Dwars Afrika
Het continent van binnenuit

We hadden elkaar
nog maar nauwelijks begroet, of het gesprek werd al afgebroken. Hm,
dacht ik, nu ik binnen Nairobi ben verhuisd, blijkt de ontvangst
van het mobiele netwerk toch niet overal in huis even sterk. Dat
soort dingen kan gebeuren. Gewoon nog eens gebeld.
Iemand anders nam op. 'He is driving right now. There's cops on the road, so he will call you back in a few minutes.' Oh, dat was het dus. Niet de slechte verbinding, maar het feit dat mijn gesprekspartner plotseling politie in het vizier kreeg. En dus zijn telefoon liet vallen.
Zelf bel ik in de auto niet. Ik neem hooguit op om te zeggen dat ik later zal terugbellen. Vroeger ging ik rijdend wel gesprekken aan. Ook ik zag toen ooit ineens politie op de weg, liet mijn mobieltje in de schoot vallen, maar lette even niet goed op het verkeer, waardoor achter mij een auto tegen me opbotste. Niet mijn schuld natuurlijk: ik remde enkel!
De politie in Kenia, zo luidt de tamelijk begrijpelijke volksopvatting, is er vooral om zichzelf te dienen en te beschermen. Verkeerscontroles zijn meestal bedoeld om bellende automobilisten en vooral de chauffeurs van matatu's, de minibussen, geld uit de zak te kloppen.
Liefst handje-contantje. Maar sinds kort, zo meldde een Keniaanse krant, is er een manier bijgekomen waarop de heren en dames agenten hun salaris weten op te toppen. In Kenia is het namelijk mogelijk om via de mobiele telefoon geld te verzenden. Mpesa, zo heet bijvoorbeeld de service van het bedrijf Safaricom.
Heel handig, zo weet inmiddels ook de politie. Een man in Narok werd onlangs opgepakt, omdat hij in zijn pick-up illegaal gekapt hout zou vervoeren. In de cel kreeg hij echter van een diender te horen hoe hij snel weer vrij zou kunnen komen. Inderdaad. Even Mpesa bellen.
Iemand anders nam op. 'He is driving right now. There's cops on the road, so he will call you back in a few minutes.' Oh, dat was het dus. Niet de slechte verbinding, maar het feit dat mijn gesprekspartner plotseling politie in het vizier kreeg. En dus zijn telefoon liet vallen.
Zelf bel ik in de auto niet. Ik neem hooguit op om te zeggen dat ik later zal terugbellen. Vroeger ging ik rijdend wel gesprekken aan. Ook ik zag toen ooit ineens politie op de weg, liet mijn mobieltje in de schoot vallen, maar lette even niet goed op het verkeer, waardoor achter mij een auto tegen me opbotste. Niet mijn schuld natuurlijk: ik remde enkel!
De politie in Kenia, zo luidt de tamelijk begrijpelijke volksopvatting, is er vooral om zichzelf te dienen en te beschermen. Verkeerscontroles zijn meestal bedoeld om bellende automobilisten en vooral de chauffeurs van matatu's, de minibussen, geld uit de zak te kloppen.
Liefst handje-contantje. Maar sinds kort, zo meldde een Keniaanse krant, is er een manier bijgekomen waarop de heren en dames agenten hun salaris weten op te toppen. In Kenia is het namelijk mogelijk om via de mobiele telefoon geld te verzenden. Mpesa, zo heet bijvoorbeeld de service van het bedrijf Safaricom.
Heel handig, zo weet inmiddels ook de politie. Een man in Narok werd onlangs opgepakt, omdat hij in zijn pick-up illegaal gekapt hout zou vervoeren. In de cel kreeg hij echter van een diender te horen hoe hij snel weer vrij zou kunnen komen. Inderdaad. Even Mpesa bellen.
Een Dondergod, een
bliksemschichtende Zeus, een Jehova die met de vreselijkste plagen
smijt. Je hoeft als stadsbewoner maar een stukje dichter terug bij
de bomen en het andersoortige groen te komen, om weer te begrijpen
waarom onze voorouders hun pantheon samenstelden uit fenomenen die
zij waarnamen in de natuur.
Nu ik binnen Nairobi verhuisd ben, is ook het uitzicht vanuit mijn werkkamer veranderd. Als ik over mijn laptop heen recht voor mij uit kijk, zie ik het bruin van het dak van de buren, maar verder weg enkel het groen van bomen. Dat laatste zal geen jaren meer duren, want waar in Kenia's hoofdstad eerst paddenstoelen groeiden, schieten nu de huizen uit de grond. Maar vooralsnog is het groen.
De lucht erboven is soms strak blauw, maar vaak ook grijs. We leven immers in het seizoen van de long rains, de grote regentijd. Er komt gemiddeld genomen te weinig uit de hemel dit jaar, maar als het komt, komt het vaak met grote kracht naar beneden.
De kraaien verstommen en zoeken net als andere vogels een tijdelijke schuilplaats. In de werkkamer voelt het donker aan. Mijn hand reikt naar het lichtknopje van de bureaulamp, maar het schijnsel blijft uit. Zoals zo vaak: de regen komt, de stroom gaat. Het wachten nu is op het moment waarop donder en bliksem elkaar zullen treffen; op dat splijtende moment van de flitsende klap.
Als ware het ter voorbereiding, blader ik terug in The Thing Around Your Neck, de prachtige nieuwe verhalenbundel van de jonge Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie: ‘You watched a mango tree crack into two near-perfect halves during a thunderstorm, when the lightning cut fiery lines through the sky.'
Zo kan het gaan. Misschien zelfs zal ook hier, net als in het verhaal van Adichie, echi eteka te voorschijn komen, een giftige slang, waarvan zij de naam vertaalt als ‘morgen is te ver weg'. En zo precies voelt het ook. Er is alleen het nu. Het nu van het steeds dichter getrokken regengordijn, de almaar fellere flitsen en de onontkoombaar aanzwellende donder. Van de machtige goden, en de nietige mens.
Nu ik binnen Nairobi verhuisd ben, is ook het uitzicht vanuit mijn werkkamer veranderd. Als ik over mijn laptop heen recht voor mij uit kijk, zie ik het bruin van het dak van de buren, maar verder weg enkel het groen van bomen. Dat laatste zal geen jaren meer duren, want waar in Kenia's hoofdstad eerst paddenstoelen groeiden, schieten nu de huizen uit de grond. Maar vooralsnog is het groen.
De lucht erboven is soms strak blauw, maar vaak ook grijs. We leven immers in het seizoen van de long rains, de grote regentijd. Er komt gemiddeld genomen te weinig uit de hemel dit jaar, maar als het komt, komt het vaak met grote kracht naar beneden.
De kraaien verstommen en zoeken net als andere vogels een tijdelijke schuilplaats. In de werkkamer voelt het donker aan. Mijn hand reikt naar het lichtknopje van de bureaulamp, maar het schijnsel blijft uit. Zoals zo vaak: de regen komt, de stroom gaat. Het wachten nu is op het moment waarop donder en bliksem elkaar zullen treffen; op dat splijtende moment van de flitsende klap.
Als ware het ter voorbereiding, blader ik terug in The Thing Around Your Neck, de prachtige nieuwe verhalenbundel van de jonge Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie: ‘You watched a mango tree crack into two near-perfect halves during a thunderstorm, when the lightning cut fiery lines through the sky.'
Zo kan het gaan. Misschien zelfs zal ook hier, net als in het verhaal van Adichie, echi eteka te voorschijn komen, een giftige slang, waarvan zij de naam vertaalt als ‘morgen is te ver weg'. En zo precies voelt het ook. Er is alleen het nu. Het nu van het steeds dichter getrokken regengordijn, de almaar fellere flitsen en de onontkoombaar aanzwellende donder. Van de machtige goden, en de nietige mens.
Nu ik binnen
Nairobi verhuisd ben, en sommige plekken dus wat verder van mij
vandaan zijn gekomen (andere juist weer dichterbij), nu heb ik ook
meer tijd om in het verkeer de teksten achter op de
matatu's, de minibussen, te lezen en tot mij door te laten
dringen. Het blijft, hoe raadselachtig soms ook, een aangenaam
tijdverdrijf.
‘Believe I can fly', zo las ik vanochtend ter hoogte van Dagoretti Corner. Een persoonlijk voornaamwoord ontbrak, dus ik neem aan dat de gebiedende wijs die overbleef, ook zo is bedoeld: Geloof dat ik kan vliegen. Nou, reken maar dat ik dat geloof: ik zie de minibussen, in overdrachtelijke zin althans, haast nooit anders doen dan zich gedragen als weggebruikers die ver boven het andere verkeer verheven zijn.
De dagprijs echter gaat naar de matatu die op de achterruit niet alleen het woord Vision had staan, maar daarbij ook een verrassende specificatie gaf: ‘20:30'. Ik kan dat niet anders lezen dan als ‘half negen in de avond', maar weet tegelijkertijd dat het niet zo is bedoeld.
‘Vision 2030' is de officieel bedachte verzamelnaam voor alle regeringsplannen die Kenia over ruim twintig jaar in de vaart der volkeren opgestoten moeten hebben. Opdat de volgende generatie, zij die nu de volwassenheid nog niet hebben bereikt, zich de inwoners van een stevig ontwikkeld land kunnen noemen.
De jong-volwassenen in Kenia, de mannen bijvoorbeeld die de minibussen hun vliegende vaart geven, zullen voor het overgrote deel moeite hebben zich in die Visie te herkennen. Anno 2009 is er helaas nog maar verdraaid weinig dat in de richting wijst van stevige ontwikkeling en daarmee een stabiel land.
Integendeel. De politieke bedenkers van Vision 2030 zijn, opnieuw, meer met elkaar en elkaars vermeende en werkelijke tekortkomingen bezig dan met het eendrachtige vooruitgangsdenken en -werken. De bevolking houdt bij alle ruzies soms benauwd de adem in en vraagt zich niet af of, maar wanneer de zaak uit elkaar zal klappen.
Mogelijk heel snel al, denken velen. Rond half negen vanavond, zeg maar. Dat hebben de matatu's dan weer scherp gezien.
‘Believe I can fly', zo las ik vanochtend ter hoogte van Dagoretti Corner. Een persoonlijk voornaamwoord ontbrak, dus ik neem aan dat de gebiedende wijs die overbleef, ook zo is bedoeld: Geloof dat ik kan vliegen. Nou, reken maar dat ik dat geloof: ik zie de minibussen, in overdrachtelijke zin althans, haast nooit anders doen dan zich gedragen als weggebruikers die ver boven het andere verkeer verheven zijn.
De dagprijs echter gaat naar de matatu die op de achterruit niet alleen het woord Vision had staan, maar daarbij ook een verrassende specificatie gaf: ‘20:30'. Ik kan dat niet anders lezen dan als ‘half negen in de avond', maar weet tegelijkertijd dat het niet zo is bedoeld.
