Yk ver(t)rek
Que la Vie est belle.
VKBlog Headerimage

Eigen tafeltje.

zaterdag 25 april 2009 13:00
Vandaag heb ik aan je tafeltje gezeten. Je vaste tafeltje bij Café Pierre. Op de hoek van de Boulevard Magenta en Rue Beaurepaire, vlakbij het Place de la République. Ik weet niet wat jij daar altijd dronk, ik heb er een Perrier genomen. Al was het maar omdat het flesje zo lekker in de hand ligt. De barman had een schijfje citroen in het glas gedaan. Eén zijde was helemaal ingedroogd, het moet 't eerste schijfje van die dag geweest zijn. Dat vond ik best een privilege. Een uitgedroogd schijfje citroen in een Perrier-glas, dat heeft wel wat. Vind je niet?

Ik zat er nog maar net of een melancholisch kijkend meisje kwam voorbij. Je hebt ze overal, maar in Parijs horen ze gewoon bij het straatbeeld. Anders zou er iets niet kloppen. Vind ik. Ja, en vrouwen met hun neus in de pocketeditie van één of andere Franse klassieker, die zag ik ook. Nergens zoveel lezende vrouwen als in Parijs, schreef je. Nergens zoveel veinzende vrouwen als in Parijs, denk ik wel eens. Maar dat zal ik niet hardop zeggen, want mythes kun je beter in stand houden.

Precies tegenover Café Pierre, naast de deur van de discounter, legde een hond een forse drol. Hij had gesproken, zijn woorden dampten na. Uit het raam van één van de appartementen boven de winkel hing een oude man, hij zoog aan een pijp. Dat zie je niet elke dag. Niet meer. Ik wachtte op het moment dat hij zijn pijp uit zou kloppen tegen de vensterbank. Het nasmeulende propje zag ik al naar beneden komen. Op het kapsel van een Amerikaan die met een witte baquette uit de winkel kwam. Maar dat gebeurde niet. Het raam werd gesloten voordat ik de pijp uit had zien gaan.

Aan de andere kant van de weg wilden ze mijn goud wel kopen, tenminste, dat stond op het ruit. Ik heb helemaal geen goud, waar moet je tegenwoordig nog goud vandaan halen. Het is crisis, tenslotte. Al heb ik dat maar van horen zeggen. Nee, goud is aan mij niet besteed, maar dat terzijde.

Je had wel meer tafeltjes, las ik. Misschien inspireerden ze je wel zodanig dat er een boek over te schrijven valt. Eigenlijk zat ik overigens niet echt aan je tafeltje. Dat kan ik nu wel zeggen. Het was namelijk bezet. Nee, niet door jou. Er zaten twee jonge mensen, van een jaar of twintig. Ze waren erg verliefd. Het meisje had uiteraard een rokje aan. De hitte sloeg eruit, dat zag je aan haar mond. De jongen naast haar moet het gevoeld hebben. Naarmate de tijd verstreek, begonnen de neuklichtjes in zijn ogen steeds feller te branden. De bloesems zouden vrijwel direct in de kersenboom gesprongen zijn, als die er gestaan had. Als.
Zij wisten niet dat ze aan jouw tafeltje zaten, zij dachten maar aan één ding.

Ik ook.

Ik heb begrepen dat je er nooit meer zult zitten, aan je tafeltje. Toch zal het altijd jouw tafeltje blijven. Dat kan niet anders.

De hangmannen van Barbès.

woensdag 11 februari 2009 16:10
Afgelopen vrijdag besloot ik de hangmannen van Barbès te observeren, het moest er een keer van komen, al jaren vraag ik me af wat die kerels daar toch de hele dag doen. Op de Boulevard Barbès zelf is het vrij duidelijk, daar worden aan beide kanten van de oplopende weg de bankjes warm gehouden door mannen met de pensioensgerechtigde leeftijd en door daklozen met een zichtbaar alcoholprobleem. In deze hangmannen was ik niet direct geïnteresseerd, nee, mij ging het om het kruispunt, onder het viaduct van de metro, daar waar de Boulevard Barbès uitmondt in de Boulevard de la Chapelle, daar waar permanent groepen mannen staan.

De gemiddelde Parijzenaar kent de reputatie van Barbès, 's avonds schijnt er wel eens bloed te vloeien, dan is het een buurt waar je liever niet komen wilt, maar het ging mij niet om de reputatie, het ging mij om de mannen. Wat ze daar precies doen weet ik niet, het lijken me louche zaken, er wordt gespied, gewogen, zogenaamd doelloos geslenterd, handen verdwijnen in binnenzakken, hoofden worden bijeen gebogen, binnensmond gepraat, besloten en nieuwe groepen gevormd. De mannen fluiten niet naar de schone dames, deze mannen hebben andere dingen te doen.

Ze zijn van alle leeftijden, maar er zitten geen echte jongeren bij, ik zou zeggen vanaf vijfentwintig plus tot even in de zestig. Misschien moet je je eerst bewijzen voordat je hangman van Barbès kunt worden, mij lijkt het in ieder geval een mooi perspectief. ‘Jongen, wat wil je later worden?' ‘Hangman van Barbès, Oma.' ‘Goed zo jongen, je vader heeft daar altijd veel bereikt.'

