
Terschelling Midsland;
30 cottages.
Week van 325 (laagseizoen) tot 895 euro (hoogseizoen), excl. schoonmaak. www.schuttersbos.nl
Nu het huren van een vakantiehuis op het mooiste eiland ter wereld vrijwel onbetaalbaar was geworden, moest het gezinshoofd een list verzinnen. Even dacht hij aan kamperen maar dat, dacht hij er meteen bij, zou zijn vrouw nooit goedkeuren en winterkamperen met drie kinderen leek hem zelf ook geen recept voor een ontspannen tussendoorvakantie.
Er waren geen andere opties dan thuisblijven of het huren van een
stacaravan, iets waaraan het gezinshoofd van jongs af al een
hekel had, omdat stacaravans zo bloedeloos wit in het landschap
staan, en vaak zo dicht bij elkaar dat het bijna zeecontainers
lijken. Bovendien zijn ze te klein voor drie kinderen die ondanks
hun goede opvoeding nogal wat ruimte claimen.
Bijna had het gezinshoofd de tussendoorvakantie verplaatst naar
een ander eiland, niet veel verder maar ook lang niet het mooiste
ter wereld, of hij stuitte op internet op een last minute
aanbieding: een cottage met drie slaapkamers, vaatwasser,
flatscreen. Met korting.
Een cottage, bedacht hij, kan twee dingen betekenen. Het kan een
oud boerderijtje zijn, al zullen ze dat niet snel een cottage
noemen. Het kan ook een nieuwbouwboerderijtje zijn. Op de foto's
had het huisje in elk geval een rieten dak, wat op het laatste
duidde.
Bij aankomst bleek het geen van beide. Het bleek een stacaravan.
Maar dit was een stacaravan waar het gezinshoofd heel wel mee kon
leven. Het witte ding stond samen met 29 andere witte dingen op
een stukje land. Dat ziet er raar uit, zo'n roedel van dertig
witte, rietgedekte, vinex-huisjes in het ongerepte landschap
tussen kwelder en duinen, maar in dit geval was het netjes
gedaan. Het woord cottage was in dit geval passend: het leken net
miniboerderijtjes, aan de voorzijde voorzien van ruime,
boogvormige ramen die uitzicht boden op een houten piratenschip
bedoeld voor de kinderen om op te spelen.
Pas op een halve meter afstand zag het gezinshoofd dat het rieten
dak van plastic riet was gemaakt. En pas toen hij ze aanraakte,
wist hij zeker dat de witte planken waaruit de cottage bestond,
ook van plastic waren. Binnen trof hij een wonderlijke indeling.
De 45 vierkante meter waren zo slim ingedeeld, dat de cottage
inderdaad drie kleine slaapkamers had, waarvan één met stapelbed
en een ander in de vorm van een bedstee. Doordat de keuken pal
naast de voordeur was geplaatst, in een gang waaraan ook de
badkamer grensde, bleef er machtig veel ruimte over voor een eet-
en knutseltafel, en een zithoek. De enige echte fout van de
ontwerper was de plaats van de geiser: pal naast het echtelijke
bed. Die geiser sloeg elke ochtend om half zeven aan, wat niet
handig was tijdens een tussendoorvakantie.
Het gezinshoofd ging op de bank zitten en werd overvallen door
een merkwaardige sensatie: hij had helemaal niet het gevoel in
een kunststof nepboerderij te verblijven. Hij voelde zich er
zelfs wel thuis - waarbij het uitzicht op de weilanden in de
sneeuw ontegenzeglijk meehielp.
Zijn kinderen lagen braaf te lezen en te kleuren, zijn vrouw
laadde braaf de boodschappen in de koelkast en het gezinshoofd
pakte een vel papier en begon aan een plan dat hem genoeg geld
moest opleveren om een oude boerderij te kunnen kopen op
Terschelling.
Een luchthaven is een vreemde tussenwereld. Filmmakers, schrijvers en filosofen zijn er dol op, constateert Toine Heijmans. Maar gezellig wordt het er nooit.
Zou je verliefd kunnen worden op het meisje achter de Starbucks-balie op Calgary International Airport?
Het is een mooi meisje en ze knipoogt. Maar als je goed kijkt,
over het scherm van je laptop heen, knipoogt ze ook naar anderen.
Niemand reageert; luchtreizigers blijven liever opgesloten in hun
computer. Ze weten dat het nauwelijks zin heeft contact te leggen
- zo dadelijk is iedereen alweer vertrokken.
En jij ook, en dan staat er een ander meisje achter de
Starbucks-balie, op Schiphol Amsterdam Airport.
Luchthavens zijn niet gemaakt om verliefd te worden. Daarin
verschillen ze van treinstations. Er is geen romantiek in die
oneindige terminals met hun efficiënte gang van zaken, hun droge
lucht en hun bakken vol wegwerpbestek. Ze lijken ook nog eens op
elkaar: ga geblinddoekt in een vertrekhal staan en je weet dat je
in een vertrekhal bent. Calgary of Amsterdam - het is allemaal
hetzelfde. Luchthavens willen graag op elkaar lijken, en daarom
heeft het vliegveld van Kigali belastingvrije winkels, heeft
Ouarzazate een businesslounge en heeft Lukla, dat over één
stoffige startbaan beschikt, een panoramarestaurant.
Ze doen hun best maar wat ze ook verzinnen aan koffietenten en
kunst aan de muur, een luchthaven blijft een tussenwereld. En de
beveiligers maken het er de laatste jaren ook al niet gezelliger
op.
Dus waar komt dan toch die liefde voor luchthavens vandaan, de
laatste tijd, van schrijvers, filmers, filosofen en andere
romantici? De Amerikaanse regisseur Jason Reitman verklapte zelfs
onlangs aan The New York Times dat hij luchthavenverslaafd is.
Zijn obsessie voert hem zo ver, dat hij een vlucht naar Chicago
nam enkel om zijn keizerlijke frequent flyer-status veilig te
stellen. Want alleen met een elitekaart is het luxeleven op een
luchthaven volmaakt.
Reitman maakte er een film over. Up in the Air draait om de
emotieloze consultant Ryan Bingham (George Clooney), die zijn
hele huishouden meesleept in een rolkoffer, en 300+ dagen per
jaar onderweg is in een onkreukbaar pak. Het is zijn taak overal
in Amerika mensen te ontslaan, tot hij zelf het veld moet ruimen.
Kennelijk zijn luchthavens een goede plek voor gevoelloze mensen.
Omdat niemand er vragen stelt, en alles goed geregeld is. Als de
echte wereld gemodelleerd zou worden naar een luchthaven, droeg
iedereen Hugo Boss en Chanel, dronk iedereen belastingvrije
whisky, had iedereen een creditcard en zag niemand een probleem
in het betalen van 5 euro voor een koffie bij Starbucks.
En toch. Als je op een luchthaven bent, zei Jason Reitman, is het
leven heerlijk. ‘Dan schakelt de rest van de wereld uit.
Niemand verwacht er iets van je.' Tegelijkertijd heerst er een
apart gevoel van gemeenschappelijkheid, zei hij, te vergelijken
met die van sociale netwerken als Facebook. ‘Je hebt er het
idee dat je verbonden bent met iedereen.'
De filosoof Alain de Botton heeft er een naam voor bedacht:
Luchthavenland. Tot zijn genoegen kreeg hij vorig jaar de kans
een week te wonen in Terminal 5 op London Heathrow Airport, een
van de meest hectische luchthavens ter wereld. Als writer in
residence zette hij zijn bureau pontificaal in de vertrekhal.
Sommige passagiers vroegen hem naar het toilet, en dat wees hij
ze dan vriendelijk.
Na een week had hij een boek bij elkaar, dat onlangs verscheen.
Een luchthaven, schrijft De Botton in A Week at the Airport, is
vooral een samenballing van mensen die spullen met zich
meedragen, liefdes, emoties en gedachten. De luchthaven zoals die
ook wel in het tv-programma Hello Goodbye is te zien. ‘Mijn
notitieboekjes', zei De Botton in een interview, ‘vulden
zich met anekdotes over verlies en verlangen, met snapshots van
de zielen van de reizigers op weg naar het luchtruim.'
Een prachtig jachtgebied dus voor filosofen zoals hijzelf. Maar
denk niet dat het een vrolijke boel is, alles bij elkaar.
Luchthavens, zei De Botton, staan buiten de werkelijkheid. Ze
passen in geen enkele sociale of geografische structuur. Geen
plek dus die beter de ‘functionele eenzaamheid en
vervreemding' van de mens weerspiegelt.
Laat het dus maar aan schrijver Arnon Grunberg over om zijn
antiheld Jörgen Hofmeester, uit Tirza, een geheim leven te geven
op Schiphol. Hofmeester wordt ontslagen en vindt op het vliegveld
een reden van bestaan, ook al heeft hij er niets te zoeken. Hij
loopt er rond en zit er wat, zwaait mensen uit. Niemand die het
wat schelen kan; hij blijft er anoniem.
Hoeveel Hofmeesters lopen er rond op Calgary International
Airport? Die man daar, half slapend weggedoken op een bank? Je
zou ze niet herkennen. Bijna iedereen die langer dan een paar uur
rondhangt op een luchthaven, ziet er rafelig uit.
Er zijn ook mensen die maandenlang op een vliegveld wonen, zoals
in The Terminal van Steven Spielberg. Die film is gebaseerd op
het waargebeurde verhaal van een Iraniër zonder paspoort,
vastgelopen op Paris Charles de Gaulle. Hij werd er uiteindelijk
gek. In Luchthavenland is er nu eenmaal weinig om je aan vast te
houden. De dingen lopen er permanent door elkaar heen. Passagiers
leven in verschillende tijdzones; sommigen dineren, anderen
ontbijten. Het is er ochtend en avond tegelijk en omdat alles in
een glimlach is verpakt, is het lastig een echte glimlach te
ontdekken.
De Poolse dichter Adam Zagajewski belandde op Schiphol voor een
tussenlanding, en maakte het gedicht Het vliegveld van Amsterdam.
Zijn moeder was overleden, wat de leegheid van de luchthaven nog
tastbaarder maakte. ‘Die gangen zonder woningen,/
wachtkamers vol dromen van vreemden,/ door ongeluk bevlekt (...)
Jouw begrafenis had hier kunnen plaatsvinden/ zoveel
onoplettendheid, de menigte die zich weghaast,/ een goede plek om
afwezig te zijn.'
Op Calgary International Airport bewegen de reizigers loom en met
rode ogen, of juist overdreven actief door de ruimte. De meesten
hangen in de banken. Oordoppen in, laptop aan, of zinloos zoekend
in de belastingvrije stapel truien van Hugo Boss.
Nog een koffie bij Starbucks, en ze zijn weg.
De grondlegger van de psychoanalyse woonde in Wenen
tot hij er werd verdreven. Sigmund Freud vluchtte naar Londen.
Zijn beide woonhuizen zijn nu musea. Toine Heijmans vindt
Freuds geest in het ene huis en zijn spullen in het
andere.
Er moet iets te halen zijn in de huizen van beroemde mensen,
anders zouden ze er geen musea van maken. Een gevoel van
grootsheid misschien, of de geest van het genie dat er ooit
woonde. En die zich nu stiekem verborgen houdt onder het
visgraatparket, in het ivoren handvat van een wandelstok, in de
leren reistas met initialen: S. F.
De geest in dit Weense appartement is die van Sigmund Freud. Het
weinige dat er aan hem herinnert, is genoeg om in elk geval te
voelen dat hij, de aartsvader van alle psychiaters, onzichtbaar
door de wachtkamer schuifelt. Een sigaar opsteekt, fluimt in de
kwispedoor en gaat zitten in de leren bureaustoel die hij voor
zichzelf liet maken: een stoel met Henry Moore-achtige lijnen en
twee dikke armleuningen zodat hij bij het lezen zijn benen over
een leuning kon laten bungelen.
Berggasse 19, éénhoog: destijds, in 1891, een nieuwbouwpand met
elf kamers waar zijn patiënten, zijn gezin (zes kinderen), zijn
huishoudster en zijn tante net in pasten. De plek waar hij 47
jaar woonde en nadacht en schreef en naar patiënten luisterde, de
plek waar de psychoanalyse werd geboren, nu een museum.
Het is een raar museum, omdat het leeg is. Met alle macht, en
niet onverdienstelijk, is geprobeerd de sfeer terug te halen,
maar het bureau, de stoel en, vooral, de sofa ontbreken. Sigmunds
sofa, waarop zijn patiënten soms wel tien uur achtereen lagen te
praten over zichzelf, terwijl de dokter zweeg en de andere kant
op staarde, is de beroemdste sofa ter wereld.
De spullen staan elders. In Londen, 20 Maresfield Gardens. Het
huis waar hij alleen het laatste jaar van zijn leven leefde, en
dat ook tot museum is gemaakt.
