Afghanistan
VKBlog Headerimage

De nieuwe gouverneur van Uruzgan?

dinsdag 17 november 2009 19:17

Ik kan niet vertrekken zonder een tros bananen mee te nemen, en het liefst ook nog wat snoepjes. Amanullah Tokhi is een geweldige gastheer; een belangrijke eigenschap voor iemand die hoog scoort in het geruchtencircuit als nieuwe gouverneur van Uruzgan.

 

We zien elkaar in Kabul, in het ziekenhuis waar hij als chirurg werkt. Regelmatig reist hij naar zijn thuisland, zijn thuisvallei: de Baluchi vallei. Het is een van de plekken waar de opstand hevig woedt en waar de Nederlanders ondanks vele pogingen om grip te krijgen op de situatie, nog steeds geen rustig ommetje kunnen maken.

 

Het zijn in dat gebied onder anderen leden van de Tokhi-stam die een rustige patrouillegang, zoals dat in het militaire jargon heet, onmogelijk maken. Daarmee is niet gezegd dat alle Tokhi’s zich bij de Taliban hebben aangesloten, of dat de Taliban in de Baluchi Vallei alleen uit Tokhi’s bestaan. Verre van dat. Maar de keuze voor een gouverneur die lid is van de Tokhi-stam zou wel interessant zijn vanuit het perspectief van de counterinsurgency. Wie kan er beter met Taliban uit de Baluchi vallei praten dan iemand van de Tokhi stam?

 

Tegelijkertijd is het waarschijnlijk een goede zaak dat hij lange tijd niet in Uruzgan heeft gewoond, aangezien te nauwe banden ook problematisch kunnen zijn – zie oud-gouverneur Jan Mohammed Khan.

 

Van de huidige gouverneur Asadullah Hamdam is allang bekend dat hij weg wil uit Uruzgan, dus van hem valt niet veel meer te verwachten. Hij was sowieso sterk gebonden aan de eisen van Jan Mohammed Khan, die nog altijd veel macht heeft. Helaas zal een nieuwe gouverneur ook niet aan dat lot ontkomen, ook Amanullah Tokhi niet. Maar hopelijk gaat hij het wel proberen. Als hij inderdaad de nieuwe gouverneur van Uruzgan wordt.

Snapshots

zondag 15 november 2009 10:05

 

 

 

 

 

Een paar snapshots uit Afghanistan:

 

KABUL - De medewerker van de Verenigde Naties komt met een merkwaardig ogend pakketje zijn kantoor in. Het is een tapijt, vertelt hij. Hij is een van de honderden VN-ers die na de schietpartij bij een van de VN-guesthouses moet verkassen naar een veiliger compound. “Ik hoop dat ik me meer thuis zal voelen in mijn nieuwe huis als ik dit tapijt heb neergelegd.”

 

TARIN KOWT – Mijn tolk is een tandarts uit Logar, die de vijftig jaar zeker is gepasseerd. Hij is naar Uruzgan gekomen om werk te zoeken. Ik vraag hem waarom Uruzgan, per slot van rekening het Oost-Groningen van Afghanistan qua economische en sociale ontwikkeling. “Ik ben hopelijk veiliger hier dan in mijn huis in Logar, ook al is het maar dertig kilometer van Kabul”, zegt hij. “Taliban maken me het leven zuur.”

 

TERUG IN KABUL – Na een etentje in een Libanees restaurant lopen we naar een feestje door Wazir Akhbar Khan, de allerveiligste buurt van Kabul, waar op elke hoek van de straat een politie agent staat. Na ongeveer tien minuten op (een doodstille) straat krijgen we een ongemakkelijk gevoel, zonder dat er ook maar iets is gebeurd. “Zullen we dan maar een taxi pakken?”

 

MAZAR-I-SHARIF – Tijdens een spelletje buskashi (geit werpen vanaf een paard) heeft iedereen het naar zijn zin. Een band speelt vrolijke muziek en mannelijk Mazar kijkt vanaf de tribune geintereseerd toe hoe de buskashi-spelers gehakt van elkaar maken. Paarden steigeren in stofwolken terwijl hun berijders de dode geit uit elkaars handen proberen te trekken en in de cirkel in het midden van het veld proberen te gooien. De winnaar verdient een paar honderd dollar.

Dit is het land van Atta Mohammed Noor – de krijgsheer-gouverneur die tegen de electorale regels in niet president Karzai maar zijn opponent dr. Abdullah heeft gesteund. Nu wil Karzai dat hij vertrekt, en de lokale groep Hazara’s (de shi-itische etnische minderheid in Afghanistan) willen ook dat hij stopt. Niet vanwege zijn gewelddadige achtergrond als krijgsheer, maar omdat ze een andere krijgsheer op het oog hebben: Mohaqeq – met een eveneens slechte staat van dienst op het gebied van mensenrechten. Maar veel andere inwoners van Mazar-i-Sharif blijven Atta steunen, al is het maar om één reden. Een man zegt: “Atta heeft ons veiligheid gebracht, en dat is het allerbelangrijkste.”

Wilde geruchten

vrijdag 17 april 2009 16:30
  Vanavond is mijn kans. Eindelijk kan ik twee wilde geruchten verifieren over de Amerikaanse ambassade in Kabul.
  1. Is het volledig stofvrij? Het lijkt onmogelijk in Kabul. Zelfs in mijn eigen kamer verschijnt na een halve minuut een dun laagje stof op mijn laptop. Met de ramen dicht.
  2. Weten Amerikaanse medewerkers van de ambassade niet wat afghani zijn, omdat ze nooit buiten het ambassadecomplex komen?
Vanavond is mijn kans. Er is een feestje, en ik sta op de gastenlijst. De uitnodiging vermeldt een dresscode: velvet, satin and smoking jackets. In mijn kast zie ik niks van dien aard. Ik kies voor een zwarte jurk met split. Eronder een paar stevige laarzen, want ik vermoed dat ik een eindje moet lopen.
Inderdaad. Als dieven in de nacht moeten we de auto al uitstappen ruim voor de ingang. De bewakers zouden schrikken als we dichterbij zouden komen. Dat willen we niet bij een Amerikaans gebouw in Kabul. Bij het Amerikaanse militaire kamp in de stad reed mijn chauffeur een keer te snel door. Binnen een paar seconden keken we in de loop van een bad ass-gun.
Ongeveer een half uur en drie veiligheidschecks later staan wij minus mobieltjes (ze hadden een camera en dat was om veiligheidsredenen niet toegestaan) op het dakterras. Ik had me geen zorgen hoeven maken. Op de dansvloer (muziek: Abba) blijkt dat niemand de dresscode niet serieus erg serieus heeft genomen. Ik zie zelfs een man in gorillapak, en eentje in een blauw uniform vol medailles. Of zouden die echt zijn?
Het is een mooi uitzicht over Kabul vanaf het dakterras. Lichtjes kruipen de bergen op. Met toegeknepen ogen verbeeld ik me in een romantische stad te zijn. Maar dan herinner ik me mijn missie. Ik veeg met mijn vinger over de balustrade. Mijn vinger is brandschoon. Die Amerikanen. Respect!
Mijn huisgenoot (een Amerikaan) en ik gaan een drankje halen. Corono's vragen we aan de barkeeper, een Amerikaanse medewerker van de ambassade, die het kennelijk wel leuk vond om een avondje drank te schenken. We betalen met 500 afghani, ongeveer 10 dollar. Hij kijkt bevreemd naar het briefje. ‘Wat is dit?', vraagt hij.
Als we een uur later teruglopen naar de auto kijk ik nog een keer om. Het moderne beigekleurige gebouw waar we vandaan komen lijkt op een ziekenhuis. Of een gevangenis. Stofvrij of niet, ik ben blij om terug te gaan naar mijn stofnest.