‘Vision 2030' is de officieel bedachte verzamelnaam voor alle regeringsplannen die Kenia over ruim twintig jaar in de vaart der volkeren opgestoten moeten hebben. Opdat de volgende generatie, zij die nu de volwassenheid nog niet hebben bereikt, zich de inwoners van een stevig ontwikkeld land kunnen noemen.
De jong-volwassenen in Kenia, de mannen bijvoorbeeld die de minibussen hun vliegende vaart geven, zullen voor het overgrote deel moeite hebben zich in die Visie te herkennen. Anno 2009 is er helaas nog maar verdraaid weinig dat in de richting wijst van stevige ontwikkeling en daarmee een stabiel land.
Integendeel. De politieke bedenkers van Vision 2030 zijn, opnieuw, meer met elkaar en elkaars vermeende en werkelijke tekortkomingen bezig dan met het eendrachtige vooruitgangsdenken en -werken. De bevolking houdt bij alle ruzies soms benauwd de adem in en vraagt zich niet af of, maar wanneer de zaak uit elkaar zal klappen.
Mogelijk heel snel al, denken velen. Rond half negen vanavond, zeg maar. Dat hebben de matatu's dan weer scherp gezien.
De buurlanden
Rwanda en Burundi kennen meer overeenkomsten dan verschillen. De
samenstelling van de bevolking is vergelijkbaar, het landschap -en
daarmee ook het economisch potentieel van de landbouw en andere
sectoren- is vrijwel hetzelfde (en de grens tussen de landen
uiteraard een kunstmatige), en de talen wijken niet zo heel
veel van elkaar af. Ook de recente politieke geschiedenissen lopen
voor een deel, letterlijk soms, in elkaar over.
Het eerste grootste verschil: de genocide van 1994. Die in Rwanda dus. Ook Burundi heeft forse etnische slachtingen meegemaakt, maar het getal dat aan de Rwandese holocaust wordt gehangen, lijkt alles te overtreffen en maakt daarmee een beslissend onderscheid: 'Een miljoen doden in honderd dagen.'
Maar wacht. Over die honderd dagen, grofweg de maanden april, mei en juni van 1994, is iedereen het wel eens. Maar het getal 'miljoen' is een getal dat de overwinnaar van de strijd, de regering dus van de huidige president, Paul Kagame, op een zeker moment als geschiedschrijver is gaan gebruiken. Sterker nog, waar onderzoekers doorgaans spreken van de moord op 'Tutsi's en gematigde Hutu's', heeft het Rwandese bewind het meestal over 'de moord op Tutsi's'.
Buiten Rwanda wordt doorgaans het getal 800.000, achthonderdduizend, aangehouden. Sommige, uiterst gewetensvolle onderzoekers, kwamen uit op 'zeker een half miljoen'. De helft minder dus dan het officiële Rwandese cijfer, Maar ook gemiddeld vijfduizend moorden per dag, in een tijdsbestek van honderd dagen achtereen, gaan het voorstellingsvermogen vrijwel te boven.
Het tweede grote verschil is de enorme aandacht die Rwanda ná de volkenmoord heeft gekregen. Aandacht die voor een deel te verklaren is uit de combinatie van schuldgevoel en fascinatie. Het eerste is bijvoorbeeld te merken in de Verenigde Staten. Dat land deed, met het trauma van Amerikaanse militaire doden in Somalië vers in het achterhoofd, er alles aan om in 1994 Rwanda níet te hulp te komen. Daarna tuimelden Amerikaanse regeringsvertegenwoordigers, Bill Clinton voorop, over elkaar heen om hun liefde voor het land van de duizend heuvels te betuigen - en Rwanda meteen ook tot een strategische Afrikaanse partner te maken.
De fascinatie toont een veel ingewikkelder en deels beschamend fenomeen. De aandacht voor Rwanda, zo wordt dan gezegd, heeft te maken met de pogingen die niet-Rwandezen doen om iets dat onvoorstelbaar lijkt en tegelijkertijd een keiharde werkelijkheid vormt, het massale en brute genocidaire moorden dus, niet alleen te verklaren maar ook tot het eigen geweten te laten doordringen. 'Het beest schuilt in ons allemaal', zo ongeveer is dan de redenering. Om er stilletjes, in triomfantelijke lafheid, aan toe te voegen: 'Maar wij laten het natuurlijk zo ver nooit komen.'
Het eerste grootste verschil: de genocide van 1994. Die in Rwanda dus. Ook Burundi heeft forse etnische slachtingen meegemaakt, maar het getal dat aan de Rwandese holocaust wordt gehangen, lijkt alles te overtreffen en maakt daarmee een beslissend onderscheid: 'Een miljoen doden in honderd dagen.'
Maar wacht. Over die honderd dagen, grofweg de maanden april, mei en juni van 1994, is iedereen het wel eens. Maar het getal 'miljoen' is een getal dat de overwinnaar van de strijd, de regering dus van de huidige president, Paul Kagame, op een zeker moment als geschiedschrijver is gaan gebruiken. Sterker nog, waar onderzoekers doorgaans spreken van de moord op 'Tutsi's en gematigde Hutu's', heeft het Rwandese bewind het meestal over 'de moord op Tutsi's'.
Buiten Rwanda wordt doorgaans het getal 800.000, achthonderdduizend, aangehouden. Sommige, uiterst gewetensvolle onderzoekers, kwamen uit op 'zeker een half miljoen'. De helft minder dus dan het officiële Rwandese cijfer, Maar ook gemiddeld vijfduizend moorden per dag, in een tijdsbestek van honderd dagen achtereen, gaan het voorstellingsvermogen vrijwel te boven.
Het tweede grote verschil is de enorme aandacht die Rwanda ná de volkenmoord heeft gekregen. Aandacht die voor een deel te verklaren is uit de combinatie van schuldgevoel en fascinatie. Het eerste is bijvoorbeeld te merken in de Verenigde Staten. Dat land deed, met het trauma van Amerikaanse militaire doden in Somalië vers in het achterhoofd, er alles aan om in 1994 Rwanda níet te hulp te komen. Daarna tuimelden Amerikaanse regeringsvertegenwoordigers, Bill Clinton voorop, over elkaar heen om hun liefde voor het land van de duizend heuvels te betuigen - en Rwanda meteen ook tot een strategische Afrikaanse partner te maken.
De fascinatie toont een veel ingewikkelder en deels beschamend fenomeen. De aandacht voor Rwanda, zo wordt dan gezegd, heeft te maken met de pogingen die niet-Rwandezen doen om iets dat onvoorstelbaar lijkt en tegelijkertijd een keiharde werkelijkheid vormt, het massale en brute genocidaire moorden dus, niet alleen te verklaren maar ook tot het eigen geweten te laten doordringen. 'Het beest schuilt in ons allemaal', zo ongeveer is dan de redenering. Om er stilletjes, in triomfantelijke lafheid, aan toe te voegen: 'Maar wij laten het natuurlijk zo ver nooit komen.'
Op een brochure
uit 2008 van het ORTPN, het officiële Rwandese
toerisme-departement, zag ik tussen de aankondigingen van culturele
evenementen die voor dat jaar gepland stonden (zoals een
filmfestival en een naam-ceremonie voor nieuwgeboren berggorilla's)
ook 'de week van rouw' vernoemd. De week dus waarin de genocide van
1994 wordt herdacht.
Inmiddels is ook dit jaar die week weer voorbij. Zelf was ik in 2009 iets eerder in Rwanda, dus ik heb geen enkele herdenkingsplechtigheid bijgewoond. Met de ervaringen van andere jaren in het achterhoofd kan ik me er echter het nodige bij voorstellen. Bij de indrukwekkendheid van die plechtigheden dan, want de werkelijke ervaringen van slachtoffers en daders van de volkenmoord kunnen natuurlijk nooit in hun volle omvang tot mij doordringen.
Dat laatste komt voor een deel ook door de aard van de Rwandezen zelf. President Paul Kagame heeft zowat gedecreteerd dat niet langer van Hutu's of Tutsi's, maar enkel van Rwandezen sprake is, maar de mensen zelf weten uiteraard wel beter. Alleen: hierover hardop spreken, is nog steeds een fors taboe. Letterlijk zelfs.
Al toen ik voor de eerste keer in het land kwam, in 1998, werd mij duidelijk gemaakt dat ik in openbare gelegenheden niet geacht werd om, in welke taal ook, de woorden Hutu en Tutsi hardop te gebruiken. De woorden die in het Nederlands hiervoor van pas kwamen, waren 'korten' en 'langen'. Eén procent van de bevolking, de Twa, kwam in de gesprekken eigenlijk zo goed als niet voor.
Meer dan tien jaar later is Rwanda, ondanks de enorme en vaak indrukwekkende veranderingen die het land heeft ondergaan, nog steeds grotendeels een 'fluistermaatschappij' van mensen die een uiterst ernstige indruk maken. In een gesprek met drie Rwandezen liet ik mij ontvallen dat 'Rwandese humor' een contradictio in terminis is. Daarom kon men gelukkig nog wel glimlachen.
Maar meer dan tien jaar later volstaat ook het onderscheid tussen kort en lang eigenlijk niet meer. Binnen de Tutsi-gemeenschap is immers sprake van mensen die in 1994 al in Rwanda waren en van mensen die na de genocide uit ballingschap zijn teruggekomen. Een deel van die laatste groep vormt, zeker in de hoofdstad Kigali, een nieuwe en vaak machtige elite.
Maar officieel is iedereen dus gelijk. De korten. De langen. En de langeren.
Inmiddels is ook dit jaar die week weer voorbij. Zelf was ik in 2009 iets eerder in Rwanda, dus ik heb geen enkele herdenkingsplechtigheid bijgewoond. Met de ervaringen van andere jaren in het achterhoofd kan ik me er echter het nodige bij voorstellen. Bij de indrukwekkendheid van die plechtigheden dan, want de werkelijke ervaringen van slachtoffers en daders van de volkenmoord kunnen natuurlijk nooit in hun volle omvang tot mij doordringen.
Dat laatste komt voor een deel ook door de aard van de Rwandezen zelf. President Paul Kagame heeft zowat gedecreteerd dat niet langer van Hutu's of Tutsi's, maar enkel van Rwandezen sprake is, maar de mensen zelf weten uiteraard wel beter. Alleen: hierover hardop spreken, is nog steeds een fors taboe. Letterlijk zelfs.
Al toen ik voor de eerste keer in het land kwam, in 1998, werd mij duidelijk gemaakt dat ik in openbare gelegenheden niet geacht werd om, in welke taal ook, de woorden Hutu en Tutsi hardop te gebruiken. De woorden die in het Nederlands hiervoor van pas kwamen, waren 'korten' en 'langen'. Eén procent van de bevolking, de Twa, kwam in de gesprekken eigenlijk zo goed als niet voor.
