Eric Stam schrijft

Gisteren berichtte
nu.nl dat het belang van strategisch stemmen in Nederland veel
groter is dan vooralsnog werd aangenomen. Het kost kleine partijen
zo'n tien tot vijftien zetels. Dat is een heel slechte zaak. Drie
redenen waarom u niet strategisch moet stemmen:
1) Let's face it: als u heel eerlijk in de spiegel kijkt, dan weet u ook wel dat uw stem niet de doorslag zal gaan geven bij de verkiezingen. Op een kiesgerechtigde bevolking van zo'n elf miljoen mensen bent u - geef het maar gewoon toe - tamelijk marginaal. Uw stem gaat echt geen zetel verschil uitmaken in de Tweede Kamer. Dus waarom zou u in godsnaam proberen om invloed uit te oefenen middels uw stem op coalitiebesprekingen na afloop van de verkiezingen waarin van alles kan gebeuren? Remember Van Agt en Wiegel? Wees daarom als u naar de stembus loopt gewoon die trotse dromer, die idealist, die niet de illusie heeft het lot te kunnen beinvloeden, maar tot het allerlaatste moment de eigen waardigheid bewaart: uw eigen mening zal gehoord worden in Den Haag!
2) Het is niet in uw belang om strategisch te stemmen. Weliswaar heeft u misschien liever een coalitie tussen Pvda en CDA dan tussen CDA en VVD, maar wat uw eigenlijk zou willen is een heel andere coaltie. Veel linkser, of veel rechtser. Veel progressiever of juist conservatiever. Zelfs al is het dankzij uw hoogstpersoonlijke stem dat we de door uw gewenste coalitie krijgen, dan nog bent u niet volledig tevreden. Dus waarom uw stem zo misbruiken?
3) De Tweede Kamer weerspiegelt dankzij uw strategisch stemgedrag niet de wil van het volk. Want ook al bent u zelf dan marginaal en heeft u de illusie een verschil te kunnen maken, alle strategische stemmers tezamen kunnen dat uiteraard wel. Wet van grote getallen. Gevolg is dus wel dat we nooit echt zullen weten welke coalities mogelijk geweest zouden zijn als iedereen wel gewoon had gestemd op de partij die men eigenlijk voor ogen had. Gevolg is ook dat die partijen nu in de oppositiebanken minder invloed kunnen uitoefenen op thema's die u best heel belangrijk vindt, maar die u hebt verkwanseld toen u koos voor de grote gematigde middenpartij.
Denk er dus nog eens heel goed over na voordat u op de PvdA of de CDA stemt. Is dat echt, echt wel uw partij?
1) Let's face it: als u heel eerlijk in de spiegel kijkt, dan weet u ook wel dat uw stem niet de doorslag zal gaan geven bij de verkiezingen. Op een kiesgerechtigde bevolking van zo'n elf miljoen mensen bent u - geef het maar gewoon toe - tamelijk marginaal. Uw stem gaat echt geen zetel verschil uitmaken in de Tweede Kamer. Dus waarom zou u in godsnaam proberen om invloed uit te oefenen middels uw stem op coalitiebesprekingen na afloop van de verkiezingen waarin van alles kan gebeuren? Remember Van Agt en Wiegel? Wees daarom als u naar de stembus loopt gewoon die trotse dromer, die idealist, die niet de illusie heeft het lot te kunnen beinvloeden, maar tot het allerlaatste moment de eigen waardigheid bewaart: uw eigen mening zal gehoord worden in Den Haag!
2) Het is niet in uw belang om strategisch te stemmen. Weliswaar heeft u misschien liever een coalitie tussen Pvda en CDA dan tussen CDA en VVD, maar wat uw eigenlijk zou willen is een heel andere coaltie. Veel linkser, of veel rechtser. Veel progressiever of juist conservatiever. Zelfs al is het dankzij uw hoogstpersoonlijke stem dat we de door uw gewenste coalitie krijgen, dan nog bent u niet volledig tevreden. Dus waarom uw stem zo misbruiken?
3) De Tweede Kamer weerspiegelt dankzij uw strategisch stemgedrag niet de wil van het volk. Want ook al bent u zelf dan marginaal en heeft u de illusie een verschil te kunnen maken, alle strategische stemmers tezamen kunnen dat uiteraard wel. Wet van grote getallen. Gevolg is dus wel dat we nooit echt zullen weten welke coalities mogelijk geweest zouden zijn als iedereen wel gewoon had gestemd op de partij die men eigenlijk voor ogen had. Gevolg is ook dat die partijen nu in de oppositiebanken minder invloed kunnen uitoefenen op thema's die u best heel belangrijk vindt, maar die u hebt verkwanseld toen u koos voor de grote gematigde middenpartij.
Denk er dus nog eens heel goed over na voordat u op de PvdA of de CDA stemt. Is dat echt, echt wel uw partij?
Voetbal en verkiezingsdebatten hebben iets
gemeenschappelijks: de nabeschouwing is vaak het leukst. Sharon
Kroes (wereldkampioen parlementair debatteren) en Eric Stam
(voorzitter Erasmus Debating Society) nemen de deskundigen eens
onder de loep.
“Juist de uitdager vond ik op een gegeven moment zeer defensief. (…) Helemaal op het eind was het bijna de geslagen hond.” Was getekend, Henkjan Smits, imagodeskundige. Van hem kregen we na afloop van het RTL 4 debat tussen Bos en Balkenende een paar knappe staaltjes analyse, bijvoorbeeld over de ‘onauthentieke oogbewegingen’ van Bos en de superieure houding van Balkenende.
Het kijkerspubliek dacht er anders over en riep Bos nipt tot winnaar uit. Ach, misschien is Henkjan Smits zelf ook niet zo authentiek als debatanalist. Wij geloven Henkjan Smits gewoonweg niet als hij dan een extra gewichtig toontje aanslaat, probeert om moeilijke woorden te gebruiken en daarin opzichtig faalt.
Een ding staat vast: de berichtgeving in de media over verkiezingsdebatten is minstens net zo interessant als de debatten zelf. Met daarin een hoog schipper-aan-de-wal-gehalte en interessantdoenerij. Ook wij zijn vanwege onze debatachtergrond gevraagd om ons licht te laten schijnen over de verkiezingen, maar kunnen we dat eigenlijk wel?
Het antwoord luidt: nee, nauwelijks. Niet meer althans dan iedere stemgerechtigde leek die de verkiezingsdebatten volgen. Bij debatten als deze is het namelijk volstrekt onduidelijk op basis waarvan we uitspraken moeten doen over de prestaties van de dames en heren lijsttrekkers. We kennen hun precieze beweegredenen niet en we kennen de situatie (het televisiedebat) niet. Want: wie is het publiek? En wat wil het publiek?
Interessant is in dit verband het werk van de socioloog Erving Goffman. In zijn bekende werk, The Presentation of the Self in Everyday Life, laat Goffman zien welke rollen individuen aannemen in bepaalde situaties. Goffman stelt dat wanneer twee of meer individuen sociale actie met elkaar aangaan, zij bewust of onbewust hun eigen rol daarbinnen definiëren om consensus te bereiken over de situatie. Binnen het wedstrijddebat is dat behoorlijk eenvoudig: de situatie is dat de jury, meestal bestaande uit twee of drie personen, overtuigd moet worden van een van te voren toegewezen standpunt op basis van vastomlijnde, harde criteria. Binnen dat micro-universum zijn we behoorlijk deskundig, kunnen we redelijk objectief een aantal heel verstandige dingen over (wedstrijd)debatprestaties zeggen. Daarbuiten echter zijn de wijsheden die we als debatdeskundigen debiteren eerder performatief: wij kunnen dan zelf definiëren hoe politici zich in een verkiezingsdebat behoren te gedragen, daarmee de publieke opinie beïnvloedend. Mits we dat op een gezaghebbende wijze doen uiteraard.
Dat performatieve effect zien we vooral bij zogenaamde deskundigen die weten wat ‘het volk’ zien en horen wil. Henkjan Smits heeft bijvoorbeeld in zijn microwereld van Idols en de X-factor authenticiteit verheven tot hét voornaamste criterium waarop individuen afgerekend worden en doet met politici in verkiezingstijd doodleuk hetzelfde op een ongemeen scherpe manier (de ooghoeken van Bos die enkele microseconden naar boven staarden). In zijn commentaar benadrukte hij ook nog enkele malen dat het hem totaal niet interesseert wie nu ‘het slimste jongetje van de klas is’, zolang je maar authentiek bent. Dáár gaat het volgens Henkjan Smits echt om. Wij wedstrijddebaters zijn vermoedelijk een stuk meer geneigd om Bos een nadenkende blik en lichte zenuwen te vergeven, zolang zijn verhaal maar steviger argumentatie bevat dan dat van zijn opponent. Zó zijn wij geneigd om debaters te beoordelen.
