LA VIE VINEX
leven in een nieuwbouwwijk
VKBlog Headerimage

Terschelling Midsland;

30 cottages.

Week van 325 (laagseizoen) tot 895 euro (hoogseizoen), excl. schoonmaak. www.schuttersbos.nl

 

Nu het huren van een vakantiehuis op het mooiste eiland ter wereld vrijwel onbetaalbaar was geworden, moest het gezinshoofd een list verzinnen. Even dacht hij aan kamperen maar dat, dacht hij er meteen bij, zou zijn vrouw nooit goedkeuren en winterkamperen met drie kinderen leek hem zelf ook geen recept voor een ontspannen tussendoorvakantie.


Er waren geen andere opties dan thuisblijven of het huren van een stacaravan, iets waaraan het gezinshoofd van jongs af al een hekel had, omdat stacaravans zo bloedeloos wit in het landschap staan, en vaak zo dicht bij elkaar dat het bijna zeecontainers lijken. Bovendien zijn ze te klein voor drie kinderen die ondanks hun goede opvoeding nogal wat ruimte claimen.


Bijna had het gezinshoofd de tussendoorvakantie verplaatst naar een ander eiland, niet veel verder maar ook lang niet het mooiste ter wereld, of hij stuitte op internet op een last minute aanbieding: een cottage met drie slaapkamers, vaatwasser, flatscreen. Met korting.


Een cottage, bedacht hij, kan twee dingen betekenen. Het kan een oud boerderijtje zijn, al zullen ze dat niet snel een cottage noemen. Het kan ook een nieuwbouwboerderijtje zijn. Op de foto's had het huisje in elk geval een rieten dak, wat op het laatste duidde.


Bij aankomst bleek het geen van beide. Het bleek een stacaravan. Maar dit was een stacaravan waar het gezinshoofd heel wel mee kon leven. Het witte ding stond samen met 29 andere witte dingen op een stukje land. Dat ziet er raar uit, zo'n roedel van dertig witte, rietgedekte, vinex-huisjes in het ongerepte landschap tussen kwelder en duinen, maar in dit geval was het netjes gedaan. Het woord cottage was in dit geval passend: het leken net miniboerderijtjes, aan de voorzijde voorzien van ruime, boogvormige ramen die uitzicht boden op een houten piratenschip bedoeld voor de kinderen om op te spelen.


Pas op een halve meter afstand zag het gezinshoofd dat het rieten dak van plastic riet was gemaakt. En pas toen hij ze aanraakte, wist hij zeker dat de witte planken waaruit de cottage bestond, ook van plastic waren. Binnen trof hij een wonderlijke indeling. De 45 vierkante meter waren zo slim ingedeeld, dat de cottage inderdaad drie kleine slaapkamers had, waarvan één met stapelbed en een ander in de vorm van een bedstee. Doordat de keuken pal naast de voordeur was geplaatst, in een gang waaraan ook de badkamer grensde, bleef er machtig veel ruimte over voor een eet- en knutseltafel, en een zithoek. De enige echte fout van de ontwerper was de plaats van de geiser: pal naast het echtelijke bed. Die geiser sloeg elke ochtend om half zeven aan, wat niet handig was tijdens een tussendoorvakantie.


Het gezinshoofd ging op de bank zitten en werd overvallen door een merkwaardige sensatie: hij had helemaal niet het gevoel in een kunststof nepboerderij te verblijven. Hij voelde zich er zelfs wel thuis - waarbij het uitzicht op de weilanden in de sneeuw ontegenzeglijk meehielp.


Zijn kinderen lagen braaf te lezen en te kleuren, zijn vrouw laadde braaf de boodschappen in de koelkast en het gezinshoofd pakte een vel papier en begon aan een plan dat hem genoeg geld moest opleveren om een oude boerderij te kunnen kopen op Terschelling.

 

 

Luchthavenland

vrijdag 22 januari 2010 19:46

Een luchthaven is een vreemde tussenwereld. Filmmakers, schrijvers en filosofen zijn er dol op, constateert Toine Heijmans. Maar gezellig wordt het er nooit.

 

Zou je verliefd kunnen worden op het meisje achter de Starbucks-balie op Calgary International Airport?


Het is een mooi meisje en ze knipoogt. Maar als je goed kijkt, over het scherm van je laptop heen, knipoogt ze ook naar anderen. Niemand reageert; luchtreizigers blijven liever opgesloten in hun computer. Ze weten dat het nauwelijks zin heeft contact te leggen - zo dadelijk is iedereen alweer vertrokken.


En jij ook, en dan staat er een ander meisje achter de Starbucks-balie, op Schiphol Amsterdam Airport.


Luchthavens zijn niet gemaakt om verliefd te worden. Daarin verschillen ze van treinstations. Er is geen romantiek in die oneindige terminals met hun efficiënte gang van zaken, hun droge lucht en hun bakken vol wegwerpbestek. Ze lijken ook nog eens op elkaar: ga geblinddoekt in een vertrekhal staan en je weet dat je in een vertrekhal bent. Calgary of Amsterdam - het is allemaal hetzelfde. Luchthavens willen graag op elkaar lijken, en daarom heeft het vliegveld van Kigali belastingvrije winkels, heeft Ouarzazate een businesslounge en heeft Lukla, dat over één stoffige startbaan beschikt, een panoramarestaurant.


Ze doen hun best maar wat ze ook verzinnen aan koffietenten en kunst aan de muur, een luchthaven blijft een tussenwereld. En de beveiligers maken het er de laatste jaren ook al niet gezelliger op.


Dus waar komt dan toch die liefde voor luchthavens vandaan, de laatste tijd, van schrijvers, filmers, filosofen en andere romantici? De Amerikaanse regisseur Jason Reitman verklapte zelfs onlangs aan The New York Times dat hij luchthavenverslaafd is. Zijn obsessie voert hem zo ver, dat hij een vlucht naar Chicago nam enkel om zijn keizerlijke frequent flyer-status veilig te stellen. Want alleen met een elitekaart is het luxeleven op een luchthaven volmaakt.


Reitman maakte er een film over. Up in the Air draait om de emotieloze consultant Ryan Bingham (George Clooney), die zijn hele huishouden meesleept in een rolkoffer, en 300+ dagen per jaar onderweg is in een onkreukbaar pak. Het is zijn taak overal in Amerika mensen te ontslaan, tot hij zelf het veld moet ruimen.


Kennelijk zijn luchthavens een goede plek voor gevoelloze mensen. Omdat niemand er vragen stelt, en alles goed geregeld is. Als de echte wereld gemodelleerd zou worden naar een luchthaven, droeg iedereen Hugo Boss en Chanel, dronk iedereen belastingvrije whisky, had iedereen een creditcard en zag niemand een probleem in het betalen van 5 euro voor een koffie bij Starbucks.


En toch. Als je op een luchthaven bent, zei Jason Reitman, is het leven heerlijk. ‘Dan schakelt de rest van de wereld uit. Niemand verwacht er iets van je.' Tegelijkertijd heerst er een apart gevoel van gemeenschappelijkheid, zei hij, te vergelijken met die van sociale netwerken als Facebook. ‘Je hebt er het idee dat je verbonden bent met iedereen.'


De filosoof Alain de Botton heeft er een naam voor bedacht: Luchthavenland. Tot zijn genoegen kreeg hij vorig jaar de kans een week te wonen in Terminal 5 op London Heathrow Airport, een van de meest hectische luchthavens ter wereld. Als writer in residence zette hij zijn bureau pontificaal in de vertrekhal. Sommige passagiers vroegen hem naar het toilet, en dat wees hij ze dan vriendelijk.


Na een week had hij een boek bij elkaar, dat onlangs verscheen. Een luchthaven, schrijft De Botton in A Week at the Airport, is vooral een samenballing van mensen die spullen met zich meedragen, liefdes, emoties en gedachten. De luchthaven zoals die ook wel in het tv-programma Hello Goodbye is te zien. ‘Mijn notitieboekjes', zei De Botton in een interview, ‘vulden zich met anekdotes over verlies en verlangen, met snapshots van de zielen van de reizigers op weg naar het luchtruim.'


Een prachtig jachtgebied dus voor filosofen zoals hijzelf. Maar denk niet dat het een vrolijke boel is, alles bij elkaar. Luchthavens, zei De Botton, staan buiten de werkelijkheid. Ze passen in geen enkele sociale of geografische structuur. Geen plek dus die beter de ‘functionele eenzaamheid en vervreemding' van de mens weerspiegelt.


Laat het dus maar aan schrijver Arnon Grunberg over om zijn antiheld Jörgen Hofmeester, uit Tirza, een geheim leven te geven op Schiphol. Hofmeester wordt ontslagen en vindt op het vliegveld een reden van bestaan, ook al heeft hij er niets te zoeken. Hij loopt er rond en zit er wat, zwaait mensen uit. Niemand die het wat schelen kan; hij blijft er anoniem.


Hoeveel Hofmeesters lopen er rond op Calgary International Airport? Die man daar, half slapend weggedoken op een bank? Je zou ze niet herkennen. Bijna iedereen die langer dan een paar uur rondhangt op een luchthaven, ziet er rafelig uit.


Er zijn ook mensen die maandenlang op een vliegveld wonen, zoals in The Terminal van Steven Spielberg. Die film is gebaseerd op het waargebeurde verhaal van een Iraniër zonder paspoort, vastgelopen op Paris Charles de Gaulle. Hij werd er uiteindelijk gek. In Luchthavenland is er nu eenmaal weinig om je aan vast te houden. De dingen lopen er permanent door elkaar heen. Passagiers leven in verschillende tijdzones; sommigen dineren, anderen ontbijten. Het is er ochtend en avond tegelijk en omdat alles in een glimlach is verpakt, is het lastig een echte glimlach te ontdekken.


De Poolse dichter Adam Zagajewski belandde op Schiphol voor een tussenlanding, en maakte het gedicht Het vliegveld van Amsterdam. Zijn moeder was overleden, wat de leegheid van de luchthaven nog tastbaarder maakte. ‘Die gangen zonder woningen,/ wachtkamers vol dromen van vreemden,/ door ongeluk bevlekt (...) Jouw begrafenis had hier kunnen plaatsvinden/ zoveel onoplettendheid, de menigte die zich weghaast,/ een goede plek om afwezig te zijn.'


Op Calgary International Airport bewegen de reizigers loom en met rode ogen, of juist overdreven actief door de ruimte. De meesten hangen in de banken. Oordoppen in, laptop aan, of zinloos zoekend in de belastingvrije stapel truien van Hugo Boss.


Nog een koffie bij Starbucks, en ze zijn weg.

 

 

Sigmunds sofa

vrijdag 11 december 2009 15:28

De grondlegger van de psychoanalyse  woonde in Wenen tot hij er werd verdreven. Sigmund Freud vluchtte naar Londen. Zijn beide woonhuizen zijn nu musea.  Toine Heijmans vindt Freuds geest in het ene huis en zijn spullen in het andere.

Er moet iets te halen zijn in de huizen van beroemde mensen, anders zouden ze er geen musea van maken. Een gevoel van grootsheid misschien, of de geest van het genie dat er ooit woonde. En die zich nu stiekem verborgen houdt onder het visgraatparket, in het ivoren handvat van een wandelstok, in de leren reistas met initialen: S. F.

De geest in dit Weense appartement is die van Sigmund Freud. Het weinige dat er aan hem herinnert, is genoeg om in elk geval te voelen dat hij, de aartsvader van alle psychiaters, onzichtbaar door de wachtkamer schuifelt. Een sigaar opsteekt, fluimt in de kwispedoor en gaat zitten in de leren bureaustoel die hij voor zichzelf liet maken: een stoel met Henry Moore-achtige lijnen en twee dikke armleuningen zodat hij bij het lezen zijn benen over een leuning kon laten bungelen.

Berggasse 19, éénhoog: destijds, in 1891, een nieuwbouwpand met elf kamers waar zijn patiënten, zijn gezin (zes kinderen), zijn huishoudster en zijn tante net in pasten. De plek waar hij 47 jaar woonde en nadacht en schreef en naar patiënten luisterde, de plek waar de psychoanalyse werd geboren, nu een museum.

Het is een raar museum, omdat het leeg is. Met alle macht, en niet onverdienstelijk, is geprobeerd de sfeer terug te halen, maar het bureau, de stoel en, vooral, de sofa ontbreken. Sigmunds sofa, waarop zijn patiënten soms wel tien uur achtereen lagen te praten over zichzelf, terwijl de dokter zweeg en de andere kant op staarde, is de beroemdste sofa ter wereld.

De spullen staan elders. In Londen, 20 Maresfield Gardens. Het huis waar hij alleen het laatste jaar van zijn leven leefde, en dat ook tot museum is gemaakt.
Twee maal Sigmund Freud: het ene museum heeft zijn geest, het andere zijn spullen. Een absurde situatie inderdaad, zegt Peter Nömaier van het museum in Wenen: 'De droom zou zijn één plek te maken met alles, halverwege, in België of zo. Maar tegelijk symboliseert deze situatie zķ de breuk in zijn leven, dat het wat mij betreft goed is nu.'