Meer dan tien jaar later is Rwanda, ondanks de enorme en vaak indrukwekkende veranderingen die het land heeft ondergaan, nog steeds grotendeels een 'fluistermaatschappij' van mensen die een uiterst ernstige indruk maken. In een gesprek met drie Rwandezen liet ik mij ontvallen dat 'Rwandese humor' een contradictio in terminis is. Daarom kon men gelukkig nog wel glimlachen.
Maar meer dan tien jaar later volstaat ook het onderscheid tussen kort en lang eigenlijk niet meer. Binnen de Tutsi-gemeenschap is immers sprake van mensen die in 1994 al in Rwanda waren en van mensen die na de genocide uit ballingschap zijn teruggekomen. Een deel van die laatste groep vormt, zeker in de hoofdstad Kigali, een nieuwe en vaak machtige elite.
Maar officieel is iedereen dus gelijk. De korten. De langen. En de langeren.
Het kerkje bij
Nyamata, ten zuiden van de hoofdstad Kigali, is van die talloze
plekken waar zich vijftien jaar geleden de gruwelen van de genocide
in Rwanda afspeelden. Daarna, voordat in de hoofdstad een groot
genocide-monument werd geopend, was het ook lange tijd de plek
waar bezoekers van Rwanda zich een eerste voorstelling van die
wrede geschiedenis konden vormen.

De weg van Kigali naar Nyamata 'hielp' om in de juiste gemoedstoestand te komen. Het was, zoals zo veel wegen in Rwanda, een ongeasfalteerde piste van rode aarde, zich slingerend door het altijd groene, heuvelachtige landschap. Een kilometer of tien voor Nyamata, bij een smal en gammel bruggetje, stond een militaire controlepost, met altijd correcte en altijd onvriendelijke soldaten.
Dit keer ging ik opnieuw die kant op. Niet om het kerkje met zijn schedels en botten te bezoeken, maar om het plaatsje Nyamata zelf. De wagen waarin ik passagier was, was een terreinauto, geschikt om in het komende uur de vele hobbels en kuilen van de piste te nemen.
Maar een simpele personenauto zou ook goed zijn geweest. De weg naar Nyamata, en vele kilometers daarna, is inmiddels volkomen geasfalteerd. Over het water van de Akagera-rivier ligt een brede, geheel nieuwe brug. En militairen zijn er nergens meer te zien.
Voor je het weet, ben je het bord rechts naast de weg, dat aangeeft dat je daar moet afslaan om bij het genocide-monument te komen, al gepasseerd. Waarmee de asfaltweg, van het soort dat de afgelopen jaren op vele andere plaatsen in Rwanda is aangelegd, ook een symbolische betekenis heeft gekregen. Vroeger hobbelde je naar het verleden. Nu zoef je naar de toekomst.

De weg van Kigali naar Nyamata 'hielp' om in de juiste gemoedstoestand te komen. Het was, zoals zo veel wegen in Rwanda, een ongeasfalteerde piste van rode aarde, zich slingerend door het altijd groene, heuvelachtige landschap. Een kilometer of tien voor Nyamata, bij een smal en gammel bruggetje, stond een militaire controlepost, met altijd correcte en altijd onvriendelijke soldaten.
Dit keer ging ik opnieuw die kant op. Niet om het kerkje met zijn schedels en botten te bezoeken, maar om het plaatsje Nyamata zelf. De wagen waarin ik passagier was, was een terreinauto, geschikt om in het komende uur de vele hobbels en kuilen van de piste te nemen.
Maar een simpele personenauto zou ook goed zijn geweest. De weg naar Nyamata, en vele kilometers daarna, is inmiddels volkomen geasfalteerd. Over het water van de Akagera-rivier ligt een brede, geheel nieuwe brug. En militairen zijn er nergens meer te zien.
Voor je het weet, ben je het bord rechts naast de weg, dat aangeeft dat je daar moet afslaan om bij het genocide-monument te komen, al gepasseerd. Waarmee de asfaltweg, van het soort dat de afgelopen jaren op vele andere plaatsen in Rwanda is aangelegd, ook een symbolische betekenis heeft gekregen. Vroeger hobbelde je naar het verleden. Nu zoef je naar de toekomst.
Zo'n tien jaar
geleden was in Rwanda weinig Engels te horen. De mensen, uit welke
bevolkingsgroep zij ook komen, hebben er hun eigen taal, het
Kinyarwanda. Als er al een Europese taal werd gesproken, was dat
Frans. Met dank aan de Belgen, de vroegere bestuurders.
President Paul Kagame maakte er nooit een geheim van dat hij het Frans niet beheerst. Hij is als vluchteling opgegroeid in het buurland Oeganda. Kagame spreekt uiteraard vloeiend Kinyarwanda, maar ook Swahili, de lingua franca van Oost-Afrika. En Engels. Dat laatste vooral ook om politieke redenen.
Want behalve voor een deel van de Belgen is Frans natuurlijk de eerste taal voor de Fransen. Kagame heeft zijn afkeer van Frankrijk, en de rol van dat land in de genocide van 1994, nooit onder stoelen of banken gesproken. Frans stond ook voor de taal van de onderdrukker en voor die van een 'bezoedeld verleden'.
Zoals Kagame, zo zijn de afgelopen vijftien jaar duizenden Rwandezen, en dan vooral Tutsi's, naar hun moederland teruggekeerd. Voor velen van hen is Engels hun eerste internationale taal. Langzaam maar zeker werd dat ook in het openbare leven duidelijk. En nu is het officieel.
Op scholen zal niet langer het accent liggen op het onderwijs van Frans, maar dat van Engels. Wie vooruit wil komen, zal zich die taal dus eigen moeten maken. En zoals vaker in Rwanda: wanneer de overheid er een besluit heeft genomen, wordt alles gedaan om de neuzen van de pakweg negen miljoen Rwandezen massaal richting de uitvoering van dat besluit te duwen.
Als ik tien jaar geleden door Rwanda reisde, hoorde ik regelmatig uit kinderenmonden: 'mzungu (blanke), donnez-moi cent francs.' Dit keer klonk vooral 'Good morning!', ongeacht het tijdstip van de dag. Mensen met wie ik in 1999 uitsluitend in het Frans sprak, doen nu hun worstelende best om mij ook in het Engels te woord te staan.
Op borden wordt er vaak voor gekozen iets drietalig te melden, in het Kinyarwanda, het Engels en het Frans. Maar soms ook dat niet eens meer. Ergens op het platteland, langs de kant van de weg, waren honderden mensen bezig een geul te graven. De weggebruikers werden enkel gewaarschuwd met het bord Men at work. Die ene, simpele uitdrukking, samen met de taal waarin hij wordt vermeld, vatten Rwanda anno 2009 vrijwel perfect samen.
President Paul Kagame maakte er nooit een geheim van dat hij het Frans niet beheerst. Hij is als vluchteling opgegroeid in het buurland Oeganda. Kagame spreekt uiteraard vloeiend Kinyarwanda, maar ook Swahili, de lingua franca van Oost-Afrika. En Engels. Dat laatste vooral ook om politieke redenen.
Want behalve voor een deel van de Belgen is Frans natuurlijk de eerste taal voor de Fransen. Kagame heeft zijn afkeer van Frankrijk, en de rol van dat land in de genocide van 1994, nooit onder stoelen of banken gesproken. Frans stond ook voor de taal van de onderdrukker en voor die van een 'bezoedeld verleden'.
Zoals Kagame, zo zijn de afgelopen vijftien jaar duizenden Rwandezen, en dan vooral Tutsi's, naar hun moederland teruggekeerd. Voor velen van hen is Engels hun eerste internationale taal. Langzaam maar zeker werd dat ook in het openbare leven duidelijk. En nu is het officieel.
Op scholen zal niet langer het accent liggen op het onderwijs van Frans, maar dat van Engels. Wie vooruit wil komen, zal zich die taal dus eigen moeten maken. En zoals vaker in Rwanda: wanneer de overheid er een besluit heeft genomen, wordt alles gedaan om de neuzen van de pakweg negen miljoen Rwandezen massaal richting de uitvoering van dat besluit te duwen.
Als ik tien jaar geleden door Rwanda reisde, hoorde ik regelmatig uit kinderenmonden: 'mzungu (blanke), donnez-moi cent francs.' Dit keer klonk vooral 'Good morning!', ongeacht het tijdstip van de dag. Mensen met wie ik in 1999 uitsluitend in het Frans sprak, doen nu hun worstelende best om mij ook in het Engels te woord te staan.
Op borden wordt er vaak voor gekozen iets drietalig te melden, in het Kinyarwanda, het Engels en het Frans. Maar soms ook dat niet eens meer. Ergens op het platteland, langs de kant van de weg, waren honderden mensen bezig een geul te graven. De weggebruikers werden enkel gewaarschuwd met het bord Men at work. Die ene, simpele uitdrukking, samen met de taal waarin hij wordt vermeld, vatten Rwanda anno 2009 vrijwel perfect samen.
Het geluid is
als van als paardenhoeven op een verhard bospad. Ergens,
weifelend, tussen draf en galop. Maar soms gaat het tempo flink
omhoog en klinkt het ritme van Afrikaanse trommels. Als muziek,
inderdaad. En dat terwijl het hier toch gewoon om niet-muzikaal
werk gaat. Om het kloppen van textiel, met houten hamers die per
stuk zeker drie kilo wegen.
Ik mocht er even een vasthouden. Het kostte me moeite de hamer vlot omhoog te krijgen, laat staan dat ik er vele minuten lang mee zou kunnen kloppen om het effect te bereiken dat de mannen, twee aan twee in een simpele tent op straat, wel wisten te bereiken: het stijf kloppen van kleding. Hardwerkende kerels, opdat de dames in West-Afrika, in dit geval in Mali en in welke stof ook gekleed, op hun allermooist kunnen zijn. Kijk maar.

De foto is genomen uit een advertentie van Vlisco, het bedrijf uit het Nederlandse Helmond, dat vrouwen in met name West-Afrika al generaties lang van de schitterendste (en duurste) kleren voorziet. Dat alles ook met dank aan de batik-technieken die werden geleerd in de vroegere Nederlandse koloniale archipel in de Oost.
Vlisco is in deze regio een begrip. Het bedrijf garandeert de echtheid van zijn textiel. Dat kunnen de kledingkloppers hier in Bamako uiteraard niet. Maar de toewijding waarmee zij hun werk verrichten, ongetwijfeld voor een allesbehalve hoog loon, geeft het juist weer zijn authenticiteit. Al wens ik mij niet in al te romantische gedachten te verliezen.
Hoe prachtig ook de stoffen, uiteindelijk is het natuurlijk de draagster die de kleren de moeite waard maakt, door haar lichaam en persoonlijkheid. Bij het eerste hoeft zeker niet alleen te worden gedacht aan de gedroomde maten zoals de modellen op de Vlisco-foto's die hebben. Juist ook de 'stevigere' West-Afrikaanse vrouwen zien er in de kleding vaak geweldig uit.
