
Midden op het minischoolpleintje, achter onze school, staat een eenzame jackfruitboom.
Voortdurend klimmen de kinderen erin maar toch hangen er een paar kilo’s zware vruchten ongestoord te rijpen. Kennelijk hebben de kinderen respect voor de natuur (...) en is de controle van de leerkrachten voldoende om de fruitballen te laten hangen tot ik toestemming geef om ze te plukken.
Want ze vallen er niet vanzelf uit nee, en de spelende kinderen lopen geen gevaar. Denk ik. Terwijl je regelmatig berichten hoort over mensen die gedood zijn door een vallende kokosnoot, heb ik nog nooit iets over slachtoffers van een ‘knol’ vernomen.
Want zo heten de reusachtigste vruchten ter wereld in het Khmer: knol. Makkelijk te onthouden voor ons Nederlanders. ‘Knol’ was dan ook één van de eerste woorden die bij mij in het begin zijn beklijft. Logisch. Net als ‘pom’ (appel) of ‘strohberry’ (aardbei.)
Toen ik hier kwam wonen, kreeg ik van een moeder een knol mee. Thuis gekomen nam ik een groot en scherp mes uit de keuken, sneed het gevaarte overlangs in tweëen en fileerde er de gele vruchtjes uit. De slijmerige vezels waarmee die vastzitten aan de kern en de schil, zo ontdekte ik, zijn behoorlijk kleverig. Kleverig?! Mijn vingers bleven als met tweesecondenlijm aan elkaar plakken en aan alles wat ik aanraakte! Ons keukenpersoneel lag in een deuk. Met geen water en zeep, noch met terpentine kreeg ik mijn handen schoon.
Totdat de kokkin me schaterend meenam de keuken in, naar de rijstkist. Ik moest mijn handen met droge rijst wrijven tot alle kleefstof van mijn vingers af was; weer wat geleerd.
De vruchtjes zijn heerlijk sappig en zoet. Je kunt ze ook kopen in zakjes, gedroogd, maar vers zijn ze het lekkerst.
Onthoudt: knol. Voor als je naar Cambodja komt.

Dan krijg je het zonnetje er gratis bij...
Zonder het uit mijn duim te zuigen kan ik mij bij de aanzwellende groep scharen die decennialang geleden het slachtoffer was van machtsmisbruik en seksuele intimidatie door de clerus op katholieke internaten.
Ik was erbij en mag dus hardop zeggen dat het op mij nogal hyperig overkomt. Zelf heb ik jarenlang op twee in de pers met naam en toenaam genoemde locaties doorgebracht, gezeten, gestudeerd, of hoe je het noemen wilt.
Net als de man die als ‘slachtoffer’ samen met twee medestudenten bij Matthijs van Nieuwkerk zijn verhaal kwam vertellen, tegenover pater Antoine Bodar met het zweet op zijn voorhoofd, moest ik met zachte drang van mijn ouders op elfjarige leeftijd naar de priesteropleiding. En dát heb ik geweten!
(Hoe traumatisch kan het overigens zijn om als je –zoals de man vertelde- bij een broeder op schoot te bladeren in een Elseviers encyclopedie en naar blote negermannen moet kijken...)
Ieder jongetje droomt op de leeftijd die ik toen had over een rooskleurige toekomst en fantaseert daarbij hoe het zou zijn om kapitein van een oceaanstomer te zijn of om een mijter te dragen in je eigen basiliek. Zo ook ik. Mijn droom keerde echter al op dag twee in een nachtmerrie.
Zaten ze ‘aan me’? Nee, of het moest de pater muziekleraar zijn, die met een dirigeerstok op mijn gespreid op de bank gestrekte vingers sloeg als ik een noot miste. Die pijn vergeet je. Of de pater prefect die wel eens op je strakke billen sloeg en in je wang kneep –dat waren uitingen van affectie die je zo node moest missen van thuis. Nee, veel ingrijpender was de intimidatie door de Latijnse leraar, die me op een grove manier uitschold bij een onvoldoende, of de pater surveillant die me voor de hele studiezaal voor schut zette en blafte dat ‘Het beter voor jou ware geweest dat je moeder niet geboren was’. Mea culpa.
