Evelien Tonkens
VKBlog Headerimage

De Verlichting als lamp

woensdag 20 mei 2009 06:26
Spinoza is de uitvinder van spinazie. Een lustrum is een soort kanarie. Nanotechnologie gaat over onderzoek op lijken. Een van de hoofdstromingen binnen de islam heet de Thora. Digitaal betekent dat het op je pc staat. Provinciale Staten zijn ‘iets met ministers’. Aldus een kleine greep uit de algemene kennis van tweede jaars HBO-studenten. Een docent van de Saxion Hogeschool in Deventer was het opgevallen dat de algemene ontwikkeling van de aanstaande hoger opgeleiden erbarmelijk was. Hij ontwierp in 2006 een test die dit pijnlijk in bevestigde. Onze aanstaande managers en directeuren bleken te denken dat de politie wetten maakt. Ze denken dat Amsterdam in de Tweede Wereldoorlog gebombardeerd is. Tussen Karel de Grote en Napoleon zou slechts een eeuw liggen. De Verlichting is een lamp is en een stomme film ‘niet leuk’. Geen enkele student kon één van de totalitaire ideologieën van de twintigste eeuw noemen. Slechts één student wist waarom er schrikkeljaren bestaan. Sommigen menen dat ‘de aarde eens in de vier jaar een dag langer nodig heeft om rond de maan te draaien.’ Een cursus algemene ontwikkeling is dus broodnodig. Op de Saxion Hogeschool bestaat die inmiddels: in een half jaar kunnen leerlingen hun algemene kennis bijspijkeren. Een uiterst nuttige, noodzakelijke aanvulling maar ook een bekorting van de eigenlijke opleiding met een half jaar. Het gaat immers om kennis die niets met hun opleiding te maken heeft en die ze eigenlijk al lang hadden moeten weten. Zo bar is het al gesteld met Nederland Kennisland dat dit nodig is. De klaagzang over de gebrekkige kennis van Nederlanders afgelopen zondag in het tv-programma Buitenhof kan dus met kracht worden bevestigd. Een vacature voor een docent Nederlands niet kon worden opgevuld omdat geen enkele sollicitant een foutloze brief had geschreven, vertelde een docent bij Buitenhof. Maar het ontbreekt aan veel meer dan rekenen en taal. HBO-leerlingen menen ook dat een minister wordt gekozen door het volk, en kamerleden door politieke partijen. Geheime verkiezingen zijn verkiezingen waarbij alleen kamerleden mogen stemmen, menen sommigen. Niemand weet dat we het Latijnse alfabet gebruiken, of dat alle cellen erfelijk materiaal bevatten. Momenteel doen de middelbare scholieren eindexamen. De havisten kunnen met vlag en wimpel slagen met zonder te weten wat eb en vloed veroorzaakt, wat het verschil is tussen het broeikaseffect en het gat in de ozonlaag, of tussen proza en poëzie. Aan het kennisniveau van MBO of VMBO-leerlingen durf ik niet te denken. Kleinere klassen en betere docenten, werd er in Buitenhof geroepen. En het onderwijs minder eenzijdig richten op competenties ten koste van kennis. Competenties zijn belangrijk: een hoofd vol kennis is weinig bruikbaar als je geen sociale en praktische vaardigheden hebt. Maar als niemand een flauw benul heeft wat de omtrek van de aarde is, is het evenwicht is zoek. Velen weten kennis ook niet meer op waarde weet te schatten, vanwege de malle gedachte dat je alles wel kunt opzoeken. Zodoende zijn inburgeringdocenten niet gemotiveerd om inburgeraars te leren waar Almelo, Eindhoven of Middelburg liggen. Onderzoek van de Tweede Kamer wees vorig jaar uit dat zeventig procent van de docenten ontevreden is over de invoering van competentiegericht onderwijs, en tweederde een gebrek aan vakkennis ziet ontstaan. Het onderzoek van de Tweede Kamer constateert ook dat studenten en docenten ‘een beetje vergeten’ zijn. De helft a driekwart van de docenten is ontevreden met het competentieleren. Een meerderheid van de Tweede Kamer vindt dat docenten instemmingsrecht moeten krijgen in de invoering van het competentiegericht onderwijs en stemde onlangs voor een SP-motie met die strekking. De regering wil competentiegericht leren op het MBO vanaf 2010 toch verplicht stellen. Managers staan er achter. Het Dijsselbloem-voornemen beter naar docenten te luisteren lijkt alweer vergeten. Onderwijs moet immers ‘vraaggestuurd’ zijn. Aangenomen wordt dus dat leerlingen er blij mee zijn. Op de Deventer’ hogeschool bleek dat niet. ‘Eindelijk weer eens kennis in plaats van vaardigheden’, was de verzuchting. Heerlijk dat je geen competenties hoeft te laten zien. En ‘heel fijn dat er geen reflectieverslagen op het programma staan.’ Er was zelfs een student die nu ‘zelf meer dingen wil gaan leren en lezen.’ Lezen, was dat niet iets met letters? Met chocola en Sinterklaas? En Stalin, was dat niet de uitvinder van kolen en staal? Er valt nog veel te leren, aan competenties én kennis, voor we ons kennissamenleving mogen noemen. Evelien Tonkens, de Volkskrant, 20 mei 2009

Onze trotse moslims

vrijdag 15 mei 2009 08:28
Goed nieuws voor Trots op Nederland. Het is nu duidelijk op welke kiezer de partij zich moet richten: op Nederlandse moslims. Onder hen vind je de meeste patriotten. Dat is in elk geval zo in Groot-Brittannië en Duitsland.  Nog niet de helft van de Britten als geheel zegt zich te identificeren met het Verenigd Koninkrijk, tegenover ruim driekwart van de Britse Moslims. Ook onder de Duitse moslims zijn meer patriotten dan onder de Duitse bevolking als geheel, aldus onderzoek van het Gallup Center for Muslim Studies (Buitenland, 11 mei; The Independent 5 mei).

Hoe dat in Nederland zit? Het onderzoek is hier niet uitgevoerd. Maar 160 interviews met Hagenaars door mijzelf en collega’s geeft hetzelfde beeld: migranten onder hen (van wie de meerderheid Moslim) zijn vaker trots zijn op de stad Den Haag en op Nederland. De redenen die ze daarvoor geven, werpen misschien ook licht op de nationale trots van de Britse en Duitse moslims. ‘Alles is goed geregeld’, zeggen Haagse migranten. Ze waarderen de sociale voorzieningen, de dienstverlening van de gemeente, de inburgeringcursus, het openbaar vervoer, of de (gemeentelijke) hulp bij het invullen van belastingformulieren. Ex-vluchtelingen waarderen dat ze hier veilig zijn. Allen vergelijken Nederland kortom met hun land van herkomst. Die vergelijking valt overwegend positief uit.

Autochtonen hebben een ander vergelijkingskader. Vooral ouderen vergelijken het leven met ‘vroeger’ toen mensen elkaar nog kenden, toen het nog gezellig was, toen de buurt nog niet zo verkleurd was. Dat is allemaal niet meer, dus waar kunnen ze trots op zijn? Omgekeerd zijn veel andere autochtonen ontevreden over zulke klaagzangen. Zij zien daarin toegenomen racisme en de maatschappelijke verharding jegens migranten. Klagers over migranten en klagers over racisten hebben dus één ding gemeen: vergeleken met vroeger zien ze alleen verslechtering.

Alleen over één onderwerp klagen oudere autochtonen minderen dan jongeren: over jongeren.  ‘Criminele hangjongeren’ in de stad, bij het uitgaan en in  de tram vormen de belangrijkste reden voor (migranten- en autochtone) jongeren  om zich soms minder thuis te voelen in Den Haag. Logisch eigenlijk: jongeren klieren natuurlijk vooral tegen andere jongeren. Oudere mensen zijn voor hen oninteressant.

Autochtonen willen wel trots zijn op Nederland, maar waarop dan? Ze zoeken wanhopig naar positieve ervaringen die maken dat ze zich hier thuis voelen. Omdat ik hier geboren en getogen ben, kunnen ze uiteindelijk bedenken - een reden die je onder migranten overigens ook wel hoort. Maar de andere redenen die migranten geven om zich met Den Haag en Nederland verbonden te voelen, zoals de bureaucratie en de verzorgingstaat, zijn voor autochtonen vaker bronnen van ergernis en klachten. Autochtonen klagen wel veel, zeiden sommige migranten.

Logisch dus, dat vooral migranten trots zijn op Groot-Brittannië, Duitsland en Nederland. Ze hebben er gewoon meer redenen voor. Het is even wennen voor Verdonk, maar daarna wil ze vast niets anders meer. Het verschil met de PVV is voor altijd duidelijk!  Deze blije multiculti-praat wordt echter door twee uitkomsten van het Gallup-onderzoek pijnlijk doorkruist: negentig procent van de Britse moslims voelt zich niet geïntegreerd (Daily mail 8 mei) – je kunt blijkbaar wel trots maar toch niet thuis zijn. Daarnaast vindt niemand van de ondervraagde Britse Moslims homoseksualiteit moreel toelaatbaar. Dat laatst is koren op de molen van Wilders. Onmogelijk voor Verdonk om moslims in haar armen te sluiten.

Hoewel: het is maar waar je het mee vergelijkt. De Britse bevolking als geheel is ook erg homofoob. Meer dan de helft van de Britten vindt homoseksualiteit moreel ontoelaatbaar. In Nederland ligt dit heel anders. Slechts 11 procent van onze bevolking staat negatief tegenover homoseksualiteit (SCP 2006), tegenover de helft van de Nederlandse Moslims. Onze Moslims zijn ook in dit opzicht behoorlijk Nederlands: ze zijn positiever over homoseksualiteit dan de autochtone Britten.

Niet te snel juichen: nog steeds kunnen veel docenten tegenover Nederlandse moslims niet voor hun homoseksualiteit uitkomen. Maar toch is dit een opsteker voor al die politici, docenten, homo-organisaties, kunstenaars en wie niet al die de afgelopen jaren hun nek uitgestoken hebben om dit onderwerp onder de aandacht te brengen: zie hier hun succes.

‘Trots op Nederland?’, zou ik als nieuwe Nederlander zeggen: ‘Dat kunnen wij beter! Als we soms een inburgeringcursus moeten geven?’

Evelien Tonkens, de Volkskrant 13 mei 2009
reageren? Vk.nl/opinie

De mantra van transparantie

woensdag 6 mei 2009 06:27
Zijn vader had last van lichte stress, kreeg het geneesmiddel Efexor, en vermoordde twee dagen later zijn vrouw en vervolgens zichzelf, vertelt de zoon. Het was een van de vele getuigenissen in de hoorzitting over anti-depressiva als Efexor in de VS, waarover de Groningse hoogleraar Trudy Dehue verhaalt in haar boek De depressie-epidemie. Centraal stond de vraag deze middelen tot (zelf)moord aanzetten. De geneesmiddelenindustrie betoogde dat zelfmoordneigingen niet door de geneesmiddelen maar door de depressie veroorzaakt werden. Maar volgens de vele getuigenissen hadden veel van de (zelf)moordenaars er geen (zelf)moordneigingen toen ze aan de pillen begonnen.

Als er talloze mensen getuigen is dat een geneesmiddel tot (zelf)moord aanzet, hoe kan het dan op de markt gebracht en voorgeschreven worden en blijven? Doordat de  farmaceutische industrie het onderzoek beheerst. De industrie verbiedt domweg publicatie van ongunstige uitkomsten, en zet onderzoekers onder druk om onderzoeksgegevens te manipuleren door proefpersonen met ongewenste reacties en tegenvallende experimenten uit de analyse weg te laten, of niet-representatieve proefpersonen te gebruiken. Omdat onderzoekers voor hun bestaan van publicaties afhankelijk zijn, zijn zij gemakkelijk onder druk te zetten. Slechts zelden worden alle onderzoeksgegevens bij de resultaten betrokken. Toen dat bij de kwestie over aanzetten tot (zelf)moord uiteindelijk gebeurde, ‘woog het positieve effect niet meer op tegen de risico’s’ op zelfmoord’ (Dehue, p. 202)

Schande. Minister Klink van Volksgezondheid komt hiertegen gelukkig in actie. ‘Het is een van de kernwaarden van de wetenschap dat je in je conclusies traceerbaar bent’, zegt hij gedecideerd (Trouw, 4 mei) . Daarom wil hij dat farmaceutische bedrijven hun betalingen aan artsen en wetenschappers openbaar maken. Want de patiënt moet kunnen nagaan of er sprake is van verwevenheid tussen arts en industrie, of tussen onderzoeker en industrie. Vrijwillige transparantie, via zelfregulering. Als dat niet lukt desnoods via wetgeving.

Het klinkt krachtdadig, maar het boek van Dehue maakt duidelijk dat zelfregulering en transparantie op zich geen zoden aan de dijk zetten. Bijna alle onderzoek naar geneesmiddelen wordt immers door de farmaceutische industrie betaald. Bij vrijwel elk onderzoek zal dat dus vermeld worden. Daardoor zegt het niets. Ook vermelding van betaling aan artsen voor medewerking aan onderzoek zal vrijwel overal vermeld worden en dus niks zeggen. Bovendien kunnen we niet verwachten dat artsen niet meer aan onderzoek meedoen.