Natuurlijk hebben ze in Wenen geregeld het plan gehad om Sigmunds sofa na te maken en in het museum te zetten. Net zoals er een replica van zijn bureaustoel staat - een cadeau van de BBC. Maar Peter Nömaier verzet zich er met klem tegen, elke keer dat het wordt voorgesteld in een vergadering. 'Het liefst zou ik de plek waar de sofa stond wit schilderen. Zodat iedereen kan zien wat wij, de Oostenrijkers, met onze grote geesten hebben gedaan. Een symbool voor het vertriebene Wissen, de verdreven kennis, de uitroeiing van de intellectuele scene die zo bepalend was voor Wenen.'

De Oostenrijkers zijn laat met het verwerken van de Tweede Wereldoorlog, zegt hij erbij. 'Dat dit museum pas in 1971 open ging, en dat de Amerikanen ons moesten wijzen op het belang van dit gebouw, zegt genoeg.'
 
Sigmund Freud was van Wenen zoals Wenen was van al die anderen: Klimt, Schiele, Kokoschka, Wittgenstein. Je ziet ze er nog lopen, in de stad die leeft van de koffiehuizen, tussen de mensen die, mooi aangekleed, op zondagmiddag een kleiner Schwarzer drinken of een grosser Brauner en hun kranten lezen die, keurig aan houten stokken, in opmerkelijke hoeveelheden voorhanden zijn in de cafés.

Op het nippertje, en echt op het nippertje, kon Freud zijn stad verlaten, in juni 1938. De nazi's veegden Wenen schoon van Joodse intellectuelen. Freud ging naar Londen. Bij vertrek moest hij in een document verklaren dat hij goed was behandeld. 'Ik kan de Gestapo iedereen aanbevelen', schreef hij. Bij aankomst vertelde Freud de BBC dat hij in Londen 'mein Leben in Freiheit zu enden hoffe'.

De vlucht was volledig. Hij nam alles mee.
Een jaar later ging Freud dood. Hij was 83. In Londen heeft Anna Freud, zijn dochter en enige kind dat bij hem was blijven wonen, de dag nadat hij was overleden de werkkamer op slot gedaan. Alles moest er blijven zoals het was. 'En het is nog steeds zoals Anna het heeft achtergelaten', zegt museumdirecteur Carol Seigel. 'Dat heeft ze voor haar dood zo bepaald. Ze zag de kamer als een monument voor haar vader.'

Daar zou Freud zelf een hele analyse op los hebben kunnen laten. En voor wie zo denkt, heeft alles in de vertrekken van 20 Maresfield Gardens nog steeds een bedoeling of, zo u wilt, een geest.

Het huis, vrijstaand, aan een gewone chique Londense straat, heeft meer vertrekken maar de werk- en zitkamer, die een geheel vormen, herbergen de meeste magie. De parketvloer dik in de vernis, op het bureau een boek en daarop zijn bril, zijn handelsmerk, met de brillenkoker opengeklapt ernaast.

Dat bureau werd net als in Wenen door Freud volgeladen met beelden uit de oudheid, die hem hebben aangestaard tijdens elke zin die hij schreef - als toeschouwers bij een schaakwedstrijd. Overal in de kamer staan archeologica: vitrines vol Egyptische, Romeinse, Griekse beelden, soms door hemzelf slordig met rode inkt beklad. Wie niet wist dat Freud hier woonde, had er een archeoloog vermoed; zelf heeft hij daarover gezegd dat het werk van een psychiater en dat van een archeoloog hetzelfde is: graven tot je bij de kern komt.

De kamer is omsingeld door boekenkasten: Das Ritual, Der Kampf um den Lebenssinn, Love in Children. En daar tussenin, argeloos, in die berg geschiedenis en kennis staat bijna onopvallend de sofa. Het monument van de psychiatrie.  Ernaast de donkergroene fauteuil waar hij, de zieledokter, toehoorde over dromen en angsten.

Een opmerkelijk kort ligbed is het, bedolven onder een Perzisch tapijt met slijtageplekken, en fluwelen kussens met art-decomotief - alsof de slechte staat van de bank verborgen moest worden. Daar lagen ze te vertellen, de vijfhonderd patiënten die hij er sinds 1891 op had neergelegd, en Sigmund Freud zat ernaast, zwijgend, zijn gezicht van de patiënt gekeerd, in zijn donkergroene stoel. Soms tien uur lang. Jaren achter elkaar. Hij schreef niks op.

De psychoanalyse is nu uit de mode en daarmee is ook de romantiek van het vak vervaagd, die Freud zo met zich meedroeg. De patiënt aan het woord, vrijuit associërend - dat was de methode.
Het is moeilijk te geloven dat Freud er nooit bij in slaap is gevallen. Het is niet moeilijk te geloven dat hij nog steeds in die stoel zit.
Er moet iets zijn achtergebleven van Sigmund Freud, in Wenen en in Londen. Zeer waarschijnlijk waren het zijn dromen.


Doen & Laten

 

Freuds Wenen
Het Sigmund Freud Museum aan Berggasse 19 is dagelijks open van 9 uur tot 17 uur. Toegang 7 euro (korting met de Wien Karte), rondleidingen van tevoren aanvragen per e-mail.

Er zijn veel koffiehuizen die pretenderen dat Freud er stamgast was, maar slechts twee hebben recht op die titel: Café Landtmann en Café Korb. En, vooruit dan maar, ook wel Café Imperial, onderin het uitstekende hotel met dezelfde naam. Landtmann is chique en dramatisch modern uitgebouwd (Dr. Karl Lueger-Ring 4); Korb is formica tafels en rokende studenten en kunstenaars (Brandstätte 9).

Er is ook een boek dat werkelijk alle Freudplekken in de stad beschrijft: Freuds Wien, eine Spurensuche van Eva Gesine Baur (uitgeverij C.H. Beck).

Freuds Londen

Het Sigmund Freud Museum ligt uit het echte centrum, adres: 20 Maresfield Gardens. www.freud.org.uk. Open woensdag tot zondag, 12 uur tot 17  uur, entree 6 pond.
Trek tijd uit voor de gezinsfilms die ze er laten zien, die van commentaar zijn voorzien door Anna Freud, en waaruit een jolige opa Sigmund Freud naar voren komt. De museumwinkel staat vol met heerlijke Freudspullen zoals pennen met heen en weer bewegende sofa. Verkooptopper zijn de Freudsloffen - de man had humor genoeg om ze zelf aan te schaffen, waren ze in zijn tijd beschikbaar geweest.

Freuds Tsjechië
Er is nog een derde Freudmuseum, in zijn geboortehuis in de Tsjechische stad Príbor (destijds Freiberg). Adres: Lidická 50, 742 58 Príbor. E-mail:  ovmnj@atlas.cz, telefoon 00.42.0556 725191

 

Foto's: Sigmund Freud Museum London  en Sigmund Freud Museum Wien

4 x Blokzijl

maandag 2 november 2009 15:33

 1 De Wieden
 Een van de mooiste en stilste Nederlandse natuurparken: ondiepe veenmeren waar het riet nog wordt geoogst voor rietdekkers. Vaar er doorheen met een kano, of met een boot en een boswachter. Fijn bezoekerscentrum van Natuurmonumenten in St. Jansklooster.
www.dewieden.nl

2 De Weerribben
 Onderdeel van hetzelfde park, maar met een ander karakter, www.np-weerribbenwieden.nl

 3 Dwarsgracht
Midden in de Wieden ligt het dorp Dwarsgracht: paar huizen aan een vaart, ver van alles en iedereen. Klein Giethoorn zonder toeristen. Huur er een eens een vakantiehuis, of een kamer bij Boer Klaas.
www.dwarsgracht.nl

 4 Haring
Ga eens ergens anders eten dan in de toeristententen, en probeer de haring van viswinkel De Bleistarte in Zwartsluis. Klein zaakje zonder onnodige allure, de vis doet het werk. Kreeg een 9,5 in de haringtest van het AD. Schoolstraat 4.

Kaatjes Résidence, Blokzijl

maandag 2 november 2009 15:27

Kaatjes Résidence, Zuiderstraat 1 Blokzijl, 0527-208580. 6 kamers (185 euro), 1 suite (230 euro). Luxe ontbijt 21,50 euro.
www.kaatjesresidence.nl.


Zonder Kaatje was Blokzijl gewoon een stadje geweest dat zich, zoals meer Nederlandse stadjes, dromerig tooit met een oude geschiedenis maar verder nauwelijks beweegt. Ooit, in de spannende 17de eeuw, had Blokzijl alles in zich een nieuw Amsterdam te worden, een nieuw Enkhuizen of een nieuw Hoorn, en trokken pioniers naar de wereldhaven-in-wording, maar de haven verzandde en later werd ook nog eens de zee aan Blokzijl ontnomen. Nu ligt het mooi te zijn aan een vaart, naast de Noordoostpolder, niet ver van Luttelgeest.

Goddank was er Kaatje, die Blokzijl in de meer recente geschiedenis verhief boven die andere mooie historische stadjes. Met de opening van restaurant Kaatje bij de Sluis, 35 jaar geleden, kreeg het een gastronomisch aura dat nog steeds aantrekkingskracht heeft - door de Michelinster, en omdat Kaatje een merknaam is geworden.

Volgens de legende die ze in Blokzijl graag vertellen, dreef de echte Kaatje eind 17de en begin 18de eeuw in Blokzijl een herberg en zou ze een verbluffende gastvrouw zijn geweest, wat waarschijnlijk ook met haar verschijning te maken had. De herberg van Kaatje heette 'In den gouden walvisch'. De huidige herberg in het stadje (1.300 inwoners) heet Kaatjes Résidence - wat alleen al aangeeft hoe de wereld is veranderd.

Trots en vierkant staat het hotel naast een ophaalbrug. Een wit bolwerk is het dat ondanks de afmetingen slechts zeven kamers heeft, allemaal met uitzicht over het historische centrum. Merkwaardig genoeg waren hotel en restaurant wat uit elkaar gegroeid, terwijl ze twintig passen van elkaar verwijderd liggen. De hoteliers die Kaatjes Résidence een jaar geleden overnamen, stelden zich ten doel de band te herstellen en dat werkt: het hotel is op donderdag gevuld met gasten die eten bij Kaatje en slapen bij Kaatje. Dat arrangement kost 150 euro per persoon (exclusief drank, een glas wijn kost een tientje) en gezien de forse prijzen die de Kaatjes los van elkaar rekenen, is dat relatief goedkoop maar nog steeds geen koopje in een tijd dat luxehotels hun tarieven fors naar beneden bijstellen.

De nieuwe hoteliers hebben nog iets gedaan: de ontbijtzaal is vervangen door een lounge naast de open keuken, waar een pot met drop staat en waar de gasten de koelkast mogen opendoen en zichzelf iets mogen inschenken.

Dat is bijzonder, voor een luxehotel. 'We willen een huiskamergevoel', zegt hotelmanager Evan Horsman bij aankomst. 'We willen de sfeer van een Bed & Breakfast', zegt zijn partner Carole Hulsebos bij vertrek. Volgens dezelfde filosofie ontbijten de gasten gezamenlijk aan een grote ovalen ontbijttafel. Het is een werkelijk chic ontbijt, en zo zit je aan tafel met de mensen die je de avond ervoor ook zag in het restaurant. Opmerkelijk, hoe de komeetachtig gegroeide B&B-sector nu doordringt tot een luxehotel, maar het werkt wel en na het eten is het lekker loungen in de lounge (waar een glas whisky 9 euro kost; de hoteliers vertrouwen erop dat de gast met een potlood opschrijft wat 'ie heeft gedronken).

De kamer is groot, heeft een hoog plafond en statig golvende gordijnen. Achter het bed hangt echte kunst (iets wat uit steeds meer Nederlandse hotels verdwijnt): het is een vlammend doek van Peter Keizer, wiens werk door het hele hotel te zien is - de deuren van niet bezette kamers staan open, zodat de hele expositie te bezichtigen is.
Een luxehotel met Bed & Breakfast-sfeer - Kaatje zou er best tevreden mee zijn geweest.

Een ander gevoel voor sneeuw

vrijdag 9 oktober 2009 13:28

Scandinaviërs zien zichzelf graag als natuurmensen. In hun wintersportgebieden betekent dit minder bars en bier, meer buitenlust.  Toine Heijmans merkt dat het er zelfs anders ruikt dan in de Alpen.

Langs de piste zitten twee mannen. Ze hebben een gat gegraven in de sneeuw waarin hun benen kunnen bungelen, en halen opvouwbare matten uit hun rugzak tegen de kou. Uit hun rugzak halen ze ook een spiritusbrander en een pan en een fles met water. Zo maken ze de soep warm die ze hebben meegenomen: blåbärssoppa. Bosbessensoep.

Scandinaviërs hebben een ander gevoel voor sneeuw. Die malen minder om bars, restaurants en bier als ze gaan skiën - die komen hier uit buitenlust. De mannen langs de piste dragen hippe nieuwe zilveren koptelefoons voor hun iPods, die ze verstopt hebben in hun hippe nieuwe ski-jacks, maar als ze lunchen, zeggen ze, willen ze de winterlucht inademen. Ook nu, als het 8 graden vriest.

Ja, er is een eetgelegenheid langs de pistes, niet ver van hun middagbivak. Dat is een varmahus, een warmtehuis waar de Zweedse wintersporters beschutting vinden aan lichthouten tafels, hun eten opwarmen en thee maken uit roestvrijstalen thermosflessen. Je kunt er, eventueel, nog iets kopen. Fruit, of een broodje gezond.

Het Scandinavische sneeuwgevoel hangt samen met een manier van leven. Scandinaviërs zien zichzelf graag als natuurmensen; ook verstokte stadsbewoners onderhouden er een grote liefde voor de wildernis.