Het neerbuigende toontje van de leraren en hun Spartaanse dwangmaatregelen, braken elk restje eigenwaarde dat ik nog bezat. Nadat ik het laatste restje heimwee –waar ik vreselijk onder heb geleden en dat volkomen genegeerd werd-, had weg gehuild in de betrekkelijke beschutting van mijn chambrette op de slaapzaal, leefde ik verder als een soort zombie-in-korte-broek. Met eindeloos gebed en stilzwijgen werden we in het gareel gestampt. Ik noem –met de wijsheid en kennis van nu- dát misbruik. Maar we schreven 1956 en de meeste lieten ons de discipline aanleunen –je had geen keus en je moest door. Buiten de muren van het juvenaat was het ook niet alles –vertelde men ons.
Dat sommige studenten op vriendschappelijke voet stonden met een leraar of biechtvader, lag voor de hand en iedereen vond dat volkomen normaal; sterker nog, je was jaloers op zo’n (knappe) jongen, én zijn puntenlijst. Niet onderschat mag worden dat de sociale controle op de instituten enorm was en de doodzonde der onkuisheid soms onherroepelijk tot overplaatsing van de pater of broeder leidde, maar het kwam vaker voor dat als er een confrère of de rector lucht kreeg van een ‘geheime liefde’, niet de dader maar het slachtoffer naar huis werd gestuurd.
Mijn biechtvader was een uiterst aimabele pater die ‘het beste met mij en mijn geestelijke leven voor had’. Voor de absolutie op vrijdagavond gaf hij er de voorkeur aan om dat op zijn kamer te doen. Niks mis mee. Dat pater L. een bijzondere belangstelling aan de dag legde voor mijn lichamelijke ontwikkeling in het algemeen en die tussen mijn benen in het bijzonder, nam ik voor lief. Dat het wel zou horen bij de seksuele voorlichting die ik thuis nooit had gehad. Dat mijn biechtvader daarbij aan mijn knie zat om me op mijn gemak te stellen ervoer ik niet anders dan als vanzelfsprekend. Dáár heb ik niks aan ‘overgehouden’, net zomin als die keren dat de surveillant mijn douchecabine binnenkwam om ‘me te controleren.’

Er komt een tijd dat je de televisie (én het internet) kunt ruiken, en dan bedoel ik niet dat plasmaschermen gaan rotten.
Lang geleden kon je al met je duimnagel op een bepaalde plek over een advertentie krassen om een nieuwe deodorant te ruiken: in 1966 een wonder!
Ik voorspel dat ik het nog zal meemaken dat je met een druk op de afstandbediening of tutsjskrien de kookluchtjes van Herman den Blijker kunt ruiken met www.sniff.com, zoals we elkaar nu al life met Skype kunnen horen en zien.
Als het zover is zal ik jullie deelgenoot kunnen maken van hoe het in de tropen ruikt. Maar ik waarschuw de romantici onder jullie alvast: behalve de geur van uitbundig bloeiende jasmijn en kruidnagel, is er ook een ander poepje te ruiken.
Als ik bijvoorbeeld om 6 uur ’s morgens mijn rondje loop, hangt er boven het veld en vooral langs ’s Boeddha’s wegen een doordringende stank. De berm ligt bezaaid met plastic en rottend afval. Het wemelt er van de ratten, slangen en leguanen, waarvan de platgereden lijken op het asfalt getuigen. Af te meten aan het weinige verkeer nadat de duisternis is ingevallen, wijst het erop dat er derhalve veel gehamsterd wordt.
De meest doordringende stank komt vanachter de struiken en uit het olifantgras, waar de vele dagjesmensen zodra ze wakker worden poepen, plassen en overgeven, na een avondje doorzakken aan het strand.
Het heeft al maanden niet meer geregend en je kan op een windstille ochtend tegen de stank leunen.
Een paar honderd meter verderop
walmt een weeïge stank met de ochtenddamp over de landerijen, uit
de richting van de rioolzuiveringsinstallatie, twee kilometer
oostwaarts. Het rioolwater van de stad loopt daar via een oude
kreek, -twee jaar na de bouw van de bassins-, nog steeds
ongezuiverd om de bezinkingsbassins heen, naar zee. Vlakbij de
monding ligt het drukste strand van Sihanoukville, één van de
toeristische trekpleisters van Cambodja.