Doof de liefdesvlam

dinsdag 14 april 2009 16:12
  ‘Wees niet kinderachtig, vergeet de liefde toch', zingt de zoetgevooisde stem van Ahmad Zahir door onze auto. Elvis leeft nog, ook in Kabul. Elke dag draaien wel een cd van de zanger die net zo'n zwarte kuif had als Elvis. Dertig jaar geleden is hij omgekomen, maar dat geeft niet. Iedereen houdt nog van hem. Vooral S., mijn tolk.
In no time had hij onlangs een afspraak geregeld met presidentskandidaat Abdullah. De reden voor dit onverwachte enthousiasme: Abdullah woont naast de voormalige woning van Ahmad Zahir. Tot zijn grote teleurstelling was er echter niet veel anders te zien dan een hek. Maar wel een hek met geschiedenis. ‘Hier klommen de meisjes dus overheen'.
S. heeft ook een zwarte kuif, en hij zingt ook graag. Gisteren was hij op een bruiloft en toen zong hij dit liedje van Ahmad Zahir. Over een man die probeert zijn liefde te bedwingen. In de ogen van de bruidegom verschenen de tranen, zegt S. Hij wist wel hoe het kwam.
De ouders van de echte liefde van de bruidegom had zijn hand afgewezen. Toen had hij tegen zijn vader gezegd: doe me maar een nieuwe bruid, maakt niet uit wie. En nu zat hij dan op zijn trouwdag naast maakt-niet-uit-wie. Tranen in de ogen.
‘Doof de liefdesvlam waarin ik ben geboren. Stop de liefde, stop de liefde.'
Shakespeare leeft nog in Kabul. Liefde, oorlog en bedrog, alle ingredienten zijn aanwezig voor pure tragiek. Vaak zit S. tot 's avonds laat bij zijn neef B. in de woonkamer, liedjes van Ahmad Zahir te zingen. Soms nemen ze de liedjes op. Nu willen ze een hele cd gaan maken. Een geheime cd, want zanger-zijn is nog altijd een B-beroep in Afghanistan.
Nog een verhaal heeft S. voordat we thuis zijn.
Ahmad Zahir werd lastig gevallen door de dochter van de koning. Ze kwam naar zijn huis. Zijn echtgenote stuurde de dochter van de koning weg. De koning werd kwaad, en stuurde Ahmed Zahir naar de gevangenis. Hij huwelijkte zijn dochter uit, om haar uit de buurt te hebben van Ahmad Zahir. Op de bruiloft weigerde de dochter naar buiten te komen, tenzij Ahmad Zahir een liedje zou zingen. De koning haalde hem uit de gevangenis. Ahmad Zahir zong zijn liedje.

De Meloen

maandag 27 oktober 2008 12:47
  De meloen ziet er niet bijzonder uit. S. koopt hem bij een stoffig stalletje langs de weg. Voorzichtig legt hij het groen-gele ding in de achterbak. 
We zijn op weg terug van Mazar-i-Sharif naar Kabul. We passeren rode bergen, felgroene rijstvelden en dravende kamelen. Wij op de achterbank nemen de ene foto na de andere. Maar tolk S. voorin wordt  pas enthousiast als we door een bijzonder saaie woestenij  rijden. ‘Hier komen de beste meloenen vandaan', roept hij.
Het is meloenseizoen. Overal kun je ze kopen. Van een kleedje langs de kant van een landweggetje, bij een houten handkar op een kruispunt in de stad, of gewoon bij de groenteboer om de hoek. Bijna elke ontmoeting met een Afghaan eindigt in een overdadige meloensessie. Met plakkerige handen en een zoete smaak in de mond neem je afscheid. Tot de volgende meloen.
De meloenen bieden troost in een sombere tijd. Het vechtseizoen is volop gaande. Iedereen die bang is, zit in Kabul. Westerlingen en Afghanen gelijk. Lekker eten is de enige optimistische bezigheid. De rokerige kebabstalletjes bij Shar-i-Now-park doen goede zaken, kruideniers stapelen fruit en groenten tot kunstige bergen. Granaatappels en druiven zijn er uit Kandahar, sinaasappels uit Jalalabad. Maar bijna niemand durft naar die steden af te reizen.
Eén weg van en naar Kabul is nog volkomen ongevaarlijk. Het is de weg naar het noorden. De weg naar de meloenen. Elke vrijdag ontvluchten gezinnen de stad voor een picknick bij de Salang Pass. Hier is de jihad lang geleden gestaakt; de Russische tanks liggen roestend langs de kant van de rivier. In vrolijke eettentjes wordt kebab geserveerd, en meloenen.
We stoppen bij zo'n eettentje bij de rivier, met onze eigen meloen in de achterbak. Een jongetje met blond haar (woont zijn opa in Rusland?) serveert ons lamkebab. Boven de grill hangt een poster van de Uzbeekse krijgsheer generaal Rashid Dostum op een paard - zijn symbool op de stembiljetten tijdens de presidentsverkiezingen in 2004.
Zijn mannen hebben in februari een politieke rivaal en zijn gezin aangevallen. Maar president Karzai weigert zijn militair adviseur te arresteren. De straffeloosheid waarmee corrupte en criminele politici hun gang kunnen gaan maakt Afghanen kwaad en wanhopig. En gewelddadig. Daar willen we nu even niet aan denken. We kijken naar de chauffeur die de meloen aansnijdt. In een haal snijdt hij het vruchtvlees los van de schil. Razendsnel hakt hij het in gelijke mootjes.
We nemen een hap. Het is de beste meloen die we ooit hebben geproefd. 

Al Qaida-begraafplaats

zaterdag 12 juli 2008 13:08
K. en ik leunen tegen het graf van de Al Qaida-strijder. Waarschijnlijk is dat heiligschennis. Het kan me niet schelen. Mijn benen voelen te zwaar om op mijn hurken te zitten. De buitentemperatuur is ongeveer 40 graden Celsius; binnen mijn boerka is het minstens 5 graden warmer. Zweet prikt in mijn ogen.

Door het blauwe gaas ontwaar ik de vrouw die we spreken. Een lichtgroen spook naast een aarden graf. Ik ken haar naam niet, en haar leeftijd ook niet. Nog belangijker: ik weet niet of ze vrolijk kijkt, of verdrietig. Of ze donkerbruine ogen heeft of heldergroene, zoals een enkeling hier in Kandahar.
Zij kent mijn gezicht wel. Heel even heb ik mijn boerka opgelicht. Ze weet nu dat ik inderdaad een westerse vrouw ben. Het opschrijfboekje en het potlood (inkt droogt op in de hitte) houd ik voor me. Journalist, zegt ik. K. vertaalt. Ze kent het beroep niet.
Toch wil ze wel vertellen waarom ze hier komt, naar deze zanderige vlakte vol lemen graven en stokken met fier wapperende groene vlaggen. Ze komt hier om te bidden. Op deze begraafplaats aan de rand van Kandahar-stad liggen namelijk heilige mannen, die zijn gestorven in de strijd tegen de ongelovigen. Heilige mannen en heilige vrouwen.
Vandaag bidt ze bij het graf van een Arabische vrouw en haar twee kinderen. Aan een houten stok hangen lappen in allerlei kleuren: groen, turquoise, rood, wit. Bezoekers hebben stenen geknoopt in de witte lap. Dat brengt geluk als je kinderen wilt krijgen, vertelt de vrouw. Haar hennarode vinger wijst naar de spijkers in de stok. ‘Dat helpt tegen kiespijn.'
Het grootste wonder is de lange donkerbruine steen aan het hoofd van het graf. Die steen was klein toen hij daar werd neergezet, zegt de vrouw. ‘Hij is enorm gegroeid.' K. stopt plotseling met vertalen. Hij tuurt over de vlakte. Zijn ogen zien iets wat mij ontgaat. ‘We moeten gaan', zegt hij. ‘Nu.' We nemen afscheid van de lichtgroene vrouw en lopen snel naar de auto. Ik struikel bijna over mijn boerka. Eenmaal in de snikhete auto wil ik hem afdoen, maar K. verbiedt het me. ‘Taliban maken hier de dienst uit.'
Ik tuur met mijn prikkende ogen door het blauwe gaas, door het autoraam. Kinderen spelen in de rivier die langs de begraafplaats loopt. We rijden in slakkengang over het zandpad langs het water. Een man in een witte shalwar kameez en zwart giletje fietst ons voorbij. Ik kan hem aanraken. Bijna.

