47x22 31.24x2 22-36 32.32-27 (of ook 32.37-31) 32…36x22 33.44-39 22x44 34.50x39 met winnende dam na 34…17-22 35.2-35 11-17 36.35-44 enz.
21.39-33 20-24 22.42-37 3-8
En hier zou 22…15-20? tot schijf- of partijverlies hebben geleid via 23.49-44! 3-8 24.44-39! 10-15 25.34-29! (alweer: nu pas) 25…23x34 26.40x29 +.
23.34-29!
Ongetwijfeld gespeeld om de vereenvoudigende mogelijkheid (23.43-39) 23…24-30 uit de stand te halen.
23…23x34 24.40x20 15x24 25.43-39 18-23 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 7 t/m 14, 17, 19, 23 t/m 25 en 36;
veertien witte schijven op 16, 26, 28, 32, 33, 35, 37 t/m 39, 45 en 47 t/m 50.]
26.45-40
Voor zover Thijssen al problemen kent, zijn het slechts luxe vraagstukken die hij voorgeschoteld krijgt. Want ook de uitval 26.28-22! 17x28 27.33x22 zag er buitengewoon sterk en veelbelovend uit. Zo ging het in een partij Clerc-Cordier, WK-rapid 2000, als volgt verder:
27…12-18 28.32-27! 7-12 29.16x7 12x1 30.26-21! 8-12 31.37-31! 24-29 32.39-34 29x40 33.35x44 23-29 34.31-26 19-23 35.21-16 1-6 36.38-32! (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 6, 9, 10, 12 t/m 14, 18, 23, 25, 29 en 36;
elf witte schijven op 16, 22, 26, 27, 32, 44, 45 en 47 t/m 50.]
36…14-19??! (versnelt het tòch al onafwendbare einde) 37.32-28! 23x21 38.26x8 18x27 39.8-3! en zwart gaf het op.
26…13-18 27.49-43 9-13 28.40-34! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 7, 8, 10 t/m 14, 17 t/m 19, 23 t/m 25 en 36;
veertien witte schijven op 16, 26, 28, 32 t/m 35, 37 t/m 39, 43, 47, 48 en 50.]
28…24-30
Absoluut gedwongen: na 28…10-15? (28…14-20?? 29.34-29! +) 29.34-30! 25x34 30.39x30 24-29 31.33x24 14-20 32.48-42 20x29 33.50-44/45 had zwart zelfs al materiaal moeten geven!
29.35x24 19x30 30.28x19 14x23 31.33-28! 10-15
Opnieuw de beste, zoniet de enige. Immers: op 31…13-19 was gevolgd 32.39-33! 30x39 33.43x34 10-14 34.48-43 8-13 en nu ofwel gewoon 35.43-39 23-29 36.33x24 19x30 37.32-27! (met na 37…13-19 een royale keuze tussen enerzijds 38.37-32 + en anderzijds 38.27-22 18x27 39.37-32), ofwel 35.34-30(!!) 25x34 36.33-29! 14-20 37.29x40, waarna zwart binnen hooguit twee zetten moet offeren.
32.28x19 13x24 33.38-33! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 7, 8, 11, 12, 15, 17, 18, 24, 25, 30 en 36;
elf witte schijven op 16, 26, 32 t/m 34, 37, 39, 43, 47, 48 en 50.]
Thijssen houdt vóór alles veld 29 onder controle, zodat zwart geen gelegenheid krijgt de randschijven op 15, 25 en 30 tot leven te wekken. Daarbij ervaart hij het feit dat schijf 11 nu wèl zou kunnen worden bevrijd middels 33…17-22, klaarblijkelijk niet als een onoverkomelijk bezwaar. En terecht: na 34.32-28! 11-17 (34…22-27? 35.43-38! 30-35 36.50-44! en altijd 37.37-32 +) 35.26-21! 17x26 36.28x17 12x21 37.16x27 kan wit, ondanks een achterstand-in-ontwikkeling van 18(!!) tempi, nog steeds op winnend voordeel bogen. Eén enkel voorbeeldje slechts:
37…18-23 38.48-42 7-12 39.50-44 12-18 40.43-38! 15-20* (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 8, 18, 20, 23 t/m 26, 30 en 36;
negen witte schijven op 27, 33, 34, 37 t/m 39, 42, 44 en 47.]
41.27-22! 18x27 42.33-29 24x33 43.38x18 26-31 (anders doet wit 44.42-38! enz. met een soort zevenvoudige oppositie) 44.37x26 27-32 45.44-40! 30-35 46.18-13! (of ook simpel 46.42-37 +) 46…35x33 47.13x2 36-41 48.47x36 32-38 49.42-37 en zwart kan het opgeven.
33…8-13
Behalve 33…17-22 (zie boven) was ook 33…18-23 nauwelijks beter geweest. Wel had wit dan een - niet zo gemakkelijke - keuze moeten maken tussen 34.33-28 15-20* 35.28x19 24x13 36.32-27 enz. en direct 34.32-27! gevolgd door 35.27-21. Merk overigens op dat in dit laatste geval de opstoot 23-28x28 volstrekt onverantwoord is, bijvoorbeeld 34…8-13 35.27-21 23-28? 36.33x22 17x28 37.43-38 11-17 38.38-33! 17-22 39.48-43! 15-20 (de enige zet die geen materiaal kost: 39…30-35?? 40.34-30! +; maar:) 40.50-45!? en zwart moet offeren.
34.32-28! 13-19 35.43-38! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 7, 11, 12, 15, 17 t/m 19, 24, 25, 30 en 36;
elf witte schijven op 16, 26, 28, 33, 34, 37 t/m 39, 47, 48 en 50.]
35…15-20
Omdat 35…19-23 36.28x19 24x13 sterk met 37.34-29 wordt beantwoord (bijvoorbeeld 37…30-35 38.50-44 17-22 39.37-32 13-19 40.32-28! 35-40 41.28x6! 40x49 42.26-21!! +), last Kloosterziel eerst 15-20 in, zodat hij op (38.)34-29 over de terugruil (38…)20-24 en (39…) 25x14 beschikt. Het zal niet meer mogen baten. Maar dat wil nog niet zeggen dat 35…18-23 beter was geweest, want ook in dat geval zou wit na 36.38-32 12-18 37.48-43! 7-12 38.16x7 12x1 39.43-38! (zie analyse-diagram) aan het langste eind hebben getrokken.

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 1, 15, 17 t/m 19, 23 t/m 25, 30 en 36;
tien witte schijven op 26, 28, 32 t/m 34, 37 t/m 39, 47 en 50.]
Ter illustratie geef ik een lange maar - naar mijn smaak althans - des te aantrekkelijker spelgang:
39…1-6 (het schijnoffer 39…17-21 40.26x17 18-22, op zich een even geestige als opmerkelijke echo van de wending uit de aantekening bij zwarts 31ste zet, helpt niet wegens 41.50-44! 22x11 42.28-22, altijd gevolgd door 43.47-42! +) 40.50-44 (wit kan schijf 50 ook laten staan; maar waarom eenvoudig winnen als het ook mooi kan?) 40…6-11 41.28-22 17x28 42.33x13 19x8 43.38-33! 11-17 44.32-27 8-12 45.37-32 12-18 46.27-21 17-22 (want het dubbeloffer 46…18-22 47.21x12 22-28 48.33x22 24-29 faalt hardhandig op 49.44-40 30-35 50.12-8! 35x33 51.8-3! 29x40 52.22-18 23x12 53.3x35 +; en 46…15-20 verliest, evenals op de vorige zet, helemaal kansloos) 47.21-16! (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
acht zwarte schijven op 15, 18, 22 t/m 25, 30 en 36;
acht witte schijven op 16, 26, 32 t/m 34, 39, 44 en 47.]
47…22-28 (nog het beste: na eerst 47…15-20 48.16-11 en dan pas 48…22-28 49.33x13 24-29 wint 50.44-40 30-35 51.11-7 en 52.7-1 wel heel ruim door overmacht) 48.33x13 24-29 49.32-27! 29x49 50.39-33! (het nauwkeurigst) 50…49x21 51.26x17 30-35 52.13-8 35-40 53.8-3 40-44 54.17-11! 25-30 (54…44-49 55.3-12 +) 55.11-7! 44-49 (ook het 4x4-eindspel na 55…30-35 56.7-1 44-50 gaat wit, dankzij het rijke bezit van drie dammen, onherroepelijk winnen, zelfs wanneer zwart de lange diagonaal zou bezetten) 56.7-2! (maar vooral niet 56.7-1? wegens 36-41-46! =) 56…30-35 (op 56…30-34 beslist de kleine maar charmante combinatie 57.33-28!!, 58.3-20 en 59.2x27! +) 57.2-7! (nu pas) 57…15-20 (wat anders?) 58.7x15 35-40 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
twee zwarte schijven op 36 en 40 en een zwarte dam op 49;
drie witte schijven op 16, 33 en 47 en twee witte dammen op 3 en 15.]
59.47-41!! 36x47 60.3-21!! (met als primaire bedoeling 60…47x29 61.15x38! en 62.21x35 +; toch is zwart nog niet helemaal uitgepraat:) 60…47x24/20(!) 61.15x45 en er is een 3x1-motief ontstaan waarin de zwarte dam te allen tijde wordt uitgevangen, hetzij via 61…49-35 62.21-8! 35x2 63.45-7 +, hetzij na 61…49-44 62.45-50! enz.
36.37-32! 19-23 37.28x19 24x13 38.34-29! 20-24 39.29x20 25x14 40.32-28! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 7, 11 t/m 14, 17, 18, 30 en 36;
negen witte schijven op 16, 26, 28, 33, 38, 39, 47, 48 en 50.]
Zwart is positioneel overspeeld. Na nog 40…30-35 41.50-44 13-19 42.28-23 19x28 43.33x13 12-18 44.13x22 17x28 45.26-21 gaf Kloosterziel zich gewonnen.
Haarscherp openingsnieuwtje Koeperman in matchpartij tegen Van Dijk (slot)
woensdag 3 mei 2006 14:04
Met het door Koeperman gespeelde 18.22-17 komt een einde aan het
even spannende als fascinerende speltype dat sinds wits 11de en
zwarts 12de zet op het bord prijkte. Het kan de lezer moeilijk zijn
ontgaan dat ik er vele alinea’s aan gewijd heb, zoveel zelfs
dat hij wellicht de (niet onjuiste) indruk zal hebben gekregen dat
ik de 10de matchpartij Koeperman-Van Dijk 1959 bovenal heb
aangegrepen om eens flink uit te kunnen pakken over een thema dat
mij aan het hart gebakken zit. Voor dìegenen echter wier
nieuwsgierigheid desondanks nog niet bevredigd is, heb ik nog twee
afsluitende opmerkingen.
De eerste daarvan heeft betrekking op de door Koeperman en Van Dijk gekozen openingsvariant. Inderdaad blijkt het speltype van de wederzijdse kerkhofbezetting in de praktijk het vaakst uit de symmetrisch (of op z’n minst similair) tegengespeelde Hollandse Opening voort te vloeien. Maar dat is, zoals de lezer impliciet al uit het commentaar bij Koepermans 11.28-22 kon opmaken, niet de enige openingsvariant die tot het bedoelde speltype kan leiden. Zo zal de ijverige student die met behulp van Turbo Dambase naar soortgelijke praktijkvoorbeelden speurt, óók op partijen stuiten die met de 1.31-26 19-23-opening (zie Keller-Roozenburg 1943) van start gaan, of met de openingsvariant uit de hierboven eveneens genoemde partij Gordijn-J. Jurg 1950. Waarbij zich - in beide gevallen! - bovendien nog allerlei kleine wijzigingen kunnen voordoen. Zo kende de partij Varkevisser-Wiersma uit de slotronde van het NK 1975 in principe dezelfde openingsvariant als Gordijn-Jurg; maar doordat de spelers niet met 1.32/33-28 18-23 2.38-32/33 maar met 1.32-28 20-24 2.37-32 18-23 3.41-37 13-18 waren begonnen, stond Gordijns schijf 46 bij Varkevisser op veld 47! Voorts is de wending 8…17-21 (9.26x17), 9…11x33 (10.39x28), 10…23-29 (11.34x23) en 11…18x29 die in Keller-Roozenburg uit de 1.31-26 19-23-opening voortsproot, natuurlijk evenzeer mogelijk vanuit de 1.31-26 18-23-opening (schijf 1 of 2 komt dan op veld 5 terecht). En tot slot is het goed te bedenken dat vrijwel alle van de openingsvarianten die hier zijn aangestipt, niet zelden ook met verwisselde kleuren vóórkomen! In dit verband noem ik slechts de partijen Slaby-W. de Jong, Brinta-toernooi 1963/1964 (1.32-28 18-23 2.38-32 12-18 3.43-38 20-24 4.49-43 8-12 5.31-27 2-8 6.36-31 15-20 7.41-36 17-22 8.28x17 11x22 9.33-28 22x33 10.39x28 23-29 11.34x23 18x29 12.28-22), en Bronstring-Scholma uit het NK 1984 (1.33-28 20-25 2.39-33 15-20 3.44-39 10-15 4.31-27 5-10 5.50-44 20-24 6.37-31 15-20 7.41-37 10-15 8.46-41 18-23 9.34-30 25x34 10.40x18 12x23 11.28-22 17x28 12.33x22 23-29).
Met mijn tweede en (aller)laatste opmerking wil ik op een interessante paradox wijzen. De drie (extra) partijen die ik in het commentaar bij Koepermans 15.46-41 de revue liet passeren (Sijbrands-Wielaard 1971, Woolschot-Van Marle 1996 en Neven-Abramsone 2001), alsook de (analytische) mogelijkheden die ik in de aantekening bij Van Dijks 16de zet aangaf, tonen onomstotelijk aan dat het in dit speltype draait om het al dan niet doorzetten van 32-28 en 37-32 enz. of 19-23 en 14-19 enz. Heeft een van beiden het centrum vanuit de linker vleugel weten te veroveren, dan is de symmetrische stellingsstructuur definitief doorbroken (en bevindt - zoals gezegd - dìe speler die als het ware achter het net heeft gevist, zich in zeer grote moeilijkheden). Dat wil zeggen: de symmetrie is slechts dan voorgoed van de baan wanneer de wederzijdse kerkhofbezetting uit een symmetrische openingsvariant is voortgevloeid. Maar het wordt een heel andere zaak wanneer er juist een a-symmetrische openingsvariant als in Gordijn-Jurg of Varkevisser-Wiersma aan vooraf is gegaan. Want in dat geval kan er, op voorwaarde tenminste dat het de speler met de ‘zwaarste’ linker vleugel (Jurg, Wiersma) vergund wordt 32-28 dan wel 19-23 te doen en de ander het centrum vanuit de rechter vleugel bezet (33-28 dan wel 18-23), wel degelijk een symmetrische situatie ontstaan! En wie dan de beste kansen krijgt, is vooralsnog een open, en in elk geval buitengewoon boeiende vraag…
Terug nu weer naar het werkelijke verloop van Koeperman-Van Dijk.
18…11x22??
Het kan niet anders of deze rampzalige beslissing moet zijn ingegeven door de veronderstelling dat het tactische vervolg 18…12x21(!) 19.26x17 11x22 20.27x18 13x22 21.35-30? 24x44 22.33x2 44-49 23.2-35 (zie analyse-diagram) gunstig voor wit zou zijn.

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 1, 3, 4, 6, 9, 14 t/m 16, 20, 22 en 25 en een zwarte dam op 49;
elf witte schijven op 31, 32, 37, 38, 41 t/m 43, 45, 47, 48 en 50 en een witte dam op 35.]
Van Dijk hoefde deze afwikkeling evenwel geenszins te vrezen. Zo kan zwart - om te beginnen - al goed 23…14-19! 24.35x27 en nu eerst 24…49-35!! spelen. Wit moet dan wel berusten in een afspel waarin hij slechts twee schijven voor een dam heeft (bijvoorbeeld 25.32-28 9-13 26.27x9 3x14! 27.31-27 35-2! enz.), want de - wederzijdse - damvangst 25.45-40(?) 35x49 26.32-28 9-13 27.27x9 4x13 28.31-27 49-35 29.50-44 35x49 30.38-32 49x32 31.32x43 is uiteraard volstrekt onspeelbaar: na 31…25-30 32.43-39 20-25 zou zwart zelfs geheel kosteloos doorbreken naar dam!
Maar ook de volgende, grotendeels van Kaplan afkomstige variant lijkt eerder voordelig voor zwart dan voor wit:
23…9-13 24.35x2 49-35 25.45-40 35x49 26.2-35 3-8 27.35x2 49-35 (hier komt 27…22-28 28.32x23 1-7 29.2x11 6x17! 30.31-27 16-21! 31.27x16 49-40 eveneens in aanmerking -TS) 28.50-44 35x49 29.2-35 (een buitengewoon geestig steekspel van offers en tegenoffers; zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 1, 4, 6, 14 t/m 16, 20, 22 en 25 en een zwarte dam op 49;
negen witte schijven op 31, 32, 37, 38, 41 t/m 43, 47 en 48 en een witte dam op 35.]
29…22-27!! (Kaplan laat zwart hier met 29…1-7 30.35-13 49-35! 31.13x27 7-12! en 32…12-18 + vervolgen maar moet hebben overzien - het zij hem overigens vergeven - dat wit in plaats van 30.35-13? ook 30.35-2!! kan spelen) 30.32x21 (want 30.31x22 1-7!! 31.35-13/8 20-24! 32.13/8x35 14-19 33.35x11 6x28 34.32x23 49-40 35.23-19 40-35 36.19-14 15-20 zou zwart weer een dam-voor-twee-stukken opleveren) 30…16x36 31.37-32 14-19 32.35x8 49-35 33.8-12/17 en er is een macro-eindspel ontstaan waarin wit het meeste gevaar lijkt te lopen.
19.27x7 1x12
Eigenlijk is hiermee de beslissing al gevallen: zwart heeft domweg ‘geen stand’ meer. Maar de wijze waarop Koeperman het karwei afmaakt, is een lust voor het oog:
20.31-27 12-18 21.32-28 8-12 22.37-32 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 3, 4, 6, 9, 12 t/m 16, 18 t/m 20, 24, 25 en 29;
vijftien witte schijven op 26 t/m 28, 32, 33, 35, 38, 40 t/m 43, 45, 47, 48 en 50.]
22…25-30
Op 22…18-23 geeft Kaplan als mogelijk vervolg 23.42-37! 12-18 24.27-21! 16x27 25.32x21 23x32 26.37x28 18-23 (gedwongen vanwege de dreiging 27.28-23 +) 27.28-22 met beslissende aanval tegen de zwarte rechter vleugel.
23.43-39 20-25 24.41-37
Koeperman stelt zich op het standpunt dat de (opsluitings)manoeuvre 40-34x34 tòch niet wegloopt, en ziet derhalve geen reden waarom hij zich zou overhaasten. Inderdaad mag zwart niet met 24…30-34? 25.39x30 25x34 reageren wegens 26.35-30! 24x44 27.50x30 18-23 (wat anders?) 28.33x24 14-20 29.27-22! 20x29 30.30-24! 29x20 31.22-18 13x33 32.38x7 + (Kaplan).
24…18-23 25.28-22!
En nu is 25…30-34? 26.39x30 25x34 verhinderd door simpel 27.33-28! en altijd 28/29.38-33 +. Merk op dat zelfs in deze klassiek opgezette partij een - zij het bescheiden - rol is weggelegd voor Koepermans favoriete basisschijf 47!
25…6-11 26.33-28 11-17 27.22x11 16x7 28.26-21 13-18 29.21-17 12x21 30.27x16 9-13
Op direct 30…3-8 had wit desgewenst naar een gewonnen eindspel kunnen combineren met 31.38-33(!) 29x27 32.37-32! (efficiënter nog dan het door Kaplan aangegeven 32.37-31 en 39-33-29) 32…27x38 33.42x33 23x32 34.33-29 24x44 35.35x11 44x35 36.11-7, waarna de twee dammen spoedig de beslissing brengen.
31.28-22 18x27 32.32x21 3-8 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 4, 7, 8, 13 t/m 15, 19, 23 t/m 25, 29 en 30;
twaalf witte schijven op 16, 21, 35, 37 t/m 40, 42, 45, 47, 48 en 50.]
33.21-17
Dit is wel heel ‘relaxed’ gespeeld: ik stel mij voor dat er plannen te bedenken moeten zijn waarbij wit (veel) eerder naar dam doorbreekt. Maar het is waar dat de door Koeperman gekozen methode in het geheel niets bederft.
33…8-12 34.17x8 13x2 35.37-31 4-9 36.31-27 9-13 37.40-34! 29x40 38.45x34!
Het heeft erg lang geduurd, maar eindelijk gaat wit dan toch tot de opsluiting van zwarts linker vleugel over.
38…2-8 39.27-21 8-12 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 7, 12 t/m 15, 19, 23 t/m 25 en 30;
tien witte schijven op 16, 21, 34, 35, 38, 39, 42, 47, 48 en 50.]
40.21-17 12x21 41.16x27
Alweer geldt dat Koeperman zich geen moment overhaast. En waarom zou hij ook: ondanks het feit dat het verschil-in-ontwikkeling inmiddels tot 13(!) tempi ten gunste van zwart is opgelopen, blijft wit huizenhoog gewonnen staan!
41…13-18 42.38-33!
Naar alle waarschijnlijkheid was ook 42.48-43 7-12 43.34-29 24x44 44.35x22 gewonnen geweest. Maar in het 5x3-eindspel dat in dat geval zou zijn ontstaan (44…23-29!? 45.50x39 29-34 46.39x30 25x34 47.27-21 34-40 48.22-17 12-18 49.17-11 40-45 enz.), heeft wit veel meer praktische problemen op te lossen dan na de positionele methode waarvoor Koeperman met de tekstzet kiest.
42…7-12 43.42-38! 15-20
Meteen 43…23-29 44.34x23 18x29 had geen wezenlijk verschil gemaakt na 45.33-28! 30-34 46.39x30 25x34 47.48-43! Bijvoorbeeld 47…15-20 48.27-21 20-25 49.21-16 12-17 50.38-32 14-20 51.32-27 29-33 (alleen zo komt zwart nog tot enig tegenspel) 52.28x30 25x34 53.27-21! 17x26 54.16-11 (met dank andermaal aan schijf 47!) 54…24-29 55.11-7 29-33 56.35-30! 34x25 57.7-1 en na 58.43-39 33x44 59.50x39 kan zwart het opgeven.
44.48-43! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 12, 14, 18 t/m 20, 23 t/m 25 en 30;
negen witte schijven op 27, 33 t/m 35, 38, 39, 43, 47 en 50.]
44…23-29 45.34x23 18x29 46.27-21!
Fraai gespeeld! Omdat 46…19-23 verliest door 47.21-17! 12x21 48.33-28 23x32 49.38x16 (bijvoorbeeld 49…14-19 50.16-11 30-34 51.39x30 25x34 52.11-7 29-33 53.43-38! 33x42 54.47x38 +), kan zwart, die geen andere optie meer heeft dan 46…30-34 te spelen, niet verhinderen dat wit alsnog tot dat ijzersterke (48.)33-28 komt.
46…30-34 47.39x30 25x34 48.33-28!
Zo legt Koeperman zes van de zeven vijandelijke schijven aan banden.
48…20-25 49.47-42(!)
Met 49.21-16/38-32 enz. kon wit weer aansturen op de spelgang uit de aantekening bij Van Dijks 43ste zet. Maar Koeperman laat zien dat voor het profylactische 47-42-37-32 eveneens veel te zeggen valt:
49…12-18 50.42-37(!) 25-30 51.21-16 14-20 52.16-11 20-25 53.37-32(!) 18-23 (zie diagram)

[In cijfers:
zeven zwarte schijven op 19, 23 t/m 25, 29, 30 en 34;
zeven witte schijven op 11, 28, 32, 35, 38, 43 en 50.]
54.43-39(!) 34x43 55.38x49
Gedurende de eerste achttien zetten was het een echte partij (en wàt voor één!), daarna kon Van Dijk nog slechts de rol van aangever vervullen in een door Koeperman geregisseerde show. Aan de totstandkoming van wat ik een heus kunststukje zou willen noemen, bleef Van Dijk zelfs in de even karakteristieke als esthetisch verantwoorde stand na 55.38x49 zijn bijdrage leveren. Hoe? Door het precies op het juiste moment - niet te vroeg, maar vooral ook niet te laat - op te geven!
De eerste daarvan heeft betrekking op de door Koeperman en Van Dijk gekozen openingsvariant. Inderdaad blijkt het speltype van de wederzijdse kerkhofbezetting in de praktijk het vaakst uit de symmetrisch (of op z’n minst similair) tegengespeelde Hollandse Opening voort te vloeien. Maar dat is, zoals de lezer impliciet al uit het commentaar bij Koepermans 11.28-22 kon opmaken, niet de enige openingsvariant die tot het bedoelde speltype kan leiden. Zo zal de ijverige student die met behulp van Turbo Dambase naar soortgelijke praktijkvoorbeelden speurt, óók op partijen stuiten die met de 1.31-26 19-23-opening (zie Keller-Roozenburg 1943) van start gaan, of met de openingsvariant uit de hierboven eveneens genoemde partij Gordijn-J. Jurg 1950. Waarbij zich - in beide gevallen! - bovendien nog allerlei kleine wijzigingen kunnen voordoen. Zo kende de partij Varkevisser-Wiersma uit de slotronde van het NK 1975 in principe dezelfde openingsvariant als Gordijn-Jurg; maar doordat de spelers niet met 1.32/33-28 18-23 2.38-32/33 maar met 1.32-28 20-24 2.37-32 18-23 3.41-37 13-18 waren begonnen, stond Gordijns schijf 46 bij Varkevisser op veld 47! Voorts is de wending 8…17-21 (9.26x17), 9…11x33 (10.39x28), 10…23-29 (11.34x23) en 11…18x29 die in Keller-Roozenburg uit de 1.31-26 19-23-opening voortsproot, natuurlijk evenzeer mogelijk vanuit de 1.31-26 18-23-opening (schijf 1 of 2 komt dan op veld 5 terecht). En tot slot is het goed te bedenken dat vrijwel alle van de openingsvarianten die hier zijn aangestipt, niet zelden ook met verwisselde kleuren vóórkomen! In dit verband noem ik slechts de partijen Slaby-W. de Jong, Brinta-toernooi 1963/1964 (1.32-28 18-23 2.38-32 12-18 3.43-38 20-24 4.49-43 8-12 5.31-27 2-8 6.36-31 15-20 7.41-36 17-22 8.28x17 11x22 9.33-28 22x33 10.39x28 23-29 11.34x23 18x29 12.28-22), en Bronstring-Scholma uit het NK 1984 (1.33-28 20-25 2.39-33 15-20 3.44-39 10-15 4.31-27 5-10 5.50-44 20-24 6.37-31 15-20 7.41-37 10-15 8.46-41 18-23 9.34-30 25x34 10.40x18 12x23 11.28-22 17x28 12.33x22 23-29).
Met mijn tweede en (aller)laatste opmerking wil ik op een interessante paradox wijzen. De drie (extra) partijen die ik in het commentaar bij Koepermans 15.46-41 de revue liet passeren (Sijbrands-Wielaard 1971, Woolschot-Van Marle 1996 en Neven-Abramsone 2001), alsook de (analytische) mogelijkheden die ik in de aantekening bij Van Dijks 16de zet aangaf, tonen onomstotelijk aan dat het in dit speltype draait om het al dan niet doorzetten van 32-28 en 37-32 enz. of 19-23 en 14-19 enz. Heeft een van beiden het centrum vanuit de linker vleugel weten te veroveren, dan is de symmetrische stellingsstructuur definitief doorbroken (en bevindt - zoals gezegd - dìe speler die als het ware achter het net heeft gevist, zich in zeer grote moeilijkheden). Dat wil zeggen: de symmetrie is slechts dan voorgoed van de baan wanneer de wederzijdse kerkhofbezetting uit een symmetrische openingsvariant is voortgevloeid. Maar het wordt een heel andere zaak wanneer er juist een a-symmetrische openingsvariant als in Gordijn-Jurg of Varkevisser-Wiersma aan vooraf is gegaan. Want in dat geval kan er, op voorwaarde tenminste dat het de speler met de ‘zwaarste’ linker vleugel (Jurg, Wiersma) vergund wordt 32-28 dan wel 19-23 te doen en de ander het centrum vanuit de rechter vleugel bezet (33-28 dan wel 18-23), wel degelijk een symmetrische situatie ontstaan! En wie dan de beste kansen krijgt, is vooralsnog een open, en in elk geval buitengewoon boeiende vraag…
Terug nu weer naar het werkelijke verloop van Koeperman-Van Dijk.
18…11x22??
Het kan niet anders of deze rampzalige beslissing moet zijn ingegeven door de veronderstelling dat het tactische vervolg 18…12x21(!) 19.26x17 11x22 20.27x18 13x22 21.35-30? 24x44 22.33x2 44-49 23.2-35 (zie analyse-diagram) gunstig voor wit zou zijn.

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 1, 3, 4, 6, 9, 14 t/m 16, 20, 22 en 25 en een zwarte dam op 49;
elf witte schijven op 31, 32, 37, 38, 41 t/m 43, 45, 47, 48 en 50 en een witte dam op 35.]
Van Dijk hoefde deze afwikkeling evenwel geenszins te vrezen. Zo kan zwart - om te beginnen - al goed 23…14-19! 24.35x27 en nu eerst 24…49-35!! spelen. Wit moet dan wel berusten in een afspel waarin hij slechts twee schijven voor een dam heeft (bijvoorbeeld 25.32-28 9-13 26.27x9 3x14! 27.31-27 35-2! enz.), want de - wederzijdse - damvangst 25.45-40(?) 35x49 26.32-28 9-13 27.27x9 4x13 28.31-27 49-35 29.50-44 35x49 30.38-32 49x32 31.32x43 is uiteraard volstrekt onspeelbaar: na 31…25-30 32.43-39 20-25 zou zwart zelfs geheel kosteloos doorbreken naar dam!
Maar ook de volgende, grotendeels van Kaplan afkomstige variant lijkt eerder voordelig voor zwart dan voor wit:
23…9-13 24.35x2 49-35 25.45-40 35x49 26.2-35 3-8 27.35x2 49-35 (hier komt 27…22-28 28.32x23 1-7 29.2x11 6x17! 30.31-27 16-21! 31.27x16 49-40 eveneens in aanmerking -TS) 28.50-44 35x49 29.2-35 (een buitengewoon geestig steekspel van offers en tegenoffers; zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 1, 4, 6, 14 t/m 16, 20, 22 en 25 en een zwarte dam op 49;
negen witte schijven op 31, 32, 37, 38, 41 t/m 43, 47 en 48 en een witte dam op 35.]
29…22-27!! (Kaplan laat zwart hier met 29…1-7 30.35-13 49-35! 31.13x27 7-12! en 32…12-18 + vervolgen maar moet hebben overzien - het zij hem overigens vergeven - dat wit in plaats van 30.35-13? ook 30.35-2!! kan spelen) 30.32x21 (want 30.31x22 1-7!! 31.35-13/8 20-24! 32.13/8x35 14-19 33.35x11 6x28 34.32x23 49-40 35.23-19 40-35 36.19-14 15-20 zou zwart weer een dam-voor-twee-stukken opleveren) 30…16x36 31.37-32 14-19 32.35x8 49-35 33.8-12/17 en er is een macro-eindspel ontstaan waarin wit het meeste gevaar lijkt te lopen.
19.27x7 1x12
Eigenlijk is hiermee de beslissing al gevallen: zwart heeft domweg ‘geen stand’ meer. Maar de wijze waarop Koeperman het karwei afmaakt, is een lust voor het oog:
20.31-27 12-18 21.32-28 8-12 22.37-32 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 3, 4, 6, 9, 12 t/m 16, 18 t/m 20, 24, 25 en 29;
vijftien witte schijven op 26 t/m 28, 32, 33, 35, 38, 40 t/m 43, 45, 47, 48 en 50.]
22…25-30
Op 22…18-23 geeft Kaplan als mogelijk vervolg 23.42-37! 12-18 24.27-21! 16x27 25.32x21 23x32 26.37x28 18-23 (gedwongen vanwege de dreiging 27.28-23 +) 27.28-22 met beslissende aanval tegen de zwarte rechter vleugel.
23.43-39 20-25 24.41-37
Koeperman stelt zich op het standpunt dat de (opsluitings)manoeuvre 40-34x34 tòch niet wegloopt, en ziet derhalve geen reden waarom hij zich zou overhaasten. Inderdaad mag zwart niet met 24…30-34? 25.39x30 25x34 reageren wegens 26.35-30! 24x44 27.50x30 18-23 (wat anders?) 28.33x24 14-20 29.27-22! 20x29 30.30-24! 29x20 31.22-18 13x33 32.38x7 + (Kaplan).
24…18-23 25.28-22!
En nu is 25…30-34? 26.39x30 25x34 verhinderd door simpel 27.33-28! en altijd 28/29.38-33 +. Merk op dat zelfs in deze klassiek opgezette partij een - zij het bescheiden - rol is weggelegd voor Koepermans favoriete basisschijf 47!
25…6-11 26.33-28 11-17 27.22x11 16x7 28.26-21 13-18 29.21-17 12x21 30.27x16 9-13
Op direct 30…3-8 had wit desgewenst naar een gewonnen eindspel kunnen combineren met 31.38-33(!) 29x27 32.37-32! (efficiënter nog dan het door Kaplan aangegeven 32.37-31 en 39-33-29) 32…27x38 33.42x33 23x32 34.33-29 24x44 35.35x11 44x35 36.11-7, waarna de twee dammen spoedig de beslissing brengen.
31.28-22 18x27 32.32x21 3-8 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 4, 7, 8, 13 t/m 15, 19, 23 t/m 25, 29 en 30;
twaalf witte schijven op 16, 21, 35, 37 t/m 40, 42, 45, 47, 48 en 50.]
33.21-17
Dit is wel heel ‘relaxed’ gespeeld: ik stel mij voor dat er plannen te bedenken moeten zijn waarbij wit (veel) eerder naar dam doorbreekt. Maar het is waar dat de door Koeperman gekozen methode in het geheel niets bederft.
33…8-12 34.17x8 13x2 35.37-31 4-9 36.31-27 9-13 37.40-34! 29x40 38.45x34!
Het heeft erg lang geduurd, maar eindelijk gaat wit dan toch tot de opsluiting van zwarts linker vleugel over.
38…2-8 39.27-21 8-12 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 7, 12 t/m 15, 19, 23 t/m 25 en 30;
tien witte schijven op 16, 21, 34, 35, 38, 39, 42, 47, 48 en 50.]
40.21-17 12x21 41.16x27
Alweer geldt dat Koeperman zich geen moment overhaast. En waarom zou hij ook: ondanks het feit dat het verschil-in-ontwikkeling inmiddels tot 13(!) tempi ten gunste van zwart is opgelopen, blijft wit huizenhoog gewonnen staan!
41…13-18 42.38-33!
Naar alle waarschijnlijkheid was ook 42.48-43 7-12 43.34-29 24x44 44.35x22 gewonnen geweest. Maar in het 5x3-eindspel dat in dat geval zou zijn ontstaan (44…23-29!? 45.50x39 29-34 46.39x30 25x34 47.27-21 34-40 48.22-17 12-18 49.17-11 40-45 enz.), heeft wit veel meer praktische problemen op te lossen dan na de positionele methode waarvoor Koeperman met de tekstzet kiest.
42…7-12 43.42-38! 15-20
Meteen 43…23-29 44.34x23 18x29 had geen wezenlijk verschil gemaakt na 45.33-28! 30-34 46.39x30 25x34 47.48-43! Bijvoorbeeld 47…15-20 48.27-21 20-25 49.21-16 12-17 50.38-32 14-20 51.32-27 29-33 (alleen zo komt zwart nog tot enig tegenspel) 52.28x30 25x34 53.27-21! 17x26 54.16-11 (met dank andermaal aan schijf 47!) 54…24-29 55.11-7 29-33 56.35-30! 34x25 57.7-1 en na 58.43-39 33x44 59.50x39 kan zwart het opgeven.
44.48-43! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 12, 14, 18 t/m 20, 23 t/m 25 en 30;
negen witte schijven op 27, 33 t/m 35, 38, 39, 43, 47 en 50.]
44…23-29 45.34x23 18x29 46.27-21!
Fraai gespeeld! Omdat 46…19-23 verliest door 47.21-17! 12x21 48.33-28 23x32 49.38x16 (bijvoorbeeld 49…14-19 50.16-11 30-34 51.39x30 25x34 52.11-7 29-33 53.43-38! 33x42 54.47x38 +), kan zwart, die geen andere optie meer heeft dan 46…30-34 te spelen, niet verhinderen dat wit alsnog tot dat ijzersterke (48.)33-28 komt.
46…30-34 47.39x30 25x34 48.33-28!
Zo legt Koeperman zes van de zeven vijandelijke schijven aan banden.
48…20-25 49.47-42(!)
Met 49.21-16/38-32 enz. kon wit weer aansturen op de spelgang uit de aantekening bij Van Dijks 43ste zet. Maar Koeperman laat zien dat voor het profylactische 47-42-37-32 eveneens veel te zeggen valt:
49…12-18 50.42-37(!) 25-30 51.21-16 14-20 52.16-11 20-25 53.37-32(!) 18-23 (zie diagram)