Maar wie heeft de wijsheid in de pacht? De crux is dat het micro-universum waar Goffman in zijn face-to-face microsociologische benadering naar verwijst, compleet ontbreekt. Immers, zoveel mensen zoveel wensen. Iedere deskundige spreekt vanuit eigen optiek zonder altijd even duidelijk hoe relevant die is.
Ook leuk was het commentaar van onze gewaardeerde vriend en collega Lars Duursma (met Sharon wereldkampioen) bij RTL 4: Bos de beste debater, maar Balkenende wellicht toch de grotere staatsman. Interessant, maar wat betekent dat voor de concrete situatie van het verkiezingsdebat? Strekt het tot aanbeveling voor een van beide heren, of is het zomaar een constatering? Hij onderscheid hier namelijk twee verschillende rollen die Bos en Balkenende tegelijkertijd spelen: de debater en de staatsman. Onderzoek uit de Verenigde Staten wijst vooralsnog uit dat de verliezer van presidentiele verkiezingsdebatten de uiteindelijke verkiezingen vaak wint.
Goffman stelt ons in verkiezingstijd kortom vooral voor een hoop vragen. Welke debatstijl is nu het meest overtuigend? Ligt de zetelwinst of links of op rechts? Is het winnen van een verkiezingsdebat eigenlijk wel nastrevenswaardig, of kan het zich ook tegen je keren? Die vraag kunnen we alleen beantwoorden als we precies weten als we precies weten wat het publiek zien en horen wil. Deskundigen spelen hierbij dikwijls een vermakelijke en soms ook een verhelderende rol. Ons advies is echter dat u de nabeschouwingen niet al te serieus moet nemen. En dat u op 22 november gewoon uw eigen hart en hoofd volgt.
“Juist de uitdager vond ik op een gegeven moment zeer defensief. (…) Helemaal op het eind was het bijna de geslagen hond.” Was getekend, Henkjan Smits, imagodeskundige. Van hem kregen we na afloop van het RTL 4 debat tussen Bos en Balkenende een paar knappe staaltjes analyse, bijvoorbeeld over de ‘onauthentieke oogbewegingen’ van Bos en de superieure houding van Balkenende.
Het kijkerspubliek dacht er anders over en riep Bos nipt tot winnaar uit. Ach, misschien is Henkjan Smits zelf ook niet zo authentiek als debatanalist. Wij geloven Henkjan Smits gewoonweg niet als hij dan een extra gewichtig toontje aanslaat, probeert om moeilijke woorden te gebruiken en daarin opzichtig faalt.
Een ding staat vast: de berichtgeving in de media over verkiezingsdebatten is minstens net zo interessant als de debatten zelf. Met daarin een hoog schipper-aan-de-wal-gehalte en interessantdoenerij. Ook wij zijn vanwege onze debatachtergrond gevraagd om ons licht te laten schijnen over de verkiezingen, maar kunnen we dat eigenlijk wel?
Het antwoord luidt: nee, nauwelijks. Niet meer althans dan iedere stemgerechtigde leek die de verkiezingsdebatten volgen. Bij debatten als deze is het namelijk volstrekt onduidelijk op basis waarvan we uitspraken moeten doen over de prestaties van de dames en heren lijsttrekkers. We kennen hun precieze beweegredenen niet en we kennen de situatie (het televisiedebat) niet. Want: wie is het publiek? En wat wil het publiek?
Interessant is in dit verband het werk van de socioloog Erving Goffman. In zijn bekende werk, The Presentation of the Self in Everyday Life, laat Goffman zien welke rollen individuen aannemen in bepaalde situaties. Goffman stelt dat wanneer twee of meer individuen sociale actie met elkaar aangaan, zij bewust of onbewust hun eigen rol daarbinnen definiëren om consensus te bereiken over de situatie. Binnen het wedstrijddebat is dat behoorlijk eenvoudig: de situatie is dat de jury, meestal bestaande uit twee of drie personen, overtuigd moet worden van een van te voren toegewezen standpunt op basis van vastomlijnde, harde criteria. Binnen dat micro-universum zijn we behoorlijk deskundig, kunnen we redelijk objectief een aantal heel verstandige dingen over (wedstrijd)debatprestaties zeggen. Daarbuiten echter zijn de wijsheden die we als debatdeskundigen debiteren eerder performatief: wij kunnen dan zelf definiëren hoe politici zich in een verkiezingsdebat behoren te gedragen, daarmee de publieke opinie beïnvloedend. Mits we dat op een gezaghebbende wijze doen uiteraard.
Dat performatieve effect zien we vooral bij zogenaamde deskundigen die weten wat ‘het volk’ zien en horen wil. Henkjan Smits heeft bijvoorbeeld in zijn microwereld van Idols en de X-factor authenticiteit verheven tot hét voornaamste criterium waarop individuen afgerekend worden en doet met politici in verkiezingstijd doodleuk hetzelfde op een ongemeen scherpe manier (de ooghoeken van Bos die enkele microseconden naar boven staarden). In zijn commentaar benadrukte hij ook nog enkele malen dat het hem totaal niet interesseert wie nu ‘het slimste jongetje van de klas is’, zolang je maar authentiek bent. Dáár gaat het volgens Henkjan Smits echt om. Wij wedstrijddebaters zijn vermoedelijk een stuk meer geneigd om Bos een nadenkende blik en lichte zenuwen te vergeven, zolang zijn verhaal maar steviger argumentatie bevat dan dat van zijn opponent. Zó zijn wij geneigd om debaters te beoordelen.
Maar wie heeft de wijsheid in de pacht? De crux is dat het micro-universum waar Goffman in zijn face-to-face microsociologische benadering naar verwijst, compleet ontbreekt. Immers, zoveel mensen zoveel wensen. Iedere deskundige spreekt vanuit eigen optiek zonder altijd even duidelijk hoe relevant die is.
Ook leuk was het commentaar van onze gewaardeerde vriend en collega Lars Duursma (met Sharon wereldkampioen) bij RTL 4: Bos de beste debater, maar Balkenende wellicht toch de grotere staatsman. Interessant, maar wat betekent dat voor de concrete situatie van het verkiezingsdebat? Strekt het tot aanbeveling voor een van beide heren, of is het zomaar een constatering? Hij onderscheid hier namelijk twee verschillende rollen die Bos en Balkenende tegelijkertijd spelen: de debater en de staatsman. Onderzoek uit de Verenigde Staten wijst vooralsnog uit dat de verliezer van presidentiele verkiezingsdebatten de uiteindelijke verkiezingen vaak wint.
Goffman stelt ons in verkiezingstijd kortom vooral voor een hoop vragen. Welke debatstijl is nu het meest overtuigend? Ligt de zetelwinst of links of op rechts? Is het winnen van een verkiezingsdebat eigenlijk wel nastrevenswaardig, of kan het zich ook tegen je keren? Die vraag kunnen we alleen beantwoorden als we precies weten als we precies weten wat het publiek zien en horen wil. Deskundigen spelen hierbij dikwijls een vermakelijke en soms ook een verhelderende rol. Ons advies is echter dat u de nabeschouwingen niet al te serieus moet nemen. En dat u op 22 november gewoon uw eigen hart en hoofd volgt.
Maar liefst 54 partijen willen dit jaar meedoen aan de
Tweede Kamerverkiezingen. Dat is een slechte ontwikkeling want met
democratische pluriformiteit heeft het niets te maken. Twee
denkbeelden / stijlbloempjes die sinds Fortuyn populair zijn
geworden, moeten worden bestreden om de politiek weer te
normaliseren.
Sommige mensen vinden het prachtig om te zien hoe Nederland sinds Fortuyn bruist van de politieke ondernemendheid. Als we de parlementaire geschiedenis sinds 1982 erop naslaan zien we dat er nooit meer dan 27 partijen hebben meegedaan aan de Tweede Kamerverkiezingen. In 2002, het jaar van Fortuyn, waren het er “slechts” 16. De ondernemendheid beperkt zich echter niet tot de oprichting van nieuwe partijen alleen: “gevestigde” politieke partijen hebben sinds Fortuyn grote zelfreinigingacties doorgemaakt en het aantal personen met een – veelal kortstondige – politieke carrière is explosief gestegen. Dat duidt op grotere democratische pluriformiteit en betrokkenheid, menen de grote optimisten.
Ik zie vooral wantrouwen en versplintering – grotendeels onterecht en onnodig. Toen Fortuyn in 2002 zo glorierijk Paars wegvaagde ging het namelijk op een aantal gebieden best goed met Nederland en de Nederlandse politiek. Je bent tegenwoordig een “loser” of een “autist” uit het kamp van Ad Melkert, Hans Dijkstal en Wim Kok wil je nog die mening zijn toegedaan. Zelfs in eigen kringen zijn die mensen tegenwoordig impopulair, want ook binnen gevestigde politieke partijen is men sterk overtuigd van de noodzaak om nieuwe politiek te voeren. Politiek Den Haag heeft een sport gemaakt van zelfbevuiling en beklag. De dagelijkse politieke praktijk is er een van “rituelen”, “gedoe” en “gekronkel”. De politieke ondernemingszin anno 2006 kenmerkt zich door een sterk verlangen het politieke proces zelf te veranderen en door een diep gebrek aan vertrouwen en bereidheid om hiervoor samen te werken.