Al Qaida-tapijt

dinsdag 24 juni 2008 18:20
  De Al Qaida-tapijten zijn momenteel uitverkocht, maar Mohammad Ishaq Timori (21) heeft nog wel een paar Russen-op-de-terugtocht in de aanbieding. Kalasjnikovs en raketwerpers omlijsten een kaart van Afghanistan. Tanks vol Russen vluchten lafhartig richting het noorden. Een kleedje met torens van de World Trade Centre heeft Mohammad ook. In zijn winkel in Chickenstreet, waar nog bontjassen en sieraden van lapis lazula worden verkocht uit de tijd dat de hippies hier kwamen, trekt hij enthousiast de ene na de andere tapijt uit de stapel. Ik ben om twaalf uur de eerste bezoeker van de dag. ‘En deze dan, vind je die mooi?'
Buitenlandse militairen vinden ze prachtig, de tapijten met oorlogstaferelen. Elke vrijdag gaat Mohammad naar het hoofdkwartier van de International Security Assistance Force in Kabul om er tapijten te verkopen. De meeste militairen mogen namelijk de basis niet af. Dat is veel te onveilig voor ze. Met Mohammads tapijtjes kunnen ze in elk geval nog iets van de actie meekrijgen. Meesterwerken zijn ze niet, de oorlogstapijten. Maar sinds de tijd van de Russen is het traditie voor Afghaanse strijders om gebedskleedjes te hebben met afbeeldingen van de gewonnen strijd. De Afghaanse versie van oorlogspropaganda.
De echte schoonheden liggen op andere stapels in Mohammads propvolle winkel. Dat zijn traditionele bordeauxrode Khal Mohammedi's, de Chobi's met moderne patronen en de chique Mawree's. Drie meisjes werken anderhalve maand aan een Chobi. Voor een goede Khal Mohammedi staat zes maanden.
De tapijten brengen veel geld op. Daarom zijn de beste tapijtenknoopsters uit Mohammads dorp de duurste bruiden. Mohammad is nu in onderhandeling over een knappe tapijtweefster. Haar vader vraagt 15 duizend dollar. ‘Dat is wel heel duur', zegt Mohammad, die er met zijn gebleekte spijkerbroek en strakke gestreepte overhemd heel westers uitziet tussen zijn typisch Afghaanse waren.
Generaties lang al zit zijn familie in de tapijten. In de Talibantijd woonden en werkten ze in Islamabad. Maar in 2001 zag de familie Timori nieuwe kansen in Afghanistan. Met een ervaren oog voor nieuwe patronen en de juiste wol gingen ze aan de slag in Kabul.
Ondanks hun gerenommeerde naam wordt hun winkel in Chickenstreet helaas nauwelijks bezocht. ‘De onveiligheid', verzucht Mohammad. Toch wil hij de zaken uitbouwen, internationaal gaan verkopen. En waarom zou het niet lukken: Afghaanse tapijten hebben een wereldberoemde reputatie. Maar eerst moet hij nog veel leren. Over de juiste wol bijvoorbeeld. Hij trekt een klein rood kleedje uit de kast. De rode wol is op sommige plekken lichter van kleur. ‘Hier hebben ze zomerwol en winterwol gemengd. Maar ik had het niet gezien.' Hij lacht. ‘Ik ga er niet te veel geld voor vragen.'

Aardappelsalade

zondag 22 juni 2008 16:09
Het trio staat op wacht, als altijd. De dwerg, de oude man en de boerka. Zodra ik de supermarkt uitkom waar westerse delicatessen als gedroogde tomaten en soyamelk worden verkocht, steken ze hun handen naar me uit. ‘Madam, madam, madam!'

Snel wurm ik me langs de heen, de auto in. Ze tikken op de ramen, terwijl de jongen van de supermarkt de boodschappen inlaadt. ‘Madam, madam, madam!'
Ik doe alsof ik ze niet zie.
De auto bezwijkt bijna onder de boodschappen. Pasta, zilveruitjes, coca cola, steaks. Bijna alles is verkrijgbaar in Kabul. De meeste producten zijn minstens een jaar over de houdbaarheidsdatum (Afghanistan is de favoriete dumpplek van alle internationale groothandelaren), maar met enig uitzoekwerk kan een behoorlijke Italiaanse maaltijd in elkaar worden geknutseld.
Vandaag heb ik een extra lange boodschappenlijst, want we geven een feestje. Een barbecue met veel vlees, aardappelsalade en fijne cocktails. De voorbereidingen doe ik tussen de bedrijven door, want er moet natuurlijk ook worden getikt voor de krant. Een stuk over de voedselcrisis.
Voordat ik boodschappen ging doen, ben ik bij het ministerie van Landbouw geweest. In mijn opschrijfboekje staan de cijfers: sinds maart zijn er in Afghanistan 2,5 miljoen mensen bijgekomen die niet fatsoenlijk kunnen eten. In de provincie Ghor is dit jaar 90 duizend ton voedsel nodig. Er is 50 duizend ton.
Als ik de topzware tassen van de supermarkt thuis heb afgeleverd - mijn huisgenoot maakt een grapje over ons aandeel in het nationale voedseltekort als hij me ziet aankomen-  ga ik met mijn tolk op pad. We zoeken nog een zielige hongerlijder in Kabul. Lang hoeven we niet te zoeken. Bij de eerste de beste buurtwinkel zit er eentje zich te vervelen. Een vriendelijke twintiger die al wekenlang maar een maaltijd per dag eet. Dat wil zeggen: een paar gekookte aardappelen. 
Terug thuis zie ik dat onze schoonmaakster Paree in staat is gebleken om tien kilo aardappelen in beschaafde blokjes te snijden. De pannen staan in de hal, waar ze in al haar bescheidenheid is gaan zitten schillen. Ik ga de keuken in. De etenswaren zijn op elkaar gestapeld vanwege ruimtegebrek. Worstjes vallen uit de ijskast als ik de deur open.
Een oernederlandse aardappelsalade maak ik. Met augurken, zilveruitjes en veel mayo. Na een uurtje heb ik al een paar schalen vol. Tot mijn schrik zie ik dat het veel te veel is. Wat te doen? Weggooien is geen optie. Ik zal de schoonmaakster (die overjarige koekjes van Chelsea supermarket uit onze vuilnisbak haalt) nooit meer durven aankijken. Laat staan de dwerg, de oude man en de boerka.
Maar misschien houden ze wel van Nederlandse aardappelsalade?