‘Wat ruik ik toch, Mientje, denk je dat die Cambodjanen in de zee poepen?’
De meeste mensen wonen in de (voor toeristen onzichtbare) achterbuurten van de stad en daar loopt het afvalwater over de struikelweggetjes, bij middagtemperaturen van boven de 35 graden. Je hebt weinig fantasie nodig om je de ondraaglijke stank voor te stellen.
Op de hoofdstraten braken oude busjes en aftandse vrachtwagentjes zwarte dieselwalmen uit, die zich mengen met de rook van de duizenden houtskoolvuurtjes, waarop de meeste mensen koken.
Of ik nog rook? Ja, want ik weet zeker dat die paar kreteksigaretten minder ongezond zijn dan wat ik op de fiets of op de motor dagelijks inadem, als ik me door de stad haast om nieuwe stofmaskers te kopen.
Een buitje voor het stof zou zo tegen het einde van dit droge seizoen niet onwelkom zijn.
Hallo! Wie heeft hier een scheet gelaten?

(Niet geschikt voor Hanneke-in-Hanoi.)
Toen mijn vriend en bouwpastoor ir. A. vanochtend in zijn auto wilde stappen, een soort vooroorlogse Toyota, en galant het portier voor zijn Cambodjaanse verloofde opende, deinsde zij achteruit. Met grote schrikogen wees ze naar de vloer van het ‘Wrak van de Weg’. Op het kokosmatje lag een stukje plastic dat A. er met een ruimhartig handgebaar uit raapte.
Pas toen zag hij dat het plasticje een bijzonder patroon had... een soort slangenvel. EEN SLANG?! De werkelijkheid drong toen in alle schrilheid tot hem door: in het vooronder van zijn bolide was een slang verveld, eentje die minstens polsdik moest zijn! Waar is hij gebleven? Onder de motorkap? In het handschoenenkastje? Onder één van de stoelen? Verloofde wilde onder geen beding instappen, zij ging wel op de brommer naar de markt.
Maar A. moest naar de tennisbaan en hij heeft geen fiets zoals ik (ik stond al inslaand ongeduldig te wachten).
Toen ik hem eindelijk op twee wielen door de bocht het resortterrein op zag stuiven, met zijn knieën tegen het dashboard geklemd en met een verwilderde blik om zich heen kijkend, dacht ik dat de bouw van zijn Vaste Burcht hem naar het hoofd gestegen was. Hij sprong uit de auto, nog vóór hij de handrem goed en wel had aangetrokken, zodat het witte gevaarte bijna het centre court ophobbelde.
‘Je kunt ook overdrijven, A.’ riep ik hem toe, een snoeiharde service in het net slaand. ‘Waar bleef je nou?’
Mijn vriend liet het portier van de auto wagenwijd open staan en stond nog een tijdje gebukt naar het interieur te staren. Hij mompelde iets dat ik niet kon verstaan.
‘WAT?’
‘Slang!’
‘Gek.’
‘Nee, echt.’
‘Waar?’ Ik ging kijken, vanaf een veilig afstandje.
‘Heb je hem gezien? Beet ie?’
‘Nee. Maar er lag een vel. Dus dat serpent heeft vannacht op zijn gemak in mijn auto liggen vervellen! Wat moet ik nou?’
‘Ik zou de dierenambulance maar bellen, A.’
Net op tijd bukte ik om de tennisbal te ontwijken.
Hier is nog plek.
Erwin Krol zou zeggen: ‘Verschrik-ke-lijk warm is het nu ook weer niet maar omdat er geen zuchtje wind staat...’
Als ir. A. en ik des morgens om half negen –eerder is de sleutelbeheerder van het plaatselijke centre court nog niet wakker-, staat de zon al ruim boven de onbeweeglijke kokospalmen en liggen de twee betonbaantjes zó te blakeren dat je er met gemak een ei op kunt bakken.