Alleen buiten kunnen ze ademhalen, dus crossen de Zweden 's winters in hun Volvo's en Saabs de 600 kilometer van Stockholm naar Åre, waar ze de pistes af raggen maar liever nog op langlaufski's het bos in trekken - de kinderen mee in een moderne fjellpulka die ze achter zich aanslepen: een afsluitbare, kunststof slee die poolreizigers ook wel gebruiken voor lange oversteken.

Åre (zeg: oore) ligt halverwege Zweden, aan de boorden van een langgerekt bevroren meer waarachter de Åreskutan rijst, een berg die hoger lijkt dan hij is (1.400 meter), omdat hij zo steil vanuit het meer vertrekt.

Het dorp dient exact honderd jaar als wintersportplek - de oude skilift uit die tijd, de Åre Bergbana, midden op het dorpsplein, is een nationaal monument en functioneert nog steeds. Maar pas de laatste jaren is het gebied onstuimig groter geworden: de  honderd alpiene afdalingen vormen nu het grootste wintersportgebied van Scandinavië. Met wat buurtschappen is Åre zo vergroeid tot een lintdorp in een verder leeg landschap. Links het meer, rechts de berg, omringd door vergezichten.

Vanaf de top van de Åreskutan kijken de skiërs kilometers ver. Als de zon onder de bewolking vandaan kruipt, zien ze Noorwegen liggen achter een mozaīek van heuvels en meren. Alles voelt anders dan in de Alpen. Het klimaat is er ruig - hoog op de berg plakken meters vastgevroren stuifsneeuw aan de liftpylonen, zodat het eigenaardige ijskunstwerken worden in het landschap. De gondelbanen moeten halt houden omdat de cabines te veel zwaaien in de wind. Hier is een skibril geen modeartikel, maar noodzaak.

Het licht is er anders. Noordelijk blauw in het hart van de winter, roodachtig later in het seizoen als het voorjaar komt aansnellen. Het ruikt er anders - naar dennen, naar sledehonden, naar vers vuur waarboven gezinnen 's middags worst roosteren.

Tot voor kort was Åre voorbehouden aan de Zweden zelf. Maar omdat de Zweedse kroon goedkoper is geworden, stromen steeds meer Duitsers, Britten en Nederlanders toe. Vanaf deze winter vliegt een charter rechtstreeks van het nabijgelegen Östersund naar Amsterdam, waardoor de lange omweg via Trondheim niet meer nodig is.

Dat heeft gevolgen. Het dorpje Björnen, aan de oostkant van het gebied, is in vijf jaar uit zijn voegen gegroeid. De huizen zijn er  'absurd duur geworden', zegt Anders Gunnarson, die achttien jaar geleden als skileraar in Åre terechtkwam en er nooit meer weg wil. Hij wijst de nieuwe wijken met vakantiehuizen aan. En achter Björnen steekt stijlvol een vijfsterrenhotel uit de berg, gebouwd door Nederlandse investeerders en inmiddels overgenomen door een Noorse hoteltycoon: Copperhill Mountain Lodge.

Soms, zegt Anders, staan er rijen voor de skiliften, 'maar dat lossen we op, dat is niet erg'.
 Wat hem wel steekt, is de andere sneeuwcultuur die de toeristen meenemen. Het is de manier waarop ze de piste afknallen, zegt hij. Als projectielen.  'Meer dan ooit is het zien en gezien worden; kijk maar naar de kleren die ze tegenwoordig dragen. Het hoort hier niet te gaan om het skiën alleen; het gaat om de buitenlucht. Al geloof ik niet dat het buitengevoel ooit uit de genen van dit gebied verdwijnt.'

In elk geval: honderd meter van de piste vandaan verandert het skiresort in een Disneylandschap van zingende dennen. De sneeuw die de takken dragen, dempt elk geluid. Marcus Sundström schuift erdoorheen op zijn langlaufskies. Hij werkt in de skiwinkel van Åre Björnen en leent zich vandaag als cross country-gids (zo noemen de Scandinaviërs langlaufen).
Op zijn pols heeft Marcus  een sneeuwvlok laten tatoeëren. Hij heeft het geprobeerd in de stad, zegt hij, als bankmedewerker in Stockholm, maar hield het er niet uit. 'Ik kwam hier als kind in de vakanties. Ik ben er gaan wonen en wil niet meer weg. Als ik in de stad ben, kan ik het gevoel van sneeuw niet uit mijn hoofd zetten.'

Zo gaat het de bossen in, met de kinderen veilig opgeborgen in de fjellpulka's, die met stangen aan de skiërs hangen. De kinderen trekken hun pulka's dicht en vallen in slaap. Een ijsvisser laat kalm zijn lijn zakken in een bevroren meer. Langs de route staat een vervallen kopermijn - de reden van bestaan van Åre voordat de skiërs kwamen.

En dan staat boven op een heuvel een rood geschilderd, eenzaam houten huis met fier de Zweedse vlag erop. Voor het huis zijn keurig de pulka's geparkeerd; de kinderen die erin horen, zitten al binnen bij de houtkachel en spelen met Lego.
Het houten huis is een bergstugan, een aanlegplaats voor de lunch. De berghut wordt bestierd door drie vrouwen die geen andere taal dan Zweeds spreken, en op een houten tafel in het midden van hun restaurant staat de lunch die ze vandaag kookten: hun fika (koffietafel) met dampende soep, aardappels, pannekoeken, yoghurt en muesli.
'Eet zoveel je kunt', zegt Marcus. 'Eten en buiten zijn horen bij elkaar. Vinden wij, in Zweden.'

En zo is er nog een buitenmens in Åre, die er ooit terechtkwam en nooit meer weg wil. Hij woont buiten Björnen en heet Kaj Westerlund. Zijn honden laten zich horen over de pistes, als hij ze klaarmaakt voor een sledetocht. Acht honden voor een traditionele slee van hout en ijzer. 'Ga achterop staan', zegt hij, en hou de ploegrem ingetrapt totdat ik zeg dat je 'm los kunt laten'.

Als Kaj  zegt dat de rem los kan, schiet een karavaan van vijf sleeën en veertig honden het sprookjesland in - de lage bomen schudden hun sneeuwvracht af als de sleeën de stammen raken, de honden trekken met de tong uit hun bek omdat ze niets liever doen dan rennen door dit landschap.

Over de sleeën heeft Kaj  rendiervellen gelegd. 'Dat is genoeg', zegt hij. 'In de natuur heb je meestal minder nodig dan je denkt.'
Hij laat de karavaan stoppen bij een jachthut, die daar al sinds mensenheugenis staat. Hij veegt de sneeuw van de balustrade, opent de deur, schuift naar binnen en draait een gasfles open. 'Neem de rendierhuiden maar mee', zegt hij. 'Het is koud binnen.'
Het vriest binnen. Buiten liggen de honden uitgevloerd in de sneeuw.
Kaj rommelt wat, giet water in een pan en maakt limonade, die hij op tafel zet. Warme, rode bessenlimonade.
En dan weer terug, met de hondentrein.

Doen & Laten


Reizen
Åre ligt  650 kilometer van Oslo - dat is met de auto en de veerboot  een lange reis voor een week wintersport. Vanaf 14 februari 2010 is er een wekelijkse directe vlucht van Amsterdam naar het nabijgelegen Östersund met ScandJet, circa 375 euro, www.scandjet.com.  Vliegen naar Trondheim kan ook, met KLM, SAS of Norwegian.com, en daar een auto huren..

Slapen
Åre is deels in handen van het bedrijf Skistar, dat meer wintersportplaatsen en een deel van de accommodaties exploiteert. Een verblijf boeken kan op www.skistar.com, maar ook bij gespecialiseerde bedrijven zoals Buro Scandinavia, www.buroscanbrit.nl. Het aanbod is gevarieerd: van vrijstaande huisjes in Björnen (beste kindergebied) tot all inclusive in het moderne Holiday Club (www.holidayclub.se) tot superluxe in de nieuwe  Copperhill Mountain Lodge (www.copperhill.se).

Tijd
Skiseizoen van december tot mei; maart is de beste maand. Dan is het lang licht en is het klimaat zacht.

Activiteiten Langlauftochten en -spullen zijn te boeken en te huren bij Skidcenter in Åre Björnen, www.skidcenter.se.  De berghut Fröå Gruva is alleen open in het winterseizoen,  www.bergstuganfroa.se. Hondensleetochten (70 euro voor een halve dag per gezin): www.hundspann.z.se/denturadogs.

Meer informatie op de site van het Zweeds verkeerbureau: www.visitsweden.com/fitforthewintergames

 

, en op www.visitare.se.

IJsbeer bij de boeg!

donderdag 23 juli 2009 10:36

Een expeditiecruise naar Spitsbergen voert toeristen langs magische natuur, blije wetenschappers, grondstoffendelvers  en resten van de vroegere walvisjacht. Als het meezit, zie je ijsberen. Daarom moet het geweer mee.

Verder gaat niet. IJs breekt in schotsen tegen de romp. De schotsen komen omhoog, kantelen, spoelen weg in de vrieszee. Geen kapitein die het zal wagen onder deze omstandigheden naar het oosten te draaien, naar de Liefdefjord, naar Amsterdam Eiland, naar Smeerenburg of Hinlopen Straat. Het pakijs is dik en drijft van hot naar her. Binnen een paar uur kan het schip omsingeld en dagenlang gegijzeld zijn.

'Het leven is hard', zegt de kapitein, die graag noordelijker had willen varen, naar de ijsberen. En hij keert de boeg.

80 graden noorderbreedte - 10 graden verder ligt de Noordpool, en aan bakboord steken de kliffen van Spitsbergen magisch uit het water. De bergen dragen bruidsjurken van verse sneeuw, en daartussen kronkelen gletsjers, die brokken blauw ijs de zee in duwen.

Het is een stoer schip dat de schotsen breekt. Een oude, smalle, roodgeschilderde marineboot die lichtgebogen door het water gaat. Trotse boeg. Hoog achterschip. Binnen ruikt het naar olie.
De kapitein is een Chileen die zich met decorum onder zijn gasten begeeft en trots is op zijn strepen - ook hier, in de van vrijwel alles verlaten arctische wildernis.

Zijn gasten zitten in het restaurant op het achterdek. Het zijn toeristen. Door de hoge ramen zien ze tijdens de driegangenlunch de poolzee voorbijtrekken, zonder dat ze de kou in hoeven. Ze drinken er Pinot Grigio bij.

Als de zon door de wolken breekt, explodeert het landschap.
Tachtig toeristen vervoert de Antarctic Dream - dat is te weinig voor een cruiseschip en te veel voor een expeditieboot, dus noemt de reder zijn reizen expeditiecruises. Het schip steekt ondiep genoeg om de fjorden te kunnen bevaren die in de eilanden van Spitsbergen snijden, en het heeft een ijsversterkte boeg die schotsen wegduwt of doormidden kraakt. In de benauwde hutten binnen maakt dat een krassend lawaai van metaal op metaal.

De boot verkent de westkust. Omdat daar verder niet veel is, isvoor acht dagen water en proviand meegenomen. Waar mogelijk brengt de bemanning de gasten aan land, met acht zwarte rubberboten.

Steenbreek
Aan land ontluikt de zomer: uit de gletsjers gorgelt water, ivoormeeuwen schieten over de schotsen. De zomer in Spitsbergen duurt nooit lang. Drie maanden per jaar dringt er iets van warmte door in het anders diepgevroren eilandenrijk. Velden paarse steenbreek klimmen uit de sneeuw, en duwen de kou weg. Soms bloeien de bloemen op de toendra al onder de sneeuw. Het is alsof de natuur zoveel mogelijk plezier wil hebben van de arctische zomer. De lente slaat ze over.

De toeristen komen voor de wildernis in het algemeen en de pooldieren in het bijzonder, en de ijsbeer in het meest bijzonder. 'The fluffy white one' noemt expeditieleider Troels Andersen ijsberen graag - eerder had hij uitgelegd dat het moorddadige wezens zijn die hun vrouw en kinderen eten als het moet. En mensen. Aan land draagt Troels daarom een geweer. Alle gidsen die meevaren, dragen een geweer - een ijsbeer schieten is verboden, behalve in geval van zelfverdediging, en dat gebeurt op Spitsbergen drie keer per jaar.

Op de brug staan Troels en zijn collega-gidsen soms urenlang door verrekijkers het pakijs te bespieden, op zoek naar beweging. Een walrus, een walvis, een zeehond - altijd mooi tegen deze dramatische achtergrond. Maar zonder ijsbeer is de reis niet geslaagd.

'Daar!', zegt Troels tegen de kapitein. Maar het is geen beer, het is een geel brok ijs in het landschap.

'Jammer', zegt de kapitein.





Het aantal kleine expeditieboten dat 's zomers rond Spitsbergen vaart groeit; dit jaar zijn het er 21. Als het pakijs halsstarrig blijft liggen en de boten de archipel niet kunnen ronden, zitten ze elkaar nogal eens in de weg, want de toeristen mogen alleen landen op plekken die daarvoor zijn aangewezen. Sinds de jaren negentig groeit het toerisme sowieso hard: voor die tijd was Spitsbergen voorbehouden aan een handvol avonturiers en biologen, nu komen er 27duizend mensen per jaar.