Nederland

zondag 22 juni 2008 16:07
  Het is bijna intimiderend. Op weg naar de bagageband op Schiphol zie ik vliegtuigpersoneel van de KLM langslopen. Stoere stewards met petten op achter, voorop drie stewardessen. Ze zijn enorm lang en ze hebben ferme kuiten. Hun haar is zorgvuldig gekapt. Hun zelfverzekerde tred komt me bijna oorlogszuchtig voor. Nog nooit heb ik een vrouw zo zien lopen in Afghanistan.
Dan komen er twee gedaantes voorbij scheren. Ik kijk ze na. Het zijn twee goed gebouwde agenten op Segways. Luchthavenpolitie, neem ik aan. Soepel zigzaggen ze tussen de reizigers door. Het ziet er futuristisch uit, alsof ze uit een science fictionfilm zijn gerekruteerd. Ik weet zeker dat geen overtreding aan ze voorbij zal gaan.
Nederland lijkt op de Truman-show bij terugkomst uit Afghanistan. Hier is alles perfect: alle hoeken en gaten van de openbare ruimte zijn benut door efficiente architecten. Grijze gebouwen met scherpe contouren rijzen tot in de hemel. In de gebouwen hebben de planten speciale verzorgers en zitten de mensen op ergonomisch verantwoorde stoelen.
In deze perfecte wereld wonen perfecte mensen. Ze weten wat goed is en wat fout. Dat ik een paar dagen na terugkomst uit Afghanistan 's avonds op mijn fiets zit zonder licht is fout. Ik krijg een bon van een vriendelijke maar besliste politieagent. Dat ik per ongeluk met mijn kleine rolkoffertje over de voet van een keurig gecoiffeerde donkerharige vrouw rijd, is ook fout. ‘Au!', gilt ze. Haar vriendin vraagt wat er aan de hand is. De vrouw wijst naar mij. ‘Zij reed over mijn voeten heen!', roept ze hard.
Assertieve vrouwen worden tegenwoordig niet meer gestenigd in Afghanistan. Tenminste, niet in Kabul. Maar veel scheelt het niet. Misschien zouden er Nederlandse instructieboeken naar Afghaanse vrouwen kunnen worden opgestuurd. Als die er niet al zijn. Vrouwenrechten staan immers hoog op de agenda van het ministerie van Buitenlandse Zaken voor Afghanistan.
Ondanks alle voordelen van de Nederlandse overzichtelijkheid ben ik gek genoeg opgelucht om daags na mijn terugkeer uit Afghanistan alweer te vertrekken naar mijn vakantiebestemming. Nog zo'n rommelig land.
Op Schiphol sta ik in de rij voor de paspoortcontrole mensen te kijken. In de rij naast mij staat een gezet meisje met lang rossig haar waar net een nieuw permanent in is gezet. Ze heeft een strakke witte broek aan waar haar onderbroek duidelijk doorheen te zien is. Op haar gele T-shirt staat de tekst: estrella de mi vida. De knellende band van haar de tas over haar borstkas doet haar flinke boezem nog meer uitkomen. 
Al met al meer zou het meer dan genoeg reden zijn voor grootschalige rellen in een land als Afghanistan. In Nederland kijkt niemand op of om. Ineens voel ik me dan toch trots. In dit perfecte land zijn alle rechten gewaarborgd. Ook die van niet perfecte mensen met doorschijnende broeken aan.

Amin

zondag 15 juni 2008 16:33
  Inderdaad, de banden van de Toyoto Corrolla worden weer zwart als kool. Aminullah (14) heeft het ons met zijn hese stem beloofd: tyre sha mesle zughal wari meshoim. Zo heeft hij ons op deze warme stoffige dag gelokt naar een schaduwrijk plekje bij Shari-Now park in het centrum van Kabul. Aan de ene kant van de auto staat Aminullah (14), aan de andere kant zijn broertje Sharifullah (10). Samen halen ze de natte geel-blauw gestreepte doek helemaal over de Toyoto Corrollo. Heen en weer, heen en weer. Wrijven, dopen, wringen. Wrijven, dopen, wringen. Tyre sha mesle zughal wari meshoim. Dit is de levende wasstraat van Kabul. Aantal medewerkers: 2. Materiaal: 1 doek, 1 emmer en afvalwater van restaurant Pizza Milano. Inkomsten: ongeveer 1 dollar per dag. Als Aminullah geen auto's wast, speelt bij danda click of ghorsai met de andere jongetjes die rondhangen bij het Vondelpark van Kabul - helaas alleen geen groene weide maar een troosteloze zandvlakte. Danda click is een spelletje met een korte en een lange stok. Ghorsai is de kunst zo lang mogelijk op een been te blijven staan, terwijl de andere spelers proberen je omver te duwen. Het gaat er ruw aan toe soms. Vrienden zijn ze niet van Aminullah. Hij lang genoeg op straat rondgehangen om te weten dat er maar weinig lotgenoten zijn die het goed met je voorhebben. Hij vertelt gelaten, als een oude man. Hij ziet er ook oud uit: om zijn lichte ogen heen hebben diepe lijnen zich in zijn gezicht gegroefd. Zijn gezicht is wit uitgeslagen door vitaminegebrek. Het is een gevecht, elke dag weer. Autowassers te over in Shari-Nowpark, evenals als kauwgomverkopers en jongens die voor een paar Afghani langsrijdende auto's bewieroken. Aan het hek van het park hangen T-shirts, sommigen met tekst. Yankees suck. Naar verluidt is er ook eentje in de omloop met Dutch go home. Dat doet het kennelijk goed. Er lopen ook foute jongens tussen. Die jatten spiegeltjes van de auto's en zwaaien met een mes als iets ze niet bevalt. ‘Er is eentje die het goed met me voor heeft', zegt Aminullah. ‘Hij heeft gezegd: ‘als iemand je lastig valt, laat het me maar weten.''  Gelukkig heeft Aminullah sinds kort een huis om naar terug te gaan 's avonds. ‘We hebben een plekje kunnen vinden in de heuvels aan de rand van de stad. Het is illegaal, dus soms gaat er een bulldozer overheen. Maar dan zetten we gewoon weer iets nieuws neer.' Voor een laatste keer wrijft hij snel over de voorruit. Hij is glanzend schoon. Met het afvalwater van Pizza Milano.