Fortuyn heeft ruim vier jaar geleden “de geest uit de fles” laten ontsnappen en sindsdien lijkt niemand goed te weten wat er aan de hand is. Dat blijkt alleen al uit de populariteit van deze metafoor. Volgens mij zijn er echter slechts twee denkbeelden / stijlbloemen van Fortuyn die hebben bijgedragen aan het disproportionele wantrouwen in de Nederlandse politiek en de veelal destructieve ondernemingszin van politieke avonturiers.
Het outsidergevoel – Pim Fortuyn voelde zich een buitenstaander in de politiek, vooral omdat hij “zei wat hij dacht”. De impliciete lading van die boodschap was uiteraard dat het bij de gevestigden niet mogelijk was om je vrij te uiten, dat je met andere woorden daar wezenlijk beknot werd in je democratische vrijheid om problemen aan de kaak te stellen én aan te pakken. Na zijn dood heeft hij dan ook van vriend en vijand de credits daarvoor gekregen: “Pim” is de geschiedenis ingegaan als de man die het “politiek correcte denken” heeft doorbroken. Misschien iets te gemakkelijk en te kritiekloos. Wie zegt bijvoorbeeld dat het immigratievraagstuk niet via de gevestigde politiek op de agenda was gekomen? Had iemand als Bolkestein op een heel gedegen en tactvolle wijze al niet de weg geplaveid voor meer prioriteit en aandacht vanuit de gevestigde politiek? We weten het niet. Dit outsidergevoel dat Fortuyn belichaamde heeft echter twee perverse gevolgen.
Het eerste is een onevenredig wantrouwen in de gevestigde politiek. Er lopen in Nederland teveel burgers rond die serieus stellingen onderschrijven als: “politici zijn niet te vertrouwen” of “ik heb niet het gevoel dat de politiek mij vertegenwoordigt”. Dat is een ernstig probleem, dat ook niet is op te lossen door “de kloof tussen politiek en burgers” te verkleinen, het is namelijk veel meer een integriteitprobleem dan een afstandprobleem. Het beroep politicus staat bij veel mensen synoniem aan leugenaar of huichelaar. Logisch dus dat politieke alternatieven alleen nog maar van buiten kunnen komen door een continue aanwas van nieuwe partijen en nieuwe gezichten, want wie eenmaal in Den Haag geweest, is besmet. Het merendeel van de nieuwe politieke partijen en bewegingen wordt ook niet opgericht met een daadwerkelijk vernieuwende partijvisie – integendeel – maar vanuit een vaag besef dat men binnen reeds bestaande politieke partijen buitengesloten wordt. Fortuyn is met zijn beschuldigende vingertje naar de gevestigde orde die hem buitensloot hier grotendeels verantwoordelijk voor. Maar er zijn momenteel geen waardevolle en levensvatbare ideeën die een hoge plaats op de politieke agenda verdienen en waar een taboe op ligt. Wat dat betreft heeft Fortuyn zijn werk grondig gedaan. Nieuwe politieke partijen en bewegingen mogen die lakmoesproef best wel weer eens uitvoeren voordat ze van start gaan.
Het tweede perverse gevolg is echter dat het gevoel van buitengesloten zijn ook versterkt is onder degenen die de inhoudelijke agenda van Fortuyn niet eens kennen of niet onderschrijven. Dat is een andere reden waarom er een wildgroei is aan partijen in alle soorten en maten – links, rechts, one-issue en totaalverhaal. Fortuyn heeft (onbedoeld?) een verwerpelijk soort postmodernistisch ethos de Nederlandse samenleving versterkt dat suggereert dat onzinnige of ronduit verwerpelijke ideeën niet bestaan – met het verdwijnen van politieke correctheid nemen tal van kiezers en politieke malloten hun eigen ideeën veel te serieus. Nederigheid voor domme mensen met gevaarlijke ideeën is hier op z’n plaats. De oude gevestigden kunnen best iets van hun oude arrogantie gebruiken om weer wat sterkere hiërarchische lijnen te trekken tussen goed en fout, tussen volwaardig idee en proefballon.
Politieke ongeduld – In niets leek Fortuyn weliswaar een geduldige man, maar hij was het stiekem wel. Iemand met een goed ontwikkeld gevoel voor timing ook. Wat door de politieke ondernemers met torenhoge ambities van vandaag de dag weleens wordt vergeten is dat Fortuyn heel wat boeken en columns heeft geschreven in een tijdspanne van zo’n twintig jaar. De hemelbestormers van deze tijd doen ook een poging zo nu en dan, maar geen van allen halen ze de kwaliteit en de coherentie van Fortuyn’s werk. Dat klinkt verrassend, maar zoals Dick Pels in zijn erudiete boekje De Geest van Pim al eens heeft betoogd zat er veel meer lijn in zijn gedachtegoed dan veel van zijn tegenstanders vandaag de dag nog willen toegeven. Weliswaar is het teveel eer om zijn gedachtegoed nu als een denkstroming aan te duiden gelijk het marxisme – daarvoor is het niet goed maar zeker ook niet origineel genoeg – maar hij had wel degelijk een stevig verhaal, dat geschaafd was door vele jaren intellectuele arbeid. Maar behalve dit inhoudelijke aspect – het waanidee dat iedere politieke ondernemer binnen een paar maanden tijd een stevige en coherente maatschappijvisie kan ontwikkelen die iets toevoegt aan het bestaande – spelen er persoonlijke en politieke uitingen van ongeduld sinds Fortuyn een rol.
Het persoonlijke ongeduld wordt bij uitstek gesymboliseerd door iemand die godzijdank niet nummer 55 is op de uiteindelijke kieslijst van partijen, Peter R de Vries, ook wel beter bekend als Partij voor Rechtvaardigheid, Daadkracht en Vooruitgang. In navolging van Fortuyn (die aanvankelijk nog heel bescheiden op 15 zetels mikte) waren minder dan dertig zetels te min voor hem, want dan zou hij wel eens “gewoon kamerlid” kunnen worden daar waar hij het premierschap ambieerde. Daarmee zichzelf impliciet belangrijker maken dan integere en stabiele politieke instituties de ons land al jarenlang een grote democratische dienst bewijzen, zoals bijvoorbeeld de SP, de Christenunie, SGP maar ook D66.
Het politieke signaal dat sinds Fortuyn zijn weerklank vindt is dat verandering van binnenuit de langzaam gaat. Voor ieder klein meningsverschil tussen redelijk gelijkgestemden wordt tegenwoordig wel een nieuwe partij opgericht vanuit de grondhouding dat er teveel tijd verloren gaat met “slap gelul” of een richtingenstrijd binnen een politieke beweging. Met wil zetels en regeringsinvloed zonder “intern gezeik”, en wel nu! Met name politiek rechts weet op deze manier geen vuist te maken, terwijl een samenwerking tussen mensen zoals Verdonk, Wilders, Pastors en Eerdmans toch zo voor de hand had gelegen. Wederom is hier mijn treurige conclusie: een schrijnend gebrek aan respect voor het democratische proces waarin een gedegen partijvisie tot stand komt – in feite voor de motor van een democratie: het debat. Men wil eerst actie en dan pas bezinning, vanuit de overtuiging dat er al genoeg tijd is verspild en vanwege het apocalyptische besef dat Nederland aan de rand van de afgrond staat. Fortuyn had dit besef ook sterk, en het is ook dit aspect van ongeduld dat op zo’n gespannen voet met zijn zelfverklaarde democratische grondhouding staat. Fortuyn hield naar eigen zeggen van het debat, maar toen hij de politieke arena zelf ging betreden had hij eigenlijk alle antwoorden al en wilde van compromissen niets weten. En zo zijn opvolgers. Een slechte zaak, want goede debatten kosten nu eenmaal tijd, en ja, ze leiden er inderdaad toe dat partijen en individuen regelmatig hun standpunten bijstellen. Dat is echter geen gekronkel, maar inherent aan het democratische proces.
Kortom, we kunnen wel een beetje meer vertrouwen in het politieke bestel gebruiken. Dan laten we al die zichzelf overschattende politieke avonturiers lekker in hun sop gaarkoken. Ik stem dit jaar op een gevestigde politieke partij, en u?
Sommige mensen vinden het prachtig om te zien hoe Nederland sinds Fortuyn bruist van de politieke ondernemendheid. Als we de parlementaire geschiedenis sinds 1982 erop naslaan zien we dat er nooit meer dan 27 partijen hebben meegedaan aan de Tweede Kamerverkiezingen. In 2002, het jaar van Fortuyn, waren het er “slechts” 16. De ondernemendheid beperkt zich echter niet tot de oprichting van nieuwe partijen alleen: “gevestigde” politieke partijen hebben sinds Fortuyn grote zelfreinigingacties doorgemaakt en het aantal personen met een – veelal kortstondige – politieke carrière is explosief gestegen. Dat duidt op grotere democratische pluriformiteit en betrokkenheid, menen de grote optimisten.