Op de stoep bij het tassengedeelte van warenhuis Tati kun je bij verschillende mannen horloges kopen, montres pas chères, sissen ze in je oor als je langsloopt, of ze kijken je kort en fel aan, terwijl ze subtiel een sierraad uit hun zak laten steken. Nergens zoveel handeldrijvers als bij Tati.

Boulevard Barbès blijkt tevens een vruchtbare plek voor verkopers van maïs en gepofte kastanjes. Iets naast het metroviaduct staat er eentje, met zijn olievat in een winkelkarretjes, te porren in de zwartgeblakerde kastanjes. Een man komt bij het karretje staan, ze groeten elkaar niet, ze hebben elkaar die dag al vaker gezien. Er wordt wat in jaszakken gegrepen zonder dat daar woorden voor nodig zijn en weg is de man. En ik altijd maar denken dat ze het van de gepofte kastanjes moesten hebben, nee, de inkomsten daaruit zijn peanuts, al is dat in deze context een wat misplaatst woord. De echte handel zit onder de jas, onder de zwartleren jas en in de zakken, de gevoerde zakken die voor toeristen zijn afgesloten met een rits.
 
Die zwartgeblakerde kastanjes eten ze met name zelf op, ik zie het aan hun kaken, hun malende kaken, die staan geen moment stil. Evenals de hangmannen van Barbès, die slenteren een paar meter naar links en dan weer naar rechts, ze praten even met de één en kloppen even op de ander, het lijkt wel een paringsdans, een discrete, dat wel. Of er stopt een taxi naast één van de groepjes, woorden worden gewisseld, gebaren worden gemaakt, mannen worden erbij gehaald, anderen lopen weg en als het onzichtbare gebeurd is, binnen een minuut, dan rijdt de taxi weer verder. Op zoek naar een klant, zegt u, dacht u dat nou echt, dat ze het moesten hebben van transport? Wellicht, maar niet dat van personen.

Het was niet niks om de harde kern van de hangmannen van Barbès te observeren, daar bij dat viaduct. Elke keer als ik erlangs fietste en iets verderop even bleef staan, dan kon ik in een mum van tijd rekenen op een onderzoekende blik van één van de mannen. Geen subtiele blik, een strakke, gefocuste blik. Ik moest daar niet te lang staan, meende ik te begrijpen. Zelfs als ik half achter een verkeersbord of een vuilcontainer stond, of deed alsof ik de batterijen van mijn mp3-speler verving, had iemand me al snel ontdekt. Dat verbaasde me enorm, aangezien de zebrapaden uitpuilden van de mensen, waarom keken ze dan naar mij? De hangmannen van Barbès hielden hun territorium goed in de gaten, buitenstaanders werden nadrukkelijk buiten gehouden.

Als de illegale praktijken duidelijk zijn voor mij, is dat het zeker voor de politie zou je zeggen, dan zouden die er toch allang wat aan gedaan hebben. Maar hoeveel officieel niet bestaande families worden er onderhouden met deze handeltjes? En hoeveel misère zou er zichtbaar worden als deze inkomstenbron werd dichtgemetseld. Welke zich nu zelfregulerende gemeenschap zou dan hulpeloos naar de oppervlakte komen drijven en daarmee een tastbaar probleem worden, een probleem waar heel snel een oplossing voor zou moeten komen, omdat er anders, ondanks een nous ne savions pas*, een twijfelachtig beeld van Frankrijk zou ontstaan. Onder anderen. De hangmannen van Barbès. Er valt veel over te zeggen, maar er valt nog veel meer over te zwijgen.

*wir haben es nicht
gewußt

Vélibido.

maandag 9 februari 2009 16:35
De krant Le Parisien meldt vandaag dat de Vélib', het ‘witte fietsenplan' dat enkele grote Franse steden hebben ingevoerd, zwaar te lijden heeft onder vandalisme en diefstal. Van de twintigduizend exemplaren die het grijze fietsenpark van Parijs rijk is, is er 39 procent (7800) verdwenen en werd 58 procent (11.600) het slachtoffer van vandalisme. Dat is niet best. Zelf heb ik nog nooit op een Vélib' gezeten, ik heb er ook nog nooit één vernield, laat staan gestolen, maar het intrigeert me wel, zo'n Vélib'-diefstal.

Als je een Vélib' huurt wordt er 150 euro op je bankrekening geblokkeerd voor het geval je hem niet terugbrengt, nu is dat niet veel geld voor een goede fiets, maar wel voor eentje die opvalt als hij 's nachts illegaal tegen je tuinhekje staat. Er zullen daarom weinig mensen zijn die de door henzelf gehuurde fiets stelen. Er moeten dus derden zijn die de fiets achterover drukken terwijl de huurder even boodschappen doet. Maar minder opvallend wordt de fiets daar niet van, dus wat is er van die 7800 verdwenen Vélib's terechtgekomen? In een reactie op het krantenartikel stelde iemand dat ze in de Seine zouden liggen. Tja.