Twee maal Sigmund Freud: het ene museum heeft zijn geest, het
andere zijn spullen. Een absurde situatie inderdaad, zegt Peter
Nömaier van het museum in Wenen: 'De droom zou zijn één plek te
maken met alles, halverwege, in België of zo. Maar tegelijk
symboliseert deze situatie zķ de breuk in zijn leven, dat het wat
mij betreft goed is nu.'
Natuurlijk hebben ze in Wenen geregeld het plan gehad om Sigmunds
sofa na te maken en in het museum te zetten. Net zoals er een
replica van zijn bureaustoel staat - een cadeau van de BBC. Maar
Peter Nömaier verzet zich er met klem tegen, elke keer dat het
wordt voorgesteld in een vergadering. 'Het liefst zou ik de plek
waar de sofa stond wit schilderen. Zodat iedereen kan zien wat
wij, de Oostenrijkers, met onze grote geesten hebben gedaan. Een
symbool voor het vertriebene Wissen, de verdreven kennis, de
uitroeiing van de intellectuele scene die zo bepalend was voor
Wenen.'
De Oostenrijkers zijn laat met het verwerken van de Tweede
Wereldoorlog, zegt hij erbij. 'Dat dit museum pas in 1971 open
ging, en dat de Amerikanen ons moesten wijzen op het belang van
dit gebouw, zegt genoeg.'
Sigmund Freud was van Wenen zoals Wenen was van al die anderen:
Klimt, Schiele, Kokoschka, Wittgenstein. Je ziet ze er nog lopen,
in de stad die leeft van de koffiehuizen, tussen de mensen die,
mooi aangekleed, op zondagmiddag een kleiner Schwarzer drinken of
een grosser Brauner en hun kranten lezen die, keurig aan houten
stokken, in opmerkelijke hoeveelheden voorhanden zijn in de
cafés.
Op het nippertje, en echt op het nippertje, kon Freud zijn stad
verlaten, in juni 1938. De nazi's veegden Wenen schoon van Joodse
intellectuelen. Freud ging naar Londen. Bij vertrek moest hij in
een document verklaren dat hij goed was behandeld. 'Ik kan de
Gestapo iedereen aanbevelen', schreef hij. Bij aankomst vertelde
Freud de BBC dat hij in Londen 'mein Leben in Freiheit zu enden
hoffe'.
De vlucht was volledig. Hij nam alles mee.
Een jaar later ging Freud dood. Hij was 83. In Londen heeft Anna
Freud, zijn dochter en enige kind dat bij hem was blijven wonen,
de dag nadat hij was overleden de werkkamer op slot gedaan. Alles
moest er blijven zoals het was. 'En het is nog steeds zoals Anna
het heeft achtergelaten', zegt museumdirecteur Carol Seigel. 'Dat
heeft ze voor haar dood zo bepaald. Ze zag de kamer als een
monument voor haar vader.'
Daar zou Freud zelf een hele analyse op los hebben kunnen laten.
En voor wie zo denkt, heeft alles in de vertrekken van 20
Maresfield Gardens nog steeds een bedoeling of, zo u wilt, een
geest.
Het huis, vrijstaand, aan een gewone chique Londense straat,
heeft meer vertrekken maar de werk- en zitkamer, die een geheel
vormen, herbergen de meeste magie. De parketvloer dik in de
vernis, op het bureau een boek en daarop zijn bril, zijn
handelsmerk, met de brillenkoker opengeklapt ernaast.
Dat bureau werd net als in Wenen door Freud volgeladen met
beelden uit de oudheid, die hem hebben aangestaard tijdens elke
zin die hij schreef - als toeschouwers bij een schaakwedstrijd.
Overal in de kamer staan archeologica: vitrines vol Egyptische,
Romeinse, Griekse beelden, soms door hemzelf slordig met rode
inkt beklad. Wie niet wist dat Freud hier woonde, had er een
archeoloog vermoed; zelf heeft hij daarover gezegd dat het werk
van een psychiater en dat van een archeoloog hetzelfde is: graven
tot je bij de kern komt.
De kamer is omsingeld door boekenkasten: Das Ritual, Der Kampf um
den Lebenssinn, Love in Children. En daar tussenin, argeloos, in
die berg geschiedenis en kennis staat bijna onopvallend de sofa.
Het monument van de psychiatrie. Ernaast de donkergroene
fauteuil waar hij, de zieledokter, toehoorde over dromen en
angsten.
Een opmerkelijk kort ligbed is het, bedolven onder een Perzisch
tapijt met slijtageplekken, en fluwelen kussens met
art-decomotief - alsof de slechte staat van de bank verborgen
moest worden. Daar lagen ze te vertellen, de vijfhonderd
patiënten die hij er sinds 1891 op had neergelegd, en Sigmund
Freud zat ernaast, zwijgend, zijn gezicht van de patiënt gekeerd,
in zijn donkergroene stoel. Soms tien uur lang. Jaren achter
elkaar. Hij schreef niks op.
De psychoanalyse is nu uit de mode en daarmee is ook de romantiek
van het vak vervaagd, die Freud zo met zich meedroeg. De patiënt
aan het woord, vrijuit associërend - dat was de methode.
Het is moeilijk te geloven dat Freud er nooit bij in slaap is
gevallen. Het is niet moeilijk te geloven dat hij nog steeds in
die stoel zit.
Er moet iets zijn achtergebleven van Sigmund Freud, in Wenen en
in Londen. Zeer waarschijnlijk waren het zijn dromen.
Doen & Laten
Freuds Wenen
Het Sigmund Freud Museum aan Berggasse 19 is dagelijks open van 9
uur tot 17 uur. Toegang 7 euro (korting met de Wien Karte),
rondleidingen van tevoren aanvragen per e-mail.
Er zijn veel koffiehuizen die pretenderen dat Freud er stamgast
was, maar slechts twee hebben recht op die titel: Café Landtmann
en Café Korb. En, vooruit dan maar, ook wel Café Imperial,
onderin het uitstekende hotel met dezelfde naam. Landtmann is
chique en dramatisch modern uitgebouwd (Dr. Karl Lueger-Ring 4);
Korb is formica tafels en rokende studenten en kunstenaars
(Brandstätte 9).
Er is ook een boek dat werkelijk alle Freudplekken in de stad
beschrijft: Freuds Wien, eine Spurensuche van Eva Gesine Baur
(uitgeverij C.H. Beck).
Freuds Londen
Het Sigmund Freud Museum ligt uit het echte centrum, adres: 20
Maresfield Gardens. www.freud.org.uk. Open woensdag tot zondag,
12 uur tot 17 uur, entree 6 pond.
Trek tijd uit voor de gezinsfilms die ze er laten zien, die van
commentaar zijn voorzien door Anna Freud, en waaruit een jolige
opa Sigmund Freud naar voren komt. De museumwinkel staat vol met
heerlijke Freudspullen zoals pennen met heen en weer bewegende
sofa. Verkooptopper zijn de Freudsloffen - de man had humor
genoeg om ze zelf aan te schaffen, waren ze in zijn tijd
beschikbaar geweest.
Freuds Tsjechië
Er is nog een derde Freudmuseum, in zijn geboortehuis in de
Tsjechische stad Príbor (destijds Freiberg). Adres: Lidická 50,
742 58 Príbor. E-mail: ovmnj@atlas.cz, telefoon 00.42.0556
725191
Foto's: Sigmund Freud Museum London en Sigmund Freud Museum Wien
1 De Wieden
Een van de mooiste en stilste Nederlandse natuurparken:
ondiepe veenmeren waar het riet nog wordt geoogst voor
rietdekkers. Vaar er doorheen met een kano, of met een boot en
een boswachter. Fijn bezoekerscentrum van Natuurmonumenten in St.
Jansklooster.
www.dewieden.nl
2 De Weerribben
Onderdeel van hetzelfde park, maar met een ander karakter,
www.np-weerribbenwieden.nl
3 Dwarsgracht
Midden in de Wieden ligt het dorp Dwarsgracht: paar huizen aan
een vaart, ver van alles en iedereen. Klein Giethoorn zonder
toeristen. Huur er een eens een vakantiehuis, of een kamer bij
Boer Klaas.
www.dwarsgracht.nl
4 Haring
Ga eens ergens anders eten dan in de toeristententen, en probeer
de haring van viswinkel De Bleistarte in Zwartsluis. Klein zaakje
zonder onnodige allure, de vis doet het werk. Kreeg een 9,5 in de
haringtest van het AD. Schoolstraat 4.
Kaatjes Résidence, Zuiderstraat 1 Blokzijl, 0527-208580.
6 kamers (185 euro), 1 suite (230 euro). Luxe ontbijt 21,50
euro.
www.kaatjesresidence.nl.
Zonder Kaatje was Blokzijl gewoon een stadje geweest dat zich,
zoals meer Nederlandse stadjes, dromerig tooit met een oude
geschiedenis maar verder nauwelijks beweegt. Ooit, in de
spannende 17de eeuw, had Blokzijl alles in zich een nieuw
Amsterdam te worden, een nieuw Enkhuizen of een nieuw Hoorn, en
trokken pioniers naar de wereldhaven-in-wording, maar de haven
verzandde en later werd ook nog eens de zee aan Blokzijl
ontnomen. Nu ligt het mooi te zijn aan een vaart, naast de
Noordoostpolder, niet ver van Luttelgeest.
Goddank was er Kaatje, die Blokzijl in de meer recente
geschiedenis verhief boven die andere mooie historische stadjes.
Met de opening van restaurant Kaatje bij de Sluis, 35 jaar
geleden, kreeg het een gastronomisch aura dat nog steeds
aantrekkingskracht heeft - door de Michelinster, en omdat Kaatje
een merknaam is geworden.
Volgens de legende die ze in Blokzijl graag vertellen, dreef de
echte Kaatje eind 17de en begin 18de eeuw in Blokzijl een herberg
en zou ze een verbluffende gastvrouw zijn geweest, wat
waarschijnlijk ook met haar verschijning te maken had. De herberg
van Kaatje heette 'In den gouden walvisch'. De huidige herberg in
het stadje (1.300 inwoners) heet Kaatjes Résidence - wat alleen
al aangeeft hoe de wereld is veranderd.
Trots en vierkant staat het hotel naast een ophaalbrug. Een wit
bolwerk is het dat ondanks de afmetingen slechts zeven kamers
heeft, allemaal met uitzicht over het historische centrum.
Merkwaardig genoeg waren hotel en restaurant wat uit elkaar
gegroeid, terwijl ze twintig passen van elkaar verwijderd liggen.
De hoteliers die Kaatjes Résidence een jaar geleden overnamen,
stelden zich ten doel de band te herstellen en dat werkt: het
hotel is op donderdag gevuld met gasten die eten bij Kaatje en
slapen bij Kaatje. Dat arrangement kost 150 euro per persoon
(exclusief drank, een glas wijn kost een tientje) en gezien de
forse prijzen die de Kaatjes los van elkaar rekenen, is dat
relatief goedkoop maar nog steeds geen koopje in een tijd dat
luxehotels hun tarieven fors naar beneden bijstellen.
De nieuwe hoteliers hebben nog iets gedaan: de ontbijtzaal is
vervangen door een lounge naast de open keuken, waar een pot met
drop staat en waar de gasten de koelkast mogen opendoen en
zichzelf iets mogen inschenken.
Dat is bijzonder, voor een luxehotel. 'We willen een
huiskamergevoel', zegt hotelmanager Evan Horsman bij aankomst.
'We willen de sfeer van een Bed & Breakfast', zegt zijn
partner Carole Hulsebos bij vertrek. Volgens dezelfde filosofie
ontbijten de gasten gezamenlijk aan een grote ovalen
ontbijttafel. Het is een werkelijk chic ontbijt, en zo zit je aan
tafel met de mensen die je de avond ervoor ook zag in het
restaurant. Opmerkelijk, hoe de komeetachtig gegroeide
B&B-sector nu doordringt tot een luxehotel, maar het werkt
wel en na het eten is het lekker loungen in de lounge (waar een
glas whisky 9 euro kost; de hoteliers vertrouwen erop dat de gast
met een potlood opschrijft wat 'ie heeft gedronken).
De kamer is groot, heeft een hoog plafond en statig golvende
gordijnen. Achter het bed hangt echte kunst (iets wat uit steeds
meer Nederlandse hotels verdwijnt): het is een vlammend doek van
Peter Keizer, wiens werk door het hele hotel te zien is - de
deuren van niet bezette kamers staan open, zodat de hele
expositie te bezichtigen is.
Een luxehotel met Bed & Breakfast-sfeer - Kaatje zou er best
tevreden mee zijn geweest.
Scandinaviërs zien zichzelf graag als natuurmensen. In
hun wintersportgebieden betekent dit minder bars en bier, meer
buitenlust. Toine Heijmans merkt dat het er zelfs anders
ruikt dan in de Alpen.
Langs de piste zitten twee mannen. Ze hebben een gat gegraven in
de sneeuw waarin hun benen kunnen bungelen, en halen opvouwbare
matten uit hun rugzak tegen de kou. Uit hun rugzak halen ze ook
een spiritusbrander en een pan en een fles met water. Zo maken ze
de soep warm die ze hebben meegenomen: blåbärssoppa.