[In cijfers:
zeven zwarte schijven op 19, 23 t/m 25, 29, 30 en 34;
zeven witte schijven op 11, 28, 32, 35, 38, 43 en 50.]
54.43-39(!) 34x43 55.38x49
Gedurende de eerste achttien zetten was het een echte partij (en wàt voor één!), daarna kon Van Dijk nog slechts de rol van aangever vervullen in een door Koeperman geregisseerde show. Aan de totstandkoming van wat ik een heus kunststukje zou willen noemen, bleef Van Dijk zelfs in de even karakteristieke als esthetisch verantwoorde stand na 55.38x49 zijn bijdrage leveren. Hoe? Door het precies op het juiste moment - niet te vroeg, maar vooral ook niet te laat - op te geven!
Haarscherp openingsnieuwtje Koeperman in matchpartij tegen Van Dijk (deel 3)
woensdag 3 mei 2006 13:52
Terug nu weer naar de ‘stampartij’ Koeperman-Van Dijk
1959. Daarin had de witspeler als laatste zet 15.46-41 gedaan,
welke voortzetting - zoals gezegd - hìerom afgekeurd dient te
worden omdat hij nu veel moeilijker tot 32-28 en 37-32 komt.
15…20-25 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1, 3, 4, 6, 8 t/m 16, 19, 24, 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 27, 31 t/m 33, 35 t/m 38, 40 t/m 43, 45, 47, 48 en 50.]
16.31-26?
Men behoeft geen groot kenner van de (openings)theorie te zijn om desondanks te begrijpen - of op z’n minst aan te voelen - dat deze zet niet door de beugel kan, en wel omdat zwart nu de kans geboden wordt zèlf vanuit de linker vleugel het centrum te bezetten (16…19-23!). Daar het echter ook voor 16.32-28(?) 12-17! nog te vroeg was (bijvoorbeeld 17.31-26 8-12! met de buitengewoon vervelende dreiging 18…3-8! +), had Koeperman - evenals op de vorige zet - beter eerst 16.50-44 kunnen spelen. Via 16…15-20 (16…14-20 heeft geen zelfstandige betekenis, omdat zwart na 17.44-39 tòch niet 17…9-14? kan doen wegens 18.32-28! 12-17 19.22-18!! 13x22 20.27x18 met winnend voordeel voor wit na de verplichte afruil van 18) 17.44-39 10-15 18.32-28! (nu pas) 18…12-17! (zie analyse-diagram) had er dan een stelling kunnen ontstaan die zich ruim 43 jaar later - zij het met schijf 1 op veld 2 - daadwerkelijk zou voordoen in dat al meermalen genoemde blindduel Sijbrands-Van Marle 2002. (Daarin was het na 13…23-29 verder gegaan met 14.45-40 7-12 15.39-33 20-25 16.44-39 15-20 17.50-45 10-15 enz.)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1, 3, 4, 6, 8, 9, 11, 13 t/m 17, 19, 20, 24, 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 27, 28, 31, 33, 35 t/m 43, 45, 47 en 48.]
In de stand van het analyse-diagram nu opteert wit het beste voor 19.22-18(!) 13x22 20.27x18 8-13 21.28-23(!). Het is waar dat die speelwijze allerlei vereenvoudigingen met zich mee brengt. Maar als er na zo’n kaalslag-variant als 21…19x28 22.33x22 17x28 23.38-32 13x22 24.32x34 24-29 25.34x23 25-30 26.35x24 20x18 al iemand beter staat, dan is het wit, nìet zwart. En dat is een essentieel verschil met het partijverloop, waarin eveneens een (zeer) grote ruil plaatsvond maar het initiatief juist op de zwartspeler overging! Er volgde namelijk:
19.31-26?
De aanzet tot een stoutmoedig plannetje dat ik achter de hand had gehouden voor het geval dat Van Marle (wat mij niet zo heel erg waarschijnlijk leek…) noch 13…24-29 (14.35-30! 8-12?), noch - even later - 15/17…12-18? (16/18.32-28!) zou spelen. Mijn bedoeling was namelijk om op 19…8-12 te vervolgen met 20.37-32(!!) 19-23 21.28x10! 17x46 22.40-34! (of misschien ook 22.36-31) 22…29x40* 23.35x44 46x5 24.33-28 5x21 25.26x30 25x34 26.39x30. En als zwart om die reden eerst veld 10 sluit (19…4-10?!), moet wit na 20.36-31! 1-7 21.41-36! 7-12 22.37-32! 19-23* 23.28x30 17x37 24.33x24 20x29 25.38-32! (met 47 op 49 is deze decorwisseling voorgekomen in de partij Clerc-Gantwarg, Delft 2003) 25…37x28 26.27-21 25x34 27.39x30 16x27 28.31x24 14-20 29.42-38 20x29 30.43-39 enz. hoe dan ook ‘spel’ tegen de vijandelijke voorpost op 29 kunnen krijgen.
Maar het zal anders lopen, heel anders…
19…1-7! (of eigenlijk dus 19…2-7!) 20.37-32 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 3, 4, 6 t/m 9, 11, 13 t/m 17, 19, 20, 24, 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 26 t/m 28, 32, 33, 35, 36, 38 t/m 43, 45, 47 en 48.]
Dit is weliswaar (vrijwel) gedwongen, ‘maar sterk’. Althans: dat was wat ik dacht toen ik 20.37-32 speelde, want bij mijn voorbereiding op de blindsimultaan had de computer mij een tastbaar positievoordeel in het vooruitzicht gesteld na de - overigens bepaald complexe - afwikkeling 20…19-23 21.28x10 17x46 22.10-5 13-19 23.5x1! 11-17(!) 24.1x34 17-22(!) 25.27x18 24-29 26.34x23 46x5 27.47-41 5x46 28.42-37 46x1 29.40-34 1x40 30.35x44.
Maar hoe diep ik ook in de materie gedoken was - ik had mij er desondanks nog niet voldoende in ondergedompeld, zoals Van Marle met zijn volgende zet aantoont:
20…29-34!!
Op deze verborgen mogelijkheid had TRUUS mij helaas niet gewezen. (Al zou zij er ongetwijfeld opgekomen zijn wanneer ik haar meer tijd had gegund. Maar daar had ik, met nog 23 andere partijen op mijn programma die óók moesten worden voorbereid, kennelijk het geduld niet voor…) De tekstzet betekende voor mij een lelijke streep-door-de-rekening, de zoveelste alweer in deze partij waarvan ik vooraf zulke hoge verwachtingen had gehad!
21.40x29 19-23 22.28x10 17x46 23.10-5 4-10! 24.5x1 13-18
Natuurlijk niet eerst 24…24-30? (25.35x24) en dan pas 25…13-18 26.1x23 46x30/35 vanwege de damvangst 27.29-24 +.
25.1x23 46x10 26.29-23
Wit heeft geen keus: 26.42-37? (of ook 26.47-41?) 26…10x46 27.38-32 faalt op het geestige 27…46x34!! 28.39x19 25-30 +.
26…10x21 27.26x17 11x22
Hiermee was de openingsfase definitief afgesloten. Maar in de resterende 10x10 had Van Marle beslist het beste van het spel: zwarts ontwikkelingsvoorsprong (8 tempi) en de vork 15/20/24/25 drukken, vooral ook door de weggevallen controle over veld 44, zwaar op de witte stand. Zodat de paradoxale situatie was ontstaan dat uitgerekend dìe partij die ik het grondigst had voorbereid, mij de meeste problemen bezorgde!
Gelukkig zou ik uiteindelijk, na urenlang een dammeneindspel met een schijf minder (eerst 6x5, vervolgens 5x4 en ten slotte 4x3) te hebben moeten verdedigen, tòch nog remise weten te maken. (Voor het integrale verloop van dit 19½ uur durende duel verwijs ik naar de Volkskrant van 18 januari 2003.) Maar ik kan eenieder verzekeren dat ik bij eventuele voorkomende gelegenheden dus nooit meer die zet (8.)46-41 zal ‘meenemen’…
16…15-20?
Van Dijk laat zijn beste kans uit de partij, ja uit de hele tweekamp, onbenut. Na het alerte 16…19-23!, dat destijds ook al door Koepermans secondant Vladimir Kaplan werd aanbevolen in de speciale editie van het tijdschrift Sjasjki die aan de WK-match Koeperman-Van Dijk 1959 gewijd was, zou zwart stevig aan de leiding zijn gegaan. ‘Bewijzen’ voor die bewering zijn eigenlijk nauwelijks nodig: met verwisselde kleuren zou Koeperman met exact dezelfde problemen te maken hebben gekregen als waarmee Wielaard (1971), Van Marle (1996) en Abramsone (2001) in de hierboven behandelde partijen te kampen hadden! Desondanks wil ik de lezer de volgende, door de computer aangereikte tactische spelgang(en) nìet onthouden:
17.33-28 14-19 18.43-39 10-14 19.39-34 12-17! (om wit zelfs geen gelegenheid tot de massale terugtocht 19…12-18 20.26-21 8-12 21.38-33 29x38 22.32x43 23x32 23.27x38 16x27 24.22x31 te geven) 20.36-31 (wit mag zich niet aan 20.34-30? 25x34 21.38-33 29x38 22.40x18 vergrijpen wegens 22…14-20! 23.42x33 24-30! 24.35x24 20x38 25.32x43 17-21! 26.26x17 8-12 met schijf- en partijwinst voor zwart) 20…1-7 21.41-36 8-12 22.50-44 14-20 23.44-39 9-14 24.39-33 3-8! (zie analyse-diagram) en nu:

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 4, 6 t/m 8, 11 t/m 17, 19, 20, 23 t/m 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 26 t/m 28, 31 t/m 38, 40, 42, 45, 47 en 48.]
1) 25.48-43 24-30! 26.33x24 30x48 27.47-41 (hiermee lijkt wit zich nog te redden; niets is echter minder waar:) 27…20x29! 28.22-18 13x33 29.40-34 48x30! 30.35x2 17-22!! 31.27x18 29-34!! 32.18/38x40 12-17 33.38/18x29 25-30 34.2x35 14-19 35.35x21 16x47 en na eventueel nog 36.29-23 47-38! staat zwart huizenhoog gewonnen!
2) 25.47-41 4-9! 26.48-43 (wit doet er het beste aan een schijf te offeren met hetzij direct 26.22-18 13x22 27.27x18 17-21 28.26x17 11x13, hetzij 26.26-21 17x26 27.22-18 13x22 28.27x18; al is het goed te bedenken dat hij in dit laatste geval na 28…9-13 29.18x9 14x3 weinig of niets opschiet met 30.35-30 24x44 31.33x2 11-17! 32.2x22 44-50 33.28x19 50x11 +) 26…16-21 (het nauwkeurigst) 27.27x16 24-30 28.33x24 (want na 28.35x24 19x48 29.28x10 17x39 30.10-4/5 wordt de witte dam meteen weer uitgevangen) 28…30x48 29.22-18 13x33 en nu zijn er nog twee serieuze varianten (waartoe we 30.24x2?? 12-18! en 32…20-24 + uiteraard niet rekenen):
2.1) 30.24x4 23-28!! 31.38x29/32x23 17-22!! 32.32x23/38x29 11-17! 33.4x27 17-21 34.26x17 12x32 35.37x28 48x46 +.
2.2) 30.38x18 19x30! 31.35x24 20x29 32.31-27 12x23 33.37-31 48x46 (wint een tempootje ten opzichte van 33…48x28) 34.27-21 46x28 35.21x1 en nu is 35…29-33(!!) 36.1x47 14-19/20! 37.16x7 8-12! 38.7x18 9-13! 39.18x9 19/20-24 40.47x20 25x3 + het overtuigendst.
17.36-31 10-15 (zie diagram)
Hoewel zijn vorige zet dus niet de beste was, is het niet meer dan terecht dat Van Dijk 17…12-18(?) opnieuw achterwege laat, omdat daarop andermaal met grote kracht 18.32-28! zou zijn gevolgd.

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1, 3, 4, 6, 8, 9, 11 t/m 16, 19, 20, 24, 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 26, 27, 31 t/m 33, 35, 37, 38, 40 t/m 43, 45, 47, 48 en 50.]
18.22-17!?
De wereldkampioen besluit het lot niet langer te tarten: met behulp van een tijdelijk offertje heft hij de spanningen op en werkt hij toe naar een situatie waarin wit op een klein voordeelt(je) kan bogen. Zoals Kaplan namelijk schrijft, was het Koepermans bedoeling om op 18…12x21 19.26x17 11x22 20.27x18 13x22 positioneel verder te gaan met 21.32-28!, waarop zwart waarschijnlijk het beste vereenvoudigt met 21…8-13, 22…29-34, 23…19-23 en 24…13x11.
Een opmerkelijk bescheiden optie. (Al mag natuurlijk niet uit het oog worden verloren dat Koeperman al met 13-5 aan de leiding ging op het moment dat de 10de matchpartij gespeeld werd…) Toch zou ik niet durven zeggen of wit beter had. Zo was op 18.32-28(?) nog steeds het hinderlijke 18…12-17! gevolgd [bijvoorbeeld 19.41-36 4-10! (maar niet te gretig 19…1-7?? wegens 20.27-21! enz. met dam) 20.37-32 19-23! 21.28x30 17x37 22.33x24 25x34! 23.40x29 37-41 +]. Een denkbaar bezwaar van 18.41-36 is dat de 6x6-ruil 18…12-18 19.32-28 29-34 20.40x29 18-23 21.29x18 16-21 22.27x7 1x41 23.22-18 13x22 24.31-27 22x31 24.26x46 mogelijk wordt. En op 18.43-39 ten slotte (want de mogelijkheid 18.50-44 laat ik - met uw goedvinden - rusten) vreesde Koeperman wellicht het antwoord 18…12-18. De standaard-reactie 19.32-28?? is dan namelijk verboden door 19…19-23! 20.28x10 9-14 21.10x30 25x21 en altijd 22…18x36 +, zodat zwart tot het sterke 19…19-23 lijkt te komen.
Nu is met dit laatste nog lang niet alles gezegd. Want als wit na 18.43-39 12-18 met 19.48-43 vervolgt, zou onmiddellijk 19…19-23(?) hoogst onaantrekkelijk zijn vanwege de afwikkeling 20.27-21! 16/18x36 21.33-28 18/16x27 22.28x10 25-30* 23.32x21 29-34 24.40x29 24x44 25.50x39! 9-14 26.10x19! 13x24. Dus speelt zwart beter 19…8-12 (bedoeling: 20.32-28? 12-17! en de witte opbouw stagneert), waarop wits beste zet mijns inziens in 20.41-36(!!) schuilt (zie analyse-diagram). Omdat 20…19-23?? dan opnieuw is uitgeschakeld (ditmaal door 21.32-28! en 22.42-37 met winnende slag naar 10), blijven de volgende mogelijkheden over:

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1, 3, 4, 6, 9, 11 t/m 16, 18 t/m 20, 24, 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 26, 27, 31 t/m 33, 35 t/m 40, 42, 43, 45, 47 en 50.]
1) 20…4-10? 21.47-41!! (ijzersterke temporisering) en nu:
1.1) 21…3-8 22.32-28! (nu wèl) en zwart is eigenlijk al geklopt. Immers: 22…12-17?? faalt op 23.35-30!! 24x44 24.33x24, altijd gevolgd door 25/26.38-32 met dam op 3. Voorts is 22…18-23?? taboe in verband met de damzet 23.50-44!, 24.26x17, 25.22-18, 26.31-27!, 27.37x17, 28.35-30 en 29/30.33x4 +. En 22…1-7? ten slotte verliest geforceerd door 23.26-21! 18-23 24.39-34!! 23x32 25.37x28!, waarna zwart in dodelijke tempodwang verkeert.
1.2) 21…1-7 22.26-21! met exact hetzelfde spel als in het laatste variantje: 22…3-8 (gedwongen met het oog op 22…18/19-23?? 23.22-17! +) 23.32-28! enz. +.
2) 20…3-8(?) 21.32-28! en zwart bevindt zich opnieuw in moeilijkheden. Zo luidt een plausibel vervolg 21…18-23 (op 21…12-17?? weer 22.35-30 +) 22.37-32! (kansrijker dan de damzet 22.47-41 en 24.22-18 enz.) 22…12-17 23.42-37 1-7 24.47-42 4-10 25.40-34! [maar onder geen beding het schijnbaar winnende 25.50-44?? (bedoeling: 25…25-30? 26.22-18! en 27/28.28-22 +) vanwege de al eerder gesignaleerde damzet 25…29-34! en 26…19-23 +] 25…29x40 26.35x44! 24-29 (om de gunstige hergroepering 27.26-21, 28.22-17 en 29.27x29 uit de stand te halen) 27.33x24 20x29 28.44-40! (zie analyse-diagram), waarna het werkelijk wemelt van de combinaties; men zie:

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 6 t/m 11, 13 t/m 17, 19, 23, 25 en 29;
vijftien witte schijven op 22, 26 t/m 28, 31, 32, 36 t/m 40, 42, 43, 45 en 50.]
2.1) 28…14-20?? 29.22-18! 13x35 30.27-21 16x27 31.32x5 +.
2.2) 28…15-20? 29.22-18!! (ook nu!) 29…13x35 30.27-22! 17x28 31.26-21 16x27 32.31x24(!!) en wit komst liefst twee schijven vóór.
2.3) 28…7-12? 29.22-18 (idem) 29…13x35 30.27-22 17x28 31.26-21 16x27 32.31x2! +.
2.4) 28…8-12? 29.22-18 (steeds weer deze zet) 29…13x35 30.27-22 17x28 31.26-21 16x27 32.31x4 +.
2.5) 28…13-18(!!) 29.22x33 23-29! 30.33x24 17-21 31.26x17 11x35.
Alleen zo houdt zwart het in materiële zin nog net gelijk. Maar het hoeft geen betoog dat wit positioneel nadrukkelijk aan de leiding gaat, zeker wanneer deze zich na bijvoorbeeld 32.32-28 25-30 van de finesse 33.45-40(!!) 30x19* 34.40-34! bedient.
3) 20…1-7 (dit lijkt veruit het beste) 21.47-41 [over de chaotische situatie na 21.26-21 19-23 22.47-41 13-19 (of misschien ook 22…14-19) 23.22x13 19x8 zou ik geen uitspraak durven doen; zie analyse-diagram] en nu een laatste splitsing:

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 3, 4, 6, 7, 9, 11 t/m 16, 18 t/m 20, 24, 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 26, 27, 31 t/m 33, 35 t/m 43, 45 en 50.]
3.1) 21…4-10? 22.26-21! en wit gaat winnen als in variant ‘1’.
3.2) 21…3-8? 22.26-21! 19-23 23.32-28! 23x32 24.37x28 14-19 25.42-37! en wit staat andermaal op winst. Al moet ik hier wèl aan toevoegen dat hij op 25…18-23 ‘gewoon’ 26.31-26! 23x32 27.37x28 + dient te spelen en zich niet aan 26.39-34? 23x32 27.34x3 mag bezondigen, omdat zwart in dit laatste geval een spectaculaire dubbel-combinatie zou laten volgen: 27…4-10 28.37x28 24-30! 19.35x24 20x29 20.33x24 13-18!! 21.22x2 25-30 (helaas mag hij niet ‘passen’, wat liefst vier schijven en een wedstrijdpunt scheelt) 22.24x35 15-20 23.3x25 10-14 24.25x17 11x42 25.2x11 6x46 met een remise-afspel.
3.3) 21…18-23(!) 22.22-18!? 13x22 23.27x18 12-17 24.18-12!? [het meest ambitieus; merk op dat direct 24.35-30? 24x44 25.33x13 (met de bedoeling 25…44x33? 26.18x29!! gevolgd door 31-27-21 +) in werkelijkheid faalt op 25…23x12! 26.13-8 44x33 27.38x29 17-22! 28.8x28 16-21 29.26x17 11x24 +] 24…7x18 25.35-30 24x44 26.33x22 44x33 (anders maakt wit het tempo 27.32-27! enz.) 27.38x18 17x28 28.32x23 16-21 29.26x17 11x13 en het lijkt mij dat wit, gezien de verzwakte rechter vleugel van zwart, op z’n minst licht voordeel moet hebben. Maar of hij beter af is dan hij bij het sterkste tegenspel van zwart in de partij zou zijn geweest, is een vraag die ik niet volmondig durf te beantwoorden.
(SLOT VOLGT)
15…20-25 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1, 3, 4, 6, 8 t/m 16, 19, 24, 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 27, 31 t/m 33, 35 t/m 38, 40 t/m 43, 45, 47, 48 en 50.]
16.31-26?
Men behoeft geen groot kenner van de (openings)theorie te zijn om desondanks te begrijpen - of op z’n minst aan te voelen - dat deze zet niet door de beugel kan, en wel omdat zwart nu de kans geboden wordt zèlf vanuit de linker vleugel het centrum te bezetten (16…19-23!). Daar het echter ook voor 16.32-28(?) 12-17! nog te vroeg was (bijvoorbeeld 17.31-26 8-12! met de buitengewoon vervelende dreiging 18…3-8! +), had Koeperman - evenals op de vorige zet - beter eerst 16.50-44 kunnen spelen. Via 16…15-20 (16…14-20 heeft geen zelfstandige betekenis, omdat zwart na 17.44-39 tòch niet 17…9-14? kan doen wegens 18.32-28! 12-17 19.22-18!! 13x22 20.27x18 met winnend voordeel voor wit na de verplichte afruil van 18) 17.44-39 10-15 18.32-28! (nu pas) 18…12-17! (zie analyse-diagram) had er dan een stelling kunnen ontstaan die zich ruim 43 jaar later - zij het met schijf 1 op veld 2 - daadwerkelijk zou voordoen in dat al meermalen genoemde blindduel Sijbrands-Van Marle 2002. (Daarin was het na 13…23-29 verder gegaan met 14.45-40 7-12 15.39-33 20-25 16.44-39 15-20 17.50-45 10-15 enz.)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1, 3, 4, 6, 8, 9, 11, 13 t/m 17, 19, 20, 24, 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 27, 28, 31, 33, 35 t/m 43, 45, 47 en 48.]
In de stand van het analyse-diagram nu opteert wit het beste voor 19.22-18(!) 13x22 20.27x18 8-13 21.28-23(!). Het is waar dat die speelwijze allerlei vereenvoudigingen met zich mee brengt. Maar als er na zo’n kaalslag-variant als 21…19x28 22.33x22 17x28 23.38-32 13x22 24.32x34 24-29 25.34x23 25-30 26.35x24 20x18 al iemand beter staat, dan is het wit, nìet zwart. En dat is een essentieel verschil met het partijverloop, waarin eveneens een (zeer) grote ruil plaatsvond maar het initiatief juist op de zwartspeler overging! Er volgde namelijk:
19.31-26?
De aanzet tot een stoutmoedig plannetje dat ik achter de hand had gehouden voor het geval dat Van Marle (wat mij niet zo heel erg waarschijnlijk leek…) noch 13…24-29 (14.35-30! 8-12?), noch - even later - 15/17…12-18? (16/18.32-28!) zou spelen. Mijn bedoeling was namelijk om op 19…8-12 te vervolgen met 20.37-32(!!) 19-23 21.28x10! 17x46 22.40-34! (of misschien ook 22.36-31) 22…29x40* 23.35x44 46x5 24.33-28 5x21 25.26x30 25x34 26.39x30. En als zwart om die reden eerst veld 10 sluit (19…4-10?!), moet wit na 20.36-31! 1-7 21.41-36! 7-12 22.37-32! 19-23* 23.28x30 17x37 24.33x24 20x29 25.38-32! (met 47 op 49 is deze decorwisseling voorgekomen in de partij Clerc-Gantwarg, Delft 2003) 25…37x28 26.27-21 25x34 27.39x30 16x27 28.31x24 14-20 29.42-38 20x29 30.43-39 enz. hoe dan ook ‘spel’ tegen de vijandelijke voorpost op 29 kunnen krijgen.
Maar het zal anders lopen, heel anders…
19…1-7! (of eigenlijk dus 19…2-7!) 20.37-32 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 3, 4, 6 t/m 9, 11, 13 t/m 17, 19, 20, 24, 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 26 t/m 28, 32, 33, 35, 36, 38 t/m 43, 45, 47 en 48.]
Dit is weliswaar (vrijwel) gedwongen, ‘maar sterk’. Althans: dat was wat ik dacht toen ik 20.37-32 speelde, want bij mijn voorbereiding op de blindsimultaan had de computer mij een tastbaar positievoordeel in het vooruitzicht gesteld na de - overigens bepaald complexe - afwikkeling 20…19-23 21.28x10 17x46 22.10-5 13-19 23.5x1! 11-17(!) 24.1x34 17-22(!) 25.27x18 24-29 26.34x23 46x5 27.47-41 5x46 28.42-37 46x1 29.40-34 1x40 30.35x44.
Maar hoe diep ik ook in de materie gedoken was - ik had mij er desondanks nog niet voldoende in ondergedompeld, zoals Van Marle met zijn volgende zet aantoont:
20…29-34!!
Op deze verborgen mogelijkheid had TRUUS mij helaas niet gewezen. (Al zou zij er ongetwijfeld opgekomen zijn wanneer ik haar meer tijd had gegund. Maar daar had ik, met nog 23 andere partijen op mijn programma die óók moesten worden voorbereid, kennelijk het geduld niet voor…) De tekstzet betekende voor mij een lelijke streep-door-de-rekening, de zoveelste alweer in deze partij waarvan ik vooraf zulke hoge verwachtingen had gehad!
21.40x29 19-23 22.28x10 17x46 23.10-5 4-10! 24.5x1 13-18
Natuurlijk niet eerst 24…24-30? (25.35x24) en dan pas 25…13-18 26.1x23 46x30/35 vanwege de damvangst 27.29-24 +.
25.1x23 46x10 26.29-23
Wit heeft geen keus: 26.42-37? (of ook 26.47-41?) 26…10x46 27.38-32 faalt op het geestige 27…46x34!! 28.39x19 25-30 +.
26…10x21 27.26x17 11x22
Hiermee was de openingsfase definitief afgesloten. Maar in de resterende 10x10 had Van Marle beslist het beste van het spel: zwarts ontwikkelingsvoorsprong (8 tempi) en de vork 15/20/24/25 drukken, vooral ook door de weggevallen controle over veld 44, zwaar op de witte stand. Zodat de paradoxale situatie was ontstaan dat uitgerekend dìe partij die ik het grondigst had voorbereid, mij de meeste problemen bezorgde!
Gelukkig zou ik uiteindelijk, na urenlang een dammeneindspel met een schijf minder (eerst 6x5, vervolgens 5x4 en ten slotte 4x3) te hebben moeten verdedigen, tòch nog remise weten te maken. (Voor het integrale verloop van dit 19½ uur durende duel verwijs ik naar de Volkskrant van 18 januari 2003.) Maar ik kan eenieder verzekeren dat ik bij eventuele voorkomende gelegenheden dus nooit meer die zet (8.)46-41 zal ‘meenemen’…
16…15-20?
Van Dijk laat zijn beste kans uit de partij, ja uit de hele tweekamp, onbenut. Na het alerte 16…19-23!, dat destijds ook al door Koepermans secondant Vladimir Kaplan werd aanbevolen in de speciale editie van het tijdschrift Sjasjki die aan de WK-match Koeperman-Van Dijk 1959 gewijd was, zou zwart stevig aan de leiding zijn gegaan. ‘Bewijzen’ voor die bewering zijn eigenlijk nauwelijks nodig: met verwisselde kleuren zou Koeperman met exact dezelfde problemen te maken hebben gekregen als waarmee Wielaard (1971), Van Marle (1996) en Abramsone (2001) in de hierboven behandelde partijen te kampen hadden! Desondanks wil ik de lezer de volgende, door de computer aangereikte tactische spelgang(en) nìet onthouden:
17.33-28 14-19 18.43-39 10-14 19.39-34 12-17! (om wit zelfs geen gelegenheid tot de massale terugtocht 19…12-18 20.26-21 8-12 21.38-33 29x38 22.32x43 23x32 23.27x38 16x27 24.22x31 te geven) 20.36-31 (wit mag zich niet aan 20.34-30? 25x34 21.38-33 29x38 22.40x18 vergrijpen wegens 22…14-20! 23.42x33 24-30! 24.35x24 20x38 25.32x43 17-21! 26.26x17 8-12 met schijf- en partijwinst voor zwart) 20…1-7 21.41-36 8-12 22.50-44 14-20 23.44-39 9-14 24.39-33 3-8! (zie analyse-diagram) en nu:

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 4, 6 t/m 8, 11 t/m 17, 19, 20, 23 t/m 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 26 t/m 28, 31 t/m 38, 40, 42, 45, 47 en 48.]
1) 25.48-43 24-30! 26.33x24 30x48 27.47-41 (hiermee lijkt wit zich nog te redden; niets is echter minder waar:) 27…20x29! 28.22-18 13x33 29.40-34 48x30! 30.35x2 17-22!! 31.27x18 29-34!! 32.18/38x40 12-17 33.38/18x29 25-30 34.2x35 14-19 35.35x21 16x47 en na eventueel nog 36.29-23 47-38! staat zwart huizenhoog gewonnen!
2) 25.47-41 4-9! 26.48-43 (wit doet er het beste aan een schijf te offeren met hetzij direct 26.22-18 13x22 27.27x18 17-21 28.26x17 11x13, hetzij 26.26-21 17x26 27.22-18 13x22 28.27x18; al is het goed te bedenken dat hij in dit laatste geval na 28…9-13 29.18x9 14x3 weinig of niets opschiet met 30.35-30 24x44 31.33x2 11-17! 32.2x22 44-50 33.28x19 50x11 +) 26…16-21 (het nauwkeurigst) 27.27x16 24-30 28.33x24 (want na 28.35x24 19x48 29.28x10 17x39 30.10-4/5 wordt de witte dam meteen weer uitgevangen) 28…30x48 29.22-18 13x33 en nu zijn er nog twee serieuze varianten (waartoe we 30.24x2?? 12-18! en 32…20-24 + uiteraard niet rekenen):
2.1) 30.24x4 23-28!! 31.38x29/32x23 17-22!! 32.32x23/38x29 11-17! 33.4x27 17-21 34.26x17 12x32 35.37x28 48x46 +.
2.2) 30.38x18 19x30! 31.35x24 20x29 32.31-27 12x23 33.37-31 48x46 (wint een tempootje ten opzichte van 33…48x28) 34.27-21 46x28 35.21x1 en nu is 35…29-33(!!) 36.1x47 14-19/20! 37.16x7 8-12! 38.7x18 9-13! 39.18x9 19/20-24 40.47x20 25x3 + het overtuigendst.
17.36-31 10-15 (zie diagram)
Hoewel zijn vorige zet dus niet de beste was, is het niet meer dan terecht dat Van Dijk 17…12-18(?) opnieuw achterwege laat, omdat daarop andermaal met grote kracht 18.32-28! zou zijn gevolgd.

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1, 3, 4, 6, 8, 9, 11 t/m 16, 19, 20, 24, 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 26, 27, 31 t/m 33, 35, 37, 38, 40 t/m 43, 45, 47, 48 en 50.]
18.22-17!?
De wereldkampioen besluit het lot niet langer te tarten: met behulp van een tijdelijk offertje heft hij de spanningen op en werkt hij toe naar een situatie waarin wit op een klein voordeelt(je) kan bogen. Zoals Kaplan namelijk schrijft, was het Koepermans bedoeling om op 18…12x21 19.26x17 11x22 20.27x18 13x22 positioneel verder te gaan met 21.32-28!, waarop zwart waarschijnlijk het beste vereenvoudigt met 21…8-13, 22…29-34, 23…19-23 en 24…13x11.
Een opmerkelijk bescheiden optie. (Al mag natuurlijk niet uit het oog worden verloren dat Koeperman al met 13-5 aan de leiding ging op het moment dat de 10de matchpartij gespeeld werd…) Toch zou ik niet durven zeggen of wit beter had. Zo was op 18.32-28(?) nog steeds het hinderlijke 18…12-17! gevolgd [bijvoorbeeld 19.41-36 4-10! (maar niet te gretig 19…1-7?? wegens 20.27-21! enz. met dam) 20.37-32 19-23! 21.28x30 17x37 22.33x24 25x34! 23.40x29 37-41 +]. Een denkbaar bezwaar van 18.41-36 is dat de 6x6-ruil 18…12-18 19.32-28 29-34 20.40x29 18-23 21.29x18 16-21 22.27x7 1x41 23.22-18 13x22 24.31-27 22x31 24.26x46 mogelijk wordt. En op 18.43-39 ten slotte (want de mogelijkheid 18.50-44 laat ik - met uw goedvinden - rusten) vreesde Koeperman wellicht het antwoord 18…12-18. De standaard-reactie 19.32-28?? is dan namelijk verboden door 19…19-23! 20.28x10 9-14 21.10x30 25x21 en altijd 22…18x36 +, zodat zwart tot het sterke 19…19-23 lijkt te komen.
Nu is met dit laatste nog lang niet alles gezegd. Want als wit na 18.43-39 12-18 met 19.48-43 vervolgt, zou onmiddellijk 19…19-23(?) hoogst onaantrekkelijk zijn vanwege de afwikkeling 20.27-21! 16/18x36 21.33-28 18/16x27 22.28x10 25-30* 23.32x21 29-34 24.40x29 24x44 25.50x39! 9-14 26.10x19! 13x24. Dus speelt zwart beter 19…8-12 (bedoeling: 20.32-28? 12-17! en de witte opbouw stagneert), waarop wits beste zet mijns inziens in 20.41-36(!!) schuilt (zie analyse-diagram). Omdat 20…19-23?? dan opnieuw is uitgeschakeld (ditmaal door 21.32-28! en 22.42-37 met winnende slag naar 10), blijven de volgende mogelijkheden over:

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1, 3, 4, 6, 9, 11 t/m 16, 18 t/m 20, 24, 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 26, 27, 31 t/m 33, 35 t/m 40, 42, 43, 45, 47 en 50.]
1) 20…4-10? 21.47-41!! (ijzersterke temporisering) en nu:
1.1) 21…3-8 22.32-28! (nu wèl) en zwart is eigenlijk al geklopt. Immers: 22…12-17?? faalt op 23.35-30!! 24x44 24.33x24, altijd gevolgd door 25/26.38-32 met dam op 3. Voorts is 22…18-23?? taboe in verband met de damzet 23.50-44!, 24.26x17, 25.22-18, 26.31-27!, 27.37x17, 28.35-30 en 29/30.33x4 +. En 22…1-7? ten slotte verliest geforceerd door 23.26-21! 18-23 24.39-34!! 23x32 25.37x28!, waarna zwart in dodelijke tempodwang verkeert.
1.2) 21…1-7 22.26-21! met exact hetzelfde spel als in het laatste variantje: 22…3-8 (gedwongen met het oog op 22…18/19-23?? 23.22-17! +) 23.32-28! enz. +.
2) 20…3-8(?) 21.32-28! en zwart bevindt zich opnieuw in moeilijkheden. Zo luidt een plausibel vervolg 21…18-23 (op 21…12-17?? weer 22.35-30 +) 22.37-32! (kansrijker dan de damzet 22.47-41 en 24.22-18 enz.) 22…12-17 23.42-37 1-7 24.47-42 4-10 25.40-34! [maar onder geen beding het schijnbaar winnende 25.50-44?? (bedoeling: 25…25-30? 26.22-18! en 27/28.28-22 +) vanwege de al eerder gesignaleerde damzet 25…29-34! en 26…19-23 +] 25…29x40 26.35x44! 24-29 (om de gunstige hergroepering 27.26-21, 28.22-17 en 29.27x29 uit de stand te halen) 27.33x24 20x29 28.44-40! (zie analyse-diagram), waarna het werkelijk wemelt van de combinaties; men zie:

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 6 t/m 11, 13 t/m 17, 19, 23, 25 en 29;
vijftien witte schijven op 22, 26 t/m 28, 31, 32, 36 t/m 40, 42, 43, 45 en 50.]
2.1) 28…14-20?? 29.22-18! 13x35 30.27-21 16x27 31.32x5 +.
2.2) 28…15-20? 29.22-18!! (ook nu!) 29…13x35 30.27-22! 17x28 31.26-21 16x27 32.31x24(!!) en wit komst liefst twee schijven vóór.
2.3) 28…7-12? 29.22-18 (idem) 29…13x35 30.27-22 17x28 31.26-21 16x27 32.31x2! +.
2.4) 28…8-12? 29.22-18 (steeds weer deze zet) 29…13x35 30.27-22 17x28 31.26-21 16x27 32.31x4 +.
2.5) 28…13-18(!!) 29.22x33 23-29! 30.33x24 17-21 31.26x17 11x35.
Alleen zo houdt zwart het in materiële zin nog net gelijk. Maar het hoeft geen betoog dat wit positioneel nadrukkelijk aan de leiding gaat, zeker wanneer deze zich na bijvoorbeeld 32.32-28 25-30 van de finesse 33.45-40(!!) 30x19* 34.40-34! bedient.
3) 20…1-7 (dit lijkt veruit het beste) 21.47-41 [over de chaotische situatie na 21.26-21 19-23 22.47-41 13-19 (of misschien ook 22…14-19) 23.22x13 19x8 zou ik geen uitspraak durven doen; zie analyse-diagram] en nu een laatste splitsing:

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 3, 4, 6, 7, 9, 11 t/m 16, 18 t/m 20, 24, 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 26, 27, 31 t/m 33, 35 t/m 43, 45 en 50.]
3.1) 21…4-10? 22.26-21! en wit gaat winnen als in variant ‘1’.
3.2) 21…3-8? 22.26-21! 19-23 23.32-28! 23x32 24.37x28 14-19 25.42-37! en wit staat andermaal op winst. Al moet ik hier wèl aan toevoegen dat hij op 25…18-23 ‘gewoon’ 26.31-26! 23x32 27.37x28 + dient te spelen en zich niet aan 26.39-34? 23x32 27.34x3 mag bezondigen, omdat zwart in dit laatste geval een spectaculaire dubbel-combinatie zou laten volgen: 27…4-10 28.37x28 24-30! 19.35x24 20x29 20.33x24 13-18!! 21.22x2 25-30 (helaas mag hij niet ‘passen’, wat liefst vier schijven en een wedstrijdpunt scheelt) 22.24x35 15-20 23.3x25 10-14 24.25x17 11x42 25.2x11 6x46 met een remise-afspel.
3.3) 21…18-23(!) 22.22-18!? 13x22 23.27x18 12-17 24.18-12!? [het meest ambitieus; merk op dat direct 24.35-30? 24x44 25.33x13 (met de bedoeling 25…44x33? 26.18x29!! gevolgd door 31-27-21 +) in werkelijkheid faalt op 25…23x12! 26.13-8 44x33 27.38x29 17-22! 28.8x28 16-21 29.26x17 11x24 +] 24…7x18 25.35-30 24x44 26.33x22 44x33 (anders maakt wit het tempo 27.32-27! enz.) 27.38x18 17x28 28.32x23 16-21 29.26x17 11x13 en het lijkt mij dat wit, gezien de verzwakte rechter vleugel van zwart, op z’n minst licht voordeel moet hebben. Maar of hij beter af is dan hij bij het sterkste tegenspel van zwart in de partij zou zijn geweest, is een vraag die ik niet volmondig durf te beantwoorden.
(SLOT VOLGT)
Haarscherp openingsnieuwtje Koeperman in matchpartij tegen Van Dijk (deel 2)
woensdag 3 mei 2006 13:42
1) Sijbrands-J. Wielaard (trainingspartij 1971)
1.33-28 18-23 2.39-33 12-18 3.44-39 7-12 4.50-44 2-7 5.31-27 20-24 6.37-31 14-20 7.41-37 10-14 8.34-29 23x34 9.40x29 18-23 10.29x18 12x23 11.28-22 17x28 12.33x22 23-29 13.44-40 7-12 14.39-33 5-10 15.32-28
Dit is dus strijdig - ik geef het ogenblikkelijk toe - met wat ik zo-even beweerde, namelijk dat wits sterkste zet uit 15.49-44! bestaat. Maar hadden we niet met elkaar afgesproken dat het geen pas geeft om, ‘met de kennis van 2006’ enz. enz.?; en ik zou natuurlijk wel gek zijn om een dergelijke amnestie-regeling uitsluitend op partijen van Koeperman toe te passen en niet óók op die van mijzelf!
15…20-25 16.47-41!?
Maar deze ongebruikelijke zet, die het wit mogelijk maakt 16…15-20 met 17.37-32! te beantwoorden zònder te worden gehinderd door de damzet 17…19-23!, 18…25x34, 19…12-17 en 20…17x46 + die op 16.46-41?! 15-20 17.37-32?? was gevolgd, getuigt toch - al zeg ik het zelf - van enig inzicht in de materie, alsook van een zekere onafhankelijkheid-van-geest.
16…14-20?
Als gevolg van deze foutieve reactie zal zwart zich niet meer weten te bevrijden. Hij had tot elke prijs 16…12-17(!) moeten doen, bijvoorbeeld 17.31-26 8-12 18.37-32 en nu niet 18…3-8? 19.41-37! (zie ook boven) maar in plaats daarvan 18…13-18(!) 19.22x13 19x8(!), spoedig gevolgd door het terugruiltje 24-30.
17.37-32! 10-14 18.43-39!
Legt de vijandelijke stelling dusdanig aan banden dat zwart in ‘hogere zin’ al geklopt is.
18…12-18 19.41-37 8-12 20.49-43 3-8 21.31-26 18-23 22.37-31 12-18 23.39-34!
Geeft zwart geen gelegenheid zich los te werken met 23…29-34. Overigens was ditzelfde 23.39-34 ook op 22…12-17 gevolgd.
23…1-7 24.43-39 7-12 25.42-37 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 4, 6, 8, 9, 11 t/m 16, 18 t/m 20, 23 t/m 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 26 t/m 28, 31 t/m 40, 45, 46 en 48.]
De diagramstand brengt treffend in beeld waarom het in deze symmetrische openingsvariant zo buitengewoon belangrijk is als eerste (maar daarmee tegelijkertijd ook als enige!) 32-28! dan wel 19-23! te spelen. Had namelijk schijf 4 op veld 3 gestaan, en had zwart - evenals wit zojuist gedaan heeft (zie diens 23ste en 24ste zet) - een opstelling met 25…12-17! en 26…8-12 kunnen innemen, dan had hij, dankzij de ‘na-zet’, zelfs huizenhoog gewonnen gestaan!
[Ter zijde: wit zou iets meer méér verdediging hebben gehad wanneer in dat - overigens puur hypothetische - geval 46 op 47 zou hebben gestaan. Al lijdt het niet de geringste twijfel dat zwart ook na 25…12-17 26.48-43 8-12 27.47-42 (of 27.34-30 25x34 28.39x30 20-25! 29.47-42 25x34 30.26-21 17x26 31.35-30 24x44 32.33x24 19x30 33.28x17 18-23! 34.43-39 34x43 35.38x40 30-35! 36.40-34 9-13! 37.42-38 13-19! +) 27…3-8 28.34-30 25x34 29.39x30 20-25! 30.40-34 29x40 31.45x34 24-29! (maar met 41 op 42 natuurlijk niet 31…14-20?? wegens 32.33-29!, 33.28x39! en 34.34-29 +) 32.33x24 14-20 33.34-29 gaat winnen, bijvoorbeeld via 33…23x34 34.30x39 19x30! 35.35x24 20x29 36.39-33 9-14! (36…29-34?? 37.26-21! en 38.33-29) 37.33x24 14-19 38.24-20* 15x24 39.28-23* 17x28! 40.23x14 24-29! 41.32x34 13-19 42.14x23 18x40.]
Maar in de gegeven situatie is, doordat wit met (15.)32-28 schijf 19 de voet heeft dwars gezet, zwarts onderste schijf afgesneden van het werkelijke strijdtoneel. Daardoor lukt het hem nìet om stukken naar de velden 17 en 12 te brengen (de inventieve poging die de zwartspeelster in de laatste partij van dit drieluik zal wagen, is eveneens tot mislukken gedoemd), met als gevolg dat hij - zoals eerder betoogd - strategisch overspeeld wordt. Er volgde namelijk nog:
25…11-17 26.22x11 6x17
Achteruit slaan had slechts uitstel-van-executie betekend.
27.27-22! 18x27 28.31x11 16x7 29.28-22!
En zwart gaf het op: tegen de verschrikkelijke dreiging 30.22-18! en 31.35-30 + is geen kruid gewassen.
2) Woolschot-R. van Marle (Parthenay 1996)
1.32-28 18-23 2.38-32 12-18 3.31-27 7-12 4.43-38 2-7 5.49-43 20-24 6.37-31 14-20 7.41-37 10-14 8.46-41 5-10 9.34-29 23x34 10.40x29 18-23 11.29x18 12x23 12.28-22 17x28 13.33x22 23-29 14.32-28 7-12 15.39-33 20-25
De positionele ‘zonden’ die beide spelers in deze fase begaan, zullen we met de mantel der liefde bedekken: waarom zou wat voor Koeperman en Sijbrands geldt, niet óók voor Woolschot en Van Marle mogen gelden?
16.37-32! 15-20 17.41-37 10-15 18.44-40 12-18
Hiermee laat zwart de allerlaatste gelegenheid voorbijgaan om, zoals de computer adviseert, schijf 25 te activeren. Al zou men dit laatste woord met recht tussen aanhalingstekens kunnen plaatsen: in een situatie als na 18…25-30 19.43-39! (beter dan 19.50-44?!, waarop zowel 19…20-25/30-34 als de damzet 19…19-23, 20…29-34, 21…9-14, 22…20-25, 23…25x23, 24…23-28, 25…12-18 en 26…8x50 mogelijk is) 19…20-25 20.40-34! 29x40 21.45x34! (zie in dit verband ook het middenspel van Koeperman-Van Dijk 1959) is van veel ‘activiteit’ niet echt sprake…
19.50-44! 18-23 20.44-39! 1-7 21.31-26
Onmiddellijk 21.39-34! zou zwart al met een vrijwel onspeelbare positie hebben opgezadeld.
21…7-12 22.37-31 12-18 23.39-34!
Maar zo kan het óók.
23…8-12 24.43-39 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 3, 4, 6, 9, 11 t/m 16, 18 t/m 20, 23 t/m 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 26 t/m 28, 31 t/m 36, 38 t/m 40, 42, 45, 47 en 48.]
De gelijkenis met de vorige partij ligt er duimendik bovenop: afgezien van het (verwaarloosbare) feit dat 47 toen op 46 stond, zou nu na 24…3-8 25.42-37 exact dezelfde stelling als in Sijbrands-Wielaard 1971 ontstaan!
24…11-17
Evenals Wielaard heeft Van Marle niet beter dan de witte schijf 22 af te ruilen. Wel wil ik erop wijzen dat wit de situatie na 24…12-17 geenszins mag onderschatten, onder meer omdat zwart na 25.42-37(?) 3-8(!!) 26.27-21 16x27 27.32x3 23x41! 28.34x12 over de tegencombinatie 28…13-18! 29.22x13/12x23 19x17 30.3x21 11-17! 31.21x30 25x32 blijkt te beschikken (waarbij een boeiende vervolgvraag is of wit na 32.40-34 14-19* 33.31-27 32x21 34.26x17 19-23* 35.48-42!? 41-46 36.33-28!!? 23x32 37.42-37 32x41 38.17-12 heel misschien tòch nog wint). Behalve van 25.42-37 moet hij het evenmin hebben van 25.48-43(?), dat na 25…3-8(!!) 26.27-21 16x27 27.32x3 18x27 28.31x22 23x32 29.34x23 19x17 30.38x27 11-16 31.3x21 24-30 32.35x24 20x49 in een afspel resulteert waarin de winst nog niet voor de volle honderd procent vaststaat.
Daarentegen maakt het nauwkeurige 25.47-41!! aan alle onzekerheid een einde, getuige de volgende tactische spelgangen:
a) 25…24-30 26.33x24! 20x29 27.35x33 19-24 28.28x8! 17x46 29.48-43! 3x12 30.42-37 46x21 31.26x8 +.
b) 25…3-8 26.27-21! 16x27 27.32x3 23x43 28.34x12 43x34 29.40x29 19-23 30.29x18 24-30 31.35x24 20x47 (deze zelfde afwikkeling zal zich straks - maar dan met de witte dam op 1 in plaats van 3 - in de partij Neven-Abramsone voordoen) 32.48-42! 47x8 33.3x21! 13x22 34.31-27! 22x31 35.36x27 en als gevolg van de dubbele dreiging 36.21-8 + en 36.21-16 11-17 37.27-21 + kan zwart het net zo goed opgeven.
25.22x11 16x7
Vanaf dit moment moet wit kunnen winnen zoals hij wil.
26.48-43 7-11 27.47-41 11-16 28.42-37 6-11 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
zestien zwarte schijven op 3, 4, 9, 11 t/m 16, 18 t/m20, 23 t/m 25 en 29;
zestien witte schijven op 26 t/m 28, 31 t/m 41, 43 en 45.]
29.27-21
Ten koste van een schijf combineert Woolschot naar veld 6. Merk op dat zwart na het verrassende 29.26-21!? helemaal geen tegenspel meer had gehad, bijvoorbeeld 29…11-17 (29…12-17 30.21x12 18x7 31.27-22! +) 30.31-26 3-8 31.37-31 4-10 32.41-37 +.
29…16x27 30.32x21 23x32 31.38x27 29x49 32.21-16 49x21 33.26x6 12-17 34.31-26 18-23 35.37-31 23-28 36.41-37?! 19-23?!
Het slot van de partij kenmerkt zich door hevige wederzijdse tijdnood. Hardnekkiger was 36…28-33, 37…24-30 en 38…19x39, een mogelijkheid wit op zijn beurt had kunnen elimineren door 36.16-11! te spelen.
37.31-27 14-19 38.27-21?
En hier was zowel 38.16-11 als 38.27-22 ruimschoots gewonnen geweest.
38…13-18 39.21x12 18x7 40.6-1
Nu is het nog lang geen uitgemaakte zaak of wit na 40…9-13(!) 41.1x29 24x44 42.40x49 20-24(!) daadwerkelijk zou hebben gewonnen. Maar al te veel doet het er misschien ook niet toe: met nog 11 zetten te gaan overschreed Van Marle de bedenktijd!
3) Neven-Abramsone (Tallinn Open 2001)
1.32-28 18-23 2.38-32 13-18 3.31-27 8-13 4.43-38 2-8 5.49-43 20-24 6.37-31 14-20 7.41-37 10-14 8.34-29 23x34 9.40x29 18-23 10.29x18 12x23 11.28-22 17x28 12.33x22 23-29 13.39-33 7-12 14.44-39 5-10 15.46-41 20-25 16.45-40 15-20 17.50-45 10-15 18.31-26?
Ondanks het feit dat zwart 18.32-28 met 18…12-17!? kan (en moet) beantwoorden, had wit beter op het centrum kunnen spelen. Zie ook het verloop van de blindpartij Sijbrands-Van Marle, dat verderop nog uitvoerig ter sprake zal komen.
18…12-18?
Op haar beurt verzuimt Abramsone die cruciale zet 18…19-23! dóór te zetten.
19.32-28!
Nu is voor wit alles dik in orde.
19…18-23 20.37-32 8-12 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1, 3, 4, 6, 9, 11 t/m 16, 19, 20, 23 t/m 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 26 t/m 28, 32, 33, 35, 36, 38 t/m 43, 45, 47 en 48.]
21.42-37?!
Dit is inderdaad exacter dan 21.41-37(?), waarop zwart immers 21…12-18! doet en wit de bevrijdende manoeuvre 22…29-34! niet met 22.39-34?? kan tegengaan wegens 22…16-21! +. Een soortgelijk bezwaar gold voor 21.36-31(?); men zie: 21…12-18! 22.39-34? (ter voorkoming van 22…29-34; maar:) 22…11-17! 23.22x11 6x17! en wit heeft geen bevredigend verweer tegen de dubbele dreiging 24…18-22!, 25…23x12 en 26…17-22 + enerzijds, en 24…17-22!, 25…24-30!, 26…30x39 en 27…19x39 anderzijds.
De tekstzet heeft het voordeel dat hij 21…12-18(?) wèl met 22.39-34! kan beantwoorden, bijvoorbeeld 22…11-17 23.22x11 6x17 24.27-21! 16x27 25.32x12 18x7* 26.37-32! met groot c.q. beslissend voordeel. Niettemin wijst de analyse uit dat Nevens nauwkeurigste en sterkste voortzetting uit (meteen) 21.39-34! bestond; op 21…12-18 reageert hij dan met 22.42-37! (nu wèl), en van 21…12-17 (22.41-37!) heeft hij evenmin iets te duchten. Het tempoverlies dat het gespeelde 21.42-37 met zich meebrengt, biedt zwart de gelegenheid het evenwicht goeddeels weer te herstellen:
21…12-17!
Vlecht de dreiging 22…17-21! en 23…13-18 enz. in de stand, zowit wit nog even geen tijd heeft voor 22.39-34.
22.47-42 3-8?
Maar Abramsone profiteert niet optimaal. Om een strategisch echec te voorkomen had zwart tot elke prijs 22…4-10! moeten spelen, teneinde 39-34 steeds met de grootscheepse vereenvoudiging 24-30! te kunnen beantwoorden. Omdat wit na 23.36-31 3-8 24.41-36 1-7 niet mag ‘passen’, was er in dat geval - anders dan in de partij - van een (vrijwel) geforceerde winst geen sprake meer geweest. (Al geef ik toe dat de zwarte stand na bijvoorbeeld 25.39-34 24-30 26.35x24 19x39 27.33x44 13-19 niet echt een solide indruk maakt…)
Nog twee opmerkingen over dit fragment. Gesteld dat wit zo-even niet 22.47-42 maar 22.36-31 4-10! 23.41-36 had gedaan, om na 23…3-8 met 24.47-41 1-7 25.48-42? zijn laatste tempi uit te spelen. Hij was dan van een koude kermis thuisgekomen, want in plaats van 25…7-12? of 25…8-12? (in beide gevallen wint 26.22-18!) had zwart de damzet 25…29-34!! 26.40x18 19-23! 27.28x30 25x34 28.39x30 17x48 + laten volgen.
De tweede en laatste opmerking heeft (eveneens) betrekking op de stand na 22.36-31 4-10 23.41-36. Daarin liet ik zwart eerst 23…3-8! en daarna pas 24…1-7 spelen. Dat was beslist niet zonder reden: op onmiddellijk 23…1-7? was wel degelijk grote, ja winnende kracht uitgegaan van 24.39-34!, en wel omdat 24…24-30 dan faalt op 25.33x24! 30x39 26.43x34 19x39 27.28x8 17x28* (anders 28.22-18! met dam op 1) 28.32x23 3x12 29.40-34!! (de verborgen pointe) 29…39x30 30.35x24 20x18 31.27-21 16x27 32.31x4 +.
23.39-34!
Nu Neven alsnog de mogelijkheid benut (23.)39-34 en (spoedig) 43-39 te spelen, staat hij evenzeer gewonnen als de beide witspelers in de hierboven behandelde partijen.
23…8-12 24.36-31!
Voordat (24…)12-18 nog vervelend zou kunnen worden, hevelt wit schijf 41 snel naar veld 31 over. En terecht: de zet 43-39 loopt tòch niet weg.
24…4-10 25.43-39
Nu pas.
25...12-18 26.41-36 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1, 6, 9 t/m 11, 13 t/m 20, 23 t/m 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 26 t/m 28, 31 t/m 40, 42, 45 en 48.]
26…1-7
Het enige serieuze alternatief bestond uit capituleren. Toch geeft de tekstzet nog verrassend veel verdediging:
27.27-21! 16x27 28.32x1 23x43(!) 29.34x12 43x34 30.40x29 19-23(!) 31.29x18 24-30 32.35x24 20x47
Vanuit een zo goed als hopeloze positie heeft Abramsone zich bepaald verdienstelijk geweerd. Maar het macro-eindspel dat nu op het bord prijkt, is domweg niet meer te houden. Dat komt niet eens zozeer door het (betrekkelijk geringe) materiële verschil van één schijf, als wel door de omstandigheid dat zwart de oprukkende vijandelijke ‘vrijpionnen’ onmogelijk allemaal kan afstoppen.
Ik geef het slot van de partij zonder commentaar.
33.22-17 13x22 34.17x28 47-24 35.37-32 25-30 36.32-27 24-2 37.28-22 2-24 38.22-17 11x22 39.27x18 30-34 40.26-21 34-39 41.12-7 24-35 42.21-16 39-44 43.18-13 35x11 44.16x7 44-49 45.7-2 14-20 46.2-16 49-35 47.16-49 35-19 48.1-34 20-25 49.49-35 19-28 50.34-1 28-33(??) 51.35-13
En zwart gaf het uiteraard op.
(WORDT VERVOLGD)
1.33-28 18-23 2.39-33 12-18 3.44-39 7-12 4.50-44 2-7 5.31-27 20-24 6.37-31 14-20 7.41-37 10-14 8.34-29 23x34 9.40x29 18-23 10.29x18 12x23 11.28-22 17x28 12.33x22 23-29 13.44-40 7-12 14.39-33 5-10 15.32-28
Dit is dus strijdig - ik geef het ogenblikkelijk toe - met wat ik zo-even beweerde, namelijk dat wits sterkste zet uit 15.49-44! bestaat. Maar hadden we niet met elkaar afgesproken dat het geen pas geeft om, ‘met de kennis van 2006’ enz. enz.?; en ik zou natuurlijk wel gek zijn om een dergelijke amnestie-regeling uitsluitend op partijen van Koeperman toe te passen en niet óók op die van mijzelf!
15…20-25 16.47-41!?
Maar deze ongebruikelijke zet, die het wit mogelijk maakt 16…15-20 met 17.37-32! te beantwoorden zònder te worden gehinderd door de damzet 17…19-23!, 18…25x34, 19…12-17 en 20…17x46 + die op 16.46-41?! 15-20 17.37-32?? was gevolgd, getuigt toch - al zeg ik het zelf - van enig inzicht in de materie, alsook van een zekere onafhankelijkheid-van-geest.
16…14-20?
Als gevolg van deze foutieve reactie zal zwart zich niet meer weten te bevrijden. Hij had tot elke prijs 16…12-17(!) moeten doen, bijvoorbeeld 17.31-26 8-12 18.37-32 en nu niet 18…3-8? 19.41-37! (zie ook boven) maar in plaats daarvan 18…13-18(!) 19.22x13 19x8(!), spoedig gevolgd door het terugruiltje 24-30.
17.37-32! 10-14 18.43-39!
Legt de vijandelijke stelling dusdanig aan banden dat zwart in ‘hogere zin’ al geklopt is.
18…12-18 19.41-37 8-12 20.49-43 3-8 21.31-26 18-23 22.37-31 12-18 23.39-34!
Geeft zwart geen gelegenheid zich los te werken met 23…29-34. Overigens was ditzelfde 23.39-34 ook op 22…12-17 gevolgd.
23…1-7 24.43-39 7-12 25.42-37 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 4, 6, 8, 9, 11 t/m 16, 18 t/m 20, 23 t/m 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 26 t/m 28, 31 t/m 40, 45, 46 en 48.]
De diagramstand brengt treffend in beeld waarom het in deze symmetrische openingsvariant zo buitengewoon belangrijk is als eerste (maar daarmee tegelijkertijd ook als enige!) 32-28! dan wel 19-23! te spelen. Had namelijk schijf 4 op veld 3 gestaan, en had zwart - evenals wit zojuist gedaan heeft (zie diens 23ste en 24ste zet) - een opstelling met 25…12-17! en 26…8-12 kunnen innemen, dan had hij, dankzij de ‘na-zet’, zelfs huizenhoog gewonnen gestaan!
[Ter zijde: wit zou iets meer méér verdediging hebben gehad wanneer in dat - overigens puur hypothetische - geval 46 op 47 zou hebben gestaan. Al lijdt het niet de geringste twijfel dat zwart ook na 25…12-17 26.48-43 8-12 27.47-42 (of 27.34-30 25x34 28.39x30 20-25! 29.47-42 25x34 30.26-21 17x26 31.35-30 24x44 32.33x24 19x30 33.28x17 18-23! 34.43-39 34x43 35.38x40 30-35! 36.40-34 9-13! 37.42-38 13-19! +) 27…3-8 28.34-30 25x34 29.39x30 20-25! 30.40-34 29x40 31.45x34 24-29! (maar met 41 op 42 natuurlijk niet 31…14-20?? wegens 32.33-29!, 33.28x39! en 34.34-29 +) 32.33x24 14-20 33.34-29 gaat winnen, bijvoorbeeld via 33…23x34 34.30x39 19x30! 35.35x24 20x29 36.39-33 9-14! (36…29-34?? 37.26-21! en 38.33-29) 37.33x24 14-19 38.24-20* 15x24 39.28-23* 17x28! 40.23x14 24-29! 41.32x34 13-19 42.14x23 18x40.]
Maar in de gegeven situatie is, doordat wit met (15.)32-28 schijf 19 de voet heeft dwars gezet, zwarts onderste schijf afgesneden van het werkelijke strijdtoneel. Daardoor lukt het hem nìet om stukken naar de velden 17 en 12 te brengen (de inventieve poging die de zwartspeelster in de laatste partij van dit drieluik zal wagen, is eveneens tot mislukken gedoemd), met als gevolg dat hij - zoals eerder betoogd - strategisch overspeeld wordt. Er volgde namelijk nog:
25…11-17 26.22x11 6x17
Achteruit slaan had slechts uitstel-van-executie betekend.
27.27-22! 18x27 28.31x11 16x7 29.28-22!
En zwart gaf het op: tegen de verschrikkelijke dreiging 30.22-18! en 31.35-30 + is geen kruid gewassen.
2) Woolschot-R. van Marle (Parthenay 1996)
1.32-28 18-23 2.38-32 12-18 3.31-27 7-12 4.43-38 2-7 5.49-43 20-24 6.37-31 14-20 7.41-37 10-14 8.46-41 5-10 9.34-29 23x34 10.40x29 18-23 11.29x18 12x23 12.28-22 17x28 13.33x22 23-29 14.32-28 7-12 15.39-33 20-25
De positionele ‘zonden’ die beide spelers in deze fase begaan, zullen we met de mantel der liefde bedekken: waarom zou wat voor Koeperman en Sijbrands geldt, niet óók voor Woolschot en Van Marle mogen gelden?
16.37-32! 15-20 17.41-37 10-15 18.44-40 12-18
Hiermee laat zwart de allerlaatste gelegenheid voorbijgaan om, zoals de computer adviseert, schijf 25 te activeren. Al zou men dit laatste woord met recht tussen aanhalingstekens kunnen plaatsen: in een situatie als na 18…25-30 19.43-39! (beter dan 19.50-44?!, waarop zowel 19…20-25/30-34 als de damzet 19…19-23, 20…29-34, 21…9-14, 22…20-25, 23…25x23, 24…23-28, 25…12-18 en 26…8x50 mogelijk is) 19…20-25 20.40-34! 29x40 21.45x34! (zie in dit verband ook het middenspel van Koeperman-Van Dijk 1959) is van veel ‘activiteit’ niet echt sprake…
19.50-44! 18-23 20.44-39! 1-7 21.31-26
Onmiddellijk 21.39-34! zou zwart al met een vrijwel onspeelbare positie hebben opgezadeld.
21…7-12 22.37-31 12-18 23.39-34!
Maar zo kan het óók.
23…8-12 24.43-39 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 3, 4, 6, 9, 11 t/m 16, 18 t/m 20, 23 t/m 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 26 t/m 28, 31 t/m 36, 38 t/m 40, 42, 45, 47 en 48.]
De gelijkenis met de vorige partij ligt er duimendik bovenop: afgezien van het (verwaarloosbare) feit dat 47 toen op 46 stond, zou nu na 24…3-8 25.42-37 exact dezelfde stelling als in Sijbrands-Wielaard 1971 ontstaan!
24…11-17
Evenals Wielaard heeft Van Marle niet beter dan de witte schijf 22 af te ruilen. Wel wil ik erop wijzen dat wit de situatie na 24…12-17 geenszins mag onderschatten, onder meer omdat zwart na 25.42-37(?) 3-8(!!) 26.27-21 16x27 27.32x3 23x41! 28.34x12 over de tegencombinatie 28…13-18! 29.22x13/12x23 19x17 30.3x21 11-17! 31.21x30 25x32 blijkt te beschikken (waarbij een boeiende vervolgvraag is of wit na 32.40-34 14-19* 33.31-27 32x21 34.26x17 19-23* 35.48-42!? 41-46 36.33-28!!? 23x32 37.42-37 32x41 38.17-12 heel misschien tòch nog wint). Behalve van 25.42-37 moet hij het evenmin hebben van 25.48-43(?), dat na 25…3-8(!!) 26.27-21 16x27 27.32x3 18x27 28.31x22 23x32 29.34x23 19x17 30.38x27 11-16 31.3x21 24-30 32.35x24 20x49 in een afspel resulteert waarin de winst nog niet voor de volle honderd procent vaststaat.
Daarentegen maakt het nauwkeurige 25.47-41!! aan alle onzekerheid een einde, getuige de volgende tactische spelgangen:
a) 25…24-30 26.33x24! 20x29 27.35x33 19-24 28.28x8! 17x46 29.48-43! 3x12 30.42-37 46x21 31.26x8 +.
b) 25…3-8 26.27-21! 16x27 27.32x3 23x43 28.34x12 43x34 29.40x29 19-23 30.29x18 24-30 31.35x24 20x47 (deze zelfde afwikkeling zal zich straks - maar dan met de witte dam op 1 in plaats van 3 - in de partij Neven-Abramsone voordoen) 32.48-42! 47x8 33.3x21! 13x22 34.31-27! 22x31 35.36x27 en als gevolg van de dubbele dreiging 36.21-8 + en 36.21-16 11-17 37.27-21 + kan zwart het net zo goed opgeven.
25.22x11 16x7
Vanaf dit moment moet wit kunnen winnen zoals hij wil.
26.48-43 7-11 27.47-41 11-16 28.42-37 6-11 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
zestien zwarte schijven op 3, 4, 9, 11 t/m 16, 18 t/m20, 23 t/m 25 en 29;
zestien witte schijven op 26 t/m 28, 31 t/m 41, 43 en 45.]
29.27-21
Ten koste van een schijf combineert Woolschot naar veld 6. Merk op dat zwart na het verrassende 29.26-21!? helemaal geen tegenspel meer had gehad, bijvoorbeeld 29…11-17 (29…12-17 30.21x12 18x7 31.27-22! +) 30.31-26 3-8 31.37-31 4-10 32.41-37 +.
29…16x27 30.32x21 23x32 31.38x27 29x49 32.21-16 49x21 33.26x6 12-17 34.31-26 18-23 35.37-31 23-28 36.41-37?! 19-23?!
Het slot van de partij kenmerkt zich door hevige wederzijdse tijdnood. Hardnekkiger was 36…28-33, 37…24-30 en 38…19x39, een mogelijkheid wit op zijn beurt had kunnen elimineren door 36.16-11! te spelen.
37.31-27 14-19 38.27-21?
En hier was zowel 38.16-11 als 38.27-22 ruimschoots gewonnen geweest.
38…13-18 39.21x12 18x7 40.6-1
Nu is het nog lang geen uitgemaakte zaak of wit na 40…9-13(!) 41.1x29 24x44 42.40x49 20-24(!) daadwerkelijk zou hebben gewonnen. Maar al te veel doet het er misschien ook niet toe: met nog 11 zetten te gaan overschreed Van Marle de bedenktijd!
3) Neven-Abramsone (Tallinn Open 2001)
1.32-28 18-23 2.38-32 13-18 3.31-27 8-13 4.43-38 2-8 5.49-43 20-24 6.37-31 14-20 7.41-37 10-14 8.34-29 23x34 9.40x29 18-23 10.29x18 12x23 11.28-22 17x28 12.33x22 23-29 13.39-33 7-12 14.44-39 5-10 15.46-41 20-25 16.45-40 15-20 17.50-45 10-15 18.31-26?
Ondanks het feit dat zwart 18.32-28 met 18…12-17!? kan (en moet) beantwoorden, had wit beter op het centrum kunnen spelen. Zie ook het verloop van de blindpartij Sijbrands-Van Marle, dat verderop nog uitvoerig ter sprake zal komen.
18…12-18?
Op haar beurt verzuimt Abramsone die cruciale zet 18…19-23! dóór te zetten.
19.32-28!
Nu is voor wit alles dik in orde.
19…18-23 20.37-32 8-12 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1, 3, 4, 6, 9, 11 t/m 16, 19, 20, 23 t/m 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 26 t/m 28, 32, 33, 35, 36, 38 t/m 43, 45, 47 en 48.]
21.42-37?!
Dit is inderdaad exacter dan 21.41-37(?), waarop zwart immers 21…12-18! doet en wit de bevrijdende manoeuvre 22…29-34! niet met 22.39-34?? kan tegengaan wegens 22…16-21! +. Een soortgelijk bezwaar gold voor 21.36-31(?); men zie: 21…12-18! 22.39-34? (ter voorkoming van 22…29-34; maar:) 22…11-17! 23.22x11 6x17! en wit heeft geen bevredigend verweer tegen de dubbele dreiging 24…18-22!, 25…23x12 en 26…17-22 + enerzijds, en 24…17-22!, 25…24-30!, 26…30x39 en 27…19x39 anderzijds.
De tekstzet heeft het voordeel dat hij 21…12-18(?) wèl met 22.39-34! kan beantwoorden, bijvoorbeeld 22…11-17 23.22x11 6x17 24.27-21! 16x27 25.32x12 18x7* 26.37-32! met groot c.q. beslissend voordeel. Niettemin wijst de analyse uit dat Nevens nauwkeurigste en sterkste voortzetting uit (meteen) 21.39-34! bestond; op 21…12-18 reageert hij dan met 22.42-37! (nu wèl), en van 21…12-17 (22.41-37!) heeft hij evenmin iets te duchten. Het tempoverlies dat het gespeelde 21.42-37 met zich meebrengt, biedt zwart de gelegenheid het evenwicht goeddeels weer te herstellen:
21…12-17!
Vlecht de dreiging 22…17-21! en 23…13-18 enz. in de stand, zowit wit nog even geen tijd heeft voor 22.39-34.
22.47-42 3-8?
Maar Abramsone profiteert niet optimaal. Om een strategisch echec te voorkomen had zwart tot elke prijs 22…4-10! moeten spelen, teneinde 39-34 steeds met de grootscheepse vereenvoudiging 24-30! te kunnen beantwoorden. Omdat wit na 23.36-31 3-8 24.41-36 1-7 niet mag ‘passen’, was er in dat geval - anders dan in de partij - van een (vrijwel) geforceerde winst geen sprake meer geweest. (Al geef ik toe dat de zwarte stand na bijvoorbeeld 25.39-34 24-30 26.35x24 19x39 27.33x44 13-19 niet echt een solide indruk maakt…)
Nog twee opmerkingen over dit fragment. Gesteld dat wit zo-even niet 22.47-42 maar 22.36-31 4-10! 23.41-36 had gedaan, om na 23…3-8 met 24.47-41 1-7 25.48-42? zijn laatste tempi uit te spelen. Hij was dan van een koude kermis thuisgekomen, want in plaats van 25…7-12? of 25…8-12? (in beide gevallen wint 26.22-18!) had zwart de damzet 25…29-34!! 26.40x18 19-23! 27.28x30 25x34 28.39x30 17x48 + laten volgen.
De tweede en laatste opmerking heeft (eveneens) betrekking op de stand na 22.36-31 4-10 23.41-36. Daarin liet ik zwart eerst 23…3-8! en daarna pas 24…1-7 spelen. Dat was beslist niet zonder reden: op onmiddellijk 23…1-7? was wel degelijk grote, ja winnende kracht uitgegaan van 24.39-34!, en wel omdat 24…24-30 dan faalt op 25.33x24! 30x39 26.43x34 19x39 27.28x8 17x28* (anders 28.22-18! met dam op 1) 28.32x23 3x12 29.40-34!! (de verborgen pointe) 29…39x30 30.35x24 20x18 31.27-21 16x27 32.31x4 +.
23.39-34!
Nu Neven alsnog de mogelijkheid benut (23.)39-34 en (spoedig) 43-39 te spelen, staat hij evenzeer gewonnen als de beide witspelers in de hierboven behandelde partijen.
23…8-12 24.36-31!
Voordat (24…)12-18 nog vervelend zou kunnen worden, hevelt wit schijf 41 snel naar veld 31 over. En terecht: de zet 43-39 loopt tòch niet weg.
24…4-10 25.43-39
Nu pas.
25...12-18 26.41-36 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1, 6, 9 t/m 11, 13 t/m 20, 23 t/m 25 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 26 t/m 28, 31 t/m 40, 42, 45 en 48.]
26…1-7
Het enige serieuze alternatief bestond uit capituleren. Toch geeft de tekstzet nog verrassend veel verdediging:
27.27-21! 16x27 28.32x1 23x43(!) 29.34x12 43x34 30.40x29 19-23(!) 31.29x18 24-30 32.35x24 20x47
Vanuit een zo goed als hopeloze positie heeft Abramsone zich bepaald verdienstelijk geweerd. Maar het macro-eindspel dat nu op het bord prijkt, is domweg niet meer te houden. Dat komt niet eens zozeer door het (betrekkelijk geringe) materiële verschil van één schijf, als wel door de omstandigheid dat zwart de oprukkende vijandelijke ‘vrijpionnen’ onmogelijk allemaal kan afstoppen.
Ik geef het slot van de partij zonder commentaar.
33.22-17 13x22 34.17x28 47-24 35.37-32 25-30 36.32-27 24-2 37.28-22 2-24 38.22-17 11x22 39.27x18 30-34 40.26-21 34-39 41.12-7 24-35 42.21-16 39-44 43.18-13 35x11 44.16x7 44-49 45.7-2 14-20 46.2-16 49-35 47.16-49 35-19 48.1-34 20-25 49.49-35 19-28 50.34-1 28-33(??) 51.35-13
En zwart gaf het uiteraard op.
(WORDT VERVOLGD)
Haarscherp openingsnieuwtje Koeperman in matchpartij tegen Van Dijk (deel 1)
woensdag 3 mei 2006 13:25
(In verband met de uitzonderlijke lengte heb ik
onderstaand artikel in vier delen moeten 'knippen'. De lezer
gelieve het echter als een aangesloten geheel te
beschouwen.)
De afgelopen weken heb ik vier meesterwerkjes van Iser Koeperman (1922-2006) laten zien, die alle met de variant 1.31-27 17-21 2.37-31 21-26 3.32-28 26x37 4.41x32 (of soms ook 1.32-28 17-21 2.37-32 21-26 3.32-27 enz.) van start gingen. Voordat we ons weer op de actualiteit (in de vorm van het NK 2006) storten, wil ik nog één laatste partij van Koeperman voor het voetlicht halen. Het betreft de tiende partij van de tweekamp om het WK 1959 tegen Geert van Dijk.
Wie alleen naar de uitslag van die tweekamp kijkt (Koeperman verpletterde zijn tegenstander met 27-13), is wellicht geneigd Koeperman-Van Dijk 1959 niet als een ‘echte’ WK-match te beschouwen en de gespeelde partijen slechts voor kennisgeving aan te nemen. Ten onrechte evenwel. Natuurlijk: Koeperman was dermate superieur dat er van een werkelijke krachtmeting nauwelijks sprake was, althans níet meer nadat Koeperman de vijfde ontmoeting had gewonnen en even later óók de partijen 7 tot en met 10 op zijn naam schreef. Maar die wetenschap doet niets af aan het speltechnische belang dat sommige van die matchpartijen nog steeds vertegenwoordigen.
Bovendien kun je - zoals bij vrijwel elke tweekamp - de cijfers op twee geheel verschillende manieren uitleggen. De vraag namelijk of de verliezer zo verschrikkelijk ‘zwak’ was, kun je ook omkeren: speelde de winnaar niet gewoon verschrikkelijk ‘sterk’? Ik pleit voor die laatste interpretatie. Tenslotte dient men te niet te vergeten dat Van Dijk in 1958 Nederlands kampioen was geworden door in de barrage niemand minder dan Keller met 7-5 te verslaan! (Zijn overwinning in de Challenge Mondial van Monaco 1959, een dubbelrondige vierkamp waarin Oscar Verpoest, Raoul Delhom en de Monegask Agliardi zijn tegenstanders waren, zal aanzienlijk minder van Van Dijks mentale krachten hebben gevergd.)
Eerlijk gezegd vermoed ik dan ook dat, buiten Roozenburg uiteraard (maar die speelde destijds al niet meer om de wereldtitel), niet één Nederlandse dammer Van Dijks prestatie daadwerkelijk zou hebben verbeterd. Want wie had, op twintig partijen, Koeperman vaker dan 13(!) keer op remise weten te houden? Waarbij ik - wellicht ten overvloede - ook nog even Koepermans latere 26-14(!) triomf over Sjtsjogoljew in herinnering zou willen roepen…
Hoe dan ook - in mijn optiek doet óók zijn tweekamp tegen Van Dijk Koepermans enorme kracht als matchspeler ten volle uitkomen. En het is de tiende matchpartij die Koeperman in al zijn glorie laat zien. Eerst introduceert hij een even gewaagd als ambitieus openingsnieuwtje (11.28-22). Vervolgens bedient hij zich - in een poging het voordeel naar zich toe te trekken - van een tactische mogelijkheid (18.22-17). En als Van Dijk daarop foutief reageert, verzilvert Koeperman zijn grote strategische overwicht door tergend langzaam (maar met uiterste precisie!) toe te werken naar een situatie waarin hij zèlf van een doorbraak-naar-dam verzekerd is, terwijl zijn tegenstander van elk tegenspel verstoken blijft.
Koeperman-Van Dijk
(10de matchpartij WK 1959)
1.31-27 19-23 2.33-28
Een poging om via 2…17-21 3.28x19 14x23 4.38/39-33 tot half-open klassiek te komen? Ik zou het niet durven zeggen. Het is waar dat Koeperman in latere jaren een aantal malen met dat moeilijke (openings)systeem zou experimenteren. [Overigens behoren de meeste van die partijen, zoals tegen Jioeloe (kamp. USSR 1967), Andreiko (11de matchpartij WK 1969), en Erdenebileg (Nijmegen 1998), bepaald niet tot de hoogtepunten uit zijn oeuvre…] Maar dat was nadat het half-open klassiek dankzij spelers als Jan Bom, Piet Roozenburg, Wim de Jong en Ed Holstvoogd een zekere populariteit en status had verworven. Ik sluit dan ook nìet uit dat Koepermans 1.31-27 (1…19-23) en 2.33-28 in het onderhavige geval ‘slechts’ bedoeld was om op 2…17-21 3.28x19 14x23 met behulp van de Dumont-opstelling (4.37-31 21-26 5.41-37 enz.; zie ook Koeperman-Alias, Pan-Amerikaans Zone-toernooi 1995!) gunstige voorwaarden voor een gesloten klassieke partij te scheppen.
2…13-19
Door veld 19 te sluiten brengt Van Dijk een iets minder gebruikelijke, doch allerminst onbekende versie van de Hollandse Opening op het bord. De zwartspeler zal zich er het prettigst bij hebben gevoeld: Van Dijk heeft in zijn lange carrière, die inmiddels meer dan zestig jaar omspant (zijn eerste ‘geregistreerde’ partij dateert van 1946, zijn tot op heden laatste van februari 2006), zo’n 150(!!) partijen gespeeld die ofwel met 1.33-28 18-23, ofwel met 1.32-28 18-23 2.38-32 van start gingen.
3.39-33 20-24 4.44-39 8-13 5.37-31 14-20 6.41-37 2-8 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
twintig zwarte schijven op 1, 3 t/m 13, 15 t/m 20, 23 en 24;
twintig witte schijven op 27, 28, 31 t/m 40, 42, 43 en 45 t/m 50.]
7.49-44
Deze zet biedt zwart de gelegenheid de symmetrie, die in de Hollandse Opening sowieso al op de loer ligt, te voltooien. Zeker vanuit de optiek van de witspeler, die immers de vóórzet heeft, hoeft daar niets op tegen te zijn. Desondanks moet ik hier altijd even wijzen op de alternatieve mogelijkheid 7.27-22!? 18x27 8.31x22 (8…10-14) 9.34-30!!? Waarom zwart dan al met serieuze problemen te kampen heeft, heb ik een kleine veertig jaar geleden al uitgelegd bij de bespreking van de partij Sijbrands-Van Dijk(!), NK 1967, in mijn eersteling Topprestaties op het Dambord (Amsterdam 1968). Maar ik zou in dit verband bovenal de aandacht willen vestigen op een tweetal Volkskrant-rubrieken van voorjaar 1996, waarin ik de spectaculaire Kurzpartien Gotenhuis ten Harkel-M. Knipper 1994 (17 februari) en Kuyken-Agafonow 1969 (2 maart) behandelde.
7…10-14 8.34-29
Wit gaat bij de eerste de beste gelegenheid tot de manoeuvre 34-29x29 over. Eerst 8.46-41 (8…5-10) en daarna pas 9.34-29 23x34 10.40x29 kàn, maar hoeft niet noodzakelijkerwijs op zetverwisseling neer te komen. Ik kom hier nog op terug.
8…23x34 9.40x29 18-23
Met schijf 1 op veld 2 (of 7 nog op 2 en 5 al op 10) placht èn pleegt Van Dijk zonder uitzondering 9…20-25 10.29x20 15x24 te doen, waarbij hij 11.27-22 18x27 12.31x22 geenszins als een bezwaar ervaart. (In een interlandpartij Koeperman-Van Dijk, Nederland-USSR 1970, zou daadwerkelijk zo worden gespeeld.) Maar zònder dat basisstuk op 2 voelt hij zich er klaarblijkelijk minder sterk toe aangetrokken de Hoogland-aanval tegen te spelen. Met die opvatting zit Van Dijk op één lijn met - zelfs! - de hedendaagse grootmeesters, die de aanwezigheid van de formatie 2/8/13 allen als een absolute voorwaarde voor een geslaagde omsingeling lijken te beschouwen!
10.29x18 12x23 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 1, 3 t/m 9, 11, 13 t/m 17, 19, 20, 23 en 24;
achttien witte schijven op 27, 28, 31 t/m 33, 35 t/m 39, 42 t/m 48 en 50.]
Zo had Van Dijk het 1¾ jaar tevoren, in het - uiteindelijk - door hem gewonnen NK 1958, ook gespeeld tegen Baris Dukel. Toen had Dukel de tijdelijke absentie van een zwarte schijf op veld 12 gelaten voor wat het was en met het betrekkelijk rustige 11.46-41 7-12 12.31-26 vervolgd. (Dat de partij-in-kwestie na 12…5-10 13.45-40 20-25 14.27-21 16x27 15.32x21 23x32 16.37x28 11-16 17.41-37 16x27 18.28-23 19x28 19.33x31 geen winnaar zou opleveren, zal niemand verbazen.) Koeperman gaat echter wèl op de scherpst denkbare wijze verder:
11.28-22!!?
Een gloednieuwe zet! Dat wil zeggen: het idee voor een dergelijke (aanvals)manoeuvre was al veel eerder gelanceerd door Piet Roozenburg, die in een van zijn eerste ontmoetingen met Keller (NK 1943) vanuit de stand na 1.31-26 19-23 2.36-31 14-19 3.41-36 10-14 4.46-41 20-24 5.31-27 14-20 6.36-31 5-10 7.41-36 10-14 8.33-28 met 8…17-21!? 9.26x17 11x33 10.39x28 23-29!? 11.34x23 18x29 vervolgde. [Keller antwoordde met het voorzichtige 12.40-34 29x40 13.45x34, wat - getuige partijen als Valneris-Kalmakow (Confederation Cup 2004), Fijn van Draat-Meijer (halve finales NK 2005) en Kalmakow-Schwarzman (kamp. Rusland 2005) - ook in onze dagen nog steeds de meest populaire reactie is.] En met schijf 47 op veld 49 (opening: 1.33-28 18-23 2.38-33 12-18 3.42-38 7-12 4.47-42 20-24 5.31-27 14-20 6.37-31 2-7 7.41-37 10-14 8.34-29 enz.) had oud-kampioen Freek Gordijn tegen Joop Jurg (Hengelo 1950) eveneens 11.28-22!!? 17x28 12.33x22 gespeeld.
Maar in de symmetrisch tegengespeelde Hollandse Opening was de tekstzet nog niet eerder voorgekomen. Bovendien lijkt het mij onwaarschijnlijk dat Koeperman de genoemde partijen kende: Turbo Dambase bestond uiteraard nog niet, en bij mijn weten is destijds noch van het NK 1943, noch van het toernooi van Hengelo 1950 een partijenboekje verschenen!
11…17x28 12.33x22 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1, 3 t/m 9, 11, 13 t/m 16, 19, 20, 23 en 24;
zeventien witte schijven 22, 27, 31, 32, 35 t/m 39, 42 t/m 48 en 50.]
12…23-29!?
Van de drie verschillende manieren waarop zwart kan reageren, geldt dit als de scherpste. Niet dat 12…24-29 of 12…24-30 13.35x24 20x29 onspeelbaar of zelfs maar slecht zou zijn. Maar het bezwaar van het handhaven van schijf 23 is dat zwart daarna moeilijk naar veld 18 kan oprukken, omdat wit - op voorwaarde uiteraard dat deze de formatie 31/27/22 intact laat - zelfs 8-12 met 22-18!? (13x22) en 27x18 kan beantwoorden. Doorgaans worden dan de voorposten op 18 en 29 tegen elkaar uitgewisseld, een vereenvoudiging waaraan wit de iets harmonieuzere stelling overhoudt. Zoals in de partij Roozenburg-Hoekstra, halve finales NK 1969, waarin het - zij het met 47 op 49 - verder ging met 12…24-29 13.35-30 8-12 14.22-18 13x22 15.27x18 29-33 16.39x28 20-25 17.18x29 25x23. (Zie ook DAMMEN nr. 34 van mei 1988.)
Nu had ik die decorwisseling uit Roozenburg-Hoekstra zelf óók al een keer (maar dan in de meest gebruikelijke versie, dat wil zeggen met 49 weer terug op 47) op het bord gehad, en wel in een kloksimultaanpartij (Bakel, december 1989) tegen de Brabantse hoofdklasser Hans Berkers. En dat was mij toen helemaal niet zo goed bevallen: het scheelde waarlijk niet veel of ik had de partij uiteindelijk zelfs verloren! Met de herinnering aan dat mislukte duel tegen Berkers nog in het achterhoofd ging ik op zoek naar een wezenlijke versterking van het witte spel toen ik mij, dertien jaar later, voorbereidde op mijn blindpartij tegen Nijverdal-speler Rienk van Marle (Lutten, 21 december 2002). Daarbij stond het voor mij als een paal boven water dat een gedegen voorbereiding van die partij (overigens slechts één van de 22 die ik dat weekeinde simultaan zou spelen) vruchten moest afwerpen, want de database gaf liefst 14(!!) zwart-partijen van mijn aanstaande tegenstander waarin - al dan niet met schijf 1 op veld 2 - de stand na 10/11…12x23 was voorgekomen…
Mijn ‘versterking’ nu ten opzichte van Sijbrands-Berkers 1989 bestond hìeruit dat ik tegen Van Marle na de openingszetten 1.32-28 18-23 2.38-32 12-18 3.31-27 7-12 4.43-38 20-24 5.37-31 14-20 6.41-37 10-14 7.49-43 1-7 eerst nog de zetten 8.46-41 5-10 inlaste, om daarna pas 9.34-29 23x34 10.40x29 18-23 11.29x18 12x23 12.28-22 17x28 13.33x22 te spelen. Zou Van Marle nu - evenals Hoekstra en Berkers - vervolgen met 13…24-29 14.35-30(!) 8-12? (zie analyse-diagram), dan zou ik hebben gewonnen met behulp van de even fraaie als originele damzet die Mike Voskamp in de halve finales van het Junioren-NK 1992 tegen Roeland Oosten had uitgevoerd: 15.30-24!! 19x30 16.32-28! 23x21 17.22-17 11x22 18.31-27 21x32/22x31 19.37x19 14x23 20.38-33 29x40 21.45x5 +.