Aan Agnes Kant van de SP komt de eer toe al jarenlang bij de diverse ministers voor Volksgezondheid aandacht voor deze misstanden te vragen. De SP pleit onder meer voor wettelijke bescherming van het recht op publicatie en voor voorwaardelijke registratie van geneesmiddelen gedurende vijf jaar. Dehue wil dat  het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen inzage biedt in de wetenschappelijke rapporten waarop het toelating van geneesmiddelen baseert. Niet om de mondige consument quasi-inzicht te geven, maar om andere onderzoekers in staat te stellen de conclusies van het CBG kritisch te analyseren.

Klink zet in zijn reactie echter volledig in op de versleten mantra van zelfregulering en transparantie. De mondige consument weet dan waar hij aan toe is en dan...  Ja, dan wat? Meestal volgt hier de gedachte dat de consument bewust zal kiezen en zo aanbieders tot goed gedrag zal aanzetten. Maar hier valt niets te kiezen, want er is geen alternatief: vrijwel alle geneesmiddelenonderzoek wordt immers door de farmaceutische industrie betaald.  Het enige wat transparantie (hier en elders) bewerkstellig is wantrouwen voeden en daarmee bijdragen aan een verdere verzuring van samenleving.

De SP en Dehue pleiten ook voor een nationaal fonds voor geneesmiddelenonderzoek. Naar voorbeeld van Italië zou de farmaceutische industrie daaraan vijf procent van het marketingbudget moeten meebetalen. In Nederland zou dat gaan om zo’n 200 miljoen euro per jaar. Klink zegt in zijn brief aan de Tweede Kamer voorzichtig dat hij ‘laat nagaan of een dergelijke constructie ook in Nederland toegepast kan worden’.

Dat is cruciaal. Want alleen met goed gevuld onafhankelijk fonds kan transparantie zin hebben. Alleen dan valt is er iets te vergelijken. Moge de Tweede Kamer de mantra van transparantie dus doorprikken en Klink dwingen werk te maken van zo’n fonds.

Evelien Tonkens, De Volkskrant, 6 mei 2009
Reageren? vk.nl/opinie

Eerlijk plassen nu

woensdag 29 april 2009 06:15
Morgen om 1 uur precies gaat het gebeuren. Op tijd voor de avondkrant en het 6 uur journaal. Het hele Amsterdamse museumplein vol:  oud, jong, dik, dun, van hoofddoek tot hanenkam. Van serveerster tot fractievoorzitter.  Hamer, Halsema en Kant staan er, naast Katja Schuurman en Kim van Kooten.  Klokslag 1 uur gaan ze allemaal door de knieën. Op de hielen, broek naar beneden, en plassen maar. Het hele museumplein vol blote vrouwenbillen, op Koninginnedag. Om te protesteren tegen het plasbeleid van de gemeente Amsterdam en alle andere gemeentes, zalen en evenementen. De actie Eerlijk plassen, op alle avondjournaals. En Van Kooten of Kant bij Pauw en Witteman.

Morgen om 1 uur precies zou het gebeuren, als er nog een actiegroep als Dolle Mina of Provo was. Maar die zijn al dertig jaar ter ziele. Dus moet ik maar een stukje in de krant schrijven. Want mannen kunnen altijd wel ergens plassen. In een pisbak of anders tegen een muurtje. Officieel mag dat niet, er staat 90 euro boete voor, maar ik heb nog nooit gezien dat er iemand voor op de bon geslingerd is. De plassende man krijgt op bijzondere dagen zoals Koninginnedag nog eens extra steun. De gemeente Amsterdam sleept morgen 120 extra plaskruizen aan. U kent ze wel, die plastic pisbakken waar vier mannen tegelijk in kunnen plassen. Vorig jaar is daarin 84.000 liter mannenplas opgevangen, aldus de Evaluatie Koninginnedag 2008 van de gemeente. Er waren maar 12 kruizen aangesloten op het riool. Veel andere liepen over. Zo ontstonden er hele plasmeren in de stad. Hè bah.  Dit jaar wordt daarom de helft van de plaskruizen op het riool aangesloten.

Daarmee meent Amsterdam het plasprobleem voor Koninginnedag te hebben opgelost. Het is de derde van gister in deze krant gewraakte Spelregels  Koninginnedag 2009: ‘Wildplassen is niet nodig, er zijn overal plaskruizen’. Seksisme in zijn simpelste vorm. Men bedoelt: ‘wildplassen is voor mannen niet nodig.’ Want waar mogen vrouwen plassen? Er komen 6 toiletwagens, maar dat is natuurlijk niets tegenover 120 plaskruizen. Vrouwen mogen plassen in café’s. Maar dat mogen mannen ook, dan hoeven we die plaskruizen niet aan te slepen. Dat plassen daar geld kost, terwijl de plaskruizen gratis zijn (maar de gemeente tonnen kosten), is het ergste niet. Die  ellenlange rij is het ergste. Zo is het ook op popconcerten, festivals, film- en theatervoorstellingen en bij evenementen als de vierdaagse. Vandaar de actie Eerlijk plassen. Nederland land loopt hierin vreselijk achter. In veel andere landen heb je sekseneutrale openbare wc’s. Dat is dus de eerste eis van de actie Eerlijk plassen: sekseneutrale openbare wc’s, zoals bijvoorbeeld in Parijs.

Voor gelegenheden als Koninginnedag is dat niet voldoende. Dan willen we massaal buiten plassen. Dat kan alleen met plaskruizen. Hoog tijd dus voor plaskruizen voor vrouwen. Op Lowlands schijnen die gestaan te hebben. Met een klein schuifdeurtje voor het kruis. Dat is actiepunt twee: volgend jaar 120 plaskruizen voor vrouwen op Koniginnedag in de Amsterdamse binnenstad.

Met een broek blijft zedelijk plassen voor vrouwen moeilijk. Het plasgootje dat je bij de sportzaak kunt kopen, helpt weinig. Hier moeten modeontwerpers zich eens over buigen. Ontwerp plasvriendelijke kleding voor vrouwen!  De gulp is evenmin een natuurverschijnsel. Die is ook ooit bedacht. Zonder gulp was de buitenplassende man ook een malle, onzedelijke klungel met blote billen. Nodig zijn dus broeken en ondergoed voor vrouwen waarmee buitenplassen een fluitje van een cent wordt. Een gulp tot en met de bilspleet?  Mode-ontwerpers, verzin iets! Dat is actiepunt drie.

Vierde actie-eis is dat theaters, film-, concert- - en conferentiezalen, evenementorganisatoren en onderwijsinstellingen ervoor zorgen dat vrouwen niet langer in de rij hoeven te staan dan mannen. Gelukkig maken mannen er zelden een punt van wanneer je als vrouw zo’n waanzinnige rij verlaat en je tot de mannelijke sekse rekent. Maar een prettige oplossing is het niet. De actiegroep Eerlijk plassen eist dus: weg met het sekseonderscheid. Stel alle wc’s open voor iedereen. Het onderscheid is ooit ingesteld om vrouwen te beschermen tegen handtastelijke dronken kerels. Maar het werkt in ons nadeel: we moeten veel langer wachten. Hef het onderscheid dus op. Of verdeel de wc’s zo over de seksen dat de rijen altijd even lang zijn.

Wildplassen kost 100 euro per keer aan reinigingskosten, volgens de Belgische gemeente Aalst. Het kost ook de Nederlandse overheid handenvol geld. Wacht niet tot vrouwen hun geduld en fatsoen verliezen: regel Eerlijk plassen nu!

Evelien Tonkens, De Volkskrant, 29 april 2009
Reageren? Vk.nl/opinie

Honderd burgers over het klimaat

woensdag 29 april 2009 05:42
Op 26 september om 9 uur precies gebeurt het. Houd die dag nog even vrij want misschien wordt u wel gevraagd. Misschien bent u een van de honderd ‘gewone burgers’ die op die dag met elkaar in Den Haag in debat mogen gaan over klimaatverandering. Wat moet er gebeuren om de opwarming van de aarde een halt toe te roepen? Wat adviseren deze burgers en 5900 uitverkorenen uit andere landen de internationale klimaattop in december in Kopenhagen?

Op diezelfde 26e september om 9 uur lokale tijd komen in nog 43 andere landen - van Mali en China tot en met de VS en Japan - honderd gewone burgers bijeen. Sommige grote landen formeren meerdere groepen. Al met al zullen er op die dag 6000 mensen in zulke burgerfora meedoen. Voor het eerst in de geschiedenis zullen zoveel mensen op zoveel plaatsen met elkaar debatteren over een zelfde onderwerp, gericht op eenzelfde doel. Het is een initiatief van het Deense technologie-instituut Technologieradet.  In Nederland wordt het debat georganiseerd door het Rathenau Instituut.

De spanning zou al op moeten lopen. Wie gaan er gevraagd worden? Hoe worden die ‘gewone burgers’ geselecteerd, die namens ons allen adviezen gaan geven? Afgesproken is dat ze representatief zijn in termen van leeftijd, sekse, opleidingsniveau en regio. Ze mogen geen activist zijn of woordvoerder zijn van een organisatie. Die komen ook aan het woord, maar als informant. Een moeizaam onderscheid. Een actief lid van Milieudefensie, Greenpeace of de fietsersbond ENFB, is dat een gewone burger of een activist? Als je zulke activisten uitsluit, straf je eigenlijk hun activisme, in plaats van het te belonen.

Het risico bestaat dat zulke kenners het debat domineren. Nodig is daarom een scherpe, rechtvaardige voorzitter. Met een zwakke voorzitter overheersen sowieso de perspectieven van de brutalen en hoger geschoolden. In burgerfora over criminaliteit in Chicago kwamen met een zwakke voorzitter de enorme problemen met straatroof, inbraak en drugscriminaliteit van het arme deel van de wijk niet eens ter sprake. Arm en rijk bogen zich enthousiast alleen over de relatief onbeduidende problemen van het rijkere deel van de wijk. In fora met een goede voorzitter gebeurde dit niet, zo analyseerde de politicoloog Archon Fung in zijn boek Empowered participation.

Het is nog erg stil rond het burgerforum van 26 september. Op de website van het Rathenau Instituut is dit evenement in een diepe slaap gehuld. Het project start vanaf juni, staat er vermeld. Veel te laat! Alleen als het nu begint, kan het een waarlijk democratisch evenement worden. Allereerst moeten de selectiecriteria voor deelnemers besproken. In elk land mogen landspecifieke selectiecriteria een rol spelen. Dat biedt een kans om de scheiding tussen activisten, deskundigen en gewone burgers te relativeren.  Specifiek voor Nederland is dat  4 van de 7,2 miljoen huishoudens lid is van een natuur- milieu- of dierenbeschermingsorganisatie. Dus is het redelijk dat ook bijna de helft van de vertegenwoordigers lid is. Een ander uniek punt van Nederland is de fiets. Hoe de fiets ook elders opwarming kan tegengaan: daarover kunnen juist wij wat zeggen. Dat rechtvaardigt een goede vertegenwoordiging van fietsers in het forum.

Vervolgens moeten de burgers razendsnel gevraagd worden. Opdat ze zich inlezen en er op feesten en partijen tot vervelens toe over praten. Dat is noodzakelijk voor hun representativiteit. Zoals vaak denkt de organisatie bij representatie alleen aan wat de politicoloog Hannah Pitkin descriptieve representatie noemde: de mate waarin de forumleden qua sekse, etniciteit, leeftijd enzovoorts lijken op degenen die ze vertegenwoordigen. Dat valt meestal tegen: mensen die meepraten zijn over het algemeen hoger opgeleid en ouder. Maar minstens zo belangrijk zijn hun formele en  symbolische representatie: de mate waarin zij zich naar hun achterban verantwoorden en de mate waarin in hun standpunten andere stemmen meeklinken.

Om hun formele en symbolische representatie te verhogen moeten de deelnemers al maanden voor 26 september zoveel mogelijk andere meningen horen en met zoveel mogelijk andere mensen in debat gaan. De media hebben hierin ook een rol. Alleen wanneer zij erover berichten, hebben de honderd uitverkorenen op feesten en partijen ook iets te bespreken. Hoog tijd dus voor een tijdelijke rubriek in deze krant:  ‘nog ... dagen tot 26 september’, met meningen en feiten over klimaatverandering.. De Deense democratische traditie evenaren we niet snel maar toch: dit is onze kans om weer een beetje gidsland te zijn. Grijp die!

Evelien Tonkens, De Volkskrant, 22 april 2009
Reageren? Vk.nl/opinie

Vrije meningsherziening

woensdag 15 april 2009 06:15
Vrije meningsherziening

Wat is het verschil tussen de vrijheid van meningsuiting en wildplassen? In het publieke debat worden beide regelmatig met elkaar verward. Vooral op internet bezondigen talloze mensen zich aan wildplassen: lekker de boel laten lopen, dan ben je er af. Wat kan hou het schelen dat het stinkt?  Het is daarom hoog tijd om de vrijheid van meningsuiting terug te plaatsen in de democratische ladder waar hij in een volwassen democratie in thuis hoort. Trede 1:  de vrijheid van meningsvorming. Inwinnen van informatie en afweging van diverse gezichtspunten. Anders heb je geen mening maar slechts een voormening, in de woorden van de socioloog Abram de Swaan: een eerste ruwe intuitie die tot een mening kan uitgroeien.