Bosbessensoep.
Scandinaviërs hebben een ander gevoel voor sneeuw. Die malen
minder om bars, restaurants en bier als ze gaan skiën - die komen
hier uit buitenlust. De mannen langs de piste dragen hippe nieuwe
zilveren koptelefoons voor hun iPods, die ze verstopt hebben in
hun hippe nieuwe ski-jacks, maar als ze lunchen, zeggen ze,
willen ze de winterlucht inademen. Ook nu, als het 8 graden
vriest.
Ja, er is een eetgelegenheid langs de pistes, niet ver van hun
middagbivak. Dat is een varmahus, een warmtehuis waar de Zweedse
wintersporters beschutting vinden aan lichthouten tafels, hun
eten opwarmen en thee maken uit roestvrijstalen thermosflessen.
Je kunt er, eventueel, nog iets kopen. Fruit, of een broodje
gezond.
Het Scandinavische sneeuwgevoel hangt samen met een manier van
leven. Scandinaviërs zien zichzelf graag als natuurmensen; ook
verstokte stadsbewoners onderhouden er een grote liefde voor de
wildernis.
Alleen buiten kunnen ze ademhalen, dus crossen de Zweden 's
winters in hun Volvo's en Saabs de 600 kilometer van Stockholm
naar Åre, waar ze de pistes af raggen maar liever nog op
langlaufski's het bos in trekken - de kinderen mee in een moderne
fjellpulka die ze achter zich aanslepen: een afsluitbare,
kunststof slee die poolreizigers ook wel gebruiken voor lange
oversteken.
Åre (zeg: oore) ligt halverwege Zweden, aan de boorden van een
langgerekt bevroren meer waarachter de Åreskutan rijst, een berg
die hoger lijkt dan hij is (1.400 meter), omdat hij zo steil
vanuit het meer vertrekt.
Het dorp dient exact honderd jaar als wintersportplek - de oude
skilift uit die tijd, de Åre Bergbana, midden op het dorpsplein,
is een nationaal monument en functioneert nog steeds. Maar pas de
laatste jaren is het gebied onstuimig groter geworden: de
honderd alpiene afdalingen vormen nu het grootste
wintersportgebied van Scandinavië. Met wat buurtschappen is Åre
zo vergroeid tot een lintdorp in een verder leeg landschap. Links
het meer, rechts de berg, omringd door vergezichten.
Vanaf de top van de Åreskutan kijken de skiërs kilometers ver.
Als de zon onder de bewolking vandaan kruipt, zien ze Noorwegen
liggen achter een mozaīek van heuvels en meren. Alles voelt
anders dan in de Alpen. Het klimaat is er ruig - hoog op de berg
plakken meters vastgevroren stuifsneeuw aan de liftpylonen, zodat
het eigenaardige ijskunstwerken worden in het landschap. De
gondelbanen moeten halt houden omdat de cabines te veel zwaaien
in de wind. Hier is een skibril geen modeartikel, maar
noodzaak.
Het licht is er anders. Noordelijk blauw in het hart van de
winter, roodachtig later in het seizoen als het voorjaar komt
aansnellen. Het ruikt er anders - naar dennen, naar sledehonden,
naar vers vuur waarboven gezinnen 's middags worst
roosteren.
Tot voor kort was Åre voorbehouden aan de Zweden zelf. Maar omdat
de Zweedse kroon goedkoper is geworden, stromen steeds meer
Duitsers, Britten en Nederlanders toe. Vanaf deze winter vliegt
een charter rechtstreeks van het nabijgelegen Östersund naar
Amsterdam, waardoor de lange omweg via Trondheim niet meer nodig
is.
Dat heeft gevolgen. Het dorpje Björnen, aan de oostkant van het
gebied, is in vijf jaar uit zijn voegen gegroeid. De huizen zijn
er 'absurd duur geworden', zegt Anders Gunnarson, die
achttien jaar geleden als skileraar in Åre terechtkwam en er
nooit meer weg wil. Hij wijst de nieuwe wijken met vakantiehuizen
aan. En achter Björnen steekt stijlvol een vijfsterrenhotel uit
de berg, gebouwd door Nederlandse investeerders en inmiddels
overgenomen door een Noorse hoteltycoon: Copperhill Mountain
Lodge.
Soms, zegt Anders, staan er rijen voor de skiliften, 'maar dat
lossen we op, dat is niet erg'.
Wat hem wel steekt, is de andere sneeuwcultuur die de
toeristen meenemen. Het is de manier waarop ze de piste
afknallen, zegt hij. Als projectielen. 'Meer dan ooit is
het zien en gezien worden; kijk maar naar de kleren die ze
tegenwoordig dragen. Het hoort hier niet te gaan om het skiën
alleen; het gaat om de buitenlucht. Al geloof ik niet dat het
buitengevoel ooit uit de genen van dit gebied verdwijnt.'
In elk geval: honderd meter van de piste vandaan verandert het
skiresort in een Disneylandschap van zingende dennen. De sneeuw
die de takken dragen, dempt elk geluid. Marcus Sundström schuift
erdoorheen op zijn langlaufskies. Hij werkt in de skiwinkel van
Åre Björnen en leent zich vandaag als cross country-gids (zo
noemen de Scandinaviërs langlaufen).
Op zijn pols heeft Marcus een sneeuwvlok laten tatoeëren.
Hij heeft het geprobeerd in de stad, zegt hij, als bankmedewerker
in Stockholm, maar hield het er niet uit. 'Ik kwam hier als kind
in de vakanties. Ik ben er gaan wonen en wil niet meer weg. Als
ik in de stad ben, kan ik het gevoel van sneeuw niet uit mijn
hoofd zetten.'
Zo gaat het de bossen in, met de kinderen veilig opgeborgen in de
fjellpulka's, die met stangen aan de skiërs hangen. De kinderen
trekken hun pulka's dicht en vallen in slaap. Een ijsvisser laat
kalm zijn lijn zakken in een bevroren meer. Langs de route staat
een vervallen kopermijn - de reden van bestaan van Åre voordat de
skiërs kwamen.
En dan staat boven op een heuvel een rood geschilderd, eenzaam
houten huis met fier de Zweedse vlag erop. Voor het huis zijn
keurig de pulka's geparkeerd; de kinderen die erin horen, zitten
al binnen bij de houtkachel en spelen met Lego.
Het houten huis is een bergstugan, een aanlegplaats voor de
lunch. De berghut wordt bestierd door drie vrouwen die geen
andere taal dan Zweeds spreken, en op een houten tafel in het
midden van hun restaurant staat de lunch die ze vandaag kookten:
hun fika (koffietafel) met dampende soep, aardappels,
pannekoeken, yoghurt en muesli.
'Eet zoveel je kunt', zegt Marcus. 'Eten en buiten zijn horen bij
elkaar. Vinden wij, in Zweden.'
En zo is er nog een buitenmens in Åre, die er ooit terechtkwam en
nooit meer weg wil. Hij woont buiten Björnen en heet Kaj
Westerlund. Zijn honden laten zich horen over de pistes, als hij
ze klaarmaakt voor een sledetocht. Acht honden voor een
traditionele slee van hout en ijzer. 'Ga achterop staan', zegt
hij, en hou de ploegrem ingetrapt totdat ik zeg dat je 'm los
kunt laten'.
Als Kaj zegt dat de rem los kan, schiet een karavaan van
vijf sleeën en veertig honden het sprookjesland in - de lage
bomen schudden hun sneeuwvracht af als de sleeën de stammen
raken, de honden trekken met de tong uit hun bek omdat ze niets
liever doen dan rennen door dit landschap.
Over de sleeën heeft Kaj rendiervellen gelegd. 'Dat is
genoeg', zegt hij. 'In de natuur heb je meestal minder nodig dan
je denkt.'
Hij laat de karavaan stoppen bij een jachthut, die daar al sinds
mensenheugenis staat. Hij veegt de sneeuw van de balustrade,
opent de deur, schuift naar binnen en draait een gasfles open.
'Neem de rendierhuiden maar mee', zegt hij. 'Het is koud
binnen.'
Het vriest binnen. Buiten liggen de honden uitgevloerd in de
sneeuw.
Kaj rommelt wat, giet water in een pan en maakt limonade, die hij
op tafel zet. Warme, rode bessenlimonade.
En dan weer terug, met de hondentrein.
Doen &
Laten
Reizen
Åre ligt 650 kilometer van
Oslo - dat is met de auto en de veerboot een lange reis
voor een week wintersport. Vanaf 14 februari 2010 is er een
wekelijkse directe vlucht van Amsterdam naar het nabijgelegen
Östersund met ScandJet, circa 375 euro, www.scandjet.com.
Vliegen naar Trondheim kan ook, met KLM, SAS of Norwegian.com, en
daar een auto huren..
Slapen
Åre is deels in handen van het bedrijf Skistar, dat meer
wintersportplaatsen en een deel van de accommodaties exploiteert.
Een verblijf boeken kan op www.skistar.com, maar ook bij
gespecialiseerde bedrijven zoals Buro Scandinavia,
www.buroscanbrit.nl. Het aanbod is gevarieerd: van vrijstaande
huisjes in Björnen (beste kindergebied) tot all inclusive in het
moderne Holiday Club (www.holidayclub.se) tot superluxe in de
nieuwe Copperhill Mountain Lodge (www.copperhill.se).
Tijd
Skiseizoen van december tot mei;
maart is de beste maand. Dan is het lang licht en is het klimaat
zacht.
Activiteiten Langlauftochten en -spullen zijn te
boeken en te huren bij Skidcenter in Åre Björnen, www.skidcenter.se. De berghut Fröå Gruva is
alleen open in het winterseizoen, www.bergstuganfroa.se. Hondensleetochten (70 euro
voor een halve dag per gezin): www.hundspann.z.se/denturadogs.
Meer informatie op de site van het Zweeds verkeerbureau: www.visitsweden.com/fitforthewintergames
, en op www.visitare.se.
Een expeditiecruise naar Spitsbergen voert toeristen
langs magische natuur, blije wetenschappers,
grondstoffendelvers en resten van de vroegere walvisjacht.
Als het meezit, zie je ijsberen. Daarom moet het geweer
mee.
Verder gaat niet. IJs breekt in schotsen tegen de romp. De
schotsen komen omhoog, kantelen, spoelen weg in de vrieszee. Geen
kapitein die het zal wagen onder deze omstandigheden naar het
oosten te draaien, naar de Liefdefjord, naar Amsterdam Eiland,
naar Smeerenburg of Hinlopen Straat. Het pakijs is dik en drijft
van hot naar her. Binnen een paar uur kan het schip omsingeld en
dagenlang gegijzeld zijn.
'Het leven is hard', zegt de kapitein, die graag noordelijker had
willen varen, naar de ijsberen. En hij keert de boeg.
80 graden noorderbreedte - 10 graden verder ligt de Noordpool, en
aan bakboord steken de kliffen van Spitsbergen magisch uit het
water. De bergen dragen bruidsjurken van verse sneeuw, en
daartussen kronkelen gletsjers, die brokken blauw ijs de zee in
duwen.
Het is een stoer schip dat de schotsen breekt. Een oude, smalle,
roodgeschilderde marineboot die lichtgebogen door het water gaat.
Trotse boeg. Hoog achterschip. Binnen ruikt het naar olie.
De kapitein is een Chileen die zich met decorum onder zijn gasten
begeeft en trots is op zijn strepen - ook hier, in de van vrijwel
alles verlaten arctische wildernis.
Zijn gasten zitten in het restaurant op het achterdek. Het zijn
toeristen. Door de hoge ramen zien ze tijdens de driegangenlunch
de poolzee voorbijtrekken, zonder dat ze de kou in hoeven. Ze
drinken er Pinot Grigio bij.
Als de zon door de wolken breekt, explodeert het landschap.
Tachtig toeristen vervoert de Antarctic Dream - dat is te weinig
voor een cruiseschip en te veel voor een expeditieboot, dus noemt
de reder zijn reizen expeditiecruises. Het schip steekt ondiep
genoeg om de fjorden te kunnen bevaren die in de eilanden van
Spitsbergen snijden, en het heeft een ijsversterkte boeg die
schotsen wegduwt of doormidden kraakt. In de benauwde hutten
binnen maakt dat een krassend lawaai van metaal op metaal.
De boot verkent de westkust. Omdat daar verder niet veel is,
isvoor acht dagen water en proviand meegenomen. Waar mogelijk
brengt de bemanning de gasten aan land, met acht zwarte
rubberboten.
Steenbreek
Aan land ontluikt de zomer: uit de gletsjers gorgelt water,
ivoormeeuwen schieten over de schotsen. De zomer in Spitsbergen
duurt nooit lang. Drie maanden per jaar dringt er iets van warmte
door in het anders diepgevroren eilandenrijk. Velden paarse
steenbreek klimmen uit de sneeuw, en duwen de kou weg. Soms
bloeien de bloemen op de toendra al onder de sneeuw. Het is alsof
de natuur zoveel mogelijk plezier wil hebben van de arctische
zomer. De lente slaat ze over.