Terminal Twee

zondag 15 juni 2008 16:30
Dubai Airport is overzichtelijk. De glanzende terminal 1 is er voor de vakantie- en zakenreisjes, de groezelige terminal 2 voor de oorlogsbestemmingen. De opties zijn veelbelovend: Afghanistan aan balie 1 en 2 en Irak aan balie 3 en 4. Pakistan en Iran behoren ook tot de mogelijkheden.
Tussen de mannen met lange baarden en jurken aan zie je soms ook een paar zonverbrande Duitsers lopen met tassen van het shoppingfestival in Dubai. Terminal 2 is er voor de goedkope luchtvaartmaatschappijen. 
Ik kies vanzelfsprekend voor de vlucht naar Kabul, maar mijn blik wordt getrokken door de rij naar Bagdad. Die ziet er veel ordelijker uit. De Iraakse passagiers staan keurig achter elkaar, hun koffertjes naast zich.
Nee, dan mijn rij. Het is een chaos: Afghanen met rommelige tulbanden op en gekreukte shalwar kameezes aan zeulen vormeloze massa's met zich mee die bijeen worden gehouden door een paar touwtjes. Ik snuif de bekende geur op: zweet, voeten en schapenvlees. We zijn weer thuis. Bijna dan. 
Zou de oorlog in Irak minder chaotisch zijn dan die in Afghanistan, vraag ik me af (alleen het veel hogere aantal doden in Irak duidt al op meer efficientie). Ik las onlangs een interessant artikel van Steven Simon van de Council on Foreign Relations in het tijdschrift Foreign Affairs. De veelgeroemde Amerikaanse methode in Irak om met geld tribale leiders aan hun kant te krijgen kan een averechts effect hebben. De VS versterken zo namelijk het tribalisme en krijgsheerschap, stelt Simon.
Machtige stammenleiders en criminele krijgsheren zijn er te over in Afghanistan. Ze zijn ook al te zien bij de incheckbalie voor Kabul in Dubai. Een in maatpak gestoken heerschap dringt genadeloos voor, terwijl een paar slaafjes achter hem aan draven met zijn koffers. Niemand kijkt op of om. Deze man heeft goede connecties, dat is duidelijk. Waarschijnlijk gekocht met drugsgeld of afgedwongen door een paar zware jongens. Bij de rij voor Bagdad zie ik dergelijke incidenten niet. Nog niet.
In het vliegtuig van Safi Airways (Safi is een grote stam in Afghanistan) wordt een filmpje vertoond dat optimistisch is bedoeld, maar dat vooral de wankele staat van het land nog eens onderstreept. Terwijl we de azuurblauwe zee en gelikte wolkenkrabbers van Dubai de rug toekeren, komen er op het televisiescherm Afghaanse plaatjes langs: van de opgeblazen boeddhabeelden van Bamyan en van de krakkemikkige minaret van Jam, die nu met veel moeite overeind wordt gehouden. En dan is het glorieuze shot van een jongetje dat door een vallei rent met een Afghaanse vlag in zijn hand. Ik vraag me af waar dat ongestraft is opgenomen. Dat kunnen maar weinig plekken zijn in Afghanistan.

Paree

zondag 13 april 2008 12:30
Het onrustbarende nieuws over de stijgende voedselprijzen in de wereld komt tot ons via Paree. Onze dikbuikige schoonmaakster, wier omvang reden is om geen plafonds te wassen, eist loonopslag. Twintig dollar extra wil ze hebben per maand. Anders kan ze het brood niet meer betalen, zegt ze. Tien Afghani kost een groot plat taai brood nu, tegen zes Afghani voorheen.

Ik weet dat het brood inderdaad duurder is geworden, maar toch wantrouw de eisen van Paree. Vraagt ze niet te veel? Ze heeft ook net een nieuwjaarsbonus ontvangen (op 21 maart is het Afghaanse nieuwjaar). En dat bovenop haar vrij riante salaris, voor Afghaanse begrippen. 

Ik bewonder Parees ongelooflijke capaciteit om een stapel afwas van drie dagen binnen een uur weg te werken. En als er een wereldkampioenschap kleding wassen zonder wasmachine zou bestaan, zou Paree die ongetwijfeld winnen (zelfs met de strafpunten voor behandeling van wollen truien).

Maar aan Paree kleeft ook een nadeel: ze eet ons voedsel op. Als ik haar een keer betrap naast een bijna lege fruitschaal die even ervoor nog vol was geweest, steekt ze nog net de laatste sinaasappelhelft in haar mond.

Het is niet bepaald niet gemakkelijk om baas te zijn heb ik gemerkt. Zes man/vrouw personeel betaal ik nu (mede): behalve Paree zijn er twee beheerders, een tolk, een chauffeur en een leraar Dari. In Nederland heb ik vaak gedroomd van een huis vol personeel, maar daar ben ik helemaal van teruggekomen.

Terwijl Paree het heeft voorzien op onze sinaasappels, drinkt een van de beheerders een fles wodka 's nachts half leeg. Dat is nog wel overkomelijk, ware het niet dat hij de rest bijvult met water.

En dan de chauffeur. De tanige Tadjiek reed vroeger een bekende Talibancommandant rond, en hij staat bekend om zijn onverschrokkenheid op het slagveld. Maar ook noemt hij elke vrouw op straat van onder de dertig een lekker wijf en eist hij om de haverklap iets. Een telefoonkaart, een cola, een i-Pod.  

Toen ik net aankwam, moest ik wel lachen om de verhalen van mijn huisgenoten. Ach, die arme mensen, dacht ik. Die hebben natuurlijk een heel weeshuis te voeden dus je kunt het ze echt niet kwalijk nemen. Maar inmiddels is mijn gevoel van internationale solidariteit tot het absolute nulpunt gedaald. In een dictatoriale opwelling besluit ik zelfs de chauffeur, vader van drie, te ontslaan.  

Later die dag valt mijn oog op een bericht op een site met Afghaans nieuws. ‘Bewoners klagen dat ze geen voedsel meer kunnen betalen in de hoofdstad', is de kop. Er staan allerlei cijfers in over de gestegen voedselprijzen. Gek genoeg ben ik opgelucht als ik het bericht uit heb. Mijn wantrouwen was voor niets. Wanneer Paree de kamer binnenkomt met een stapel schoon wasgoed, lach ik haar extra vriendelijk toe. Ik vertel haar dat ze zeker twintig dollar opslag krijgt. En die sinaasappels gun ik haar ook weer van harte.

Unembedded

woensdag 9 april 2008 09:34
'Wat doen we met het nieuws over de verspilling van hulpgelden aan Afghanistan?'

'Klinkt interessant.'

'Ja, kun jij daar een nieuwsbericht van maken?'

'Ik zou wel willen, maar ik heb hier geen internet.'

'Geen internet?'

'En momenteel ook geen elektriciteit.'

Het blijft even stil aan de andere kant van de telefoonlijn. Ik ben er zelf ook stil van. Voordat ik unembedded naar Uruzgan ging, schreef ik al veel over deze vergeten provincie in Afghanistan. Over het analfabetisme, over de armoede, over de gebrekkige voorzieningen, over de verspilling van hulpgelden. Maar deze abstracte woorden krijgen nu pas meer betekenis.

Drie weken leef ik in het gebied. Ik heb geen enkel idee wat er zich in de rest van de wereld afspeelt. Mijn chef meldt op een dag dat ze druk is met Tibet. Tibet? Om mijn journalistieke eer te redden vraag ik maar niet waarom de krant ineens is geinteresseerd in Tibet.

De telefoon doet het nog wel, tot vier uur 's middags. Maar eigenlijk weet ik niet zo goed wat ik de andere kant moet vertellen. Hoe ik moet uitleggen hoe het hier is. Dat ik na drie weken brood en bonen een gat in mijn maag heb dat ik maar niet kan vullen. Dat ik stink omdat mijn kleren in vies rivierwater worden gewassen. Dat het niet uitmaakt omdat ik met koud water douche en dus toch nooit een echt schoon ben.

In tegenstelling tot de Uruzgani's kan ik me nog verheugen op mijn terugkeer naar de beschaafde wereld, waar ik Labello op mijn gebarsten lippen kan smeren en glas vers geperste sinaasappelsap kan drinken bij het ontbijt. Dat ik ook erg uitkijk naar mijn eerste biertje vertel ik hier maar niet.

De avond voor een bezoek aan Kamp Holland droom ik over de PX-store: de Albert Heijn voor militaire bases. Net als de Albert heb je ze in allerlei soorten en maten. Die in Kandahar verkoopt zelfs zonnebloempitten - altijd goed voor een ex-roker. Ook hebben ze daar beddenspreien in Amerikaanse camouflagekleuren, de Amerikaanse vlag en andere basisvoorzieningen.

De PX-store op Kamp Holland is veel kleiner. De voorraad bestaat vooral uit sigaretten (gevaarlijk), Operation Enduring Freedom T-shirts en Adidas-deodorant. Dat ik ernaar snak om daar iets te kopen, is dus alarmerend.