Na de vrije meningsvorming volgt trede 2, de vrijheid van meningsuiting, genoegzaam bekend. Door dus naar trede 3: vrije meningsuitwisseling in een publiek debat. Zonder uitwisseling is meningsuiting betekenisloos: wat heeft het voor zin om vrijelijk meningen te uiten als niemand naar elkaar luistert en niemand elkaar aan het denken zet?  

Op meningsuitwisseling volgt trede 4: meningsherziening. Dankzij het debat leren we een probleem vanuit meer perspectieven te bezien. We gaan de zorgen, angsten en problemen van anderen te begrijpen, of krijgen meer zicht op hoe we anderen onbedoeld kwetsen. Vrijheid van meningsuiting is kortom alleen hoogstaander dan wildplassen wanneer ook de vrijheid van vorming, uitwisseling en herziening van meningen worden gegarandeerd en gekoesterd.

Zo bezien kunnen we allemaal een voorbeeld nemen aan geestelijk verzorger Ali Eddaoudi, de geestelijk verzorger wier benoeming PVV, VVD en CDA wegens inmiddels herziene meningen willen blokkeren. Eddaoudi was eerder kritisch over de missie in Afghanistan, maar, ‘door de lessen en bivaks waarbij de speccers dagen in de kou buiten sliepen, kreeg hij respect voor de soldaten die dit dag in, dag uit doen. Zijn visie op uitzending veranderde doordat hij er nu met een andere bril naar keek en de jongens en meisjes sprak die met de beste intenties hieraan begonnen’, aldus zijn vrouw Rabi (Trouw, 10 april).

Je zou verwachten dat politieke partijen die zich profileren op de vrije meningsuiting, ook de vrijheid van meningsherziening met hand en tand verdedigen. Mensen die hun mening veranderen moet je in een democratie niet verketteren, maar koesteren. Het zijn interessante lieden: de democratie doet iets met ze. Dat Eddaoudi anders over het leger is gaan denken, is voor de functie van geestelijk verzorger interessant.  Hij begrijpt de sceptici en critici immers van binnenuit. De argumenten die hem ooit overtuigd hebben, kunnen anderen mogelijk ook overtuigen. Dat maakt hem misschien nog wel geschikter voor die functie dan iemand die nooit van mening is veranderd.  

Aan Staatssecretaris Jack de Vries de taak om deze vrijheden van Eddaoudi te verdedigen. Maar in plaats daarvan zet de sukkel hem onder druk om op te stappen. Gelukkig doet Eddaoudi dat niet. De Vries vindt Eddaoudi zelf wel geschikt, maar mompelt dat er geen draagvlak meer zou zijn, in plaats van zelf draagvlak te creëren.  Dunne thee! Waarom ziet de Vries willoos toe hoe zijn mede-CDA-ers zich voor het karretje van VVD en PVV laten spannen? Is dat omdat Eddaoudi Balkenende ‘minder dan een deurmat’ heeft genoemd? Heeft iemand naar de context van die uitspraak gekeken? Eddaoudi schreef in 2006 ‘U bent wel eens het schoothondje van Bush genoemd, maar ik zal u zeggen dat ik u nog geen deurmat waardig vind!’ Schoothondje is een te positieve benaming, zegt Eddaoudi hier, zoals destijds heel veel mensen zieden. Is dat nu zo’n belediging? Nog kortzichtiger is het dat Eddaoudis verdediging van recht op geen handen schudden voor zijn eigen mening over handen schudden wordt aangezien.

Het is moeilijk om hier geen racisme in te zien. Zou dit ook allemaal gebeurd zijn als het een christelijk geestelijk verzorger was geweest die de deurmat-metafoor gebruikt had of curieuze ideeen van zijn geloofsgenoten had uitgelegd aan derden? Omdat dit allemaal ook nog in een tegenstelling tussen moslims en niet-moslims wordt getrokken, voel ik me genoodzaakt om te doen wat ook vaak van Nederlandse moslims gevraagd wordt: ik bied hierbij mijn excuses aan voor het lompe gedrag van mijn mede-autochtonen. Sorry mensen, ik vind het ook niet om aan te zien. Ik doe nadrukkelijk afstand van deze ‘Nederlandse gemeenschap’.

Jack, recht je rug!  Wijs VVD-ers en PVV-ers op het recht van vrije meningsherziening, en spreek CDA-ers streng toe op hypocrisie, racisme en lange teentjes.
Evelien Tonkens, de Volkskrant 15 april 2009
Reageren? Vk.nl/opinie

Marokkaanse zelfspot

woensdag 8 april 2009 08:22
Huiswerk, discipline, liefde, aandacht, karate, sport, sterke moeder. Dat zijn Marokkaanse (Berberse) woorden waar blijkbaar een vertaling voor is. Want Berbers versta ik niet, maar deze woorden vang ik wel op, tijdens een zondagmiddagbijeenkomst over normen, waarden en opvoeding.  In een Vogelaarwijk, georganiseerd een Marokkaans-Nederlandse vrouwenorganisatie. 700 vrouwen zouden er komen. Er staan maar een paar fietsen. Ik weet dat ze minder fietsen dan kaaskoppen, maar al die ophef over fietsles moet toch ergens over gegaan zijn?    

Niet dus, want er zijn zeker 800 vrouwen, bijna allemaal gehoofddoekt. De burgemeester opent de bijeenkomst. Hij waardeert het dat ze gekomen zijn, maar spreekt ze streng toe. ‘Ik vind dat u zich altijd  verantwoordelijk moet voelen. U moet weten waar de school van uw kinderen staat’. Af gaat burgemeester, het is verder alleen voor vrouwen.

Er volgt een toneelstuk, ‘over een moeder die niks te zeggen heeft, een zoon die alles mag en een dochter die niks mag. Zelfs als ze naar de bibliotheek wil, moet ze binnen een uur terug zijn’ , legt mijn buurvrouw uit. De zaal mag reageren.‘Een bekend verhaal: het meisje wordt onderdrukt. Maar in de Islam gelden voor jongens en meisjes dezelfde regels, alleen wordt dat niet toegepast.’ Stevig applaus. ‘Het ligt aan de communicatie tussen man en vrouw’, zegt een ander. ‘De vrouw verstopt veel voor de man.  Ze beschermt de kinderen.’ ‘Ik verlang van mijn zonen dat ze respectvol met meisjes omgaan’, vult een ander aan. ‘Ik hoop dat dit overgenomen wordt.’ Gelach, geschuifel en onrust in de zaal. ‘Respecteer elkaar!’ roept de gespreksleider. ‘Ouders laten slechte voorbeelden zien, wij zijn slecht bezig’, voegt iemand uit de zaal toe. Weer roept iemand op tot wederzijds respect.

Nu mag de wethouder iets zeggen. Alle kinderen moeten gelijke kansen hebben, zegt ze. ‘Praten over opvoeding is moeilijk, we praten gemakkelijker over seks of geld, maar het moet wel.’ Een (Marokkaanse) moeder uit een verre stad is uitgenodigd om te  vertellen hoe zij haar succesvolle kinderen -allemaal op VWO en universiteit - heeft opgevoed. ‘Kinderen zijn als planten, je moet steeds een beetje water geven, al vanaf hun tweede jaar. In negentig procent van de gezinnen gaat het zoals het toneelstuk schetste. Je moet duidelijke regels stellen. Veel vrouwen zijn te makkelijk. Die laten een kind van twee bepalen wat er gebeurt. Ik ben ook de mede-opvoeder van kinderen op straat. Spreek elkaar aan. Het slachtoffergevoel klopt niet. We hebben wél rechten. Je moet ze alleen zoeken.’  ‘Soms is de vraag: wie is de opvoeder, wie is het kind?’ vult één van de organisatoren aan. ‘Vaak nemen kinderen de opvoeding over. Een zoon van 14 die zich als een vader gedraagt.’ Je moet ook luisteren, oudere kinderen knuffelen en weten wat je kinderen  op school doen. ‘Neem zelf het initiatief: bel de mentor, bel de conciërge, en zeg: “laat me weten als er iets met mijn kind is.” Kinderen die laat buitenspelen? Dat kan niet! Waar is vader, waar is de moeder?’ Applaus. ‘Wanneer kan ze dan de Marokkaanse soap zien?’ roept iemand. Gelach.

Dan mogen politieagenten vertellen dat bij criminele jongeren de werelden van thuis, school en straat totaal gescheiden zijn. Praat daarom met je kinderen over wat ze op school en op straat doen.

Het leukst zijn de meisjes die hun broers spelen, tijdens het tweede toneelstuk: met hoofddoek, slungelig loopje en laaghangende broek vallen ze meisjes lastig. Maar in de discussie die volgt, klinkt kritiek: waarom gaat het niet over afwijzing bij een sollicitatiegesprek? Een (Marokkaanse) jonge vrouw naast me sist verontwaardigd: ‘typisch Marokkaans: ontkennen dat er problemen zijn. Als je er niet naar kijkt, bestaat het niet!’

De laatste keer dat ik zoveel vrouwen bijeen zag, was tijdens een demonstratie tegen seksueel geweld begin jaren tachtig. Maar dit is eigenlijk ook een demonstratie: hoe goed het óók met Marokkaanse Nederlanders gaat. Aan zoveel zelfreflectie en zelfspot kunnen anderen een voorbeeld nemen.

In het beleid wordt nu erg veel verwacht van ontmoeting tussen verschillende groepen. Vele subsidies stellen als voorwaarde dat mensen van verschillende geloven en culturen met elkaar mengen. Nuttig voor groepen die redelijk geïntegreerd en geëmancipeerd zijn. Maar anderen, zoals deze vrouwen, hebben meer aan onderlinge ontmoeting. Als geëist wordt dat ze mengen met bijvoorbeeld Surinaamse mannen, blijven ze massaal thuis. Koester dus binding in eigen kring. Emanciperend en oergezellig. Zou daar een Berbers woord voor zijn?  

Evelien Tonkens, De Volkskrant 8 april 2009
Reageren? Vk.nl/opinie

Minister zonder geheugen

woensdag 1 april 2009 06:15
   
Dat hebben wij dan weer. Een minister zonder visie en zonder geheugen. Minister Klink van Volksgezondheid voert netjes uit wat in vorige kabinetten is afgesproken. Je hebt geen kind aan hem. Maar heeft hij werkelijk geen geheugen? Je zou het haast denken, nu hij in het kader van het crisisakkoord van plan is om 1,2 miljard te gaan snijden in ziekenhuiszorg.

Klink denkt dat dat dit kan ‘door ziekenhuizen te dwingen doelmatiger te werken. Daar kan niemand tegen zijn, toch? De vakbonden heb ik er niet over gehoord in elk geval.De FNV gaat er vierkant voorliggen als de AOW naar 67 moet, en tart zo mijn jarenlange lidmaatschap, maar efficiënter werken, daar hebben werknemers volgens de FNV blijkbaar geen last van. Men fantaseert vermoedelijk dat dit alleen maar medisch specialisten en bestuurders treft die daarmee een fractie van hun hoge inkomen gaan inleveren. Een redacteur van deze krant uit zelfs grote bewondering voor Klink, die met deze bezuiniging ‘drie vliegen in een klap’ gaat slaan (Binnenland, 28 maart)

Hoe gaat Klink die bezuiniging inboeken? Ten eerste door de helft van de prijzen voor medische behandelingen vrij onderhandelbaar te maken – nu is dat een derde. Klink verwacht dat de prijzen daardoor zullen dalen. Die verwachting moet de PvdA voor zijn plan winnen. Hopelijk heeft de PvdA-fractie wel een geheugen. Een jaar geleden bleek uit onderzoek dat  de kosten voor behandelingen waarvoor vrije tarieven golden, met 12 procent waren gestegen, vooral doordat artsen die behandelingen vaker gingen uitvoeren: 11 procent meer staar, 16 procent knieën, 28 procent meer amandelen, 16 procent meer nierstenen (zie www.zorgvisie.nl). Het is destijds breed uitgemeten in de media, Klink moet er vanaf weten.

Tweede grote bezuiniging verwacht Klink van winstuitkering door ziekenhuizen. Zou hij werkelijk geloven zorg goedkoper wordt wanneer een deel zonder tegenprestatie wordt weggegeven aan derden? Klink verwacht vermoedelijk dat aandeelhouders tegenwicht bieden tegen ‘het machtsblok’ van de artsen. Briljant idee en zo actueel ook: aandeelhouders hebben ons immers recentelijk voor een mondiale financiële crisis behoed...! Aandeelhouders moeten ook de greep van ziekenhuizen op salarissen vergroten - ook al iets waar zij de afgelopen jaren zo in uitblonken. Zou Klink werkelijk zo’n smal denkraam hebben? Of doet hij gewoon mee aan zakdoekje leggen, het decenniaoude gezelschapsspel in de zorg waarbij steeds een nieuwe partij de taak krijgt die gulzige zorgsector te temmen? Respectievelijk zijn daartoe het maatschappelijk middenveld, de rijksoverheid, de ‘klant’, de verzekeraars, de lokale overheid, de toezichthouders en nu dan dus de aandeelhouders aangewezen. Iedereen legt het zakdoekje bij een ander en dus blijft niemand verantwoordelijk.