De toeristen komen voor de wildernis in het algemeen en de
pooldieren in het bijzonder, en de ijsbeer in het meest
bijzonder. 'The fluffy white one' noemt expeditieleider Troels
Andersen ijsberen graag - eerder had hij uitgelegd dat het
moorddadige wezens zijn die hun vrouw en kinderen eten als het
moet. En mensen. Aan land draagt Troels daarom een geweer. Alle
gidsen die meevaren, dragen een geweer - een ijsbeer schieten is
verboden, behalve in geval van zelfverdediging, en dat gebeurt op
Spitsbergen drie keer per jaar.
Op de brug staan Troels en zijn collega-gidsen soms urenlang door
verrekijkers het pakijs te bespieden, op zoek naar beweging. Een
walrus, een walvis, een zeehond - altijd mooi tegen deze
dramatische achtergrond. Maar zonder ijsbeer is de reis niet
geslaagd.
'Daar!', zegt Troels tegen de kapitein. Maar het is geen beer,
het is een geel brok ijs in het landschap.
'Jammer', zegt de kapitein.
Het aantal kleine expeditieboten dat 's zomers rond Spitsbergen
vaart groeit; dit jaar zijn het er 21. Als het pakijs halsstarrig
blijft liggen en de boten de archipel niet kunnen ronden, zitten
ze elkaar nogal eens in de weg, want de toeristen mogen alleen
landen op plekken die daarvoor zijn aangewezen. Sinds de jaren
negentig groeit het toerisme sowieso hard: voor die tijd was
Spitsbergen voorbehouden aan een handvol avonturiers en biologen,
nu komen er 27duizend mensen per jaar.
Spitsbergen is interessant geworden, en niet voor toeristen
alleen. De kolonie wetenschappers die er van oudsher huist -
biologen, meteorologen, ingenieurs - dijt uit. De harde kern
woont in de voormalige mijnkolonie Ny Alesund, waar het schip
voor anker gaat. Meer dan een collectie houten huizen aan het
Kongsfjord is het niet - maar de nederzetting leeft en groeit als
nooit tevoren, en dat onder deze barse omstandigheden.
De Chinezen hebben er een huis gebouwd op de toendra, met voor de
deur twee leeuwenbeelden. Ze onderzoeken het noorderlicht. De
Koreanen zijn gearriveerd; ze delen een huis met de Fransen. Aan
het onderkomen van de Indiërs hangt een beeld van Ganesh. Het
zijn wetenschappelijke uitvalsbases, maar tegelijk politieke
voetafdrukken: met het wijkende ijs wordt het Noordpoolgebied
interessant vanwege de grondstoffen die er verborgen
liggen.
Bovendien is Spitsbergen van iedereen. Het eilandenrijk is in
beheer bij de Noren, die het Svalbard noemen, maar ieder land dat
het Verdrag van Spitsbergen heeft ondertekend, mag er aan de slag
- zolang het maar geen militaire onderneming is.
'Het is allemaal wereldpolitiek', zegt bioloog Maarten Loonen,
bezig aan zijn twintigste zomer in Ny Alesund, waar hij de
brandgans onderzoekt. 'Elk land wil nu in het poolgebied zijn.
Dat helpt bij de financiering van mijn onderzoek. Ik denk
weleens: de enige reden dat ik hier dit onderzoek kan doen, is
dat ik klompen draag.'
Verslaafd
Maarten Loonen is verslaafd aan Spitsbergen, zoals er meer zijn
die nooit los zullen komen van het ijle leven daar. Gids Yvonne
Rinne woonde twee poolwinters lang in Ny Alesund, waar ze het
noorderlicht onderzocht, en kon thuis in Oslo nooit meer
wennen.
Het Noordpoolgebied, zegt de Antwerpse hoogleraar biologie Louis
Beyens, die ook als gids aan boord is, sluipt je hart in en dan
wil je het nooit meer kwijt.
Toch is leven op Spitsbergen altijd meer verbonden geweest met
wereldpolitiek en economie, dan met emotie en natuur. De resten
die dat bewijzen liggen verspreid langs de kust. Merkwaardige
ondernemingen zijn hier neergestreken, in dit barse koninkrijk
van permafrost en gletsjertongen, waar 's winters de poolnacht
heerst en 's zomers de pooldag en de mens zich altijd vervreemd
voelt van zichzelf.
Toen Jacob van Heemskerk en Willem Barentsz de archipel
ontdekten, tijdens hun epische reis naar het noorden in 1596,
vonden ze volle walvisgronden, die in de jaren erna zijn
leeggeroofd door Hollanders, Britten en Russen. Wat ze
achterlieten, is deels blijven liggen.
Expeditieleider Troels zet de rubberboten uit in de Hornsund en
leidt zijn gasten langs de resten: vetovens en geraamten van
geslachte walvissen liggen verspreid over de toendra. Het moet er
een horror zijn geweest van vuur en bloed en walvisolie, en van
gebroken mannenlevens. Net zoals het een horror is geweest in de
mijnen, waarvan her en der de resten tevoorschijn komen uit de
tanende sneeuwvelden: gietijzeren machines, schuilhutten,
treinrails. Een dappere industriële geschiedenis, al werden de
mijnwerkers er vooral naartoe gedreven omdat de omstandigheden
thuis nog erger waren. Zoals dat nog steeds zo is in het
Russische, in rotzooi gewentelde mijndorp Barentsburg, dat vooral
bewoond wordt door Roemenen, die een hard leven leiden om het
leven thuis minder hard te krijgen.
Naar Barentsburg, zegt Troels, vaart het schip liever niet. Het
is er te lelijk, en zijn gasten komen voor de dieren.
Langzaam schuift het schip door de schotsen, door een
kapotgeslagen spiegel van ijs.
Dan is het zover.
Louis Beyens ziet hem het eerst. 'Everybody', zegt Troels door de
het intercomsysteem, 'Polar bear, at the bow. Polar bear number
one, everybody.'
Een gele stip in de overbelichte poolvlakte, een beer, een
ursus maritimus, alleen en onderweg. Hij loopt snel, alsof het
decor achter hem wordt weggetrokken. Hij duikt een schots af en
zwemt; zijn trechtervormige snuit boven water, zijn bonkige
berenlichaam eronder. Hij klimt op een schots, schudt het water
uit zijn vacht, kijkt naar de tachtig toeristen die over de
reling hangen en duizenden foto's van hem maken, het beest waarop
ze hadden gewacht.
De beer kijk nog een keer en loopt dan verder de leegte in, alsof
hij weet waar hij moet zijn.
Toeristen zijn de beste reclame voor
natuurbescherming
Toenemend toerisme en maagdelijke natuur gaan niet altijd samen,
maar op Spitsbergen is de gouverneur, de Sysselman, ervan
overtuigd dat het kan. Natuurbehoud staat in alles voorop, zegt
adviseur toerisme Oddmund Rønning in het Sysselman-kantoor in de
grootste nederzetting van Spitsbergen, Longyearbyen.
Toeristen mogen alleen op aangewezen plekken aan land gaan - er
is een wet in voorbereiding om het oostelijke gedeelte van de
archipel helemaal voor hen af te sluiten. Ze mogen niks, nog geen
schelp, mee naar huis nemen. Alles wat van voor 1956 stamt, is op
Spitsbergen tot onaantastbaar erfgoed verklaard. Zolang het
aantal toeristen beheersbaar is, heeft het ook mooie kanten.
Toeristen, zegt Rønning, raken doordrongen van de kwetsbaarheid
van het gebied en vertellen dat thuis verder. Ze zijn de beste
reclame voor natuurbescherming tegen de grote bedreigingen
van het moment: klimaatverandering en de chemische
vervuiling.
Daarbij betaalt elke toerist natuurbelasting, die in een pot gaat
waaruit projecten worden bekostigd. Dat leverde tot nu toe 6
miljoen kronen op, ruim zes ton.
En dan hebben de toeristen Spitsbergen, en Longyearbyen in het
bijzonder, leefbaar gemaakt, zegt Trygve Steen, directeur van
Spitsbergen Travel. Het industrieterrein dat Longyearbyen was, is
eindelijk een dorp geworden. Nooit eerder liepen er zoveel jonge
ouders rond met kroost dat een crčche kreeg, een school en een
hangplek met een skateboardbaan. 'Voor een gemeenschap van 1.400
mensen hebben we geweldige voorzieningen: een zwembad, een
bioscoop, vers fruit in de supermarkt, een jonge, betrokken
bevolking. Dat heb je allemaal niet in Noorse dorpen van deze
omvang.'
Dat is vooral te danken aan de enorme cruiseschepen die het
IJsfjord in varen en voor een paar uur afmeren aan de kade van
het dorp. In de Svalbard Posten is een lijst afgedrukt met de
namen en aantallen passagiers - soms ruim drieduizend, die het
dorp in lopen en de souvenirwinkels leegkopen.
Alles is één voor de westkust van Canada. Toine Heijmans
kajakt er over paarse en oranje zeesterren zo groot als
fietswielen, door de wildernis, langs onbewoonde rotseilanden en
bergen met verse sneeuw.
De deining heeft geen einde. Er kan vanalles gebeuren met de
wereld maar de lange, trage oceaandeining rolt altijd door.
Omhoog-omlaag, en de kajak gaat mee. Veel dichter bij het water
kun je niet zijn, in dat felgele kunststof bootje. Met je hele
huishouden in het voor- en achteronder. Met de tent, het
drinkwater en voedsel voor dagen. Alles deint mee. En als je naar
de zeehonden peddelt, zwemmen ze weg omdat ze denken dat je een
orka bent.
Peddelaars varen in de oceaan, in plaats van erbovenop. Ze zien
de wildernis vanuit het perspectief van een zeehond, of van een
otter. Dat maakt het allemaal nog groter dan het is.
De kajak drijft tussen 84 rotseilanden die de Broken Group
Islands zijn genoemd. Ze liggen in een baai van de Stille Oceaan,
aan de rand van Canada. Aan de rand van de wereld. Ooit moeten
die eilanden door een voorzienigheid in het water zijn gekeild -
achteloos - en nog steeds liggen ze er zo bij, omhuld door een
voorouderlijke stilte.
Elk geluid, elke kras van een raaf, elke krijs van een adelaar
kaatst langs de rotsen. Waar de deining stukslaat, waar het water
kreken en grotten binnendringt, suist en buldert het even en dan
trekt het zich terug en is al het geluid ineens verdwenen.
Dan hoor je waterdruppels van je peddel vallen.
Kevin Bradshaw heeft de truck geladen met drie kajaks. Hij is een
peddelaar. Met peddelaar bedoelen ze niet iemand die graag
peddelt, maar iemand die het peddelgeloof aanhangt: een apart
mengsel van hippievrijheid en natuurliefde, passend bij de
autonome leefgewoonten van de bewoners van Vancouver Island.
Peddelaars kunnen weken achtereen peddelen en wonen in een tent.
Kevin is uiteindelijk kajakgids geworden, zeven jaar geleden, en
peddelt 130 dagen per jaar in zijn biotoop, ten zuiden van zijn
dorp Ucluelet, waar ex-hippies, rednecks en indianen samenleven
omringd door meganatuur.
Haal er geen geintjes uit, want Kevin en zijn geloofsgenoten
dulden geen toiletpapier in het water. Al het afval gaat mee
terug de kajak in. Plastic is een doodzonde. En op de eilanden
waar gekampeerd mag worden, zijn toiletten geplaatst met
hypermoderne composteertechniek.
De wildernis ziet er stevig uit, maar is zo kwetsbaar dat je er
niet eens mag vissen.
De zeekajaks gaan te water in Toquart Bay, drie kwartier rijden
over een grindweg waarlangs de zwarte beren bessen komen eten.
Rondom de baai staan bergen, bedekt met verse sneeuw. De eilanden
liggen als een gecamoufleerde marinevloot in de oceaan - ze zijn
verder weg dan je denkt, zegt Kevin. Laten we haasten, straks
komt de wind. De regen. De wildernis ziet er nu ontspannen uit,
maar kan ineens gaan grommen. Vannacht nog heeft het in de bergen
gesneeuw.
Hij propt de lange kajaks vol met waterdichte zakken. Dan duwt
hij ze af, de stilte in.
Niet veel later begint de deining.
Peddelaars houden van de stilte. Ze glijden over doorzichtig
water. Over oranje en paarse zeesterren, zo groot als
fietswielen. Langs de oever staan huizen van een
indianenreservaat. De Canadezen noemen hun indianen first
nations. In de indiaanse dorpen is het een
ander Canada. Die hebben, met wat mazzel, net elektriciteit
gekregen, of een aansluiting op het riool. Sommige zijn alleen
per boot te bereiken.
De first nations van Vancouver Island heten de Nuu-cha-nulth, een
verzamelnaam voor veertien stammen. Kevin heeft, net als veel
andere peddelaars, een heilig ontzag voor de inheemse cultuur, en
voor de natuurliefde die ermee is verbonden. Dat komt, zegt
Kevin, doordat Canada zelf zo weinig geschiedenis heeft. En daar
wel naar snakt.