Spitsbergen is interessant geworden, en niet voor toeristen alleen. De kolonie wetenschappers die er van oudsher huist - biologen, meteorologen, ingenieurs - dijt uit. De harde kern woont in de voormalige mijnkolonie Ny Alesund, waar het schip voor anker gaat. Meer dan een collectie houten huizen aan het Kongsfjord is het niet - maar de nederzetting leeft en groeit als nooit tevoren, en dat onder deze barse omstandigheden.

De Chinezen hebben er een huis gebouwd op de toendra, met voor de deur twee leeuwenbeelden. Ze onderzoeken het noorderlicht. De Koreanen zijn gearriveerd; ze delen een huis met de Fransen. Aan het onderkomen van de Indiërs hangt een beeld van Ganesh. Het zijn wetenschappelijke uitvalsbases, maar tegelijk politieke voetafdrukken: met het wijkende ijs wordt het Noordpoolgebied interessant vanwege de grondstoffen die er verborgen liggen.

Bovendien is Spitsbergen van iedereen. Het eilandenrijk is in beheer bij de Noren, die het Svalbard noemen, maar ieder land dat het Verdrag van Spitsbergen heeft ondertekend, mag er aan de slag - zolang het maar geen militaire onderneming is.

'Het is allemaal wereldpolitiek', zegt bioloog Maarten Loonen, bezig aan zijn twintigste zomer in Ny Alesund, waar hij de brandgans onderzoekt. 'Elk land wil nu in het poolgebied zijn. Dat helpt bij de financiering van mijn onderzoek. Ik denk weleens: de enige reden dat ik hier dit onderzoek kan doen, is dat ik klompen draag.'

Verslaafd
Maarten Loonen is verslaafd aan Spitsbergen, zoals er meer zijn die nooit los zullen komen van het ijle leven daar. Gids Yvonne Rinne woonde twee poolwinters lang in Ny Alesund, waar ze het noorderlicht onderzocht, en kon thuis in Oslo nooit meer wennen.

Het Noordpoolgebied, zegt de Antwerpse hoogleraar biologie Louis Beyens, die ook als gids aan boord is, sluipt je hart in en dan wil je het nooit meer kwijt.

Toch is leven op Spitsbergen altijd meer verbonden geweest met wereldpolitiek en economie, dan met emotie en natuur. De resten die dat bewijzen liggen verspreid langs de kust. Merkwaardige ondernemingen zijn hier neergestreken, in dit barse koninkrijk van permafrost en gletsjertongen, waar 's winters de poolnacht heerst en 's zomers de pooldag en de mens zich altijd vervreemd voelt van zichzelf.

Toen Jacob van Heemskerk en Willem Barentsz de archipel ontdekten, tijdens hun epische reis naar het noorden in 1596, vonden ze volle walvisgronden, die in de jaren erna zijn leeggeroofd door Hollanders, Britten en Russen. Wat ze achterlieten, is deels blijven liggen.

Expeditieleider Troels zet de rubberboten uit in de Hornsund en leidt zijn gasten langs de resten: vetovens en geraamten van geslachte walvissen liggen verspreid over de toendra. Het moet er een horror zijn geweest van vuur en bloed en walvisolie, en van gebroken mannenlevens. Net zoals het een horror is geweest in de mijnen, waarvan her en der de resten tevoorschijn komen uit de tanende sneeuwvelden: gietijzeren machines, schuilhutten, treinrails. Een dappere industriële geschiedenis, al werden de mijnwerkers er vooral naartoe gedreven omdat de omstandigheden thuis nog erger waren. Zoals dat nog steeds zo is in het Russische, in rotzooi gewentelde mijndorp Barentsburg, dat vooral bewoond wordt door Roemenen, die een hard leven leiden om het leven thuis minder hard te krijgen.

Naar Barentsburg, zegt Troels, vaart het schip liever niet. Het is er te lelijk, en zijn gasten komen voor de dieren.

Langzaam schuift het schip door de schotsen, door een kapotgeslagen spiegel van ijs.

Dan is het zover.

Louis Beyens ziet hem het eerst. 'Everybody', zegt Troels door de het intercomsysteem, 'Polar bear, at the bow. Polar bear number one, everybody.'

 Een gele stip in de overbelichte poolvlakte, een beer, een ursus maritimus, alleen en onderweg. Hij loopt snel, alsof het decor achter hem wordt weggetrokken. Hij duikt een schots af en zwemt; zijn trechtervormige snuit boven water, zijn bonkige berenlichaam eronder. Hij klimt op een schots, schudt het water uit zijn vacht, kijkt naar de tachtig toeristen die over de reling hangen en duizenden foto's van hem maken, het beest waarop ze hadden gewacht.

De beer kijk nog een keer en loopt dan verder de leegte in, alsof hij weet waar hij moet zijn.

 
Toeristen zijn de beste reclame voor natuurbescherming

Toenemend toerisme en maagdelijke natuur gaan niet altijd samen, maar op Spitsbergen is de gouverneur, de Sysselman, ervan overtuigd dat het kan. Natuurbehoud staat in alles voorop, zegt adviseur toerisme Oddmund Rønning in het Sysselman-kantoor in de grootste nederzetting van Spitsbergen, Longyearbyen.

Toeristen mogen alleen op aangewezen plekken aan land gaan - er is een wet in voorbereiding om het oostelijke gedeelte van de archipel helemaal voor hen af te sluiten. Ze mogen niks, nog geen schelp, mee naar huis nemen. Alles wat van voor 1956 stamt, is op Spitsbergen tot onaantastbaar erfgoed verklaard. Zolang het aantal toeristen beheersbaar is, heeft het ook mooie kanten. Toeristen, zegt Rønning, raken doordrongen van de kwetsbaarheid van het gebied en vertellen dat thuis verder. Ze zijn de beste reclame voor natuurbescherming  tegen de grote bedreigingen van het moment: klimaatverandering en de chemische vervuiling.

Daarbij betaalt elke toerist natuurbelasting, die in een pot gaat waaruit projecten worden bekostigd. Dat leverde tot nu toe 6 miljoen kronen op, ruim zes ton.

En dan hebben de toeristen Spitsbergen, en Longyearbyen in het bijzonder, leefbaar gemaakt, zegt Trygve Steen, directeur van Spitsbergen Travel. Het industrieterrein dat Longyearbyen was, is eindelijk een dorp geworden. Nooit eerder liepen er zoveel jonge ouders rond met kroost dat een crčche kreeg, een school en een hangplek met een skateboardbaan. 'Voor een gemeenschap van 1.400 mensen hebben we geweldige voorzieningen: een zwembad, een bioscoop, vers fruit in de supermarkt, een jonge, betrokken bevolking. Dat heb je allemaal niet in Noorse dorpen van deze omvang.'

Dat is vooral te danken aan de enorme cruiseschepen die het IJsfjord in varen en voor een paar uur afmeren aan de kade van het dorp. In de Svalbard Posten is een lijst afgedrukt met de namen en aantallen passagiers - soms ruim drieduizend, die het dorp in lopen en de souvenirwinkels leegkopen.

Eeuwige eilanden

vrijdag 3 juli 2009 15:52

Alles is één voor de westkust van Canada. Toine Heijmans kajakt er over paarse en oranje zeesterren zo groot als fietswielen, door de wildernis, langs onbewoonde rotseilanden en bergen met verse sneeuw.

De deining heeft geen einde. Er kan vanalles gebeuren met de wereld maar de lange, trage oceaandeining rolt altijd door. Omhoog-omlaag, en de kajak gaat mee. Veel dichter bij het water kun je niet zijn, in dat felgele kunststof bootje. Met je hele huishouden in het voor- en achteronder. Met de tent, het drinkwater en voedsel voor dagen. Alles deint mee. En als je naar de zeehonden peddelt, zwemmen ze weg omdat ze denken dat je een orka bent.

Peddelaars varen in de oceaan, in plaats van erbovenop. Ze zien de wildernis vanuit het perspectief van een zeehond, of van een otter. Dat maakt het allemaal nog groter dan het is.
De kajak drijft tussen 84 rotseilanden die de Broken Group Islands zijn genoemd. Ze liggen in een baai van de Stille Oceaan, aan de rand van Canada. Aan de rand van de wereld. Ooit moeten die eilanden door een voorzienigheid in het water zijn gekeild - achteloos - en nog steeds liggen ze er zo bij, omhuld door een voorouderlijke stilte.

Elk geluid, elke kras van een raaf, elke krijs van een adelaar kaatst langs de rotsen. Waar de deining stukslaat, waar het water kreken en grotten binnendringt, suist en buldert het even en dan trekt het zich terug en is al het geluid ineens verdwenen.
Dan hoor je waterdruppels van je peddel vallen.

Kevin Bradshaw heeft de truck geladen met drie kajaks. Hij is een peddelaar. Met peddelaar bedoelen ze niet iemand die graag peddelt, maar iemand die het peddelgeloof aanhangt: een apart mengsel van hippievrijheid en natuurliefde, passend bij de autonome leefgewoonten van de bewoners van Vancouver Island. Peddelaars kunnen weken achtereen peddelen en wonen in een tent. Kevin is uiteindelijk kajakgids geworden, zeven jaar geleden, en peddelt 130 dagen per jaar in zijn biotoop, ten zuiden van zijn dorp Ucluelet, waar ex-hippies, rednecks en indianen samenleven omringd door meganatuur.

Haal er geen geintjes uit, want Kevin en zijn geloofsgenoten dulden geen toiletpapier in het water. Al het afval gaat mee terug de kajak in. Plastic is een doodzonde. En op de eilanden waar gekampeerd mag worden, zijn toiletten geplaatst met hypermoderne composteertechniek.
De wildernis ziet er stevig uit, maar is zo kwetsbaar dat je er niet eens mag vissen.

De zeekajaks gaan te water in Toquart Bay, drie kwartier rijden over een grindweg waarlangs de zwarte beren bessen komen eten. Rondom de baai staan bergen, bedekt met verse sneeuw. De eilanden liggen als een gecamoufleerde marinevloot in de oceaan - ze zijn verder weg dan je denkt, zegt Kevin. Laten we haasten, straks komt de wind. De regen. De wildernis ziet er nu ontspannen uit, maar kan ineens gaan grommen. Vannacht nog heeft het in de bergen gesneeuw.

Hij propt de lange kajaks vol met waterdichte zakken. Dan duwt hij ze af, de stilte in.
Niet veel later begint de deining.
Peddelaars houden van de stilte. Ze glijden over doorzichtig water. Over oranje en paarse zeesterren, zo groot als fietswielen. Langs de oever staan huizen van een indianenreservaat. De Canadezen noemen hun indianen first nations.    In de indiaanse dorpen is het een ander Canada. Die hebben, met wat mazzel, net elektriciteit gekregen, of een aansluiting op het riool. Sommige zijn alleen per boot te bereiken.

De first nations van Vancouver Island heten de Nuu-cha-nulth, een verzamelnaam voor veertien stammen. Kevin heeft, net als veel andere peddelaars, een heilig ontzag voor de inheemse cultuur, en voor de natuurliefde die ermee is verbonden. Dat komt, zegt Kevin, doordat Canada zelf zo weinig geschiedenis heeft. En daar wel naar snakt.

Aldus zal hij altijd en overal, en zeker hier, de belangrijkste wet van de Tsheshat te gehoorzamen, de stam die zich in deze baai als eerste vestigde. Die wet luidt Hishuk-ish-tswalk: alles is één.
Zeker op Benson Island, dat klein en hoekig in het water ligt. Aan de zuidkant belaagd door de branding, die met geweld stukslaat op de rotsen. Aan de noordkant omzoomd door zandstrand, luw neergelegd als in een schilderij van Bob Ross.

De kajaks gaan het strand op, dat is bedolven onder cederhout: hele stammen met wortelsystemen, gebleekt door zout en zon; kleine takken, gepolijst door oneindig schuren langs schelpen en stenen.
Benson Island is teruggegeven aan de first nations omdat dit de plek is waar hun aanwezigheid begon. Sinds dat archeologisch is aangetoond, mogen peddelaars er niet meer kamperen.
Er zijn zeven eilanden waar dat nog wel mag. Op Dodd Island haalt Kevin de kajaks leeg, en bouwt hij een keuken op het strand. Er is niks - behalve het moderne composteertoilet en het regenwoud en een onwaarschijnlijk uitzicht over de oceaan, de eilanden en de versbesneeuwde bergen.

Op Dodd Island kijken Peter en Christine door een verrekijker naar een verzameling kleine, zwarte scholeksters. Peter en Christine zijn ook peddelaars: drie weken onderweg. Met hun verweerde gezichten vallen ze nauwelijks meer op in het landschap.
 Volgens de wildernisetiquette mag je twee weken in het gebied blijven, en vier nachten achtereen kamperen op een kampeereiland, maar Peter en Christine hebben hun tent goed verstopt. Peter zegt dat hij nooit meer ergens anders wil zijn. Als hij niet terug moest om drinkwater te halen, zou hij er eeuwig blijven kajakken, zegt hij. Net zoals de indianen dat deden, in hun kajaks van uitgeholde ceders.

Single Rock is een steen in de oceaan. Een boom klampt zich eraan vast. Eén boom, hoog en strak gesneden, een kaarsrechte kathedraal. In de winter slaan golven van vijftien meter over het eiland heen, maar de boom is altijd blijven staan. Zijn kale wortels zoeken in de spleten van de rots naar houvast en zoet water.