Derde troef van Klink is strengere controle van de declaraties van artsen. Voor patiënten met hartklachten kan de diagnose ‘thoractale klachten’ luiden (1635 euro), of ‘instabiele angina pectoris  (3506 euro). Artsen kiezen te vaak voor het laatste, omdat dat meer oplevert, is de suggestie. Dat artsen misschien medische redenen hebben om een diagnose te stellen, is blijkbaar uitgesloten.  Een stevige onderhandeling, onder het dwingend oog van de winstlustige aandeelhouder, moet ze tot goedkopere diagnoses dwingen. Een stuitend arrogante vorm ingrijpen in medisch handelen. Als je artsen op dit punt niet vertrouwt, moet je zorgen dat het voor hun eigen portemonnee niet uitmaakt welke diagnose ze stellen, in plaats van ze eerst voor de ene behandeling meer belonen dan voor de andere en ze vervolgens dwingen om die duurdere behandeling minder te verrichten, ongeacht wat hu patiënten nodig hebben. Dit is precies het soort managementstijl waar we vanaf moeten: niet vanuit vertrouwen de werkvloer steunen, maar vanuit wantrouwen de werkvloer voor de voeten lopen en van zijn kerntaken afhouden.

Zo slaat Klink in één klap drie dingen dood: kostenbeheersing, professionele motivatie en medische diagnosestelling. Moge de PvdA deze malle plannen verre van zich werpen. Want als het allemaal mislukt, en de kosten dus toch stijgen, is er we 1,2 miljard minder en gaat er dus toch gesneden worden. Dat gebeurt dan bij de minst machtige  partijen: patiënten en zorgverleners om loondienst. Besparingen vallen inderdaad eerder te halen bij quasi-transparante peperdure controlesystemen, zoals Ronald van de Berg oppert (Brief van de dag, 31 maart). Als de FNV zich hier nu eens druk om maakt, en de AOW-leeftijd aan het kabinet laat, hoef ik misschien mijn lidmaatschap niet op te zeggen.

Evelien Tonkens, De Volkskrant, 31 maart 2009
Reageren? Vk.nl/opinie

Mijn integratie in Nieuw Nederland

woensdag 25 maart 2009 06:15
Integratie moet van twee kanten komen. Het is voor beide partijen pijnlijk en lastig. Blije multiculturalisten suggereerden ooit dat integratie een groot gezellig feest is met veel smakelijke exotische hapjes. Net zo naïef is de nu dominante gedachte dat alleen nieuwkomers zich moeten aanpassen. Nu eenzijdige aanpassing zoveel gepredikt wordt, is het hoog tijd de noodzaak van tweezijdige aanpassing in herinnering te roepen. Maar, anders dan blije multiculturalisten, met de erkenning dat het pijnlijk en moeilijke is. Integratie gaat gepaard met verlies, zowel voor nieuwkomers als voor wie die er eerder waren. Er kan allerlei moois uit ontstaan, maar dat kan het verlies niet uitvlakken. Wat we nodig hebben zijn persoonlijke, alledaagse, onheroische verhalen over het moeizame tweezijdige proces van integratie. Bij wijze van voorbeeld volgt hier het mijne.

De start was ronduit beroerd. We schrijven 1974. Ik was 13 jaar en liep elke woensdagavond om half 11 vanuit mijn muziekensemble in het centrum van Utrecht naar station CS. Het begon al op de Drift maar culmineerde in Hoog Catharijne. Dat was destijds nieuw en van cameratoezicht had helaas nog niemand gehoord. Op dat tijdstip was het volkomen verlaten. Niemand kon dus zien hoe ik elke week weer achtervolgd werd. Elke week een andere ‘gastarbeider’ die steevast likkebaardend ‘Psst’ riep en mij steeds dichter naderde. Aangerand ben ik daar nooit; dat gebeurde later en de daders waren altijd kaaskoppen. Maar het was toch geen warm welkom in de multiculturele samenleving. Het heeft mij jarenlang belemmerd om interesse op te brengen voor de nieuwe Nederlanders. Tijdens mijn studie golden ze als zielig en onderdrukt. Maar ik zag steeds weer die sissende mannen voor me, hoezo werden die onderdrukt?

Ook andere incidenten waren weinig behulpzaam. Een Turkse huisbaas bijvoorbeeld die mijn geliefde de toegang tot het huis verbood omdat ik de vorige avond een andere jongen op visite had gehad. ‘Eén meisje: één jongen’, herhaalde hij, de voordeur blokkerend. De geliefde woonde 250 km verderop, waar moest hij dan slapen? Ik moest hemel en aarde bewegen, toen mocht het toch. Een hele zelfoverwinning van de huisbaas, maar zo zag ik dat toen niet. Ik vond hem slechts een botte seksist.

Het keerpunt was een onderzoek dat ik begin jaren negentig verrichtte naar langdurige werkloosheid. Verhalen van werkloze Turkse en Marokkaanse Nederlanders op zoek naar een baan, die al bij de poort van een fabriek als zwerfhonden werden weggejaagd: ‘Ksst! Weg jij! Je denkt toch niet dat wij voor iemand als jij werk hebben!’ Ksst is toch weer erger dan psst.

Een tijdlang permitteerde ik mijzelf een racistisch kwartiertje – een moment in de week waarin ik van mijzelf negatieve gedachten en gevoelens mocht hebben over de multiculturele samenleving, die ik alleen privé mocht uiten. Meestal zette ik deze mascotte in als ik in zaterdagmiddag in de Amsterdamse Javastraat langs al die dubbelgeparkeerde auto’s moest manoeuvreren van al die nieuwe Nederlanders die geheid niet meer dan 300 meter weg woonden. Ga toch fietsen, siste ik dan woedend in mijzelf, ze intussen vriendelijk groetend.

Wat in diezelfde straat echter hielp, waren die aardige Turkse en Marokkaanse winkeliers. Handel verruimt de geest, zelfs de mijne. Weer later ontmoette ik via mijn werk vaak nieuwe Nederlanders, die eigenlijk te goed geïntegreerd waren. Afzichtelijke woorden als ketenaanpak, draagvlak en participatietraject rolden vloeiend hun mond uit. Vreselijk dat ze dat zo goed leren. Een genante lachspiegel: je deze wartaal eigen maken loont blijkbaar om hogerop te  komen.

Mijn laatste mijlpaal betreft de hoofddoek. Ooit wond ik mij op over dat symbool van vrouwenonderdrukking, verkocht als eigen vrije keuze. Nu vind ik het nog steeds geen toonbeeld van vrijheid maar dat geldt nog minder voor push-up bh’s, siliconenborsten of decolletés. De hoofddoek vind ik sympathieker dan siliconenborsten, want hij verminkt het lichaam niet. Hij is gemakkelijker in de omgang dan het decolleté want hij is gemakkelijker te negeren. Daarbij heb ik er genoeg van dat het vrouwelijk lichaam niet gewoon mag bestaan maar altijd weer symbool is en daarmee ieders bezit behalve dat van vrouwen zelf. Daar wil ik niet aan bijdragen.

Zo is het redelijk gelukt, mijn integratieproces. Het racistisch kwartiertje heb ik niet meer nodig, misschien doordat ik nu zoveel enorm leuke nieuwe Nederlanders ken. Integratie: leuker kunnen we het wel maken, maar niet gemakkelijker.

Evelien Tonkens, De Volkskrant, 25 maart 2009

Reageren? Vk.nl/opinie

Spugen op kleine leiders

woensdag 18 maart 2009 06:24

Veel mensen verlangen naar een grote leider, maar bespugen kleine leiders. Dat is het verband tussen de populariteit van Wilders en de toenemende agressie en asociaal gedrag tegen buschauffeurs, treinconducteurs, politie en hulpverleners. Veel mensen verlangen naar grote leiders die ons chaotische leven weer zin en richting geven. Maar voor  kleine leiders, die we zelf hebben aangewezen om ons bijvoorbeeld in de bus van A naar B te leiden, kunnen we geen respect opbrengen. De honderden klachten van buschauffeurs die deze week bij de FNV binnenstromen spreken boekdelen. Wie zijn zij helemaal om ons de les te lezen? Of we vinden hun instructies terecht maar dan ook overbodig – dat konden we zelf ook wel verzinnen! Of we zijn het niet 100 procent eens en gaan meteen in discussie. Berichten over graaiende bestuurders, een verslaafde arts en over leraren die niet kunnen rekenen, geven het toch al zwakke gezag het laatste duwtje richting afgrond.

Gezag is in crisis. Het is de late vrucht van de opstand tegen het gezag van de jaren zeventig, gevolgd door een paar decennia neoliberalisme  waarin het individu en de markt de hoogste bazen waren. Gezag heeft sindsdien geen ijkpunten meer. Ooit berustte het op twee peilers. Ten eerste een hogere opleiding  en een hogere klasse dan het merendeel van de mensen over wie men gezag uitoefende. Dat gold voor dokters, onderwijzers en dominees meer dan voor conducteurs, maar toch. Ten tweede was tegenspreken gevaarlijk, want daarvoor waren gezagsdragers te machtig. Ze konden je straffeloos kleineren en slecht behandelen als je iets deed wat hen niet beviel.

In de jaren zeventig kwam daaraan een einde. Gezagsdragers werden onbeschaamd belachelijk gemaakt en hun macht werd drastisch ingeperkt, bijvoorbeeld via klachtrecht. Wat ieder gezag vooral betwist maakte, was in de woorden van de Amerikaanse historicus Clecak  de ‘democratisering van het persoon zijn’: het idee dat iedereen, maar dan ook echt iedereen, een persoon is en als zodanig respect verdient. Ook gekken, criminelen en dommen. Ook kleine gezagsdragers? Die vraag zou destijds belachelijk zijn geweest, maar nu moet de boodschap van de ‘democratisering van het persoon zijn’ juist op hen worden toegepast.

Slechts een enkele exotische anarchist meent nog dat we het zonder gezag kunnen stellen. De meeste mensen erkennen dat we er niet aan ontkomen om sommige mensen tijdelijk en voorwaardelijk autoriteit en gezag toekennen. Onder welke voorwaarden? Daar worstelen we nog mee. Veel mensen vinden nu dat gezagsdragers hun gezag voortdurend moeten verdienen. Ze menen dus dat zij altijd en overal met gezagsdragers in debat mogen gaan. Dat is een vruchtbare bodem voor brutaliteit en agressie. Van automobilisten bijvoorbeeld die menen zelf wel te kunnen bepalen of het verantwoord is om 140 km per uur te rijden of beschonken achter het stuur te kruipen. Als de politie ze aanhoudt,  gaan  ze omstandig in discussie: ‘maar agent, er was geen kip op straat!’  En als de buschauffeur ze aanspreekt op hun voeten op de bank, oreren ze dat ze dat thuis ook doen en dat hun schoenen helemaal niet vies zijn, kijk maar!

Gezag kan niet meer op de oude peilers gestoeld worden. Gezagsdragers zijn niet langer hoger opgeleid dan gemiddeld en klassenachtergrond is terecht geen grond meer voor gezag. Ook hun almacht is dankzij klachtenprocedures, inspraak en ombudsman verleden tijd. Maar hoe moet gezag wel worden vormgegeven? Welke plaats moeten we er in een democratische samenleving aan toekennen? Gezag nemen en toekennen moeten we zien al een tijdelijke en vaak willekeurige afspraak. Een rollenspel. We zouden best van rol kunnen ruilen. Maar wie die rol heeft en dus een gezagspositie bekleedt, moet die wel uit kunnen oefenen. Ik ben geheid hoger opgeleid dan de agent die mij aanhoudt als ik door rood rijd, de straat was vast verlaten en mijn actie ongevaarlijk. Maar we hebben die agent de taak gegeven om door roodrijders op de bon te slingeren, en dus is het mijn democratische burgerplicht om die boete te betalen. Zonder morren en zonder uitleg over hoe stil het was en hoe verantwoord rijden door rood licht dus in dit geval. Als het me niet bevalt hoe die agent me behandelt, kan ik klagen, maar bij voorkeur achteraf.

De vormgeving van gezag en autoriteit in een democratische samenleving is een urgent probleem. Alleen strenger optreden helpt niet, het gaat ook om het besef dat burgerschap is: regeren én geregeerd worden. Zonder dat besef blijven conducteurs, chauffeurs en hulpverleners de dupe.  

De Volkskrant, Evelien Tonkens, 18 maart 2009
Reageren? Vk.nl/opinie  

Het paardenmiddel van Ter Horst

zaterdag 14 maart 2009 18:11
Arme topmannen van Nederland, arme verslaggevers van deze krant. Zo kinderlijk teleurgesteld. Vrouwen blijken gewone mensen. Kinderlijk hoge verwachtingen hadden ze van vrouwelijk leiderschap. De ideale bestuurder is volgens hen iemand met ‘vermogen tot zelfreflectie, die zich bewust is  van signalen uit de omgeving,  die makkelijk verbindingen aan kan gaan, besluitvaardig is en een heldere visie heeft’ (Voorpagina, 8 maart). De geënquêteerde topbestuurders ‘kennen niemand die al deze eigenschappen bezit. Maar opvallend is dat de ervaringen met vrouwen in de top aanzienlijk slechter zijn dan verwacht’.