Aldus zal hij altijd en overal, en zeker hier, de belangrijkste
wet van de Tsheshat te gehoorzamen, de stam die zich in deze baai
als eerste vestigde. Die wet luidt Hishuk-ish-tswalk: alles is
één.
Zeker op Benson Island, dat klein en hoekig in het water ligt.
Aan de zuidkant belaagd door de branding, die met geweld
stukslaat op de rotsen. Aan de noordkant omzoomd door zandstrand,
luw neergelegd als in een schilderij van Bob Ross.
De kajaks gaan het strand op, dat is bedolven onder cederhout:
hele stammen met wortelsystemen, gebleekt door zout en zon;
kleine takken, gepolijst door oneindig schuren langs schelpen en
stenen.
Benson Island is teruggegeven aan de first nations omdat dit de
plek is waar hun aanwezigheid begon. Sinds dat archeologisch is
aangetoond, mogen peddelaars er niet meer kamperen.
Er zijn zeven eilanden waar dat nog wel mag. Op Dodd Island haalt
Kevin de kajaks leeg, en bouwt hij een keuken op het strand. Er
is niks - behalve het moderne composteertoilet en het regenwoud
en een onwaarschijnlijk uitzicht over de oceaan, de eilanden en
de versbesneeuwde bergen.
Op Dodd Island kijken Peter en Christine door een verrekijker
naar een verzameling kleine, zwarte scholeksters. Peter en
Christine zijn ook peddelaars: drie weken onderweg. Met hun
verweerde gezichten vallen ze nauwelijks meer op in het
landschap.
Volgens de wildernisetiquette mag je twee weken in het
gebied blijven, en vier nachten achtereen kamperen op een
kampeereiland, maar Peter en Christine hebben hun tent goed
verstopt. Peter zegt dat hij nooit meer ergens anders wil zijn.
Als hij niet terug moest om drinkwater te halen, zou hij er
eeuwig blijven kajakken, zegt hij. Net zoals de indianen dat
deden, in hun kajaks van uitgeholde ceders.
Single Rock is een steen in de oceaan. Een boom klampt zich eraan
vast. Eén boom, hoog en strak gesneden, een kaarsrechte
kathedraal. In de winter slaan golven van vijftien meter over het
eiland heen, maar de boom is altijd blijven staan. Zijn kale
wortels zoeken in de spleten van de rots naar houvast en zoet
water.
Alle bomen hier zijn kathedralen, en veelal eeuwen oud. Kevin
weet waar de oudste staat (maar verklapt niet waar, zegt hij
erbij); het is een flatgebouw van hout, een vlechtwerk van
meerdere stammen met een geschiedenis van 1500 jaar. Die moet de
indianen dus nog echt hebben meegemaakt, zegt Kevin.
Door de bomen waait de laatste ochtendmist. In de top van de
hoogste ceder zit een Amerikaanse zeearend, die strenge
vogel met zijn witte kop en hoge fluit. Bald eagle: de nationale
vogel van de Verenigde Staten.
Hij kijkt of Kevin wat laat liggen van het ontbijt, maar Kevin
stopt alles in de kajaks. Hij laat het eiland achter zoals het
was.
DOEN & LATEN
Zeekajakken
Zelf een kajak huren kan, maar is in dit gebied echt alleen voor
de zeer ervaren zeekajakker weggelegd. Kleine kajakondernemingen
bieden meerdaagse tochten aan onder leiding van gidsen. Een goede
staat van dienst heeft Majestic Ocean (www.oceankayaking.com).
Vierdaagse tocht voor 999 Canadese dollars (560 euro).
Klimaat
Niet voor niets groeit hier gematigd regenwoud: dit is het meest
beregende gebied van Noord-Amerika. Drie meter neerslag per jaar
is normaal, zes meter komt voor. De winters zijn koud en
stormachtig; juni, juli, augustus en september zijn geschikte
maanden voor kajakkers. Augustus wordt faugust genoemd vanwege de
dikke zeemist die het gebied dan langdurig kan bedekken.
Reizen
Vlieg naar Vancouver of Calgary (kan rechtstreeks met KLM of Air
Transat), reken op 900 euro). Neem de veerboot naar Vancouver
Island (Victoria) of vlieg naar Nanaimo. Neem de bus naar Tofino
of Ucluelet of, beter, huur een auto. Wie het hele eiland wil
zien heeft weken nodig. Tip: wandel de nieuwe North Coast Trail.
Lees ook: Het reisdagboek van Gert-Jan
Gebouwd in 1950 (geīnaugureerd in 1951) was Huset decennia de huiskamer van de kompels die werkten in de kolenmijnen van Longyearbyen, de enige nederzetting van belang op Spitsbergen. Hier zopen ze hun gage op, als ze kregen uitbetaald. Zo snel mogelijk dronken worden hielp kennelijk tegen de ellendige omstandigheden. Hier was ook een bioscoop annex theatherzaal, die er nog steeds is.
Kompels zijn er minder nu, maar Huset staat nog fier (een wit gebouw
in steen) in het industriële landschap van de stad.
Huset betekent Huis. Het huis van Longyearbyen.
Het staat midden in de arctische toendra, en herbergt tegenwoordig een restaurant dat driegangenmenu's serveert waar culinaire journalisten op af komen, en dat een prijswinnende wijnkelder heeft. In Huset krijg je, op de rand van de wereld, vooraf een oestersoep met krab, vervolgens coquilles met granaatappel en ui, vervolgens rendierbiefstuk geschoten op het eiland zelf en vervolgens merengue met rozemarijncrčme en vanilleijs.
Plus wijn naar keuze - er staan grand cru's uit 1978 te wachten.
Dat is op zijn minst merkwaardig: er is een hoop te koop op
Spitsbergen maar vrijwel alles moet worden ingevoerd. Alles wat
vers is, komt per vliegtuig. Zelfs rendiervlees moet uit
Noord-Noorwegen komen, want rendieren worden nauwelijks nog
geschoten op Spitsbergen (en als jagers ze schieten, is het voor
eigen gebruik), en rond de eilanden mag vanwege de
natuurbescherming niet gevist worden. Iets daarbuiten wel, maar
die vis moet dan eerst naar Tromso voor afslag en controle, en
komt dan weer terug naar waar het vandaan kwam.
De manager van Huset, André Grytbakk, prijst zich gelukkig
met een ambitieuze keukenbrigade die niet alleen goed kan koken,
maar onderhand ook weet waar ze de spullen vandaan moeten halen.
Ze kennen de jager die een rendier heeft geschoten, en verder
verlaten ze zich op allerlei adressen op het vasteland van
Noorwegen.
Huset is ruim twee jaar geleden overgenomen door ondernemers uit Oslo. Winst maken ze niet, zegt André Grytbakk; dat ze break even draaien komt vooral door de bar en ‘nachtclub' die nog steeds populair is. Zuipen doen ze hier inderdaad nog steeds, al wonen er nauwelijks meer kompels.
En dan de wijnkelder: twintigduizend flessen. De verzameling is
twintig jaar geleden begonnen door een vroegere eigenaar, en
meeverkocht met heel Huset. Op een plank staan argeloos grote
grand cru's uit de jaren tachtig. Het heeft nogal wat tijd gekost
de verzameling terug te brengen van de 35 duizend flessen die het
was, zegt André Grytbakk. Maar nu is de collectie goed op
orde.
Als je erin staat, en de manager maakt een fles Montepulciano
open, lijkt het net of je in de bewoonde wereld bent. Maar daar
ben je niet; je bent niet ver van de Noordpool.
Het is een simpel ding, en dat is het. De ingang valt weg in de eindeloze wildernis van Spitsbergen; een driehoek van beton is het die bescheiden uit een berg steekt. Langs het pad dat erheen voert staan geen wegwijzers. Op het ding zelf is niet meer dan een klein bord gemonteerd met de naam erop. En wie er rond wil lopen, moet een geweer meenemen tegen de ijsberen.
Dit moet de plek zijn die de aarde gaat redden, als die geteisterd wordt door atoombommen, aardbevingen, overstromingen, oorlogen of wervelstormen. Dit is de ‘doomsday vault’, de kluis voor het Einde der Tijden, de ‘Ark van Noach’: achter deze deuren ligt een halve wereld aan landbouwzaden opgeslagen, van Filippijnse rijst tot Mexicaanse maīs. Zodat de mens opnieuw kan beginnen, mocht er iets verloren gaan.
Echte naam: Svalbard Global Seeds Vault – wereldwijde
zadenkluis, te Spitsbergen.
De toegang heeft stalen deuren, bomvrij en aardschokvast, al zien
ze er zo niet uit. Het zijn gewoon stalen deuren, met een klink.
Achter die deuren is een gang van honderdvijftig meter, een korte
mijnschacht die de berg in voert en uitkomt bij drie kamers. In
één van die kamers staan stellingen onder tl-verlichting. Op die
stellingen rusten blauwe kunststof dozen in de vrieskou. En in
die dozen zitten zaden.
Dat is het.
‘Soms’, zegt Ola Westengen alvast, coordinator of
operation and management van de bekendste zadenbank ter wereld,
die anderhalf jaar geleden met veel mediageraas werd geopend,
‘soms voel ik me ongemakkelijk bij het beeld dat is
ontstaan. De media, en ook onze eigen pr-afdeling, maken er iets
fantastisch van: een James Bond-achtig ding, science fiction,
terwijl het dat helemaal niet is. Het is geen hightech, het is zo
lowtech als wat. Dit is een bankkluis waar we uit voorzorg zaden
opslaan die in andere zadenbanken zijn opgeslagen. Niet meer,
niet minder.’
‘Nou’, zegt Cary Fowler later, de grondvester van het
project: ‘de term doomsday vault is aardig maar wij hebben
hem niet bedacht. Op zich kan de kluis van nut zijn bij een ramp,
maar dat is niet de hoofdzaak. De hoofdzaak is dat de diversiteit
aan zaden niet verloren gaat.’
De landbouwkluis van Spitsbergen gaat zelden open. Vier tot zeven keer per jaar, alleen als er nieuwe zaden arriveren. Journalisten mogen er doorgaans niet binnen – mensen laten de temperatuur stijgen. ‘Dit is geen bezoekerscentrum’, zegt Ola Westengen, die over zijn hart streek omdat hij toch in de kluis moest zijn om nieuwe zadenmonsters uit Colombia en Duitsland op te bergen. Hij beheert de collectie van inmiddels 420 duizend verschillende monsters namens NordGen, het onderzoekscentrum van de Noorse overheid. Hij doet het werk erbij, naast zijn genenonderzoek aan de universiteit van Oslo.
Lowtech en lowcost: de hele bemanning van de zadenbank bestaat uit deeltijdwerker Westengen en uit Morten, een Spitsberger van beton die afwisselend met twee anderen de kluis technisch controleert. ‘Er gebeurt eigenlijk nooit wat’, zegt Morten. ‘En dat hoort ook zo.’
De machinekamer van het hele complex is kleiner dan de technische ruimte van een klein kantoor.
Het moet ook een simpel ding zijn, want techniek gaat maar kapot.
De zadenbank, ā 7 miljoen dollar, is de droom van Cary Fowler, de
Amerikaan die van felle activist tegen de agro-industrie
uitgroeide tot de directeur van de Global Crop Diversity Trust,
die zich toelegt op het bewaren van landbouwzaden die verloren
dreigen te gaan. ‘We hebben nu’, zegt hij telefonisch
vanuit New York, ‘een van de grootste zadencollecties van
de wereld. Ik denk dat we over vijf jaar een miljoen soorten
hebben. Altijd als ik er ben voel ik me wonderful;
Het is ons gelukt iets simpels te maken waar de hele wereld baat
bij heeft.’
Sinds de mens begonnen is met landbouwen, zegt Ola Westengen, en sinds de mens gewassen veredelt en weerbaar maakt tegen ziektes, verdwijnen de oorspronkelijke soorten als ijsschotsen in de zomer. Dat schaadt de biodiversiteit, ‘het is alsof we allerlei verdiepingen aan het bouwen zijn terwijl het fundament verdwijnt.’ Niet zozeer oorlogen en wervelwinden zijn daarmee de vijand van de biodiversiteit, maar de mens zelf.
Fowlers idee was verre van nieuw. De Rus Nikolai Vavilov ging begin jaren twintig al de wereld rond om zaden te verzamelen en begon daarmee de eerste zadenbank in het toenmalige Leningrad – zo stevig gebouwd dat-ie de belegering van de stad tijdens de Tweede Wereldoorlog doorstond. Over de hele wereld zijn nu 1400 zadenbanken die zo’n beetje alles bewaren wat ze kunnen. De kluis in Spitsbergen dient enkel als achtervang: de nationale zadenbanken sturen er kopieën van hun collecties heen – gratis, zolang de zaden beschikbaar blijven voor (genetisch) onderzoek. Zo liggen er ook monsters in van Vavilovs oorspronkelijke verzameling.