Alle bomen hier zijn kathedralen, en veelal eeuwen oud. Kevin weet waar de oudste staat (maar verklapt niet waar, zegt hij erbij); het is een flatgebouw van hout, een vlechtwerk van meerdere stammen met een geschiedenis van 1500 jaar. Die moet de indianen dus nog echt hebben meegemaakt, zegt Kevin.

Door de bomen waait de laatste ochtendmist. In de top van de hoogste ceder zit een Amerikaanse zeearend, die strenge  vogel met zijn witte kop en hoge fluit. Bald eagle: de nationale vogel van de Verenigde Staten.
Hij kijkt of Kevin wat laat liggen van het ontbijt, maar Kevin stopt alles in de kajaks. Hij laat het eiland achter zoals het was.


DOEN & LATEN

 

Zeekajakken
Zelf een kajak huren kan, maar is in dit gebied echt alleen voor de zeer ervaren zeekajakker weggelegd. Kleine kajakondernemingen bieden meerdaagse tochten aan onder leiding van gidsen. Een goede staat van dienst heeft Majestic Ocean (www.oceankayaking.com). Vierdaagse tocht voor 999 Canadese dollars (560 euro).

Klimaat
Niet voor niets groeit hier gematigd regenwoud: dit is het meest beregende gebied van Noord-Amerika. Drie meter neerslag per jaar is normaal, zes meter komt voor. De winters zijn koud en stormachtig; juni, juli, augustus en september zijn geschikte maanden voor kajakkers. Augustus wordt faugust genoemd vanwege de dikke zeemist die het gebied dan langdurig kan bedekken.

Reizen
Vlieg naar Vancouver of Calgary (kan rechtstreeks met KLM of Air Transat), reken op 900 euro). Neem de veerboot naar Vancouver Island (Victoria) of vlieg naar Nanaimo. Neem de bus naar Tofino of Ucluelet of, beter, huur een auto. Wie het hele eiland wil zien heeft weken nodig. Tip: wandel de nieuwe North Coast Trail.

 

Lees ook: Het reisdagboek van Gert-Jan

Gastronomie bij de Noordpool

vrijdag 26 juni 2009 21:17

Gebouwd in 1950 (geīnaugureerd in 1951) was Huset decennia de huiskamer van de kompels die werkten in de kolenmijnen van Longyearbyen, de enige nederzetting van belang op Spitsbergen. Hier zopen ze hun gage op, als ze kregen uitbetaald. Zo snel mogelijk dronken worden hielp kennelijk tegen de ellendige omstandigheden. Hier was ook een bioscoop annex theatherzaal, die er nog steeds is.


Kompels zijn er minder nu, maar Huset staat nog fier (een wit gebouw in steen) in het industriële landschap van de stad.

 

 

Huset betekent Huis. Het huis van Longyearbyen.

 

 

Het staat midden in de arctische toendra, en herbergt tegenwoordig een restaurant dat driegangenmenu's serveert waar culinaire journalisten op af komen, en dat een prijswinnende wijnkelder heeft. In Huset krijg je, op de rand van de wereld, vooraf een oestersoep met krab, vervolgens coquilles met granaatappel en ui, vervolgens rendierbiefstuk geschoten op het eiland zelf en vervolgens merengue met rozemarijncrčme en vanilleijs.

 

 

Plus wijn naar keuze - er staan grand cru's uit 1978 te wachten.

 

 

Dat is op zijn minst merkwaardig: er is een hoop te koop op Spitsbergen maar vrijwel alles moet worden ingevoerd. Alles wat vers is, komt per vliegtuig. Zelfs rendiervlees moet uit Noord-Noorwegen komen, want rendieren worden nauwelijks nog geschoten op Spitsbergen (en als jagers ze schieten, is het voor eigen gebruik), en rond de eilanden mag vanwege de natuurbescherming niet gevist worden. Iets daarbuiten wel, maar die vis moet dan eerst naar Tromso voor afslag en controle, en komt dan weer terug naar waar het vandaan kwam.
De manager van Huset, André Grytbakk, prijst zich gelukkig met een ambitieuze keukenbrigade die niet alleen goed kan koken, maar onderhand ook weet waar ze de spullen vandaan moeten halen. Ze kennen de jager die een rendier heeft geschoten, en verder verlaten ze zich op allerlei adressen op het vasteland van Noorwegen.

 

 

Huset is ruim twee jaar geleden overgenomen door ondernemers uit Oslo. Winst maken ze niet, zegt André Grytbakk; dat ze break even draaien komt vooral door de bar en ‘nachtclub' die nog steeds populair is. Zuipen doen ze hier inderdaad nog steeds, al wonen er nauwelijks meer kompels.

 

 

En dan de wijnkelder: twintigduizend flessen. De verzameling is twintig jaar geleden begonnen door een vroegere eigenaar, en meeverkocht met heel Huset. Op een plank staan argeloos grote grand cru's uit de jaren tachtig. Het heeft nogal wat tijd gekost de verzameling terug te brengen van de 35 duizend flessen die het was, zegt André Grytbakk. Maar nu is de collectie goed op orde.
Als je erin staat, en de manager maakt een fles Montepulciano open, lijkt het net of je in de bewoonde wereld bent. Maar daar ben je niet; je bent niet ver van de Noordpool.

 

Zadenbank

donderdag 25 juni 2009 11:00

Het is een simpel ding, en dat is het. De ingang valt weg in de eindeloze wildernis van Spitsbergen; een driehoek van beton is het die bescheiden uit een berg steekt. Langs het pad dat erheen voert staan geen wegwijzers. Op het ding zelf is niet meer dan een klein bord gemonteerd met de naam erop. En wie er rond wil lopen, moet een geweer meenemen tegen de ijsberen.

 

Dit moet de plek zijn die de aarde gaat redden, als die geteisterd wordt door atoombommen, aardbevingen, overstromingen, oorlogen of wervelstormen. Dit is de ‘doomsday vault’, de kluis voor het Einde der Tijden, de ‘Ark van Noach’:  achter deze deuren ligt een halve wereld aan landbouwzaden opgeslagen, van Filippijnse rijst tot Mexicaanse maīs. Zodat de mens opnieuw kan beginnen, mocht er iets verloren gaan.

 

Echte naam: Svalbard Global Seeds Vault – wereldwijde zadenkluis, te Spitsbergen.
De toegang heeft stalen deuren, bomvrij en aardschokvast, al zien ze er zo niet uit. Het zijn gewoon stalen deuren, met een klink. Achter die deuren is een gang van honderdvijftig meter, een korte mijnschacht die de berg in voert en uitkomt bij drie kamers. In één van die kamers staan stellingen onder tl-verlichting. Op die stellingen rusten blauwe kunststof dozen in de vrieskou. En in die dozen zitten zaden.

 

Dat is het.

 

‘Soms’, zegt Ola Westengen alvast, coordinator of operation and management van de bekendste zadenbank ter wereld, die anderhalf jaar geleden met veel mediageraas werd geopend, ‘soms voel ik me ongemakkelijk bij het beeld dat is ontstaan. De media, en ook onze eigen pr-afdeling, maken er iets fantastisch van: een James Bond-achtig ding, science fiction, terwijl het dat helemaal niet is. Het is geen hightech, het is zo lowtech als wat. Dit is een bankkluis waar we uit voorzorg zaden opslaan die in andere zadenbanken zijn opgeslagen. Niet meer, niet minder.’
‘Nou’, zegt Cary Fowler later, de grondvester van het project: ‘de term doomsday vault is aardig maar wij hebben hem niet bedacht. Op zich kan de kluis van nut zijn bij een ramp, maar dat is niet de hoofdzaak. De hoofdzaak is dat de diversiteit aan zaden niet verloren gaat.’

 

 

De landbouwkluis van Spitsbergen gaat zelden open. Vier tot zeven keer per jaar, alleen als er nieuwe zaden arriveren. Journalisten mogen er doorgaans niet binnen – mensen laten de temperatuur stijgen. ‘Dit is geen bezoekerscentrum’, zegt Ola Westengen, die over zijn hart streek omdat hij toch in de kluis moest zijn om nieuwe zadenmonsters uit Colombia en Duitsland op te bergen. Hij beheert de collectie van inmiddels 420 duizend verschillende monsters namens NordGen, het onderzoekscentrum van de Noorse overheid. Hij doet het werk erbij, naast zijn genenonderzoek aan de universiteit van Oslo.

 

 

Lowtech en lowcost: de hele bemanning van de zadenbank bestaat uit deeltijdwerker Westengen en uit Morten, een Spitsberger van beton die afwisselend met twee anderen de kluis technisch controleert. ‘Er gebeurt eigenlijk nooit wat’, zegt Morten. ‘En dat hoort ook zo.’

 

De machinekamer van het hele complex is kleiner dan de technische ruimte van een klein kantoor.

 

Het moet ook een simpel ding zijn, want techniek gaat maar kapot.

 

 

De zadenbank, ā 7 miljoen dollar, is de droom van Cary Fowler, de Amerikaan die van felle activist tegen de agro-industrie uitgroeide tot de directeur van de Global Crop Diversity Trust, die zich toelegt op het bewaren van landbouwzaden die verloren dreigen te gaan. ‘We hebben nu’, zegt hij telefonisch vanuit New York, ‘een van de grootste zadencollecties van de wereld. Ik denk dat we over vijf jaar een miljoen soorten hebben. Altijd als ik er ben voel ik me wonderful;
Het is ons gelukt iets simpels te maken waar de hele wereld baat bij heeft.’

 

 

Sinds de mens begonnen is met landbouwen, zegt Ola Westengen, en sinds de mens gewassen veredelt en weerbaar maakt tegen ziektes, verdwijnen de oorspronkelijke soorten als ijsschotsen in de zomer. Dat schaadt de biodiversiteit, ‘het is alsof we allerlei verdiepingen aan het bouwen zijn terwijl het fundament verdwijnt.’ Niet zozeer oorlogen en wervelwinden zijn daarmee de vijand van de biodiversiteit, maar de mens zelf.

 

 

Fowlers idee was verre van nieuw. De Rus Nikolai Vavilov ging begin jaren twintig al de wereld rond om zaden te verzamelen en begon daarmee de eerste zadenbank in het toenmalige Leningrad – zo stevig gebouwd dat-ie de belegering van de stad tijdens de Tweede Wereldoorlog doorstond. Over de hele wereld zijn nu 1400 zadenbanken die zo’n beetje alles bewaren wat ze kunnen. De kluis in Spitsbergen dient enkel als achtervang: de nationale zadenbanken sturen er kopieën van hun collecties heen – gratis, zolang de zaden beschikbaar blijven voor (genetisch) onderzoek. Zo liggen er ook monsters in van Vavilovs oorspronkelijke verzameling.

 

 

De huidige zadenbanken voldoen niet, vindt Fowler. Die van Irak bijvoorbeeld werd geplunderd. Die van Afghanistan werd vernield door de Taliban, die van de Filippijnen werd geraakt door een cycloon, in 2006. Daar spoelden zaden weg van soorten die nooit meer te reproduceren zijn. ‘De meeste zadenbanken zijn meer dan matig’, zegt Fowler. ‘Ze opereren nauwelijks naar internationale standaarden.’

 

 

Dat kan wel op Spitsbergen, dicht bij de Noordpool, waar de permafrost alomtegenwoordig is. Het gros van de zaden is langere tijd houdbaar bij 18 graden vorst, is berekend. Zo koud is het dus exact in de kluis, achter de met ijs afgezette deuren. Die situatie ontstaat niet helemaal vanzelf: de basistemperatuur in de berg, zes meter onder de altijd bevroren grond, is min 4 Celsius. Daarom staat er naast de ingang een zeecontainer met een generator die de temperatuur binnen op min 18 houdt. ‘Als de stroom uitvalt’, zegt Westengen, ‘wordt het inderdaad warmer binnen. Maar dat zal heel langzaam gaan en veel zaden blijven ook bij vier graden vorst in orde.’

 

 

Hij loopt de mijnschacht in, die is afgezet met golfplaat. Op de grond ligt water. Door een slang wordt meer water naar buiten gepompt, en Westengen vraagt vriendelijk er geen foto’s van te maken. Water zou hier altijd moeten bevriezen, maar in de kluis is het niet koud genoeg. Nog niet, zegt Westengen. ‘De rots en aarde die na het graven van de tunnel is teruggestort, is nog niet helemaal op temperatuur. Maar dat komt goed. Dat heeft een paar jaar nodig.’

 

 

‘We zijn heel transparant over de situatie hoor’, zegt hij ook. ‘Maar foto’s leiden weer tot beelden in de hoofden van de mensen, je weet hoe dat werkt.’ En daar zou in elk geval de pr-afdeling niet blij mee zijn.

 

 

De schacht eindigt in een open, grofgestucte ruimte met toegang tot drie kamers: de kluizen, verlicht door tl-armaturen. Twee ervan zijn leeg; daar bungelt slechts een simpele thermometer aan een draad. De middelste kluis is dicht, de deuren stijfbevroren. Daar liggen, op eenvoudige stellages, opgeborgen in eenvoudige kunststof opbergbakken, de 420 duizend monsters, uit 25 landen.

 

 

De drie kluizen samen kunnen maximaal 4,5 miljoen soorten bevatten, ‘dat zijn meer soorten dan er bestaan’, zegt Westengen. ‘Je kunt maar beter ruim in je vel zitten.’
Van elke soort worden 500 zaden opgeslagen, genoeg om de planten twee generaties weer op te kweken. ‘Bij bonen en pinda’s nemen we er minder van’, zegt Westengen. ‘Anders nemen ze teveel ruimte in beslag.’