Slechter dan verwacht. Niet slechter dan mannen, maar slechter dan het ideaal. Is dat nou opvallend? Grow up, de wereld is niet ideaal. Maar nee. Vrouwen moeten het beeld van de ideale leider levend houden. Als we in vrouwen geen ideale mensen meer zien, moeten we erkennen dat iedereen maar een mens is. Dat is te hoog gegrepen voor de kinderlijke geest. Dus blijft men van vrouwen verlangen dat ze ideaal zijn en straft men ze als ze maar gewone mensen blijken: de teleurstelling over het vrouwelijk leiderschap maakt de geënquêteerde topmensen  ‘terughoudend worden in het benoemen van nieuwe topvrouwen.’

Mannen mogen wel gemankeerde leiders zijn. Wie had anders verwacht? Het is geen nieuws dat veel mannelijke topbestuurders grote graaiers zijn zonder een greintje zelfreflectie. De kredietcrisis heeft dat beeld slechts bevestigd. Bij ING krijgen ze zelfs een bonus voor wanprestatie want daar hadden de schatjes nu eenmaal op gerekend. Wat een getut. Een beetje vent die heeft bijgedragen aan een miljoenenverlies ziet toch vrijwillig af van een bonus? Maar niet de ING-topmannen.  En hun leider is te zwak om ze de oren te wassen. Als het hier over vrouwelijke leiders ging, zou dit getut meteen  gelden als bewijs voor de massale ongeschiktheid van vrouwen voor topfuncties.

In de economiebijlage van 8 maart wordt nader ingegaan op wat topbestuurders goed leiderschap vinden. Zelfreflectie prijkt ook daar hoog. Precies de eigenschap die hier node gemist wordt. Want de eisen die hier aan bestuurders gesteld worden, zijn op zijn zachts gezegd moeilijk verenigbaar. Onder het kopje wel doen wordt geadviseerd: ‘Neem kinderen. Het opvoeden van kinderen versterkt  je leiderschapskwaliteiten’. Maar onder niet doen lezen we: ‘Neem nooit ouderschapsverlof op: dit heeft een negatieve invloed op je loopbaan.’ ‘Zorg dat je minimaal 57 uur beschikbaar bent.’  Dus wel kinderen opvoeden, want opvoeden is zo goed voor je leiderschapskwaliteiten. Maar ook: geen  kinderen opvoeden, want je moet 12 uur per dag werken.

Is dit nu onze leidende elite? Kunnen deze 40 van de 200 machtigste Nederlanders echt niet logisch denken? Tonen ze werkelijk zo weinig zelfreflectie?  Of is het onbenulligheid van journalisten Stoker en Vos die verzuimen verbanden te leggen tussen diverse uitspraken?

Al even warrig is het artikel over de vraag of vrouwen op mannen moeten lijken. Nee, want vrouwen moeten vrouwen blijven. ‘Stel je bent een kat en  je wilt in het hondendomein. Dan denk je: laat ik me gedragen als een hond en dan zullen ze me wel accepteren. Maar  je wordt nooit een hond.  Honden vinden je maar een rare kat. De vrouwen denken dat ze zich moeten aanpassen en profileren zich te sterk. Hierdoor maken ze de verwachtingen niet waar.’ ‘Juist door vrouwen de ruimte te geven, kunnen ze vanuit hun eigen kracht wel die toegevoegde waarde bieden.’

Geen mannen na-apen dus. Maar het bijgaande lijstje tips spoort aan om dat juist wel te doen. Altijd werken immers, en ‘neem een partner zonder eigen carrière of zorg dat hij/zij veel zorgtaken van je overneemt. Van de ondervraagde vrouwelijke topbestuurders hebben alle partners een eigen succesvolle loopbaan, van de mannen nog niet de helft.’ En omdat leiders menen je alleen goed kunt besturen met een carrièreloze partner, en die partners bijna allemaal vrouwen zijn, krijgen ook hun kinderen geen rolmodellen van reëel vrouwelijk leiderschap. Zo blijven kinderlijke ideaalbeelden voortbestaan.

Geen wonder dat Minister Guusje ter Horst naar een paardenmiddel moet grijpen en een benoeming in de politietop moet blokkeren.  Op dezelfde dag bepleitten minister Rouvoet, SER en CNV dat mannen ‘niet langer moet worden aangepraat dat zij het wel kunnen shaken met hun carrière als zij minder uren gaan werken’,  in de woorden CNV-voorzitter Paas (Economie, 10 maart). Het is duidelijk waar hun beschavingsoffensief moet beginnen: bij de politie en bij de 200 machtigste mensen van Nederland.

Evelien Tonkens, De Volkskrant, 11 maart 2009
Reageren? Vk.nl/opinie

David en Goliath in Kanaleneiland

donderdag 5 maart 2009 23:42
Tachtig procent van de bewoners is tegen sloop, verklaart de heer Talhaoui, namens de actievoerende bewoners van Kanaleneiland-Noord (Netwerk 27 februari). Schande dus dat de woningcorporatie Mitros ons uit onze huizen jaagt. Al kreeg ik een ton, dan nog ging ik hier niet weg: ‘waar moet ik heen?’ roept een andere bewoner. Zeventig procent van nieuwe woningen worden koopwoningen: dat betekent dat 70 procent van de bewoners niet terug kan keren. En nog zinloos ook, volgens geograaf Gideon Bolt, want verschillende sociale groepen mengen niet. Mitros garandeert dat iedereen die wil kan terugkeren in de wijk. Maar dat maakt geen indruk. De buurt verbeteren over de hoofden van de bewoners heen?! Schande! De bewoners willen renovatie, geen sloop.    

Voor de kijker is partij kiezen niet moeilijk. Hier strijden dappere machteloze burgers tegen wereldvreemde megalomane bestuurders. Kleinduimpje tegen de Reus, David tegenover Goliath. Voor journalisten een aantrekkelijk vertelschema, omdat zij zelf ook een heldenrolletje krijgen. Dankzij hun reportage worden de slechteriken ontmaskerd en  kunnen de Kleinduimpje en  David de Reus en Goliath te slim af zijn. Ook over ziekenhuizen rapporteren journalisten graag conform dit schema.

Uit deze reportage van Netwerk zou je bijna gaan denken dat Kanaleneiland de meest geliefde wijk van Utrecht is. Maar Kanaleneiland is ook die wijk die de afgelopen jaren veelvuldig negatief in het nieuws kwam, zoals Netwerk gelukkig ook even memoreert. Ruim de helft van de bewoners voelt zich er onveilig. Een derde ervaart overlast van hangjongeren, is slachtoffer geweest van inbraak, overval of diefstal in de buurt, en ervaart last van vandalisme. Vijftien procent van Kanaleiland –Noord is werkloos. Kanaleneiland is niet geliefd.

Kanaleneiland moet dus verbeterd. Er zijn programma’s tegen criminaliteit, overlast, huiselijk geweld, schulden, schooluitval, en voor meer werk en sociale cohesie. Maar als deze programma’s succesvol zijn en mensen het beter krijgen, worden ze tot nu toe gedwongen te verhuizen. Kanaleneiland bestaat namelijk grotendeels uit gehorige portiekflats zonder lift. Betere woningen zijn er niet, dus wie het beter krijgt moet de wijk uit. Een gedwongen verhuizing als straf op vooruitgang.

Nodig zijn dus net wat betere (huur en koop)woningen, die sociale stijgers voor de wijk behouden. Dat heeft ook een ander voordeel: wijken met een sociaal-economisch meer gemengde bevolkingssamenstelling zijn veiliger, de scholen zijn meer gemengd, ze zijn aantrekkelijker voor winkels en bedrijven en er zijn dus meer banen, enzovoorts. Dat vreemden uit sociaal verschillende klassen niet spontaan bij elkaar op de thee gaan, doet hier niet ter zake. Het gaat hier primair om het behoud van sociale stijgers voor de wijk. (Met hulp van sociaal werkers kunnen ze trouwens prima mengen.)

Voor behoud van de stijgers en verbetering van de wijk is herstructurering dus wenselijk. Herstructurering heeft wel nadelen: ook dan worden bewoners gedwongen te verhuizen, en worden buurtbewoners worden van elkaar gescheiden. De sfeer wordt er tijdelijk vaak niet beter op, met afgesloten straten en braakliggend land. Daar staat tegenover dat mensen bij herstructurering een verhuispremie van 5300 euro krijgen, een vervangende woning en recht op terugkeer in de wijk.

Bewoners willen graag massaal in de wijk blijven. Zo ook nu in Kanaleneiland. De ervaring leert echter dat slechts 17 procent daadwerkelijk terugkeert. De rest verandert van gedachten als ze in een vervangende woning zitten. In Kanaleneiland- Noord kan die 17 procent gemakkelijk terugkeren. Mitros sloopt er 475 woningen, en bouwt er 475 terug, waarvan 140 sociale huur. Meer dan tweederde van de bewoners kan dus terugkeren in een huurwoning – stijgers die in een koopwoning terugkeren, nog niet meegerekend. In de nabijgelegen wijk Ondiep bleek net iets duurdere koop voor veel mensen stijgen binnen de wijk mogelijk te maken: bijna de helft van de kopers van een nieuwbouwproject  kwam uit Ondiep en het ernaast gelegen Zuilen.

Het schema van David en Goliath is dus veel te simpel voor deze problematiek. Hoog tijd voor een rijkere verhaallijn. Mijn kennis van sprookjes, Bijbel, Koran, Griekse mythologie schieten tekort maar het moet er zijn. Een verhaal waarin alle betrokkenen hetzelfde willen, op korte termijn zichtbare offers nodig zijn van de minder machtigen, maar minder zichtbare offers die zij tot dusverre moesten brengen overbodig worden, en op langere termijn verbeteringen ontstaat die allen ten goede komen. Zo’n verhaal missen we hier.

Evelien Tonkens, De Volkskrant, 4 maart 2009
Reageren? Vk.nl/opinie

Zo leren we niets van Philadelphia

woensdag 25 februari 2009 11:52
Bestuurders zijn hebzuchtig, ijdel en megalomaan. Dat koopt maar kastelen en Grand Hotels in plaats van zorg te verlenen! Onder het slaperig oog van toezichthouders. Nodig zijn dus strengere controle en persoonlijke aansprakelijkheid. Dat is de les die tot dusverre getrokken wordt uit de dreigende ondergang van zorginstelling Philadelphia. We wentelen ons in zelfgenoegzaamheid: wij hardwerkende Nederlanders zijn niet zo machtig en rijk maar tenminste wel fatsoenlijk. Een sigaretje opsteken in de kroeg of met 80 km door de bebouwde kom scheuren, is daarbij vergeleken peanuts en moet dus kunnen, nietwaar?

Maar zo leren we niets. De aankoop van een kasteel om er een verzorgingshuis voor vegetariërs te vestigen, of van een Grand Hotel waar verstandelijk gehandicapten werken, zijn helemaal geen rare transacties voor zorginstellingen vandaag de dag. Zorginstellingen moeten van hun accountants 15 a 20 procent van hun omzet oppotten, om in de onzekerheid van marktwerking risico’s te kunnen opvangen. Verspilling van ons belasting- en premiegeld, maar dat kan zo’n instelling niet helpen. Gegeven dat dit moet kan men het geld op de bank zetten, maar hoe veilig is dat? Je kunt het ook investeren in gebouwen, zeker als je  cliënten daar kunnen werken of wonen. We willen tegenwoordig dat cliënten van zorginstellingen volwaardig in de samenleving kunnen meedraaien, onder andere via werk. Maar werkgevers weren gehandicapten en voor de sociale werkvoorziening bestaan drempels en wachtlijsten. Heel goed dus als een instelling via een Grand Hotel banen schept voor de eigen cliëntèle. Typisch een initiatief dat onder andere omstandigheden een integratie-prijs zou krijgen.

Ook een kasteel voor hulpbehoevende welgestelde vegetarische ouderen past helemaal in het huidige beleid. Er zijn t talloze welgestelde ouderen op komst, die er veel voor over hebben om een verpleeghuis te mijden. Ze willen meer kwaliteit en contact met gelijkgestemden. Geen bingoavond voor wie zijn hele leven van bingo gewalgd heeft. Niet op je oude dag van je een villa moeten verhuizen naar een meerpersoonskamer van vier bij vier. Er is dus zeker markt voor zo’n project. Door deze projecten te bespotten, miskennen we hier we met zijn allen democratisch toe besloten hebben. Marktwerking noopt tot dit soort investeringen.

De schulden van Philadelhia kunnen we niet geheel aan marktwerking wijten. Ook een rol speelt het  bureaucratische indicatiesysteem dat vaak te laag indiceert. Een herindicatie is vaak snel nodig. Vraagt men die niet aan, dan verleent een instelling meer zorg dan vergoed wordt. Dit is volgens interimbestuurder Troost de belangrijkste oorzaak van het tekort (Nrc 21 februari).

Nog problematischer dan de torenhoge schuld is echter    de verwaarlozing van de dagelijkse zorg, getuige rapportages van Inspectie en personeel. Verwaarlozing van de noden van cliënten en personeel. Terwijl bestuurders miljoenen uitgaven, beknibbelden locatiemanagers op de meest noodzakelijke kosten. Ervaren medewerkers werden vervangen door stagiaires. Zieken werden niet vervangen waardoor zorgverleners alleen voor moeilijke groepen staan. Er was geen geld voor huishoudelijk medewerkers waardoor verpleegkundigen wc’s soppen. Kapotte koelkasten en magnetrons konden pas in 2010 vervangen kunnen worden (Nrc 21 februari).