De huidige zadenbanken voldoen niet, vindt Fowler. Die van Irak bijvoorbeeld werd geplunderd. Die van Afghanistan werd vernield door de Taliban, die van de Filippijnen werd geraakt door een cycloon, in 2006. Daar spoelden zaden weg van soorten die nooit meer te reproduceren zijn. ‘De meeste zadenbanken zijn meer dan matig’, zegt Fowler. ‘Ze opereren nauwelijks naar internationale standaarden.’
Dat kan wel op Spitsbergen, dicht bij de Noordpool, waar de permafrost alomtegenwoordig is. Het gros van de zaden is langere tijd houdbaar bij 18 graden vorst, is berekend. Zo koud is het dus exact in de kluis, achter de met ijs afgezette deuren. Die situatie ontstaat niet helemaal vanzelf: de basistemperatuur in de berg, zes meter onder de altijd bevroren grond, is min 4 Celsius. Daarom staat er naast de ingang een zeecontainer met een generator die de temperatuur binnen op min 18 houdt. ‘Als de stroom uitvalt’, zegt Westengen, ‘wordt het inderdaad warmer binnen. Maar dat zal heel langzaam gaan en veel zaden blijven ook bij vier graden vorst in orde.’
Hij loopt de mijnschacht in, die is afgezet met golfplaat. Op de grond ligt water. Door een slang wordt meer water naar buiten gepompt, en Westengen vraagt vriendelijk er geen foto’s van te maken. Water zou hier altijd moeten bevriezen, maar in de kluis is het niet koud genoeg. Nog niet, zegt Westengen. ‘De rots en aarde die na het graven van de tunnel is teruggestort, is nog niet helemaal op temperatuur. Maar dat komt goed. Dat heeft een paar jaar nodig.’
‘We zijn heel transparant over de situatie hoor’, zegt hij ook. ‘Maar foto’s leiden weer tot beelden in de hoofden van de mensen, je weet hoe dat werkt.’ En daar zou in elk geval de pr-afdeling niet blij mee zijn.
De schacht eindigt in een open, grofgestucte ruimte met toegang tot drie kamers: de kluizen, verlicht door tl-armaturen. Twee ervan zijn leeg; daar bungelt slechts een simpele thermometer aan een draad. De middelste kluis is dicht, de deuren stijfbevroren. Daar liggen, op eenvoudige stellages, opgeborgen in eenvoudige kunststof opbergbakken, de 420 duizend monsters, uit 25 landen.
De drie kluizen samen kunnen maximaal 4,5 miljoen soorten
bevatten, ‘dat zijn meer soorten dan er bestaan’,
zegt Westengen. ‘Je kunt maar beter ruim in je vel
zitten.’
Van elke soort worden 500 zaden opgeslagen, genoeg om de planten
twee generaties weer op te kweken. ‘Bij bonen en
pinda’s nemen we er minder van’, zegt Westengen.
‘Anders nemen ze teveel ruimte in beslag.’
Westengen beschikt over een eenvoudige computer en een labelmachine. Daarmee print hij de labels voor de zadenmonsters die binnenkomen. Niks geen speciaal transport: ‘gewoon met DHL en TNT’. De labels plakt hij op de zilverkleurige zakken waar de zaden in worden bewaard. Die zakken zijn speciaal gemaakt, uit lagen aluminium en valéron, een kunststof film. ‘Het lijkt op een zakje Uncle Ben’s rijst, maar op deze manier werkt het het beste.’
Ze gaan in plastic dozen, van 60 bij 40 bij 25 centimeter. En die dozen gaan op een plank, waar ze soms decennia kunnen blijven, en soms een paar maanden – afhankelijk van de houdbaarheid ervan.
Niet alles houdt het vol in de kou van de zadenkluis. De zaden van de banaan bijvoorbeeld zijn zo in steriel vruchtvlees verpakt, dat ze alleen in vitro bewaard kunnen worden – levend dus. Graan is gemakkelijk, kool is moeilijk. Net als radijs. Mango en papaja: geen kans. ‘Het zijn vooral zaden uit droge of extreme gebieden, die we goed kunnen bewaren. Sommigen blijven decennia goed, anderen twee maanden. Het zijn de nationale genenbanken die de voorraad bijhouden, en de voorraad verversen. Wij doen niet meer dan bewaren.’
Daarmee is de kluis vooral ook een ontwikkelingsproject: het moet de landbouwlanden van de Derde Wereld aansporen hun oorspronkelijke landbouwzaden te koesteren, opdat ze niet verloren gaan in de ‘wapenwedloop’ danwel de ‘rat race’ die de landbouw volgens Westengen teistert. Fowler meldt dat steeds meer landen geīnteresseerd raken: hij is in gesprek met China, Rusland en Ethiopië – maar het gaat langzaam. ‘Waarom – nou, ik denk, ik weet het natuurlijk niet precies maar laat ik zeggen dat het politieke en bureaucratische apparaat in bepaalde landen tijd nodig heeft.’
Niet alle landen willen hun monsters zomaar afgeven, als anderen er onderzoek mee kunnen doen. Daarom doen er ook geen commerciële bedrijven mee, die dure patenten hebben op hun nieuwe vondsten.
Westengen sluit de kluisdeur. Het mag er niet te warm worden. Hij loopt terug door de mijnschacht, stapt naar buiten en sluit af. Morgen weer naar Oslo.
‘Kijk gerust nog even rond in de buurt’, zegt hij. ‘Maar ga niet ver van de auto en laat de portieren open staat, zodat je snel kunt wegvluchten. Er zijn dit jaar veel ijsberen.’
Polar bear number one. Polar bear number one, everybody, at one o'clock. Polar bear number one.
Iedereen aan dek voor polar bear number one, de kalme, sloffende beer schuin voor de boeg. Hij kuiert over een schots, ten noorden van Spitsbergen, zijn vacht steekt bruingeel af tegen het witte ijs, duikt het water in, zwemt naar de volgende schots en klimt erop, schudt zijn vacht droog, kijkt naar het schip en sloft verder door de sneeuw, grote pantoffelvoetstappen achterlatend.
IJsberen zijn gevaarlijk, had Troels gezegd, de Deense expeditieleider. Van ijsberen denkt iedereen dat het knuffeldieren zijn, maar ze zullen je knuffelen tot de dood. Er is geen enkele lieve ijsbeer, zei Troels. Die bestaan niet. Ook Knut niet, de Duitse dierentuinijsbeer. Moordmachines zijn het, en daarom moet iedereen die Spitsbergen bezoekt voorzien zijn van een geweer, of van een gids voorzien van een geweer. Plus een alarmpistool om de ijsberen af te schrikken, ‘sommigen schrikken ervan, anderen doet het helemaal niks.' In groepen wandelaars gaat de man met het geweer altijd voorop. Maximale afstand: 25 meter. IJsberen zijn snel en wendbaar, voor hun lompe gestalte.
Voor polar bear number one komen geen geweren aan dek, wel
camera's. Met toeters van lenzen - een Vlaamse fotoclub is aan
boord en dit is het moment waarop ze hebben gewacht. De camera's
gaan af, sluiters klikken constant wat het geluid van een
regenbui produceert.
Ik zie hem niet meer! Heb jij al een foto getrokken? Ja daar!
Achter die schots. Hij duikt eronder! Hij duikt eronder! Hij
klimt erop!
Over ijsberen valt veel te vertellen. Er zijn genoeg wetenschappers die zich druk maken over de ijsbeer, die vanwege de opwarming van de aarde door sommigen als bijzonder bedreigd wordt gezien. IJs weg is jachtgebied weg. Dat zou wel eens een evolutionaire mislukking kunnen worden: de ijsbeer bestaat als aparte soort slechts 160 duizend jaar - een knipoog in de natuurlijke geschiedenis van de wereld. Dit voorjaar nog spraken de ijsbeerlanden tijdens een ijsbeerconferentie gezamenlijk hun zorg uit.
Maar op Spitsbergen lopen er zoveel rond dat ze als een plaag worden gezien. Bioloog Maarten Loonen overweegt een aantal onderzoekslocaties te verlaten, vanwege het gevaar.
Er zijn 25 duizend ijsberen, volgens berekeningen van de Polar Bear Specialist Group. Ze hebben het zwaar in Alaska en noord-Canada, maar elders groeien de aantallen, met name door de jachtverboden die vanaf de jaren zeventig zijn ingesteld. Op Spitsbergen mag een beer alleen geschoten worden uit zelfverdediging. Dat gebeurt drie keer per jaar.
Het ijsbeertellen en ijsbeervoorspellen is een wetenschappelijk gezelschapsspel. Je kunt er niets mee, als leek. Maar je kunt wel naar ijsberen kijken, en vaststellen dat alle dierentuinijsberen, Knut inclusief, onmiddellijk uit hun hondenhokken bevrijd moeten worden. Het ijs kan dan terugtrekken - een ijsbeer is een man alleen die de ruimte nodig heeft.
Polar bear number one loopt ongestoord verder, weg van de boot die in het pakijs drijft, graaft een luchtgat voor zeehonden uit, en gooit zijn volle gewicht erin. Water spat uit het gat. Hij hoopt op een zeehondenjong, maar het is te vroeg in het jaar.
Soeverein loopt hij door, de ijsschots over, schijnbaar het enige levende wezen in de ijswoestijn, anders dan de toeristen op de stoere rode boot. Er is geen begin van zijn pad, er is ook geen einde- als-ie zo doorloopt komt hij bij de Noordpool uit.
Hij raakt uit zicht en aan boord wordt de lunch geserveerd en beginnen de Vlamingen met klaverjassen.
De boot schokt en schuurt over het ijs.
Polar bear number two, everybody. At seven o'clock, polar bear
number two.
Dek stroomt vol. Geen polar bear.
We made a mistake. Sorry everybody. These things can happen.
80 graden noorderbreedte - nog maar 10 graden verwijderd van de Noordpool. Voor sommigen een reden champagne te drinken en dat doen ze dus ook, hier aan boord tijdens de expeditiecruise langs de kusten van Spitsbergen. Ik heb nooit begrepen waarom dat soort mijlpalen belangrijk kunnen zijn - belangrijker vind ik de plek waar het schip voorlangs vaart: Amsterdam Eiland, in de meest noordwestelijke hoek van de archipel.
Op Amsterdam Eiland ligt Smeerenburg, basis van Nederlandse
walviswaarders in het begin van de zeventiende eeuw. Het begin
van de zeventiende eeuw! 1619! Eerste traanoven gebouwd op
Amsterdam Eiland! En dan noemen ze deze vaartocht een expeditie,
in een stalen schip met ijsversterkte boeg, hakkend en glijdend
en trillend over het wijkende pakijs, met veertig hutten aan
boord en in elke hut een douche, en elektriciteit om je
fotocamera op te laden, je videocamera, je gps, je laptop. En als
je naar huis wilt bellen neem je de satelliettelefoon ā 2,50
dollar per minuut. E-mailen kan ook ā 2,50 dollar per email.
Noem het de oprukkende beschaving, niks mis mee, het is heerlijk om dit stukje te tikken in de lobby van het schip, met koffie binnen handbereik en rondom uitzicht op de wildernis - voorbijtrekkende ijsplaten, langsschietende papegaaiduikers, het donkere lijf van een dwergvinvis, de ongedurigheid van een ijszee - maar blijf denken aan de mannen van Smeerenburg van toen.
En blijf denken aan de mannen van Barentsburg nu; een dorp niet ver van Ny Alesund geheel gewijd aan de mijnbouw. Mijnwerkers uit Rusland en Oekraīne wonen er die alleen uitbetaald krijgen als ze twee jaar blijven in een van de meer miserabele nederzettingen van Europa. Het is er vervallen en geradbraakt; het is het overleven van de armsten. Net zoals de walvisvaart op Smeerenburg overleven van de armsten was - en iedereen zoekt een uitweg.
Ze noemen zich graag de meest noordelijke nederzetting ter wereld, maar zijn het niet want er zijn noordelijker nederzettingen, en wat maakt het uit. Een verzameling huizen en onderzoeksapparaten, laag langs het fjord, bewoond door enkel wetenschappers en een staf die de wetenschappers onderhoudt. In de donkere poolwinter wonen er twintig, in de heldere poolzomer wonen er tweehonderd. Ze hebben elk hun eigen houten onderkomen - de Noren een onder architectuur gebouwd modern huis, de Duitsers een degelijke blauwe woning, de Indiërs een hut met Ganesh aan de wand en de Chinezen hebben twee leeuwen voor de deur. De Koreanen doen het met een eenvoudig bord waarop ze van hun afkomst melding maken, en huizen in bij de Fransen.