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6, 7, 9 t/m 16, 19, 20, 23 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 27, 30 t/m 32, 36 t/m 39, 41 t/m 45, 47, 48 en 50.]
Maar die poging mijn tegenstander combinatief te verschalken, bleek volstrekt zinloos. Van Marle speelde namelijk ‘gewoon’ 13…23-29!? (wat ik eigenlijk had kunnen weten, want dat was ook de zet die hij in drie eerdere partijen had gedaan). En toen ik hem na afloop van de simultaan (het zal inmiddels zo’n uur of vier in de nacht zijn geweest) vroeg waarom hij niet 13…24-29 had gespeeld, verwees Van Marle onmiddellijk naar dat partijtje tussen Voskamp en Oosten!
Hoe dan ook - de ontruiming van veld 23 heeft de niet geringe verdienste dat zwart ongestoord 7-12-18 kan spelen in een poging de witte stand vast te houden (zoals omgekeerd ook wit zal proberen de vijandelijke stelling geheel onder controle te brengen). Het is mede aan Van Dijks principiële reactie te danken dat het bord spoedig in lichterlaaie zal staan.
13.44-40
Voordat hij tot het insnoerende 39-33 overgaat, grendelt Koeperman eerst veld 34 af. Een terechte beslissing, lijkt mij, want bij ontstentenis van een witte schijf op veld 49 zou zwart 13.39-33 - indien gewenst - wel degelijk met 13…29-34 (14.44-40?! 24-29 15.33x24 20x29) kunnen beantwoorden. Wel kan men zich afvragen of 13.45-40 misschien de voorkeur verdiende: ik zou mij kunnen voorstellen dat er omstandigheden denkbaar zijn waarin het van belang blijkt (13.)39-33 zo snel mogelijk door (14.)44-39 (in plaats van het tragere 50-44-39) te laten volgen. Maar wellicht is het lood om oud ijzer.
13…7-12 14.39-33 5-10 (zie diagram)
Van Dijk heeft een goede reden het symmetrische 14…12-18(?) achterwege te laten. Wit zou die zet immers met 15.32-28! en aansluitend 16.37-32 enz. hebben beantwoord. En als zwart dan niet ‘iets bijzonders’ heeft [bijvoorbeeld in de vorm van de manoeuvre 15…5-10, 16…20-25, 17…24-30 (18.33x24), 18…19-23 en 19…14x23; maar ik ben bang dat dit ‘schijnoffer’ bij correct tegenspel gewoon een stuk gaat kosten…] wordt de laatste strategisch overspeeld. (Ik kom hier in de eerstvolgende aantekening uitvoerig op terug.) Door echter schijf 12 wijselijk te laten staan, kan zwart op een toekomstig 32-28 nog met 12-17(!) reageren, om een verdere ontwikkeling van de vijandelijke linker vleugel aldus te verstoren of op z’n minst te bemoeilijken.

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1, 3, 4, 6, 8 t/m 16, 19, 20, 24 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 27, 31 t/m 33, 35 t/m 38, 40, 42, 43, 45 t/m 48 en 50.]
15.46-41
Natuurlijk past het ons nìet om, met de kennis van 2006, de Koeperman van 1959 de les te lezen. Bovendien betreft het een loodzware, nogal ondoorzichtige thematiek, wat óók een reden kan zijn slechts spaarzaam gebruik te maken van vraagtekens. Maar als mij met het pistool op de borst gevraagd werd of 15.46-41 een goede of zelfs maar nuttige zet is, dan zou ik - naar ik vrees - een ontkennend antwoord moeten geven. Dat negatieve oordeel over de tekstzet stoelt mede op de ervaring die ik er zèlf, in mijn al eerder genoemde blindpartij tegen Van Marle (waarin schijf 46 immers al op veld 41 stond), mee heb opgedaan (en waarover straks meer).
Het grote bezwaar van een opstelling met (15.)46-41 is dat wit - op voorwaarde dat zwart de zet 12-18 consequent blijft uitstellen! - na een toekomstig 32-28 problemen krijgt met het dóórzetten van 37-32. Daarmee wil ik nìet beweren dat meteen 15.32-28 ‘dus’ te prefereren was: zoals gezegd zou zwart daarop allerlei tactische obstakels kunnen opwerpen met 15…12-17. Een enkel - zij het niet al te relevant - voorbeeldje: 16.31-26 20-25 17.37-32 8-12? (onmiddellijk 17…24-30 is beter) 18.43-39? (en hier verdient 18.47-41! de voorkeur, bijvoorbeeld 18…3-8? 19.41-37!) 18…3-8 19.42-37 24-30! 20.33x24?? 19-23! 21.28x19 17x28! 22.32x23 30-34!! met schijf- en partijwinst na 23/24…15-20 en 24/25…13x22. En 15.43-39(?) was helemaal onnauwkeurig geweest, omdat zwart in dat geval plotseling wèl 15…12-18! doet. De standaard-reactie 16.32-28?? is dan namelijk uitgeschakeld door 16…19-23! en 17…20-25 +, zodat wit de positionele dreiging 16…19-23!, 17…14-19 en 18…10-14 alleen nog kan pareren met 16.50-44, aan welke zet evenwel weer andere bezwaren kleven.
Nee - Koeperman had mijns inziens eerst 15.50-44! en 16.44-39 moeten spelen, om pas in een iets later stadium, wanneer de tijd er rijp voor is, 32-28! annex 37-32 te doen. Aan welke levensgrote gevaren zwart in dat geval had blootgestaan, zal ik laten zien aan de hand van een drietal explosieve duels, waarvan ik de notaties in extenso weergeef:
(WORDT VERVOLGD)
De afgelopen weken heb ik vier meesterwerkjes van Iser Koeperman (1922-2006) laten zien, die alle met de variant 1.31-27 17-21 2.37-31 21-26 3.32-28 26x37 4.41x32 (of soms ook 1.32-28 17-21 2.37-32 21-26 3.32-27 enz.) van start gingen. Voordat we ons weer op de actualiteit (in de vorm van het NK 2006) storten, wil ik nog één laatste partij van Koeperman voor het voetlicht halen. Het betreft de tiende partij van de tweekamp om het WK 1959 tegen Geert van Dijk.
Wie alleen naar de uitslag van die tweekamp kijkt (Koeperman verpletterde zijn tegenstander met 27-13), is wellicht geneigd Koeperman-Van Dijk 1959 niet als een ‘echte’ WK-match te beschouwen en de gespeelde partijen slechts voor kennisgeving aan te nemen. Ten onrechte evenwel. Natuurlijk: Koeperman was dermate superieur dat er van een werkelijke krachtmeting nauwelijks sprake was, althans níet meer nadat Koeperman de vijfde ontmoeting had gewonnen en even later óók de partijen 7 tot en met 10 op zijn naam schreef. Maar die wetenschap doet niets af aan het speltechnische belang dat sommige van die matchpartijen nog steeds vertegenwoordigen.
Bovendien kun je - zoals bij vrijwel elke tweekamp - de cijfers op twee geheel verschillende manieren uitleggen. De vraag namelijk of de verliezer zo verschrikkelijk ‘zwak’ was, kun je ook omkeren: speelde de winnaar niet gewoon verschrikkelijk ‘sterk’? Ik pleit voor die laatste interpretatie. Tenslotte dient men te niet te vergeten dat Van Dijk in 1958 Nederlands kampioen was geworden door in de barrage niemand minder dan Keller met 7-5 te verslaan! (Zijn overwinning in de Challenge Mondial van Monaco 1959, een dubbelrondige vierkamp waarin Oscar Verpoest, Raoul Delhom en de Monegask Agliardi zijn tegenstanders waren, zal aanzienlijk minder van Van Dijks mentale krachten hebben gevergd.)
Eerlijk gezegd vermoed ik dan ook dat, buiten Roozenburg uiteraard (maar die speelde destijds al niet meer om de wereldtitel), niet één Nederlandse dammer Van Dijks prestatie daadwerkelijk zou hebben verbeterd. Want wie had, op twintig partijen, Koeperman vaker dan 13(!) keer op remise weten te houden? Waarbij ik - wellicht ten overvloede - ook nog even Koepermans latere 26-14(!) triomf over Sjtsjogoljew in herinnering zou willen roepen…
Hoe dan ook - in mijn optiek doet óók zijn tweekamp tegen Van Dijk Koepermans enorme kracht als matchspeler ten volle uitkomen. En het is de tiende matchpartij die Koeperman in al zijn glorie laat zien. Eerst introduceert hij een even gewaagd als ambitieus openingsnieuwtje (11.28-22). Vervolgens bedient hij zich - in een poging het voordeel naar zich toe te trekken - van een tactische mogelijkheid (18.22-17). En als Van Dijk daarop foutief reageert, verzilvert Koeperman zijn grote strategische overwicht door tergend langzaam (maar met uiterste precisie!) toe te werken naar een situatie waarin hij zèlf van een doorbraak-naar-dam verzekerd is, terwijl zijn tegenstander van elk tegenspel verstoken blijft.
Koeperman-Van Dijk
(10de matchpartij WK 1959)
1.31-27 19-23 2.33-28
Een poging om via 2…17-21 3.28x19 14x23 4.38/39-33 tot half-open klassiek te komen? Ik zou het niet durven zeggen. Het is waar dat Koeperman in latere jaren een aantal malen met dat moeilijke (openings)systeem zou experimenteren. [Overigens behoren de meeste van die partijen, zoals tegen Jioeloe (kamp. USSR 1967), Andreiko (11de matchpartij WK 1969), en Erdenebileg (Nijmegen 1998), bepaald niet tot de hoogtepunten uit zijn oeuvre…] Maar dat was nadat het half-open klassiek dankzij spelers als Jan Bom, Piet Roozenburg, Wim de Jong en Ed Holstvoogd een zekere populariteit en status had verworven. Ik sluit dan ook nìet uit dat Koepermans 1.31-27 (1…19-23) en 2.33-28 in het onderhavige geval ‘slechts’ bedoeld was om op 2…17-21 3.28x19 14x23 met behulp van de Dumont-opstelling (4.37-31 21-26 5.41-37 enz.; zie ook Koeperman-Alias, Pan-Amerikaans Zone-toernooi 1995!) gunstige voorwaarden voor een gesloten klassieke partij te scheppen.
2…13-19
Door veld 19 te sluiten brengt Van Dijk een iets minder gebruikelijke, doch allerminst onbekende versie van de Hollandse Opening op het bord. De zwartspeler zal zich er het prettigst bij hebben gevoeld: Van Dijk heeft in zijn lange carrière, die inmiddels meer dan zestig jaar omspant (zijn eerste ‘geregistreerde’ partij dateert van 1946, zijn tot op heden laatste van februari 2006), zo’n 150(!!) partijen gespeeld die ofwel met 1.33-28 18-23, ofwel met 1.32-28 18-23 2.38-32 van start gingen.
3.39-33 20-24 4.44-39 8-13 5.37-31 14-20 6.41-37 2-8 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
twintig zwarte schijven op 1, 3 t/m 13, 15 t/m 20, 23 en 24;
twintig witte schijven op 27, 28, 31 t/m 40, 42, 43 en 45 t/m 50.]
7.49-44
Deze zet biedt zwart de gelegenheid de symmetrie, die in de Hollandse Opening sowieso al op de loer ligt, te voltooien. Zeker vanuit de optiek van de witspeler, die immers de vóórzet heeft, hoeft daar niets op tegen te zijn. Desondanks moet ik hier altijd even wijzen op de alternatieve mogelijkheid 7.27-22!? 18x27 8.31x22 (8…10-14) 9.34-30!!? Waarom zwart dan al met serieuze problemen te kampen heeft, heb ik een kleine veertig jaar geleden al uitgelegd bij de bespreking van de partij Sijbrands-Van Dijk(!), NK 1967, in mijn eersteling Topprestaties op het Dambord (Amsterdam 1968). Maar ik zou in dit verband bovenal de aandacht willen vestigen op een tweetal Volkskrant-rubrieken van voorjaar 1996, waarin ik de spectaculaire Kurzpartien Gotenhuis ten Harkel-M. Knipper 1994 (17 februari) en Kuyken-Agafonow 1969 (2 maart) behandelde.
7…10-14 8.34-29
Wit gaat bij de eerste de beste gelegenheid tot de manoeuvre 34-29x29 over. Eerst 8.46-41 (8…5-10) en daarna pas 9.34-29 23x34 10.40x29 kàn, maar hoeft niet noodzakelijkerwijs op zetverwisseling neer te komen. Ik kom hier nog op terug.
8…23x34 9.40x29 18-23
Met schijf 1 op veld 2 (of 7 nog op 2 en 5 al op 10) placht èn pleegt Van Dijk zonder uitzondering 9…20-25 10.29x20 15x24 te doen, waarbij hij 11.27-22 18x27 12.31x22 geenszins als een bezwaar ervaart. (In een interlandpartij Koeperman-Van Dijk, Nederland-USSR 1970, zou daadwerkelijk zo worden gespeeld.) Maar zònder dat basisstuk op 2 voelt hij zich er klaarblijkelijk minder sterk toe aangetrokken de Hoogland-aanval tegen te spelen. Met die opvatting zit Van Dijk op één lijn met - zelfs! - de hedendaagse grootmeesters, die de aanwezigheid van de formatie 2/8/13 allen als een absolute voorwaarde voor een geslaagde omsingeling lijken te beschouwen!
10.29x18 12x23 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 1, 3 t/m 9, 11, 13 t/m 17, 19, 20, 23 en 24;
achttien witte schijven op 27, 28, 31 t/m 33, 35 t/m 39, 42 t/m 48 en 50.]
Zo had Van Dijk het 1¾ jaar tevoren, in het - uiteindelijk - door hem gewonnen NK 1958, ook gespeeld tegen Baris Dukel. Toen had Dukel de tijdelijke absentie van een zwarte schijf op veld 12 gelaten voor wat het was en met het betrekkelijk rustige 11.46-41 7-12 12.31-26 vervolgd. (Dat de partij-in-kwestie na 12…5-10 13.45-40 20-25 14.27-21 16x27 15.32x21 23x32 16.37x28 11-16 17.41-37 16x27 18.28-23 19x28 19.33x31 geen winnaar zou opleveren, zal niemand verbazen.) Koeperman gaat echter wèl op de scherpst denkbare wijze verder:
11.28-22!!?
Een gloednieuwe zet! Dat wil zeggen: het idee voor een dergelijke (aanvals)manoeuvre was al veel eerder gelanceerd door Piet Roozenburg, die in een van zijn eerste ontmoetingen met Keller (NK 1943) vanuit de stand na 1.31-26 19-23 2.36-31 14-19 3.41-36 10-14 4.46-41 20-24 5.31-27 14-20 6.36-31 5-10 7.41-36 10-14 8.33-28 met 8…17-21!? 9.26x17 11x33 10.39x28 23-29!? 11.34x23 18x29 vervolgde. [Keller antwoordde met het voorzichtige 12.40-34 29x40 13.45x34, wat - getuige partijen als Valneris-Kalmakow (Confederation Cup 2004), Fijn van Draat-Meijer (halve finales NK 2005) en Kalmakow-Schwarzman (kamp. Rusland 2005) - ook in onze dagen nog steeds de meest populaire reactie is.] En met schijf 47 op veld 49 (opening: 1.33-28 18-23 2.38-33 12-18 3.42-38 7-12 4.47-42 20-24 5.31-27 14-20 6.37-31 2-7 7.41-37 10-14 8.34-29 enz.) had oud-kampioen Freek Gordijn tegen Joop Jurg (Hengelo 1950) eveneens 11.28-22!!? 17x28 12.33x22 gespeeld.
Maar in de symmetrisch tegengespeelde Hollandse Opening was de tekstzet nog niet eerder voorgekomen. Bovendien lijkt het mij onwaarschijnlijk dat Koeperman de genoemde partijen kende: Turbo Dambase bestond uiteraard nog niet, en bij mijn weten is destijds noch van het NK 1943, noch van het toernooi van Hengelo 1950 een partijenboekje verschenen!
11…17x28 12.33x22 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1, 3 t/m 9, 11, 13 t/m 16, 19, 20, 23 en 24;
zeventien witte schijven 22, 27, 31, 32, 35 t/m 39, 42 t/m 48 en 50.]
12…23-29!?
Van de drie verschillende manieren waarop zwart kan reageren, geldt dit als de scherpste. Niet dat 12…24-29 of 12…24-30 13.35x24 20x29 onspeelbaar of zelfs maar slecht zou zijn. Maar het bezwaar van het handhaven van schijf 23 is dat zwart daarna moeilijk naar veld 18 kan oprukken, omdat wit - op voorwaarde uiteraard dat deze de formatie 31/27/22 intact laat - zelfs 8-12 met 22-18!? (13x22) en 27x18 kan beantwoorden. Doorgaans worden dan de voorposten op 18 en 29 tegen elkaar uitgewisseld, een vereenvoudiging waaraan wit de iets harmonieuzere stelling overhoudt. Zoals in de partij Roozenburg-Hoekstra, halve finales NK 1969, waarin het - zij het met 47 op 49 - verder ging met 12…24-29 13.35-30 8-12 14.22-18 13x22 15.27x18 29-33 16.39x28 20-25 17.18x29 25x23. (Zie ook DAMMEN nr. 34 van mei 1988.)
Nu had ik die decorwisseling uit Roozenburg-Hoekstra zelf óók al een keer (maar dan in de meest gebruikelijke versie, dat wil zeggen met 49 weer terug op 47) op het bord gehad, en wel in een kloksimultaanpartij (Bakel, december 1989) tegen de Brabantse hoofdklasser Hans Berkers. En dat was mij toen helemaal niet zo goed bevallen: het scheelde waarlijk niet veel of ik had de partij uiteindelijk zelfs verloren! Met de herinnering aan dat mislukte duel tegen Berkers nog in het achterhoofd ging ik op zoek naar een wezenlijke versterking van het witte spel toen ik mij, dertien jaar later, voorbereidde op mijn blindpartij tegen Nijverdal-speler Rienk van Marle (Lutten, 21 december 2002). Daarbij stond het voor mij als een paal boven water dat een gedegen voorbereiding van die partij (overigens slechts één van de 22 die ik dat weekeinde simultaan zou spelen) vruchten moest afwerpen, want de database gaf liefst 14(!!) zwart-partijen van mijn aanstaande tegenstander waarin - al dan niet met schijf 1 op veld 2 - de stand na 10/11…12x23 was voorgekomen…
Mijn ‘versterking’ nu ten opzichte van Sijbrands-Berkers 1989 bestond hìeruit dat ik tegen Van Marle na de openingszetten 1.32-28 18-23 2.38-32 12-18 3.31-27 7-12 4.43-38 20-24 5.37-31 14-20 6.41-37 10-14 7.49-43 1-7 eerst nog de zetten 8.46-41 5-10 inlaste, om daarna pas 9.34-29 23x34 10.40x29 18-23 11.29x18 12x23 12.28-22 17x28 13.33x22 te spelen. Zou Van Marle nu - evenals Hoekstra en Berkers - vervolgen met 13…24-29 14.35-30(!) 8-12? (zie analyse-diagram), dan zou ik hebben gewonnen met behulp van de even fraaie als originele damzet die Mike Voskamp in de halve finales van het Junioren-NK 1992 tegen Roeland Oosten had uitgevoerd: 15.30-24!! 19x30 16.32-28! 23x21 17.22-17 11x22 18.31-27 21x32/22x31 19.37x19 14x23 20.38-33 29x40 21.45x5 +.

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 2 t/m 4, 6, 7, 9 t/m 16, 19, 20, 23 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 27, 30 t/m 32, 36 t/m 39, 41 t/m 45, 47, 48 en 50.]
Maar die poging mijn tegenstander combinatief te verschalken, bleek volstrekt zinloos. Van Marle speelde namelijk ‘gewoon’ 13…23-29!? (wat ik eigenlijk had kunnen weten, want dat was ook de zet die hij in drie eerdere partijen had gedaan). En toen ik hem na afloop van de simultaan (het zal inmiddels zo’n uur of vier in de nacht zijn geweest) vroeg waarom hij niet 13…24-29 had gespeeld, verwees Van Marle onmiddellijk naar dat partijtje tussen Voskamp en Oosten!
Hoe dan ook - de ontruiming van veld 23 heeft de niet geringe verdienste dat zwart ongestoord 7-12-18 kan spelen in een poging de witte stand vast te houden (zoals omgekeerd ook wit zal proberen de vijandelijke stelling geheel onder controle te brengen). Het is mede aan Van Dijks principiële reactie te danken dat het bord spoedig in lichterlaaie zal staan.
13.44-40
Voordat hij tot het insnoerende 39-33 overgaat, grendelt Koeperman eerst veld 34 af. Een terechte beslissing, lijkt mij, want bij ontstentenis van een witte schijf op veld 49 zou zwart 13.39-33 - indien gewenst - wel degelijk met 13…29-34 (14.44-40?! 24-29 15.33x24 20x29) kunnen beantwoorden. Wel kan men zich afvragen of 13.45-40 misschien de voorkeur verdiende: ik zou mij kunnen voorstellen dat er omstandigheden denkbaar zijn waarin het van belang blijkt (13.)39-33 zo snel mogelijk door (14.)44-39 (in plaats van het tragere 50-44-39) te laten volgen. Maar wellicht is het lood om oud ijzer.
13…7-12 14.39-33 5-10 (zie diagram)
Van Dijk heeft een goede reden het symmetrische 14…12-18(?) achterwege te laten. Wit zou die zet immers met 15.32-28! en aansluitend 16.37-32 enz. hebben beantwoord. En als zwart dan niet ‘iets bijzonders’ heeft [bijvoorbeeld in de vorm van de manoeuvre 15…5-10, 16…20-25, 17…24-30 (18.33x24), 18…19-23 en 19…14x23; maar ik ben bang dat dit ‘schijnoffer’ bij correct tegenspel gewoon een stuk gaat kosten…] wordt de laatste strategisch overspeeld. (Ik kom hier in de eerstvolgende aantekening uitvoerig op terug.) Door echter schijf 12 wijselijk te laten staan, kan zwart op een toekomstig 32-28 nog met 12-17(!) reageren, om een verdere ontwikkeling van de vijandelijke linker vleugel aldus te verstoren of op z’n minst te bemoeilijken.

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1, 3, 4, 6, 8 t/m 16, 19, 20, 24 en 29;
zeventien witte schijven op 22, 27, 31 t/m 33, 35 t/m 38, 40, 42, 43, 45 t/m 48 en 50.]
15.46-41
Natuurlijk past het ons nìet om, met de kennis van 2006, de Koeperman van 1959 de les te lezen. Bovendien betreft het een loodzware, nogal ondoorzichtige thematiek, wat óók een reden kan zijn slechts spaarzaam gebruik te maken van vraagtekens. Maar als mij met het pistool op de borst gevraagd werd of 15.46-41 een goede of zelfs maar nuttige zet is, dan zou ik - naar ik vrees - een ontkennend antwoord moeten geven. Dat negatieve oordeel over de tekstzet stoelt mede op de ervaring die ik er zèlf, in mijn al eerder genoemde blindpartij tegen Van Marle (waarin schijf 46 immers al op veld 41 stond), mee heb opgedaan (en waarover straks meer).
Het grote bezwaar van een opstelling met (15.)46-41 is dat wit - op voorwaarde dat zwart de zet 12-18 consequent blijft uitstellen! - na een toekomstig 32-28 problemen krijgt met het dóórzetten van 37-32. Daarmee wil ik nìet beweren dat meteen 15.32-28 ‘dus’ te prefereren was: zoals gezegd zou zwart daarop allerlei tactische obstakels kunnen opwerpen met 15…12-17. Een enkel - zij het niet al te relevant - voorbeeldje: 16.31-26 20-25 17.37-32 8-12? (onmiddellijk 17…24-30 is beter) 18.43-39? (en hier verdient 18.47-41! de voorkeur, bijvoorbeeld 18…3-8? 19.41-37!) 18…3-8 19.42-37 24-30! 20.33x24?? 19-23! 21.28x19 17x28! 22.32x23 30-34!! met schijf- en partijwinst na 23/24…15-20 en 24/25…13x22. En 15.43-39(?) was helemaal onnauwkeurig geweest, omdat zwart in dat geval plotseling wèl 15…12-18! doet. De standaard-reactie 16.32-28?? is dan namelijk uitgeschakeld door 16…19-23! en 17…20-25 +, zodat wit de positionele dreiging 16…19-23!, 17…14-19 en 18…10-14 alleen nog kan pareren met 16.50-44, aan welke zet evenwel weer andere bezwaren kleven.
Nee - Koeperman had mijns inziens eerst 15.50-44! en 16.44-39 moeten spelen, om pas in een iets later stadium, wanneer de tijd er rijp voor is, 32-28! annex 37-32 te doen. Aan welke levensgrote gevaren zwart in dat geval had blootgestaan, zal ik laten zien aan de hand van een drietal explosieve duels, waarvan ik de notaties in extenso weergeef:
(WORDT VERVOLGD)
Als laatste eerbetoon aan Iser Koeperman laat ik de fraaie partij
zien die de oud-wereldkampioen in 1988 van Siep Buurke won. Het
duel is gelicht uit het Javaanse Jongens-toernooi, dat in augustus
van dat jaar in Groningen werd gehouden en in een overwinning voor
de - toen nog - toekomstige wereldkampioen Tsjizjow eindigde.
De manier waarop Koeperman zijn tegenstander, die zich bijna veertig zetten lang uitstekend weert, in het gevorderde middenspel tòch nog weet te overmeesteren, is ronduit indrukwekkend. En ik weet niet hoe het anderen vergaat, maar zelf zou ik ervoor tekenen om op mijn 66ste (Koeperman was van april 1922) nog over diezelfde alertheid en scherpte-van-geest te mogen beschikken die uit Koepermans spel in onderstaande partij spreekt!
Koeperman-Buurke
(Groningen 1988)
1.31-27 17-21 2.37-31 21-26 3.32-28 26x37 4.41x32 11-17 5.46-41 7-11 6.36-31 1-7 7.41-36 19-23 8.28x19 14x23 9.42-37 10-14 10.34-30 14-19 11.30-25 17-22
Hiermee wijkt Buurke af van de onlangs besproken partij Koeperman-Dawidow 1966, waarin met 11…17-21 (12.25x14 19x10) werd vervolgd.
12.25x14 19x10
In zijn partij tegen Sjtsjogoljew uit het internationale toernooi van Samarkand 1970 had Koeperman hier zèlf naar voren geslagen: 12...9x20. Daarop was het verder gegaan met 13.47-42 11-17 (een ander idee is 13...12-17, zoals in de partij Sjtsjogoljew-Goeljajew, kamp. USSR 1972, zou worden gespeeld) 14.33-28 22x33 15.39x28 7-11 16.28-22 17x28 17.27-21 16x27 18.31x33 5-10 met - zo men wil- licht voordeel voor zwart.
13.40-34 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 2 t/m13, 15, 16, 18, 22 en 23;
zeventien witte schijven op 27, 31 t/m 39, 43 t/m 45 en 47 t/m 50.]
De witspeler, die de 2x2-ruil 13...23-29, 14...22-28 en 15...18x20 liever elimineert, heeft kennelijk géén bezwaar tegen 13...23-28, omdat deze laatste vereenvoudiging hem tenminste nog een aanknopingspunt in de vorm van een vijandelijk stuk op 22 of 23 zou opleveren. Er is een zekere overeenkomst met de (18x18-) stand na 1.33-28 19-23 2.28x19 14x23 3.39-33 10-14 4.34-30 14-19 5.30-25 17-22 6.25x14 19x10, waarin wits meest constructieve mogelijkheid naar mijn smaak eveneens in dat kleine maar fijne zetje 7.40-34!? schuilt.
13...11-17
Hoewel het voor het partijverloop weinig of geen verschil zal blijken te maken, was eerst 13...10-14 (14.47-42 5-10) en daarna pas 15...11-17 misschien een fractie nauwkeuriger geweest.
14.47-42 9-14 15.44-40 4-9 16.50-44 7-11
Bepaald niet de meest subtiele voortzetting die men zich denken kan. Het opspelen van schijf 7, en daarmee indirect het prijsgeven van het steunpunt 2, biedt wit om te beginnen de gelegenheid het initiatief naar zich toe te trekken (zie het partijverloop), maar had nog veel vèrstrekkender consequenties gehad wanneer Koeperman op de 19de zet voor het scherpst denkbare vervolg zou hebben gekozen. Buurke had beide scenario’s kunnen omzeilen door zich met het relatief rustige 16...14-19 op te stellen. Maar mogelijk voelde de zwartspeler er niet voor (16...14-19) 17.33-28 22x33 18.39x28 toe te laten, mogelijk ook wou hij (16...7-11) 17.35-30 met 17...17-21 (18.31-26*) kunnen beantwoorden.
17.34-29! 23x34 18.40x29! 2-7* (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zestien zwarte schijven op 3, 5 t/m 18 en 22;
zestien witte schijven op 27, 29, 31 t/m 33, 35 t/m 39, 42 t/m 45, 48 en 49.]
19.32-28
Een van de belangrijkste momenten van de hele partij. Met het type stelling dat na het afgedwongen 19...18-23 op het bord komt, zal Koeperman niet ontevreden zijn geweest. Maar 19.32-28 18-23 is natuurlijk niet het meest ambitieuze vervolg waarover hij in de diagramstand beschikte. Dat bestond namelijk uit een speelwijze waarbij wit, zònder zich te bekommeren om een vijandelijke opmars van 14 naar 23 en/of van 21 naar 26, alles in het werk stelt om het strategische veld 24 te veroveren. Een dergelijke aanpak had weliswaar tot grote complicaties geleid, maar ik ben ervan overtuigd dat wit daar beduidend méér baat bij had gehad dan zwart, die immers blijvend hinder ondervindt van het open veld 2. Ik geef slechts één enkel voorbeeld:
19.39-34! 14-19 20.43-39! 19-23 21.35-30 10-14 22.45-40 14-19 (ook op 21/22...17-21 zet wit gewoon 22/23.30-24! dóór, zonder zich ook maar iets van de 2x2-ruil 22/23...23-28 aan te trekken) 23.40-35 9-14 24.30-24! 19x30 25.35x24 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 3, 5 t/m 8, 11 t/m 18, 22 en 23;
vijftien witte schijven op 24, 27, 29, 31 t/m 34, 36 t/m 39, 42, 44, 48 en 49.]
25...14-19 [ook na andere zetten houdt wit prachtig spel; de ‘tekstzet’ stoelt op de omstandigheid dat na 26.24-20?! 15x24 27.29x20 5-10!! het verleidelijke 28.20-15? hardhandig faalt op de combinatie 28...17-21!!, 29...23-28!, 30...21x43!, 31...13-19, 32...18x49 en 33...49x21 +, terwijl zwart op 28.20-14 dankzij een soortgelijke afwikkeling in de wedstrijd blijft: 28...17-21! (28...10-15? 29.34-29!! +) 29.14x5 23-28 30.32x14 21x43 31.49x38 13-19 32.14x23 18x49; maar wit heeft veel beter:] 26.49-43! (of zelfs 26.48-43!) 26...19x30 27.34x25 23x34 28.39x30 en zwart verkeert in ernstige moeilijkheden, getuige een vervolg als 28...17-21 (misschien is 28...13-19 nog het beste) 29.30-24! 5-10 30.43-39! 21-26 31.33-28! (al is 31.33-29 niet minder verschrikkelijk) 31...22x33 32.39x28! 10-14 33.28-22! 14-19 34.27-21 +.
Overigens zij hier opgemerkt dat ikzelf wel als laatste gerechtigd ben om Koeperman om zijn 19de zet te bekritiseren. In mijn eigen carrière namelijk heeft zich ooit, een kleine veertig jaar geleden alweer, een soortgelijke situatie voorgedaan die - naar mijn overtuiging - minstens zo aantrekkelijk moet zijn geweest omdat mijn tegenstander zowel schijf 2 als schijf 3 miste! Maar in de stand na 1.32-28 17-22 2.28x17 11x22 3.37-32 12-17 4.41-37 6-11 5.46-41 1-6 6.34-29 8-12 7.40-34 20-24 8.29x20 14x25 9.45-40 10-14 10.50-45 3-8 11.31-27 22x31 12.36x27 5-10 13.41-36 17-22 14.37-31 19-23 15.42-37! 11-17 16.47-42! 7-11 17.34-29! 23x34 18.39x30! 25x34 19.40x29 2-7 20.43-39 17-21 (Sijbrands-Wiersma, NK 1967) durfde ik het scherpste vervolg niet aan en koos ik na rijp beraad voor 21.31-26(?) 22x31 22.26x17 11x22 23.36x27 22x31 24.37x26 (24...14-20 25.35-30 20-24 enz.). De vraag wat er zoal had kunnen gebeuren wanneer wit wèl zo consequent mogelijk verder zou zijn gegaan, hoop ik te zijner tijd in mijn (damtechnische) autobiografie te beantwoorden.
19…18-23
Vanzelfsprekend niet 19...14-19/20(??) wegens 20.37-32!, waarna de kettingstelling een permanent karakter zou hebben gekregen.
20.28x19 14x34 21.39x30 10-14 22.27x18 12x23 23.37-32
Ook nu staat wit bevredigend. Maar het spreekt vanzelf dat zijn praktische (winst)kansen lang niet zo groot zijn als in de hierboven aangestipte spelgang.
23...7-12 24.44-39 5-10 25.45-40 14-19 26.40-34 10-14 27.32-27(!)
Koeperman zet de omsingeling van het vijandelijke centrum in. Die levert hem heel redelijk spel op, maar ook niet meer dan dat: als gevolg van Buurke’s adequate tegenspel zal het evenwicht voorlopig niet beslissend verbroken worden.
27…12-18
De juiste reactie. Met 27...13-18(?) had zwart zijn tegenstander danig in de kaart gespeeld, onder meer omdat na 28.33-29! de zet 28...14-20? uitgeschakeld is door 29.27-22! met schijfwinst of dam.
28.33-29(!) 14-20 29.39-33 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 3, 6, 8, 9, 11, 13, 15 t/m 20 en 23;
dertien witte schijven op 27, 29 t/m 31, 33 t/m 36, 38, 42, 43, 48 en 49.]
29...20-24
Ook op deze beslissing valt geen reële aanmerking te maken. Zo was 29...17-21? zeer zwak geweest in verband met de opstoot 30.27-22! 18x27 31.31x22; om allerlei tactische redenen (zoals 31...11-17?? 32.29x18!!, 33.42-37 en 34.30-25 +) heeft zwart dan niet beter dan 31...20-25 32.29x18 11-17 33.22x11 16x7, waarna wit met 34.43-39! 13x22 35.30-24! 19x30 36.35x24 en 37.34-29 schitterend aanvalsspel krijgt. En uitstel van 20-24x24 was evenmin aan te bevelen; één enkel voorbeeldje:
29...17-22 30.43-39! 11-17 31.48-43! 20-24 (anders doet wit gunstig 32.30-24) 32.29x20 15x24 33.30-25! 6-11 (zie analyse-diagram) en nu:

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 3, 8, 9, 11, 13, 16 t/m 19 en 22 t/m 24;
twaalf witte schijven op 25, 27, 31, 33 t/m 36, 38, 39, 42, 43 en 49.]
1) 34.49-44? (onnodig tijdverlies) 34...9-14! 35.34-29?? 23x34 36.39x30 14-20!! 37.25x21 11-17! 38.27x9 17x50 39.30x19 3x23 +.
2) 34.34-29! 23x34 35.39x30 17-21 36.38-32!!
Nu verliest 36...21-26 door 37.33-28! 26x39 38.28x6 en altijd 39.6-1 +. En na 36...11-17 37.43-38! faalt het noodzakelijke 37...21-26 op een andere meerslagfinesse, te weten 38.27-21! 26x39 39.21x14 9x20 40.30x19(!) 13x24 41.25x14 +.
Ik voeg hier nog aan toe dat het (halve) uitroepteken achter wits 40ste zet er niet zonder reden staat. Meteen 40.25x14(?) zou zwart namelijk nog de tijd laten voor de verborgen wanhoopsactie 40...13-19(!) 41.14x23 22-28(!!) 42.30x19 39-43 43.23x32 43-48. Al is het waar dat wit zelfs in dat geval uitstekende winstkansen houdt dankzij 44.19-13!! met ofwel een probleemloos 4x3-schijveneindspel (44...48x9/4? 45.32-27 9/4x31 46.36x27 +), ofwel een 5x3-dammeneindspel dat zwart op den duur toch zal moeten verliezen.
30.29x20 15x24 31.33-29(!)
Gaat voort op de ingeslagen weg.
31...24x33 32.38x29 17-22(!) (zie diagram)
Opnieuw kwam 32...17-21? nauwelijks in aanmerking wegens 33.27-22! 18x27 34.31x22 21-26 (gedwongen, want 34...11-17?? faalde weer op 35.29x18!! en 42-38-33! enz.) 35.29x18 11-17 36.22x11 16x7* 37.34-29! 13x22 38.29-24! 19-23 39.30-25! De levensgevaarlijke dreiging 40.25-20! (40...9-14?? 41.20x9 3x14 42.24-19 +) gevolgd door 41.20-15 kan dan niet met 39...23-28? worden gepareerd wegens 40.24-19! 8-13 41.19x8 3x12 42.35-30 enz. met onstuitbare doorbraak. Hieruit volgt dat zwart geen andere verdediging heeft dan uitgerekend 39...22-28, positioneel bezien de zwakste zet van het hele bord...