En dat onder meer door de populariteit van een bepaald type jurk of top. In andere delen van het continent, zoals in Oost-Afrika, kom je het nauwelijks tegen. Hier des te meer. Het is kleding waarvan de schouders zo zijn ontworpen, dat zij op elk moment, maar bijna altijd onverwacht, van een lichaamsschouder kunnen afglijden. Onweerstaanbaar subtiel. Als man ben je dan geklopt.
Ik mocht er even een vasthouden. Het kostte me moeite de hamer vlot omhoog te krijgen, laat staan dat ik er vele minuten lang mee zou kunnen kloppen om het effect te bereiken dat de mannen, twee aan twee in een simpele tent op straat, wel wisten te bereiken: het stijf kloppen van kleding. Hardwerkende kerels, opdat de dames in West-Afrika, in dit geval in Mali en in welke stof ook gekleed, op hun allermooist kunnen zijn. Kijk maar.

De foto is genomen uit een advertentie van Vlisco, het bedrijf uit het Nederlandse Helmond, dat vrouwen in met name West-Afrika al generaties lang van de schitterendste (en duurste) kleren voorziet. Dat alles ook met dank aan de batik-technieken die werden geleerd in de vroegere Nederlandse koloniale archipel in de Oost.
Vlisco is in deze regio een begrip. Het bedrijf garandeert de echtheid van zijn textiel. Dat kunnen de kledingkloppers hier in Bamako uiteraard niet. Maar de toewijding waarmee zij hun werk verrichten, ongetwijfeld voor een allesbehalve hoog loon, geeft het juist weer zijn authenticiteit. Al wens ik mij niet in al te romantische gedachten te verliezen.
Hoe prachtig ook de stoffen, uiteindelijk is het natuurlijk de draagster die de kleren de moeite waard maakt, door haar lichaam en persoonlijkheid. Bij het eerste hoeft zeker niet alleen te worden gedacht aan de gedroomde maten zoals de modellen op de Vlisco-foto's die hebben. Juist ook de 'stevigere' West-Afrikaanse vrouwen zien er in de kleding vaak geweldig uit.
En dat onder meer door de populariteit van een bepaald type jurk of top. In andere delen van het continent, zoals in Oost-Afrika, kom je het nauwelijks tegen. Hier des te meer. Het is kleding waarvan de schouders zo zijn ontworpen, dat zij op elk moment, maar bijna altijd onverwacht, van een lichaamsschouder kunnen afglijden. Onweerstaanbaar subtiel. Als man ben je dan geklopt.
Natuurlijk rijd ik
in Bamako in een Mercedes rond. Het is immers, zeker voor taxi's,
een van de meest voorkomende auto's in de Malinese hoofdstad. Niet
dat ze het allemaal even goed doen. Maar zeker weten dat ze het
goed hebben gedaan, al was dat dan ver weg. En dat ze best nog een
poos meekunnen, die tweedehands binnengebrachte Mercedessen.
Er zijn mensen, en ik ken er een paar, die minstens half voor hun plezier zo'n wagen helemaal vanuit Nederland naar West-Afrika hebben gereden. Een pakweg twintig jaar oude Mercedes blijkt dan een behoorlijk stevig woestijnbeest te zijn. En eenmaal op de bestemming aangekomen, in Mali bijvoorbeeld, zijn er meer dan voldoende kopers voor te vinden.
In Noord-Afrikaanse landen als Marokko is het al weinig anders. Ik kan me vergissen, maar ik stel me voor dat de invoer van gebruikte Mercedessen de afgelopen jaren groter is geweest dan van welk ander merk ook. En wie ze in Afrika ziet rijden, weet dat deze wagens, hoeveel kilometers ook al op de teller, nog wel een kleine twintig jaar mee zullen gaan.
Totdat, wellicht, een Afrikaanse apk van kracht wordt. Dan zullen de meeste waarschijnlijk meteen aan de kant moeten. Maar goed, daarvan zal het niet snel komen. Een auto moet in een land als Mali volledig door de hoeven zakken, wil van het voertuig ook werkelijk afscheid worden genomen. En zelfs dan is er nog een kleine kans op herstel.
Dat laatste schoot althans door mij heen toen ik in Bamako de karkassen tegenkwam van een paar oeroude Deux Chevaux. De Lelijke Eendjes hadden, om het zo te zeggen, geen poot meer om op te staan. Maar toch, zelfs half onttakeld hadden ze weinig van hun schoonheid verloren. En keken ze me haast verleidelijk aan, als smekend om een derde leven.
Al te moeilijk moet dat niet eens zijn. Onderdelen van dit merk zijn in Mali ongetwijfeld nog op verschillende plekken bij elkaar te sprokkelen. En, zoals een collega ooit zei, 'met spugen en plakken' kunnen kleine wonderen worden verricht. Ja zelfs: zijn al wonderen verricht. Want helemaal uit het Malinese straatbeeld verdwenen is de Mooie Eend nog altijd niet.
Er zijn mensen, en ik ken er een paar, die minstens half voor hun plezier zo'n wagen helemaal vanuit Nederland naar West-Afrika hebben gereden. Een pakweg twintig jaar oude Mercedes blijkt dan een behoorlijk stevig woestijnbeest te zijn. En eenmaal op de bestemming aangekomen, in Mali bijvoorbeeld, zijn er meer dan voldoende kopers voor te vinden.
In Noord-Afrikaanse landen als Marokko is het al weinig anders. Ik kan me vergissen, maar ik stel me voor dat de invoer van gebruikte Mercedessen de afgelopen jaren groter is geweest dan van welk ander merk ook. En wie ze in Afrika ziet rijden, weet dat deze wagens, hoeveel kilometers ook al op de teller, nog wel een kleine twintig jaar mee zullen gaan.
Totdat, wellicht, een Afrikaanse apk van kracht wordt. Dan zullen de meeste waarschijnlijk meteen aan de kant moeten. Maar goed, daarvan zal het niet snel komen. Een auto moet in een land als Mali volledig door de hoeven zakken, wil van het voertuig ook werkelijk afscheid worden genomen. En zelfs dan is er nog een kleine kans op herstel.
Dat laatste schoot althans door mij heen toen ik in Bamako de karkassen tegenkwam van een paar oeroude Deux Chevaux. De Lelijke Eendjes hadden, om het zo te zeggen, geen poot meer om op te staan. Maar toch, zelfs half onttakeld hadden ze weinig van hun schoonheid verloren. En keken ze me haast verleidelijk aan, als smekend om een derde leven.
Al te moeilijk moet dat niet eens zijn. Onderdelen van dit merk zijn in Mali ongetwijfeld nog op verschillende plekken bij elkaar te sprokkelen. En, zoals een collega ooit zei, 'met spugen en plakken' kunnen kleine wonderen worden verricht. Ja zelfs: zijn al wonderen verricht. Want helemaal uit het Malinese straatbeeld verdwenen is de Mooie Eend nog altijd niet.
Een man buigt zich
over een gestalte op de grond. Liefdevol haast, alsof hij
verzorging, of minstens troost wil bieden. De gestalte, bijna zo
groot als een volwassen mens, reageert niet. Kan dat ook niet, want
het is een pop. Een beeld, beter gezegd, een -nu liggend-
standbeeld van hout. Zwartgeblakerd, en met een opvallend afgeplat
hoofd.
Een tweede man komt op mij afgelopen. We begroeten elkaar in het Frans; we zijn immers in Bamako, de hoofdstad van Mali, waar menigeen de taal van de vroegere koloniale baas vloeiend spreekt. Als ik vertel dat ik geen Fransman, maar Nederlander ben, laat de man weten dat hij geen Malinees, maar Nigeriaan is. We schakelen over op het Engels.
'Hier hebben we nog een paar beelden.' Hij wijst en neemt me mee naar een klein, half afgepaald terrein. Daar is een derde man, iemand die in Guinée is geboren, bezig met het houtsnijwerk voor twee beelden. Van een man en een vrouw. De man heeft een stropdas en een buikje meegekregen. Zijn gelaatstrekken lijken in weinig op die van Afrikanen.
'Het zijn colons', legt Timothy, de Nigeriaan uit. Colons: de kolonialen - de blanken dus. Het verklaart meteen ook waarom hun hoofden zo plat zijn. 'Wacht maar even.' Timothy loopt weg en komt even later met een eveneens uit hout gesneden koloniale hoed met brede randen aanzetten. Nu lijkt het inderdaad alsof daaronder toch de welving is te zien die de aanwezigheid van enige hersens verraadt.
De kolonialen worden uit blank hout gesneden en daarna geblakerd. Volgens Timothy is dat nodig om te voorkomen dat het hout, dat anders niet droog genoeg is, verder gaat scheuren. Dan immers zou de blanke man of vrouw uit elkaar kunnen vallen, nog voordat hij als standbeeld kan prijken in het huis van een van Timothy's klanten.
Die klanten zijn zelf voornamelijk blanken. Omdat zij zich het geld voor een dergelijk standbeeld kunnen veroorloven. Maar wellicht ook omdat zij in het door Afrikanen gemaakte beeld van een westerling een humoristisch en politiek incorrect beeld van zichzelf herkennen. Al dan niet gewild ademen de man en vrouw ook een zekere weemoedigheid uit.
Timothy neemt me mee naar een winkeltje iets verderop. Tussen de beelden en beeldjes vraag ik hem zijn favoriete, door hemzelf gesneden product aan te wijzen. Hij pakt een beeldje, van zo'n twintig centimeter hoog, van wat een adellijke Afrikaanse man lijkt te zijn. Het lijkt al minstens honderd jaar oud, maar dat kan dus niet. 'Ik noem het antiek van de derde-generatie.'
Op zijn identiteitsbewijs staat dat hij 'artiest' is. Maar Timothy zelf weet wel beter. 'Ik ben een zeeman.' Hij komt uit Warri, een plaats in de olierijke Nigerdelta van zijn thuisland. Wat doet hij hier dan, in het enkel door land omgrensde Mali? Timothy weet het zelf ook niet meer zo goed. Hij wil naar huis.
Een tweede man komt op mij afgelopen. We begroeten elkaar in het Frans; we zijn immers in Bamako, de hoofdstad van Mali, waar menigeen de taal van de vroegere koloniale baas vloeiend spreekt. Als ik vertel dat ik geen Fransman, maar Nederlander ben, laat de man weten dat hij geen Malinees, maar Nigeriaan is. We schakelen over op het Engels.
'Hier hebben we nog een paar beelden.' Hij wijst en neemt me mee naar een klein, half afgepaald terrein. Daar is een derde man, iemand die in Guinée is geboren, bezig met het houtsnijwerk voor twee beelden. Van een man en een vrouw. De man heeft een stropdas en een buikje meegekregen. Zijn gelaatstrekken lijken in weinig op die van Afrikanen.
'Het zijn colons', legt Timothy, de Nigeriaan uit. Colons: de kolonialen - de blanken dus. Het verklaart meteen ook waarom hun hoofden zo plat zijn. 'Wacht maar even.' Timothy loopt weg en komt even later met een eveneens uit hout gesneden koloniale hoed met brede randen aanzetten. Nu lijkt het inderdaad alsof daaronder toch de welving is te zien die de aanwezigheid van enige hersens verraadt.