Ik zie vooral wantrouwen en versplintering – grotendeels onterecht en onnodig. Toen Fortuyn in 2002 zo glorierijk Paars wegvaagde ging het namelijk op een aantal gebieden best goed met Nederland en de Nederlandse politiek. Je bent tegenwoordig een “loser” of een “autist” uit het kamp van Ad Melkert, Hans Dijkstal en Wim Kok wil je nog die mening zijn toegedaan. Zelfs in eigen kringen zijn die mensen tegenwoordig impopulair, want ook binnen gevestigde politieke partijen is men sterk overtuigd van de noodzaak om nieuwe politiek te voeren. Politiek Den Haag heeft een sport gemaakt van zelfbevuiling en beklag. De dagelijkse politieke praktijk is er een van “rituelen”, “gedoe” en “gekronkel”. De politieke ondernemingszin anno 2006 kenmerkt zich door een sterk verlangen het politieke proces zelf te veranderen en door een diep gebrek aan vertrouwen en bereidheid om hiervoor samen te werken.
Fortuyn heeft ruim vier jaar geleden “de geest uit de fles” laten ontsnappen en sindsdien lijkt niemand goed te weten wat er aan de hand is. Dat blijkt alleen al uit de populariteit van deze metafoor. Volgens mij zijn er echter slechts twee denkbeelden / stijlbloemen van Fortuyn die hebben bijgedragen aan het disproportionele wantrouwen in de Nederlandse politiek en de veelal destructieve ondernemingszin van politieke avonturiers.
Het outsidergevoel – Pim Fortuyn voelde zich een buitenstaander in de politiek, vooral omdat hij “zei wat hij dacht”. De impliciete lading van die boodschap was uiteraard dat het bij de gevestigden niet mogelijk was om je vrij te uiten, dat je met andere woorden daar wezenlijk beknot werd in je democratische vrijheid om problemen aan de kaak te stellen én aan te pakken. Na zijn dood heeft hij dan ook van vriend en vijand de credits daarvoor gekregen: “Pim” is de geschiedenis ingegaan als de man die het “politiek correcte denken” heeft doorbroken. Misschien iets te gemakkelijk en te kritiekloos. Wie zegt bijvoorbeeld dat het immigratievraagstuk niet via de gevestigde politiek op de agenda was gekomen? Had iemand als Bolkestein op een heel gedegen en tactvolle wijze al niet de weg geplaveid voor meer prioriteit en aandacht vanuit de gevestigde politiek? We weten het niet. Dit outsidergevoel dat Fortuyn belichaamde heeft echter twee perverse gevolgen.
Het eerste is een onevenredig wantrouwen in de gevestigde politiek. Er lopen in Nederland teveel burgers rond die serieus stellingen onderschrijven als: “politici zijn niet te vertrouwen” of “ik heb niet het gevoel dat de politiek mij vertegenwoordigt”. Dat is een ernstig probleem, dat ook niet is op te lossen door “de kloof tussen politiek en burgers” te verkleinen, het is namelijk veel meer een integriteitprobleem dan een afstandprobleem. Het beroep politicus staat bij veel mensen synoniem aan leugenaar of huichelaar. Logisch dus dat politieke alternatieven alleen nog maar van buiten kunnen komen door een continue aanwas van nieuwe partijen en nieuwe gezichten, want wie eenmaal in Den Haag geweest, is besmet. Het merendeel van de nieuwe politieke partijen en bewegingen wordt ook niet opgericht met een daadwerkelijk vernieuwende partijvisie – integendeel – maar vanuit een vaag besef dat men binnen reeds bestaande politieke partijen buitengesloten wordt. Fortuyn is met zijn beschuldigende vingertje naar de gevestigde orde die hem buitensloot hier grotendeels verantwoordelijk voor. Maar er zijn momenteel geen waardevolle en levensvatbare ideeën die een hoge plaats op de politieke agenda verdienen en waar een taboe op ligt. Wat dat betreft heeft Fortuyn zijn werk grondig gedaan. Nieuwe politieke partijen en bewegingen mogen die lakmoesproef best wel weer eens uitvoeren voordat ze van start gaan.
Het tweede perverse gevolg is echter dat het gevoel van buitengesloten zijn ook versterkt is onder degenen die de inhoudelijke agenda van Fortuyn niet eens kennen of niet onderschrijven. Dat is een andere reden waarom er een wildgroei is aan partijen in alle soorten en maten – links, rechts, one-issue en totaalverhaal. Fortuyn heeft (onbedoeld?) een verwerpelijk soort postmodernistisch ethos de Nederlandse samenleving versterkt dat suggereert dat onzinnige of ronduit verwerpelijke ideeën niet bestaan – met het verdwijnen van politieke correctheid nemen tal van kiezers en politieke malloten hun eigen ideeën veel te serieus. Nederigheid voor domme mensen met gevaarlijke ideeën is hier op z’n plaats. De oude gevestigden kunnen best iets van hun oude arrogantie gebruiken om weer wat sterkere hiërarchische lijnen te trekken tussen goed en fout, tussen volwaardig idee en proefballon.
Politieke ongeduld – In niets leek Fortuyn weliswaar een geduldige man, maar hij was het stiekem wel. Iemand met een goed ontwikkeld gevoel voor timing ook. Wat door de politieke ondernemers met torenhoge ambities van vandaag de dag weleens wordt vergeten is dat Fortuyn heel wat boeken en columns heeft geschreven in een tijdspanne van zo’n twintig jaar. De hemelbestormers van deze tijd doen ook een poging zo nu en dan, maar geen van allen halen ze de kwaliteit en de coherentie van Fortuyn’s werk. Dat klinkt verrassend, maar zoals Dick Pels in zijn erudiete boekje De Geest van Pim al eens heeft betoogd zat er veel meer lijn in zijn gedachtegoed dan veel van zijn tegenstanders vandaag de dag nog willen toegeven. Weliswaar is het teveel eer om zijn gedachtegoed nu als een denkstroming aan te duiden gelijk het marxisme – daarvoor is het niet goed maar zeker ook niet origineel genoeg – maar hij had wel degelijk een stevig verhaal, dat geschaafd was door vele jaren intellectuele arbeid. Maar behalve dit inhoudelijke aspect – het waanidee dat iedere politieke ondernemer binnen een paar maanden tijd een stevige en coherente maatschappijvisie kan ontwikkelen die iets toevoegt aan het bestaande – spelen er persoonlijke en politieke uitingen van ongeduld sinds Fortuyn een rol.
Het persoonlijke ongeduld wordt bij uitstek gesymboliseerd door iemand die godzijdank niet nummer 55 is op de uiteindelijke kieslijst van partijen, Peter R de Vries, ook wel beter bekend als Partij voor Rechtvaardigheid, Daadkracht en Vooruitgang. In navolging van Fortuyn (die aanvankelijk nog heel bescheiden op 15 zetels mikte) waren minder dan dertig zetels te min voor hem, want dan zou hij wel eens “gewoon kamerlid” kunnen worden daar waar hij het premierschap ambieerde. Daarmee zichzelf impliciet belangrijker maken dan integere en stabiele politieke instituties de ons land al jarenlang een grote democratische dienst bewijzen, zoals bijvoorbeeld de SP, de Christenunie, SGP maar ook D66.
Het politieke signaal dat sinds Fortuyn zijn weerklank vindt is dat verandering van binnenuit de langzaam gaat. Voor ieder klein meningsverschil tussen redelijk gelijkgestemden wordt tegenwoordig wel een nieuwe partij opgericht vanuit de grondhouding dat er teveel tijd verloren gaat met “slap gelul” of een richtingenstrijd binnen een politieke beweging. Met wil zetels en regeringsinvloed zonder “intern gezeik”, en wel nu! Met name politiek rechts weet op deze manier geen vuist te maken, terwijl een samenwerking tussen mensen zoals Verdonk, Wilders, Pastors en Eerdmans toch zo voor de hand had gelegen. Wederom is hier mijn treurige conclusie: een schrijnend gebrek aan respect voor het democratische proces waarin een gedegen partijvisie tot stand komt – in feite voor de motor van een democratie: het debat. Men wil eerst actie en dan pas bezinning, vanuit de overtuiging dat er al genoeg tijd is verspild en vanwege het apocalyptische besef dat Nederland aan de rand van de afgrond staat. Fortuyn had dit besef ook sterk, en het is ook dit aspect van ongeduld dat op zo’n gespannen voet met zijn zelfverklaarde democratische grondhouding staat. Fortuyn hield naar eigen zeggen van het debat, maar toen hij de politieke arena zelf ging betreden had hij eigenlijk alle antwoorden al en wilde van compromissen niets weten. En zo zijn opvolgers. Een slechte zaak, want goede debatten kosten nu eenmaal tijd, en ja, ze leiden er inderdaad toe dat partijen en individuen regelmatig hun standpunten bijstellen. Dat is echter geen gekronkel, maar inherent aan het democratische proces.