Iedereen wil wetenschappers hebben in deze kenniskolonie, maar niet voor de wetenschap alleen. Soms zelfs helemaal niet voor de wetenschap. De Noordpool is vlakbij en elke natie wil voet aan de grond in het arctisch gebied: ‘de enige reden dat ik het hier met mijn onderzoek heb overleefd', zegt Maarten Loonen van de universiteit in Groningen, twintig zomers op Ny Alesund vanwege zijn onderzoek naar de brandgans, ‘is dat ik klompen draag. Het is allemaal wereldpolitiek, iedereen wil in het poolgebied zijn nu het er zo snel verandert. Maar zo kan ik wel mooi dit belangrijke onderzoek doen.'
Een plek op Ny Alesund is hopen op een plek in de Raad van Arctische Landen. En kans op olie, gas, toerisme, wie weet wat meer.
Vanaf het water (toeristen mogen alleen per boot komen, het
vliegtuig is voorbehouden aan wetenschappers) ziet het dorp er
nog uit als de mijnstad die het was. Twee hoge grijze
mijngebouwen, gesloten sinds de jaren zestig toen de een ongeluk
ruim twintig kompels het leven kostte. Het stalen karkas van een
kolentrein. De stalen stellage waaraan in 1926 een zeppelin werd
vastgemaakt; de zeppelin waarmee poolontdekkingsreizigers
Amundsen en Nobile als eersten over de Noordpool vlogen.
Amundsen, de grootste poolreiziger ooit, heeft in het dorp een
borstbeeld: een starre man met ‘een neus als een ijsbreker'
(schreef Cees Nooteboom).
Ny Alesund is een andere wereld. Het hoort niet bij de gewone wereld. ‘Het is geweldig hier, alles is anders. Dit is echt mijn second life', zegt Maarten Loonen. Het is moeilijk niet verslaafd te raken aan het dorp, zegt Yvonne, die er een winter bivakkeerde voor haar promotie-onderzoek naar het noorderlicht. ‘De regel is dat je niet langer dan drie jaar moet blijven. Anders kun je nauwelijks meer terug.' Zelf had ze drie maanden nodig om zich bij thuiskomst aan te passen aan het gewone leven; ‘het duurt even voordat je weer gewend bent aan de verkeersdrukte en aan de gewoonte om je huis op slot te doen.'
Ze eten elke avond samen, in de kenniskolonie. Ze vieren elke zaterdag feest (‘en ook op andere avonden', zegt Yvonne). Ze zijn zo ver van de rest van de wereld dat die lijkt opgehouden te bestaan.
Jammer dus dat steeds meer toeristen het ‘noordelijkste dorp ter wereld' aandoen. Ze komen per schip en wandelen een rondje, kopen souvenirs in de ‘meest noordelijke souvernirshop ter wereld' en posten een kaart in het ‘meest noordelijke postkantoor ter wereld'. Soms komen er drie schepen per dag. Op grote borden worden de toeristen toch vooral gevraagd op de paden te blijven - ze zouden struikelen over de wetenschappelijke apparaten en experimenten als ze het niet deden.
Het lijkt een Noorse naam, maar dat is het niet: de
hoofdstad van Spitsbergen is genoemd naar de Amerikaan Longyear
die er een onderneming in kolenmijnbouw begon. Hoe kan iemand
ooit op het idee zijn gekomen hier een onderneming te beginnen,
in dit ongemakkelijk harde landschap.
Het is ook geen hoofdstad; noem het een nederzetting, slordig
geparkeerd halverwege het eiland. Alles ligt erbij alsof het
morgen verlaten kan zijn: huizen als zwerfkeien. Sneeuwscooters
op straat, wachtend op de winter. Kabels en leidingen bovengronds
vanwege de permafrost, de eeuwig en overal bevroren grond. Een
kleine kerk met een kleine school erachter en daarachter de
bruinleren bergen, bevlekt met sneeuw.
Bij iedereen die voorbij loopt – maar vooral bij de zwangere moeder met haar dochter van twee, of bij de kinderen die rondhangen bij de rollerskate-ramp, stel je de vraag wat ze er doen. Is het de vrouw van een kompel? Is het een wetenschapper? Zijn het kinderen die hier altijd hebben gewoond? Is het iemand die ooit is aangewaaid en nooit meer wegkwam?
Er is een kleine haven waar drie zeiljachten dobberen. De elektricteitscentrale die alles levend houdt staat naast de oude elektriciteitscentrale, die veel kleiner was. Niemand nam de moeite de oude af te breken. Dingen die niet meer nodig zijn, blijven hier gewoon staan.
En in de winter is er nooit licht: tot Kerstmis houden ze het uit omdat je naar Kerstmis kunt uitzien, maar januari is een hel.
Het is een rare stad om te leven. Een poolstad die alles weerstond en nu zelfs groeiende is. Eerst was er alleen mijnbouw en wetenschap, nu komen daar de toeristen bij. Zo ontstond er in de hoofdstraat een hele rij souvenirwinkels. En zo werd de nederzetting die bedoeld was als industrieterein, steeds meer een dorp. Een echte gemeenschap - met vrouwen en kinderen dus.
Maar waar zijn de toeristen?
De plaatselijke krant, de Svalbard Posten, heeft een lijst afgedrukt met het aankomstschema van de grote cruiseschepen en hun aantallen passagiers. De kleinste heeft er duizend aan boord, de grootste 3400. Die komen straks dus allemaal langs de rij souvenirwinkels. 3400 toeristen in een dorp met 2000 inwoners. Ha! Daar draait er één het IJsfjord in, een blauwe, een kasteel op het water. Een Duitse van TUI Cruises. Het schip heet MEIN SCHIFF, dat staat er heel groot op. En als het heeft aangelegd, stromen de Duitse toeristen het eiland op, de souvenirwinkelstraat in, en de verkopers zijn er speciaal vroeger voor naar hun werk gekomen.
De stad is officieel van niemand. De Noren mogen Spitsbergen besturen (dat ze Svalbard zijn gaan noemen, ‘koude kust’ terwijl het natuurlijk ontdekt is door Willem Barentsz die het echt Spitsbergen noemde, naar de spitse bergen); de Noorse gouverneur heet de Sysselman, maar in feite is heel de arctische eilandenarchipel eigendom van de landen die in de jaren twintig het Spitsbergen-tractaat ondertekenden. Die mogen er doen wat ze willen, zolang het niet militair is: een kolenmijn uitbaten (zoals de Russen doen in het niet ver weg gelegenBarentsburg), of wetenschap bedrijven. Nu het ijs smelt en de gletsjers zich terugtrekken, wordt Spitsbergen bovendien steeds interessanter als springplank naar de Noordpool. Dan kun je, alleen al uit politieke redenen, maar beter een voet aan de grond hebben, als straks de olie- en gasvelden zijn ontdooid.
Daarom ook wonen er steeds meer mensen, in Longyearbyen.
Zoveel dat je je afvraagt wanneer het een echte stad gaat worden.
Avonturier Bernice Notenboom haalde de top van Mount Everest, maar niet zonder slag of stoot. Toine Heijmans spreekt haar via de satelliettelefoon.
De Amerikaan lag halfdood op de berg. Handschoenen uit, handen bevroren, zuurstof op, 8500 meter hoog in de ijle lucht van Mount Everest. Ze kwam hem tegen, op weg naar de top, en vroeg zich af wat te doen. Doorklimmen? Helpen? Wat is belangrijker: de top of een halfdode Amerikaan?
‘Hij was een malloot. Hij deed het alleen en had geen ondersteuning. Maar je wilt niet dat hij sterft. Ik heb 'm zuurstof en water gegeven en mijn extra handschoenen, de expedities die na mij omhoog klommen, deden hetzelfde en sherpa's hebben 'm naar beneden gebracht.'
Leven en dood, zegt Bernice Notenboom vanuit Nepal door de
satelliettelefoon, komen griezelig dicht bij elkaar op de hoogste
berg ter wereld. Dat weet je van tevoren, maar het is erger dan
dat.
Ze klom door en haalde de top, vorige week zaterdag, als tweede
Nederlandse vrouw ooit.
De Amerikaan heeft het overleefd, ‘al is hij zijn vingers
kwijt, zijn tenen en zijn neus'.
Voor de klim van Notenboom waren meer moeilijke beslissingen
nodig. Ze raakte met vriend Walter en sherpa Lhapka Nuru Sherpa
bedolven onder een lawine. Walter overleefde ternauwernood,
Lhapka stierf. ‘Er was zoveel ijs en sneeuw, Walter en ik
vielen in een gletsjerspleet. Daar hang je dan ondersteboven en
je denkt: over vijf minuten is Walter dood. Hij kon nauwelijks
ademhalen. Ik bleef maar koel nadenken. Ik schreeuwde en werd
gehoord. We zijn gered. Lhapka, met wie ik heel veel optrok
tijdens de expeditie, niet.'
Stoppen of doorgaan?
‘Als je daar over gaat nadenken, kun je nooit meer
klimmen.'
En: ‘Morgen ga ik de weduwe van Lhapka bezoeken. We hebben
een fonds opgericht, zodat zijn kinderen in Kathmandu naar school
kunnen. Dat is tenminste iets.'
De eindklim naar de top was een waagstuk: een storm naderde. Het was de enige kans, en een groot risico tegelijk.
Stoppen of doorgaan?
‘Het ging net goed. We stonden op de top en zijn meteen
weer naar beneden gegaan. Die storm had niet eerder moeten komen.
Was dit het waard?
‘Ja. Al weet ik dat ik dat alleen kan zeggen, omdat het
voor mij goed is afgelopen. Ik zit hier supergezond na te denken
over alles wat er is gebeurd en kan het nog niet allemaal
begrijpen. Ik kreeg emails: stop ermee, het is gevaarlijk. Maar
ik ben blij dat ik heb doorgezet, dat ik het kan.
Dat is moeilijk uit te leggen aan mensen die niet klimmen. Dat is
helemaal niet uit te leggen.
‘Er stonden die dag 25 mensen op de top, en op een eerdere
topdag 88. Toch is het speciaal. Er zijn niet veel mensen die het
in een eerste poging halen. Veel worden ziek. Het is een heel,
heel zware onderneming die twee maanden duurt - je moet
supergemotiveerd zijn.
‘Ik voel een beetje euforie nu, maar dat heeft niet met de
top te maken. Het heeft ermee te maken dat ik weet wat ik kan,
hoe ik omga met heel moeilijke situaties. Dat is enorm
verrijkend.'
Het persoonlijke dagboek van Bernice Notenboom over haar
beklimming is te lezen op www.volkskranreizen.nl/bernice.
En weer is er een veerdienst bij op de Waddenzee. Lagen de eilanden er een paar jaar geleden nogal geīsoleerd bij (alleen toegankelijk via de grote veren vanuit Den Helder, Harlingen, Lauwersoog en Holwerd), inmiddels is het eilandhoppen een begrip geworden en kun je, met wat uitkienen, in de zomer een reis maken van Texel naar Schiermonnikoog zonder de vaste wal te raken.
Die reis verloopt dan zigzaggend door spannende zeegaten tussen
de eilanden, of door ondiepe geulen met vervaarlijk stromend
water. Dat is dus niet alleen handig, maar ook een kans iets van
het echte Waddengevoel te grijpen - zeker in de zomer, als
de eilanden belaagd worden door hordes vakantiemensen.
Het Waddengevoel: je kunt er varen, maar alleen als je je
neerlegt bij de natuurkrachten van het getij en de
weersomstandigheden.
De nieuwe veerdienst is wat dat betreft ook echt nieuw: ze vaart
onder zeil. Het is de klipper Willem Jacob uit 1889, die deze
zomer dagelijks twee eilanden verbindt volgens een aan het getij
aangepaste dienstregeling: 6 juli Ameland-Terschelling, 7 juli
Terschelling-Texel, 8 juli Texel-Terschelling.
Trek er een hele of halve dag voor uit, want zeilen gaat langzaam
en de schipper zegt er alles aan te doen om te voorkomen dat-ie
de motor moet starten. Voor wie niet van puzzelen houdt zijn
arrangementen bedacht, inclusief overnachtingen in de
Stayokay-jeugdherbergen. Overnachten kan ook aan boord.
Wie meevaart (lange tochten 59 euro,
korte 29 euro) moet wel zelf meehelpen met zeilen. Maar
dan ben je wel, voor even, een echte beurtschipper.
Informatie over de Willem Jacob, arrangementen en kaartverkoop:
www.eilandhopper.nl.
Andere waddenhopveren:
Texel-Vlieland met ms. De Vriendschap, www.waddenveer.nl.
Ameland-Schiermonnikoog met ms. Boschwad en ms Robbenboot,
www.robbenboot.nl.
Tussen Terschelling en Ameland vaart alleen de Willem Jacob.
De allochtonen van Canada heten First Nations. Dat is een mooigevonden, neutrale term. Mooier dan allochtoon, in elk geval, en het zijn ook geen allochtonen in de Nederlandse zin van het woord maar de oorsponkelijke bewoners van dit land.
Net als in de Verenigde Staten hebben de indianen (want dat zijn het) hun eigen reservaten, soms niet groter dan een dorp met het land er omheen. Sommige van hun dorpen op Vancouver Island zijn alleen per boot te bereiken, of per zandpad. Ze worden geleid door een stamhoofd (de chief, erfelijk verbonden met zijn voorouders), die wordt bijgestaan door een raad van zeven gekozen leiders.