De kolonialen worden uit blank hout gesneden en daarna geblakerd. Volgens Timothy is dat nodig om te voorkomen dat het hout, dat anders niet droog genoeg is, verder gaat scheuren. Dan immers zou de blanke man of vrouw uit elkaar kunnen vallen, nog voordat hij als standbeeld kan prijken in het huis van een van Timothy's klanten.
Die klanten zijn zelf voornamelijk blanken. Omdat zij zich het geld voor een dergelijk standbeeld kunnen veroorloven. Maar wellicht ook omdat zij in het door Afrikanen gemaakte beeld van een westerling een humoristisch en politiek incorrect beeld van zichzelf herkennen. Al dan niet gewild ademen de man en vrouw ook een zekere weemoedigheid uit.
Timothy neemt me mee naar een winkeltje iets verderop. Tussen de beelden en beeldjes vraag ik hem zijn favoriete, door hemzelf gesneden product aan te wijzen. Hij pakt een beeldje, van zo'n twintig centimeter hoog, van wat een adellijke Afrikaanse man lijkt te zijn. Het lijkt al minstens honderd jaar oud, maar dat kan dus niet. 'Ik noem het antiek van de derde-generatie.'
Op zijn identiteitsbewijs staat dat hij 'artiest' is. Maar Timothy zelf weet wel beter. 'Ik ben een zeeman.' Hij komt uit Warri, een plaats in de olierijke Nigerdelta van zijn thuisland. Wat doet hij hier dan, in het enkel door land omgrensde Mali? Timothy weet het zelf ook niet meer zo goed. Hij wil naar huis.
Yuma Traoré is een
jaar en negen maanden oud. 'Dus over hoeveel maanden wordt zij dan
twee?', vraagt haar moeder me. Automatisch, als een
kind, steek ik drie vingers in de lucht. Goed geantwoord, laat
Maman me weten. Eigenlijk zou haar dochter het gebaar
moeten maken, maar die kijkt me enkel met grote ogen aan. Ze zegt
helemaal niets.
Ik tref moeder en dochter Traoré langs een geul in Bamako, de hoofdstad van het West-Afrikaanse Mali. De geur van het water maakt duidelijk dat het hier een open riool betreft. Geen ideale plek, zo lijkt het, om een theestalletje te drijven. Maar Maman Yuma ziet blijkbaar geen bezwaar. Of, en die kans lijkt me groter: ziet geen alternatief.
Dochter Yuma heeft dikke krullen, die door het zand en het stof dat langs de geul opwaait enigszins verbleekt lijken. Haar gezichtje heeft nog weinig van een meisje. Wellicht vindt haar moeder dat ook en heeft zij Yuma daarom twee oorknopjes ingedaan. Van goud, zo zou je kunnen denken, als je niet wist dat Maman daarvoor het geld natuurlijk helemaal niet heeft.
'Bonjour, ma copine', zo begroet ik het meisje nogmaals. Yuma geeft geen kik. Ze staat links van haar moeder, die op een krukje zit. Haar handen grijpen in een mandje waarin wat levensmiddelen liggen. Yuma trekt een portefeuille te voorschijn. 'Er zit niets in', legt Maman uit. Maar ook dat is al wel duidelijk. Veel meer dan thee en de gulle lach van moeder valt hier niet te halen.
'Yuma weet al heel goed wat geld is', zegt Maman. 'Als ze een muntstuk van vijftig francs vindt, komt ze het me onmiddellijk brengen.' En wat zegt Yuma dan? Niets, helemaal niets. Want hoe alert de dochter ook is, hoezeer zij ook de streken van het leven op straat met haar slimme ogen in zich opneemt, aan spreken doet Yuma niet.
Geluid maken kan zij als de beste, maakt moeder duidelijk. Als zij valt, of een tik krijgt. Maar praten: ho maar. Het komt waarschijnlijk allemaal nog wel, maar voor nu doet Yuma er het volstrekte zwijgen toe. Nogmaals kijken het meisje en ik elkaar aan. Na alles dat zij in haar jonge leven al heeft gezien, zou ik er gouden oorknopjes voor over hebben om te weten wat haar eerste woorden zullen zijn.
Ik tref moeder en dochter Traoré langs een geul in Bamako, de hoofdstad van het West-Afrikaanse Mali. De geur van het water maakt duidelijk dat het hier een open riool betreft. Geen ideale plek, zo lijkt het, om een theestalletje te drijven. Maar Maman Yuma ziet blijkbaar geen bezwaar. Of, en die kans lijkt me groter: ziet geen alternatief.
Dochter Yuma heeft dikke krullen, die door het zand en het stof dat langs de geul opwaait enigszins verbleekt lijken. Haar gezichtje heeft nog weinig van een meisje. Wellicht vindt haar moeder dat ook en heeft zij Yuma daarom twee oorknopjes ingedaan. Van goud, zo zou je kunnen denken, als je niet wist dat Maman daarvoor het geld natuurlijk helemaal niet heeft.
'Bonjour, ma copine', zo begroet ik het meisje nogmaals. Yuma geeft geen kik. Ze staat links van haar moeder, die op een krukje zit. Haar handen grijpen in een mandje waarin wat levensmiddelen liggen. Yuma trekt een portefeuille te voorschijn. 'Er zit niets in', legt Maman uit. Maar ook dat is al wel duidelijk. Veel meer dan thee en de gulle lach van moeder valt hier niet te halen.
'Yuma weet al heel goed wat geld is', zegt Maman. 'Als ze een muntstuk van vijftig francs vindt, komt ze het me onmiddellijk brengen.' En wat zegt Yuma dan? Niets, helemaal niets. Want hoe alert de dochter ook is, hoezeer zij ook de streken van het leven op straat met haar slimme ogen in zich opneemt, aan spreken doet Yuma niet.
Geluid maken kan zij als de beste, maakt moeder duidelijk. Als zij valt, of een tik krijgt. Maar praten: ho maar. Het komt waarschijnlijk allemaal nog wel, maar voor nu doet Yuma er het volstrekte zwijgen toe. Nogmaals kijken het meisje en ik elkaar aan. Na alles dat zij in haar jonge leven al heeft gezien, zou ik er gouden oorknopjes voor over hebben om te weten wat haar eerste woorden zullen zijn.
Wie de afgelopen
vier weblogs Dwars Afrika heeft gelezen, krijgt mogelijk
de indruk dat in Kenia corruptie de allesbepalende factor in het
leven is. Mea culpa. Feit is wel dat momenteel het
ongenoegen bij de bevolking over die bijna overal en altijd
aanwezige corruptie zo groot is, dat dit vaak het gesprek van de
dag vormt.
Maar natuurlijk is er meer, in Kenia en daarbuiten, in andere Afrikaanse landen. Het onderwerp corruptie kan wat mij betreft dan ook even aan de kant, tot het volgende grote schandaal. Nee, ik heb van niemand een bedreigend telefoontje of e-mail ontvangen. En niemand ook heeft mij kitu kidogo, ‘iets kleins' geboden om over andere zaken te schrijven.
Opgewekt kwam ik laatst terug van het toilet. (Me dunkt, een redelijke beginzin om het eens over iets geheel anders te hebben.) Niet vanwege de plas die ik in de wc van een kroeg in Nairobi had gedaan, maar vanwege het ingelijste papiertje dat ik naast de toiletdeur had zien hangen. Het betrof een soort oorkonde.
Daarop stond dat de kroeg, een bar-restaurant om het netjes te zeggen, de zaken op een klimaatneutrale manier deed. Ik kan het over het hoofd hebben gezien, maar in een Amsterdamse kroeg ben ik zo'n mededeling nog nooit tegengekomen, terwijl men zich daar de luxe die milieuzorg heet toch eerder kan permitteren.
Het bedrijf heeft zijn zogeheten carbon footprint laten meten, de hoeveelheid CO2 dus die het door de diverse activiteiten in de lucht brengt. Als compensatie daarvoor geeft het geld voor een project aan de Keniaanse kust, dat mensen aan stookhout wil helpen, zonder daarbij het milieu al te zeer te belasten.
Wat een geweldig bericht. Ik gloeide toen ik het had gelezen en begon direct na te denken of iets dergelijks wellicht ook voor mij persoonlijk een doenlijke zaak is. Hoeveel kooldioxide stoot een Afrika-correspondent jaarlijks uit? Heel wat waarschijnlijk. Denk slechts aan de vliegreizen binnen het continent.
Om mijn milieu-voetafdruk te neutraliseren, zal ik via de website http://www.co2balance.co.ke/ waarschijnlijk het nodige geld op tafel moeten leggen, voordat ook mij een dergelijke oorkonde wordt overhandigd. Maar dat moet toch goedkoper kunnen? Een rijbewijs, ook een soort oorkonde, is hier immers ook te koop zonder al te vaak achter het les-stuur te hebben gezeten.
Kitu kidogo dus? Hm.
Maar natuurlijk is er meer, in Kenia en daarbuiten, in andere Afrikaanse landen. Het onderwerp corruptie kan wat mij betreft dan ook even aan de kant, tot het volgende grote schandaal. Nee, ik heb van niemand een bedreigend telefoontje of e-mail ontvangen. En niemand ook heeft mij kitu kidogo, ‘iets kleins' geboden om over andere zaken te schrijven.
Opgewekt kwam ik laatst terug van het toilet. (Me dunkt, een redelijke beginzin om het eens over iets geheel anders te hebben.) Niet vanwege de plas die ik in de wc van een kroeg in Nairobi had gedaan, maar vanwege het ingelijste papiertje dat ik naast de toiletdeur had zien hangen. Het betrof een soort oorkonde.
Daarop stond dat de kroeg, een bar-restaurant om het netjes te zeggen, de zaken op een klimaatneutrale manier deed. Ik kan het over het hoofd hebben gezien, maar in een Amsterdamse kroeg ben ik zo'n mededeling nog nooit tegengekomen, terwijl men zich daar de luxe die milieuzorg heet toch eerder kan permitteren.
Het bedrijf heeft zijn zogeheten carbon footprint laten meten, de hoeveelheid CO2 dus die het door de diverse activiteiten in de lucht brengt. Als compensatie daarvoor geeft het geld voor een project aan de Keniaanse kust, dat mensen aan stookhout wil helpen, zonder daarbij het milieu al te zeer te belasten.
Wat een geweldig bericht. Ik gloeide toen ik het had gelezen en begon direct na te denken of iets dergelijks wellicht ook voor mij persoonlijk een doenlijke zaak is. Hoeveel kooldioxide stoot een Afrika-correspondent jaarlijks uit? Heel wat waarschijnlijk. Denk slechts aan de vliegreizen binnen het continent.