Op de feestdag zelf spoed ik me eerst naar de kantine. Daar ligt al het lekkers hoog opgestapeld. Krentenbollen, huzarensalade, Granny Smiths. Maar eerst ga ik langs de ijskast met frisdrank. Aan de deur hangt een papiertje met de tekst: een per persoon! Ik doe de deur open, pak een Cola Light. En dan stop ik snel een tweede in mijn tas. Corruptie en illegale zelfverrijking zijn ineens ook geen abstracte begrippen meer.

Sokken, zuurtjes en knipperlichten

woensdag 9 april 2008 09:30
Gelukkig heb ik geen blauwe sokken aan, denk ik als we met L. in zijn fourwheeldrive over een zandvlakte in Uruzgan scheuren. Blauwe sokken brengen namelijk ongeluk. Ik draag nooit blauwe sokken als ik een spannende reis maak. In het oosten van Afghanistan was ik eens embedded bij Amerikaanse militairen. Bijna elke dag werden ze beschoten in de ruige bergen, waar ze een klein kamp hadden. In het kamp waren weinig voorzieningen, dus aten we bijna elke dag MRE's (meals ready to eat). Maar toen ik op een
dag een felgekleurd zuurtje uit het pakket in mijn mond wilde stoppen, hield een militair me tegen. 'Als je dat doet, zul je binnenkort worden doodgeschoten', zei hij resoluut.
Destijds moest ik er wel om lachen, maar inmiddels weet ik beter. Dit zijn serieuze zaken. Bloedserieuze zaken. Blauwe sokken, felgekleurde zuurtjes. Dodelijk. Als L. me uitlegt waarom hij met zijn knipperlicht aan rijdt, ben ik ook helemaal niet verbaasd. 'Dat verstoort het signaal naar de bermbom', zegt hij zakelijk. Misschien is het echt wel waar, maar ik kan me niet voorstellen dat de Nederlandse militairen bakken geld spenderen aan speciale apparatuur, terwijl het gewoon een kwestie is van knipperlichten aan doen. Misschien helpt het een beetje. En alle beetjes helpen in situaties als deze.
L., die er met zijn zwarte baard en zwarte tulband uit ziet als een roverhoofdman uit de sprookjes van duizend-en-een-nacht, heeft gelukkig nog veel meer beetjes paraat. Als we ineens halverwege stoppen, staan daar enkele van zijn mannen, die in een andere auto voor ons reden, bij een kuil in de weg. Een paar minuten lang wordt de kuil geinspecteerd, en dan krijgen het signaal dat we door kunnen rijden.
Besneeuwde bergtoppen omheinen de zandvlakte aan de rechterkant van de weg. Links lijken de lage heuvels op opgespoten chocolade. Hier en daar is een felgekleurd shirt te ontwaren van een herder die bruine en witte vlekjes voortdrijft.
En dan ineens: een grote witte vlek. Op de top van een heuvel. Het is een witte pick-uptruck, met de deuren open. Aan de voet van dezelfde heuvel zitten twee mannen in zwarte shalwar kameez in hurkhouding langs de weg. Het gesprek in de auto verstomt ogenblikkelijk. L. klemt het stuur stevig vast met zijn enorme handen, en drukt met zijn sandaal het gaspedaal in. We vliegen over de hobbelige weg. De rode plastic bloemen op het dashboard trillen.
We stoppen pas als we bij een rivier aankomen in de buurt van mijn tijdelijke woonplaats. Wit stof koekt aan onze wimpers, neuzen, monden. Maar we halen weer adem. Met onze mobiele telefoon maken we foto's van elkaar: armen om elkaars schouders, een grijns op onze gezichten.
Als ik met mijn hand het stof van mijn gezicht veeg, komt er een wimperhaartje mee. Ik kijk om me heen. Zouden ze het heel gek vinden wat ik ga doen? Het kan me niet schelen. Ik blaas en ik doe een wens. 

Kabul-Delhi

woensdag 9 april 2008 09:27
De Afghanen zien er allebei een beetje zenuwachtig uit. De man met baseball-pet staart uit het vliegtuigraam, zijn reisgenoot in een groen poloshirt kijkt in het rond en zegt dan in het Engels tegen mij: 'Wat is het koud in Kabul, vind je niet?'

Ik kijk hem nog eens goed aan. In het vliegtuig van Kabul naar New Delhi zijn de passagiers doorgaans in een paar categorieen onder te verdelen:
  1. Buitenlandse hulpverleners, diplomaten en journalisten;
  2. Afghaanse zakenmannen. Te herkennen aan een goedkope aktetas. Bij deze twee mannen zie ik er geen.
  3. Afghaanse zieken. Als gefortuneerde Afghanen echt ziek zijn, gaan ze naar India. Meestal vliegen er dus wel een of twee kuchende oude mannetjes in rolstoelen mee.
Mijn beide buurmannen, dertigers, zijn weliswaar niet op hun gemak, maar ze zien er ook niet ziek uit. Ik vraag wat ze gaan doen in India. Het antwoord is zo onverwacht dat ik ervan schrik. 'Wij gaan op vakantie.'
Ze zijn jeugdvrienden, vertelt de man in het groene poloshirt. Maar ze zijn nog nooit samen op vakantie geweest. Jarenlang waren ze gescheiden vanwege de burgeroorlog. I. (met poloshirt) woonde in Kabul en ging daar naar de Britse school, S. (met pet) vocht aan de zijde van wereldberoemde krijgsheer Ahmad Shah Massoud in hun geboortestreek de Pansjir-vallei.
Nu wonen ze allebei in Kabul. I. (met groen poloshirt) werkt voor de Amerikaanse ontwikkelingsdienst USAID. S. (met baseball-pet) is manager bij het miljoenenbedrijf Hesco - de met stenen gevulde zandkleurige zakken die elk ISAF-kamp omheinen. 'We hebben het geld voor een reisje', zegt I.
Wat ze in India gaan doen? Ze willen naar de klassieke Hindi-muziekschool Patiala in Punjab, waar de bekende 20e eeuwse Afghaanse musicus Ustad Sarahang ooit les heeft gekregen. In een roemrucht verleden heeft de Afghaanse vader des vaderlands Ahmed Shah Durrani (c.1723-1773) de provincie zelfs kortstondig in handen gehad.
Maar nu hebben de Afghanen het opgegeven. De Indiase cultuur heeft een klinkende overwinning behaald in hun land. Heel Kabul kijkt 's avonds naar de Indiase soap Tulsi. Natuurlijk gaan I. en S. dus ook naar Bombay. Maar de zingende sarimeisjes uit de Bollywoodfilms zijn niet de enige redenen om naar het zuiden af te reizen.
'Hij heeft nog nooit de zee gezien', zegt I., wijzend op zijn vriend. S. knikt, hij verstaat een beetje Engels. Dan werpt hij weer een blik naar buiten. I. vervolgt: 'En hij heeft ook nog nooit gevlogen.'  

De fixer

woensdag 9 april 2008 09:21
Te laat zie ik H.'s verwonderde blik. Ik stop met dansen, trek mijn jas om me heen en sta stil. Heel stil. Ik realiseer me dat H zojuist misschien voor het eerst in zijn leven een dansende vrouw in het echt heeft gezien.

We staan op een ijskoude gang – het dansen hield me enigszins warm. Door de studiodeur heen klinken de opzwepende riedels van de nieuwe cd van Shakeb Hamdard; de eerste echte popster in het land sinds de Talibanregime. In de studio is de cameraman aan het filmen, en we willen geen natuurlijk geen Nederlands gezicht tussen de geblondeerde Afghanen met leren jasjes aan. Dus ben ik buiten gaan staan met H.