Bestuurders waren dus meer bezig met megaprojecten en fusies dan met de dagelijkse zorg. Het is een bekend probleem: het bestuur leeft zich uit in miljoenenprojecten en fusies terwijl intussen, buiten hun blikveld, maar wel indirect door hen aangestuurd, lagere managers de werkvloer afknijpen. Daar kan nog geen invalkracht of nieuwe koelkast betaald worden. Geen exclusief probleem van marktwerking: zoiets doet zich bij publieke organisaties zoals eerder bijvoorbeeld bij het UWV ook wel voor.  Marktwerking nodigt hier echter wel extra toe uit.

De hamvraag is dus hoe we ervoor kunnen zorgen dat de dagelijkse zorgen van de cliënten en personeel bepalend zijn. Dat die voorop het netvlies van elke bestuurder en elke toezichthouder staan. Hoe eventuele kastelen en Grand Hotels kunnen bijdrage aan de kwaliteit van het alledaagse leven van cliënten en personeel.  Hoe bestuurders meer wakker gaan liggen van groepsleiders die er alleen voor staan dan van miljoeneninvesteringen. Hoe organiseer je dienstverlening zo dat de zorgen op de werkvloer ieders primaire zorgen worden? Daarover moet de discussie gaan, in plaats van over slechte karakters.

Evelien Tonkens, De Volkskrant 25 februari 2009
Reageren? Vk.nl/opinie

Alle veertigers naar school

woensdag 18 februari 2009 08:04

Na dertig of veertig jaar zijn de meeste mensen echt wel uitgekeken op hun werk. Zo ze er niet al aan versleten zijn. Vooral in zware beroepen zoals ambulance-verpleegkundige, bouwvakker, stratenmaker, conducteur, aspergesteker of verzorgende is veertig jaar heel lang. De meesten halen de AOW-leeftijd niet. Nog niet de helft van de 55 plussers werkt. Een idioot idee dus om zulke mensen nog  twee jaar langer tot werken te dwingen. Dat leidt slechts tot meer ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Vooral mensen onderin de arbeidsmarkt zijn de dupe, want die zitten in zulke beroepen, aldus critici van mijn column van vorige week. Het mag wezen dat we gemiddeld steeds ouder worden en langer gezond blijven. Maar meer dan veertig jaar is in het meeste werk ondoenlijk.

Helemaal waar. Maar dat is geen argument tegen het verhogen van de AOW-leeftijd. Inderdaad  is veel werk geen veertig jaar vol te houden. Maar daaruit volgt geenszins de conclusie dat we AOW-leeftijd op 65 jaar moeten handhaven. Daar worden die veertig jaar geen dagje korter van. Het verlicht het werk voor mensen onder de 65 geen spatje. (Iedereen na veertig jaar werken AOW geven zoals GroenLinks wil, helpt ook niet. Dat idee stamt nog uit de tijd dat mensen tot hun 25e aleen studeerden. Dat doet geen kip meer. Al mijn studenten werken vanaf hun achttiende. Scholierenbaantjes meegerekend vanaf hun 16e. Dus van GroenLinks mogen we massaal op vanaf 56 in de AOW, een verlaging van negen jaar.)

Wat dan wel helpt? De arbeidsmarkt heel anders inrichten, opdat niemand meer veertig jaar hetzelfde werk hoeft te doen. Maximaal twintig jaar in dezelfde functie, stel ik voor. Les geven is leuk, maar na twintig jaar is de verrassing er wel een beetje af en de uitdaging ook. Het zoveelste tien-minuten-gesprek, de zoveelste lerarenvergadering, reorganisatie, nieuwe methode, of lastige klas: ze vormen geen stof tot nadenken meer, geen uitdaging, geen goed verhaal op een verjaardag. En na de miljoenste patiënt met vage klachten die weigert zijn achterliggende problemen onder ogen te zien, wordt het huisartsenvak ook minder spannend. Het miljoenste bed opmaken in een verpleeghuis is doodvermoeiend. Voor de miljoenste keer een patiënt uit bed helpen,  dat voel je in je rug. De miljardste stop bij de bushalte, het miljardste piepje als je een product langs de scanner van de kassa haalt, voor de miljoenste keer informeren naar de airmiles en klantenkaart. Dat is toch allemaal niet te doen? Waarom doen we mensen dat aan?

Twintig jaar in hetzelfde beroep is meer dan genoeg.  Laten we iedereen tussen de 40 en 45 jaar het recht geven om opnieuw vier jaar naar school te gaan. Laat ons op ons 40e netzo dromen over onze toekomst als toen we 17 waren. ‘Wat wil je later worden?’ zou voor de 42-jarige net zo’n gewone vraag moeten worden als voor een 17jarige is. De standaardvraag tijdens verjaardagsfeestjes: niet ‘wat doe jij’ maar ‘wat wil je hierna worden’? Iedere veertiger mag weer een opleiding volgen, van universitaire studie tot en met MBO-onderwijs. Er begint een tweede jeugd, met open dagen, beroepskeuzetesten en gesprekken met mensen die je droomberoep al uitoefenen. Iedereen krijgt vier jaar lang een basisbeurs, minimaal ter hoogte van de AOW, die hij zelf kan aanvullen met een (kleine) deeltijdbaan of  -voor jonge ouders - met aanvullend betaald zorgverlof.  

Vooral voor repetitieve beroepen is dit belangrijk. Maar ook voor spijtoptanten: mensen die te laat hun talenten ontdekken en in het verkeerde beroep zitten. Die zich pas rond de dertig realiseren dat ze niet durfden te doen wat ze eigenlijk wilden, vanwege hun ouders of statusangst. De accountmanager die toch liever gitarist was, de verpleegkundige die ervan droomt sterrenkundige te worden.

Hoger opgeleiden zullen er minder gebruik van maken, omdat die nu al vaak de kans krijgen zich bij te scholen, carrière te maken en dus van functie te wisselen. Ook traditioneel mannelijke sectoren, zoals de politie en het leger, zullen er minder gebruik van maken. Straatagenten zitten op hun veertigste meestal al achter het bureau.

Hoe gaan we dit betalen? Door die malle hypotheekrenteaftrek  af te schaffen natuurlijk, evenals het ‘functionele leeftijdsontslag’ - gebruikelijk bij bijvoorbeeld leger en politie -  af te schaffen. En door de AOW-leeftijd te verhogen. Met een verhoging tot 68 jaar zijn we er al bijna. Met een verhoging van vier jaar kan het zelfs kostenneutraal.

Natuurlijk willen we ontspannener en leuker leven, maar waarom wachten tot ons 65e?

Evelien Tonkens, De Volkskrant, 18 februari 2009
Reageren? Vk.nl/opinie

Verhoog de AOW-leeftijd

woensdag 11 februari 2009 06:04
Conservatieven bedienen zich standaard van drie soorten argumenten tegen vernieuwing, aldus de filosoof Albert Hirschman. Hirschman had zich geen betere conservatief kunnen wensen dan Harry Verbon (Forum 9 februari) om dit te illustreren. Verbons betoog dat de verhoging van de AOW-leeftijd zinloos, duur en oneerlijk is, is precies op de drie conservatieve argumenten gestoeld. Allereerst het futility-argument:  vernieuwing is zinloos. Het haalt veel overhoop maar het leidt tot niks. Zinloos noemt Verbon de verhoging van de AOW-leeftijd, ‘omdat het oudere werknemers niet productiever maakt’. Niemand betoogt echter dat oudere werknemers door verhoging productiever zouden worden. Een onzinnig argument dus. (Er is niet per se iets tegen conservatieve argumentatie – het is niet noodzakelijk dommer dan progressieve – maar je moet het wel goed doen.)

Het tweede klassieke conservatieve argument is jeopardy: de vernieuwing haalt misschien wel wat uit, maar tegen onaanvaardbaar hoge materiele of maatschappelijke kosten. Verhoging van  AOW-leeftijd is oneerlijk: hij leidt volgens Verbon tot grotere ongelijkheid. Mannen met een hoger inkomen kunnen langer werken vermijden door de levensloopregeling te gebruiken voor prepensioen, terwijl mannen met een laag inkomen zich dat niet kunnen permitteren. (Het is Verbon even ontschoten dat er ook vrouwen op de arbeidsmarkt zijn.)  

Verbon suggereert hiermee dat de levensloopregeling een natuurverschijnsel is waar wij geen greep op hebben. Maar het is een politiek product dat we naar believen kunnen veranderen of afschaffen. De levensloopregeling was bedoeld voor beter spreiden van arbeid, zorg en leren over het leven, niet voor nog grotere  concentratie daarvan middels prepensioen. De levensloopregeling moet dus op de helling.  Liefst schaffen we hem helemaal af en vervangen hem door aparte verlofregelingen voor zorg en scholing. Beide zijn te belangrijk om van een individuele spaarregeling af te hangen en daarbinnen met elkaar te concurreren.

Het derde argument dat conservatieven standaard hanteren is het perversity-argument: de beoogde vernieuwing versterkt wat men ermee wilde bestrijden. De verhoging van de AOW-leeftijd wordt ons verkocht als goedkoop, maar hij is juist duur, betoogt Verbon. Werkgevers willen oudere werkgevers liever kwijt want ze zijn minder productief en duur. Bij een hogere AOW-leeftijd zullen werkgevers dus werknemers de kans willen geven ‘hun bedrijf op een sociale manier te verlaten’, door ze uit te kopen. Dat is duur. Of ze houden ze toch in dienst, maar dat is ook duur want dan moeten zij ‘een vervanging van de voor twee jaar verdwenen AOW voor hun oudere werknemers zelf financieren, in plaats van dat de samenleving dat doet.’ Onder duur verstaat  Verbon dus dat bedrijven meer moeten betalen. Dat de kosten van ‘de samenleving’ lager worden telt voor hem blijkbaar niet. Een opmerkelijke identificatie met private financiën voor een hoogleraar openbare financiën.

Ook arbeidsproductiviteit en  de arbeidskosten van ouderen zijn in Verbons voorstelling van zaken een natuurverschijnsel. Het is wel waar dat ouderen gemiddeld minder productief zijn dan jongeren, maar ze zijn gemiddeld ook wijzer en diplomatieker en melden zich minder vaak ziek. Hoe goed ouderen functioneren, hangt bovendien, net als bij jongeren, in hoge mate af van de manier waarop een bedrijf ze behandelt. Als hun visie automatisch  als ‘weerstand tegen vernieuwing’   wordt weggewuifd, zal hun productiviteit niet snel stijgen.

En de arbeidskosten van ouderen dan?  Die zijn inderdaad hoger dan die van jongeren, maar ook dat is geen natuurverschijnsel. We kunnen besluiten het loongebouw anders in te richten. Werkgevers betalen nu voor ouderen hogere lasten en  premies. Als we de premiedruk verplaatsen naar de productiefste jaren, is dat probleem opgelost. Demotie – ook al zo’n taboe dat nodig op de helling moet - doet de rest.

Voor 1 maart moet het kabinet met een crisis-bestrijdingsplan komen, waarschuwde SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan. De werkgevers en werknemers zijn er al uit, verklaarde hij maandag triomfantelijk voor het NOS-journaal: de overheid moet ons gewoon meer geld geven. Oja, en investeren in onderwijs (anders staat het zo hebberig). Knap he, dat we het zo snel eens werden, wilde hij ook nog even kwijt. Bijna sneu dat zo’n man zelf niet ziet hoe kinderachtig dit overkomt. Wat de werkgevers en werknemers zelf dan bijdragen, vroeg Minister Bos terecht fijntjes.  

Het is intussen te hopen dat het kabinet zich deze dagen met meer visionaire financieel adviseurs omringt.

Evelien Tonkens, De Volkskrant 11 februari 2009
Reageren? Vk.nl/opinie

Medisch smeergeld

dinsdag 10 februari 2009 22:00
Hij was arts maar verslaafd aan medicijnen. Hij stelde verkeerde medische diagnoses en schreef verkeerde medicijnen voor. Minstens één patiënt die hiervan de dupe werd, werd omgekocht om te zwijgen. Ze  moest het dossier vernietigen en beweren de arts nooit ontmoet te hebben. Het ziekenhuis, Medisch Spectrum Twente, heeft in het totaal een half miljoen aan schadevergoedingen uitbetaald aan minstens tachtig slachtoffers van deze neuroloog. Al in 2001 werd zwijggeld uitgekeerd,  en al in 2001 waren Openbaar Ministerie en de regionale inspecteur voor de gezondheidszorg op de hoogte. Pas drie jaar later werd de arts ontslagen, met doorbetaling van zijn salaris van 10.000 euro per maand.

Verpletterend. Gebeurt dit werkelijk, in Nederland, in de 21e eeuw, in een modern ziekenhuis dat in prestatiemetingen als hoogwaardig naar voren komt? Er moet iets grondig mis zijn met het zelfreinigend vermogen van de medische sector, van collega-artsen tot en met inspectie – gebleken in Twente, maar mogelijk ook elders. De zaak is voldoende ernstig voor een parlementaire enquête. Waar gebeurt zoiets nog meer? Hoeveel andere situaties zijn er van artsen die duidelijk disfunctioneren maar waar de omgeving niet tegen optreedt? Hoeveel patiënten hebben zwijggeld gekregen? Is het uitbetalen van zwijggeld geen omkoping en dus op zich al strafbaar?