 

 

Westengen beschikt over een eenvoudige computer en een labelmachine. Daarmee print hij de labels voor de zadenmonsters die binnenkomen. Niks geen speciaal transport: ‘gewoon met DHL en TNT’. De labels plakt hij op de zilverkleurige zakken waar de zaden in worden bewaard. Die zakken zijn speciaal gemaakt, uit lagen aluminium en valéron, een kunststof film. ‘Het lijkt op een zakje Uncle Ben’s rijst, maar op deze manier werkt het het beste.’

 

 

Ze gaan in plastic dozen, van 60 bij 40 bij 25 centimeter. En die dozen gaan op een plank, waar ze soms decennia kunnen blijven, en soms een paar maanden – afhankelijk van de houdbaarheid ervan.

 

 

Niet alles houdt het vol in de kou van de zadenkluis. De zaden van de banaan bijvoorbeeld zijn zo in steriel vruchtvlees verpakt, dat ze alleen in vitro bewaard kunnen worden – levend dus. Graan is gemakkelijk, kool is moeilijk. Net als radijs. Mango en papaja: geen kans. ‘Het zijn vooral zaden uit droge of extreme gebieden, die we goed kunnen bewaren. Sommigen blijven decennia goed, anderen twee maanden. Het zijn de nationale genenbanken die de voorraad bijhouden, en de voorraad verversen. Wij doen niet meer dan bewaren.’

 

 

 

Daarmee is de kluis vooral ook een ontwikkelingsproject: het moet de landbouwlanden van de Derde Wereld aansporen hun oorspronkelijke landbouwzaden te koesteren, opdat ze niet verloren gaan in de ‘wapenwedloop’ danwel de ‘rat race’ die de landbouw volgens Westengen teistert. Fowler meldt dat steeds meer landen geīnteresseerd raken: hij is in gesprek met China, Rusland en Ethiopië – maar het gaat langzaam. ‘Waarom – nou, ik denk, ik weet het natuurlijk niet precies maar laat ik zeggen dat het politieke en bureaucratische apparaat in bepaalde landen tijd nodig heeft.’

 

 

 

Niet alle landen willen hun monsters zomaar afgeven, als anderen er onderzoek mee kunnen doen. Daarom doen er ook geen commerciële bedrijven mee, die dure patenten hebben op hun nieuwe vondsten.

 

 

 

Westengen sluit de kluisdeur. Het mag er niet te warm worden. Hij loopt terug door de mijnschacht, stapt naar buiten en sluit af. Morgen weer naar Oslo.

 

 

 

‘Kijk gerust nog even rond in de buurt’, zegt hij. ‘Maar ga niet ver van de auto en laat de portieren open staat, zodat je snel kunt wegvluchten. Er zijn dit jaar veel ijsberen.’

Dodelijk schattige ijsbeer

maandag 22 juni 2009 21:07

Polar bear number one. Polar bear number one, everybody, at one o'clock. Polar bear number one.

 

Iedereen aan dek voor polar bear number one, de kalme, sloffende beer schuin voor de boeg. Hij kuiert over een schots, ten noorden van Spitsbergen, zijn vacht steekt bruingeel af tegen het witte ijs, duikt het water in, zwemt naar de volgende schots en klimt erop, schudt zijn vacht droog, kijkt naar het schip en sloft verder door de sneeuw, grote pantoffelvoetstappen achterlatend.

 

 

IJsberen zijn gevaarlijk, had Troels gezegd, de Deense expeditieleider. Van ijsberen denkt iedereen dat het knuffeldieren zijn, maar ze zullen je knuffelen tot de dood. Er is geen enkele lieve ijsbeer, zei Troels. Die bestaan niet. Ook Knut niet, de Duitse dierentuinijsbeer. Moordmachines zijn het, en daarom moet iedereen die Spitsbergen bezoekt voorzien zijn van een geweer, of van een gids voorzien van een geweer. Plus een alarmpistool om de ijsberen af te schrikken, ‘sommigen schrikken ervan, anderen doet het helemaal niks.' In groepen wandelaars gaat de man met het geweer altijd voorop. Maximale afstand: 25 meter. IJsberen zijn snel en wendbaar, voor hun lompe gestalte.

 

 

Voor polar bear number one komen geen geweren aan dek, wel camera's. Met toeters van lenzen - een Vlaamse fotoclub is aan boord en dit is het moment waarop ze hebben gewacht. De camera's gaan af, sluiters klikken constant wat het geluid van een regenbui produceert.
Ik zie hem niet meer! Heb jij al een foto getrokken? Ja daar! Achter die schots. Hij duikt eronder! Hij duikt eronder! Hij klimt erop!

 

 

Over ijsberen valt veel te vertellen. Er zijn genoeg wetenschappers die zich druk maken over de ijsbeer, die vanwege de opwarming van de aarde door sommigen als bijzonder bedreigd wordt gezien. IJs weg is jachtgebied weg. Dat zou wel eens een evolutionaire mislukking kunnen worden: de ijsbeer bestaat als aparte soort slechts 160 duizend jaar - een knipoog in de natuurlijke geschiedenis van de wereld. Dit voorjaar nog spraken de ijsbeerlanden tijdens een ijsbeerconferentie gezamenlijk hun zorg uit.

 

 

Maar op Spitsbergen lopen er zoveel rond dat ze als een plaag worden gezien. Bioloog Maarten Loonen overweegt een aantal onderzoekslocaties te verlaten, vanwege het gevaar.

 

 

Er zijn 25 duizend ijsberen, volgens berekeningen van de Polar Bear Specialist Group. Ze hebben het zwaar in Alaska en noord-Canada, maar elders groeien de aantallen, met name door de jachtverboden die vanaf de jaren zeventig zijn ingesteld. Op Spitsbergen mag een beer alleen geschoten worden uit zelfverdediging. Dat gebeurt drie keer per jaar.

 

 

Het ijsbeertellen en ijsbeervoorspellen is een wetenschappelijk gezelschapsspel. Je kunt er niets mee, als leek. Maar je kunt wel naar ijsberen kijken, en vaststellen dat alle dierentuinijsberen, Knut inclusief, onmiddellijk uit hun hondenhokken bevrijd moeten worden. Het ijs kan dan terugtrekken - een ijsbeer is een man alleen die de ruimte nodig heeft.

 

 

Polar bear number one loopt ongestoord verder, weg van de boot die in het pakijs drijft, graaft een luchtgat voor zeehonden uit, en gooit zijn volle gewicht erin. Water spat uit het gat. Hij hoopt op een zeehondenjong, maar het is te vroeg in het jaar.

 

 

Soeverein loopt hij door, de ijsschots over, schijnbaar het enige levende wezen in de ijswoestijn, anders dan de toeristen op de stoere rode boot. Er is geen begin van zijn pad, er is ook geen einde- als-ie zo doorloopt komt hij bij de Noordpool uit.

 

 

Hij raakt uit zicht en aan boord wordt de lunch geserveerd en beginnen de Vlamingen met klaverjassen.

 

 

De boot schokt en schuurt over het ijs.

 

 

Polar bear number two, everybody. At seven o'clock, polar bear number two.
Dek stroomt vol. Geen polar bear.

 

 

We made a mistake. Sorry everybody. These things can happen.

 

Amsterdam Eiland

zaterdag 20 juni 2009 15:23

80 graden noorderbreedte - nog maar 10 graden verwijderd van de Noordpool. Voor sommigen een reden champagne te drinken en dat doen ze dus ook, hier aan boord tijdens de expeditiecruise langs de kusten van Spitsbergen. Ik heb nooit begrepen waarom dat soort mijlpalen belangrijk kunnen zijn - belangrijker vind ik de plek waar het schip voorlangs vaart: Amsterdam Eiland, in de meest noordwestelijke hoek van de archipel.

 


Op Amsterdam Eiland ligt Smeerenburg, basis van Nederlandse walviswaarders in het begin van de zeventiende eeuw. Het begin van de zeventiende eeuw! 1619! Eerste traanoven gebouwd op Amsterdam Eiland! En dan noemen ze deze vaartocht een expeditie, in een stalen schip met ijsversterkte boeg, hakkend en glijdend en trillend over het wijkende pakijs, met veertig hutten aan boord en in elke hut een douche, en elektriciteit om je fotocamera op te laden, je videocamera, je gps, je laptop. En als je naar huis wilt bellen neem je de satelliettelefoon ā 2,50 dollar per minuut. E-mailen kan ook ā 2,50 dollar per email.

 

Noem het de oprukkende beschaving, niks mis mee, het is heerlijk om dit stukje te tikken in de lobby van het schip, met koffie binnen handbereik en rondom uitzicht op de wildernis - voorbijtrekkende ijsplaten, langsschietende papegaaiduikers, het donkere lijf van een dwergvinvis, de ongedurigheid van een ijszee - maar blijf denken aan de mannen van Smeerenburg van toen.

 

 

En blijf denken aan de mannen van Barentsburg nu; een dorp niet ver van Ny Alesund geheel gewijd aan de mijnbouw. Mijnwerkers uit Rusland en Oekraīne wonen er die alleen uitbetaald krijgen als ze twee jaar blijven in een van de meer miserabele nederzettingen van Europa. Het is er vervallen en geradbraakt; het is het overleven van de armsten. Net zoals de walvisvaart op Smeerenburg overleven van de armsten was - en iedereen zoekt een uitweg.

 

Kenniskolonie

vrijdag 19 juni 2009 22:53

Ze noemen zich graag de meest noordelijke nederzetting ter wereld, maar zijn het niet want er zijn noordelijker nederzettingen, en wat maakt het uit. Een verzameling huizen en onderzoeksapparaten, laag langs het fjord, bewoond door enkel wetenschappers en een staf die de wetenschappers onderhoudt. In de donkere poolwinter wonen er twintig, in de heldere poolzomer wonen er tweehonderd. Ze hebben elk hun eigen houten onderkomen - de Noren een onder architectuur gebouwd modern huis, de Duitsers een degelijke blauwe woning, de Indiërs een hut met Ganesh aan de wand en de Chinezen hebben twee leeuwen voor de deur. De Koreanen doen het met een eenvoudig bord waarop ze van hun afkomst melding maken, en huizen in bij de Fransen.

 

Iedereen wil wetenschappers hebben in deze kenniskolonie, maar niet voor de wetenschap alleen. Soms zelfs helemaal niet voor de wetenschap. De Noordpool is vlakbij en elke natie wil voet aan de grond in het arctisch gebied: ‘de enige reden dat ik het hier met mijn onderzoek heb overleefd', zegt Maarten Loonen van de universiteit in Groningen, twintig zomers op Ny Alesund vanwege zijn onderzoek naar de brandgans, ‘is dat ik klompen draag. Het is allemaal wereldpolitiek, iedereen wil in het poolgebied zijn nu het er zo snel verandert. Maar zo kan ik wel mooi dit belangrijke onderzoek doen.'

 

Een plek op Ny Alesund is hopen op een plek in de Raad van Arctische Landen. En kans op olie, gas, toerisme, wie weet wat meer.

 


Vanaf het water (toeristen mogen alleen per boot komen, het vliegtuig is voorbehouden aan wetenschappers) ziet het dorp er nog uit als de mijnstad die het was. Twee hoge grijze mijngebouwen, gesloten sinds de jaren zestig toen de een ongeluk ruim twintig kompels het leven kostte. Het stalen karkas van een kolentrein. De stalen stellage waaraan in 1926 een zeppelin werd vastgemaakt; de zeppelin waarmee poolontdekkingsreizigers Amundsen en Nobile als eersten over de Noordpool vlogen. Amundsen, de grootste poolreiziger ooit, heeft in het dorp een borstbeeld: een starre man met ‘een neus als een ijsbreker' (schreef Cees Nooteboom).

 

Ny Alesund is een andere wereld. Het hoort niet bij de gewone wereld. ‘Het is geweldig hier, alles is anders. Dit is echt mijn second life', zegt Maarten Loonen. Het is moeilijk niet verslaafd te raken aan het dorp, zegt Yvonne, die er een winter bivakkeerde voor haar promotie-onderzoek naar het noorderlicht. ‘De regel is dat je niet langer dan drie jaar moet blijven. Anders kun je nauwelijks meer terug.' Zelf had ze drie maanden nodig om zich bij thuiskomst aan te passen aan het gewone leven; ‘het duurt even voordat je weer gewend bent aan de verkeersdrukte en aan de gewoonte om je huis op slot te doen.'

 

Ze eten elke avond samen, in de kenniskolonie. Ze vieren elke zaterdag feest (‘en ook op andere avonden', zegt Yvonne). Ze zijn zo ver van de rest van de wereld dat die lijkt opgehouden te bestaan.

 

 

Jammer dus dat steeds meer toeristen het ‘noordelijkste dorp ter wereld' aandoen. Ze komen per schip en wandelen een rondje, kopen souvenirs in de ‘meest noordelijke souvernirshop ter wereld' en posten een kaart in het ‘meest noordelijke postkantoor ter wereld'. Soms komen er drie schepen per dag. Op grote borden worden de toeristen toch vooral gevraagd op de paden te blijven - ze zouden struikelen over de wetenschappelijke apparaten en experimenten als ze het niet deden.