Kortom, we kunnen wel een beetje meer vertrouwen in het politieke bestel gebruiken. Dan laten we al die zichzelf overschattende politieke avonturiers lekker in hun sop gaarkoken. Ik stem dit jaar op een gevestigde politieke partij, en u?
Het hele concept van geïntegreerde
marketing heeft de status van het beroep marketeer geen goed
gedaan – iedere boerenlul die nu in een brainstormsessie een
tot vijf ‘unique selling points’ of
‘bedrijfsprincipes’ eruit kan vissen is eigenlijk al
klaar. Veel moeilijker is het natuurlijk ook niet, en hoeft het van
mij ook niet. Mijn grootvader begreep dat zestig jaar geleden al:
hij noemde zichzelf een ambachtelijke banketbakker. Een
succesformule, klaar.
Maar ziedaar. Teneinde zichzelf in stand te houden is de beroepsgroep overgegaan tot het uitvinden van een ander soort geïntegreerde marketing – die tussen bedrijven. U koopt product A, maar en passant heeft u ook nog de mogelijkheid op (een stukje) product B! En C, en D! Nu kan dat allemaal nog wel aardig zijn natuurlijk, maar zo langzamerhand zijn we wel in het stadium beland waarbij die producten zo weinig meer met elkaar te maken hebben dat het mij wel eens de wenkbrauwen doet fronsen en mij een licht gevoel van nostalgie bekruipt. Een auto en een koelkast? Alledaagse boodschappen en een internetabonnement? Een televisie en een levensverzekering? Het gebeurt! Slimme en goedgebekte mannen en vrouwen in (mantel)pakken regelen het voor u, hebben interessante zakenlunches en –diners om zulke deals te bespreken, en zijn er waarschijnlijk nog verguld mee ook.
Maar wacht. Zijn dat nu eigenlijk wel combinaties waar u echt om gevraagd heeft als consument? En hoe in godsnaam bewaart u het overzicht in een door obscure samenwerkingsverbanden geteisterde consumentenwereld? Verdienen die paar rotcenten die er eventueel te besparen of te winnen zijn wel uw kostbare tijd en energie? Gisteren zei ik op zulke vragen nog ‘nee’.
De situatie was als volgt. Een lieve meisjesstem – type call tv – belt me op met een overdonderend aanbod. Ze belde namens de Vakantiekaart (jaja, ik heb een Vakantiekaart) en had voor mij een UNIEK voorstel omdat de Vakantiekaart een UNIEKE samenwerking was aangegaan met Eneco en daarom kon ze me wel 11% (ELF PROCENT!!) korting aanbieden op de LEVERINGSKOSTEN van de energie als ik tenminste mijn energierekening oversluit. Isn’t that fun??!!
E: Wel wel wel, dat klinkt zeer interessant! Wel heb ik een klein vraagje: als ik het goed begrijp zijn de leveringskosten maar een onderdeel van de totale energierekening?
M: Ehh ja dat geloof ik wel hihi!
E: Oh, maar kun je me dan misschien vertellen wat de totale korting betreft op de energierekening?
M: Uhhh hoe bedoelt u?
E: Nou je zegt dat de energierekening is opgebouwd uit een aantal componenten nietwaar, en dat de leveringskosten daar een component van is, waarop ik 11 procent korting kan krijgen. Als je dat nu omrekent naar de korting op de totale rekening, hoeveel is dat dan?
M: ....
E: Laat ik het anders vragen: weet je of de leveringskosten een groot deel uitmaken van de totale rekening?
M: Hihi nou ehh dat weet ik niet precies eigenlijk!
E: Het is zeker nog steeds heel significant?
M: Hoe bedoelt u?
E: Dat het nog steeds heel aantrekkelijk voor me is! Dat ga je me nu toch antwoorden!
M: Ohh ehh...ja misschien!
E: …Maar het kan dus ook zijn dat de leveringskosten maar een heel klein deel van de energierekening vormen, zodat er van die 11% heel erg weinig overblijft?
M: Goh ehh ja! dat zou ook wel kunnen!
E: Dat denk ik nou ook.
M: Mmm volgens mij kan ik u niet echt verder helpen he?
E: Dat denk ik ook niet. Maar hartelijk dank in ieder geval voor het vriendelijke aanbod!
M: Ja graag gedaan, en nog een fijne avond..!
E: Wacht nog heel even! zoek die info nog even uit, voordat er meer vragen komen!
M: Dat zal ik doen.
E: Nou, een fijne avond dan maar!
Maar ziedaar. Teneinde zichzelf in stand te houden is de beroepsgroep overgegaan tot het uitvinden van een ander soort geïntegreerde marketing – die tussen bedrijven. U koopt product A, maar en passant heeft u ook nog de mogelijkheid op (een stukje) product B! En C, en D! Nu kan dat allemaal nog wel aardig zijn natuurlijk, maar zo langzamerhand zijn we wel in het stadium beland waarbij die producten zo weinig meer met elkaar te maken hebben dat het mij wel eens de wenkbrauwen doet fronsen en mij een licht gevoel van nostalgie bekruipt. Een auto en een koelkast? Alledaagse boodschappen en een internetabonnement? Een televisie en een levensverzekering? Het gebeurt! Slimme en goedgebekte mannen en vrouwen in (mantel)pakken regelen het voor u, hebben interessante zakenlunches en –diners om zulke deals te bespreken, en zijn er waarschijnlijk nog verguld mee ook.
Maar wacht. Zijn dat nu eigenlijk wel combinaties waar u echt om gevraagd heeft als consument? En hoe in godsnaam bewaart u het overzicht in een door obscure samenwerkingsverbanden geteisterde consumentenwereld? Verdienen die paar rotcenten die er eventueel te besparen of te winnen zijn wel uw kostbare tijd en energie? Gisteren zei ik op zulke vragen nog ‘nee’.
De situatie was als volgt. Een lieve meisjesstem – type call tv – belt me op met een overdonderend aanbod. Ze belde namens de Vakantiekaart (jaja, ik heb een Vakantiekaart) en had voor mij een UNIEK voorstel omdat de Vakantiekaart een UNIEKE samenwerking was aangegaan met Eneco en daarom kon ze me wel 11% (ELF PROCENT!!) korting aanbieden op de LEVERINGSKOSTEN van de energie als ik tenminste mijn energierekening oversluit. Isn’t that fun??!!
E: Wel wel wel, dat klinkt zeer interessant! Wel heb ik een klein vraagje: als ik het goed begrijp zijn de leveringskosten maar een onderdeel van de totale energierekening?
M: Ehh ja dat geloof ik wel hihi!
E: Oh, maar kun je me dan misschien vertellen wat de totale korting betreft op de energierekening?
M: Uhhh hoe bedoelt u?
E: Nou je zegt dat de energierekening is opgebouwd uit een aantal componenten nietwaar, en dat de leveringskosten daar een component van is, waarop ik 11 procent korting kan krijgen. Als je dat nu omrekent naar de korting op de totale rekening, hoeveel is dat dan?
M: ....
E: Laat ik het anders vragen: weet je of de leveringskosten een groot deel uitmaken van de totale rekening?
M: Hihi nou ehh dat weet ik niet precies eigenlijk!
E: Het is zeker nog steeds heel significant?
M: Hoe bedoelt u?
E: Dat het nog steeds heel aantrekkelijk voor me is! Dat ga je me nu toch antwoorden!
M: Ohh ehh...ja misschien!
E: …Maar het kan dus ook zijn dat de leveringskosten maar een heel klein deel van de energierekening vormen, zodat er van die 11% heel erg weinig overblijft?
M: Goh ehh ja! dat zou ook wel kunnen!
E: Dat denk ik nou ook.
M: Mmm volgens mij kan ik u niet echt verder helpen he?
E: Dat denk ik ook niet. Maar hartelijk dank in ieder geval voor het vriendelijke aanbod!
M: Ja graag gedaan, en nog een fijne avond..!
E: Wacht nog heel even! zoek die info nog even uit, voordat er meer vragen komen!
M: Dat zal ik doen.
E: Nou, een fijne avond dan maar!
Onlangs nog schreef mijn goede vriend Sharon Kroes een
stukje over de luie Nederlander, met daarin de prangende vraag:
moeten we niet eens een beetje meer en harder gaan werken
allemaal?
Het CDA vindt in ieder geval van wel. Volgens hen moeten we weer veertig uur per week gaan werken. Dat is natuurlijk niet zo heel verbazingwekkend: de protestantse ethos van Weber, die aanzet tot vlijtigheid en zuinigheid, zet daartoe aan. En als die ethos nog ergens leeft, dan is het natuurlijk bij onze christendemocratische broeders en zusters. Maar een goed idee is het niet: als iets belangrijk is voor ons welzijn en ons functioneren op de werkvloer anno 2006, dan is het wel voldoende vrije tijd. Als we echt economisch willen bijblijven met de Amerikanen, de Chinezen en met welk volkje dan ook, dan geldt in deze tijd dat we niet langer moeten gaan werken, maar slimmer.