Na een kwartiertje inslaan schommelt mijn gevoelstemperatuur ergens tussen Sahara- en Dead Valley-waarden. Het zweet gutst vanonder mijn pet en de ervaring leert dat door het verlies van zoveel vocht je hier behoorlijk snel uitgeput kunt raken. Hoe doen die profs dat toch bij de Australia Open? Drinken ja. Ik drink tijdens ieder partijtje een liter water. Het is niet zozeer vermoeidheid –mijn conditie is redelijk op peil-, maar de combinatie met de hitte is behoorlijk uitputtend waardoor ik niet iedere crossbal meer haal, en dat is wennen.
In december en januari was het nog dragelijk en als de lucht betrokken is of bij wind van zee gaat het ook nog wel. Maar zonder die verzachtende omstandigheden is mijn handdoek een dweil en krijg ik het niet aangedronken.
‘Even een pauze, A.’
Ik geef toe, deze foto’s
slaan nergens op maar geven wel mooi weer (‘mooi
weer’, dat past dan weer wel in het verhaal) hoe
voorspoedig het op Pinokkioschool gaat en dat ik daar akelig
trots op ben. ('Verschrikkelijk', zou Erwin
zeggen.)

Van twaalfduizend kilometer afstand heb ik de verkiezingen een klein beetje kunnen volgen. Via de Wereldomroep, in De Volkrant (en weblog) en –jawel- Twitter. En ik moet zeggen dat de afstand en het weer hier meehelpen om mijn kalmte te bewaren en de politieke aardverschuiving in het juiste perspectief en met het nodige leedvermaak te volgen. Al moet ik toegeven dat ook ik het even te kwaad kreeg toen ik Jan Marijnissen’s op huilen staande gezicht zag, na de persconferentie van Agnes Kant.
Je best doen, standvastig, sociaal
en van de tongriem gesneden zijn is in deze tijden van oneliners
en verrechtsing blijkbaar niet meer aansprekend: onredelijkheid
en ongegeneerd schelden, of een 'stukje charisma' levert
meer stemmen op. Noem een minister 'Knettergek' en je
stijgt in aanzien bij het gemene volk die de capuchonjongeren van
achter het Rifgebergte meer dan zat zijn.
Er is in De Wereld Draait Door en op dit weblog al het nodige gezegd en geanalyseerd, dat mijn visie daar weinig meer aan toe zal voegen; Felix Rottenberg, Jort Kelder en Frits Wester gingen me al voor.
Almere heeft de wereldpers gehaald. Om als meest saaie stad van Nederland zó in de kijker te lopen, geeft te denken, net zowel als hoe CNN er de opkomst van het lompenproletariaat beschrijft. Trots op Nederland? Mooi niet!
De exponenten van de moderne NSB schoppen tegen –wat zij noemen- de ‘Linkse Kerk’ en de Jules Paradijsen gooien Pauw en Witteman, Clairy Polak, Van Nieuwkerk en Femke Halsema op één hoop, ‘De linkse kliek die de Islam binnenhaalde en de minaretten hielp bouwen.’
Want vlak de invloed van de
massamedia niet uit. Waar het volk na een vermoeiende dag in de
file het liefst naar kijkt is naar geestdodende familiespelletjes
van miljardair John de Mol, waardoor na aftrek van 0.3
kijkcijferequivalenten aan kijkers die er genoegen in scheppen om
tegen hun tv te schelden, er 1.7 overblijft voor DWDD,
NOVA en P&W. En laten die linkse
kerkgangers nu precies overeenstemmen met het aantal zetels uit
de peilingen voor PvdA, SP en Groen Links samen. Dat schiet dus
niet op, Felix.
Wat mij verontrust is de groeiende
massa meelopers, maar nóg verontrustender vind ik dat zelfs
gerenommeerde politici met gezond verstand meehuilen met de
wolven in het bos en voortdurend beweren dat ‘Die
Wilders een slimme politicus’ is! Schei toch uit zeg!
Een partij die een Nederlandse bevolkingsgroep wegzet als
ongewenst en minderwaardig (1936!) en alle problemen in stad en
land afschuift op een groepje puberjongens uit hun midden, is het
doodschoppen niet waard. Flikker toch op, Rottenberg, met je
begrip voor de slimheid van die waterstofperoxideclown. Heb je
gehoord hoe die in Londen Nederland onsterfelijk voor schut heeft
gezet?