 

 

Longyearbyen

vrijdag 19 juni 2009 18:46

Het lijkt een Noorse naam, maar dat is het niet: de hoofdstad van Spitsbergen is genoemd naar de Amerikaan Longyear die er een onderneming in kolenmijnbouw begon. Hoe kan iemand ooit op het idee zijn gekomen hier een onderneming te beginnen, in dit ongemakkelijk harde landschap.

Het is ook geen hoofdstad; noem het een nederzetting, slordig geparkeerd halverwege het eiland. Alles ligt erbij alsof het morgen verlaten kan zijn: huizen als zwerfkeien. Sneeuwscooters op straat, wachtend op de winter. Kabels en leidingen bovengronds vanwege de permafrost, de eeuwig en overal bevroren grond. Een kleine kerk met een kleine school erachter en daarachter de bruinleren bergen, bevlekt met sneeuw.

 

Bij iedereen die voorbij loopt – maar vooral bij de zwangere moeder met haar dochter van twee, of bij de kinderen die rondhangen bij de rollerskate-ramp, stel je de vraag wat ze er doen. Is het de vrouw van een kompel? Is het een wetenschapper? Zijn het kinderen die hier altijd hebben gewoond? Is het iemand die ooit is aangewaaid en nooit meer wegkwam?

 

Er is een kleine haven waar drie zeiljachten dobberen. De elektricteitscentrale die alles levend houdt staat naast de oude elektriciteitscentrale, die veel kleiner was. Niemand nam de moeite de oude af te breken. Dingen die niet meer nodig zijn, blijven hier gewoon staan.

 

En in de winter is er nooit licht: tot Kerstmis houden ze het uit omdat je naar Kerstmis kunt uitzien, maar januari is een hel.

 

Het is een rare stad om te leven. Een poolstad die alles weerstond en nu zelfs groeiende is. Eerst was er alleen mijnbouw en wetenschap, nu komen daar de toeristen bij. Zo ontstond er in de hoofdstraat een hele rij souvenirwinkels. En zo werd de nederzetting die bedoeld was als industrieterein, steeds meer een dorp. Een echte gemeenschap - met vrouwen en kinderen dus.

 

Maar waar zijn de toeristen?

 

De plaatselijke krant, de Svalbard Posten, heeft een lijst afgedrukt met het aankomstschema van de grote cruiseschepen en hun aantallen passagiers. De kleinste heeft er duizend aan boord, de grootste 3400. Die komen straks dus allemaal langs de rij souvenirwinkels. 3400 toeristen in een dorp met 2000 inwoners. Ha! Daar draait er één het IJsfjord in, een blauwe, een kasteel op het water. Een Duitse van TUI Cruises. Het schip heet MEIN SCHIFF, dat staat er heel groot op. En als het heeft aangelegd, stromen de Duitse toeristen het eiland op, de souvenirwinkelstraat in, en de verkopers zijn er speciaal vroeger voor naar hun werk gekomen.

 

De stad is officieel van niemand. De Noren mogen Spitsbergen besturen (dat ze Svalbard zijn gaan noemen, ‘koude kust’ terwijl het natuurlijk ontdekt is door Willem Barentsz die het echt Spitsbergen noemde, naar de spitse bergen); de Noorse gouverneur heet de Sysselman, maar in feite is heel de arctische eilandenarchipel eigendom van de landen die in de jaren twintig het Spitsbergen-tractaat ondertekenden. Die mogen er doen wat ze willen, zolang het niet militair is: een kolenmijn uitbaten (zoals de Russen doen in het niet ver weg gelegenBarentsburg), of wetenschap bedrijven. Nu het ijs smelt en de gletsjers zich terugtrekken, wordt Spitsbergen bovendien steeds interessanter als springplank naar de Noordpool. Dan kun je, alleen al uit politieke redenen, maar beter een voet aan de grond hebben, als straks de olie- en gasvelden zijn ontdooid.

 

Daarom ook wonen er steeds meer mensen, in Longyearbyen.

Zoveel dat je je afvraagt wanneer het een echte stad gaat worden.

Een moment op de allerhoogste top

donderdag 28 mei 2009 16:08

Avonturier Bernice Notenboom haalde de top van Mount Everest, maar niet zonder slag of stoot. Toine Heijmans spreekt haar via de satelliettelefoon.

 

De Amerikaan lag halfdood op de berg. Handschoenen uit, handen bevroren, zuurstof op, 8500 meter hoog in de ijle lucht van Mount Everest. Ze kwam hem tegen, op weg naar de top, en vroeg zich af wat te doen. Doorklimmen? Helpen? Wat is belangrijker: de top of een halfdode Amerikaan?

 

‘Hij was een malloot. Hij deed het alleen en had geen ondersteuning. Maar je wilt niet dat hij sterft. Ik heb 'm zuurstof en water gegeven en mijn extra handschoenen, de expedities die na mij omhoog klommen, deden hetzelfde en sherpa's hebben 'm naar beneden gebracht.'


Leven en dood, zegt Bernice Notenboom vanuit Nepal door de satelliettelefoon, komen griezelig dicht bij elkaar op de hoogste berg ter wereld. Dat weet je van tevoren, maar het is erger dan dat.
Ze klom door en haalde de top, vorige week zaterdag, als tweede Nederlandse vrouw ooit.
De Amerikaan heeft het overleefd, ‘al is hij zijn vingers kwijt, zijn tenen en zijn neus'.


Voor de klim van Notenboom waren meer moeilijke beslissingen nodig. Ze raakte met vriend Walter en sherpa Lhapka Nuru Sherpa bedolven onder een lawine. Walter overleefde ternauwernood, Lhapka stierf. ‘Er was zoveel ijs en sneeuw, Walter en ik vielen in een gletsjerspleet. Daar hang je dan ondersteboven en je denkt: over vijf minuten is Walter dood. Hij kon nauwelijks ademhalen. Ik bleef maar koel nadenken. Ik schreeuwde en werd gehoord. We zijn gered. Lhapka, met wie ik heel veel optrok tijdens de expeditie, niet.'

 

Stoppen of doorgaan?
‘Als je daar over gaat nadenken, kun je nooit meer klimmen.'
En: ‘Morgen ga ik de weduwe van Lhapka bezoeken. We hebben een fonds opgericht, zodat zijn kinderen in Kathmandu naar school kunnen. Dat is tenminste iets.'

 

De eindklim naar de top was een waagstuk: een storm naderde. Het was de enige kans, en een groot risico tegelijk.

 

Stoppen of doorgaan?
‘Het ging net goed. We stonden op de top en zijn meteen weer naar beneden gegaan. Die storm had niet eerder moeten komen.

 

Was dit het waard?
‘Ja. Al weet ik dat ik dat alleen kan zeggen, omdat het voor mij goed is afgelopen. Ik zit hier supergezond na te denken over alles wat er is gebeurd en kan het nog niet allemaal begrijpen. Ik kreeg emails: stop ermee, het is gevaarlijk. Maar ik ben blij dat ik heb doorgezet, dat ik het kan.

 

Dat is moeilijk uit te leggen aan mensen die niet klimmen. Dat is helemaal niet uit te leggen.
‘Er stonden die dag 25 mensen op de top, en op een eerdere topdag 88. Toch is het speciaal. Er zijn niet veel mensen die het in een eerste poging halen. Veel worden ziek. Het is een heel, heel zware onderneming die twee maanden duurt - je moet supergemotiveerd zijn.


‘Ik voel een beetje euforie nu, maar dat heeft niet met de top te maken. Het heeft ermee te maken dat ik weet wat ik kan, hoe ik omga met heel moeilijke situaties. Dat is enorm verrijkend.'

 

Het persoonlijke dagboek van Bernice Notenboom over haar beklimming is te lezen op www.volkskranreizen.nl/bernice.

Zeilende veerboot met waddengevoel

vrijdag 22 mei 2009 13:27

En weer is er een veerdienst bij op de Waddenzee. Lagen de eilanden er een paar jaar geleden nogal geīsoleerd bij (alleen toegankelijk via de grote veren vanuit Den Helder, Harlingen, Lauwersoog en Holwerd), inmiddels is het eilandhoppen een begrip geworden en kun je, met wat uitkienen, in de zomer een reis maken van Texel naar Schiermonnikoog zonder de vaste wal te raken.


Die reis verloopt dan zigzaggend door spannende zeegaten tussen de eilanden, of door ondiepe geulen met vervaarlijk stromend water. Dat is dus niet alleen handig, maar ook een kans iets van het echte Waddengevoel te grijpen - zeker in de zomer, als de eilanden belaagd worden door hordes vakantiemensen.


Het Waddengevoel: je kunt er varen, maar alleen als je je neerlegt bij de natuurkrachten van het getij en de weersomstandigheden.
De nieuwe veerdienst is wat dat betreft ook echt nieuw: ze vaart onder zeil. Het is de klipper Willem Jacob uit 1889, die deze zomer dagelijks twee eilanden verbindt volgens een aan het getij aangepaste dienstregeling: 6 juli Ameland-Terschelling, 7 juli Terschelling-Texel, 8 juli Texel-Terschelling.
Trek er een hele of halve dag voor uit, want zeilen gaat langzaam en de schipper zegt er alles aan te doen om te voorkomen dat-ie de motor moet starten. Voor wie niet van puzzelen houdt zijn arrangementen bedacht, inclusief overnachtingen in de Stayokay-jeugdherbergen. Overnachten kan ook aan boord.


Wie meevaart (lange tochten 59 euro, korte 29 euro) moet wel zelf meehelpen met zeilen. Maar dan ben je wel, voor even, een echte beurtschipper.

 


Informatie over de Willem Jacob, arrangementen en kaartverkoop: www.eilandhopper.nl.
Andere waddenhopveren:
Texel-Vlieland met ms. De Vriendschap, www.waddenveer.nl.
Ameland-Schiermonnikoog met ms. Boschwad en ms Robbenboot, www.robbenboot.nl.
Tussen Terschelling en Ameland vaart alleen de Willem Jacob.

 

 

Hishuk ish tswalk

maandag 18 mei 2009 01:10

De allochtonen van Canada heten First Nations. Dat is een mooigevonden, neutrale term. Mooier dan allochtoon, in elk geval, en het zijn ook geen allochtonen in de Nederlandse zin van het woord maar de oorsponkelijke bewoners van dit land.

 

Net als in de Verenigde Staten hebben de indianen (want dat zijn het) hun eigen reservaten, soms niet groter dan een dorp met het land er omheen. Sommige van hun dorpen op Vancouver Island zijn alleen per boot te bereiken, of per zandpad. Ze worden geleid door een stamhoofd (de chief, erfelijk verbonden met zijn voorouders), die wordt bijgestaan door een raad van zeven gekozen leiders.

 

Op Vancouver Island zijn de First Nations alomtegenwoordig, vooral in de souvenirwinkels waar totems en ander indianenspul ruim voorhanden is. Hun kunst, een abstracte vorm met wilde dieren als thema, hangt overal. Dat is geen politiek-culturele correctheid (wat ik eerst dacht) maar waarachtige interesse en, om dat doodgeslagen woord maar eens te gebruiken omdat er geen beter woord voor is, respect.

 

De First Nations van Vancouver Island heten de Nuu-cha-nulth, een verzamelnaam voor de veertien overgebleven tribes. In hun dorpen is het een ander Canada. Die hebben, met wat mazzel, net elektriciteit gekregen, of een aansluiting op het riool. Blak bij het voormalige hippiestadje Tofino bijvoorbeeld, waar de hippies nu goed verdienen aan toerisme, ligt zo'n First Nations Reserve. Het heet Esowista: lintbebouwing van houten huizen en stacaravans. Het ligt even schitterend als Tofino aan het ruige oceaanstrand, met bomen tot de vloedlijn, maar iedereen voelt dat het er anders is. Armer. Beperkter. Enclaves in een rijke wereld zijn het. Vraag naar het leven daar, en 'problemen' is een vaak terugkerend woord.

 

Het gekke is dus dat Canadezen, of in elk geval de Canadezen die ik hier tegenkom, ondanks die afstand in leefstijl en toekomstmogelijkheden veel weten van de oude indianenculturen. Ze voelen zich er zelfs mee verwant, ook al liggen hun echte wortels in Schotland, Ierland of Nederland. 'Onze geschiendis is te jong', zei Sean tegen me, de kajakgids. Hij oefent zelfs op de oorsponkelijke, voor de niet-ingewijde onuitspreekbare indianentaal die,als ze niet oppassen, nog zal uitsterven.

 

Hij studeert op hun gewoonten, op hun tradities. Een vriend van hem is pas getrouwd met de dochter van een chief. 'Ik ben aan het uitzoeken of hij er straks recht op heeft chief te worden.'

 

Het uit zich daarbij in een onuitsprekelijke liefde voor de natuur, die bij veel Canadezen hier is ingeboren. Bij het ontbijt zei een andere kajak-gids, Kevin, dat hij bij het kamperen altijd de belangrijkste wet van de Tsheshat zal gehoorzamen (de stam die zich in dit gebied van de Broken Islands als eerste vestigde): Hishuk-ish-tswalk. Alles is een. Zeker op Banston Island, dat onlangs is teruggegeven aan de First Nations omdat het hun eiland van de 'creation' bleek (op basis van archeologische vondsten): de plek waar het allemaal begon.

 

Elke kruimel die overbleef van het ontbijt, stopte Kevin in een afvalzak die hij drie dagen met zich mee zou slepen tot we terug waren in de bewoonde wereld. Een 'wilderness etiquette' die niet alleen door hem, maar door iedereen hier wordt hooggehouden.