Om mijn milieu-voetafdruk te neutraliseren, zal ik via de website http://www.co2balance.co.ke/ waarschijnlijk het nodige geld op tafel moeten leggen, voordat ook mij een dergelijke oorkonde wordt overhandigd. Maar dat moet toch goedkoper kunnen? Een rijbewijs, ook een soort oorkonde, is hier immers ook te koop zonder al te vaak achter het les-stuur te hebben gezeten.
Kitu kidogo dus? Hm.
Nog maar zo'n tien
jaar geleden was Le Grand Hotel in de Malinese hoofdstad
Bamako het enige hotel waar met redelijk fatsoen hoge gasten
ontvangen kunnen worden. Zelf mocht ik daarvan getuige zijn, toen
Madeleine Albright, als Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken
destijds de machtigste vrouw ter wereld, er een nachtje
doorbracht.
Madame Secretary had aan het einde van de middag zowaar even niets op haar programma en besloot daarom een bezoek te brengen aan de mini-boetiekjes op de begane grond van het alleszins bescheiden hotel. Omdat het hier een informeel gebeuren betrof, hadden haar lijfwachten hun stropdassen uitgedaan. Maar hun oortjes en waakzaamheid waren overduidelijk niet in de kamers achtergebleven.
Inmiddels heeft Bamako er een behoorlijk aantal grotere hotels bij. Dat is deels te danken aan de Afrikaanse landen-voetbalcup, waarom een aantal jaren geleden in Mali is gestreden. De afgelopen jaren echter zijn hier ook hotels gebouwd als Libische investering, - uit het land van kolonel Kadhafi dus. Ook het Grand Hotel is inmiddels, opgeknapt en wel, in Libische handen.
En daarbij blijft het niet. Zoals in andere Afrikaanse landen, Soedan bijvoorbeeld, zo zijn ook in steeds meer sectoren van de Malinese samenleving Libische investeringen te vinden. Een van de meer opvallende heet Malibya. Hierbij gaat het onder meer om circa honderdduizend hectares Malinese grond die aan het regime-Kadhafi is verpacht voor rijstbouw.
Het land van de kolonel heeft meer zand dan vruchtbare landbouwgrond. Onder het zand zit echter olie, en de opbrengst daarvan stelt Kadhafi in staat om elders in Afrika invloed en ook voedsel te verkrijgen. Al stelt de directeur van Malibya, Abdalilah Youssef, uiteraard dat het er hier om gaat om Mali, ooit een exporteur van rijst en andere gewassen, weer 'zelfvoorzienend' te maken.
Ook Chinese ondernemingen zijn bij het Malibya-project betrokken. Een en ander zal mogelijk aan de orde komen tijdens het komende bezoek aan Mali van de Chinese president, Hu Jintao. Ging de aandacht voor Afrika tot voor kort vooral uit naar hetgeen onder de bodem vandaan te halen valt, tegenwoordig vallen de begerige blikken ook op die grond zelf. En weer is de vraag of Afrika zelf er eveneens beter van zal worden.
Madame Secretary had aan het einde van de middag zowaar even niets op haar programma en besloot daarom een bezoek te brengen aan de mini-boetiekjes op de begane grond van het alleszins bescheiden hotel. Omdat het hier een informeel gebeuren betrof, hadden haar lijfwachten hun stropdassen uitgedaan. Maar hun oortjes en waakzaamheid waren overduidelijk niet in de kamers achtergebleven.
Inmiddels heeft Bamako er een behoorlijk aantal grotere hotels bij. Dat is deels te danken aan de Afrikaanse landen-voetbalcup, waarom een aantal jaren geleden in Mali is gestreden. De afgelopen jaren echter zijn hier ook hotels gebouwd als Libische investering, - uit het land van kolonel Kadhafi dus. Ook het Grand Hotel is inmiddels, opgeknapt en wel, in Libische handen.
En daarbij blijft het niet. Zoals in andere Afrikaanse landen, Soedan bijvoorbeeld, zo zijn ook in steeds meer sectoren van de Malinese samenleving Libische investeringen te vinden. Een van de meer opvallende heet Malibya. Hierbij gaat het onder meer om circa honderdduizend hectares Malinese grond die aan het regime-Kadhafi is verpacht voor rijstbouw.
Het land van de kolonel heeft meer zand dan vruchtbare landbouwgrond. Onder het zand zit echter olie, en de opbrengst daarvan stelt Kadhafi in staat om elders in Afrika invloed en ook voedsel te verkrijgen. Al stelt de directeur van Malibya, Abdalilah Youssef, uiteraard dat het er hier om gaat om Mali, ooit een exporteur van rijst en andere gewassen, weer 'zelfvoorzienend' te maken.
Ook Chinese ondernemingen zijn bij het Malibya-project betrokken. Een en ander zal mogelijk aan de orde komen tijdens het komende bezoek aan Mali van de Chinese president, Hu Jintao. Ging de aandacht voor Afrika tot voor kort vooral uit naar hetgeen onder de bodem vandaan te halen valt, tegenwoordig vallen de begerige blikken ook op die grond zelf. En weer is de vraag of Afrika zelf er eveneens beter van zal worden.
Alleen de naam al
klinkt bijzonder ernstig. Serious Fraud Office. Het is een
Brits overheidsinstituut dat geacht wordt onderzoek te doen naar,
precies, serieuze fraude. Naar corruptiezaken daarmee ook. In eigen
land en daarbuiten. Zoals in Kenia, waar hulp nodig was bij het
onderzoek naar het Anglo Leasing schandaal.
Het gaat hier om een ook voor Keniaanse begrippen omvangrijke corruptiezaak, waarbij diverse hooggeplaatste politici, al dan niet nog in functie, betrokken zouden zijn geweest. Volgens een schatting heeft Anglo Leasing de Keniaanse belastingbetaler zo'n 750 miljoen dollar gekost.
Het geld werd onder meer ‘uitgegeven' om diezelfde belastingbetaler aan een nieuw soort paspoort te helpen; een paspoort dat, hoe ironisch, geheel fraudebestendig zou zijn. Een reeks van bedrijven, onder meer gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, streek hiervoor enorme bedragen op. Let wel: niet-bestaande bedrijven.
Een en ander begon een dikke zes jaar geleden. En vorige week maakte het Serious Fraud Office, dat al ruim een jaar onderzoek deed naar de zaak, bekend het hoofd in de schoot te leggen. De reden: een gebrek aan medewerking van de Keniaanse regering. Steeds liet zij na de Britten bewijsmateriaal te overhandigen.
Vanuit Keniaans regeringsperspectief gezien is dit zo vreemd nog niet. Niemand immers heeft zin het eigen graf te graven. De minister van Justitie echter, Martha Karua, gaf blijk van enig schuldbewustzijn toen zij bevestigde dat het bewind van president Mwai Kibaki mogelijk te weinig interesse in het onderzoek had getoond.
De Britten, vroegere koloniale machthebbers in Kenia en ook om die reden nog steeds zeer goed ingevoerd in het politieke systeem van het Oost-Afrikaanse land, hebben de deur uiteraard op een kier gelaten. Het Serious Fraud Office zal zijn werk hervatten, zodra de Keniaanse regering er alsnog blijk van geeft tot samenwerking bereid te zijn.
Binnenkort zou de regering-Kibaki wel eens in Londen kunnen aankloppen met de vraag om een bijdrage aan voedselhulp voor Kenianen die aan hongersnood ten onder dreigen te gaan. ‘Voor wat hoort wat', kan dan de Britse reactie zijn.
Het gaat hier om een ook voor Keniaanse begrippen omvangrijke corruptiezaak, waarbij diverse hooggeplaatste politici, al dan niet nog in functie, betrokken zouden zijn geweest. Volgens een schatting heeft Anglo Leasing de Keniaanse belastingbetaler zo'n 750 miljoen dollar gekost.
Het geld werd onder meer ‘uitgegeven' om diezelfde belastingbetaler aan een nieuw soort paspoort te helpen; een paspoort dat, hoe ironisch, geheel fraudebestendig zou zijn. Een reeks van bedrijven, onder meer gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, streek hiervoor enorme bedragen op. Let wel: niet-bestaande bedrijven.
Een en ander begon een dikke zes jaar geleden. En vorige week maakte het Serious Fraud Office, dat al ruim een jaar onderzoek deed naar de zaak, bekend het hoofd in de schoot te leggen. De reden: een gebrek aan medewerking van de Keniaanse regering. Steeds liet zij na de Britten bewijsmateriaal te overhandigen.
Vanuit Keniaans regeringsperspectief gezien is dit zo vreemd nog niet. Niemand immers heeft zin het eigen graf te graven. De minister van Justitie echter, Martha Karua, gaf blijk van enig schuldbewustzijn toen zij bevestigde dat het bewind van president Mwai Kibaki mogelijk te weinig interesse in het onderzoek had getoond.
De Britten, vroegere koloniale machthebbers in Kenia en ook om die reden nog steeds zeer goed ingevoerd in het politieke systeem van het Oost-Afrikaanse land, hebben de deur uiteraard op een kier gelaten. Het Serious Fraud Office zal zijn werk hervatten, zodra de Keniaanse regering er alsnog blijk van geeft tot samenwerking bereid te zijn.
Binnenkort zou de regering-Kibaki wel eens in Londen kunnen aankloppen met de vraag om een bijdrage aan voedselhulp voor Kenianen die aan hongersnood ten onder dreigen te gaan. ‘Voor wat hoort wat', kan dan de Britse reactie zijn.
Eind vorige week
stuurde een Deense vriend hier in Nairobi mij een e-mail door. Uit
de eerste zin werd duidelijk dat het bericht gericht was aan mensen
zoals hij en ik, aan expats. Immers: ‘You have
made a difference every day since you came to Kenya.' Dat kun
je van Kenianen niet zeggen: die waren er al.
Vervolgens was de vraag, die oorspronkelijk afkomstig was van het commerciële radiostation Kiss FM, een zeer populaire zender in de hoofdstad, of we een kwartiertje wilden vrijmaken om op een bijzondere manier ‘verschil te maken'. En wel door naar de supermarkt te gaan en bloem, rijst, bonen of bakolie te kopen.
Uiteraard niet voor eigen gebruik. De etenswaar was bedoeld voor die Kenianen die het slachtoffer dreigen te worden van de hongersnood die in delen van het land heerst. Of, zoals een medewerker van Kiss FM het schreef: ‘Vijf miljoen Kenianen zijn de afgelopen avond zonder eten naar bed gegaan.'
En erger nog dan dat: ‘Wat niemand je zal durven te vertellen, is dat kinderen van de honger beginnen te sterven.' Gelukkig was dat nu dus toch maar mooi wél verteld. De vraag was om naar een Nakumatt-supermarkt te gaan en het gekochte voedsel beschikbaar te stellen voor de actie 24 Hours for Kenya, ‘de grootste reddingsactie ooit'.
Je moet toch wel volstrekt harteloos zijn, wil je hieraan geen gehoor geven. De schappen in Nakumatt liggen net zo vol als de planken bij mij thuis in de keukenkast. Ons zal het aan niets ontbreken. Het bezoekje aan de supermarkt zou ertoe bijdragen dat binnen een etmaal voor niet minder dan twee miljoen Kenianen eveneens voedsel beschikbaar kwam.