En ziehier: dat is eigenlijk al precies wat we nu doen. Nederlanders zijn wereldwijd de meest productieve werknemers die er zijn als we werken. Dat doen we alleen slechts een uur of 36 per week. Das een goeie zaak. Niet alleen omdat ik vrije tijd zo lekker vind – ik houd eigenlijk niet eens van stilzitten en nietsdoen. En ook niet omdat het werkloosheid tegengaat – dat idee is nu juist achterhaald. Maar wel omdat de aard van ons werk danig is veranderd – om optimaal te kunnen functioneren op de werkvloer hebben we juist meer vrije tijd nodig dan ooit.
De reden hiervoor is dat werk over de hele linie genomen kennisintensiever en creatiever is geworden. Er wordt met andere woorden een groter beroep gedaan op de menselijke geest om daadwerkelijk productief te kunnen zijn, om daadwerkelijk waarde toe te kunnen voegen aan ons product. Dat product is in toenemende mate niet iets tastbaars of fysieks; het is steeds vaker en steeds meer een resultaat van ons denken. Hopelijk verdient u ook met zulk soort producten uw geld, want juist daar wordt u rijk van.
Dan nu een vraag die wetenschappers, artiesten en scriptieschrijvende studenten wellicht wel kunnen beantwoorden: wordt de kwaliteit van zulk werk nu beter door veertig, vijftig of zelfs zestig uur per week te zweten?
Nee is het antwoord, nee! Om op deze wijze productief te kunnen zijn heeft een mens juist de ruimte nodig om te pieken wanneer hij of zij dat het beste kan en wil. Om op deze wijze van waarde te kunnen zijn moet alles wat riekt naar tayloriaanse arbeidsreguleringsmechanismen worden vermeden. Laat het werkproces zoveel mogelijk met rust, en reken mensen gewoon af op hun uiteindelijke resultaten. En kijk daarbij hoofdzakelijk naar kwaliteit in plaats van kwantiteit. En als we dan toch meer moeten werken, laten we het dan doen in het aantal arbeidsjaren. Als ons werk toch minder fysiek wordt, is het immers godsgruwelijk zonde om het intellectuele potentieel dat mensen boven de vijfenzestig hebben, niet te benutten.
Geloof me, zo blijven we die Chinezen echt nog wel even voor.
Het CDA vindt in ieder geval van wel. Volgens hen moeten we weer veertig uur per week gaan werken. Dat is natuurlijk niet zo heel verbazingwekkend: de protestantse ethos van Weber, die aanzet tot vlijtigheid en zuinigheid, zet daartoe aan. En als die ethos nog ergens leeft, dan is het natuurlijk bij onze christendemocratische broeders en zusters. Maar een goed idee is het niet: als iets belangrijk is voor ons welzijn en ons functioneren op de werkvloer anno 2006, dan is het wel voldoende vrije tijd. Als we echt economisch willen bijblijven met de Amerikanen, de Chinezen en met welk volkje dan ook, dan geldt in deze tijd dat we niet langer moeten gaan werken, maar slimmer.
En ziehier: dat is eigenlijk al precies wat we nu doen. Nederlanders zijn wereldwijd de meest productieve werknemers die er zijn als we werken. Dat doen we alleen slechts een uur of 36 per week. Das een goeie zaak. Niet alleen omdat ik vrije tijd zo lekker vind – ik houd eigenlijk niet eens van stilzitten en nietsdoen. En ook niet omdat het werkloosheid tegengaat – dat idee is nu juist achterhaald. Maar wel omdat de aard van ons werk danig is veranderd – om optimaal te kunnen functioneren op de werkvloer hebben we juist meer vrije tijd nodig dan ooit.
De reden hiervoor is dat werk over de hele linie genomen kennisintensiever en creatiever is geworden. Er wordt met andere woorden een groter beroep gedaan op de menselijke geest om daadwerkelijk productief te kunnen zijn, om daadwerkelijk waarde toe te kunnen voegen aan ons product. Dat product is in toenemende mate niet iets tastbaars of fysieks; het is steeds vaker en steeds meer een resultaat van ons denken. Hopelijk verdient u ook met zulk soort producten uw geld, want juist daar wordt u rijk van.
Dan nu een vraag die wetenschappers, artiesten en scriptieschrijvende studenten wellicht wel kunnen beantwoorden: wordt de kwaliteit van zulk werk nu beter door veertig, vijftig of zelfs zestig uur per week te zweten?
Nee is het antwoord, nee! Om op deze wijze productief te kunnen zijn heeft een mens juist de ruimte nodig om te pieken wanneer hij of zij dat het beste kan en wil. Om op deze wijze van waarde te kunnen zijn moet alles wat riekt naar tayloriaanse arbeidsreguleringsmechanismen worden vermeden. Laat het werkproces zoveel mogelijk met rust, en reken mensen gewoon af op hun uiteindelijke resultaten. En kijk daarbij hoofdzakelijk naar kwaliteit in plaats van kwantiteit. En als we dan toch meer moeten werken, laten we het dan doen in het aantal arbeidsjaren. Als ons werk toch minder fysiek wordt, is het immers godsgruwelijk zonde om het intellectuele potentieel dat mensen boven de vijfenzestig hebben, niet te benutten.
Geloof me, zo blijven we die Chinezen echt nog wel even voor.
Staat u er wel eens echt bij stil hoe bevoorrecht wij rijke
westerlingen eigenlijk zijn met het feit dat we hier dagelijks
kunnen eten? Lekker eten, gezond eten,
veel eten? Gedraagt u zich met andere woorden wel met het
nodige respect dat bij deze privilege past? Eet u wel altijd uw
bord leeg? Koopt u niet zomaar achteloos fruit, kaas en brood, om
het vervolgens weg te gooien als het ver over de datum is?
Ik niet, en u waarschijnlijk ook niet. Samen verspillen wij in Nederland voor maar liefst twee miljard euro aan voedsel per jaar. Hup, zomaar, down the drain. Alsof het niets is. Dat terwijl ik vast niet in herinnering hoef te roepen dat een behoorlijk aantal mensen best blij zou zijn met onze restjes. Dat weet u best. De manier waarop onze maatschappij omgaat is een groot moreel schandaal.
Maar. Wacht. Eens. Even.
Waarom doen we er dan niets aan?
Volgens mij ligt het antwoord in economische prikkels. Voedsel is voor ons veel te goedkoop, en zolang dat zo is zullen de harde cijfers niet tot ons doordringen. Laten we de waarde van voedsel maar weer eens echt leren kennen door er stevig voor te betalen. Gooi er maar een flinke accijns tegenaan, over de hele linie – groente, fruit, zuivel, fastfood, alles. Wedden dat we dan wel iets beter gaan opletten wat we eten, wat we nodig hebben, wat we weggooien?
Een provocatief idee, enkel en alleen bedoeld om ons wakker te schudden? Niet echt. Volgens mij is dit iets dat we echt zouden moeten doen in Nederland. Ga maar na: de enige stevige legitimering om voedsel goedkoop te maken, en het bijvoorbeeld slechts met het voordelige BTW-tarief te belasten, is omdat het een primaire levensbehoefte is. Wat op zichzelf een waarheid als een koe is. Ja, inderdaad.
Maar dan nu een vraag: is dat niet juist een reden om de prijs van voedsel voor ons kunstmatig te verhogen? Ja, voedsel is een primaire levensbehoefte, en ja, we kunnen nog steeds plenty voedsel kopen als de prijs ervan flink stijgt. Hier geen hongerbuikjes om die reden hoor; niemand zal er in Nederland onder te lijden hebben zoals al die arme stakkers in regio’s in Afrika en Azië nu al lijden terwijl wij onze buikjes rond eten. Het is niets minder dan onze morele plicht om de verspilling tegen te gaan en bewuster te eten.
En laten we dan ook gelijk stoer zijn, en niet zoals de Amerikaanse professor in voedingsleer Barry Popkins zielig doen over ons eigen westerse voedingsprobleem, te weten vetzucht. Volgens hem is vetzucht een groter probleem dan honger, en moet gezond voedsel daarom goedkoper worden gemaakt.
Dan vraag ik u wederom: what the fuck kost een appel of een mandarijn in de supermarkt nu helemaal? Is het echt duurder dan een Mars of een Snicker? Is het prijsverschil de reden dat we niet gezond eten?
Persoonlijk interesseert het me eigenlijk bijzonder weinig dat sommige mensen vloeibaar frituurvet lekkerder vinden dan een gezonde maaltijdsalade. Daarvoor vind ik onze verkwisting net even iets te belangrijk. Door de prijs van voedsel over de hele linie te verhogen, creëer je sowieso meer bewustzijn om voedselverspilling tegen te gaan. Als mensen dan en passant dan ook gaan besluiten om gezonder te gaan eten, is dat wat mij betreft mooi meegenomen, maar geen doel op zich.