Het Nederlandse volk lijkt de weg behoorlijk kwijt te zijn geraakt –als je de peilingen volgt die weinig goeds voorspellen voor 9 juni. Is men sneeuwblind geraakt door de lange winter, of speelt de opwarming van de aarde een rol?
Kant gaat, Zalm blijft. Symbolischer kan bijna niet: het grootkapitaal regeert door en xenofobie raakt in de mode.
Jullie gaan een paar spannende maanden tegemoet en ik wens je daarbij wijsheid en sterkte toe. Ik doe er niet aan mee.
Oftewel, ‘Ik bolwerk het hier niet, taa Cees,’ belde Bonna gisteren vanuit de provincie Takeo –waar de familie in arrenmoede naar is teruggekeerd, met uitzondering van zus Thom (ik schreef er al eerder over.)
Het water staat de familie tot aan de lippen, vertelde Bonna, hij moet meewerken op het land, mag niet naar school en hij en zijn broertjes hebben heimwee. Ze missen mij en de school, voegde hij eraan toe.
Of Bonna belde omdat hij me echt mist, of in opdracht van zijn ouders, om te polsen of ik nog een keer de familie een toelage wil geven wanneer Bonna terugkeert om weer hier naar school te gaan, weet ik niet, maar ik kan er naar gissen.
Zo te horen is er ook in Takeo geen droog brood te verdienen en het is de vraag hoe lang ze dat jo-jo-en nog volhouden, want behalve het reizen/verhuizen is het een publiek geheim dat moeder nogal goklustig is en vader vreemd gaat. Droevig dat de (8) kinderen die van de rekening zijn, en dat mijn naam onder de optelstreep staat.
Dilemma’s zat hier. Ik voel me heen en weer geslingerd tussen mededogen en boekhouden. Omdat ik besef dat er aan de afhankelijkheid van deze familie pas een eind komt als Bonna (14), Sanghaa (7) en Rawi (5) de Don Boscoschool hebben afgemaakt. Als ik naar het jongste broertje kijk, dan ben ik onderhand 79.
En of ik dát bolwerk, weet ik niet.

Het verspreidt zich als een pandemie. Zelfs ministers in de Kamer doen het, als zij van Trots als een viswijf vanaf het katheder minister Bos staat uit te maken voor liegbeest.
Wie leest het allemaal en wat gebeurt er met de inderhaast ingetypte regeltjes? Ja, je kan reageren, als je bent ingelogd. En dan? Gaat Wouter Bos in op een paar honderd tweets van twitteraars die het voor hem opnemen of gewoon meedoen met de hype? Dacht het niet. Betrokkenheid met de politiek, de partij en de lijsttrekker, zou het doel kunnen zijn denk ik. Gewoon meegaan met je tijd, empathie kweken, stemmen winnen. En wij dan?
Aad Verbaast liet zich –zij het schoorvoetend- overhalen om ook te gaan twitteren. Toen ik las dat hij overstag ging, wilde ik het ook wel eens zien en klikte op de link van zijn weblog. O, maar een kind kan de was doen, dacht ik, toen ik de site van Twitter binnenkwam, dus waarom ik niet, nu zoveel miljoenen me zijn voorgegaan.
Hyves, Facebook en Klasgenoten heb ik links laten liggen. Blogsites voor jongeren, rommelig en schreeuwerig, ik ben daar te oud voor. Maar Twitter? Zelfs één van mij idolen –de Nationale Mental Coach- twittert, wie ben ik dan om langs de zijlijn te blijven staan. Wim is een paar jaar ouder dan mij tenslotte. Dus, Aad...
Ik worstel nog wel met een aantal beginnervragen. Moet ik om alle tweets bij te houden de hele dag achter mijn iMac blijven zitten? Wat voor soort mobieltje heb je nodig om ze te kunnen lezen en terug te twitteren? Kan dat in Cambodja? Kostda?
Verder ben ik er nog niet uit hoe alle opties werken en hoe ik interessante twitteraars vind. Het woord is aan (de inmiddels deskundige) Aad Verbaast.