Een behoorlijk verschil dus, waaraan volgens mij niet alleen expats maar ook Kenianen zelf een bijdrage wilden leveren. Zodat een fundamentele vraag even niet hoefde te worden gesteld: Hoe kan het dat de regering spreekt van hongersnood, terwijl iedereen weet dat maïs, het basisvoedsel, ruim beschikbaar is, maar door corrupte politici en hun zakenvrienden uit de markt wordt gehouden?
Vervolgens was de vraag, die oorspronkelijk afkomstig was van het commerciële radiostation Kiss FM, een zeer populaire zender in de hoofdstad, of we een kwartiertje wilden vrijmaken om op een bijzondere manier ‘verschil te maken'. En wel door naar de supermarkt te gaan en bloem, rijst, bonen of bakolie te kopen.
Uiteraard niet voor eigen gebruik. De etenswaar was bedoeld voor die Kenianen die het slachtoffer dreigen te worden van de hongersnood die in delen van het land heerst. Of, zoals een medewerker van Kiss FM het schreef: ‘Vijf miljoen Kenianen zijn de afgelopen avond zonder eten naar bed gegaan.'
En erger nog dan dat: ‘Wat niemand je zal durven te vertellen, is dat kinderen van de honger beginnen te sterven.' Gelukkig was dat nu dus toch maar mooi wél verteld. De vraag was om naar een Nakumatt-supermarkt te gaan en het gekochte voedsel beschikbaar te stellen voor de actie 24 Hours for Kenya, ‘de grootste reddingsactie ooit'.
Je moet toch wel volstrekt harteloos zijn, wil je hieraan geen gehoor geven. De schappen in Nakumatt liggen net zo vol als de planken bij mij thuis in de keukenkast. Ons zal het aan niets ontbreken. Het bezoekje aan de supermarkt zou ertoe bijdragen dat binnen een etmaal voor niet minder dan twee miljoen Kenianen eveneens voedsel beschikbaar kwam.
Een behoorlijk verschil dus, waaraan volgens mij niet alleen expats maar ook Kenianen zelf een bijdrage wilden leveren. Zodat een fundamentele vraag even niet hoefde te worden gesteld: Hoe kan het dat de regering spreekt van hongersnood, terwijl iedereen weet dat maïs, het basisvoedsel, ruim beschikbaar is, maar door corrupte politici en hun zakenvrienden uit de markt wordt gehouden?
‘Hij durft',
schreef ik eerder deze week over de Keniaanse jurist Ahmednasir
Abdulahi, iemand die overtuigend weet te spreken en schrijven over
politieke en andere corruptie. Ik voegde eraan toe dat hij daarmee
zijn leven ook niet per se zeker is. En opnieuw is gebleken
waarom.
Onlangs immers is het lijk gevonden van Francis Kainda Nyaruri. Hij was onthoofd, zijn handen waren achter zijn rug vastgebonden en zijn lichaam kende diepe snijwonden. Nyaruri was een Keniaanse freelance journalist. Volgens Reporters Without Borders is hij vermoord, omdat hij berichtte over corruptie.
Francis Nyaruri had in het blad Weekly Citizen geschreven over misstanden bij de politie - dezelfde politie die nu dus onderzoek moet doen naar de ware toedracht van zijn dood en de daders van de gruwelijke moord voor het gerecht dient te brengen. De kans dat dat laatste zal gebeuren, mag uiterst klein heten.
Het zijn berichten die je in Kenia gelukkig niet al te vaak leest. Journalisten worden hier, al net als andere mensen, bedreigd als hun woorden bij iemand verkeerd vallen. Maar over moorden op leden van de pers hoor je weinig. Misschien ook omdat veel Keniaanse journalisten zelfcensuur toepassen, hoezeer ook de persvrijheid in de afgelopen pakweg tien jaar is toegenomen.
Anders is dat in het buurland Somalië. Deze woensdag is Said Tahlil Ahmed, de directeur van het onafhankelijke en vooraanstaande radiostation HornAfrik, om het leven gebracht. Hij werd neergeschoten toen hij op weg was naar een persconferentie van de islamistische groep al-Shabab in de hoofdstad Mogadishu.
HornAfrik heeft daarmee in minder dan twee jaar tijd al drie van zijn medewerkers door geweld verloren. In 2007 werd de presentator Mahad Ahmed Elmi gedood. Kort daarna was het de beurt aan de eigenaar van HornAfrik, Ali Iman Sharmake. Hij werd vermoord toen hij terugkwam van de begrafenis van zijn presentator.
Onlangs immers is het lijk gevonden van Francis Kainda Nyaruri. Hij was onthoofd, zijn handen waren achter zijn rug vastgebonden en zijn lichaam kende diepe snijwonden. Nyaruri was een Keniaanse freelance journalist. Volgens Reporters Without Borders is hij vermoord, omdat hij berichtte over corruptie.
Francis Nyaruri had in het blad Weekly Citizen geschreven over misstanden bij de politie - dezelfde politie die nu dus onderzoek moet doen naar de ware toedracht van zijn dood en de daders van de gruwelijke moord voor het gerecht dient te brengen. De kans dat dat laatste zal gebeuren, mag uiterst klein heten.
Het zijn berichten die je in Kenia gelukkig niet al te vaak leest. Journalisten worden hier, al net als andere mensen, bedreigd als hun woorden bij iemand verkeerd vallen. Maar over moorden op leden van de pers hoor je weinig. Misschien ook omdat veel Keniaanse journalisten zelfcensuur toepassen, hoezeer ook de persvrijheid in de afgelopen pakweg tien jaar is toegenomen.
Anders is dat in het buurland Somalië. Deze woensdag is Said Tahlil Ahmed, de directeur van het onafhankelijke en vooraanstaande radiostation HornAfrik, om het leven gebracht. Hij werd neergeschoten toen hij op weg was naar een persconferentie van de islamistische groep al-Shabab in de hoofdstad Mogadishu.
HornAfrik heeft daarmee in minder dan twee jaar tijd al drie van zijn medewerkers door geweld verloren. In 2007 werd de presentator Mahad Ahmed Elmi gedood. Kort daarna was het de beurt aan de eigenaar van HornAfrik, Ali Iman Sharmake. Hij werd vermoord toen hij terugkwam van de begrafenis van zijn presentator.
Hij durft. En dat
zou hem nog wel eens duur kunnen komen te staan. Want een Keniaan
die het lef heeft in eigen land niet alleen gefundeerd, maar ook
vasthoudend kritiek te leveren op zijn leiders, is iemand die -zo
leert de geschiedenis- het eigen leven niet per se zeker is. Het
lijkt Ahmednasir Abdulahi niet te deren.
Als voorzitter van de Orde van Advocaten liet hij al regelmatig van zich horen. Inmiddels is hij vooral bekend als lid van het Hooggerechtshof en als columnist in de landelijke Keniaanse krant The Standard. Zijn zondagse bijdragen aan dat dagblad zijn bijna steeds even fris als tegendraads.
Deze week leverde hij twee artikelen. Behalve zijn gebruikelijke column schreef Abdulahi ook het openingsessay voor een special report over corruptie. Het is een onderwerp dat feitelijk altijd op de agenda staat, maar dat de afgelopen maanden door diverse schandalen opnieuw in de schijnwerpers is gekomen.
En weer slaat Abdulahi de spijker op de kop. Hij schrijft over het sneeuwbaleffect van corruptie dat ontstaat door ‘de afwezigheid van een scheiding tussen politici met macht en politici die zaken doen'. Er is geen Keniaan te vinden, zo meent hij, wiens rijkdom niet te traceren is naar een politieke connectie.
‘Toon mij een rijke Keniaan en ik zal u een geschiedenis voorleggen van zijn politieke genealogie', aldus de jurist. De ‘fusie' tussen het zakenleven en politieke macht garandeert volgens Abdulahi grootschalige corruptie. ‘De rijkste Kenianen zijn politici en ambtenaren die zichzelf eenvoudig middelen van de staat toe-eigenen.'
Bij de staat berust ook het zogeheten geweldsmonopolie. En ook hiervan wordt in een land als Kenia misbruik gemaakt. Een eerdere Keniaanse strijder tegen corruptie, John Githongo, ging een paar jaar geleden in ballingschap, nadat hem door politici duidelijk was gemaakt dat zijn leven niet meer zeker was. Ahmednasir Abdulahi kent ook die geschiedenis.
Als voorzitter van de Orde van Advocaten liet hij al regelmatig van zich horen. Inmiddels is hij vooral bekend als lid van het Hooggerechtshof en als columnist in de landelijke Keniaanse krant The Standard. Zijn zondagse bijdragen aan dat dagblad zijn bijna steeds even fris als tegendraads.
Deze week leverde hij twee artikelen. Behalve zijn gebruikelijke column schreef Abdulahi ook het openingsessay voor een special report over corruptie. Het is een onderwerp dat feitelijk altijd op de agenda staat, maar dat de afgelopen maanden door diverse schandalen opnieuw in de schijnwerpers is gekomen.
En weer slaat Abdulahi de spijker op de kop. Hij schrijft over het sneeuwbaleffect van corruptie dat ontstaat door ‘de afwezigheid van een scheiding tussen politici met macht en politici die zaken doen'. Er is geen Keniaan te vinden, zo meent hij, wiens rijkdom niet te traceren is naar een politieke connectie.
‘Toon mij een rijke Keniaan en ik zal u een geschiedenis voorleggen van zijn politieke genealogie', aldus de jurist. De ‘fusie' tussen het zakenleven en politieke macht garandeert volgens Abdulahi grootschalige corruptie. ‘De rijkste Kenianen zijn politici en ambtenaren die zichzelf eenvoudig middelen van de staat toe-eigenen.'
Bij de staat berust ook het zogeheten geweldsmonopolie. En ook hiervan wordt in een land als Kenia misbruik gemaakt. Een eerdere Keniaanse strijder tegen corruptie, John Githongo, ging een paar jaar geleden in ballingschap, nadat hem door politici duidelijk was gemaakt dat zijn leven niet meer zeker was. Ahmednasir Abdulahi kent ook die geschiedenis.
Vlak voor kerst
zag ik haar een laatste hap nemen. Angela Wainaina, of
Angel zoals haar naam als dj van Ghetto Radio luidde,
stond op het punt zich met twee collega's vrijwillig te laten
opsluiten voor het goede doel. Zij deed mee aan de Keniaanse versie
van Serious Request en nam plaats in het Glazen
Huis.

Een paar dagen later zag ik haar opnieuw, samen met fotograaf Sven Torfinn, die ons verhaal voor de Volkskrant kwam illustreren. Het vrijwillige vasten, bedoeld om aandacht te vragen voor het lot van vluchtelingen in Kenia en elders, begon zijn tol op de jonge vrouw te eisen. Maar zij hield dapper vol.