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 3, 6, 8, 9, 11, 13, 16, 18, 19, 22 en 23;
elf witte schijven op 27, 29 t/m 31, 34 t/m 36, 42, 43, 48 en 49.]
Door echter koelbloedig ‘in’ de halve hekstelling te gaan staan en aldus dat kwetsbare veld 22 af te schermen, legt Buurke de lat voor zijn tegenstander zo hoog mogelijk.
33.30-25
Waar hij op de vorige zet geen onoverkomelijke bezwaren had tegen de 3x3-ruil 32...19-24, 33...18-22 en 34...13x24 (tenslotte was zwart in dat geval met ‘ballast-schijven’ op 11 en 6 blijven zitten), voelt Koeperman er klaarblijkelijk nìet voor - en terecht! - de 2x2-ruil 33...11-17, 34...19-24 en 35...22x24 toe te laten. Wit kon die vereenvoudiging - behalve door schijf 25 naar de rand te dirigeren - ook tegengaan met 33.43-39 11-17 34.30-24 19x30 35.35x24, waarop 35...17-21? immers zou verliezen door 36.39-33! 21x32 37.33-28 22x33 38.29x27 met de dubbele dreiging 39.34-29!, 40.24-19 en 41.27-21 +. [In een oude competitiepartij tegen wijlen Piet van Heerde (VAD-RDG 1970) forceerde ik met behulp van diezelfde achterwaartse 2x2-ruil schijfwinst, al zou de feitelijke beslissing pas in het (verre) eindspel vallen.] Maar na 35...23-28! lijkt wit niets concreets te hebben, reden waarom Koeperman - alweer: terecht - zoveel mogelijk materiaal op het bord laat.
33...9-14 34.43-39 11-17 35.42-38 17-21 36.49-43 21x32 37.38x27 6-11 38.43-38
Evenals op de 34ste zet levert 38.31-26 22x31 39.36x27 niets op vanwege de uitstoot 39...23-28!
38...11-17 39.39-33 8-12(!) (zie diagram)
En niet 39...23-28? wegens 40.29-23! 28x30 41.23x21 22-28* met schijf- en - uiteindelijk - partijwinst voor wit.

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 3, 12 t/m 14, 16 t/m 19, 22 en 23;
tien witte schijven op 25, 27, 29, 31, 33 t/m 36, 38 en 48.]
40.38-32!!?
Koeperman taxeert juist dat hij er met gewone, althans positionele middelen niet meer komt (bijvoorbeeld 40.31-26 22x31 41.36x27 17-22! of 40.35-30 17-21! 41.48-43 21x32 42.38x27 12-17! 43.31-26 22x31 44.36x27 17-22 =), en neemt daarom zijn toevlucht tot het wapen van de tactiek. De clou van de verrassende tekstzet is dat zwart na 40…23-28 41.32x23 19x30 42.35x24! vanwege de dreiging 43.29-23 + verplicht is zijn plusschijf meteen weer te retourneren. En dat niet alleen: zowel na 42…22-28 43.27-22 18x27 44.31x33 als na 42…16-21 43.27x16 ziet de witte vleugelaanval (in het eerste geval rechts, in het tweede vooral links) er bijzonder gevaarlijk uit.
Maar 40.38-32 behelst nog veel méér dan een tamelijk doorzichtige lokzet...
40...3-8?
Deze schijnbaar zo solide zet (41.35-30?? 23-28! 42.32x23 19x39 43.34x43 17-21 +; 41.31-26? 22x31 42.36x27 17-22! =) blijkt in werkelijkheid juist in alle varianten te verliezen. Nu had iets soortgelijks waarschijnlijk eveneens gegolden voor het terugruiltje 40…14-20? 41.25x14 19x10, want daarop lijkt 42.35-30! wit een winnende omsingeling te geven. Een plausibel vervolg luidt tenminste 42…10-14 (want 42...3-8 wordt met 43.30-24! + beantwoord; misschien is 42...23-28 43.32x23 17-21 44.29-24! 18x40 45.27x7 40-44 nog het hardnekkigst, al moet wit ook in dat geval door overmacht kunnen winnen) 43.31-26! (nu pas) 43...22x31 44.36x27! (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
acht zwarte schijven op 3, 12 t/m 14, 16 t/m 18 en 23;
acht witte schijven op 26, 27, 29, 30, 32 t/ 34 en 48.]
44...14-20 (er dreigde bovenal 45.33-28! 13-19 46.27-22 +) 45.30-24! 20-25 46.33-28 25-30 47.28x8 30x39 48.8-2 39-44 49.32-28! (verhindert 49...44-50? door 50.27-22!, 51.2-8! en 52.26-21 +) 49...3-9 50.24-20! 44-50 51.28-23! 50-22 [ook na 51...50-45 52.2-35! 45-50 53.35-13! (nu pas) redt zwart het niet meer, bijvoorbeeld 53...16-21 54.13x6 21x32 55.26-21! 50-45 56.29-24! 45x18 57.6-1 met een probleemloze 4x2 na 57...18-13* 58.1x46 13x35 59.20-15/21-16 +] 52.27-21!! 16x27 53.2-13! 27-31 (er is niet beter: in alle andere gevallen komt zwart minstens drie schijven achter!) 54.26x37! (maar vooral niet 54.13x4? wegens 54...22-27!! 55.4x6 27-38! 56.26x37 38x15 met een remise-eindspel!) 54...17-21 55.13x4 21-27 (wat anders?) 56.37-32! 27x38 57.29-24 +.
Met andere woorden: van de vier serieuze voortzettingen waarover zwart in de stand na 40.38-32!!? beschikt, leiden de twee meest voor de hand liggende tot verlies! Toch had Buurke zich nog wel staande kunnen houden, en dat op twee geheel verschillende manieren:
1) 40...23-28! (tòch) 41.32x23 19x30 42.35x24 16-21 (dit lijkt relatief veiliger dan 42...22-28 43.27-22 18x27 44.31x33 12-18 45.33-28!, waarop wit 45...14-19 met 46.28-23!! 19x28 47.24-20! kan beantwoorden) 43.27x16 13-19 44.24x13 18x9 45.31-27 22x31 46.36x27 14-20! (om wit geen gelegenheid te geven met 47.29-24! een soort tweede front te creëren) 47.25x14 9x20 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
vier zwarte schijven op 3, 12, 17 en 20;
vier witte schijven op 16, 27, 29 en 48.]
48.27-22 [het ontstane 4x4-schijveneindspel vertoont een verrassende overeenkomst met het slot van Krajenbrink-Koeperman, Maars-toernooi (Harderwijk) 1993, welke overeenkomst des te opmerkelijker is wanneer men bedenkt dat ook dìe partij met de Ruilvariant van de Poolse Opening van start ging!; alleen stonden er toen wederzijds vijf schijven op het bord (48 op 42, 3 al op 8 en extra stukken op 13 en 40) en die omstandigheid maakte dat Koeperman, die overigens rond de 40ste zet wel degelijk verloren had gestaan, na 49.27-22 17x28 50.16-11 betrekkelijk eenvoudig remise kon maken met 50...28-32! 51.16-11 13-19! =] 48...17x28 49.16-11 28-32! 50.11-6 12-18!! (absoluut de enige: 50...32-37? 51.6-1 12-17 52.1-23 +) 51.6-1 (na de tussenzet 51.48-42 redt zwart zich op het nippertje met 51…3-8/3-9! 52.6-1 20-24! 53.1x37/46 24x33 =) 51…18-23! 52.29x18 32-37 53.18-13!? (een laatste winstpoging) en nu:
1.1) 53…3-9? (de verkeerde van de twee) 54.13x4 37-41 (zie analyse-diagram)
[Stand in cijfers:
twee zwarte schijven op 20 en 41;
een witte schijf op 48 en twee witte dammen op 1 en 4.]
55.1-23! (de inleiding tot een onverwachte, Blankenaar-achtige winst-op-de-valreep) 55…41-47 56.23-37!! (vlecht de combinatieve dreiging 57.48-42! annex 58.37-14/19 + in de stand; het dubbele uitroepteken achter 56.23-37 betekent overigens niet dat dit de enige winnende zet zou zijn: ook temporiserende voortzettingen als -5, -28, -32 en -46 zijn toereikend voor de winst, evenals 56.48-43) 56…20-25* 57.4-15! 47-36 58.37-41! 36x47 59.48-42 +.
1.2) 53…3-8! (alleen zo) 54.13x2 en nu:
1.2.1) 54...37-41? 55.1-23! 41-47 56.23-29 +.
1.2.2) 54...20-24! 55.2x30/35 37-41 en zwart ontsnapt in een 3x1-eindspel.
2) 40…3-9!
Ook na deze foeilelijke, op het eerste gezicht zelfs a-positionele voortzetting is nìet te zien hoe wit nog zou moeten winnen. Er kan bijvoorbeeld volgen 41.34-30 (niet beter is 41.31-26 22x31 42.36x27 17-22* =) 41...23x34 42.30x39 19-23! 43.31-26 22x31 44.36x27 13-19 45.35-30 9-13* 46.30-24 19x30 47.25x34 14-20 48.34-30 13-19 enz. met remise.
Na de begrijpelijke, doch niettemin foutieve tekstzet zal Koeperman de werkelijke pointe van 40.38-32 uitserveren:
41.25-20!! 14x25 42.35-30!! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 8, 12, 13, 16 t/m 19, 22, 23 en 25;
negen witte schijven op 27, 29 t/m 34, 36 en 48.]
Een prachtige offerwending, waarvan in de damliteratuur vrijwel geen precedenten te vinden zijn. (Het gambiet waarmee de van oorsprong Poolse Eva Schalley-Minkina in de clubcompetitie 2004/2005 niemand minder dan John van den Borst versloeg, komt er voor mijn gevoel nog het dichtst bij in de buurt.) Zwart staat vrijwel op slag verloren, enerzijds omdat hij na 42…17-21 43.31-26! 22x31 44.36x27! in dodelijke tempodwang verkeert (44…12-17 45.29-24! +), anderzijds omdat hij (ook) na het tegenoffer 42…22-28 43.33x11 16x7 hopeloos vastloopt: 44.27-21! 7-11 45.21-16! 11-17 46.31-26/27 +.
Overigens wijs ik erop dat wit er ook weer niet àl te gemakkelijk over mag denken. Want als hij in de variant 42...17-21 43.31-26 22x31 44.36x27 12-17 het correcte 45.29-24! vervangt door een zet met de kroonschijf (45.48-42/43?), komt zwart dankzij het dubbele tegenoffer 45...19-24!! 46.30x28 13-19! alsnog met de schrik vrij; twee voorbeeldjes:
a) 47.42-38 8-13 48.27-22 18x27 49.29-23 19-24 50.23-19 24-30! 51.19x8 30x39 52.33x44 17-22! =.
b) 47.42-37 8-13! 48.37-31 19-24! 49.29x20 25x14 50.33-29 13-19 51.34-30 14-20 52.30-25 en nu niet 52...18-22? 53.25x23 22x24 wegens 23-18-13-8-2! (waarna 57...40-45 met 58.2-19! + wordt beantwoord en 57...39-43/44 met de combinatie 58.27-22!!, 59.26x17! en 60.17-11 +), maar in plaats daarvan 52...19-24! 53.25x14 24x22 54.14-10 22-28 55.32x12 21x32 56.12x21 16x36 =.
Daarentegen zou na 42...17-21 43.31-26 22x31 44.36x27 12-17 de zet 45.33-28! weer wèl goed zijn. Bijvoorbeeld 45...17-22 46.28x17 21x12 47.26-21! en er is een pittoreske situatie ontstaan die ons de slotstand van de partij Sjtsjogoljew-Baljakin, kamp. USSR 1981, in herinnering brengt.
42...16-21
In arren moede wikkelt Buurke af naar een eindspel dat volkomen onhoudbaar is.
43.27x16 22-27 44.31x11 12-17 45.11x22 18x38 46.29x9 38x40 47.9-3 25x34 48.3x17 40-45 49.17-50 19-23 50.48-43! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
drie zwarte schijven op 23, 34 en 45;
drie witte schijven op 16, 36 en 43 en een witte dam op 50.]
50...23-28 51.50x11!
Ook in de afwerking laat Koeperman zich niet de geringste onnauwkeurigheid ontglippen. Zo mocht wit onder geen beding naar 6 slaan wegens 51…45-50 52.36-31 (wat anders?) 52…34-40! gevolgd door 40-44-49 =. Maar de temporiserende dam-manoeuvre 50-11-6 maakt aan het laatste restje onzekerheid een einde.
51…45-50 52.11-6!
Nu pas. Zonder 52…50-45 53.6-39 34-40 54.39-50/6 + af te wachten, gaf zwart het op.
De manier waarop Koeperman zijn tegenstander, die zich bijna veertig zetten lang uitstekend weert, in het gevorderde middenspel tòch nog weet te overmeesteren, is ronduit indrukwekkend. En ik weet niet hoe het anderen vergaat, maar zelf zou ik ervoor tekenen om op mijn 66ste (Koeperman was van april 1922) nog over diezelfde alertheid en scherpte-van-geest te mogen beschikken die uit Koepermans spel in onderstaande partij spreekt!
Koeperman-Buurke
(Groningen 1988)
1.31-27 17-21 2.37-31 21-26 3.32-28 26x37 4.41x32 11-17 5.46-41 7-11 6.36-31 1-7 7.41-36 19-23 8.28x19 14x23 9.42-37 10-14 10.34-30 14-19 11.30-25 17-22
Hiermee wijkt Buurke af van de onlangs besproken partij Koeperman-Dawidow 1966, waarin met 11…17-21 (12.25x14 19x10) werd vervolgd.
12.25x14 19x10
In zijn partij tegen Sjtsjogoljew uit het internationale toernooi van Samarkand 1970 had Koeperman hier zèlf naar voren geslagen: 12...9x20. Daarop was het verder gegaan met 13.47-42 11-17 (een ander idee is 13...12-17, zoals in de partij Sjtsjogoljew-Goeljajew, kamp. USSR 1972, zou worden gespeeld) 14.33-28 22x33 15.39x28 7-11 16.28-22 17x28 17.27-21 16x27 18.31x33 5-10 met - zo men wil- licht voordeel voor zwart.
13.40-34 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 2 t/m13, 15, 16, 18, 22 en 23;
zeventien witte schijven op 27, 31 t/m 39, 43 t/m 45 en 47 t/m 50.]
De witspeler, die de 2x2-ruil 13...23-29, 14...22-28 en 15...18x20 liever elimineert, heeft kennelijk géén bezwaar tegen 13...23-28, omdat deze laatste vereenvoudiging hem tenminste nog een aanknopingspunt in de vorm van een vijandelijk stuk op 22 of 23 zou opleveren. Er is een zekere overeenkomst met de (18x18-) stand na 1.33-28 19-23 2.28x19 14x23 3.39-33 10-14 4.34-30 14-19 5.30-25 17-22 6.25x14 19x10, waarin wits meest constructieve mogelijkheid naar mijn smaak eveneens in dat kleine maar fijne zetje 7.40-34!? schuilt.
13...11-17
Hoewel het voor het partijverloop weinig of geen verschil zal blijken te maken, was eerst 13...10-14 (14.47-42 5-10) en daarna pas 15...11-17 misschien een fractie nauwkeuriger geweest.
14.47-42 9-14 15.44-40 4-9 16.50-44 7-11
Bepaald niet de meest subtiele voortzetting die men zich denken kan. Het opspelen van schijf 7, en daarmee indirect het prijsgeven van het steunpunt 2, biedt wit om te beginnen de gelegenheid het initiatief naar zich toe te trekken (zie het partijverloop), maar had nog veel vèrstrekkender consequenties gehad wanneer Koeperman op de 19de zet voor het scherpst denkbare vervolg zou hebben gekozen. Buurke had beide scenario’s kunnen omzeilen door zich met het relatief rustige 16...14-19 op te stellen. Maar mogelijk voelde de zwartspeler er niet voor (16...14-19) 17.33-28 22x33 18.39x28 toe te laten, mogelijk ook wou hij (16...7-11) 17.35-30 met 17...17-21 (18.31-26*) kunnen beantwoorden.
17.34-29! 23x34 18.40x29! 2-7* (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zestien zwarte schijven op 3, 5 t/m 18 en 22;
zestien witte schijven op 27, 29, 31 t/m 33, 35 t/m 39, 42 t/m 45, 48 en 49.]
19.32-28
Een van de belangrijkste momenten van de hele partij. Met het type stelling dat na het afgedwongen 19...18-23 op het bord komt, zal Koeperman niet ontevreden zijn geweest. Maar 19.32-28 18-23 is natuurlijk niet het meest ambitieuze vervolg waarover hij in de diagramstand beschikte. Dat bestond namelijk uit een speelwijze waarbij wit, zònder zich te bekommeren om een vijandelijke opmars van 14 naar 23 en/of van 21 naar 26, alles in het werk stelt om het strategische veld 24 te veroveren. Een dergelijke aanpak had weliswaar tot grote complicaties geleid, maar ik ben ervan overtuigd dat wit daar beduidend méér baat bij had gehad dan zwart, die immers blijvend hinder ondervindt van het open veld 2. Ik geef slechts één enkel voorbeeld:
19.39-34! 14-19 20.43-39! 19-23 21.35-30 10-14 22.45-40 14-19 (ook op 21/22...17-21 zet wit gewoon 22/23.30-24! dóór, zonder zich ook maar iets van de 2x2-ruil 22/23...23-28 aan te trekken) 23.40-35 9-14 24.30-24! 19x30 25.35x24 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 3, 5 t/m 8, 11 t/m 18, 22 en 23;
vijftien witte schijven op 24, 27, 29, 31 t/m 34, 36 t/m 39, 42, 44, 48 en 49.]
25...14-19 [ook na andere zetten houdt wit prachtig spel; de ‘tekstzet’ stoelt op de omstandigheid dat na 26.24-20?! 15x24 27.29x20 5-10!! het verleidelijke 28.20-15? hardhandig faalt op de combinatie 28...17-21!!, 29...23-28!, 30...21x43!, 31...13-19, 32...18x49 en 33...49x21 +, terwijl zwart op 28.20-14 dankzij een soortgelijke afwikkeling in de wedstrijd blijft: 28...17-21! (28...10-15? 29.34-29!! +) 29.14x5 23-28 30.32x14 21x43 31.49x38 13-19 32.14x23 18x49; maar wit heeft veel beter:] 26.49-43! (of zelfs 26.48-43!) 26...19x30 27.34x25 23x34 28.39x30 en zwart verkeert in ernstige moeilijkheden, getuige een vervolg als 28...17-21 (misschien is 28...13-19 nog het beste) 29.30-24! 5-10 30.43-39! 21-26 31.33-28! (al is 31.33-29 niet minder verschrikkelijk) 31...22x33 32.39x28! 10-14 33.28-22! 14-19 34.27-21 +.
Overigens zij hier opgemerkt dat ikzelf wel als laatste gerechtigd ben om Koeperman om zijn 19de zet te bekritiseren. In mijn eigen carrière namelijk heeft zich ooit, een kleine veertig jaar geleden alweer, een soortgelijke situatie voorgedaan die - naar mijn overtuiging - minstens zo aantrekkelijk moet zijn geweest omdat mijn tegenstander zowel schijf 2 als schijf 3 miste! Maar in de stand na 1.32-28 17-22 2.28x17 11x22 3.37-32 12-17 4.41-37 6-11 5.46-41 1-6 6.34-29 8-12 7.40-34 20-24 8.29x20 14x25 9.45-40 10-14 10.50-45 3-8 11.31-27 22x31 12.36x27 5-10 13.41-36 17-22 14.37-31 19-23 15.42-37! 11-17 16.47-42! 7-11 17.34-29! 23x34 18.39x30! 25x34 19.40x29 2-7 20.43-39 17-21 (Sijbrands-Wiersma, NK 1967) durfde ik het scherpste vervolg niet aan en koos ik na rijp beraad voor 21.31-26(?) 22x31 22.26x17 11x22 23.36x27 22x31 24.37x26 (24...14-20 25.35-30 20-24 enz.). De vraag wat er zoal had kunnen gebeuren wanneer wit wèl zo consequent mogelijk verder zou zijn gegaan, hoop ik te zijner tijd in mijn (damtechnische) autobiografie te beantwoorden.
19…18-23
Vanzelfsprekend niet 19...14-19/20(??) wegens 20.37-32!, waarna de kettingstelling een permanent karakter zou hebben gekregen.
20.28x19 14x34 21.39x30 10-14 22.27x18 12x23 23.37-32
Ook nu staat wit bevredigend. Maar het spreekt vanzelf dat zijn praktische (winst)kansen lang niet zo groot zijn als in de hierboven aangestipte spelgang.
23...7-12 24.44-39 5-10 25.45-40 14-19 26.40-34 10-14 27.32-27(!)
Koeperman zet de omsingeling van het vijandelijke centrum in. Die levert hem heel redelijk spel op, maar ook niet meer dan dat: als gevolg van Buurke’s adequate tegenspel zal het evenwicht voorlopig niet beslissend verbroken worden.
27…12-18
De juiste reactie. Met 27...13-18(?) had zwart zijn tegenstander danig in de kaart gespeeld, onder meer omdat na 28.33-29! de zet 28...14-20? uitgeschakeld is door 29.27-22! met schijfwinst of dam.
28.33-29(!) 14-20 29.39-33 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 3, 6, 8, 9, 11, 13, 15 t/m 20 en 23;
dertien witte schijven op 27, 29 t/m 31, 33 t/m 36, 38, 42, 43, 48 en 49.]
29...20-24
Ook op deze beslissing valt geen reële aanmerking te maken. Zo was 29...17-21? zeer zwak geweest in verband met de opstoot 30.27-22! 18x27 31.31x22; om allerlei tactische redenen (zoals 31...11-17?? 32.29x18!!, 33.42-37 en 34.30-25 +) heeft zwart dan niet beter dan 31...20-25 32.29x18 11-17 33.22x11 16x7, waarna wit met 34.43-39! 13x22 35.30-24! 19x30 36.35x24 en 37.34-29 schitterend aanvalsspel krijgt. En uitstel van 20-24x24 was evenmin aan te bevelen; één enkel voorbeeldje:
29...17-22 30.43-39! 11-17 31.48-43! 20-24 (anders doet wit gunstig 32.30-24) 32.29x20 15x24 33.30-25! 6-11 (zie analyse-diagram) en nu:

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 3, 8, 9, 11, 13, 16 t/m 19 en 22 t/m 24;
twaalf witte schijven op 25, 27, 31, 33 t/m 36, 38, 39, 42, 43 en 49.]
1) 34.49-44? (onnodig tijdverlies) 34...9-14! 35.34-29?? 23x34 36.39x30 14-20!! 37.25x21 11-17! 38.27x9 17x50 39.30x19 3x23 +.
2) 34.34-29! 23x34 35.39x30 17-21 36.38-32!!
Nu verliest 36...21-26 door 37.33-28! 26x39 38.28x6 en altijd 39.6-1 +. En na 36...11-17 37.43-38! faalt het noodzakelijke 37...21-26 op een andere meerslagfinesse, te weten 38.27-21! 26x39 39.21x14 9x20 40.30x19(!) 13x24 41.25x14 +.
Ik voeg hier nog aan toe dat het (halve) uitroepteken achter wits 40ste zet er niet zonder reden staat. Meteen 40.25x14(?) zou zwart namelijk nog de tijd laten voor de verborgen wanhoopsactie 40...13-19(!) 41.14x23 22-28(!!) 42.30x19 39-43 43.23x32 43-48. Al is het waar dat wit zelfs in dat geval uitstekende winstkansen houdt dankzij 44.19-13!! met ofwel een probleemloos 4x3-schijveneindspel (44...48x9/4? 45.32-27 9/4x31 46.36x27 +), ofwel een 5x3-dammeneindspel dat zwart op den duur toch zal moeten verliezen.
30.29x20 15x24 31.33-29(!)
Gaat voort op de ingeslagen weg.
31...24x33 32.38x29 17-22(!) (zie diagram)
Opnieuw kwam 32...17-21? nauwelijks in aanmerking wegens 33.27-22! 18x27 34.31x22 21-26 (gedwongen, want 34...11-17?? faalde weer op 35.29x18!! en 42-38-33! enz.) 35.29x18 11-17 36.22x11 16x7* 37.34-29! 13x22 38.29-24! 19-23 39.30-25! De levensgevaarlijke dreiging 40.25-20! (40...9-14?? 41.20x9 3x14 42.24-19 +) gevolgd door 41.20-15 kan dan niet met 39...23-28? worden gepareerd wegens 40.24-19! 8-13 41.19x8 3x12 42.35-30 enz. met onstuitbare doorbraak. Hieruit volgt dat zwart geen andere verdediging heeft dan uitgerekend 39...22-28, positioneel bezien de zwakste zet van het hele bord...

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 3, 6, 8, 9, 11, 13, 16, 18, 19, 22 en 23;
elf witte schijven op 27, 29 t/m 31, 34 t/m 36, 42, 43, 48 en 49.]
Door echter koelbloedig ‘in’ de halve hekstelling te gaan staan en aldus dat kwetsbare veld 22 af te schermen, legt Buurke de lat voor zijn tegenstander zo hoog mogelijk.
33.30-25
Waar hij op de vorige zet geen onoverkomelijke bezwaren had tegen de 3x3-ruil 32...19-24, 33...18-22 en 34...13x24 (tenslotte was zwart in dat geval met ‘ballast-schijven’ op 11 en 6 blijven zitten), voelt Koeperman er klaarblijkelijk nìet voor - en terecht! - de 2x2-ruil 33...11-17, 34...19-24 en 35...22x24 toe te laten. Wit kon die vereenvoudiging - behalve door schijf 25 naar de rand te dirigeren - ook tegengaan met 33.43-39 11-17 34.30-24 19x30 35.35x24, waarop 35...17-21? immers zou verliezen door 36.39-33! 21x32 37.33-28 22x33 38.29x27 met de dubbele dreiging 39.34-29!, 40.24-19 en 41.27-21 +. [In een oude competitiepartij tegen wijlen Piet van Heerde (VAD-RDG 1970) forceerde ik met behulp van diezelfde achterwaartse 2x2-ruil schijfwinst, al zou de feitelijke beslissing pas in het (verre) eindspel vallen.] Maar na 35...23-28! lijkt wit niets concreets te hebben, reden waarom Koeperman - alweer: terecht - zoveel mogelijk materiaal op het bord laat.
33...9-14 34.43-39 11-17 35.42-38 17-21 36.49-43 21x32 37.38x27 6-11 38.43-38
Evenals op de 34ste zet levert 38.31-26 22x31 39.36x27 niets op vanwege de uitstoot 39...23-28!
38...11-17 39.39-33 8-12(!) (zie diagram)
En niet 39...23-28? wegens 40.29-23! 28x30 41.23x21 22-28* met schijf- en - uiteindelijk - partijwinst voor wit.