Kroonprins Jannarat van Ochidée Guesthouse is vijf geworden.
Op dezelfde dag dat zijn halfzus Den is getrouwd. Daarom hebben we de viering van zijn eerste kroonjaar gisteren nog eens dunnetjes overgedaan, met taart en een cadeautje van 'oom Cees'.
'Happy birthday to me', zong hij de hele avond.

Ik hoop dat je het me niet kwalijk neemt, Tineke, dat ik een paar foto’s van je lievelingetje plaats. Het is met veel plezier dat ik ze heb gemaakt en ik weet zeker dat je ze zult koesteren tot je in het vliegtuig zit.
Zondagmiddag 16 uur. Ik parkeer mijn motor in de blakerende zon voor de naaischool, het loopt tegen de veertig graden. Om het brood dat is overgebleven van het ontbijt in Orchidée wordt gevochten, maar Oehe bemachtigt ook een boterham voor zijn zusje Kapoklok. Ze volgen me naar het computerklasbalkon; ‘We willen tekenen taa Cees’. Daarvoor moeten eerst de sleutels worden opgehaald om de drie sloten van de hermetische deur te openen, de ventilator aangezet, de thee opgeschonken (mét citroen, hé Tineke), pleisters geplakt en andere noden geledigd. Het tekenpapier is op en het schoolkantoor is dicht: oja, het is zondag.
Kapoklokje laat haar enige paar slippers zien: ze zijn kapot. Kapotlok. Broertje Oehe breekt een lans bij mij voor nieuwe. Ik laat me vermurwen maar om te voorkomen dat andere kinderen de rest van de middag aan mijn hoofd blijven zeuren, geef ik Kapoklok een paar dollar voor nieuwe schoentjes en zeg erbij dat Tineke ze haar had beloofd. Gemeen hé?

Er zijn maar weinig dingen waar ik heimwee van krijg en één daarvan is de soapserie ‘We gaan nog niet naar huis’, die nu op De Wereldomroep wordt herhaald.
De verwikkelingen van het Amsterdamse gezinnetje op Texel geeft een zo herkenbaar beeld over een typisch Nederlandse situatie binnen een gezin waar de moeder is weggevallen. Naar het overdreven optimisme van vader Sam (Victor Löw) kijk ik met enige afgunst en tegelijk mededogen, en over de galgenhumor van de kinderen –vooral van zoontje Flip- barst ik soms in mijn eentje in de lach; een lach met een traan soms omdat het me zo pijnlijk herinnert aan goede tijden.
Toegegeven, de serie is een karikatuur van het werkelijke leven op het platte land in het algemeen en de opvoedingsperikelen van een man alleen met twee pubers in het bijzonder, het komt soms heel dichtbij mijn eigen ervaring en de herinnering die ik koester.
Een ‘Bed and Breakfast’ beginnen is op zich al karikaturaal genoeg –met alle ‘Ik vertrek’ en andere emigratieseries op de Nederlandse tv, waardoor je de indruk krijgt dat er op het Europese platte land meer klussende Nederlanders wonen dan autochtonen. En hoe het met de ‘behulpzame’ buurvrouw Laura afloopt kan de kijker op zijn klompen aanvoelen, evenals met de stugge, klompendragende Wubbe en dochter Marjolein.
De acteurs spelen hun rol met zoveel overtuiging dat ik ondanks het flauwe verhaal er iedere ochtend (!) lekker voor ga zitten om even twintig minuten Cambodja te vergeten. De trailer doet me al bij voorbaat glimlachen.
Maar ik barst pas echt in lachen uit als bijvoorbeeld -zoals in deel 1- ze arriveren bij het onooglijke boerderijtje en zoon Flip het portier opent en droog opmerkt: ‘Hee, ze hebben hier genetisch gemanipuleerde eenden!’ als de erfgans luid tegen de vreemdelingen snatert.
Na ‘We gaan nog niet naar huis’ kan ik er weer een dagje tegen, na het wegslikken van de brok in mijn keel van heimwee...
‘Nee, zo’n beestje heb ik nog nooit gezien jongens. Hoe heet hij?’
‘Chorrut, taa Cees, chor-rut.’