Eerder had zij me verteld dat zij, als iemand die het leven in het ghetto, in de sloppenwijken van de hoofdstad, van binnenuit kende, al voor hetere vuren had gestaan. ‘Wij kennen de harde kant van het leven. (...) We hebben veel meegemaakt. Maar we zijn er nog', aldus deze engel van Nairobi.
Maar amper een maand later bleek het vuur te heet. Angela Wainaina is een van de tientallen slachtoffers die vorige week vielen bij de brand in de winkel van Nakumatt in het centrum van Nairobi. De vrouw die zich voor het goede doel vrijwillig had laten opsluiten, was nu een van de mensen die bij de brand werden ingesloten.
Ook voor haar geldt: haar dood is even wreed als onnodig. Als de nooduitgangen open waren geweest, is er een goede kans dat dj Angel nu nog in leven was geweest. Dat zij had gedanst, gefeest, liefgehad en haar leven verder vorm had gegeven, niet alleen als radiopresentator, maar ook als actrice in een populaire Keniaanse soap.
‘Zij was zo'n gedisciplineerde, ijverige en getalenteerde actrice.' Het zijn de woorden van Alfred Mutua, niet alleen de schrijver en regisseur van de serie Cobra Squad, maar ook nog eens de woordvoerder van Kenia's president, Mwai Kibaki.
Angela Wainaina was, kortom, alles dat de Keniaanse autoriteiten bij elke ramp niet blijken te zijn.

Een paar dagen later zag ik haar opnieuw, samen met fotograaf Sven Torfinn, die ons verhaal voor de Volkskrant kwam illustreren. Het vrijwillige vasten, bedoeld om aandacht te vragen voor het lot van vluchtelingen in Kenia en elders, begon zijn tol op de jonge vrouw te eisen. Maar zij hield dapper vol.
Eerder had zij me verteld dat zij, als iemand die het leven in het ghetto, in de sloppenwijken van de hoofdstad, van binnenuit kende, al voor hetere vuren had gestaan. ‘Wij kennen de harde kant van het leven. (...) We hebben veel meegemaakt. Maar we zijn er nog', aldus deze engel van Nairobi.
Maar amper een maand later bleek het vuur te heet. Angela Wainaina is een van de tientallen slachtoffers die vorige week vielen bij de brand in de winkel van Nakumatt in het centrum van Nairobi. De vrouw die zich voor het goede doel vrijwillig had laten opsluiten, was nu een van de mensen die bij de brand werden ingesloten.
Ook voor haar geldt: haar dood is even wreed als onnodig. Als de nooduitgangen open waren geweest, is er een goede kans dat dj Angel nu nog in leven was geweest. Dat zij had gedanst, gefeest, liefgehad en haar leven verder vorm had gegeven, niet alleen als radiopresentator, maar ook als actrice in een populaire Keniaanse soap.
‘Zij was zo'n gedisciplineerde, ijverige en getalenteerde actrice.' Het zijn de woorden van Alfred Mutua, niet alleen de schrijver en regisseur van de serie Cobra Squad, maar ook nog eens de woordvoerder van Kenia's president, Mwai Kibaki.
Angela Wainaina was, kortom, alles dat de Keniaanse autoriteiten bij elke ramp niet blijken te zijn.
Ook gratis
activiteiten kosten geld. Zoals onderwijs. De regering van
president Mwai Kibaki heeft een aantal jaren geleden het openbare
basisonderwijs in Kenia gratis gemaakt. Een belangrijk en nobel
initiatief. Maar ook een dat de druk op de toch al vaak zo zwakke
scholen enorm heeft doen toenemen.
Ouders die het zich ook maar enigszins kunnen veroorloven, piekeren er hier niet over hun kind naar een openbare school te sturen. De klassen zijn er meer dan overvol. En de onderwijzers, hoezeer soms ook oprecht gemotiveerd, verdienen zo weinig, dat zij zich vaak gedwongen weten tot buitenschoolse professionele bezigheden.
Bovendien is het onderwijs wel gratis, maar het schoolgaan in zijn geheel is dat niet. Denk slechts aan kleedgeld. Een scholier wordt in Kenia geacht een uniform te dragen, een regel die ook is bedacht om het onderscheid tussen beter en slechter gekleed, tussen rijker en armer, te laten wegvallen. De uniformen komen voor rekening van de ouders.
Iets soortgelijks geldt voor boeken, schriften, pennen en ander schoolgerei. Om van eventuele uitstapjes en andere extracurriculaire zaken nog maar te zwijgen. Kenianen zijn bijzonder prestatiegericht en diep overtuigd van het belang van goed onderwijs. Maar zij moeten daarvoor dus ook vaak diep in de buidel tasten.
Of in die van hun naasten. Ik ken weinig fenomenen die in dit land zo wijdverbreid zijn als het viermaandelijks scharrelen om het schoolgeld bij elkaar te krijgen. School fees: het is veel meer dan een term, het verklankt de ziel van een natie die drie keer per jaar collectief zucht om een betere toekomst mogelijk te maken.
Collectief inderdaad. Wat meteen ook de relatieve charme ervan verklaart. Het vragen om schoolgeld, left, right and center, mag dan soms als een periodiek terugkerend gezeur gelden, het zorgt er ook voor dat we met z'n allen nog altijd een beetje op school zitten. Een onverwachte uitingsvorm van de éducation permanente.
Ouders die het zich ook maar enigszins kunnen veroorloven, piekeren er hier niet over hun kind naar een openbare school te sturen. De klassen zijn er meer dan overvol. En de onderwijzers, hoezeer soms ook oprecht gemotiveerd, verdienen zo weinig, dat zij zich vaak gedwongen weten tot buitenschoolse professionele bezigheden.
Bovendien is het onderwijs wel gratis, maar het schoolgaan in zijn geheel is dat niet. Denk slechts aan kleedgeld. Een scholier wordt in Kenia geacht een uniform te dragen, een regel die ook is bedacht om het onderscheid tussen beter en slechter gekleed, tussen rijker en armer, te laten wegvallen. De uniformen komen voor rekening van de ouders.
Iets soortgelijks geldt voor boeken, schriften, pennen en ander schoolgerei. Om van eventuele uitstapjes en andere extracurriculaire zaken nog maar te zwijgen. Kenianen zijn bijzonder prestatiegericht en diep overtuigd van het belang van goed onderwijs. Maar zij moeten daarvoor dus ook vaak diep in de buidel tasten.
Of in die van hun naasten. Ik ken weinig fenomenen die in dit land zo wijdverbreid zijn als het viermaandelijks scharrelen om het schoolgeld bij elkaar te krijgen. School fees: het is veel meer dan een term, het verklankt de ziel van een natie die drie keer per jaar collectief zucht om een betere toekomst mogelijk te maken.
Collectief inderdaad. Wat meteen ook de relatieve charme ervan verklaart. Het vragen om schoolgeld, left, right and center, mag dan soms als een periodiek terugkerend gezeur gelden, het zorgt er ook voor dat we met z'n allen nog altijd een beetje op school zitten. Een onverwachte uitingsvorm van de éducation permanente.
Het maandblad
Afrique Magazine, een boeiende glossy over met name
francofone landen in Afrika, noemt haar in het jongste nummer nog
‘het militante geweten van een heel continent'. Dat klinkt
indrukwekkend genoeg. Maar helaas zijn de woorden op de dame in
kwestie, de Keniaanse Wangari Maathai, nauwelijks meer van
toepassing.

In 2004 kreeg zij de Nobelprijs voor de vrede. Dat was om meerdere redenen opvallend. Maathai was de eerste zwarte Afrikaanse vrouw die een Nobelprijs ontving (eerder ging de prijs voor literatuur naar de blanke Zuid-Afrikaanse Nadime Gordimer). Maar veel mensen konden moeilijk plaatsen wat haar werk met vrede te maken had.
Wangari Maathai is de oprichter van de Greenbelt Movement, een Keniaanse milieuorganisatie die in het buitenland vooral bekendheid kreeg door bomen te (laten) planten en zo onder meer bodemerosie tegen te gaan. Een beter milieu, zo oordeelde de jury van de Nobelprijs, levert een bijdrage aan vrede.
Het vergt enig flexibel denken, maar onvoorstelbaar is het niet. Concreet aantonen waar precies geplante bomen tot een vrediger klimaat hadden geleid, kon niemand. Maar met de vredesprijs als extra aansporing zou Wangari Maathai ons ongetwijfeld bij de les houden en zou de wereld haar nog beter leren kennen.
De Nobelvredesprijs werd eerder door Afrikaanse mannen als Desmond Tutu, Nelson Mandela en Kofi Annan gewonnen. Voor hen allen geldt dat zij ná het in ontvangst nemen van de onderscheiding niet op hun lauweren gingen rusten, maar zich eens te meer, en vaak ook met resultaten, voor de nobele zaak gingen inzetten.
Dat kan van Wangari Maathai helaas niet worden gezegd. Zij geeft, graag en voor veel geld, her en der lezingen. Maar tot actie is zij zo goed als niet meer aan te sporen. De leiding van haar beweging is volgestopt met familieleden en vrienden, maar ook Greenbelt lijkt verlamd. Alleszins vredig dus. En tamelijk nutteloos.

In 2004 kreeg zij de Nobelprijs voor de vrede. Dat was om meerdere redenen opvallend. Maathai was de eerste zwarte Afrikaanse vrouw die een Nobelprijs ontving (eerder ging de prijs voor literatuur naar de blanke Zuid-Afrikaanse Nadime Gordimer). Maar veel mensen konden moeilijk plaatsen wat haar werk met vrede te maken had.
Wangari Maathai is de oprichter van de Greenbelt Movement, een Keniaanse milieuorganisatie die in het buitenland vooral bekendheid kreeg door bomen te (laten) planten en zo onder meer bodemerosie tegen te gaan. Een beter milieu, zo oordeelde de jury van de Nobelprijs, levert een bijdrage aan vrede.
Het vergt enig flexibel denken, maar onvoorstelbaar is het niet. Concreet aantonen waar precies geplante bomen tot een vrediger klimaat hadden geleid, kon niemand. Maar met de vredesprijs als extra aansporing zou Wangari Maathai ons ongetwijfeld bij de les houden en zou de wereld haar nog beter leren kennen.
De Nobelvredesprijs werd eerder door Afrikaanse mannen als Desmond Tutu, Nelson Mandela en Kofi Annan gewonnen. Voor hen allen geldt dat zij ná het in ontvangst nemen van de onderscheiding niet op hun lauweren gingen rusten, maar zich eens te meer, en vaak ook met resultaten, voor de nobele zaak gingen inzetten.
Dat kan van Wangari Maathai helaas niet worden gezegd. Zij geeft, graag en voor veel geld, her en der lezingen. Maar tot actie is zij zo goed als niet meer aan te sporen. De leiding van haar beweging is volgestopt met familieleden en vrienden, maar ook Greenbelt lijkt verlamd. Alleszins vredig dus. En tamelijk nutteloos.