 

Geen commentaar

zondag 17 mei 2009 20:21

Of je mee gaat kajakken, drie dagen. Bij Vancouver Island, in de oceaan, tussen met regenwoud begroeide eilanden die Broken Islands heten (als je ze ziet, weet je waarom). Tent mee, eten en drinkwater voor drie dagen, alles waterdicht verpakt.

En dan maar peddelen.

En foto's maken.

Verder geen commentaar.

Beren op de weg

zondag 17 mei 2009 08:47

Er wonen 250 duizend beren op dit eiland, dus moet je er een tegenkomen. Maar we zien ze niet. We rijden over Vancouver Island, aan de prachtige westkust van Canada, we rijden van Nanaimo naar Port Alberni naar Tofino en naar Ucluelet, we kajakken drie dagen in de baai bij dat dorp, waar ze ook moeten wonen, de beren, maar we zien ze niet. We zien de schitterendste dingen: bomen van 1500 jaar oud, zeehonden, adelaars, otters, zeeleeuwen - maar geen beren.

 

We speuren de kust af, vanuit onze kajaks. Niks. We houden de weg in de gaten vanuit onze huurauto. Niks. Er moeten er toch echt 250 duizend zijn (248.998 zwarte beren en 2 grizzly's). En ze zijn uit hun winterslaap, het is half mei. En dan zoeken ze voedsel, is ons verteld: gras langs de wegen, krabben langs de kust.

 

We geven het op.

 

We rijden terug van Ucluelet naar Nanaimo. Staren naar de weg. En dan zien we een bruine vlek aan de andere kant van de weg. We denken: weer een stuk hout. En jawel. Het is weer een stuk hout.

 

En dan nog een bruine vlek. En dat is een beer. We gooien het stuur om van de huurauto, draaien het raampje open, en daar is ze: de beer. Gras etend. Ze keurt ons geen blik waardig. Drie meter naast de auto staat ze. Auto's stoppen achter ons, armen met camera's zwaaien uit die auto's en de beer eet rustig verder, tot ze weer het woud intrekt.

 

We rijden verder. Het is klaar. Het is gedaan. We hebben alles gezien.

 

En dan een zwarte vlek. Groter nog. Diepzwart. Een schitterend groot beest, twee meter naast de auto, je zou uit willen stappen en die glimmende vacht willen voelen; een beer is even aantrekkelijk als gevaarlijk. De zwarte zijn niet agressief, maar toch.

Waarom willen mensen toch zo graag onder de dieren zijn? Omdat ze niet te ver van de natuur willen afdrijven?

 

In elk geval: de reis is klaar.

 

Het wild van de sjeik

vrijdag 8 mei 2009 16:52

Water en bomen zijn in Abu Dhabi  waardevoller dan dure auto's en klatergoud, ontdekt Toine Heijmans. Diereneiland Sir Bani Yas ligt daarom aan het infuus.

Het is niet moeilijk dit eiland te laten sterven. Draai de kraan dicht en de fruitbomen, de duingazellen, de cheeta's en de spiesbokken gaan eraan, met de Arabische zon als getuige. Al het groen en al het leven op dit eiland is afhankelijk van het water dat onafgebroken wordt gemaakt in een waterfabriek op de vaste wal, een grote, grijze, kunstmatige long. Dertig miljoen liter per dag pompt de fabriek het eiland op. Elke boom, elke struik hier heeft zijn eigen zwarte tuinslang. Zijn eigen infuus.


Sir Bani Yas heet het eiland: een druppel in de Perzische Golf. Het eiland is de top van een zoutpilaar die diep naar beneden reikt, en alleen daarom al geen plek voor flora en fauna. Maar zolang de mens het wil, bloeit de natuur er uitbundig: drie miljoen bomen, hordes zeldzame woestijndieren. Flamingo's wadend in een meer.

Dit eiland is een Arabische ark van Noach. Gemaakt door mensen en door één van hen in het bijzonder: sjeik Zayed Bin Sultan Al Nahyan, tot zijn dood in 2004 leider van Abu Dhabi. 'Elk dier', had de sjeik gezegd, 'moet hier als een gast behandeld worden.' En dat gebeurt.
Abu Dhabi is de machtigste en  welvarendste van de zeven Verenigde Arabische Emiraten, de samenklonterende oliestaten op het Arabisch schiereiland. Anders dan in Dubai, dat nauwelijks olie heeft en nauwelijks geschiedenis, maalt men er weinig om de platte blingbling van de nieuwe rijken. Jazeker: er rijden kuddes Cayennes over ruimbemeten asfaltwegen, maar liever koesteren de sjeiks van Abu Dhabi andere dingen: cultuur (het Louvre komt, en het Guggenheim) en groenvoorziening.

In heel het emiraat sputtert water uit tuinslangen die van boom naar boom lopen, van plant naar plant. Honderden, duizenden kilometers tuinslang bevochtigen het land, zodat de schemering er ruikt naar een frisse lentebui.
De oude sjeik Zayed - zijn portretten hangen overal -  bracht dit land in vijftig jaar van de barre middeleeuwen naar bizarre rijkdom. Nog balanceert het emiraat tussen toen en nu: de straten van zijn geboortedorp Al Ain zijn naar westers model geplaveid, de koffiehuizen hebben airco, maar de mannen zitten liever buiten op hun hurken thee te drinken zodat ze het woestijnzand nog tegen hun enkels voelen waaien.

De sjeik beloofde dat zijn land groen zou worden. Want voor een bedoeīen als hijzelf,  opgegroeid in een tijd van tenten en woestijnverhalen, zijn  water en bomen duizend keer waardevoller dan auto's en klatergoud.
Dus spuiten in Al Ain de fonteinen, en vermaakt men zich op vrijdagavond in een hel uitgelicht park waar gras groeit op kale steen. Het ruikt er naar jasmijn, en bougainvillea.
Maar Al Ain was de sjeik niet genoeg. Er moest een overwinning komen die groter was: de ultieme overwinning van een nomadenjongen op de harde natuur.  Het werd een eiland in de Perzische Golf, geroosterd in de zon, dat hij vanaf 1971 uit zou bouwen tot 230 vierkante kilometer natuurgebied. Een wijkplaats voor Arabische fauna, uitbundig begroeid      met acacia's en palmen die strak in het gelid staan. Met daaronder de zwarte tuinslangen, die het eiland omspannen als een spinnenweb. Voor elke toerist die er komt, wordt een mangroveboom geplant. Hoe meer bos, zeggen ze er, hoe minder het eiland afhankelijk zal worden van de waterfabriek die het in leven houdt.

Voor de dieren wordt voedsel aangevoerd: 30 duizend ton per week.
Er staan twee grote gebouwen op het eiland. Het oude paleis van de sjeik, niet meer in gebruik maar dagelijks schoongehouden door 120 man, en een zes maanden geleden geopend luxehotel.  Sir Bani Yas moet een toeristische attractie worden, heeft de nieuwe sjeik besloten; zes andere woestijneilanden worden er ook voor klaargestoomd.

Gids Janna neemt de toeristen mee op wildsafari, in haar open Landcruiser. Het gros van de dieren leeft achter hekken, zodat de Arabische soorten niet in de knoop raken met die uit de rest van de wereld. 'Welkom in Jurassic Park', zegt Janna, als ze de hekken openschuift.
Daarachter lopen de Arabische spiesbokken. Witte, schaapachtige antilopen met hun parallelle, kaarsrechte hoorns - de trots van de sjeiks. In het wild uitgestorven in 1972, maar hier leven ze er in halve gevangenschap op los.

Om hen heen dansen de duingazellen, een onopvallende, zandkleurige soort die de Sahara overleeft op dauw en plantenvocht en zich hier, in het woestijnparadijs, wonderbaarlijk snel vermenigvuldigt. Voor ze het wisten waren er 20 duizend duingazellen op Sir Bani Yas - om ze in te tomen hebben de wildlifemanagers vier cheeta's gekocht in Somalië, opdat de natuur haar werk kan doen.
De cheetahs liggen op de grond, in een hok, 'we leren ze hoe ze op gazellen moeten jagen', zegt Janna. 'De sjeik heeft jagen en vissen door de mens verboden.'
Verder gaat de tocht, langs achtendertig giraffen - die hebben niks met het Arabisch schiereiland te maken maar waarschijnlijk, zegt Janna, vond de sjeik het leuke dieren. 'Of hij heeft er een paar cadeau gekregen.'

Is het natuur? Is het kunst? Is het een dierentuin? Is het dan toch, stiekem, Arabische blingbling?
Het is, in elk geval, wat geld kan doen.

 

DOEN & LATEN

 

Reizen
Vlieg naar Abu Dhabi (rechtstreeks met KLM circa 1500 euro, met overstap 800). Al Ain ligt 200 kilometer naar het oosten (per bus of auto), Sir Bani Yas ligt 300 kilometer naar het zuidwesten (per auto in drie uur, of per luxe watervliegtuig). www.abudhabitourism.com.
 
Al Ain
Interessanter dan de metropool Abu Dhabi City. Het Al Jahili-fort is onlangs gerestaureerd, en herbergt een expositie over het land vķķr de olie-boom. Met oude foto's van de sjeik en van de Duitse reiziger Wilfred Thesiger die er lang verbleef (lees zijn Arabian sands, uit 1971). Bezoek zeker het paleis van de sjeik, met (pre- historische vondsten. www.adach.ae.
 
Sir Bani Yas
Verblijf alleen mogelijk in het Anantara Desert Resort & Spa, 5 sterren maar relatief klein (64 suites). Vanaf 1400 dirham per nacht (290 euro). Wildtochten te voet, per kano of per auto aldaar te boeken. http://desertislands.anantara.com.

Abu Dhabi City
Typische Arabische oliestad, maar niet zo extreem als Dubai. Sjeik Zayed heeft een klein mausoleum bij de nieuwe moskee, in hagelwit marmer en afgeblust met bladgoud. Grootste tapijt ter wereld (35 ton), grootste koepel in z'n soort, grootste kandelaar ter wereld. Imposant, maar mist patina.

 

Lees ook: Arabische tuinstad

                   Welkom thuis

Profielfoto toine  heijmans

toine heijmans

Woonplaats: vinex
Toine Heijmans is algemeen verslaggever van de volkskrant en woont sinds drie jaar in de amsterdamse vinexwijk IJburg. Voor de krant schreef hij een serie columns over het ontluikende leven in een nieuwbouwwijk. Inmiddels is er ook een boek over verschenen.
Beroep: journalist
Man
  • Niet verplicht
  • Je boodschap moet minstens 5 en hoogstens 1500 tekens bevatten
  •  

IN AANTOCHT!

fotoHet eerste boek over en voor Vinexburgers. verschijnt 5 april bij LJ Veen. Gaat dat lezen. bestel hier alvast! of hier! (zoekwoord: vinex) Het gaat zo: je bent jong en woont in de stad en belooft er nooit meer weg te gaan. De stad is de vrijheid. Nieuwbouw is verachtelijk. Geen sprake van dat je ooit zult worden als je ouders. En dan woon je er zelf. Hoe kan het dat een moderne, jonge stedeling in weerwil van al zijn voornemens in een Vinex-wijk belandt? Vinex, dat staat toch voor een doods burgermanbestaan, voor modder en blokkendozen? Met oprechte verbazing ziet Toine Heijmans, buurtbewoner van het allereerste uur en in de jaren zeventig opgegroeid in een nieuwbouwwijk, hoe de zanderige bouwput om hem heen zich ontwikkelt tot een kleine, fascinerende samenleving vol leven en vol verhalen, waarin niet zelden zijn eigen gezin een hoofdrol vervult. In La vie Vinex tekent hij deze verhalen op en rekent en passant met een aantal veel voorkomende vooroordelen af. La vie Vinex gaat over heipalen, pioniersmentaliteit en gemeenschapszin, over de ideale schuttinghoogte en ondernemersgeest. Over clubgevoel, planschade en de juiste school voor je kinderen. Maar ook over loze beloftes en verloren illusies, de oprukkende stad, de eerste graffiti en de eerste emigranten. Kortom: over leven in een moderne nieuwbouwwijk.

mijn vinex-kasteel

foto

Ander onderwerp

fotoDat me vijf jaar bezighield en een boek opleverde. Over asielzoekers in Nederland, en Nederland over asielzoekers. En dit is wat de minister er van vond.

Laatste reacties

persona

Dodelijk schattige ijsbeer
Onbekend: ijsberen zijn te geackk gewoon helemaal aan!

persona

Zeemansdroom
Onbekend: thanks-i ca n Remembe you were staying at albion-you come …

persona

Zeemansdroom
Onbekend: interesting-kanenrestau @ hotmail.com-mauritus small island in the indian ocean-contact

persona

Luchthavenland
Onbekend: bla bla bla bla bla bla bla bla klaar bla …

persona

Vakantiepark Terschelling Midsland, Terschelling
Onbekend: wat een geldklopperij, zeg, voor die plastic "huisjes". Kmaperen is …

Archief / RSS

Bekijk het hele archief van toine heijmans, of klik op een van de jaren hieronder om een deel van het archief te ontsluiten.

2010
2009
2008
2007
2006

Zoek in het archief



Zoeken

Abonnementen

Alle blogs rss google netvibes
Deze gebruiker rss google netvibes

Statistieken

TelMiep
  •