In de Khmertaal dus en dat zegt me niks. Het lijkt op een kruising tussen een rat en een eekhoorn, met die lange pluizige staart.
In de val waarmee hij is gevangen ligt iets te rotten.
‘Wat eet hij jongens?’
‘Fruit, taa, kijk maar.’
En zo gaat het hier vaak. Ik zie een plant, een typische bloem of vrucht, een vreemde kever. Of men zet me een groente voor, een handje noten of een vrucht. ‘Wat is dat?’ Een Khmerwoord is mijn deel maar ik kan er geen Engels of Latijns touw aan vastknopen, laat staan een Nederlands. Ik Google me een slag in de rondte, maar vind het niet.
‘Proef eens taa Cees.’
‘Was da?’
‘Prohut.’
‘Verrek, dat smaakt naar frikadel!’ Het kost bijna niks, de stukjes gemalen vlees(?) zijn heet dus net gebakken en daarom veilig om op te eten. Alleen de (verse) groente die erbij zit kunnen wij westerlingen maar beter opzij schuiven omdat het gewassen is in water uit de regenton of van de rivier. Oké, als je af wilt vallen door een dag of zeven aan de race te gaan, dan zou je kunnen overwegen het erbij op te eten; beter van niet.
De val waarmee het dier gevangen is ziet er behoorlijk professioneel uit. Waarmee me aangetoond lijkt dat wat ze erin vangen eetbaar moet zijn, of in ieder geval anderszins niet geliefd is, dan wel bijt. Als ik die oogjes zo zie, durf ik het bijna niet te vragen: wie is hij, Ramirezi?

Om voor eens en voor altijd de gegroeide onzekerheid over de al dan niet (on)rechtmatigheid van de grondeigendom weg te nemen, heb ik in gezelschap van ir.A. me ten kantore van het kadaster alhier gevoegd.
De ingenieur kent kantoorchef Kaw Maw persoonlijk sinds hij met datzelfde bijltje heeft gehakt toen hij de kavel voor zijn eigen burcht moest laten registreren.
In vergelijking met de Nederlandse leges dienaangaande, moet je hier een vermogen neertellen en het is dan ook niet vreemd dat de arme bewoners van Kleng Leu zich nooit officieel hebben kunnen laten inschrijven. Uitgezonderd ons weeshuis, omdat ik vind dat wij als organisatie het ons niet kunnen veroorloven om illegaal te bouwen. Dus heeft de vorige manager (jullie begrijpen het al) a raison van 1500 dollar voor de benodigde documenten gezorgd.

Op mijn vraag bij het kadaster bleek men onze en zijn naam niet te kennen en staat er geen geregistreerd kavelnummer op de plaats van het weeshuis, waaruit blijkt dat de voortvluchtige schurk dat geld in eigen zak heeft gestoken.
Pleister op de wonde voor mij was toen ik onze situatie had uitgelegd, een paar ambtenaren lovende woorden spraken over dat Mondol Op’thom zoveel goed doet voor de kansloze jeugd in Cambodja. En van (de gebruikelijke) ‘vergoeding’ die ik wilde geven, wilde men niet weten. Hopelijk komt deze goodwill ons nog eens van pas in de voort sluimerende strijd om de eigendom van het weeshuis. En we hopen dat de politie de oplichter die ons deze kostbare poets bakte eindelijk te pakken neemt.
Want ons bezoek aan het kadaster werd ingegeven door het verhaal dat in Kleng Leu gaat dat bovengenoemde dief komend weekend geïnteresseerde kopers naar het weeshuis wil sturen. We zijn alert.

(Wordt beslist vervolgd.)
Dankzij onze donateurs uit Brandwijk, Groningen en Den Bosch krijgen onze leerlingen eindelijk (weer) computerles.
Nadat de vorige manager twee jaar geleden pc’s had gekocht die onherstelbaar stuk gingen, inbrekers er twee hadden gestolen en de computerjuffrouw er de brui aangaf, hield het voor ons even op.