Ik niet, en u waarschijnlijk ook niet. Samen verspillen wij in Nederland voor maar liefst twee miljard euro aan voedsel per jaar. Hup, zomaar, down the drain. Alsof het niets is. Dat terwijl ik vast niet in herinnering hoef te roepen dat een behoorlijk aantal mensen best blij zou zijn met onze restjes. Dat weet u best. De manier waarop onze maatschappij omgaat is een groot moreel schandaal.
Maar. Wacht. Eens. Even.
Waarom doen we er dan niets aan?
Volgens mij ligt het antwoord in economische prikkels. Voedsel is voor ons veel te goedkoop, en zolang dat zo is zullen de harde cijfers niet tot ons doordringen. Laten we de waarde van voedsel maar weer eens echt leren kennen door er stevig voor te betalen. Gooi er maar een flinke accijns tegenaan, over de hele linie – groente, fruit, zuivel, fastfood, alles. Wedden dat we dan wel iets beter gaan opletten wat we eten, wat we nodig hebben, wat we weggooien?
Een provocatief idee, enkel en alleen bedoeld om ons wakker te schudden? Niet echt. Volgens mij is dit iets dat we echt zouden moeten doen in Nederland. Ga maar na: de enige stevige legitimering om voedsel goedkoop te maken, en het bijvoorbeeld slechts met het voordelige BTW-tarief te belasten, is omdat het een primaire levensbehoefte is. Wat op zichzelf een waarheid als een koe is. Ja, inderdaad.
Maar dan nu een vraag: is dat niet juist een reden om de prijs van voedsel voor ons kunstmatig te verhogen? Ja, voedsel is een primaire levensbehoefte, en ja, we kunnen nog steeds plenty voedsel kopen als de prijs ervan flink stijgt. Hier geen hongerbuikjes om die reden hoor; niemand zal er in Nederland onder te lijden hebben zoals al die arme stakkers in regio’s in Afrika en Azië nu al lijden terwijl wij onze buikjes rond eten. Het is niets minder dan onze morele plicht om de verspilling tegen te gaan en bewuster te eten.
En laten we dan ook gelijk stoer zijn, en niet zoals de Amerikaanse professor in voedingsleer Barry Popkins zielig doen over ons eigen westerse voedingsprobleem, te weten vetzucht. Volgens hem is vetzucht een groter probleem dan honger, en moet gezond voedsel daarom goedkoper worden gemaakt.
Dan vraag ik u wederom: what the fuck kost een appel of een mandarijn in de supermarkt nu helemaal? Is het echt duurder dan een Mars of een Snicker? Is het prijsverschil de reden dat we niet gezond eten?
Persoonlijk interesseert het me eigenlijk bijzonder weinig dat sommige mensen vloeibaar frituurvet lekkerder vinden dan een gezonde maaltijdsalade. Daarvoor vind ik onze verkwisting net even iets te belangrijk. Door de prijs van voedsel over de hele linie te verhogen, creëer je sowieso meer bewustzijn om voedselverspilling tegen te gaan. Als mensen dan en passant dan ook gaan besluiten om gezonder te gaan eten, is dat wat mij betreft mooi meegenomen, maar geen doel op zich.
Ik ben er blij mee, de uitspraak van Europees commissaris Vladimir
Spidla waarin ze zegt dat een werkgever een werknemer mag weigeren
als hij of zij rookt. Dat is niet meer dan terecht.
Dat zeg ik niet om persoonlijke redenen. Ik ben nooit iemand geweest die opzichtig gaat hoesten in rokersgezelschap om ongenoegen kenbaar te maken, of een barman van het type ‘ik eis een rookvrije werkplek’ (ze bestáán, mijn god wat heb je dan het verkeerde werk gekozen!) Maar laten we wel wezen: roken is een verdomd slechte gewoonte, en waarom zou een werkgever niet zelf mogen bepalen of ze dit van werknemers tolereert of niet?
Nu hecht ik alleen wel aan precies taalgebruik, en juist daar maakt Vladimir Spidla het zichzelf moeilijk. Het (vertaalde) letterlijke citaat luidt namelijk: “De EU-wetgeving verbiedt discriminatie op grond van ras of etnische afkomst, invaliditeit, leeftijd, seksuele oriëntatie en religie en geloof op het werk en ander gebied. Een personeelsadvertentie waarin staat dat rokers niet hoeven te reageren lijkt niet onder een van die verboden gronden te vallen."
Dat is toch een beetje raar, kijkend naar de betekenis van discriminatie volgens de Dikke van Dale. Daarin staat namelijk: discriminatie is ongeoorloofd onderscheid dat gemaakt wordt op grond van bepaalde kenmerken. Met andere woorden: discriminatie is in zichzelf nooit gerechtvaardigd, want altijd ongeoorloofd.
Zo bezien is het dus een beetje raar, die EU-wetgeving van ons. Het is een beetje selectief als het om discriminatie gaat: dan is het geoorloofd (hoewel ongeoorloofd van nature!) en dan weer niet.
Het lijkt dus heel terecht dat de Stichting Rokersbelangen keihard terugslaat door zich te beroepen op artikel 1 van de Grondwet, artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Deze verbieden discriminatie op welke grond dan ook. Wat inderdaad logischer lijkt.
Om zulke Babylonische spraakverwarring te voorkomen is het dus beter het hele woord discriminatie niet in de mond te nemen. Zeg in plaats daarvan dat je rokers anders behandelt, en dat je daar goede redenen voor hebt. Die zijn er namelijk wel degelijk. Om er slechts een paar te noemen:
1) Roken is een keuze. In tegenstelling tot zaken als etniciteit, afkomst of geslacht is roken wel degelijk iets waar je wat aan kunt doen. Stoppen bijvoorbeeld. Discriminatie is een net iets te beladen woord om met een strak gezicht te kunnen claimen dat je het ‘fundamentele recht’ hoort te hebben om je kankerstokjes op te stoken. Dat heeft zelfs iets respectloos ten opzichte van de slachtoffers van echte discriminatie.
2) Werkgevers maken continu onderscheid tussen personen op heel subjectieve gronden. Niet voor niets heet een goed sollicitatiegesprek tegenwoordig ook een kennismakingsgesprek waarin beide partijen kunnen kijken of ze bij elkaar passen, of ze enigszins dezelfde denkbeelden, attitude, waarden en normen hebben. Dat is niet zo raar: voor een succesvolle samenwerking is er meer nodig dan het afvinken van tamelijk onpersoonlijke en algemene criteria zoals opleidingsniveau en salariseisen. Zeg nu zelf: een rokende receptioniste bij een sportclub als David Lloyd, botsen daar ergens niet wat waarden met elkaar?
3) Rokers kosten een bedrijf nu eenmaal meer geld. Ze houden meer en langer pauzes dan hun niet rokende collega’s, ze maken afzuiginstallaties en rookvrije werkplekken noodzakelijk en hun gezondheid is minder.
Het is toch zonde als deze en andere valide redenen niet gehoord worden, enkel en alleen omdat de discussie blijft hangen bij onnozel definitiegeneuzel over de beladen term discriminatie.
Dat zeg ik niet om persoonlijke redenen. Ik ben nooit iemand geweest die opzichtig gaat hoesten in rokersgezelschap om ongenoegen kenbaar te maken, of een barman van het type ‘ik eis een rookvrije werkplek’ (ze bestáán, mijn god wat heb je dan het verkeerde werk gekozen!) Maar laten we wel wezen: roken is een verdomd slechte gewoonte, en waarom zou een werkgever niet zelf mogen bepalen of ze dit van werknemers tolereert of niet?
Nu hecht ik alleen wel aan precies taalgebruik, en juist daar maakt Vladimir Spidla het zichzelf moeilijk. Het (vertaalde) letterlijke citaat luidt namelijk: “De EU-wetgeving verbiedt discriminatie op grond van ras of etnische afkomst, invaliditeit, leeftijd, seksuele oriëntatie en religie en geloof op het werk en ander gebied. Een personeelsadvertentie waarin staat dat rokers niet hoeven te reageren lijkt niet onder een van die verboden gronden te vallen."
Dat is toch een beetje raar, kijkend naar de betekenis van discriminatie volgens de Dikke van Dale. Daarin staat namelijk: discriminatie is ongeoorloofd onderscheid dat gemaakt wordt op grond van bepaalde kenmerken. Met andere woorden: discriminatie is in zichzelf nooit gerechtvaardigd, want altijd ongeoorloofd.
Zo bezien is het dus een beetje raar, die EU-wetgeving van ons. Het is een beetje selectief als het om discriminatie gaat: dan is het geoorloofd (hoewel ongeoorloofd van nature!) en dan weer niet.
Het lijkt dus heel terecht dat de Stichting Rokersbelangen keihard terugslaat door zich te beroepen op artikel 1 van de Grondwet, artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Deze verbieden discriminatie op welke grond dan ook. Wat inderdaad logischer lijkt.