Alle lagen van verantwoordelijkheid moeten afgepeld en nageplozen. Om te beginnen de collega’s van deze neuroloog, Jansen Steur geheten. Zij moeten zijn disfunctioneren al voor 2001 gezien hebben. Hebben ze hem erop aangesproken? Waarom niet? Eerder haalde ik hier het proefschrift van Yolande Witman aan, over leidinggeven in ziekenhuizen. Witman laat duidelijk zien de hiërarchische verantwoording in ziekenhuizen indrukwekkend ver ontwikkeld is: artsen zijn er heel goed in om artsen-in-opleiding aan te spreken op fouten en gebreken. Menige andere sector kan daar veel van leren.

Maar horizontaal, tussen artsen onderling, is verantwoording ver te zoeken. Artsen durven elkaar niet aan te spreken. Als junior arts een senior aanspreken is helemaal taboe. Er moet hoognodig een eind komen aan deze autoritaire cultuur. Aan Minister Klink, beroepsorganisaties en opleidingen de taak om  een vijfjarenplan voor grondige democratisering te ontwikkelen. Ik ken talloze integere, betrokken, vakbekwame en communicatieve artsen, daarover geen misverstand. Maar de cultuur van elkaar niet aanspreken maar sparen deugt van geen meter.

De tweede schil is de Raad van Bestuur. Hoe is het mogelijk dat bestuurders een verslaafde arts niet onmiddellijk ontslaan? Hoe kan het dat ze een klacht van een patiënt niet aanmoedigen maar afkopen? Sinds wanneer is het verantwoord om publieke middelen die bestemd waren voor medische zorg als smeergeld te gebruiken? Zowel het niet tijdig ontslaan als het betalen van smeergeld zouden strafbaar moeten zijn.

De volgende schil is zijn Raad van Toezicht,  Inspectie en het Openbaar Ministerie. Is de Raad van toezicht niet ingelicht, of heeft ze niets gedaan- beide ernstige vormen van nalatigheid.  OM en Inspectie zijn wel ingelicht, maar dat leidde niet tot actie. ‘Er zijn nooit stukken bij ons geweest, dus heeft het OM de zaak nooit kunnen beoordelen’, aldus een woordvoerder (Zorgvisie 30 januari). Wat is dat nu voor dunne thee?  Sinds wanneer moet het OM afwachten tot spontaan stukken bezorgd worden? De Inspectie heeft geen aangifte gedaan, want volgens een woordvoerder zou ‘alles zou naar tevredenheid zijn afgewikkeld’ (Zorgvisie 30 januari 2009). Daarmee liet de Inspectie bewust toe dat dezelfde arts volgende patiënten kon mis(be)handelen.

Het vreemdste is wel dat medisch Nederland niet door grote schaamte is bevangen. Men lijkt het als een incident te zien: een verlaafde arts, hoe vaak komt dat nu voor? De schande is echter niet deze ene arts, maar het falende controlesysteem eromheen. De prestatiemetingen van ziekenhuizen helpen hier geen zier bij, getuige de hoge scores van dit ziekenhuis. Het is eerder omgekeerd: angst voor reputatieverlies bevordert geheimhouding.

De kern van het probleem is driezijdig: een autoritaire cultuur onder medici waarbij iedereen behalve de baas moet zwijgen, een doofpotcultuur onder bestuurders, en slaperigheid van Inspectie en OM. De VVD heeft hierover in de Tweede Kamer een spoeddebat aangevraagd. Hopelijk vormt dat de start van een cultuuromslag, die de tijd gaat indelen in voor en na de zaak Jansen Steur.

Evelien Tonkens, De Volkskrant, 2 februari 2009
Reageren? Vk.nl/opinie

Wapens tegen Wilders

woensdag 28 januari 2009 10:54

Als de kat over de vloer sluipt, hoor je dat bij de buren. Het zijn piepkleine duplexwoningen, van 35 m2. Als grotere eengezinswoningen gebouwd maar na de oorlog in tweeën gesplitst vanwege de woningnood. Onwaarschijnlijk gehorig en dus met permanente geluidsoverlast. De meeste bewoners kunnen daar goed mee omgaan: ze houden veel rekening met elkaar. Het zijn meestal alleenstaanden of stellen. Deels oudere autochtonen, die er soms al wel zestig jaar wonen. En deels jongere mensen, van allerlei komaf, en vaak werkloos, arbeidsongeschikt, met psychische problemen of net terug uit de gevangenis. Wie meer mogelijkheden en geld heeft, woont hier niet.

Voor gezinnen zijn deze woningen te klein. Toch hebben gezinnen wel belangstelling, vanwege die lage huur. Soms doen mensen zich dus als alleenstaand voor; als ze er eenmaal wonen, voegt zich er langzaamaan een hele schare bij. Met alle herrie van dien. De huismeester heeft daarom te doen met de oudere mensen, die zelf meestal weinig lawaai maken maar wel veel last hebben van de buren.  Bijna permanent, omdat beide partijen veel thuis zijn. De ouderen gaan overdag nog wel eens maar ’s avonds nooit. Te bang.

Elke dag loopt de huismeester even door de wijk. Kijken of de bewoners nog klachten of problemen hebben, en die helpen oplossen. Van een lampje indraaien tot en met het sussen van een burenruzie. Want er zitten ook moeilijke types tussen, die het niet aan het verstand te peuteren is dat de buren niet kunnen slapen als je ’s nachts muziek draait.

De huismeester is in dienst van de woningcorporatie. Hij werkt veel samen met de politie en de wijkmanager van de gemeente. Dat is ook prettig voor de bewoners. Als er is ingebroken of een auto vernield, moeten de bewoners eigenlijk zelf de politie bellen maar de huismeester wil het ze niet te moeilijk maken. Hij belooft daarom het door te geven aan de wijkagent, die dan zelf even langskomt.

Ook organiseert de huismeester van alles om de wijk te verbeteren.  Bijvoorbeeld een praatgroep van bezorgde vaders die met elkaar willen voorkomen dat hun kinderen ontsporen. Om bij de ouderen de angst wat weg te nemen, organiseert hij met de basisschool een Sinterklaasfeest. De ouderen geven kadootjes met gedichtjes aan de merendeels Marokkaanse kinderen. Zo leren de kinderen wat Sinterklaas is, en maken de ouderen iets leuks mee met de kinderen waardoor ze anders over hen gaan denken. Kerstfeest organiseert hij ook. Met het verpleeghuis uit de wijk, ook weer om verschillende bevolkingsgroepen met elkaar in contact te brengen.

De huismeester heet Mohammed, geen Jan of Piet zoals u vast dacht. Het is een interessant nieuw fenomeen: nieuwe Nederlanders die met veel empathie praten over autochtone burgers en hun problemen. Ook tijdens discussies onder professionals over de multiculturele samenleving, kom je dit regelmatig tegen: terwijl de autochtonen zich storten op de problemen van migranten, vragen migranten aandacht vragen voor problemen van autochtone medeburgers.   

Een wijk verderop vult een Marokkaanse huismeester haar werk heel anders in. Zij gaat ook de huizen langs elke morgen. Maar daarnaast probeert ze de vrouwen uit de wijk uit hun huizen te krijgen. Veel vrouwen leven net alsof ze nog in Marokko zijn, zegt ze. Ze komen nooit buiten. Een moeder met vier  kinderen woonde hier. Altijd thuis. De oudste was bijna zes en nooit naar school geweest. Daar moest wat aan gebeuren.

Elke woensdagmiddag ontvangt de huismeester een heleboel kinderen in een bijkamertje van haar kantoortje. Een soort informele kinderopvang. Ook helpt ze een lokale vrouwenorganisatie met het organiseren van activiteiten. Nu willen die vrouwen voor hun inspanningen betaald worden, maar zo gaat dat hier niet. Het is vrijwilligerswerk, legt ze hen uit.

Eigenlijk is dit welzijnswerk. Maar de meeste welzijnswerkers  kunnen zoiets niet meer doen. Ze worden alleen nog betaald om meetbare prestaties leveren waartoe de lokale overheid opdracht heeft gegeven. De overheid eist in korte tijd bewezen prestaties. Terwijl dit allemaal lange termijn werk is met onzekere en nauwelijks meetbare uitkomsten. Door die eis sneuvelt veel nuttig werk.

Over het werken aan integratie van zulke huismeesters gaat het weinig in het publieke debat. Het is stille verzoening. Onzichtbare ketens van empathie tussen leeftijden en bevolkingsgroepen, gesmeed in de alledaagse kleine daden. De boel bij elkaar brengen. Dit stimuleren en hierover meer berichten lijken me de beste wapens tegen Wilders.

Evelien Tonkens, De Volkskrant, 28 januari 2009

Reageren? Vk.nl/opinie

Burgerinitiatief voor kleinere klassen

woensdag 21 januari 2009 08:37

Veel bijval kreeg mijn pleidooi voor klassen van maximaal 15 leerlingen (7 januari, zie vk.nl/opinie). ‘Kleinere klassen= meer individuele aandacht van de leerkracht = betere resultaten’, schreef Jack. ‘Hebben we dat dan nog niet geregeld? Als de bliksem!’, vond Dre Oudman. Henk pleitte voor een burgerinitiatief. Ina en Wim Jansen, lang werkzaam geweest in het onderwijs, sloten zich spontaan aan. Een ouder beklaagt zich dat zijn kinderen ‘de laatste jaren in klassen van rond de veertig’ zaten.
Een manager kan maximaal tien werknemers goed begeleiden, stelde Lidy Broersma, dat zegt genoeg over wat je van docenten mag vragen. Ook Ethereal vond 15 leerlingen nog te veel, liever 8 tot 10. De afgelopen eeuw hebben we betere huizen, betere zorg, meer vakantie en kleinere gezinnen gekregen, stelt Hannes Minkema.  ‘Alleen onze kinderen stoppen we nog steeds elke dag met 30 tegelijk in te kleine klaslokaaltjes’, alsof ‘het beschavingsoffensief de school niet heeft bereikt’.

Maar Aleid Truijens ziet er niets in (Forum, 13 januari). Kleinere klassen prettiger zijn voor leerlingen en docenten, erkent zij, maar dat is geen reden om ze in te voeren. Zelf vind ik dat op zich al genoeg reden. Leerlingen en leraren brengen het grootste deel van hun tijd door op school. Meer kwaliteit van leven voor miljoenen Nederlanders door kleinere klassen, is dat niet geweldig?

In1995 bleek dat Nederland klassen groter waren dan die van andere landen. De politiek besloot daarop tot klassenverkleining naar maximaal 25 leerlingen. Maar vanwege de vrijheid van onderwijs wilde men dit niet dwingend opleggen. Daardoor is het nooit echt van de grond gekomen. Scholen kregen vanaf 1997 extra budget, voor bijvoorbeeld of een tweede docent in de klas, of andere extra krachten, zoals logopedisten, of managers. Een kleinere klas was van dat geld zelden haalbaar. Daarvoor moet de hele school herordend en heb je extra lokalen nodig.

Kleinere klassen mogen prettiger zijn,‘maar zolang het effect van kleinere klassen op leerresultaten niet is aangetoond’, vindt Truijens het onverstandig er overheidsgeld aan te besteden. Ze verwijst daarbij naar onderzoek van Annevelink en van bureau McKinsey. McKinsey concludeerde uit internationale vergelijkingen tussen onderwijsprestaties dat hoog scorende landen als Hongkong, Korea en Finland grote klassen hebben, maar het goed doen, dankzij strenge selectie, goede opleiding van docenten en hoge eisen aan alle leerlingen.

In een artikel uit 2004 onderzoeken Annevelink e.a. effecten van het Nederlandse beleid van 1997. Omdat er van echte klassenverkleining dus nauwelijks sprake was, trekken ze conclusies over de effecten via een hypothetisch model. Een klas van 30 leerlingen met twee opgeleide docenten geldt in hun onderzoek als een klas van 15. Met één opgeleide en een onopgeleide docent geldt het als een klas van 30. Op basis van dergelijke vergelijkingen doen ze uitspraken over de effecten van klassenverkleining. Over echte klassenverkleining gaat het dus nauwelijks.

Het McKinsey rapport signaleert weinig positieve en soms negatieve effecten van klassenverkleining. Het gaat echter over situaties waarin klasssenverkleining met gelijkblijvend budget werd doorgevoerd. Er wordt dus op andere zaken bezuinigd. Logisch dat dat geen succes is. Het zegt niks over kleinere klassen. Het zegt alleen iets over kleinere klassen plus onderwijsverslechtering. Ook de conclusies over Korea, Hongkong en Finland zijn omstreden. Die landen hebben iets anders gemeen, namelijk dat kinderen met leerproblemen in kleine groepjes extra aandacht krijgen, stelt de Duitse onderzoeker Hagemeister (2006, zie beteronderwijsnederland.net).

Er is veel buitenlands onderzoek dat positieve effecten van kleinere klassen aantoont. Een Amerikaanse studie vergeleek bijvoorbeeld drie jaar langde prestaties van klassen van 16 met klassen van 24 leerlingen. De kinderen van kleinere klassen presteerden na drie jaar in alle opzichten beter. Dit gold vooral kinderen van laag opgeleide ouders (die in Annevelinks onderzoek nauwelijks voorkwamen). Annevelink zag zelf trouwens ook voordelen aan kleine klassen. Kinderen in kleinere klassen hebben meer interactie met de docent, zijn taakgerichter en worden minder snel afgeleid, vertelde ze aan UT-nieuws (2 september 2004). Alleen de taalprestaties verbeteren niet aanmerkelijk, mogelijk doordat ‘docenten nog niet optimaal gebruik maken van de voordelen die een kleine klas biedt’.