Nu, een jaar later, kunnen we vol goede moed en beslagen ten ijs herbeginnen. Niet op de laatste plaats omdat mijn nieuwe manager Pich op de Don Boscoschool alhier automatisering en communicatie heeft ‘gedaan.’ Op het programma staat Word en Excel, -waarmee tegelijk Engels wordt opgedaan.
We hebben de stroomtoevoer versterkt, net als de vloer met multiplex en nieuw zeil. Er staan acht computers met UPS (omdat de elektriciteit nogal eens uitvalt), een scannerprinter en een laptop voor de leerkracht. Tafels, bureaustoelen (handig omdat de leerlingen nogal verschillend van grootte zijn) en een paar door meneer Pha getimmerde kasten completeren de nieuwe inventaris.
Over de inbraakvrije deur van de computerklas schreef ik al eerder: een knappe inbreker die hier nog inkomt.
Trouwens, meneer Kay is teruggekeerd uit Kampot en hij heeft zijn intrek genomen achterin de handenarbeidruimte, van waaruit hij de hele school gaat bewaken. (Kay is voormalig bodyguard van Hun Sen en amateur-bokser.)
Ik hoop dat hij nooit in het geweer hoeft te komen maar in een land dat zoveel armoede kent, drijft de nood sommigen tot een wanhoopsdaad.
Pich heeft er zin in en de leerlingen (zestien per dag een uur) ook. Ze zien aan hem hoe belangrijk het is om je goed voor te bereiden op vervolgonderwijs en om voor later de kans op een goede baan te vergroten.

Wat zouden wij moeten beginnen zonder hoofdmeester Saan?
Saan is onze eerste man, met bijna veertig jaar ervaring in het onderwijs.
Sinds de kleine man uit Batangbang voor ons werkt, is hij volgens de wet in Cambodja gepensioneerd en trekt hij uit Phnom Penh 37 dollar per maand van de Khmer-Drees. Saan is nu zestig, maar zelfs een onderwijzer in ruste kan moeilijk rondkomen van een slordige 25 euro per maand en daarom snabbelt hij bij door Pinokkioschool te leiden. En met zijn lange staat van dienst en de kennis van vandaag heb ik daar nog geen dag spijt van.
Gelukkig is Saan ondanks de achterbakse spelletjes en periodieke inhoudingen op zijn salaris door onze vorige manager, Mondol Op’thom trouw gebleven en leidt hij de school vandaag de dag met hernieuwd enthousiasme. Streng doch immer vriendelijk: een rots in de branding. Met zijn staat van dienst draagt deze nestor de ervaring en didactiek van vóór de bittere Pol Pot-periode over aan de jongere leerkrachten en leerlingen.
Komende maand krijgt meneer Saan er een periodiek van ons bij: hij verdient het en ik hoop dat jullie ermee akkoord gaan.


Lusten veel kinderen in Nederland geen spruitjes, hier is dat popijee tchrong. Deze (langwerpige, vierkante) groente wordt rauw gegeten, gedoopt in een sausje van ‘traj-jee’ (Khmer voor ‘vis van oma’.)
Deze sausnaam hebben Jan en ik bedacht in 2002, toen we voor het eerst de ondragelijke stank die uit de keuken opsteeg roken. Navraag leerde dat het een recept van oma was. De saus (prôho’k) wordt gemaakt van gezouten vis die een paar maanden in een emmer onder de grond wordt gestopt en dan gekookt, waarna de olieachtige substantie in flessen wordt gedaan en gebruikt in allerhande Khmergerechten zoals gebakken rijst (nasi) en bij de bereiding van vleesschotels. En om de popijee in te dippen dus.



Want Holland is donker en klein. Eén lichtroze koningin
kan er maar stijfjes in als haar slepen niet te lang zijn. Wie er
praat blaast in iemands gelaat; wie gebaart geeft iemand een
slag. Men schrikt er van iedere lach, nabijheid verwarrend met
haat. Neen, zelfs tastend om heide en strand, -en al sluit ik
krampachtig de oren om nog Hollandse stormen te horen- heb ik
toch liever heimwee dan Holland. Binnen mij, onderhand ontplooit
een vaderland dat jaren terug verging; en hoe langer ik het mis
hoe heerlijker het is in mijn herinnering. Leo
Vroman