H. is mijn journalistieke levenslijn met Afghanistan. Soms noem ik hem tolk, soms fixer, soms assistent. Maar eigenlijk overstijgt hij dat alles. Jongens zoals hij zijn van onschatbare waarde voor buitenlandse correspondenten in Kabul. Niet alleen vertalen ze, regelen ze afspraken met de juiste mensen en waarschuwen ze voor gevaarlijke situaties, ook vertellen ze over de culturele gevoeligheden waar een westerling in Afghanistan mee te maken krijgt. En dat zijn er nogal wat.

Een kleine selectie van faux pas: -Een westerse vriend op zijn wang zoenen in het openbaar (iedereen in de straat keek ons zwaar geschokt aan) -Een hand uitsteken bij een mullah (hij stak zijn hand onder lange shirt en offreerde mij een gestoffeerde handreiking) -Tijdens een zit-diner mijn slapende voet uitsteken (de fixer begon opzichtig de kuchen)

H is mijn redder. Hij gaat met me mee kleding uitzoeken voor onze reizen – 'nee, nee, die rok moet echt veel langer zijn'- en hij instrueert me voor elk bezoek. Tegelijkertijd draagt hij zelf een spijkerjack, lacht hij om westerse grapjes en spreekt hij heel goed Engels. Soms vergeet ik bijna dat hij Afghaan is.

Maar als ik tijdens een reis tot mijn grote vreugde de film Master and Commander op de satelliet-tv zie, ontwaar ik al na vijf minuten een glazige blik in zijn ogen. Natuurlijk, woeste oceanen en heldhaftige Britse kapiteins zijn niks voor een Afghaan. We zappen naar een ander kanaal. Pretty Woman. Ik verklaar het filmconcept: arme prostituee krijgt relatie met rijke zakenman. H. kijkt me ongelovig aan. In mijn eigen oren klinkt het bij nader inzien ook niet erg geloofwaardig.

Ik moet denken aan de anekdote van een mannelijke collega die op zijn kop kreeg van zijn fixer toen hij twee keer dezelfde vraag stelde aan een minister. 'Heb je vannacht soms te lang naar je stok gekeken?', vroeg de fixer hem streng. De collega zei het niet te snappen.'Daar krijg je namelijk geheugenverlies van', zei de fixer. 'Ik laat mijn vrouwen er ook nooit naar kijken. Dan worden zij vergeetachtig.' Er is nog veel te leren in Afghanistan.

De mullah en de ezel

woensdag 9 april 2008 09:17
'Goodmorning Miss Deedee, how are you?' S. maakt me altijd blij. S. is onze chowkidor. Hij is klein van stuk, heeft een snor en was naar verluidt in de communistische tijd een kolonel. Een vrolijke kolonel, zo te zien. Nu voert hij ons huishouden aan. Hij haalt hout voor de kachels, ziet erop toe dat de schoonmaakster doorwerkt en verwelkomt al onze gasten met een brede lach.


In het begin was ik verbaasd over zijn goede humeur – het is toch niet niks om als gerespecteerde kolonel b.d. je dagen te slijten in een sjofel wachthuisje bij een ijzeren poort. Daar zouden de meeste mensen die ik ken flink de pest over in hebben. Niet S. Hij begint al te lachen als ik vraag of hij mijn houtkachel kan aansteken. 'Bukhari, yes, yes hahaha.'

Toen ik een keer de zoete wietlucht rond zijn wachthuisje rook, begreep ik beter waar S. zijn goede humeur vandaan kwam. Of toch niet helemaal? Een paar dagen geleden kwam ik thuis, toen ik uit S. zijn piepkleine wachthuisje, waar net een bed en een tv in past, een paar mannenstemmen hoorde. S. heeft vaak bezoek. Nu besloot ik eens te gaan kijken. S. zat op zijn bed, ingeklemd tussen mijn tolk en de tolk van een huisgenoot. Ze bescheurden zich van het lachen.

De tolken zaten moppen te tappen. Over Mullah Nasruddin die rode peper in de achterste van zijn ezel stopt om hem harder te laten lopen, maar hem dan zelf niet meer bij kan houden. Een typische Mullah Nasruddin-mop. Homo's in Kandahar is het andere populaire moppenonderwerp. 'Waarom vliegt een vogel boven Kandahar maar met een vleugel? Omdat hij de andere vleugel voor zijn achterste houdt.'

In gezelschap gaan Afghanen verhalen vertellen, politieke discussies voeren en moppen tappen. Dat gebeurt ook allemaal in Nederland, zou je zeggen. Toch niet. Of tenminste: niet zo enthousiast als in Afghanistan. Laatst was ik op reis, en in een guesthouse ontmoette ik 's avonds een paar artsen uit Kabul. De tv stond weliswaar keihard aan, maar dat belette niemand er dwars doorheen te praten.

Vooral een van de artsen voerde het woord. Een vlekkerig shirt omsloot zijn dikke buik. Als hij praatte twinkelden zijn donkere ogen. En hij praatte veel. Over de Russische inval in Kabul, en over de komst van de Taliban naar Kandahar in 1995. Hij had nog een brief uit die tijd, met elf handtekeningen. Van Mullah Omar en zijn shura. Het verhaal hoe hij daaraan kwam, nam het grootste deel van de avond in beslag. Daarna ging het gelegenheidsgezelschap vrolijk en als oude vrienden uiteen. Zoals dat gaat in Afghanistan.

Boerkabusiness

woensdag 9 april 2008 09:15
Ja hoor, A. (40) wil wel vertellen over zijn business. De boerkabusiness. Het gaat slecht, slecht, slecht. Vijftien per week verkoopt hij er nog maar. Drie jaar geleden waren het er nog vijftien per dag. En dan de Talibantijd. Dat waren nog eens gouden jaren. A. begint te stralen 'Soms verkocht ik er wel vijftig op een dag!'

A.'s open winkeltje op de grote bazaar Polebariomoni is nog maar voor de helft gevuld met de lange lappen geribbelde stof. De grijze voor de Kabuli's, witte voor bruiden en blauwe voor de boerinnen uit de provincie. 'Op het platteland zijn ze er nog wel weg van, dus nu koop ik maar veel blauwe in.'
De frivole sjalenverkopers doen duidelijk goede zaken op de modderige bazaar bij de Kabul-rivier. We passeren er zeker een stuk of vijf voordat we bij A. aankomen. Aan het einde van de straat staat hij in zijn minuscule winkeltje te bibberen van de kou, zijn hoofd half verborgen onder zijn bruine pato (grote Pakistaanse wollen sjaal). Naast hem staan zijn beide zoons. In afwachting van kooplustige clientele.

Waar zijn de boerkadraagsters? Laatst zag ik maar drie of vier blauwe en grijze hoofden opduiken in een drukke winkelstraat in Kabul. Aanzienlijk minder dan toen ik hier voor het eerst kwam in augustus 2006. Hoewel de vrouwen toen allang niet meer verplicht waren om een boerka te dragen, deed een grote minderheid het toch.
Helaas is die tijd nu ook voorbij, zegt A., die inmiddels koffers heeft opgenomen in zijn assortiment – altijd lucratief gezien de lange rijen Afghanen die dagelijks voor de Pakistaanse en de Iraanse ambassade staan te wachten in de hoop op een betere toekomst.