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 3, 12 t/m 14, 16 t/m 19, 22 en 23;
tien witte schijven op 25, 27, 29, 31, 33 t/m 36, 38 en 48.]
40.38-32!!?
Koeperman taxeert juist dat hij er met gewone, althans positionele middelen niet meer komt (bijvoorbeeld 40.31-26 22x31 41.36x27 17-22! of 40.35-30 17-21! 41.48-43 21x32 42.38x27 12-17! 43.31-26 22x31 44.36x27 17-22 =), en neemt daarom zijn toevlucht tot het wapen van de tactiek. De clou van de verrassende tekstzet is dat zwart na 40…23-28 41.32x23 19x30 42.35x24! vanwege de dreiging 43.29-23 + verplicht is zijn plusschijf meteen weer te retourneren. En dat niet alleen: zowel na 42…22-28 43.27-22 18x27 44.31x33 als na 42…16-21 43.27x16 ziet de witte vleugelaanval (in het eerste geval rechts, in het tweede vooral links) er bijzonder gevaarlijk uit.
Maar 40.38-32 behelst nog veel méér dan een tamelijk doorzichtige lokzet...
40...3-8?
Deze schijnbaar zo solide zet (41.35-30?? 23-28! 42.32x23 19x39 43.34x43 17-21 +; 41.31-26? 22x31 42.36x27 17-22! =) blijkt in werkelijkheid juist in alle varianten te verliezen. Nu had iets soortgelijks waarschijnlijk eveneens gegolden voor het terugruiltje 40…14-20? 41.25x14 19x10, want daarop lijkt 42.35-30! wit een winnende omsingeling te geven. Een plausibel vervolg luidt tenminste 42…10-14 (want 42...3-8 wordt met 43.30-24! + beantwoord; misschien is 42...23-28 43.32x23 17-21 44.29-24! 18x40 45.27x7 40-44 nog het hardnekkigst, al moet wit ook in dat geval door overmacht kunnen winnen) 43.31-26! (nu pas) 43...22x31 44.36x27! (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
acht zwarte schijven op 3, 12 t/m 14, 16 t/m 18 en 23;
acht witte schijven op 26, 27, 29, 30, 32 t/ 34 en 48.]
44...14-20 (er dreigde bovenal 45.33-28! 13-19 46.27-22 +) 45.30-24! 20-25 46.33-28 25-30 47.28x8 30x39 48.8-2 39-44 49.32-28! (verhindert 49...44-50? door 50.27-22!, 51.2-8! en 52.26-21 +) 49...3-9 50.24-20! 44-50 51.28-23! 50-22 [ook na 51...50-45 52.2-35! 45-50 53.35-13! (nu pas) redt zwart het niet meer, bijvoorbeeld 53...16-21 54.13x6 21x32 55.26-21! 50-45 56.29-24! 45x18 57.6-1 met een probleemloze 4x2 na 57...18-13* 58.1x46 13x35 59.20-15/21-16 +] 52.27-21!! 16x27 53.2-13! 27-31 (er is niet beter: in alle andere gevallen komt zwart minstens drie schijven achter!) 54.26x37! (maar vooral niet 54.13x4? wegens 54...22-27!! 55.4x6 27-38! 56.26x37 38x15 met een remise-eindspel!) 54...17-21 55.13x4 21-27 (wat anders?) 56.37-32! 27x38 57.29-24 +.
Met andere woorden: van de vier serieuze voortzettingen waarover zwart in de stand na 40.38-32!!? beschikt, leiden de twee meest voor de hand liggende tot verlies! Toch had Buurke zich nog wel staande kunnen houden, en dat op twee geheel verschillende manieren:
1) 40...23-28! (tòch) 41.32x23 19x30 42.35x24 16-21 (dit lijkt relatief veiliger dan 42...22-28 43.27-22 18x27 44.31x33 12-18 45.33-28!, waarop wit 45...14-19 met 46.28-23!! 19x28 47.24-20! kan beantwoorden) 43.27x16 13-19 44.24x13 18x9 45.31-27 22x31 46.36x27 14-20! (om wit geen gelegenheid te geven met 47.29-24! een soort tweede front te creëren) 47.25x14 9x20 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
vier zwarte schijven op 3, 12, 17 en 20;
vier witte schijven op 16, 27, 29 en 48.]
48.27-22 [het ontstane 4x4-schijveneindspel vertoont een verrassende overeenkomst met het slot van Krajenbrink-Koeperman, Maars-toernooi (Harderwijk) 1993, welke overeenkomst des te opmerkelijker is wanneer men bedenkt dat ook dìe partij met de Ruilvariant van de Poolse Opening van start ging!; alleen stonden er toen wederzijds vijf schijven op het bord (48 op 42, 3 al op 8 en extra stukken op 13 en 40) en die omstandigheid maakte dat Koeperman, die overigens rond de 40ste zet wel degelijk verloren had gestaan, na 49.27-22 17x28 50.16-11 betrekkelijk eenvoudig remise kon maken met 50...28-32! 51.16-11 13-19! =] 48...17x28 49.16-11 28-32! 50.11-6 12-18!! (absoluut de enige: 50...32-37? 51.6-1 12-17 52.1-23 +) 51.6-1 (na de tussenzet 51.48-42 redt zwart zich op het nippertje met 51…3-8/3-9! 52.6-1 20-24! 53.1x37/46 24x33 =) 51…18-23! 52.29x18 32-37 53.18-13!? (een laatste winstpoging) en nu:
1.1) 53…3-9? (de verkeerde van de twee) 54.13x4 37-41 (zie analyse-diagram)
[Stand in cijfers:
twee zwarte schijven op 20 en 41;
een witte schijf op 48 en twee witte dammen op 1 en 4.]
55.1-23! (de inleiding tot een onverwachte, Blankenaar-achtige winst-op-de-valreep) 55…41-47 56.23-37!! (vlecht de combinatieve dreiging 57.48-42! annex 58.37-14/19 + in de stand; het dubbele uitroepteken achter 56.23-37 betekent overigens niet dat dit de enige winnende zet zou zijn: ook temporiserende voortzettingen als -5, -28, -32 en -46 zijn toereikend voor de winst, evenals 56.48-43) 56…20-25* 57.4-15! 47-36 58.37-41! 36x47 59.48-42 +.
1.2) 53…3-8! (alleen zo) 54.13x2 en nu:
1.2.1) 54...37-41? 55.1-23! 41-47 56.23-29 +.
1.2.2) 54...20-24! 55.2x30/35 37-41 en zwart ontsnapt in een 3x1-eindspel.
2) 40…3-9!
Ook na deze foeilelijke, op het eerste gezicht zelfs a-positionele voortzetting is nìet te zien hoe wit nog zou moeten winnen. Er kan bijvoorbeeld volgen 41.34-30 (niet beter is 41.31-26 22x31 42.36x27 17-22* =) 41...23x34 42.30x39 19-23! 43.31-26 22x31 44.36x27 13-19 45.35-30 9-13* 46.30-24 19x30 47.25x34 14-20 48.34-30 13-19 enz. met remise.
Na de begrijpelijke, doch niettemin foutieve tekstzet zal Koeperman de werkelijke pointe van 40.38-32 uitserveren:
41.25-20!! 14x25 42.35-30!! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 8, 12, 13, 16 t/m 19, 22, 23 en 25;
negen witte schijven op 27, 29 t/m 34, 36 en 48.]
Een prachtige offerwending, waarvan in de damliteratuur vrijwel geen precedenten te vinden zijn. (Het gambiet waarmee de van oorsprong Poolse Eva Schalley-Minkina in de clubcompetitie 2004/2005 niemand minder dan John van den Borst versloeg, komt er voor mijn gevoel nog het dichtst bij in de buurt.) Zwart staat vrijwel op slag verloren, enerzijds omdat hij na 42…17-21 43.31-26! 22x31 44.36x27! in dodelijke tempodwang verkeert (44…12-17 45.29-24! +), anderzijds omdat hij (ook) na het tegenoffer 42…22-28 43.33x11 16x7 hopeloos vastloopt: 44.27-21! 7-11 45.21-16! 11-17 46.31-26/27 +.
Overigens wijs ik erop dat wit er ook weer niet àl te gemakkelijk over mag denken. Want als hij in de variant 42...17-21 43.31-26 22x31 44.36x27 12-17 het correcte 45.29-24! vervangt door een zet met de kroonschijf (45.48-42/43?), komt zwart dankzij het dubbele tegenoffer 45...19-24!! 46.30x28 13-19! alsnog met de schrik vrij; twee voorbeeldjes:
a) 47.42-38 8-13 48.27-22 18x27 49.29-23 19-24 50.23-19 24-30! 51.19x8 30x39 52.33x44 17-22! =.
b) 47.42-37 8-13! 48.37-31 19-24! 49.29x20 25x14 50.33-29 13-19 51.34-30 14-20 52.30-25 en nu niet 52...18-22? 53.25x23 22x24 wegens 23-18-13-8-2! (waarna 57...40-45 met 58.2-19! + wordt beantwoord en 57...39-43/44 met de combinatie 58.27-22!!, 59.26x17! en 60.17-11 +), maar in plaats daarvan 52...19-24! 53.25x14 24x22 54.14-10 22-28 55.32x12 21x32 56.12x21 16x36 =.
Daarentegen zou na 42...17-21 43.31-26 22x31 44.36x27 12-17 de zet 45.33-28! weer wèl goed zijn. Bijvoorbeeld 45...17-22 46.28x17 21x12 47.26-21! en er is een pittoreske situatie ontstaan die ons de slotstand van de partij Sjtsjogoljew-Baljakin, kamp. USSR 1981, in herinnering brengt.
42...16-21
In arren moede wikkelt Buurke af naar een eindspel dat volkomen onhoudbaar is.
43.27x16 22-27 44.31x11 12-17 45.11x22 18x38 46.29x9 38x40 47.9-3 25x34 48.3x17 40-45 49.17-50 19-23 50.48-43! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
drie zwarte schijven op 23, 34 en 45;
drie witte schijven op 16, 36 en 43 en een witte dam op 50.]
50...23-28 51.50x11!
Ook in de afwerking laat Koeperman zich niet de geringste onnauwkeurigheid ontglippen. Zo mocht wit onder geen beding naar 6 slaan wegens 51…45-50 52.36-31 (wat anders?) 52…34-40! gevolgd door 40-44-49 =. Maar de temporiserende dam-manoeuvre 50-11-6 maakt aan het laatste restje onzekerheid een einde.
51…45-50 52.11-6!
Nu pas. Zonder 52…50-45 53.6-39 34-40 54.39-50/6 + af te wachten, gaf zwart het op.
In de eerste twee afleveringen van deze mini-serie ter
nagedachtenis aan Iser Koeperman (1922-2006) liet ik zien hoe de
Reus uit Kiew, steeds vanuit dezelfde openingsvariant, in 1960
Mansjien versloeg en in 1996 Hans Berkers. Ook de partij die
Koeperman in december 1966 won van de Moskoviet Alexander Dawidow
(niet te verwarren overigens met de uit Tasjkent afkomstige meester
Sergeï Dawidow), gaat met de Ruilvariant van de Poolse Opening van
start.
Hoewel Dawidow de desbetreffende openingvariant een wezenlijk ander vervolg geeft dan Mansjien had gedaan en Berkers vele jaren later zou doen, kan ook hij niet voorkomen dat Koeperman langzaam maar zeker belangrijk, ja doorslaggevend voordeel naar zich toetrekt. Weliswaar weet Dawidow de strijd nog tot aan de klokcontrole te rekken, maar uiteindelijk zal hij toch, in een positie van wederzijds zes schijven, kansloos ten onder gaan.
Ik herinner mij nog goed hoezeer ik onder de indruk was van Koepermans zege, nadat ik de partij-in-kwestie voor de allereerste keer had nagespeeld uit de door Henk Fokkink verzorgde circulaires van de Persvereniging van Damredacteuren. (Niet dat ik destijds, als 17-jarige, al een damrubriek had - dat zou, dankzij de betreurde Tijd-journalist Herman Hofhuizen, pas anderhalf jaar later het geval zijn - maar het stond eenieder vrij zich op de nieuwsbrieven van de ‘PvD’ te abonneren; vandaar.) Veertig jaar na dato blijkt het duel nog steeds niets aan charme te hebben ingeboet!
Koeperman-A. Dawidow
(Coupe USSR 1966)
1.31-27 17-21 2.37-31 21-26 3.32-28 26x37 4.41x32 11-17 5.46-41 7-11 6.36-31 1-7 7.41-36 19-23 8.28x19 14x23 9.42-37
Koeperman brengt het ‘Tsjizjow-kanon’ in stelling, ook al heette dat toen natuurlijk nog lang niet zo.
9...10-14 10.34-30
Je hoeft niet eens een fundamentalistische aanhanger van de tempo-theorie te zijn om hier tòch voor 10.34-29 23x34 11.39x30 (onder meer Gantwarg-F. de Koning, Clubcompetitie 1994/1995) te kiezen. Maar Koeperman zwoer in deze openingsvariant nu eenmaal bij het chiquere 34-30-25.
10...14-19 11.30-25 17-21
Een heel ander idee is 11...17-22, zoals Siep Buurke in het Javaanse Jongens-toernooi van Groningen 1988 tegen Koeperman zou spelen (zie de rubriek van volgende week!) èn zoals Koeperman zelf (met zwart dus) in het internationale toernooi van Samarkand 1970 tegen Sjtsjogoljew deed.
12.25x14 19x10
Een terechte beslissing: omdat 1 al op 7 staat, zou de overgang naar een gesloten klassiek middenspel via 12...9x20(?) 13.33-28! uitsluitend in wits voordeel werken. Zelfs de toenmalige wereldkampioen Sjtsjogoljew ondervond dat aan den lijve toen zich in de 11de matchpartij om het WK 1961 vanuit dezelfde openingsvariant een soortgelijke structuur zou voordoen. Na 7...20-25 (in plaats dus van het door Dawidow gespeelde 19-23x23) 8.47-41 14-20 9.41-37 10-14 10.34-30 25x34 11.39x30 17-21 12.30-25 21-26 13.35-30 4-10 14.40-35 19-23 15.28x19 14x23 16.25x14 10x19 17.33-28! 15-20 18.30-25! 11-17 19.25x14 9x20 20.27-22! 18x27 21.31x11 6x17 22.36-31! 17-22 23.28x17 12x21 24.38-33! 7-12 25.33-28! 12-18 26.31-27* kreeg Koeperman uiteindelijk veelbelovend klassiek spel. Slechts door op de 40ste zet een volle schijf te offeren, slaagde Sjtsjogoljew erin het gevaar van een tweede nederlaag [uitdager Koeperman had immers de 3de matchpartij - met die beroemde ‘partie-Bonnard’ - op zijn naam geschreven] vooralsnog te bezweren.
13.33-28
Koeperman negeert andermaal de tempoleer. Meer dan in de afruil van 23 lijkt hij geïnteresseerd in een toekomstige omsingeling van het vijandelijke centrum. 13...9-14 14.28x19 14x23 15.39-33 10-14 16.47-42 4-9 17.44-39 5-10 18.50-44 21-26 19.40-34 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zestien zwarte schijven op 2, 3, 6 t/m 16, 18, 23 en 26;
zestien witte schijven op 27, 31 t/m 39, 42 t/m 45, 48 en 49.]
19...11-17
Waarom zwart er inderdaad verstandig aan doet veld 19 te mijden, heb ik al in de aantekening bij Dawidows 12de zet uitgelegd.
20.27-21 16x27 21.31x11 7x16?!
Ook op 21...6x17 had wit ongetwijfeld met 22.32-27!? gereageerd, bijvoorbeeld 22...17-22 23.37-31(!) 26x37 24.42x31. Maar bij een zwarte randschijf op 16 sorteert diezelfde zet nog meer effect:
22.32-27! 2-7 23.35-30 7-11 24.45-40 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 3, 6, 8 t/m 16, 18, 23 en 26;
veertien witte schijven op 27, 30, 33, 34, 36 t/m 40, 42 t/m 44, 48 en 49.]
Koeperman laat stijlvol positiespel en diepzinnig combinatiespel hand in hand gaan. Immers: zoals Fokkinks Letse correspondent Boris Goerwitsj (die overigens in de jaren zeventig eveneens naar de VS zou emigreren) destijds opmerkte, faalt het voor de hand liggende 24...14-19? nu op 25.33-29! Het dreigende materiaalverlies (26.27-22 annex 28.37-31) kan dan niet meer worden afgewend met 25...11/12-17 wegens 26.30-24!! gevolgd door 28.25-20, 29.44-40, 31.27-21, 32.37-31 en 33.42x15 +.
Maar Dawidow doorziet de valstrik:
24...14-20 25.33-29?!
De inleiding tot een ambitieus doch wellicht niet helemaal verantwoord plan. Het lijkt mij dat wit na het minder verplichtende 25.30-24! 20x29 26.33x24 10-14 (26...11/12-17? 27.24-20/34-29!! enz. +) 27.34-30! op z’n minst bevredigend had gestaan. Dit temeer daar zwart - om redenen die inmiddels geen toelichting meer behoeven - al meteen een onaangename keuze tussen 25...14-20 en 25...14-19 moet maken.
25...12-17 26.30-24 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 3, 6, 8 t/m 11, 13, 15 t/m 18, 20, 23 en 26;
veertien witte schijven op 24, 27, 29, 34, 36 t/m 40, 42 t/m 44, 48 en 49.]
26...18-22?
Natuurlijk waren zetten met de schijven 9, 10 en 20 taboe. Maar dat is nog geen rechtvaardiging voor de passieve tekstzet, waarmee Dawidow zichzelf in de rol van verdediger manoeuvreert. Beter was het actief op te (blijven) treden met 26...17-22! Bijvoorbeeld 27.37-31 26x37 28.42x31 10-14! 29.48-42 23-28! en zwart lijkt niet slechter te staan, zomin na 30.31-26 22x31 31.26x37 11-17 als na 30.42-37 11-17 31.38-32 17-21 32.32x12 21x41 33.36x47 8x17.
27.27x18 23x12 28.38-32 10-14 29.43-38 17-22?! 30.32-28! 22x33 31.39x28 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 3, 6, 8, 9, 11 t/m 16, 20 en 26;
twaalf witte schijven op 24, 28, 29, 34, 36 t/m 38, 40, 42, 44, 48 en 49.]
31...14-19(?)
Misschien was de stelling na 29.43-38, of zelfs die na 31.39x28, nog redelijk speelbaar voor zwart. Maar de mentale kracht die het nu eenmaal vergt om een bepaalde spanning in de stand te handhaven, kan Dawidow kennelijk niet meer opbrengen. Met zijn ondubbelzinnige keuze voor het defensief roept de zwartspeler echter alleen maar groter onheil over zich af.
32.44-39 19x30 33.34x14 9x20 34.28-23!
Koeperman koestert terecht geen vrees voor verdere afbraak: de komende afruil van 23 zal te zeer ten koste van zwarts invloed op het middenbord blijken te gaan.
34...12-18 35.23x12 8x17 36.49-43 17-21 37.39-34! 13-19 38.43-39! 19-24
Uiteraard niet 38...20-25? (eigenlijk verdient een dergelijke zet zelfs een dubbel vraagteken) wegens 39.29-24! 19x30 40.40-35 met strategische overrompeling.
39.29-23! 3-9 (zie diagram)
Er dreigde 40.40-35 24-29 41.23-19! 19x30 42.35x44 met winnende voorpost op 19.

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 6, 9, 11, 15, 16, 20, 21, 24 en 26;
negen witte schijven op 23, 34, 36 t/m 40, 42 en 48.]
40.40-35?!
Hoewel de door Koeperman gekozen methode buitengewoon kansrijk is en uiteindelijk zelfs in een verpletterende zege zal resulteren, is het de vraag of hij óók in alle varianten gewonnen had gestaan wanneer Dawidow op de 48ste zet de hardnekkigste verdediging zou hebben gevonden. Daarom was 40.38-32!! wellicht te prefereren geweest.
Het is waar dat die zet er op het eerste gezicht nogal onlogisch uitziet, omdat wit er zijn tegenstander mee in de gelegenheid stelt een van de (overtollige) schijven van diens topzware rechter vleugel op te lossen (21-27x17). Er staat echter tegenover dat 40.38-32 de - doorgaans beslissende! - inval op veld 18, waarvoor het momenteel nog te vroeg was (40...26-31! en 41...11x13 =), binnen handbereik brengt. Zo kan er onder meer volgen 40...20-25 41.40-35! (maar niet te gretig 41.36-31? in verband met de remise-combinatie 41...21-27!, 42...25-30, 43...15-20 en 44...11-17) 41...9-14 (een essentieel verschil met het partijverloop is dat 41...24-29? ditmaal niet gaat wegens 42.37-31!! en 43.34x3 +) 42.39-33! 14-20 [want na 42...15-20 43.23-18! (nu juist wèl) 43...26-31 44.37x17 11x13 gaat zwart aan het gedeplaceerde stuk op 20 te gronde] 43.34-29 (zie analyse-diagram) en nu:

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 6, 11, 15, 16, 20, 21 en 24 t/m 26;
negen witte schijven op 23, 29, 32, 33, 35 t/m 37, 42 en 48.]
1) 43...25-30 44.23-19! 24x13 45.35x24 met (ruimschoots!) winnende aanval.
2) 43...11-17 44.23-18! 25-30 45.42-38 20-25 46.29x20 15x24 47.48-43(!) en zwart komt nergens meer, ook niet na 47...30-34 48.43-39 34x43 49.38x49 25-30 50.33-29(!) 24x33 51.35x24 +.
3) 43...21-27 44.32x21 26x17 45.23-18! 25-30 46.42-38 20-25 (de inlas 46...17-22 verliest niet minder kansloos) 47.29x20 15x24 48.18-13 30-34 49.13-9 24-30 50.35x24 34-40 en nu bijvoorbeeld nog 51.9-4 40-44 52.37-32! 44-49* 53.33-29! +: zelfs na 53...17-22* 54.4x27! 11-17* 55.27-4! komt de zwarte dam er nooit meer uit!
40...24-29 41.23-19! 29x40 42.35x44 9-14 43.19x10 15x4 44.39-34 11-17 45.44-39 17-22 46.39-33 6-11 47.34-30 11-17 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zeven zwarte schijven op 4, 16, 17, 20 t/m 22 en 26;
zeven witte schijven op 30, 33, 36 t/m 38, 42 en 48.]
48.37-32!
Maakt de remise-dreiging 48...26-31!, 49...17-22 en 50...21x41 onschadelijk.
48...22-27(?)
Hierna wint Koeperman met groot vertoon van macht. Veel taaier was 48...4-9!, welke zet ten opzichte van het gespeelde 48...22-27 de verdienste heeft dat zwart 49.30-24 20x29 50.33x24 met 50...9-14! (zie analyse-diagram) kan beantwoorden.

[Stand in cijfers:
zes zwarte schijven op 14, 16, 17, 21, 22 en 26;
zes witte schijven op 24, 32, 36, 38, 42 en 48.]
Wit had dan, om zijn tegenstander geheel vast te laten lopen, ofwel 1 tempo méér moeten hebben (met 48 al op 43 beslist 51.42-37 22-27 52.43-39 17-22 53.39-33 +), ofwel 2 tempi minder (met 17 al op 27 wint 51.48-43 enz. volgens hetzelfde principe als in de partij). In de gegeven situatie echter is winst voor wit van de baan, omdat zwart na 51.38-33 22-27 52.42-38 17-22! noch 53.32-28 (53...27-32! 54.38x18 26-31 55.36x27 21x12 =), noch 53.33-29 (53...22-28! 54.32x23 27-31 55.36x27 21x43 56.48x39 26-31 enz.) bovenmatig hoeft te vrezen.
Nu zou het schromelijk overdreven zijn te beweren dat 48...4-9 “dus” remise was geweest, want 49.30-24? is bij lange na niet wits beste reactie. Zo is - om te beginnen - 49.33-29 gevolgd door 50.30-24 al veel kansrijker. Maar wits allerbeste kans schuilt mijns inziens in 49.30-25! 9-14 50.33-29! 22-27 51.42-37! 17-22 52.38-33 27x38 53.33x42 21-27 (merk op dat zwart - anders dan zijn tegenstander - niet de geringste keus heeft: 53...22-28? 54.36-31! +) 54.29-23! (nu pas) 54...20-24 55.48-43! (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
zes zwarte schijven op 14, 16, 22, 24, 26 en 27;
zes witte schijven op 23, 25, 36, 37, 42 en 43.]
55...22-28 (zwart moet wel offeren, want 55...16-21? 56.42-38 is volmaakt kansloos) 56.23x21 en nu:
1) 56...16x27? 57.42-38 14-19 58.43-39 19-23 59.39-33! (maar vooral niet 59.37-32? wegens 59...23-28!! enz.) en zowel na 59...26-31 60.37x26 27-32 61.38x27 23-29 62.25-20! als na 59...24-29 60.33x24 23-28 61.24-20 26-31 62.37x26 28-32 63.36-31! raakt zwart in een verloren 4x1-eindspel verzeild.
2) 56...26x17(!) en er is een ondoorzichtig 5x4-schijveneindspel ontstaan (met zelfs mogelijke overgangen naar een 5x2-dammeneindspel!), waarvan de uitkomst vooralsnog in nevelen gehuld gaat.
49.30-24!! 20x29 50.33x24
Na de enigszins verrassende afruil van 20 tegen 33, in plaats waarvan Dawidow - naar ik aanneem - veeleer 49.33-29 zal hebben verwacht, blijkt het tempo wit juist bijzonder gunstig gezind, in dìe zin dat hij werkelijk geen zet méér of minder had mogen hebben. Maar Koeperman had nu eenmaal het patent op winsten-op-de-vierkante-millimeter; kijkt u er - om maar iets te noemen - zijn overwinning op Cazemier in het (vierde) Brinta-toernooi van Hoogezand/Sappemeer 1967 maar op na!
50...17-22
Eerst 50...4-9 was na 51.24-19! slechts op zetverwisseling neergekomen.
51.48-43!
Elimineert de remise-dreiging (51.24-19?) 51...22-28!, 52...27-31, 53...21x43 en 54...26-31 enz.
51...4-9 52.24-19! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zes zwarte schijven op 9, 16, 21, 22, 26 en 27;
zes witte schijven op 19, 32, 36, 38, 42 en 43.]
Zwart geeft het op. Terecht: na het gedwongen 52...26-31 53.32-28! 22x33 54.38x29 loopt hij volkomen te pletter op de witte stukken op 36 en 42.
Hoewel Dawidow de desbetreffende openingvariant een wezenlijk ander vervolg geeft dan Mansjien had gedaan en Berkers vele jaren later zou doen, kan ook hij niet voorkomen dat Koeperman langzaam maar zeker belangrijk, ja doorslaggevend voordeel naar zich toetrekt. Weliswaar weet Dawidow de strijd nog tot aan de klokcontrole te rekken, maar uiteindelijk zal hij toch, in een positie van wederzijds zes schijven, kansloos ten onder gaan.
Ik herinner mij nog goed hoezeer ik onder de indruk was van Koepermans zege, nadat ik de partij-in-kwestie voor de allereerste keer had nagespeeld uit de door Henk Fokkink verzorgde circulaires van de Persvereniging van Damredacteuren. (Niet dat ik destijds, als 17-jarige, al een damrubriek had - dat zou, dankzij de betreurde Tijd-journalist Herman Hofhuizen, pas anderhalf jaar later het geval zijn - maar het stond eenieder vrij zich op de nieuwsbrieven van de ‘PvD’ te abonneren; vandaar.) Veertig jaar na dato blijkt het duel nog steeds niets aan charme te hebben ingeboet!
Koeperman-A. Dawidow
(Coupe USSR 1966)
1.31-27 17-21 2.37-31 21-26 3.32-28 26x37 4.41x32 11-17 5.46-41 7-11 6.36-31 1-7 7.41-36 19-23 8.28x19 14x23 9.42-37
Koeperman brengt het ‘Tsjizjow-kanon’ in stelling, ook al heette dat toen natuurlijk nog lang niet zo.
9...10-14 10.34-30
Je hoeft niet eens een fundamentalistische aanhanger van de tempo-theorie te zijn om hier tòch voor 10.34-29 23x34 11.39x30 (onder meer Gantwarg-F. de Koning, Clubcompetitie 1994/1995) te kiezen. Maar Koeperman zwoer in deze openingsvariant nu eenmaal bij het chiquere 34-30-25.
10...14-19 11.30-25 17-21
Een heel ander idee is 11...17-22, zoals Siep Buurke in het Javaanse Jongens-toernooi van Groningen 1988 tegen Koeperman zou spelen (zie de rubriek van volgende week!) èn zoals Koeperman zelf (met zwart dus) in het internationale toernooi van Samarkand 1970 tegen Sjtsjogoljew deed.
12.25x14 19x10
Een terechte beslissing: omdat 1 al op 7 staat, zou de overgang naar een gesloten klassiek middenspel via 12...9x20(?) 13.33-28! uitsluitend in wits voordeel werken. Zelfs de toenmalige wereldkampioen Sjtsjogoljew ondervond dat aan den lijve toen zich in de 11de matchpartij om het WK 1961 vanuit dezelfde openingsvariant een soortgelijke structuur zou voordoen. Na 7...20-25 (in plaats dus van het door Dawidow gespeelde 19-23x23) 8.47-41 14-20 9.41-37 10-14 10.34-30 25x34 11.39x30 17-21 12.30-25 21-26 13.35-30 4-10 14.40-35 19-23 15.28x19 14x23 16.25x14 10x19 17.33-28! 15-20 18.30-25! 11-17 19.25x14 9x20 20.27-22! 18x27 21.31x11 6x17 22.36-31! 17-22 23.28x17 12x21 24.38-33! 7-12 25.33-28! 12-18 26.31-27* kreeg Koeperman uiteindelijk veelbelovend klassiek spel. Slechts door op de 40ste zet een volle schijf te offeren, slaagde Sjtsjogoljew erin het gevaar van een tweede nederlaag [uitdager Koeperman had immers de 3de matchpartij - met die beroemde ‘partie-Bonnard’ - op zijn naam geschreven] vooralsnog te bezweren.
13.33-28
Koeperman negeert andermaal de tempoleer. Meer dan in de afruil van 23 lijkt hij geïnteresseerd in een toekomstige omsingeling van het vijandelijke centrum. 13...9-14 14.28x19 14x23 15.39-33 10-14 16.47-42 4-9 17.44-39 5-10 18.50-44 21-26 19.40-34 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zestien zwarte schijven op 2, 3, 6 t/m 16, 18, 23 en 26;
zestien witte schijven op 27, 31 t/m 39, 42 t/m 45, 48 en 49.]
19...11-17
Waarom zwart er inderdaad verstandig aan doet veld 19 te mijden, heb ik al in de aantekening bij Dawidows 12de zet uitgelegd.
20.27-21 16x27 21.31x11 7x16?!
Ook op 21...6x17 had wit ongetwijfeld met 22.32-27!? gereageerd, bijvoorbeeld 22...17-22 23.37-31(!) 26x37 24.42x31. Maar bij een zwarte randschijf op 16 sorteert diezelfde zet nog meer effect:
22.32-27! 2-7 23.35-30 7-11 24.45-40 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 3, 6, 8 t/m 16, 18, 23 en 26;
veertien witte schijven op 27, 30, 33, 34, 36 t/m 40, 42 t/m 44, 48 en 49.]
Koeperman laat stijlvol positiespel en diepzinnig combinatiespel hand in hand gaan. Immers: zoals Fokkinks Letse correspondent Boris Goerwitsj (die overigens in de jaren zeventig eveneens naar de VS zou emigreren) destijds opmerkte, faalt het voor de hand liggende 24...14-19? nu op 25.33-29! Het dreigende materiaalverlies (26.27-22 annex 28.37-31) kan dan niet meer worden afgewend met 25...11/12-17 wegens 26.30-24!! gevolgd door 28.25-20, 29.44-40, 31.27-21, 32.37-31 en 33.42x15 +.
Maar Dawidow doorziet de valstrik:
24...14-20 25.33-29?!
De inleiding tot een ambitieus doch wellicht niet helemaal verantwoord plan. Het lijkt mij dat wit na het minder verplichtende 25.30-24! 20x29 26.33x24 10-14 (26...11/12-17? 27.24-20/34-29!! enz. +) 27.34-30! op z’n minst bevredigend had gestaan. Dit temeer daar zwart - om redenen die inmiddels geen toelichting meer behoeven - al meteen een onaangename keuze tussen 25...14-20 en 25...14-19 moet maken.
25...12-17 26.30-24 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 3, 6, 8 t/m 11, 13, 15 t/m 18, 20, 23 en 26;
veertien witte schijven op 24, 27, 29, 34, 36 t/m 40, 42 t/m 44, 48 en 49.]
26...18-22?
Natuurlijk waren zetten met de schijven 9, 10 en 20 taboe. Maar dat is nog geen rechtvaardiging voor de passieve tekstzet, waarmee Dawidow zichzelf in de rol van verdediger manoeuvreert. Beter was het actief op te (blijven) treden met 26...17-22! Bijvoorbeeld 27.37-31 26x37 28.42x31 10-14! 29.48-42 23-28! en zwart lijkt niet slechter te staan, zomin na 30.31-26 22x31 31.26x37 11-17 als na 30.42-37 11-17 31.38-32 17-21 32.32x12 21x41 33.36x47 8x17.
27.27x18 23x12 28.38-32 10-14 29.43-38 17-22?! 30.32-28! 22x33 31.39x28 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 3, 6, 8, 9, 11 t/m 16, 20 en 26;
twaalf witte schijven op 24, 28, 29, 34, 36 t/m 38, 40, 42, 44, 48 en 49.]
31...14-19(?)
Misschien was de stelling na 29.43-38, of zelfs die na 31.39x28, nog redelijk speelbaar voor zwart. Maar de mentale kracht die het nu eenmaal vergt om een bepaalde spanning in de stand te handhaven, kan Dawidow kennelijk niet meer opbrengen. Met zijn ondubbelzinnige keuze voor het defensief roept de zwartspeler echter alleen maar groter onheil over zich af.
32.44-39 19x30 33.34x14 9x20 34.28-23!
Koeperman koestert terecht geen vrees voor verdere afbraak: de komende afruil van 23 zal te zeer ten koste van zwarts invloed op het middenbord blijken te gaan.
34...12-18 35.23x12 8x17 36.49-43 17-21 37.39-34! 13-19 38.43-39! 19-24
Uiteraard niet 38...20-25? (eigenlijk verdient een dergelijke zet zelfs een dubbel vraagteken) wegens 39.29-24! 19x30 40.40-35 met strategische overrompeling.
39.29-23! 3-9 (zie diagram)
Er dreigde 40.40-35 24-29 41.23-19! 19x30 42.35x44 met winnende voorpost op 19.

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 6, 9, 11, 15, 16, 20, 21, 24 en 26;
negen witte schijven op 23, 34, 36 t/m 40, 42 en 48.]
40.40-35?!
Hoewel de door Koeperman gekozen methode buitengewoon kansrijk is en uiteindelijk zelfs in een verpletterende zege zal resulteren, is het de vraag of hij óók in alle varianten gewonnen had gestaan wanneer Dawidow op de 48ste zet de hardnekkigste verdediging zou hebben gevonden. Daarom was 40.38-32!! wellicht te prefereren geweest.
Het is waar dat die zet er op het eerste gezicht nogal onlogisch uitziet, omdat wit er zijn tegenstander mee in de gelegenheid stelt een van de (overtollige) schijven van diens topzware rechter vleugel op te lossen (21-27x17). Er staat echter tegenover dat 40.38-32 de - doorgaans beslissende! - inval op veld 18, waarvoor het momenteel nog te vroeg was (40...26-31! en 41...11x13 =), binnen handbereik brengt. Zo kan er onder meer volgen 40...20-25 41.40-35! (maar niet te gretig 41.36-31? in verband met de remise-combinatie 41...21-27!, 42...25-30, 43...15-20 en 44...11-17) 41...9-14 (een essentieel verschil met het partijverloop is dat 41...24-29? ditmaal niet gaat wegens 42.37-31!! en 43.34x3 +) 42.39-33! 14-20 [want na 42...15-20 43.23-18! (nu juist wèl) 43...26-31 44.37x17 11x13 gaat zwart aan het gedeplaceerde stuk op 20 te gronde] 43.34-29 (zie analyse-diagram) en nu:

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 6, 11, 15, 16, 20, 21 en 24 t/m 26;
negen witte schijven op 23, 29, 32, 33, 35 t/m 37, 42 en 48.]
1) 43...25-30 44.23-19! 24x13 45.35x24 met (ruimschoots!) winnende aanval.
2) 43...11-17 44.23-18! 25-30 45.42-38 20-25 46.29x20 15x24 47.48-43(!) en zwart komt nergens meer, ook niet na 47...30-34 48.43-39 34x43 49.38x49 25-30 50.33-29(!) 24x33 51.35x24 +.
3) 43...21-27 44.32x21 26x17 45.23-18! 25-30 46.42-38 20-25 (de inlas 46...17-22 verliest niet minder kansloos) 47.29x20 15x24 48.18-13 30-34 49.13-9 24-30 50.35x24 34-40 en nu bijvoorbeeld nog 51.9-4 40-44 52.37-32! 44-49* 53.33-29! +: zelfs na 53...17-22* 54.4x27! 11-17* 55.27-4! komt de zwarte dam er nooit meer uit!
40...24-29 41.23-19! 29x40 42.35x44 9-14 43.19x10 15x4 44.39-34 11-17 45.44-39 17-22 46.39-33 6-11 47.34-30 11-17 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zeven zwarte schijven op 4, 16, 17, 20 t/m 22 en 26;
zeven witte schijven op 30, 33, 36 t/m 38, 42 en 48.]
48.37-32!
Maakt de remise-dreiging 48...26-31!, 49...17-22 en 50...21x41 onschadelijk.
48...22-27(?)
Hierna wint Koeperman met groot vertoon van macht. Veel taaier was 48...4-9!, welke zet ten opzichte van het gespeelde 48...22-27 de verdienste heeft dat zwart 49.30-24 20x29 50.33x24 met 50...9-14! (zie analyse-diagram) kan beantwoorden.

[Stand in cijfers:
zes zwarte schijven op 14, 16, 17, 21, 22 en 26;
zes witte schijven op 24, 32, 36, 38, 42 en 48.]
Wit had dan, om zijn tegenstander geheel vast te laten lopen, ofwel 1 tempo méér moeten hebben (met 48 al op 43 beslist 51.42-37 22-27 52.43-39 17-22 53.39-33 +), ofwel 2 tempi minder (met 17 al op 27 wint 51.48-43 enz. volgens hetzelfde principe als in de partij). In de gegeven situatie echter is winst voor wit van de baan, omdat zwart na 51.38-33 22-27 52.42-38 17-22! noch 53.32-28 (53...27-32! 54.38x18 26-31 55.36x27 21x12 =), noch 53.33-29 (53...22-28! 54.32x23 27-31 55.36x27 21x43 56.48x39 26-31 enz.) bovenmatig hoeft te vrezen.
Nu zou het schromelijk overdreven zijn te beweren dat 48...4-9 “dus” remise was geweest, want 49.30-24? is bij lange na niet wits beste reactie. Zo is - om te beginnen - 49.33-29 gevolgd door 50.30-24 al veel kansrijker. Maar wits allerbeste kans schuilt mijns inziens in 49.30-25! 9-14 50.33-29! 22-27 51.42-37! 17-22 52.38-33 27x38 53.33x42 21-27 (merk op dat zwart - anders dan zijn tegenstander - niet de geringste keus heeft: 53...22-28? 54.36-31! +) 54.29-23! (nu pas) 54...20-24 55.48-43! (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
zes zwarte schijven op 14, 16, 22, 24, 26 en 27;
zes witte schijven op 23, 25, 36, 37, 42 en 43.]
55...22-28 (zwart moet wel offeren, want 55...16-21? 56.42-38 is volmaakt kansloos) 56.23x21 en nu:
1) 56...16x27? 57.42-38 14-19 58.43-39 19-23 59.39-33! (maar vooral niet 59.37-32? wegens 59...23-28!! enz.) en zowel na 59...26-31 60.37x26 27-32 61.38x27 23-29 62.25-20! als na 59...24-29 60.33x24 23-28 61.24-20 26-31 62.37x26 28-32 63.36-31! raakt zwart in een verloren 4x1-eindspel verzeild.
2) 56...26x17(!) en er is een ondoorzichtig 5x4-schijveneindspel ontstaan (met zelfs mogelijke overgangen naar een 5x2-dammeneindspel!), waarvan de uitkomst vooralsnog in nevelen gehuld gaat.
49.30-24!! 20x29 50.33x24
Na de enigszins verrassende afruil van 20 tegen 33, in plaats waarvan Dawidow - naar ik aanneem - veeleer 49.33-29 zal hebben verwacht, blijkt het tempo wit juist bijzonder gunstig gezind, in dìe zin dat hij werkelijk geen zet méér of minder had mogen hebben. Maar Koeperman had nu eenmaal het patent op winsten-op-de-vierkante-millimeter; kijkt u er - om maar iets te noemen - zijn overwinning op Cazemier in het (vierde) Brinta-toernooi van Hoogezand/Sappemeer 1967 maar op na!
50...17-22
Eerst 50...4-9 was na 51.24-19! slechts op zetverwisseling neergekomen.
51.48-43!
Elimineert de remise-dreiging (51.24-19?) 51...22-28!, 52...27-31, 53...21x43 en 54...26-31 enz.
51...4-9 52.24-19! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zes zwarte schijven op 9, 16, 21, 22, 26 en 27;
zes witte schijven op 19, 32, 36, 38, 42 en 43.]
Zwart geeft het op. Terecht: na het gedwongen 52...26-31 53.32-28! 22x33 54.38x29 loopt hij volkomen te pletter op de witte stukken op 36 en 42.
Opnieuw laat ik een modelpartij van oud-wereldkampioen Iser
Koeperman (1922 - 2006) zien die met de Ruilvariant van de Poolse
Opening van start gaat. De instructieve partij, die in een even
inhoudrijk als prachtig eindspel uitmondt, werd op 27 januari 1996
gespeeld in wedstrijd tussen EAD (Asten) en het Wageningse WSDV.
Het was voor die laatste vereniging dat Koeperman incidenteel in de
Nederlandse clubcompetitie uitkwam. Daaraan zullen de levenslange
vriendschapsbanden die hij is blijven onderhouden met WSDV-kopman
Geert van Dijk, Koepermans tegenstander uit de tweekamp om het WK
1959, niet vreemd zijn geweest…
Koeperman-H. Berkers
(Clubcompetitie 1995/1996)
1.32-28 17-21 2.37-32 21-26 3.32-27 26x37 4.41x32 11-17 5.46-41 7-11 6.36-31
Om zwart geen gelegenheid tot de 2x2-ruil (6.41-37) 6...17-22 7.28x17 11x31 8.36x27 te geven.
6...17-22 7.28x17 12x21
Zoals ik in de inleiding van mijn vorige rubriek al schreef: op de één of andere manier komt zwart vanuit deze opening altijd wel op veld 26 terecht.
[Waarmee overigens - zo voeg ik daar enige dagen later aan toe - op zich nog geen waardeoordeel wil zijn uitgesproken. Afgelopen zaterdag bijvoorbeeld nam Wieger Wesselink, in de nacompetitiewedstrijd tussen Heijmans Excelsior en Dammers uit Oost, tegen Van der Kooij een opstelling in met 5…17-22 (in plaats van 5…7-11) 6.28x17 12x21 7.33-28 19-23 8.28x19 14x23, precies dus zoals Mansjien in het toernooi van Kiew 1960 tegen Koeperman had gedaan. Mede dankzij de fraaie klassieke overwinning die Wesselink uiteindelijk zou boeken, eindigde de (reguliere) wedstrijd in een gelijkspel, waarna de Achterhoekers via een tweetal sneldam-barrages (opnieuw 10-10 en - ten slotte - 7-13) hun verblijf in de Ereklasse prolongeerden.]
8.41-36 21-26 9.42-37!?
Dit is beduidend ambitieuzer dan 9.33-28.
9...19-23 10.47-42 14-19 11.33-28 10-14 12.39-33 20-24 13.44-39 1-7 14.49-44 7-12 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 1 t/m 6, 8, 9, 11 t/m 16, 18, 19, 23, 24 en 26;
achttien witte schijven op 27, 28, 31 t/m 40, 42 t/m 45, 48 en 50.]
15.34-29
Een eerste poging om vanuit gesloten klassieke positie tot aanvalsspel te komen.
15...23x34 16.40x20 15x24 17.39-34 5-10 18.45-40 10-15 19.43-39
Wit stelt zich zodanig op dat 18-23?? steeds verhinderd blijft (33-29 +).
19...14-20 20.50-45 4-10 21.34-29 20-25 22.29x20 25x14 23.40-34 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 3, 6, 8 t/m 16, 18, 19 en 26;
vijftien witte schijven op 27, 28, 31 t/m 39, 42, 44, 45 en 48.]
23…18-23
Hiermee speelt Berkers zijn tegenstander in de kaart. Lastiger lijkt mij 23...15-20 of 23...14-20. De stelling die in dit laatste geval zou zijn ontstaan, heeft zich recentelijk langs totaal andere weg voorgedaan in de partij Schwarzman-Samb, WK 2005. (Het enige - voor het verloop verwaarloosbare - verschil was dat schijf 2 bij Samb op veld 1 stond.) Na 24.45-40 9-14 25.34-30 19-23 26.28x19 14x23 27.30-25 10-14 28.27-22 18x27 29.31x22 11-17 30.22x11 6x17 leek Schwarzman goed te staan, maar niettemin was het Samb die in de zinderende tijdnoodfase aan het langste eind zou trekken.
24.35-30! 15-20 25.30-25 2-7
Gespeeld ter voorbereiding van 26...20-24. Maar er blijken nogal wat bezwaren aan de opstelling met 2-7 te kleven:
26.45-40! 20-24 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 3, 6 t/m 14, 16, 19, 23, 24 en 26;
vijftien witte schijven op 25, 27, 28, 31 t/m 34, 36 t/m 40, 42, 44 en 48.]
27.33-29(!)
Met behulp van een thematische 2x2-ruil verbreekt Koeperman de gesloten klassieke structuren. Desondanks kwamen ook complicerende zetten als 27.40-35! of 27.27-22! (zeer) sterk in aanmerking. Wat heet: het is zelfs de vraag of zwart de belegering van zijn centrumschijf 23 überhaupt overleeft! Eén enkel voorbeeldje slechts:
27.27-22 10-15 (het schijnt dat zwart het beste meteen 27…12-18 kan doen) 28.40-35! 12-18 (er is niet beter) 29.48-43! 18x27 30.31x22 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 3, 6 t/m 9, 11, 13 t/m 16, 19, 23, 24 en 26;
veertien witte schijven op 22, 25, 28, 32 t/m 39 en 42 t/m 44.]
30…8-12 [wat anders? na 30…16-21 31.33-29! 24x33 32.38x18 19-24 (met de bedoeling 33.44-40? 11-16! 34.34-30 21-27! enz.) 33.34-29! 24x33 34.28-23 ziet zwart het verloren stuk nooit meer terug] 31.37-31!! 26x48 32.22-18! 13x22 33.28x8 3x12 34.33-29! 24x42 35.43-38 42x33 36.39x28 48x30 37.35x4 en wit staat op winst!
27...24x22 28.27x29 19-23
Berkers laat zich - terecht - niet zonder meer van het bord zetten.
29.29x18 12x23 30.39-33 7-12 31.34-30 10-15 32.40-35 13-19 33.44-39 8-13 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 3, 6, 9, 11 t/m 16, 19, 23 en 26;
twaalf witte schijven op 25, 30 t/m 33, 35 t/m 39, 42 en 48.]
34.30-24
Wit streeft maximale flexibiliteit na. De parallellen met de vorige week besproken partij Koeperman-Mansjien 1960 (zie met name het fragment rond de 43ste zet) liggen er duimendik bovenop.
34...19x30 35.25x34 14-20 36.31-27
De spreekwoordelijke stilte voor de storm.
36...20-24 37.34-30! 13-19 38.39-34! 12-18 39.33-29! 24x33 40.38x29 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 3, 6, 9, 11, 15, 16, 18, 19, 23 en 26;
tien witte schijven op 27, 29, 30, 32, 34 t/m 37, 42 en 48.]
De omhelzing van het vijandelijke centrum heeft een aanvang genomen.
40…9-13(?)
Dit maakt een directe forcing mogelijk. Het is waar dat ook het terugruiltje 40...18-22(?) had verloren na 41.27x18! 23x12 42.29-24! 9-13 43.34-29! 12-18 (op 3-9-14 doet wit eerst 42-38-33!) 44.30-25! 19x30 45.35x24 (zie analyse-diagram; twee varianten ter illustratie:

[Stand in cijfers:
acht zwarte schijven op 3, 6, 11, 13, 15, 16, 18 en 26;
acht witte schijven op 24, 25, 29, 32, 36, 37, 42 en 48.]
1) 45...13-19 46.24x22 15-20 47.25x14 3-9 48.14x3 11-17 49.22x11! 6x17 50.3x21 16x47 51.48-43! 47x24/15 52.43-38 24/15x31 53.36x27 met winst door oppositie.
2) 45...3-9 46.32-28! 11-17 (anders 47.28-23! +) 47.42-38! 17-22 (want na 47…9-14 48.38-33! wordt zwart onder de voet gelopen) 48.28x17 18-23 49.29x18 13x11 50.24-19! (50.36-31? 15-20! en 51…11-17 =) 50...9-14 51.19x10 15x4 52.36-31! (nu pas) 52...16-21 53.38-32 11-16 54.25-20 4-9* 55.31-27 6-11 56.48-42! 11-17 57.27-22! 17x28 58.32x23 21-27 59.23-19 en de witte aanval komt het eerst.
Daarentegen had zwart met 40...11-17(!) 41.42-38 17-21(!) nog serieus van zich af kunnen bijten.
41.42-38! 3-9 42.38-33?
Maar Koeperman ziet het evenmin. Winst was 42.48-42! Daarop is 42...11-17 immers uitgeschakeld door 43.27-21! en na het slaan 46.37-31! enz. met dam. En ook na 42...18-22 (42...15-20?? 43.30-25! 9-14 44.27-22 +) 43.29x18!! 22x31 44.36x27 13x31 45.32-27! 31x22 46.37-31 enz. is de damzet naar 4 ruimschoots beslissend.
42...11-17 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 9, 13, 15 t/m 19, 23 en 26;
tien witte schijven op 27, 29, 30, 32 t/m 37 en 48.]
43.29-24!!?
Omdat ‘normale’ zetten als 43.48-42 of 43.30-25 onvoldoende (lees: remise) opleveren, waagt Koeperman een haarscherpe, ultieme winstpoging.
43…9-14?
En de beloning blijft niet uit: na zwarts foutieve reactie staat wit opnieuw - en ditmaal definitief - gewonnen! Nu is het goed te bedenken dat ook een zet met schijf 17 zou hebben verloren, bijvoorbeeld 43…17-22? 44.48-42 22x31 45.36x27 6-11 46.42-38! (verhindert 46…11-17?? door 47.24-20!, 48.34-29 en 49.27-21 +) 46…9-14 47.33-29!, waarna er via een andere volgorde-van-zetten een situatie uit het partijverloop zou zijn ontstaan. Maar met het correcte 43...6-11! 44.33-28* (44.33-29/48-42?? 17-22! +) 44…17-21/9-14 enz. kon Berkers naar een betrekkelijk gelijkwaardige puntendeling toespelen.
44.33-29!
Vlecht de dreiging 45.27-22 + in de stand. Daartegen vormt 44…14-20 wellicht nog de hardnekkigste verdediging, al kan ik mij moeilijk voorstellen dat wit na 45.27-22 18x38 46.29x9 20x40 47.35x44 38-42 48.37-31! 26x37 49.36-31! 37x26 50.48x37 en 51.9-4 uiteindelijk niet gewoon zou winnen.
Overigens mag de volgende geestige spelgang hier niet onvermeld blijven:
44…17-21 45.27-22 18x38 46.29x20 38-42 47.30x19 42x31 48.36x27 21x32 49.13-9 15x24 50.30x19 32-37 51.48-42(!!) 37x48 52.19-14! 48x30!? 53.35x24 26-31 54.9-4! 31-37 (54…31-36 55.14-10 36-41 56.10-5 +) 55.4-31! 37x26 56.14-10 26-31 57.10-5 en na 58.5-14 en 24-20-15 enz. blijkt wit precies op tijd op tweede dam te komen! Opmerkelijk genoeg ontstaat exact hetzelfde 3x2-eindspelletje, met exact dezelfde ‘tempoverhouding’, wanneer zwart op de 52ste zet naar veld 25 in plaats van 30 slaat: 52…48x25 53.9-3 25x9 54.3x14! 26-31 55.35-30 enz. +.
44...17-22 45.48-42 22x31 46.36x27 6-11 47.42-38 14-20 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 11, 13, 15, 16, 18 t/m 20, 23 en 26;
negen witte schijven op 24, 27, 29, 30, 32, 34, 35, 37 en 38.]
48.27-22!
Met de (min of meer) overtollige randschijf 35 op vrijwel ieder ander veld had wit ook positioneel kunnen winnen, bijvoorbeeld 48.38-33 11-17 49.33-28 17-21/20-25 en nu - ik noem maar iets - 50.45-40 20-25/17-21 51.40-35 +. Maar onder de gegeven omstandigheden zou het hem na 48.38-33? 11-17 49.33-28 17-21 nìet lukken zwart vast te laten lopen, reden waarom Koeperman inderdaad moet afwikkelen.
48…18x27 49.29x9 20x40 50.35x44!
Alleen zo: na 50.32x21? 16x27 51.35x44 27-31 was winst voor wit van de baan geweest.
50…27-31
Hoewel het er veelbelovend uitziet voor wit, is hij er nog niet, nog lang niet zelfs. Zo blijkt het voor de hand liggende 51.30-24? 31x33 52.24x13 ontoereikend wegens 52...26-31 53.9-4 31-36 54.13-8 16-21!! enz. met remise.
Koeperman draagt echter een schitterende oplossing aan:
51.9-4! 31x33 52.30-25!! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zes zwarte schijven op 11, 15, 16, 19, 26 en 33;
drie witte schijven op 25, 32 en 44 en een witte dam op 4.]
De eerste en voornaamste pointe van deze ‘stille’ zet is dat wit na 52...11-17 53.32-28! 33x22 54.4x36 19-23 55.44-39!! in alle varianten wint. Een enkel voorbeeld: 55...23-28 (55…16-21 56.39-33! +) 56.36-41! (nu pas) 56...26-31 57.41x23 31-36 58.39-33 17-22 59.33-29 16-21 60.23-46! (niet te gretig 60.29-24? wegens 60…22-28! 61.23x16 15-20! 62.25x14 36-41 en de witte dam staat op het verkeerde been) 60…21-27 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
vier zwarte schijven op 15, 22, 27 en 36;
twee witte schijven op 25 en 29 en een witte dam op 46.]
61.46-23! [en hier hoede wit zich voor 61.29-24? 27-31!! 62.25-20 22-27!!, waarna tempodwang een reprise van de beroemde eindspelwinst van Van der Wal tegen Baljakin uit het WK 1984 (63…31-37 64.46x16 36-41 65.16-32! 41-47 66.32-10!! 15x4 67.20-15 +) in de weg staat] 61...22-28 62.23x21! 15-20 63.25x14 36-41 64.21-8! 41-46 65.8-19 +.
Voor wie eraan mocht twijfelen of Koeperman deze winst wel zou hebben gevonden: in het EK 1967 won hij met behulp van een soortgelijk motief van Andreiko!
52...19-23 53.4-13!! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zes zwarte schijven op 11, 15, 16, 23, 26 en 33;
drie witte schijven op 25, 32 en 44 en een witte dam op 13.]
Opnieuw zo’n fraaie zet! De primaire bedoeling is 53...23-28 54.32x23 33-38 te beantwoorden met 55.13-24!! 38-43 56.44-39!! 43x34 57.25-20! 34-39* 58.24-13 15x24 59.13x48 16-21 60.23-19 21-27 61.48-37 enz., waarna wit (ruimschoots) op tijd op tweede dam komt. En na 53...23-28 54.32x23 15-20 (nog het beste) 55.25x14 33-38 gaat Koeperman probleemloos winnen door - uiteraard met het nodige beleid - vier dammen te halen.
Maar 53.4-13 blijkt nog méér verdiensten te hebben...
53…11-17
Stelt wit in de gelegenheid de partij met een spectaculaire rondslag met de dam te beslissen:
54.44-39! 33x44 55.32-28! 23x32 56.25-20 15x24 57.13x3
Zwart geeft het op.
Menig topgrootmeester in de bloei van zijn leven zou - zo stel ik mij tenminste voor - tekenen voor een dergelijke winstpartij. Koeperman was echter al bijna 74(!) toen hij bovenstaand kunststukje produceerde…
Koeperman-H. Berkers
(Clubcompetitie 1995/1996)
1.32-28 17-21 2.37-32 21-26 3.32-27 26x37 4.41x32 11-17 5.46-41 7-11 6.36-31
Om zwart geen gelegenheid tot de 2x2-ruil (6.41-37) 6...17-22 7.28x17 11x31 8.36x27 te geven.
6...17-22 7.28x17 12x21
Zoals ik in de inleiding van mijn vorige rubriek al schreef: op de één of andere manier komt zwart vanuit deze opening altijd wel op veld 26 terecht.
[Waarmee overigens - zo voeg ik daar enige dagen later aan toe - op zich nog geen waardeoordeel wil zijn uitgesproken. Afgelopen zaterdag bijvoorbeeld nam Wieger Wesselink, in de nacompetitiewedstrijd tussen Heijmans Excelsior en Dammers uit Oost, tegen Van der Kooij een opstelling in met 5…17-22 (in plaats van 5…7-11) 6.28x17 12x21 7.33-28 19-23 8.28x19 14x23, precies dus zoals Mansjien in het toernooi van Kiew 1960 tegen Koeperman had gedaan. Mede dankzij de fraaie klassieke overwinning die Wesselink uiteindelijk zou boeken, eindigde de (reguliere) wedstrijd in een gelijkspel, waarna de Achterhoekers via een tweetal sneldam-barrages (opnieuw 10-10 en - ten slotte - 7-13) hun verblijf in de Ereklasse prolongeerden.]
8.41-36 21-26 9.42-37!?
Dit is beduidend ambitieuzer dan 9.33-28.
9...19-23 10.47-42 14-19 11.33-28 10-14 12.39-33 20-24 13.44-39 1-7 14.49-44 7-12 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
achttien zwarte schijven op 1 t/m 6, 8, 9, 11 t/m 16, 18, 19, 23, 24 en 26;
achttien witte schijven op 27, 28, 31 t/m 40, 42 t/m 45, 48 en 50.]
15.34-29
Een eerste poging om vanuit gesloten klassieke positie tot aanvalsspel te komen.
15...23x34 16.40x20 15x24 17.39-34 5-10 18.45-40 10-15 19.43-39
Wit stelt zich zodanig op dat 18-23?? steeds verhinderd blijft (33-29 +).
19...14-20 20.50-45 4-10 21.34-29 20-25 22.29x20 25x14 23.40-34 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 2, 3, 6, 8 t/m 16, 18, 19 en 26;
vijftien witte schijven op 27, 28, 31 t/m 39, 42, 44, 45 en 48.]
23…18-23
Hiermee speelt Berkers zijn tegenstander in de kaart. Lastiger lijkt mij 23...15-20 of 23...14-20. De stelling die in dit laatste geval zou zijn ontstaan, heeft zich recentelijk langs totaal andere weg voorgedaan in de partij Schwarzman-Samb, WK 2005. (Het enige - voor het verloop verwaarloosbare - verschil was dat schijf 2 bij Samb op veld 1 stond.) Na 24.45-40 9-14 25.34-30 19-23 26.28x19 14x23 27.30-25 10-14 28.27-22 18x27 29.31x22 11-17 30.22x11 6x17 leek Schwarzman goed te staan, maar niettemin was het Samb die in de zinderende tijdnoodfase aan het langste eind zou trekken.
24.35-30! 15-20 25.30-25 2-7
Gespeeld ter voorbereiding van 26...20-24. Maar er blijken nogal wat bezwaren aan de opstelling met 2-7 te kleven:
26.45-40! 20-24 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 3, 6 t/m 14, 16, 19, 23, 24 en 26;
vijftien witte schijven op 25, 27, 28, 31 t/m 34, 36 t/m 40, 42, 44 en 48.]
27.33-29(!)
Met behulp van een thematische 2x2-ruil verbreekt Koeperman de gesloten klassieke structuren. Desondanks kwamen ook complicerende zetten als 27.40-35! of 27.27-22! (zeer) sterk in aanmerking. Wat heet: het is zelfs de vraag of zwart de belegering van zijn centrumschijf 23 überhaupt overleeft! Eén enkel voorbeeldje slechts:
27.27-22 10-15 (het schijnt dat zwart het beste meteen 27…12-18 kan doen) 28.40-35! 12-18 (er is niet beter) 29.48-43! 18x27 30.31x22 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
veertien zwarte schijven op 3, 6 t/m 9, 11, 13 t/m 16, 19, 23, 24 en 26;
veertien witte schijven op 22, 25, 28, 32 t/m 39 en 42 t/m 44.]
30…8-12 [wat anders? na 30…16-21 31.33-29! 24x33 32.38x18 19-24 (met de bedoeling 33.44-40? 11-16! 34.34-30 21-27! enz.) 33.34-29! 24x33 34.28-23 ziet zwart het verloren stuk nooit meer terug] 31.37-31!! 26x48 32.22-18! 13x22 33.28x8 3x12 34.33-29! 24x42 35.43-38 42x33 36.39x28 48x30 37.35x4 en wit staat op winst!
27...24x22 28.27x29 19-23
Berkers laat zich - terecht - niet zonder meer van het bord zetten.
29.29x18 12x23 30.39-33 7-12 31.34-30 10-15 32.40-35 13-19 33.44-39 8-13 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
twaalf zwarte schijven op 3, 6, 9, 11 t/m 16, 19, 23 en 26;
twaalf witte schijven op 25, 30 t/m 33, 35 t/m 39, 42 en 48.]
34.30-24
Wit streeft maximale flexibiliteit na. De parallellen met de vorige week besproken partij Koeperman-Mansjien 1960 (zie met name het fragment rond de 43ste zet) liggen er duimendik bovenop.
34...19x30 35.25x34 14-20 36.31-27
De spreekwoordelijke stilte voor de storm.
36...20-24 37.34-30! 13-19 38.39-34! 12-18 39.33-29! 24x33 40.38x29 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 3, 6, 9, 11, 15, 16, 18, 19, 23 en 26;
tien witte schijven op 27, 29, 30, 32, 34 t/m 37, 42 en 48.]
De omhelzing van het vijandelijke centrum heeft een aanvang genomen.
40…9-13(?)
Dit maakt een directe forcing mogelijk. Het is waar dat ook het terugruiltje 40...18-22(?) had verloren na 41.27x18! 23x12 42.29-24! 9-13 43.34-29! 12-18 (op 3-9-14 doet wit eerst 42-38-33!) 44.30-25! 19x30 45.35x24 (zie analyse-diagram; twee varianten ter illustratie:

[Stand in cijfers:
acht zwarte schijven op 3, 6, 11, 13, 15, 16, 18 en 26;
acht witte schijven op 24, 25, 29, 32, 36, 37, 42 en 48.]
1) 45...13-19 46.24x22 15-20 47.25x14 3-9 48.14x3 11-17 49.22x11! 6x17 50.3x21 16x47 51.48-43! 47x24/15 52.43-38 24/15x31 53.36x27 met winst door oppositie.
2) 45...3-9 46.32-28! 11-17 (anders 47.28-23! +) 47.42-38! 17-22 (want na 47…9-14 48.38-33! wordt zwart onder de voet gelopen) 48.28x17 18-23 49.29x18 13x11 50.24-19! (50.36-31? 15-20! en 51…11-17 =) 50...9-14 51.19x10 15x4 52.36-31! (nu pas) 52...16-21 53.38-32 11-16 54.25-20 4-9* 55.31-27 6-11 56.48-42! 11-17 57.27-22! 17x28 58.32x23 21-27 59.23-19 en de witte aanval komt het eerst.
Daarentegen had zwart met 40...11-17(!) 41.42-38 17-21(!) nog serieus van zich af kunnen bijten.
41.42-38! 3-9 42.38-33?
Maar Koeperman ziet het evenmin. Winst was 42.48-42! Daarop is 42...11-17 immers uitgeschakeld door 43.27-21! en na het slaan 46.37-31! enz. met dam. En ook na 42...18-22 (42...15-20?? 43.30-25! 9-14 44.27-22 +) 43.29x18!! 22x31 44.36x27 13x31 45.32-27! 31x22 46.37-31 enz. is de damzet naar 4 ruimschoots beslissend.
42...11-17 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 6, 9, 13, 15 t/m 19, 23 en 26;
tien witte schijven op 27, 29, 30, 32 t/m 37 en 48.]
43.29-24!!?
Omdat ‘normale’ zetten als 43.48-42 of 43.30-25 onvoldoende (lees: remise) opleveren, waagt Koeperman een haarscherpe, ultieme winstpoging.
43…9-14?
En de beloning blijft niet uit: na zwarts foutieve reactie staat wit opnieuw - en ditmaal definitief - gewonnen! Nu is het goed te bedenken dat ook een zet met schijf 17 zou hebben verloren, bijvoorbeeld 43…17-22? 44.48-42 22x31 45.36x27 6-11 46.42-38! (verhindert 46…11-17?? door 47.24-20!, 48.34-29 en 49.27-21 +) 46…9-14 47.33-29!, waarna er via een andere volgorde-van-zetten een situatie uit het partijverloop zou zijn ontstaan. Maar met het correcte 43...6-11! 44.33-28* (44.33-29/48-42?? 17-22! +) 44…17-21/9-14 enz. kon Berkers naar een betrekkelijk gelijkwaardige puntendeling toespelen.
44.33-29!
Vlecht de dreiging 45.27-22 + in de stand. Daartegen vormt 44…14-20 wellicht nog de hardnekkigste verdediging, al kan ik mij moeilijk voorstellen dat wit na 45.27-22 18x38 46.29x9 20x40 47.35x44 38-42 48.37-31! 26x37 49.36-31! 37x26 50.48x37 en 51.9-4 uiteindelijk niet gewoon zou winnen.
Overigens mag de volgende geestige spelgang hier niet onvermeld blijven:
44…17-21 45.27-22 18x38 46.29x20 38-42 47.30x19 42x31 48.36x27 21x32 49.13-9 15x24 50.30x19 32-37 51.48-42(!!) 37x48 52.19-14! 48x30!? 53.35x24 26-31 54.9-4! 31-37 (54…31-36 55.14-10 36-41 56.10-5 +) 55.4-31! 37x26 56.14-10 26-31 57.10-5 en na 58.5-14 en 24-20-15 enz. blijkt wit precies op tijd op tweede dam te komen! Opmerkelijk genoeg ontstaat exact hetzelfde 3x2-eindspelletje, met exact dezelfde ‘tempoverhouding’, wanneer zwart op de 52ste zet naar veld 25 in plaats van 30 slaat: 52…48x25 53.9-3 25x9 54.3x14! 26-31 55.35-30 enz. +.
44...17-22 45.48-42 22x31 46.36x27 6-11 47.42-38 14-20 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 11, 13, 15, 16, 18 t/m 20, 23 en 26;
negen witte schijven op 24, 27, 29, 30, 32, 34, 35, 37 en 38.]
48.27-22!
Met de (min of meer) overtollige randschijf 35 op vrijwel ieder ander veld had wit ook positioneel kunnen winnen, bijvoorbeeld 48.38-33 11-17 49.33-28 17-21/20-25 en nu - ik noem maar iets - 50.45-40 20-25/17-21 51.40-35 +. Maar onder de gegeven omstandigheden zou het hem na 48.38-33? 11-17 49.33-28 17-21 nìet lukken zwart vast te laten lopen, reden waarom Koeperman inderdaad moet afwikkelen.
48…18x27 49.29x9 20x40 50.35x44!
Alleen zo: na 50.32x21? 16x27 51.35x44 27-31 was winst voor wit van de baan geweest.
50…27-31
Hoewel het er veelbelovend uitziet voor wit, is hij er nog niet, nog lang niet zelfs. Zo blijkt het voor de hand liggende 51.30-24? 31x33 52.24x13 ontoereikend wegens 52...26-31 53.9-4 31-36 54.13-8 16-21!! enz. met remise.
Koeperman draagt echter een schitterende oplossing aan:
51.9-4! 31x33 52.30-25!! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zes zwarte schijven op 11, 15, 16, 19, 26 en 33;
drie witte schijven op 25, 32 en 44 en een witte dam op 4.]
De eerste en voornaamste pointe van deze ‘stille’ zet is dat wit na 52...11-17 53.32-28! 33x22 54.4x36 19-23 55.44-39!! in alle varianten wint. Een enkel voorbeeld: 55...23-28 (55…16-21 56.39-33! +) 56.36-41! (nu pas) 56...26-31 57.41x23 31-36 58.39-33 17-22 59.33-29 16-21 60.23-46! (niet te gretig 60.29-24? wegens 60…22-28! 61.23x16 15-20! 62.25x14 36-41 en de witte dam staat op het verkeerde been) 60…21-27 (zie analyse-diagram)

[Stand in cijfers:
vier zwarte schijven op 15, 22, 27 en 36;
twee witte schijven op 25 en 29 en een witte dam op 46.]
61.46-23! [en hier hoede wit zich voor 61.29-24? 27-31!! 62.25-20 22-27!!, waarna tempodwang een reprise van de beroemde eindspelwinst van Van der Wal tegen Baljakin uit het WK 1984 (63…31-37 64.46x16 36-41 65.16-32! 41-47 66.32-10!! 15x4 67.20-15 +) in de weg staat] 61...22-28 62.23x21! 15-20 63.25x14 36-41 64.21-8! 41-46 65.8-19 +.
Voor wie eraan mocht twijfelen of Koeperman deze winst wel zou hebben gevonden: in het EK 1967 won hij met behulp van een soortgelijk motief van Andreiko!
52...19-23 53.4-13!! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zes zwarte schijven op 11, 15, 16, 23, 26 en 33;
drie witte schijven op 25, 32 en 44 en een witte dam op 13.]
Opnieuw zo’n fraaie zet! De primaire bedoeling is 53...23-28 54.32x23 33-38 te beantwoorden met 55.13-24!! 38-43 56.44-39!! 43x34 57.25-20! 34-39* 58.24-13 15x24 59.13x48 16-21 60.23-19 21-27 61.48-37 enz., waarna wit (ruimschoots) op tijd op tweede dam komt. En na 53...23-28 54.32x23 15-20 (nog het beste) 55.25x14 33-38 gaat Koeperman probleemloos winnen door - uiteraard met het nodige beleid - vier dammen te halen.
Maar 53.4-13 blijkt nog méér verdiensten te hebben...
53…11-17
Stelt wit in de gelegenheid de partij met een spectaculaire rondslag met de dam te beslissen:
54.44-39! 33x44 55.32-28! 23x32 56.25-20 15x24 57.13x3
Zwart geeft het op.
Menig topgrootmeester in de bloei van zijn leven zou - zo stel ik mij tenminste voor - tekenen voor een dergelijke winstpartij. Koeperman was echter al bijna 74(!) toen hij bovenstaand kunststukje produceerde…
Van Iser Koeperman, de vijfvoudige wereldkampioen uit het tijdvak
1958-1968 die begin deze week op 83-jarige leeftijd overleed, heb
ik in de loop der jaren al menige (winst)partij gepubliceerd.
Koepermans beste matchpartijen tegen Deslauriers (1958), Van Dijk
(1959), Sjtsjogoljew (1961 èn 1965) en Andreiko (1967) - zij
hebben, tussen december 1989 en mei 2000, allemaal al eens in deze
krant gestaan, evenals een nog groter aantal partijen die buiten
het kader van die WK-tweekampen vielen.
Toch blijft er nog veel moois over dat eveneens zeer publicabel is. En dan hoeft men waarlijk niet Koepermans gehele, ongekend lange carrière (1953-2005) onder de loep te nemen. Het is namelijk al voldoende om er slechts één enkel facet uit te lichten. Zoals de partijen die Koeperman, als witspeler, met de zettenreeks 1.31-27 17-21 2.37-31 21-26 3.32-28 26x37 4.41x32 (of 1.32-28 17-21 2.37-32 21-26 3.32-27 enz.) van start liet gaan.
Die openingsvariant, waarvan de geschiedenis tot Amiens 1899 (Raphaël-Beudin) teruggaat en die inmiddels in meer dan tweeduizend(!) partijen is voorgekomen, is door diverse grootmeesters en - zelfs - wereldkampioenen toegepast. Maar veruit de meeste praktijkvoorbeelden (21) staan op naam van Koeperman, die deze variant ook tot een van zijn gevaarlijkste wapens wist om te smeden.
Daarbij beschouw ik het beslist als een tactische dan wel psychologische verdienste van Koeperman dat hij een openingsvariant uitkoos die bij uitstek bij zijn stijl paste. Zo hield Koeperman ervan zijn linker vleugel met tempowinst te ontwikkelen. Maar dat niet alleen. Want in menige partij kwam de zwarte schijf 11 altijd wel op de één of andere manier op het randveld 26 terecht. En stellingen waarin zijn tegenstanders op 16 en 26 stonden en hijzelf het strategische veld 27 beheerste, waren een kolfje naar Koepermans hand!
Om deze bewering met lichtbeelden te illustreren, laat ik de komende weken vier partijen zien, de één nog mooier dan de ander. Ik open het vierluik met de partij die Koeperman in de zomer van 1960, tijdens het internationale toernooi dat in zijn geboorte- en toenmalige woonplaats Kiew werd gehouden, van de Leningrader Sergeï Mansjien won.
Hoewel ik mijzelf, afgelopen maandagavond, tegen een ANP-redacteur hoorde zeggen dat Koeperman veeleer een match- dan een toernooispeler was, kwam Koeperman wel degelijk als triomfator uit ‘Kiew 1960’ te voorschijn. Wat heet: uit 14 partijen behaalde Koeperman 22 punten, waarmee hij het duo Sjtsjogoljew/Tsirik liefst 3 punten vóór bleef. Tot de deelnemers behoorde ook de Nederlandse grootmeester R.C. Keller, die bij zijn laatste optreden evenwel niet hoger reikte dan een vijftig procent-score en een gedeelde negende plaats.
(Volledigheidshalve - en ook een beetje omwille van het tijdsbeeld - geef ik hier de integrale eindstand:
1. Koeperman 22 punten; 2. Sjtsjogoljew & Tsirik beiden 19; 4. Zwirboelis 17; 5. Kaplan & Rats & Soeplin allen 16; 8. Mansjien 15; 9. Keller & Stanowski beiden 14; 11. Demesmaecker & Slobodskoj beiden 12; 13. Aubier 8; 14. Van den Berghe & Verleene beiden 5 punten.)
Koeperman-Mansjien
(Kiew 1960)
1.31-27 17-21 2.37-31 21-26 3.32-28 26x37 4.41x32 11-17 5.46-41 17-22
Het mag pikant heten dat Koeperman in een van zijn vele leerboeken niet 3.32-28 maar 3.41-37 als hoofdvariant van de Poolse Opening geeft, waarbij hij uitlegt dat zwart 3.32-28 26x37 4.41x32 goed met 4...11-17, 5...17-22 en 6...12x21 kan beantwoorden. Een bewuste poging zijn lezers, of liever gezegd: toekomstige tegenstanders (het bedoelde boek verscheen in 1972), te misleiden? Of zou hij het samenstellen van het hoofdstuk Openingen aan co-auteur Joeri Barski hebben overgelaten?
Hoe dan ook - ik weet wel zeker dat Koeperman tegen 5...17-22 net zo weinig bezwaar had als tegen het systeem met 5...17-21 6.41-37 21-26 (7.34-29/30). Dat moge onder meer blijken uit de vier partijen waarin hij deze zelfde variant met zwart toepaste en waarin hij - zoals tegen Sjtsjogoljew (Samarkand 1970) en Krajenbrink (Harderwijk 1993) - steevast een opstelling met 5...7-11 en 6/7...19-23 7/8.28x19 14x23 innam...
6.28x17 12x21 7.33-28
Wit stelt de voor de hand liggende opbouwzet (7.)41-37 nog even uit, dit om te voorkomen dat hij na (7...)19-23 door de meerslagfinesse (8...)23-28 zou worden geplaagd. Overigens was het Keller die zich als eerste van deze positionele finesse bediende: hij speelde de tekstzet al tegen De Graag (NK 1938) en Jernberg (kamp. Noord-Holland 1943).
7...19-23 8.28x19 14x23 9.39-33 10-14 10.44-39 6-11 11.35-30 7-12 12.50-44
Wellicht liet Koeperman 12.30-25 na met het oog op de vereenvoudiging 12...23-28 13.32x23* (13.33x22?? 14-19! +) 13...21x32 14.38x27 18x38 15.43x32.
12...11-17 13.41-37
Maar waarom de witspeler hier niet meteen 13.30-25 doet, is mij niet helemaal duidelijk. Het lijkt mij tenminste dat hij er, zeker nu de reactie 14.33-29?? van de baan is, bij gebaat was de mogelijkheid 13...20-25 te elimineren. Of voorvoelde Koeperman dat Mansjien de uitdaging tòch niet zou aannemen?
13...21-26 14.30-25 17-21 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1 t/m 5, 8, 9, 12 t/m 16, 18, 20, 21, 23 en 26;
zeventien witte schijven op 25, 27, 32 t/m 34, 36 t/m 40, 42 t/m 45 en 47 t/m 49.]
15.34-30
Een kleine veertig jaar later zou zich - uiteraard vanuit dezelfde openingsvariant - in de blindpartij Sijbrands-H. Lap (Gouda 1999) vrijwel dezelfde stelling voordoen. Met 40 op 35 en 1 al op 6 koos ik toen voor 16.34-29 23x34 17.39x30 18-23 18.33-29 23x34 19.30x39, alles met de bedoeling het centrumveld 28 onder controle te brengen en een eventuele stormloop tegen 27 te kunnen pareren. Zie ook het medio 2001 door De Goudse Verzekeringen uitgegeven boek over de desbetreffende record-simultaan.
15...14-19 16.25x14 19x10 17.40-34 10-14 18.30-25 5-10 19.44-40 12-17 20.34-29 23x34 21.39x30
De gedachtegang die aan deze manoeuvre ten grondslag ligt, is niet moeilijk meer te doorgronden voor wie de vorige aantekening tot zich genomen heeft.
Overigens denk ik dat Mansjien nu het beste hetzij 21...15-20, hetzij eerst 21...17-22 en daarna 23...15-20 had kunnen doen. De obligate opstelling die de zwartspeler in de partij inneemt, is misschien niet opgelegd zwak maar vermag Koeperman absoluut niet te verontrusten.
21...14-19 22.43-39 10-14 23.40-35 17-22 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 1 t/m 4, 8, 9, 13 t/m 16, 18, 19, 21, 22 en 23;
vijftien witte schijven op 25, 27, 30, 32, 33, 35 t/m 39, 42, 45 en 47 t/m 49.]
24.49-44(!) 22x31 25.36x27
Ongetwijfeld gespeeld om ook op 25...1-6 of 25...2-7 ongestoord 26.33-28 dóór te kunnen zetten, wat na 24.49-43(?) niet het geval zou zijn geweest.
25...8-12 26.33-28 12-17 27.38-33 17-22 28.28x17 21x12 29.42-38 18-23 Zwart ziet definitief af van acties tegen 27 (maar dat had hij eigenlijk al met zijn 27ste zet gedaan) en probeert het spel in de richting van gesloten klassiek (30.33-28 15-20 enz.) om te buigen. Koeperman zal het aanbod evenwel van de hand wijzen:
30.44-40 12-18 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 1 t/m 4, 9, 13 t/m 16, 18, 19, 23 en 26;
dertien witte schijven op 25, 27, 30, 32, 33, 35, 37 t/m 40, 45, 47 en 48.]
31.48-43
Van de drie momenten waarop wit de stand - in de 13x13-fase althans - klassiek had kunnen maken (op de 30ste, 31ste en 32ste zet), was het middelste naar mijn smaak het meest geschikte. Immers: na 31.33-28 lijkt 31...15-20?!, de zet die zwart toch het liefst zou willen spelen, nogal bezwaarlijk wegens 32.38-33! Direct 32...20-24? zou hem dan na 33.39-34! 14-20 34.25x14 9x20 35.30-25! 4-9 36.25x14 9x20 37.34-30! 3-9 38.30-25 9-14 39.47/48-42 enz. op een ernstige, zoniet dodelijke zwakte op veld 20 komen te staan. En 32...4-10? is uitgeschakeld door de damzet 33.27-21! 16x29 34.28-22! 18x27 35.30-24 19x30 36.35x4 (bijvoorbeeld 36...29-34 37.40x18 13x22 38.4x13 3-8 39.13-19! 14x23 40.25-20 met een nieuwe doorbraak), zodat wit voldoende tijd krijgt om met de opmars van 48 dan wel 47 naar 38 de druk op de zwarte stelling nog verder op te voeren.
In plaats van 31...15-20 beantwoordt zwart 31.33-28 dan ook het beste met 31...14-20 32.25x14 9x20. Maar ook in dat geval had wit - dat vermoed ik tenminste - prima spel moeten kunnen krijgen.
31...2-8 32.30-24(!)
Inmiddels was 32.33-28 veel minder aantrekkelijk. Om te beginnen is het maar de vraag of wit na bijvoorbeeld 32...15-20 33.39-33 20-24 34.43-39 14-20! (maar niet 34...4-10? wegens 35.27-22! enz.) 35.25x14 9x20 36.30-25 4-9 37.25x14 9x20 38.39-34 3-9! wel echt van schijf 20 kan profiteren. Zo beschikt zwart op 39.34-30 over de vervelende stoorzender 39...23-29! (40.30-25? 18-22!). En na 39.47-41 (want 39.47-42? zou een zware strategische misgreep zijn) 39...1-6! 40.34-30 6-11! (zie analyse-diagram) faalt 41.30-25? op het altijd verraderlijke 41...18-22!! en 43...11-17 +.