Op Vancouver Island zijn de First Nations alomtegenwoordig, vooral in de souvenirwinkels waar totems en ander indianenspul ruim voorhanden is. Hun kunst, een abstracte vorm met wilde dieren als thema, hangt overal. Dat is geen politiek-culturele correctheid (wat ik eerst dacht) maar waarachtige interesse en, om dat doodgeslagen woord maar eens te gebruiken omdat er geen beter woord voor is, respect.
De First Nations van Vancouver Island heten de Nuu-cha-nulth, een verzamelnaam voor de veertien overgebleven tribes. In hun dorpen is het een ander Canada. Die hebben, met wat mazzel, net elektriciteit gekregen, of een aansluiting op het riool. Blak bij het voormalige hippiestadje Tofino bijvoorbeeld, waar de hippies nu goed verdienen aan toerisme, ligt zo'n First Nations Reserve. Het heet Esowista: lintbebouwing van houten huizen en stacaravans. Het ligt even schitterend als Tofino aan het ruige oceaanstrand, met bomen tot de vloedlijn, maar iedereen voelt dat het er anders is. Armer. Beperkter. Enclaves in een rijke wereld zijn het. Vraag naar het leven daar, en 'problemen' is een vaak terugkerend woord.
Het gekke is dus dat Canadezen, of in elk geval de Canadezen die ik hier tegenkom, ondanks die afstand in leefstijl en toekomstmogelijkheden veel weten van de oude indianenculturen. Ze voelen zich er zelfs mee verwant, ook al liggen hun echte wortels in Schotland, Ierland of Nederland. 'Onze geschiendis is te jong', zei Sean tegen me, de kajakgids. Hij oefent zelfs op de oorsponkelijke, voor de niet-ingewijde onuitspreekbare indianentaal die,als ze niet oppassen, nog zal uitsterven.
Hij studeert op hun gewoonten, op hun tradities. Een vriend van hem is pas getrouwd met de dochter van een chief. 'Ik ben aan het uitzoeken of hij er straks recht op heeft chief te worden.'
Het uit zich daarbij in een onuitsprekelijke liefde voor de natuur, die bij veel Canadezen hier is ingeboren. Bij het ontbijt zei een andere kajak-gids, Kevin, dat hij bij het kamperen altijd de belangrijkste wet van de Tsheshat zal gehoorzamen (de stam die zich in dit gebied van de Broken Islands als eerste vestigde): Hishuk-ish-tswalk. Alles is een. Zeker op Banston Island, dat onlangs is teruggegeven aan de First Nations omdat het hun eiland van de 'creation' bleek (op basis van archeologische vondsten): de plek waar het allemaal begon.
Elke kruimel die overbleef van het ontbijt, stopte Kevin in een afvalzak die hij drie dagen met zich mee zou slepen tot we terug waren in de bewoonde wereld. Een 'wilderness etiquette' die niet alleen door hem, maar door iedereen hier wordt hooggehouden.
Of je mee gaat kajakken, drie dagen. Bij Vancouver Island, in de oceaan, tussen met regenwoud begroeide eilanden die Broken Islands heten (als je ze ziet, weet je waarom). Tent mee, eten en drinkwater voor drie dagen, alles waterdicht verpakt.
En dan maar peddelen.
En foto's maken.
Verder geen commentaar.
Er wonen 250 duizend beren op dit eiland, dus moet je er een tegenkomen. Maar we zien ze niet. We rijden over Vancouver Island, aan de prachtige westkust van Canada, we rijden van Nanaimo naar Port Alberni naar Tofino en naar Ucluelet, we kajakken drie dagen in de baai bij dat dorp, waar ze ook moeten wonen, de beren, maar we zien ze niet. We zien de schitterendste dingen: bomen van 1500 jaar oud, zeehonden, adelaars, otters, zeeleeuwen - maar geen beren.
We speuren de kust af, vanuit onze kajaks. Niks. We houden de weg in de gaten vanuit onze huurauto. Niks. Er moeten er toch echt 250 duizend zijn (248.998 zwarte beren en 2 grizzly's). En ze zijn uit hun winterslaap, het is half mei. En dan zoeken ze voedsel, is ons verteld: gras langs de wegen, krabben langs de kust.
We geven het op.
We rijden terug van Ucluelet naar Nanaimo. Staren naar de weg. En dan zien we een bruine vlek aan de andere kant van de weg. We denken: weer een stuk hout. En jawel. Het is weer een stuk hout.
En dan nog een bruine vlek. En dat is een beer. We gooien het stuur om van de huurauto, draaien het raampje open, en daar is ze: de beer. Gras etend. Ze keurt ons geen blik waardig. Drie meter naast de auto staat ze. Auto's stoppen achter ons, armen met camera's zwaaien uit die auto's en de beer eet rustig verder, tot ze weer het woud intrekt.
We rijden verder. Het is klaar. Het is gedaan. We hebben alles gezien.
En dan een zwarte vlek. Groter nog. Diepzwart. Een schitterend groot beest, twee meter naast de auto, je zou uit willen stappen en die glimmende vacht willen voelen; een beer is even aantrekkelijk als gevaarlijk. De zwarte zijn niet agressief, maar toch.
Waarom willen mensen toch zo graag onder de dieren zijn? Omdat ze niet te ver van de natuur willen afdrijven?
In elk geval: de reis is klaar.
Water en bomen zijn in Abu Dhabi waardevoller dan
dure auto's en klatergoud, ontdekt Toine Heijmans. Diereneiland
Sir Bani Yas ligt daarom aan het infuus.
Het is niet moeilijk dit eiland te laten sterven. Draai de kraan
dicht en de fruitbomen, de duingazellen, de cheeta's en de
spiesbokken gaan eraan, met de Arabische zon als getuige. Al het
groen en al het leven op dit eiland is afhankelijk van het water
dat onafgebroken wordt gemaakt in een waterfabriek op de vaste
wal, een grote, grijze, kunstmatige long. Dertig miljoen liter
per dag pompt de fabriek het eiland op. Elke boom, elke struik
hier heeft zijn eigen zwarte tuinslang. Zijn eigen infuus.
Sir Bani Yas heet het eiland: een druppel in de Perzische Golf.
Het eiland is de top van een zoutpilaar die diep naar beneden
reikt, en alleen daarom al geen plek voor flora en fauna. Maar
zolang de mens het wil, bloeit de natuur er uitbundig: drie
miljoen bomen, hordes zeldzame woestijndieren. Flamingo's wadend
in een meer.
Dit eiland is een Arabische ark van Noach. Gemaakt door mensen en
door één van hen in het bijzonder: sjeik Zayed Bin Sultan Al
Nahyan, tot zijn dood in 2004 leider van Abu Dhabi. 'Elk dier',
had de sjeik gezegd, 'moet hier als een gast behandeld worden.'
En dat gebeurt.
Abu Dhabi is de machtigste en welvarendste van de zeven
Verenigde Arabische Emiraten, de samenklonterende oliestaten op
het Arabisch schiereiland. Anders dan in Dubai, dat nauwelijks
olie heeft en nauwelijks geschiedenis, maalt men er weinig om de
platte blingbling van de nieuwe rijken. Jazeker: er rijden kuddes
Cayennes over ruimbemeten asfaltwegen, maar liever koesteren de
sjeiks van Abu Dhabi andere dingen: cultuur (het Louvre komt, en
het Guggenheim) en groenvoorziening.
In heel het emiraat sputtert water uit tuinslangen die van boom
naar boom lopen, van plant naar plant. Honderden, duizenden
kilometers tuinslang bevochtigen het land, zodat de schemering er
ruikt naar een frisse lentebui.
De oude sjeik Zayed - zijn portretten hangen overal -
bracht dit land in vijftig jaar van de barre middeleeuwen naar
bizarre rijkdom. Nog balanceert het emiraat tussen toen en nu: de
straten van zijn geboortedorp Al Ain zijn naar westers model
geplaveid, de koffiehuizen hebben airco, maar de mannen zitten
liever buiten op hun hurken thee te drinken zodat ze het
woestijnzand nog tegen hun enkels voelen waaien.
De sjeik beloofde dat zijn land groen zou worden. Want voor een
bedoeīen als hijzelf, opgegroeid in een tijd van tenten en
woestijnverhalen, zijn water en bomen duizend keer
waardevoller dan auto's en klatergoud.
Dus spuiten in Al Ain de fonteinen, en vermaakt men zich op
vrijdagavond in een hel uitgelicht park waar gras groeit op kale
steen. Het ruikt er naar jasmijn, en bougainvillea.
Maar Al Ain was de sjeik niet genoeg. Er moest een overwinning
komen die groter was: de ultieme overwinning van een
nomadenjongen op de harde natuur. Het werd een eiland in de
Perzische Golf, geroosterd in de zon, dat hij vanaf 1971 uit zou
bouwen tot 230 vierkante kilometer natuurgebied. Een wijkplaats
voor Arabische fauna, uitbundig
begroeid met acacia's en palmen die
strak in het gelid staan. Met daaronder de zwarte tuinslangen,
die het eiland omspannen als een spinnenweb. Voor elke toerist
die er komt, wordt een mangroveboom geplant. Hoe meer bos, zeggen
ze er, hoe minder het eiland afhankelijk zal worden van de
waterfabriek die het in leven houdt.
Voor de dieren wordt voedsel aangevoerd: 30 duizend ton per
week.
Er staan twee grote gebouwen op het eiland. Het oude paleis van
de sjeik, niet meer in gebruik maar dagelijks schoongehouden door
120 man, en een zes maanden geleden geopend luxehotel. Sir
Bani Yas moet een toeristische attractie worden, heeft de nieuwe
sjeik besloten; zes andere woestijneilanden worden er ook voor
klaargestoomd.
Gids Janna neemt de toeristen mee op wildsafari, in haar open
Landcruiser. Het gros van de dieren leeft achter hekken, zodat de
Arabische soorten niet in de knoop raken met die uit de rest van
de wereld. 'Welkom in Jurassic Park', zegt Janna, als ze de
hekken openschuift.
Daarachter lopen de Arabische spiesbokken. Witte, schaapachtige
antilopen met hun parallelle, kaarsrechte hoorns - de trots van
de sjeiks. In het wild uitgestorven in 1972, maar hier leven ze
er in halve gevangenschap op los.
Om hen heen dansen de duingazellen, een onopvallende,
zandkleurige soort die de Sahara overleeft op dauw en
plantenvocht en zich hier, in het woestijnparadijs,
wonderbaarlijk snel vermenigvuldigt. Voor ze het wisten waren er
20 duizend duingazellen op Sir Bani Yas - om ze in te tomen
hebben de wildlifemanagers vier cheeta's gekocht in Somalië,
opdat de natuur haar werk kan doen.
De cheetahs liggen op de grond, in een hok, 'we leren ze hoe ze
op gazellen moeten jagen', zegt Janna. 'De sjeik heeft jagen en
vissen door de mens verboden.'
Verder gaat de tocht, langs achtendertig giraffen - die hebben
niks met het Arabisch schiereiland te maken maar waarschijnlijk,
zegt Janna, vond de sjeik het leuke dieren. 'Of hij heeft er een
paar cadeau gekregen.'
Is het natuur? Is het kunst? Is het een dierentuin? Is het dan
toch, stiekem, Arabische blingbling?
Het is, in elk geval, wat geld kan doen.
DOEN & LATEN
Reizen
Vlieg naar Abu Dhabi (rechtstreeks met KLM circa 1500 euro, met
overstap 800). Al Ain ligt 200 kilometer naar het oosten (per bus
of auto), Sir Bani Yas ligt 300 kilometer naar het zuidwesten
(per auto in drie uur, of per luxe watervliegtuig). www.abudhabitourism.com.
Al Ain
Interessanter dan de metropool Abu Dhabi City. Het Al Jahili-fort
is onlangs gerestaureerd, en herbergt een expositie over het land
vķķr de olie-boom. Met oude foto's van de sjeik en van de Duitse
reiziger Wilfred Thesiger die er lang verbleef (lees zijn Arabian
sands, uit 1971). Bezoek zeker het paleis van de sjeik, met (pre-
historische vondsten. www.adach.ae.
Sir Bani Yas
Verblijf alleen mogelijk in het Anantara Desert Resort & Spa,
5 sterren maar relatief klein (64 suites). Vanaf 1400 dirham per
nacht (290 euro). Wildtochten te voet, per kano of per auto
aldaar te boeken. http://desertislands.anantara.com.
Abu Dhabi City
Typische Arabische oliestad, maar niet zo extreem als Dubai.
Sjeik Zayed heeft een klein mausoleum bij de nieuwe moskee, in
hagelwit marmer en afgeblust met bladgoud. Grootste tapijt ter
wereld (35 ton), grootste koepel in z'n soort, grootste kandelaar
ter wereld. Imposant, maar mist patina.
Lees ook: Arabische tuinstad

Het eerste
Dat me vijf
jaar bezighield en een 