Eigenlijk doet hij de beste zaken met de winkeliers van buiten Kabul, waar ze er tenminste nog wel veel verkopen. Uit de provincie Baghlan heeft hij vandaag bezoek van S., die er graag een paar wil hebben voor zijn winkel. Nee, een boerka zit niet lekker. Hij heeft er wel eens eentje aangehad. Om te testen voor de grote maten, snap je? Maar in Baghlan is het voor vrouwen nou eenmaal heel normaal om ze te dragen. 'Dat is onze cultuur.' Zijn vrouw heeft twee stuks, vertelt S. Een witte en een blauwe. 'Die witte waren twee jaar geleden bij ons in de mode, maar nu zijn het weer de blauwe.'

Hij werpt een blik op de uitstalling van A. Hij heeft boerka's van goedkope Pakistaanse stof, en van duurder Koreaans materiaal. Ook de ribbels maken verschil. Hoe smaller hoe duurder. Hij wijst naar lichtblauwe exemplaren met heel smalle ribbels. 'Die zullen ze thuis vast mooi vinden.'

The Economist

woensdag 9 april 2008 09:12
Het is 8 uur en ik ben hevig geinteresseerd in alles dat kan branden. Op de wc tref ik tot mijn blijdschap een oud nummer van The Economist aan. Hoopvol stop ik het hoofdcommentaar in mijn houtkachel, bouw een piramide van de overgebleven houtjes van de vorige avond en strijk een lucifer af. Intussen kleed ik me aan voor mijn eerste afspraak - om 9 u 30 met de onderminister van Vluchtelingenzaken. Ik zie er erg uit naar uit, want ik vermoed dat er een fijne kachel is. Ik weet niet hoe koud het buiten precies is. -20? Binnen in mijn kamer is het zeker vele graden onder nul, ondanks mijn dubbele gordijnen, het anti-bomaanslagplastic op de ruiten en het isolerende plastic voor de ramen. De kou slaat op mijn gezicht, op mijn handen, in mijn nek. Ik kan nergens schuilen, want het hele huis is koud. Een warme douche is ook uitgesloten. Er is geen warm water. Er is zelfs helemaal geen water. Huisgenoot J. heeft me gisteravond ingelicht over de stand van zaken in mijn nieuwe huis. 'Het internet werkt, en we hebben voor nog zeker twee dagen hout. Helaas is de watertank op het dak bevroren, dus we hebben geen water.' Hij doet er nogal laconiek over. En als ik mijn voor Nederlandse begrippen onvoorstelbare leed deel met mijn collega's moeten ze lachen. Ze heffen hun glas en roepen: welkom in Kabul! De Zuid-Afrikaanse hulpverleenster L. heeft zichzelf al een week niet meer thuis kunnen wassen. Ze haalt haar schouders erover op. 'Ach, als ik ergens op bezoek ga neem ik ook een douche.' De Britse journalist J. heeft momenteel geen verwarming. Grijnzend voegt hij toe: 'Nu eten we maar veel bonen, zodat we warme scheten laten.'  Om 9 uur zit ik in de auto. Vanuit de warmte (eindelijk) kijk ik naar buiten. Bij Wahed Stationery hebben ze de pakken kopieerpapier tegen de ramen gezet ter isolatie, in Butcherstreet drinken mannen in bebloede skijacks koppen hete thee bij hun hangende vleeswaar. Een bedelende vrouw in boerka slaat met haar gebreide hand tegen het autoraam. Ik schrik.   Een half uur later loop ik het kantoor binnen van de onderminister van Vluchtelingenzaken in West-Kabul. Hij staat op uit zijn comfortabele stoel om mij een hand te geven. Ik zie dat hij zijn winterjas aan heeft gehouden.    

Twee religies op een kussen

zaterdag 9 februari 2008 13:27
Volgende week is M. verloofd. Of hij is dood. Ik hoop dat eerste. Hij is mijn nieuwe leraar. Van hem hoop ik vloeiend Dari te leren. Dan kan ik zonder tussenkomst van tolk A. met Afghanen praten. Ik neem een risico, want wie weet wat ik allemaal ga horen. Misschien zijn die aardige Afghanen helemaal niet zo gastvrij als ik denk.

Toch wil ik alles weten, zeg ik moedig tegen M. Alles! M. knikt begrijpend. Zijn rafelige trui verraadt zijn bescheiden afkomst, zijn twinkelende ogen gevoel voor humor, en zijn preek over de verbijsterende luiheid van Dari-lerende buitenlanders zijn indrukwekkende staat van dienst. Hij is net 27 jaar oud.

Ik ben niet verrast als hij vertelt zich binnenkort te willen verloven. 'Ze is blank, lang en dik. Precies zoals ik haar altijd heb gewenst', zegt hij vergenoegd. 'Intelligent is ze niet, en voor de rest is ze ook nogal middelmatig. Bovendien zeurt ze dat ze geen hoofddoek wil dragen. Maar ze ziet er fantastisch uit, en daar gaat het per slot van rekening om.'

Volgende week gaan M.'s vader en moeder naar haar ouders om haar hand te vragen. Maar er is één groot probleem, zegt hij. Ik luister aandachtig. Hij leunt vertrouwelijk voorover. 'Zij is namelijk Hazara.'

Ik begrijp wat hij bedoelt. De soennitische Tadjieken kijken van oudsher neer op doorgaans armere Hazara's, de sjiitische minderheid die in Nederland bekend is geworden door Hassan uit de bestseller de Vliegeraar. En twee religies op een kussen, dat zien veel Afghaanse ouders ook niet zitten.

'Laatst hoorde ik over een Tadjiekse jongen die het was verboden nog langer te wandelen met een Hazara-meisje', zegt M., nu op fluistertoon. 'Hij deed het toch, en nu is hij zoek. Al vier dagen!'

Ik begin me zorgen te maken, vraag me af of ik de lessen niet beter per keer kan betalen. Maar dan blijkt er voor M. behalve een verloving of de dood nog een derde optie te zijn. 'Als haar ouders mij verbieden nog langer met haar te wandelen, zal ik dat niet meer doen. Ik ben namelijk de kostwinner voor de hele familie, dus zonder mij zitten ze in de puree.'

Logisch, zeg ik. En ik denk: die Afghanen zijn ook niet erg romantisch.
Profielfoto Deedee  Derksen

Deedee Derksen

Deedee Derksen was correspondente in Afghanistan voor de Volkskrant en Nova en schrijft nu een boek over haar belevenissen. Ze reist nog regelmatig naar Afghanistan ter ondersteuning van de lokale journalistiek.
Vrouw
  • Niet verplicht
  • Je boodschap moet minstens 5 en hoogstens 1500 tekens bevatten
  •  

Links

Groepen

Favorieten van Deedee Derksen

Over de weblog

Deedee Derksen is journalist van de Volkskrant. Ze reist door Afghanistan en doet verslag in de krant en op internet.

Laatste reacties

persona

Snapshots
helena: ik zie helaas geen foto's (ook in je header ontbreekt …

persona

Snapshots
Peter Louter: Het kleine nieuws is vaak betekenisvoller dan het grote. aanbeveling!

persona

Ramadan in Afghanistan
Bert: @ Anno. Ik weet wel zeker dat ze geen lak …

persona

De douche
Afghaanboy: Tja voor iemand die in afghanistan is geboren en tot …

persona

Burqa's en bolani's
Dunya/Amena: DDD heeft zeker geen tijd om jullie te beantwoorden?

Archief / RSS

Bekijk het hele archief van Deedee Derksen, of klik op een van de jaren hieronder om een deel van het archief te ontsluiten.

2009
2008
2006

Zoek in het archief



Zoeken

Abonnementen

Alle blogs rss google netvibes
Deze gebruiker rss google netvibes

Statistieken

TelMiep
  •