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 8, 9, 11, 13, 16, 18 t/m 20, 23, 24 en 26;
elf witte schijven op 27, 28, 30, 32, 33, 35, 37, 38, 40, 41 en 45.]
Last wit om die reden een nieuwe tussenzet in (41.41-36), dan blijkt hij na 41...8-12 42.30-25 9-14 43.40-34 11-17 44.34-30 17-21 45.45-40 12-17 46.40-34 (relatief beter is 46.36-31) 46...17-22 47.28x17 21x12 als gevolg van het geleden tempoverlies geen greintje voordeel meer te hebben, eerder integendeel.
Maar afgezien van de positionele bedenkingen die men dus jegens 32.33-28 zou kunnen hebben, kan ik mij voorstellen dat Koeperman ook een nog veel groter tactisch bezwaar ontwaarde. Want welke zekerheid kon de witspeler hebben dat het offer-op-lange-termijn 32...18-22!!?, 33...19-23/24, 34...9-14 en 35...13x31 (met de vanzelfsprekende bedoeling 8-12-17-21-27 enz.) uiteindelijk nìet verantwoord zou blijken?
32...19x30 33.25x34 14-19 34.35-30 1-7 35.30-24
Wit wil de stand zo beweeglijk mogelijk houden.
35...19x30 36.34x25 9-14 37.40-34 4-9 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 3, 7 t/m 9, 13 t/m 16, 18, 23 en 26;
elf witte schijven op 25, 27, 32 t/m 34, 37 t/m 39, 43, 45 en 47.]
38.34-29
Zie de vorige aantekening. Misschien kon de dreigende afbraak van 27 (7-12-17) nog wel op een bevredigende manier worden tegengegaan met 38.45-40; men zie: 38...7-12 39.40-35 12-17 40.25-20!! 14x25 41.33-28! met fraai spel voor wit na het gedwongen 41...17-22 42.28x17. Maar als zwart 38.45-40 met 38...15-20/14-19(!) 39.40-35 14-19/15-20(!) 40.25x14 9x20(!) beantwoordt, valt er inderdaad weinig tot niets meer te halen.
38...23x34 39.39x30 7-12 40.45-40 18-23 41.40-35 13-19 42.43-39 8-13 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 3, 9, 12 t/m 16, 19, 23 en 26;
tien witte schijven op 25, 27, 30, 32, 33, 35, 37 t/m 39 en 47.]
43.30-24(!)
Variaties op een inmiddels bekend thema. Alleen door iedere overgang naar een gesloten klassiek afspel (43.33-28? 15-20!) consequent uit de weg te blijven gaan, kan wit zijn voordeel vasthouden.
43...19x30 44.25x34 13-19 45.47-42!
Ter voorbereiding van de (thematische) omsingelingsmanoeuvre 33-29 annex 35-30 haalt wit de plakker 26-31 uit de stand.
45...15-20 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 3, 9, 12, 14, 16, 19, 20, 23 en 26;
negen witte schijven op 27, 32 t/m 35, 37 t/m 39 en 42.]
46.33-29! 12-18 47.38-33
Koeperman meent dat hij met (47.)35-30 nog geen haast hoeft te maken, omdat na 47...19-24 48.42-38 dodelijke kracht uitgaat (lijkt uit te gaan) van de damdreiging 49.35-30! en 50.37-31 +. Bijvoorbeeld 48...18-22? 49.27x18 23x12 50.34-30! 14-19 51.29-23! 19x28 52.30x19 met schijf- en partijwinst na 52...3-8 53.32x23 9-13 54.39-34 13x24 55.34-30 +.
De toenmalige wereldkampioen moet echter hebben overzien dat zwart na 47...19-24(!) 48.42-38 nog een verrassende verdediging heeft in 48...9-13!! 49.27-22 18x27 50.29x9 24-29!! 51.33x15 27-31 52.9x20 31x44 (53.15-10 44-49 enz. =), reden waarom onmiddellijk 47.35-30 tòch de voorkeur verdiende. Maar zo vlak voor de klokcontrole laat het zich begrijpen dat deze giftige finesse ook aan Mansjiens aandacht ontsnapt:
47...3-8 48.42-38 8-13 49.35-30! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 9, 13, 14, 16, 18 t/m 20, 23 en 26;
negen witte schijven op 27, 29, 30, 32 t/m 34 en 37 t/m 39.]
49...18-22
Zwart heeft niet beter dan dit povere terugruiltje. Immers: 49...20-24(??) 50.29x20 14x25 verliest op slag door 51.33-28! +. En na 49...20-25? 50.29-24! lijdt het offer 50...16-21 51.27x16 18-22 schipbreuk op het (dubbele) tegenoffer 52.37-31!! 26x28 53.16-11. Bijvoorbeeld 53...14-20 (nog het beste) 54.24x15 en nu ofwel 54...13-18 55.11-7! 28-32 56.38x27 22x31 57.34-29!! en 58.7-2 +, ofwel 54...9-14 55.11-7! 22-27 56.33x31 23-29 57.34x23 25x32 58.31-27!! +.
50.27x18 23x12 51.30-24!
Dit is inderdaad sterker dan 51.29-23 19x28 52.32x23 16-21! (maar onder geen beding 52...13-19? wegens 53.23-18! en 54.30-24 enz. met dam op 4) 53.34-29 21-27! 54.30-24 20-25, waarna 55.39-34 faalt op de remise-combinatie 55...26-31!!, 56...14-19!, 57...25-30! en 58...30x37 =, terwijl zwart zich op 55.38-32 27x38 56.33x42 redt met behulp van het tijdelijke offer 56...25-30! 57.24x35 13-19 58.42-38 19x28 =.
51...19x30 52.34x25 16-21
Alleen zo houdt zwart nog een minieme overlevingskans. Van de twee alternatieven waarover hij beschikte, had 52...12-17 geforceerd verloren door 53.39-34! 13-19 54.34-30! 9-13 55.32-27! (nu pas) 55...17-21 56.27-22 +. En na 52...13-19 53.32-27! 9-13 (53...19-24? 54.29-23! +) 54.33-28! 19-24 55.39-33! (zie analyse-diagram) had wit eveneens op winst gestaan; drie voorbeeldjes:

[Stand in cijfers:
zeven zwarte schijven op 12 t/m 14, 16, 20, 24 en 26;
zeven witte schijven op 25, 27 t/m 29, 33, 37 en 38.]
1) 55...12-17 56.27-22! 17-21 57.29-23! (zo omzeilt hij de variant 57.38-32 13-18! 58.22x13 21-27 enz.; zie ook het commentaar bij Mansjiens 53ste zet) 57...14-19 58.25x14 19x10 59.23-19! en wit wint moeiteloos. Dit geldt ook voor het vervolg 59...13-18 60.22x13 24-30 61.13-9 30-35 62.9-3!, in welk geval 62...35-40 op slag verliest door 63.19-14!!, 64.28-23!! en 65.37-31 +.
2) 55...13-18 (met als rechtvaardiging 56.28-22? 14-19!! 57.25x23 12-17! 58.23x21 26x39 59.29x20 39-44 =; maar:) 56.37-32! en nu:
2.1) 56...12-17 57.27-22! (het eenvoudigst) 57...18x27 58.32x12 26-31 59.12-7 31-36 60.7-2 en zwart belandt in een hopeloos eindspel.
2.2) 56...16-21 57.27x16 12-17 58.16-11! 17x6 59.32-27 6-11 60.28-22! 26-31 61.22x13 31x22 62.38-32! 11-16 63.13-8 22-27 64.32x21 16x27 65.8-2 27-31 en nu bestaat wits leukste winst uit 66.2x30 31-37 67.30-48! 37-41 68.48-31! 41-46 69.29-23!! 46x19 70.31-9! +.
53.32-28! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zeven zwarte schijven op 9, 12 t/m 14, 20, 21 en 26;
zeven witte schijven op 25, 28, 29, 33 en 37 t/m 39.]
53...21-27?
’Anders was wit op veld 22 binnengevallen’, schreef ik naar aanleiding van deze zet in de krant. Inderdaad had Koeperman zowel op 53...13-19 als op 53...12-17 sterk 54.28-22 gespeeld. Maar daarmee is nog lang niet alles gezegd. Want waar wit in het eerste geval inderdaad gaat winnen, lijkt zwart in het tweede geval nog een piepkleine ontsnappingsmogelijkheid te kunnen creëren. Kijkt u maar:
1) 53...13-19? 54.28-22! 9-13 55.22-17! (tempodwang!) 55...12-18 56.17-11 19-23 (zwarts enige tegenkans) 57.29-24! 20x29 58.33x24 21-27 59.11-7 23-28 60.39-34! (noodzakelijke tussenzet; zie analyse-diagram) en nu:

[Stand in cijfers:
zes zwarte schijven op 13, 14, 18 en 26 t/m 28;
zes witte schijven op 7, 24, 25, 34, 37 en 38.]
1.1) 60...18-23 61.7-2! 27-31 62.2x10!! 31x33 63.10-5!! met winst door overmacht na het gedwongen 63...23-29 64.34x32 33-39.
1.2) 60...18-22 (nu levert 61.7-2? niet meer dan remise op na 61...14-20! 62.2x16 20x40 enz.; maar:) 61.7-1! 27-31 62.37-32! 28x37 63.1-23 en zwart kan het opgeven.
2) 53...12-17! 54.28-22! 17x28 55.33x22 13-19 56.39-33 9-13 57.33-28 19-24 58.38-33 (op 58.29-23 doet zwart niet 58...14-19? maar 58...24-29!! 59.23x34 20-24! met - op zìjn beurt - redding brengende tempodwang na 60.38-33 24-30! =) 58...13-18! 59.22x13 21-27 60.13-8 (zie analyse-diagram) en nu een laatste splitsing:

[Stand in cijfers:
vijf zwarte schijven op 14, 20, 24, 26 en 27;
zes witte schijven op 8, 25, 28, 29, 33 en 37.]
2.1) 60...27-31? (merk op dat behalve 60...27-32?? ook 60...24-30? 61.25x34 27-32?? een blunder zou zijn vanwege 62.34-30! +) 61.37-32 31-36 62.8-2 en wit gaat te allen tijde door overmacht winnen. Een denkbaar vervolg is bijvoorbeeld 62...26-31 63.2x35 31-37 64.32x41 36x47 65.28-22! 47-36 66.22-17 36-18 67.17-11! (de computer kondigt zowaar al op dit moment winst-in-alle-varianten aan!) 67...18x45 68.11-6!! 14-19 (ook 68...45-50 69.33-29 verliest; en na eerst 68...45-1 handhaaft wit dezelfde tactische wending door ‘gewoon’ 69.33-28!! te spelen) 69.25x23 45x18 70.35-40! 18x45 71.6-1 +.
2.2) 60...14-19!! (alleen zo) 61.25x23 27-31 (of wellicht ook 61...27-32; of zouden we hier met net zo’n cruciaal keuzemoment te maken hebben als in de competitiepartij G. Jansen-Meijer die vier weken geleden in deze rubriek besproken werd?) 62.29x20 31x42 63.33-29* 42-48/26-31 en wit zou uitsluitend nog winnen wanneer hij erin slaagt - wat mij hoogst onwaarschijnlijk lijkt - al zijn vijf stukken naar de damlijn te loodsen.
Hoe dan ook - na het door Mansjien gespeelde 53...21-27, dat op zich natuurlijk goed verklaarbaar is (welke dammer zou, na vier uur lang aan zoveel pressie bloot te hebben gestaan, die verborgen redding uit variant ‘2.2’ wèl gevonden hebben?), laat Koeperman zijn tegenstander volmaakt kansloos:
54.28-22! 27x18 55.29-23 18x29 56.33x15 13-18 57.25-20 14x25 58.15-10 9-14
Het klopt als een bus voor wit: zelfs na dit oponthoud blijkt Koeperman precies op tijd op dam te komen!
59.10x19 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vier zwarte schijven op 12, 18, 25 en 26;
vier witte schijven op 19 en 37 t/m 39.]
59...25-30
Op 59...18-22 wint zowel de inlas 60.38-32 als het omslachtiger (doch niet minder overtuigende) 60.19-14 22-27 61.14-10! 27-31 62.39-33 31x42 63.38x47 25-30 64.10-5! 12-18 65.33-29 30-35 66.5-28 35-40 67.28-39 40-45 68.39-50 26-31 69.47-41! (maar vooral niet 69.47-42? wegens 69...18-22 70.50x6 45-50 71.29-23 31-37!! 72.42x31 50-45 =) en na nog 69...18-22 70.50x6 45-50 71.29-23 (71...31-36 72.41-37) kan zwart het opgeven.
60.19-14 18-23 61.38-33 12-18 62.14-10 18-22 63.10-4 22-28 64.33x22 23-29 65.22-17
Zwart geeft het op.
Toch blijft er nog veel moois over dat eveneens zeer publicabel is. En dan hoeft men waarlijk niet Koepermans gehele, ongekend lange carrière (1953-2005) onder de loep te nemen. Het is namelijk al voldoende om er slechts één enkel facet uit te lichten. Zoals de partijen die Koeperman, als witspeler, met de zettenreeks 1.31-27 17-21 2.37-31 21-26 3.32-28 26x37 4.41x32 (of 1.32-28 17-21 2.37-32 21-26 3.32-27 enz.) van start liet gaan.
Die openingsvariant, waarvan de geschiedenis tot Amiens 1899 (Raphaël-Beudin) teruggaat en die inmiddels in meer dan tweeduizend(!) partijen is voorgekomen, is door diverse grootmeesters en - zelfs - wereldkampioenen toegepast. Maar veruit de meeste praktijkvoorbeelden (21) staan op naam van Koeperman, die deze variant ook tot een van zijn gevaarlijkste wapens wist om te smeden.
Daarbij beschouw ik het beslist als een tactische dan wel psychologische verdienste van Koeperman dat hij een openingsvariant uitkoos die bij uitstek bij zijn stijl paste. Zo hield Koeperman ervan zijn linker vleugel met tempowinst te ontwikkelen. Maar dat niet alleen. Want in menige partij kwam de zwarte schijf 11 altijd wel op de één of andere manier op het randveld 26 terecht. En stellingen waarin zijn tegenstanders op 16 en 26 stonden en hijzelf het strategische veld 27 beheerste, waren een kolfje naar Koepermans hand!
Om deze bewering met lichtbeelden te illustreren, laat ik de komende weken vier partijen zien, de één nog mooier dan de ander. Ik open het vierluik met de partij die Koeperman in de zomer van 1960, tijdens het internationale toernooi dat in zijn geboorte- en toenmalige woonplaats Kiew werd gehouden, van de Leningrader Sergeï Mansjien won.
Hoewel ik mijzelf, afgelopen maandagavond, tegen een ANP-redacteur hoorde zeggen dat Koeperman veeleer een match- dan een toernooispeler was, kwam Koeperman wel degelijk als triomfator uit ‘Kiew 1960’ te voorschijn. Wat heet: uit 14 partijen behaalde Koeperman 22 punten, waarmee hij het duo Sjtsjogoljew/Tsirik liefst 3 punten vóór bleef. Tot de deelnemers behoorde ook de Nederlandse grootmeester R.C. Keller, die bij zijn laatste optreden evenwel niet hoger reikte dan een vijftig procent-score en een gedeelde negende plaats.
(Volledigheidshalve - en ook een beetje omwille van het tijdsbeeld - geef ik hier de integrale eindstand:
1. Koeperman 22 punten; 2. Sjtsjogoljew & Tsirik beiden 19; 4. Zwirboelis 17; 5. Kaplan & Rats & Soeplin allen 16; 8. Mansjien 15; 9. Keller & Stanowski beiden 14; 11. Demesmaecker & Slobodskoj beiden 12; 13. Aubier 8; 14. Van den Berghe & Verleene beiden 5 punten.)
Koeperman-Mansjien
(Kiew 1960)
1.31-27 17-21 2.37-31 21-26 3.32-28 26x37 4.41x32 11-17 5.46-41 17-22
Het mag pikant heten dat Koeperman in een van zijn vele leerboeken niet 3.32-28 maar 3.41-37 als hoofdvariant van de Poolse Opening geeft, waarbij hij uitlegt dat zwart 3.32-28 26x37 4.41x32 goed met 4...11-17, 5...17-22 en 6...12x21 kan beantwoorden. Een bewuste poging zijn lezers, of liever gezegd: toekomstige tegenstanders (het bedoelde boek verscheen in 1972), te misleiden? Of zou hij het samenstellen van het hoofdstuk Openingen aan co-auteur Joeri Barski hebben overgelaten?
Hoe dan ook - ik weet wel zeker dat Koeperman tegen 5...17-22 net zo weinig bezwaar had als tegen het systeem met 5...17-21 6.41-37 21-26 (7.34-29/30). Dat moge onder meer blijken uit de vier partijen waarin hij deze zelfde variant met zwart toepaste en waarin hij - zoals tegen Sjtsjogoljew (Samarkand 1970) en Krajenbrink (Harderwijk 1993) - steevast een opstelling met 5...7-11 en 6/7...19-23 7/8.28x19 14x23 innam...
6.28x17 12x21 7.33-28
Wit stelt de voor de hand liggende opbouwzet (7.)41-37 nog even uit, dit om te voorkomen dat hij na (7...)19-23 door de meerslagfinesse (8...)23-28 zou worden geplaagd. Overigens was het Keller die zich als eerste van deze positionele finesse bediende: hij speelde de tekstzet al tegen De Graag (NK 1938) en Jernberg (kamp. Noord-Holland 1943).
7...19-23 8.28x19 14x23 9.39-33 10-14 10.44-39 6-11 11.35-30 7-12 12.50-44
Wellicht liet Koeperman 12.30-25 na met het oog op de vereenvoudiging 12...23-28 13.32x23* (13.33x22?? 14-19! +) 13...21x32 14.38x27 18x38 15.43x32.
12...11-17 13.41-37
Maar waarom de witspeler hier niet meteen 13.30-25 doet, is mij niet helemaal duidelijk. Het lijkt mij tenminste dat hij er, zeker nu de reactie 14.33-29?? van de baan is, bij gebaat was de mogelijkheid 13...20-25 te elimineren. Of voorvoelde Koeperman dat Mansjien de uitdaging tòch niet zou aannemen?
13...21-26 14.30-25 17-21 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zeventien zwarte schijven op 1 t/m 5, 8, 9, 12 t/m 16, 18, 20, 21, 23 en 26;
zeventien witte schijven op 25, 27, 32 t/m 34, 36 t/m 40, 42 t/m 45 en 47 t/m 49.]
15.34-30
Een kleine veertig jaar later zou zich - uiteraard vanuit dezelfde openingsvariant - in de blindpartij Sijbrands-H. Lap (Gouda 1999) vrijwel dezelfde stelling voordoen. Met 40 op 35 en 1 al op 6 koos ik toen voor 16.34-29 23x34 17.39x30 18-23 18.33-29 23x34 19.30x39, alles met de bedoeling het centrumveld 28 onder controle te brengen en een eventuele stormloop tegen 27 te kunnen pareren. Zie ook het medio 2001 door De Goudse Verzekeringen uitgegeven boek over de desbetreffende record-simultaan.
15...14-19 16.25x14 19x10 17.40-34 10-14 18.30-25 5-10 19.44-40 12-17 20.34-29 23x34 21.39x30
De gedachtegang die aan deze manoeuvre ten grondslag ligt, is niet moeilijk meer te doorgronden voor wie de vorige aantekening tot zich genomen heeft.
Overigens denk ik dat Mansjien nu het beste hetzij 21...15-20, hetzij eerst 21...17-22 en daarna 23...15-20 had kunnen doen. De obligate opstelling die de zwartspeler in de partij inneemt, is misschien niet opgelegd zwak maar vermag Koeperman absoluut niet te verontrusten.
21...14-19 22.43-39 10-14 23.40-35 17-22 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vijftien zwarte schijven op 1 t/m 4, 8, 9, 13 t/m 16, 18, 19, 21, 22 en 23;
vijftien witte schijven op 25, 27, 30, 32, 33, 35 t/m 39, 42, 45 en 47 t/m 49.]
24.49-44(!) 22x31 25.36x27
Ongetwijfeld gespeeld om ook op 25...1-6 of 25...2-7 ongestoord 26.33-28 dóór te kunnen zetten, wat na 24.49-43(?) niet het geval zou zijn geweest.
25...8-12 26.33-28 12-17 27.38-33 17-22 28.28x17 21x12 29.42-38 18-23 Zwart ziet definitief af van acties tegen 27 (maar dat had hij eigenlijk al met zijn 27ste zet gedaan) en probeert het spel in de richting van gesloten klassiek (30.33-28 15-20 enz.) om te buigen. Koeperman zal het aanbod evenwel van de hand wijzen:
30.44-40 12-18 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
dertien zwarte schijven op 1 t/m 4, 9, 13 t/m 16, 18, 19, 23 en 26;
dertien witte schijven op 25, 27, 30, 32, 33, 35, 37 t/m 40, 45, 47 en 48.]
31.48-43
Van de drie momenten waarop wit de stand - in de 13x13-fase althans - klassiek had kunnen maken (op de 30ste, 31ste en 32ste zet), was het middelste naar mijn smaak het meest geschikte. Immers: na 31.33-28 lijkt 31...15-20?!, de zet die zwart toch het liefst zou willen spelen, nogal bezwaarlijk wegens 32.38-33! Direct 32...20-24? zou hem dan na 33.39-34! 14-20 34.25x14 9x20 35.30-25! 4-9 36.25x14 9x20 37.34-30! 3-9 38.30-25 9-14 39.47/48-42 enz. op een ernstige, zoniet dodelijke zwakte op veld 20 komen te staan. En 32...4-10? is uitgeschakeld door de damzet 33.27-21! 16x29 34.28-22! 18x27 35.30-24 19x30 36.35x4 (bijvoorbeeld 36...29-34 37.40x18 13x22 38.4x13 3-8 39.13-19! 14x23 40.25-20 met een nieuwe doorbraak), zodat wit voldoende tijd krijgt om met de opmars van 48 dan wel 47 naar 38 de druk op de zwarte stelling nog verder op te voeren.
In plaats van 31...15-20 beantwoordt zwart 31.33-28 dan ook het beste met 31...14-20 32.25x14 9x20. Maar ook in dat geval had wit - dat vermoed ik tenminste - prima spel moeten kunnen krijgen.
31...2-8 32.30-24(!)
Inmiddels was 32.33-28 veel minder aantrekkelijk. Om te beginnen is het maar de vraag of wit na bijvoorbeeld 32...15-20 33.39-33 20-24 34.43-39 14-20! (maar niet 34...4-10? wegens 35.27-22! enz.) 35.25x14 9x20 36.30-25 4-9 37.25x14 9x20 38.39-34 3-9! wel echt van schijf 20 kan profiteren. Zo beschikt zwart op 39.34-30 over de vervelende stoorzender 39...23-29! (40.30-25? 18-22!). En na 39.47-41 (want 39.47-42? zou een zware strategische misgreep zijn) 39...1-6! 40.34-30 6-11! (zie analyse-diagram) faalt 41.30-25? op het altijd verraderlijke 41...18-22!! en 43...11-17 +.

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 8, 9, 11, 13, 16, 18 t/m 20, 23, 24 en 26;
elf witte schijven op 27, 28, 30, 32, 33, 35, 37, 38, 40, 41 en 45.]
Last wit om die reden een nieuwe tussenzet in (41.41-36), dan blijkt hij na 41...8-12 42.30-25 9-14 43.40-34 11-17 44.34-30 17-21 45.45-40 12-17 46.40-34 (relatief beter is 46.36-31) 46...17-22 47.28x17 21x12 als gevolg van het geleden tempoverlies geen greintje voordeel meer te hebben, eerder integendeel.
Maar afgezien van de positionele bedenkingen die men dus jegens 32.33-28 zou kunnen hebben, kan ik mij voorstellen dat Koeperman ook een nog veel groter tactisch bezwaar ontwaarde. Want welke zekerheid kon de witspeler hebben dat het offer-op-lange-termijn 32...18-22!!?, 33...19-23/24, 34...9-14 en 35...13x31 (met de vanzelfsprekende bedoeling 8-12-17-21-27 enz.) uiteindelijk nìet verantwoord zou blijken?
32...19x30 33.25x34 14-19 34.35-30 1-7 35.30-24
Wit wil de stand zo beweeglijk mogelijk houden.
35...19x30 36.34x25 9-14 37.40-34 4-9 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
elf zwarte schijven op 3, 7 t/m 9, 13 t/m 16, 18, 23 en 26;
elf witte schijven op 25, 27, 32 t/m 34, 37 t/m 39, 43, 45 en 47.]
38.34-29
Zie de vorige aantekening. Misschien kon de dreigende afbraak van 27 (7-12-17) nog wel op een bevredigende manier worden tegengegaan met 38.45-40; men zie: 38...7-12 39.40-35 12-17 40.25-20!! 14x25 41.33-28! met fraai spel voor wit na het gedwongen 41...17-22 42.28x17. Maar als zwart 38.45-40 met 38...15-20/14-19(!) 39.40-35 14-19/15-20(!) 40.25x14 9x20(!) beantwoordt, valt er inderdaad weinig tot niets meer te halen.
38...23x34 39.39x30 7-12 40.45-40 18-23 41.40-35 13-19 42.43-39 8-13 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
tien zwarte schijven op 3, 9, 12 t/m 16, 19, 23 en 26;
tien witte schijven op 25, 27, 30, 32, 33, 35, 37 t/m 39 en 47.]
43.30-24(!)
Variaties op een inmiddels bekend thema. Alleen door iedere overgang naar een gesloten klassiek afspel (43.33-28? 15-20!) consequent uit de weg te blijven gaan, kan wit zijn voordeel vasthouden.
43...19x30 44.25x34 13-19 45.47-42!
Ter voorbereiding van de (thematische) omsingelingsmanoeuvre 33-29 annex 35-30 haalt wit de plakker 26-31 uit de stand.
45...15-20 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 3, 9, 12, 14, 16, 19, 20, 23 en 26;
negen witte schijven op 27, 32 t/m 35, 37 t/m 39 en 42.]
46.33-29! 12-18 47.38-33
Koeperman meent dat hij met (47.)35-30 nog geen haast hoeft te maken, omdat na 47...19-24 48.42-38 dodelijke kracht uitgaat (lijkt uit te gaan) van de damdreiging 49.35-30! en 50.37-31 +. Bijvoorbeeld 48...18-22? 49.27x18 23x12 50.34-30! 14-19 51.29-23! 19x28 52.30x19 met schijf- en partijwinst na 52...3-8 53.32x23 9-13 54.39-34 13x24 55.34-30 +.
De toenmalige wereldkampioen moet echter hebben overzien dat zwart na 47...19-24(!) 48.42-38 nog een verrassende verdediging heeft in 48...9-13!! 49.27-22 18x27 50.29x9 24-29!! 51.33x15 27-31 52.9x20 31x44 (53.15-10 44-49 enz. =), reden waarom onmiddellijk 47.35-30 tòch de voorkeur verdiende. Maar zo vlak voor de klokcontrole laat het zich begrijpen dat deze giftige finesse ook aan Mansjiens aandacht ontsnapt:
47...3-8 48.42-38 8-13 49.35-30! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
negen zwarte schijven op 9, 13, 14, 16, 18 t/m 20, 23 en 26;
negen witte schijven op 27, 29, 30, 32 t/m 34 en 37 t/m 39.]
49...18-22
Zwart heeft niet beter dan dit povere terugruiltje. Immers: 49...20-24(??) 50.29x20 14x25 verliest op slag door 51.33-28! +. En na 49...20-25? 50.29-24! lijdt het offer 50...16-21 51.27x16 18-22 schipbreuk op het (dubbele) tegenoffer 52.37-31!! 26x28 53.16-11. Bijvoorbeeld 53...14-20 (nog het beste) 54.24x15 en nu ofwel 54...13-18 55.11-7! 28-32 56.38x27 22x31 57.34-29!! en 58.7-2 +, ofwel 54...9-14 55.11-7! 22-27 56.33x31 23-29 57.34x23 25x32 58.31-27!! +.
50.27x18 23x12 51.30-24!
Dit is inderdaad sterker dan 51.29-23 19x28 52.32x23 16-21! (maar onder geen beding 52...13-19? wegens 53.23-18! en 54.30-24 enz. met dam op 4) 53.34-29 21-27! 54.30-24 20-25, waarna 55.39-34 faalt op de remise-combinatie 55...26-31!!, 56...14-19!, 57...25-30! en 58...30x37 =, terwijl zwart zich op 55.38-32 27x38 56.33x42 redt met behulp van het tijdelijke offer 56...25-30! 57.24x35 13-19 58.42-38 19x28 =.
51...19x30 52.34x25 16-21
Alleen zo houdt zwart nog een minieme overlevingskans. Van de twee alternatieven waarover hij beschikte, had 52...12-17 geforceerd verloren door 53.39-34! 13-19 54.34-30! 9-13 55.32-27! (nu pas) 55...17-21 56.27-22 +. En na 52...13-19 53.32-27! 9-13 (53...19-24? 54.29-23! +) 54.33-28! 19-24 55.39-33! (zie analyse-diagram) had wit eveneens op winst gestaan; drie voorbeeldjes:

[Stand in cijfers:
zeven zwarte schijven op 12 t/m 14, 16, 20, 24 en 26;
zeven witte schijven op 25, 27 t/m 29, 33, 37 en 38.]
1) 55...12-17 56.27-22! 17-21 57.29-23! (zo omzeilt hij de variant 57.38-32 13-18! 58.22x13 21-27 enz.; zie ook het commentaar bij Mansjiens 53ste zet) 57...14-19 58.25x14 19x10 59.23-19! en wit wint moeiteloos. Dit geldt ook voor het vervolg 59...13-18 60.22x13 24-30 61.13-9 30-35 62.9-3!, in welk geval 62...35-40 op slag verliest door 63.19-14!!, 64.28-23!! en 65.37-31 +.
2) 55...13-18 (met als rechtvaardiging 56.28-22? 14-19!! 57.25x23 12-17! 58.23x21 26x39 59.29x20 39-44 =; maar:) 56.37-32! en nu:
2.1) 56...12-17 57.27-22! (het eenvoudigst) 57...18x27 58.32x12 26-31 59.12-7 31-36 60.7-2 en zwart belandt in een hopeloos eindspel.
2.2) 56...16-21 57.27x16 12-17 58.16-11! 17x6 59.32-27 6-11 60.28-22! 26-31 61.22x13 31x22 62.38-32! 11-16 63.13-8 22-27 64.32x21 16x27 65.8-2 27-31 en nu bestaat wits leukste winst uit 66.2x30 31-37 67.30-48! 37-41 68.48-31! 41-46 69.29-23!! 46x19 70.31-9! +.
53.32-28! (zie diagram)

[Stand in cijfers:
zeven zwarte schijven op 9, 12 t/m 14, 20, 21 en 26;
zeven witte schijven op 25, 28, 29, 33 en 37 t/m 39.]
53...21-27?
’Anders was wit op veld 22 binnengevallen’, schreef ik naar aanleiding van deze zet in de krant. Inderdaad had Koeperman zowel op 53...13-19 als op 53...12-17 sterk 54.28-22 gespeeld. Maar daarmee is nog lang niet alles gezegd. Want waar wit in het eerste geval inderdaad gaat winnen, lijkt zwart in het tweede geval nog een piepkleine ontsnappingsmogelijkheid te kunnen creëren. Kijkt u maar:
1) 53...13-19? 54.28-22! 9-13 55.22-17! (tempodwang!) 55...12-18 56.17-11 19-23 (zwarts enige tegenkans) 57.29-24! 20x29 58.33x24 21-27 59.11-7 23-28 60.39-34! (noodzakelijke tussenzet; zie analyse-diagram) en nu:

[Stand in cijfers:
zes zwarte schijven op 13, 14, 18 en 26 t/m 28;
zes witte schijven op 7, 24, 25, 34, 37 en 38.]
1.1) 60...18-23 61.7-2! 27-31 62.2x10!! 31x33 63.10-5!! met winst door overmacht na het gedwongen 63...23-29 64.34x32 33-39.
1.2) 60...18-22 (nu levert 61.7-2? niet meer dan remise op na 61...14-20! 62.2x16 20x40 enz.; maar:) 61.7-1! 27-31 62.37-32! 28x37 63.1-23 en zwart kan het opgeven.
2) 53...12-17! 54.28-22! 17x28 55.33x22 13-19 56.39-33 9-13 57.33-28 19-24 58.38-33 (op 58.29-23 doet zwart niet 58...14-19? maar 58...24-29!! 59.23x34 20-24! met - op zìjn beurt - redding brengende tempodwang na 60.38-33 24-30! =) 58...13-18! 59.22x13 21-27 60.13-8 (zie analyse-diagram) en nu een laatste splitsing:

[Stand in cijfers:
vijf zwarte schijven op 14, 20, 24, 26 en 27;
zes witte schijven op 8, 25, 28, 29, 33 en 37.]
2.1) 60...27-31? (merk op dat behalve 60...27-32?? ook 60...24-30? 61.25x34 27-32?? een blunder zou zijn vanwege 62.34-30! +) 61.37-32 31-36 62.8-2 en wit gaat te allen tijde door overmacht winnen. Een denkbaar vervolg is bijvoorbeeld 62...26-31 63.2x35 31-37 64.32x41 36x47 65.28-22! 47-36 66.22-17 36-18 67.17-11! (de computer kondigt zowaar al op dit moment winst-in-alle-varianten aan!) 67...18x45 68.11-6!! 14-19 (ook 68...45-50 69.33-29 verliest; en na eerst 68...45-1 handhaaft wit dezelfde tactische wending door ‘gewoon’ 69.33-28!! te spelen) 69.25x23 45x18 70.35-40! 18x45 71.6-1 +.
2.2) 60...14-19!! (alleen zo) 61.25x23 27-31 (of wellicht ook 61...27-32; of zouden we hier met net zo’n cruciaal keuzemoment te maken hebben als in de competitiepartij G. Jansen-Meijer die vier weken geleden in deze rubriek besproken werd?) 62.29x20 31x42 63.33-29* 42-48/26-31 en wit zou uitsluitend nog winnen wanneer hij erin slaagt - wat mij hoogst onwaarschijnlijk lijkt - al zijn vijf stukken naar de damlijn te loodsen.
Hoe dan ook - na het door Mansjien gespeelde 53...21-27, dat op zich natuurlijk goed verklaarbaar is (welke dammer zou, na vier uur lang aan zoveel pressie bloot te hebben gestaan, die verborgen redding uit variant ‘2.2’ wèl gevonden hebben?), laat Koeperman zijn tegenstander volmaakt kansloos:
54.28-22! 27x18 55.29-23 18x29 56.33x15 13-18 57.25-20 14x25 58.15-10 9-14
Het klopt als een bus voor wit: zelfs na dit oponthoud blijkt Koeperman precies op tijd op dam te komen!
59.10x19 (zie diagram)

[Stand in cijfers:
vier zwarte schijven op 12, 18, 25 en 26;
vier witte schijven op 19 en 37 t/m 39.]
59...25-30
Op 59...18-22 wint zowel de inlas 60.38-32 als het omslachtiger (doch niet minder overtuigende) 60.19-14 22-27 61.14-10! 27-31 62.39-33 31x42 63.38x47 25-30 64.10-5! 12-18 65.33-29 30-35 66.5-28 35-40 67.28-39 40-45 68.39-50 26-31 69.47-41! (maar vooral niet 69.47-42? wegens 69...18-22 70.50x6 45-50 71.29-23 31-37!! 72.42x31 50-45 =) en na nog 69...18-22 70.50x6 45-50 71.29-23 (71...31-36 72.41-37) kan zwart het opgeven.
60.19-14 18-23 61.38-33 12-18 62.14-10 18-22 63.10-4 22-28 64.33x22 23-29 65.22-17
Zwart geeft het op.
Naar aanleiding van het plotselinge overlijden van
oud-wereldkampioen Koeperman schreef ik, op verzoek van de
sportredactie, het volgende (toch al) korte In Memoriam, dat in de
krant van woensdag 8 maart noodgedwongen nog verder werd ingekort.
Hieronder evenwel de integrale tekst van mijn artikeltje.
Nog geen zestien jaar oud was ik toen ik door twee journalisten van een regionale krant door de mangel werd gehaald. Met het nodige trekwerk slaagde het duo erin mij de - breed uitgemeten - uitspraak te ontlokken dat ik mijzelf ‘eigenlijk’ de beste dammer ter wereld vond. Er was slechts één speler voor wie Tonnie Sijbrands, net (senioren-)kampioen van Noord-Holland geworden, desnoods nog wel een uitzondering wilde maken: Iser Josifewitsj Koeperman. Afgelopen maandag overleed de voormalige wereldkampioen op 83-jarige leeftijd in zijn woonplaats Boston.
Hoe onbezonnen, ja onzinnig mijn uitspraak van 41 jaar geleden ook was - zij zei wèl iets over het onmetelijke respect dat velen, 15-jarige blagen niet uitgezonderd, de sterkste dammer over de periode 1958 - 1968 toedroegen. Dat respect en die bewondering had Koeperman onder meer afgedwongen door zijn eerste vijf WK-matches (er zouden er nog twee - minder succesvolle - volgen) alle op overtuigende wijze te winnen.
Zo versloeg hij in de herfst van 1958, een half jaar nadat hij als eerste Sowjet-dammer voet op West-Europese bodem had gezet, de Canadees Deslauriers (18-22). Een jaar later prolongeerde hij zijn titel ten koste van de Nederlander Van Dijk (27-13). En toen Koeperman in het WK 1960 zijn jongere landgenoot Sjtsjogoljew vóór moest laten gaan, stelde hij in de revanche-match orde op zaken: 18-22.
Vier jaar later voltrok zich hetzelfde scenario, met dìt verschil dat Sjtsjogoljew, de soevereine winnaar van het WK 1964, in hun tweede match alle hoeken van het bord te zien kreeg: 26-14! Maar zelfs de kansrijk(er) geachte Andreiko zag zijn eerste aanval op Koepermans damtroon (1967) gedecideerd afgeslagen: 22-18. Pas met Andreiko’s overwinning (juni 1968) in het te Bolzano gehouden toernooi om de wereldtitel kwam er een einde aan Koepermans hegemonie.
Maar het waren niet alleen zijn sportieve successen waarmee Koeperman roem oogstte - ook zijn speelstijl werd - in elk geval door mij - hartstochtelijk bewonderd. Met zijn gestroomlijnde, kristalheldere positiespel, dat hem menige modelzege opleverde, legde Koeperman - meer nog wellicht dan de oud-wereldkampioenen Ghestem en Roozenburg gedaan hebben - de basis voor het spel zoals dat ook in onze dagen gespeeld wordt. Op die speelstijl heeft men - althans in Nederland - wel eens het etiket ‘wetenschappelijk’ trachten te plakken, al heb ik nooit geweten wat daar nu precies mee bedoeld werd. Wat ik daarentegen wèl weet is dat Koeperman óók in speltypes waarvoor domweg geen ‘blauwdruk’ bestaat en waarin het dus op puur improviseren aankomt, meestal feilloos de juiste weg vond!
Overigens: de helderheid en rechtlijnigheid die zo kenmerkend voor Koepermans partijen zijn, was in zijn leven ‘naast’ het dambord ver te zoeken. Je hoort wel eens zeggen dat je het karakter van een dammer (of schaker) aan zijn spel zou kunnen aflezen. Nu heb ik daar sowieso al mijn twijfels over, maar zeker is dat dat adagium in het geval van Koeperman absoluut niet opging. De Oekraïense grootmeester, die in augustus 1978 via Wenen naar Amerika emigreerde, manifesteerde zich steeds nadrukkelijker als een ‘ritselaar’. Daarbij ging het nu eens om betrekkelijk onschuldige ‘vergrijpen’ (zoals afgesproken remises met collega-grootmeesters), dan weer om ‘regelingen’ die wel zeer haaks op de sportieve ethiek stonden.
Evenmin is ooit duidelijk geworden hoe Koeperman politiek of levensbeschouwelijk tegen de dingen aankeek. Was hij de trouwe Sowjet-patriot waarvoor Nederlandse communisten hem aanvankelijk hielden? Zo trouw zelfs dat sommige andere Russische dammers hem van contacten met de KGB verdachten? Of was hij juist de joodse dissident die Nederlandse dammers na 1978 in hem zagen? Geen idee - eerlijk gezegd. Behalve dan dat het mij zelfs niet uitgesloten lijkt dat hij geen van alle geweest is, dat hij steeds dìe weg is ingeslagen die hem op het moment zelve het meest opportuun leek.
Maar misschien doet het er ook niet al te veel toe. Wat telt zijn de vele prachtige partijen die Koeperman de damwereld heeft nagelaten en waarmee hij tot in lengte van dagen zal voortleven!
Nog geen zestien jaar oud was ik toen ik door twee journalisten van een regionale krant door de mangel werd gehaald. Met het nodige trekwerk slaagde het duo erin mij de - breed uitgemeten - uitspraak te ontlokken dat ik mijzelf ‘eigenlijk’ de beste dammer ter wereld vond. Er was slechts één speler voor wie Tonnie Sijbrands, net (senioren-)kampioen van Noord-Holland geworden, desnoods nog wel een uitzondering wilde maken: Iser Josifewitsj Koeperman. Afgelopen maandag overleed de voormalige wereldkampioen op 83-jarige leeftijd in zijn woonplaats Boston.
Hoe onbezonnen, ja onzinnig mijn uitspraak van 41 jaar geleden ook was - zij zei wèl iets over het onmetelijke respect dat velen, 15-jarige blagen niet uitgezonderd, de sterkste dammer over de periode 1958 - 1968 toedroegen. Dat respect en die bewondering had Koeperman onder meer afgedwongen door zijn eerste vijf WK-matches (er zouden er nog twee - minder succesvolle - volgen) alle op overtuigende wijze te winnen.
Zo versloeg hij in de herfst van 1958, een half jaar nadat hij als eerste Sowjet-dammer voet op West-Europese bodem had gezet, de Canadees Deslauriers (18-22). Een jaar later prolongeerde hij zijn titel ten koste van de Nederlander Van Dijk (27-13). En toen Koeperman in het WK 1960 zijn jongere landgenoot Sjtsjogoljew vóór moest laten gaan, stelde hij in de revanche-match orde op zaken: 18-22.
Vier jaar later voltrok zich hetzelfde scenario, met dìt verschil dat Sjtsjogoljew, de soevereine winnaar van het WK 1964, in hun tweede match alle hoeken van het bord te zien kreeg: 26-14! Maar zelfs de kansrijk(er) geachte Andreiko zag zijn eerste aanval op Koepermans damtroon (1967) gedecideerd afgeslagen: 22-18. Pas met Andreiko’s overwinning (juni 1968) in het te Bolzano gehouden toernooi om de wereldtitel kwam er een einde aan Koepermans hegemonie.
Maar het waren niet alleen zijn sportieve successen waarmee Koeperman roem oogstte - ook zijn speelstijl werd - in elk geval door mij - hartstochtelijk bewonderd. Met zijn gestroomlijnde, kristalheldere positiespel, dat hem menige modelzege opleverde, legde Koeperman - meer nog wellicht dan de oud-wereldkampioenen Ghestem en Roozenburg gedaan hebben - de basis voor het spel zoals dat ook in onze dagen gespeeld wordt. Op die speelstijl heeft men - althans in Nederland - wel eens het etiket ‘wetenschappelijk’ trachten te plakken, al heb ik nooit geweten wat daar nu precies mee bedoeld werd. Wat ik daarentegen wèl weet is dat Koeperman óók in speltypes waarvoor domweg geen ‘blauwdruk’ bestaat en waarin het dus op puur improviseren aankomt, meestal feilloos de juiste weg vond!
Overigens: de helderheid en rechtlijnigheid die zo kenmerkend voor Koepermans partijen zijn, was in zijn leven ‘naast’ het dambord ver te zoeken. Je hoort wel eens zeggen dat je het karakter van een dammer (of schaker) aan zijn spel zou kunnen aflezen. Nu heb ik daar sowieso al mijn twijfels over, maar zeker is dat dat adagium in het geval van Koeperman absoluut niet opging. De Oekraïense grootmeester, die in augustus 1978 via Wenen naar Amerika emigreerde, manifesteerde zich steeds nadrukkelijker als een ‘ritselaar’. Daarbij ging het nu eens om betrekkelijk onschuldige ‘vergrijpen’ (zoals afgesproken remises met collega-grootmeesters), dan weer om ‘regelingen’ die wel zeer haaks op de sportieve ethiek stonden.
Evenmin is ooit duidelijk geworden hoe Koeperman politiek of levensbeschouwelijk tegen de dingen aankeek. Was hij de trouwe Sowjet-patriot waarvoor Nederlandse communisten hem aanvankelijk hielden? Zo trouw zelfs dat sommige andere Russische dammers hem van contacten met de KGB verdachten? Of was hij juist de joodse dissident die Nederlandse dammers na 1978 in hem zagen? Geen idee - eerlijk gezegd. Behalve dan dat het mij zelfs niet uitgesloten lijkt dat hij geen van alle geweest is, dat hij steeds dìe weg is ingeslagen die hem op het moment zelve het meest opportuun leek.
Maar misschien doet het er ook niet al te veel toe. Wat telt zijn de vele prachtige partijen die Koeperman de damwereld heeft nagelaten en waarmee hij tot in lengte van dagen zal voortleven!