Kleinere klassen blijven dus uitstekend idee. Tijd voor een burgerinitiatief!

Evelien Tonkens, De Volkskrant 21 januari 2008
Reageren? Vk.nl/opinie

Kleinere klassen

woensdag 7 januari 2009 06:17
Tien kinderen zitten er gemiddeld in de klassen van de Engelse privé-scholen. In die klassen wordt de Engelse elite gekweekt. Daar komen de studenten van Cambridge en  Oxford vandaan. Dat wensen ouders voor hun kinderen als ze het kunnen betalen. En dat wensen kinderen zelf, zo bleek afgelopen najaar bij de presentatie van het Waterland-manifest Milde meritocratie in de Balie in Amsterdam. Wie heeft goede of slechte herinneringen aan zijn eigen onderwijs, was de vraag aan de zaal. De mensen met slechte herinneringen hadden daarvoor allemaal één reden: te grote klassen.
    
Er zijn nog veel meer goede redenen voor kleinere klassen. Nederland selecteert te vroeg, is onlangs weer geconstateerd. Daardoor komt het talent van kinderen van lager opgeleide ouders te weinig tot ontplooiing. Maar wat is het alternatief? Alle kinderen nog langer bij elkaar in één grote klas is ook niet aantrekkelijk. Op de basisschool lukt het nu al niet meer om de aanstaande ministers en schoonmakers samen in klas te houden. Steeds meer kinderen worden er aan de onderkant of de bovenkant uitgeduwd: ze verdwijnen naar het speciaal onderwijs of de hoofbegaafdenklas.

Niet dat het vroeger beter was. Zowel de aanstaande ministers als  schoonmakers verveelden zich kapot. De schoonmakers achterin, afgehaakt. Hen werd zelden wat gevraagd. Als er toch een vraag kwam, was die eerder vernederend dan leerzaam. De spreiding van niveaus was wel kleiner want gehandicapte kinderen gingen meteen naar het speciaal onderwijs. Die proberen we nu in het gewone onderwijs te houden, zo nodig met een ‘rugzakje’ om hun  handicap of leerstoornis te compenseren. Dat blijkt vaak nodig: één op de 16 leerlingen heeft zo’n rugzakje.

Tegenwoordig vinden we massale verveling en vernedering niet meer acceptabel. Iedereen heeft nu recht op individuele aandacht, een eigen leerweg en een eigen leerplan. Thuis krijgen kinderen al steeds meer aandacht, in kleinere gezinnen. De kloof tussen het kleine gezin en de grote klas is te groot. Ook daarom moeten de klassen kleiner. Vijftien kinderen per klas, stel ik voor.

Vreemd dat recente discussies over het onderwijs hier helemaal niet over gaan. Eerdere jaren ging het er nog wel eens over. Maar onderzoek kon het nut van kleinere klassen niet aantonen. Daarmee is de discussie verstomd. In deze tijden van evidence-based werken nemen we geen maatregelen waarvan het nut niet reeds bewezen is. Terwijl er onderzoekstechnische redenen zijn die zulk bewijs verhinderen. Het effect van iets wat niet bestaat kan immers niet bewezen worden. Men kan er hoogstens op al dan niet wetenschappelijke wijze over speculeren. Door klassen van 31 kinderen te vergelijken met klassen van 28 bijvoorbeeld. Als daar geen significant verschil uit blijkt, concludeert de onderzoeker dat kleinere klassen geen aantoonbaar effect hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Maar over klassen van 15 kinderen is dan niets gezegd. Dus het blijft goed mogelijk dat kinderen in een klas van vijftien meer mogelijkheden krijgen om hun talenten te ontwikkelen. De Engelse privé-scholen kiezen er vast niet voor niets voor.

Veel te duur en onhaalbaar vanwege het lerarentekort, luiden twee andere voor de hand liggende bezwaren. Duur is het inderdaad. Maar we kunnen hiermee andere kosten besparen. Kosten voor toetsen bijvoorbeeld. Aan het eind van groep 8 hebben kinderen zo’n honderd CITO-achtige toetsen achter de kiezen, telde Ewald Engelen in het genoemde Waterland-manifest. Als we negentig procent van de testen, rapportages en rugzakjes nu eens afschaffen. Dat scheelt bergen bureaucratie, ergernis en geld. Toegegeven, die testen en rapportages kunnen ook waardevol zijn. Maar we moeten kiezen, want het geld blijft beperkt en kleinere klassen duur. De keuze is tussen kleine klassen met minder controle en toetsen en grote klassen met vele controles, toetsen, rapportages plus uitvallers naar boven en onder. Kleinere, bureaucratie-arme klassen maken lesgeven ook aantrekkelijker. Het trekt nieuwe docenten aan en haalt misschien zelfs uitvallers terug.

In sterk vergrijzende regio’s in bijvoorbeeld Zeeland,  Limburg en Groningen heeft het nog een heel ander voordeel. Daar moet bij de huidige klassengrootte de komende jaren de helft van de scholen dicht.  Met kleinere klassen kunnen veel van die scholen open blijven.

Kleinere klassen zijn ten slotte ook nog Dijsselbloem-proof: ze vereisen geen stelselherziening. Ze zijn is, stapsgewijs, meteen vanaf morgen in te voeren. Zie hier mijn nieuwjaarwens.

Evelien Tonkens, de Volkskrant 7 januari 2009
Reageren?  Vk.nl/opinie

Het Kerstmannentekort

woensdag 31 december 2008 06:18
Er zijn puberale, jeugdige, middelbare en bejaarde beroepen en instituties. Advocaten bijvoorbeeld zijn eeuwige pubers. Dat is hun taak. Ze zien één kant van de zaak en gaan daarvoor door het vuur. Of de tegenpartij ook een punt heeft, valt buiten hun blikveld. Het OM gedraagt zich meer als dertiger: kalmer maar evengoed uit op het eigen gelijk. De senioren in deze sector zijn de rechters. Tegenover de jeugdige blikvernauwing van advocaten verwachten we van rechters het bedaarde, bedaagde, genuanceerde oordeel. We verwachten dat ze ijdelheid en eenkennigheid overstegen hebben en alles rustig van alle mogelijke kanten bekijken.

Ook politiek en openbaar bestuur drijven op zo’n taakverdeling. Politici tonen de stijl van late twintigers: ambitieus, ijdel, druk bezig zichzelf in de kijker te spelen. Uit op applaus, vooral van de senior.  Ministers zijn al wat bedaarder. Maar echt bedaard zijn burgemeesters. Opereren liefst achter de schermen, boven de partijen. Spreken publiekelijk niet vaak, maar altijd met gezag.

Die seniorenrol moeten we koesteren. Dat pleit tegen het kiezen van burgemeesters en rechters. Hun bedaagde onpartijdigheid is hun kracht. Bij directe verkiezingen daalt hun gemiddelde kalenderleeftijd meteen met tien jaar en hun leeftijd-stijl met minstens twintig. Ook de vijftigers onder hen gaan zich dan als twintigers en dertigers gedragen.

Elke sector heeft een leeftijdsopbouw nodig. Een spreiding van pubers, jongeren, middelbaren en senioren. Een groot probleem in onze samenleving is dat we zo’n evenwichtige leeftijdsspreiding niet langer koesteren. We overwaarderen de prestatiegerichte, concurrentielustige, ijdele korte termijn-oriëntatie van de jeugd. Ook instituties en functies waarvan voorheen bejaard en bedaard gedrag werd verwacht, worden nu opgezweept tot hijgerigheid. Of zwepen zichzelf op.

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) is daarvan een pijnlijk voorbeeld. Deze is onlangs aan het puberen geslagen. Voorheen was de IGZ een bedaarde institutie die het allemaal eens rustig bekeek en vergeleek. Op de eigen tijd, na de nodige inlichtingen te hebben ingewonnen en waarschuwingen te hebben uitgedeeld, kwam zij met een genuanceerd oordeel. Maar nu niet meer. Afgelopen maand nagelde de IGZ tien ziekenhuizen aan de schandpaal omdat hun intensive care afdelingen (IC’s) niet zouden voldoen aan de richtlijnen. Ze hadden tijdens kantooruren geen IC-specialist (intensivist), of konden niet garanderen dat er binnen vijf minuten een specialist aanwezig was. Ze moesten dus acuut dicht, oordeelde de IGZ.  

Hoe puberaal dit oordeel was, bleek toen twee van die ziekenhuizen bekend maakten al geen IC meer te hebben. De andere acht voldeden binnen een paar uur later al aan de richtlijnen. Dankzij onze actie kwamen ze eindelijk in beweging, verklaarde de IGZ trots. Onzin, zeiden de ziekenhuizen,  In sommige van deze acht had de Isnpectie de kwaliteit van de zorg op de IC nog zeer recent als goed beoordeeld. ‘Acute sluiting is alleen gerechtvaardigd als er voor de patienten gevaarlijke situaties bestaan en mogelijkheden voor verbetering van de situatie ontbreken’ (woordvoerder van de algemene ziekenhuizen Wymenga, Zorgvisie 19 december).

Wie hier gelijk had is moeilijk te achterhalen. Belangrijker is dat je dit soort taferelen alleen krijgt als de Inspectie zich niet meer als senior gedraagt. Als, in de woorden van Wymenga, achter de actie van de inspectie geen zorgvuldig oordeel meer schuilgaat maar ‘politieke druk om flinke maatregelen te nemen’.  Waarom niet wat kalmer? Waarom niet wat meer achter de schermen, met wat meer overleg? Waarom zo amechtig? Er zijn al genoeg amechtige partijen in de zorg. Als de Inspectie ook al in dat koor gaat meezingen, is er in deze sector bijna geen senior meer over.
Nu we Sinterklaas en de Kerstman weer een jaar moeten missen, wil ik hun maatschappelijke nut nog even onderstrepen. Want er zijn meer instituties die verpuberen. Universiteiten en media bijvoorbeeld. Meer gericht op snel scoren, waan van de dag en korte termijn. Deze verpubering van de publieke sector is een gevolg van het wantrouwen dat de sector ten deel is gevallen (en natuurlijk van marktwerking). Nu publieke organisaties geen vanzelfsprekend bestaansrecht meer hebben, moeten ze zich voortdurend bewijzen.
Puberale functies en afdelingen zijn onmisbaar, voor vernieuwing, een frisse blik en tomeloze energie. Maar als een hele organisatie of sector verpubert, wordt deze stomvervelend en doodvermoeiend. Ook na december hebben we Kerstmannen, Kerstvrouwen en Sinterklazen nodig.

Evelien Tonkens, 31 december 2008
Reageren? Vk.nl/opinie
 
Profielfoto Evelien  Tonkens

Evelien Tonkens

Woonplaats: ---
Evelien Tonkens is columnist voor de Volkskrant. Haar columns verschijnen wekelijks op woensdag op de Forumpagina en op vk.nl/opinie. Evelien Tonkens is bijzonder hoogleraar Actief Burgerschap aan de universiteit van Amsterdam (afdeling sociologie en antropologie) en redacteur van TSS, Tijdschrift voor sociale vraagstukken.
Beroep: columnist en hoogleraar actief burgerschap
  • Niet verplicht
  • Je boodschap moet minstens 5 en hoogstens 1500 tekens bevatten
  •  

Groepen

Favorieten van Evelien Tonkens

Mijn columns

Dit weblog bevat alle columns die ik tot en met april 2008 schreef voor de Volkskrant. Sinds april 2008 staan mijn columns op vk.nl/opinie. Mijn columns gaan over hedendaagse sociale kwesties op terreinen als zorg en hulpverlening, onderwijs, wonen en (on)betaald werk. Over problemen als bureaucratisering verzakelijking, En over de manier waarop hedendaagse idealen als gelijkheid, verantwoordelijkheid, keuzevrijheid, (mede)zeggenschap en rechtvaardigheid in de praktijk uitwerken.

Laatste reacties

persona

De Verlichting als lamp
Fleur: Evelien,de hyperlink naar jouw column online werkt niet.

persona

De mantra van transparantie
Fleur: Nu ik erover nadenk,schiet me te binnen,dat je je als …

persona

De mantra van transparantie
Fleur: Geweldige goede column over de beloning in het Hoger onderwijs …

persona

Slim en onuitstaanbaar (6 augustus 2008)
m: Geachte mevrouw Tonkens, Dit artikel is stemmingmaken, bijzonder on-netjes. Basisscholen geven (als …

persona

Slim en onuitstaanbaar (6 augustus 2008)
Student sociologie UVA: Allemaal frustraties van mensen met persoonlijke ervaringen. Kijk naar wat …

Archief / RSS

Bekijk het hele archief van Evelien Tonkens, of klik op een van de jaren hieronder om een deel van het archief te ontsluiten.

2009
2008
2007
2006

Zoek in het archief



Zoeken

Abonnementen

Alle blogs rss google netvibes
Deze gebruiker rss google netvibes

Statistieken

TelMiep
  •