Om zulke Babylonische spraakverwarring te voorkomen is het dus beter het hele woord discriminatie niet in de mond te nemen. Zeg in plaats daarvan dat je rokers anders behandelt, en dat je daar goede redenen voor hebt. Die zijn er namelijk wel degelijk. Om er slechts een paar te noemen:
1) Roken is een keuze. In tegenstelling tot zaken als etniciteit, afkomst of geslacht is roken wel degelijk iets waar je wat aan kunt doen. Stoppen bijvoorbeeld. Discriminatie is een net iets te beladen woord om met een strak gezicht te kunnen claimen dat je het ‘fundamentele recht’ hoort te hebben om je kankerstokjes op te stoken. Dat heeft zelfs iets respectloos ten opzichte van de slachtoffers van echte discriminatie.
2) Werkgevers maken continu onderscheid tussen personen op heel subjectieve gronden. Niet voor niets heet een goed sollicitatiegesprek tegenwoordig ook een kennismakingsgesprek waarin beide partijen kunnen kijken of ze bij elkaar passen, of ze enigszins dezelfde denkbeelden, attitude, waarden en normen hebben. Dat is niet zo raar: voor een succesvolle samenwerking is er meer nodig dan het afvinken van tamelijk onpersoonlijke en algemene criteria zoals opleidingsniveau en salariseisen. Zeg nu zelf: een rokende receptioniste bij een sportclub als David Lloyd, botsen daar ergens niet wat waarden met elkaar?
3) Rokers kosten een bedrijf nu eenmaal meer geld. Ze houden meer en langer pauzes dan hun niet rokende collega’s, ze maken afzuiginstallaties en rookvrije werkplekken noodzakelijk en hun gezondheid is minder.
Het is toch zonde als deze en andere valide redenen niet gehoord worden, enkel en alleen omdat de discussie blijft hangen bij onnozel definitiegeneuzel over de beladen term discriminatie.
Israel en Libanon: het gaat niet goed heden ten dage. Wellicht
besteed u er nauwelijks aandacht aan omdat al het geweld in het
Midden Oosten u gaat vervelen. Misschien ook is de gedachte weleens
bij u opgekomen dat Israel - met haar claims van morele
superioriteit - zelf net zo misdadig is als de terroristenregimes
waarmee ze oorlog voert. De 300 burgerslachtoffers aan Libanese
zijde zijn immers niet mis. Waarom vermoordt een "beschaafd land"
zoveel onschuldige mensen?
Dat is een terechte vraag van u. Maar voordat u al te haastig concludeert dat de Gretta Duisenburgen van deze wereld toch gelijk hebben, eerst deze wedervraag: denkt u nu werkelijk dat een beschaafd land als Israel het in de botte kop zou halen om militaire installaties en depots midden in woonwijken aan te leggen?
Ehhh...nee, nietwaar?
Daar heeft Israel goede redenen toe. Ze heeft namelijk het beste op met haar eigen burgers. Zij wil niet haar burgers moedwillig blootstellen aan het risico betrokken te worden bij militaire conflicten. Beschaafde landen zijn namelijk van mening dat als je al oorlog gaat voeren, dat burgers daar zoveel mogelijk ontzien moeten worden. Daartoe scheidt Israel - zoals het hoort - haar militaire installaties zoveel mogelijk van civiele doelen. Israel wil namelijk niet medeschuldig zijn aan de dood van haar eigen burgers indien de vijand met scherp schiet op Israelische militaire doelen. Dat is vragen om problemen.
De terroristische regimes waarmee Israel zoal oorlog voert - nu dus weer Hezbollah in Libanon - maken zulke overwegingen niet. Zij geven geen ene moer om de burgers waarvoor zij claimen zich in te zetten. In plaats daarvan vervlechten zij subtiel hun militaire en civiele infrastructuur met elkaar, om zo moedwillig het risico op burgerslachtoffers bij Israelische aanvallen te vergroten. Sterker nog: ze hebben er belang bij dat er burgerslachtoffers vallen. Bij iedere gedode burger huilen zij nu krokodillentranen. Iedere gedode burger presenteren zij als een bewijs van Israels wreedheid en gewelddadigheid. Ieder slachtoffer die er valt tast de legitimiteit van Israel aan, maakt haar als gesprekspartner iets gelijkwaardiger aan wat is: een terroristenbende.
Maar welke opties heeft Israel dan zoal? Niet zo heel erg veel. Natuurlijk: Israel heeft in het verleden vaak geprobeerd zo omzichtig mogelijk te werk te gaan bij militaire operaties tegen terroristenbendes, om de burgers in vijandelijk gebied te beschermen. Dat hierdoor het risico om gedood te worden voor Israelische militairen exponentieel stijgt, en dat de slagkracht van het Israelische militaire apparaat navenant afneemt omdat zulke precisie-operaties ontzettend complex zijn, nam Israel heel vaak voor lief juist vanuit de morele overtuiging dat oorlog niet iets is voor burgers. Maar als de vijand - nu dus weer Hezbollah - zichzelf moreel en fysiek onkwetsbaar probeert te maken door zich te verschuilen achter een menselijk schild van onschuldige burgers, dan moet niemand raar opkijken van het harde antwoord dat Israel nu geeft. Genoeg is genoeg.
De beschaafdheid van een regime kan men aflezen aan de mate waarin zij haar eigen burgers beschermt tegen militair geweld. Israel doet het; Hezbollah niet.
------
Overigens beste lezer, had ik u dit boek al eens aangeraden? Geeft een heel aardig inzicht in Israels politiek ten opzichte van terroristenbendes in verleden en heden.
The Case For Democracy: The Power of Freedom to Overcome Tyranny and Terror
Authors: Natan Sharansky,Ron Dermer,Anatoly
Dat is een terechte vraag van u. Maar voordat u al te haastig concludeert dat de Gretta Duisenburgen van deze wereld toch gelijk hebben, eerst deze wedervraag: denkt u nu werkelijk dat een beschaafd land als Israel het in de botte kop zou halen om militaire installaties en depots midden in woonwijken aan te leggen?
Ehhh...nee, nietwaar?
Daar heeft Israel goede redenen toe. Ze heeft namelijk het beste op met haar eigen burgers. Zij wil niet haar burgers moedwillig blootstellen aan het risico betrokken te worden bij militaire conflicten. Beschaafde landen zijn namelijk van mening dat als je al oorlog gaat voeren, dat burgers daar zoveel mogelijk ontzien moeten worden. Daartoe scheidt Israel - zoals het hoort - haar militaire installaties zoveel mogelijk van civiele doelen. Israel wil namelijk niet medeschuldig zijn aan de dood van haar eigen burgers indien de vijand met scherp schiet op Israelische militaire doelen. Dat is vragen om problemen.
De terroristische regimes waarmee Israel zoal oorlog voert - nu dus weer Hezbollah in Libanon - maken zulke overwegingen niet. Zij geven geen ene moer om de burgers waarvoor zij claimen zich in te zetten. In plaats daarvan vervlechten zij subtiel hun militaire en civiele infrastructuur met elkaar, om zo moedwillig het risico op burgerslachtoffers bij Israelische aanvallen te vergroten. Sterker nog: ze hebben er belang bij dat er burgerslachtoffers vallen. Bij iedere gedode burger huilen zij nu krokodillentranen. Iedere gedode burger presenteren zij als een bewijs van Israels wreedheid en gewelddadigheid. Ieder slachtoffer die er valt tast de legitimiteit van Israel aan, maakt haar als gesprekspartner iets gelijkwaardiger aan wat is: een terroristenbende.
Maar welke opties heeft Israel dan zoal? Niet zo heel erg veel. Natuurlijk: Israel heeft in het verleden vaak geprobeerd zo omzichtig mogelijk te werk te gaan bij militaire operaties tegen terroristenbendes, om de burgers in vijandelijk gebied te beschermen. Dat hierdoor het risico om gedood te worden voor Israelische militairen exponentieel stijgt, en dat de slagkracht van het Israelische militaire apparaat navenant afneemt omdat zulke precisie-operaties ontzettend complex zijn, nam Israel heel vaak voor lief juist vanuit de morele overtuiging dat oorlog niet iets is voor burgers. Maar als de vijand - nu dus weer Hezbollah - zichzelf moreel en fysiek onkwetsbaar probeert te maken door zich te verschuilen achter een menselijk schild van onschuldige burgers, dan moet niemand raar opkijken van het harde antwoord dat Israel nu geeft. Genoeg is genoeg.
De beschaafdheid van een regime kan men aflezen aan de mate waarin zij haar eigen burgers beschermt tegen militair geweld. Israel doet het; Hezbollah niet.
------
Overigens beste lezer, had ik u dit boek al eens aangeraden? Geeft een heel aardig inzicht in Israels politiek ten opzichte van terroristenbendes in verleden en heden.
The Case For Democracy: The Power of Freedom to Overcome Tyranny and Terror
Authors: Natan Sharansky,Ron Dermer,Anatoly