Er zijn twee mannen fulltime in dienst om gestolen Vélib's op te sporen, één in Parijs en één in de Banlieue. Ze moeten het voornamelijk van tips hebben, bijvoorbeeld van bewoners die doorgeven dat er een Vélib' in de centrale hal van hun flat staat. Deze categorie fietsen wordt ‘geprivatiseerde Vélib's' genoemd en staan vaak niet eens op slot, waarom zou je ook, je hebt er toch niets voor betaald. Misschien kunnen deze twee mannen ook eens op zoek naar mijn gestolen fiets.

In Toulouse lijkt hetzelfde probleem te bestaan, daar zijn al zeven Vélib'-stations gesloten wegens vandalisme. Maar ja, Fransen doen er dan ook dit mee. De Vélib' vind je niet alleen op de straten, of eventueel in de Seine, maar ook op de kalender van de Gemeente Parijs. De Vélib' is de trots van Parijs kun je wel stellen en de vernieling van de Vélib' is daarmee een onacceptabele krenking van die trots. De boodschap van dit filmpje wordt er in ieder geval maar weer mee bevestigd...





Bronnen:
1, 2, 3, 4, 5

Ik wacht.

zaterdag 7 februari 2009 14:15
Tegen het glaasje zit een sok geplakt, eens was die wit, nu is hij doorweekt en wordt hij door elkaar geschud, samen met de rest en twee scheppen poeder. Dan is de sok verdwenen en vervangen door een blauw T-shirt dat zacht door het water gekneed wordt. Met dat shirt fiets ik zomers in mijn bergen, van de ene top naar de andere en weer terug, dan wappert het om mijn lijf en is bijna net zo vrij als mijn ziel. ’s Winters zit het verscholen onder een trui, aan banden gelegd, beschermd tegen de kou, de innerlijke kou, ver van de vrijheid, evenals mijn ziel. Ik wacht.

Buiten tegen het raam hangt een zwarte schaamhaar in een stoffig spinnenweb, de spin is vertrokken, dat zou ik ook doen als ik hem was. Alhoewel. Het is een groot web, er is plaats genoeg voor een spin en een schaamhaar, er zouden eventueel zelfs nog wat schaamharen bij kunnen. Bovendien sluit ik niet uit dat een schaamhaar een zekere aantrekkingskracht heeft op vliegen en ander spinnenvoedsel, de schaamhaar als aanwinst, als lokkertje. Ging de spin weg voordat of nadat er een schaamhaar zijn huis binnendrong? Ik wacht.

In de holte van de droogbakker springt een beige jurkje, op en neer, tussen de gloeiende grijze wanden. Het kolkt en stoomt, rammelt en dampt. De geschiedenis van het jurkje ken ik niet, de beige stof is mij vreemd. Wellicht heeft het delen van de wereld gezien waar ik nooit zal komen, of is het door handen gestreeld die ik nooit zal voelen. Misschien zijn er dranken op gemorst die ik nooit zal drinken en foto’s van gemaakt die ik nooit zal zien. Is de persoon die het draagt gelukkig? Het jurkje is in ieder geval droog, al zeker een kwartier, maar het blijft dansen voor de droogbakker, de eigenaresse komt het niet verlossen uit zijn grommende binnenste. Het jurkje wordt dunner, droger en dunner. Ik wacht.

Achter het glaasje gaat het er nu hard aan toe, gorgelend worden sloten water afgevoerd, van sop is geen sprake meer en van vuil al helemaal niet, als het goed is. Of ik te doen heb met een eens witte sok of met een aan banden gelegd blauw shirt is moeilijk te zeggen, ze krijgen allemaal dezelfde ruige behandeling, onderscheid is overal, behalve hier. Het draait linksom en klapt naar beneden, rechtsom en blijft liggen. Het lampje knipt groen, het deurtje mag open, de was in de tas, in de rij voor de droogbakker, er is nog één jurkje voor u. Ik wacht.

Buiten onder het raam staat een lamp met een bult grofvuil aan haar voet, een lamp met een ronde kap van bordeauxrood stof. Wiens ruimte heeft ze verlicht, voor hoelang? Waarom staat ze nu op straat? Voldeed ze niet meer, bleef ze zich hullen in duisternis? Ik zou haar binnen kunnen laten, een tweede leven kunnen geven, maar het is me licht genoeg. Vooralsnog. Ik wacht.

Het jurkje draait al vijf kwartier onafgebroken en ik weet niet wat te doen. Als het mijn jurkje was zou ik niet willen dat vreemde handen het uit de warmte trokken, om het later aan te moeten treffen op de tafel vol poederkorrels en verlaten sokken. Maar als het mijn jurkje was, dan had ik het 45 minuten geleden al van de droogbakker ontdaan. Al was het maar om plaats te maken voor de vezels na mij, al was het maar om de kilowatts niet onnodig uit mijn handen te doen glippen. Toch zal de eigenaresse al wel bijna komen nu. Ik wacht.

De zwarte schaamhaar trilt in de wind, zou ze zich losmaken uit het web, haar reis voortzetten, verdergaan met zwerven, met alle winden meewaaien, voortgestuwd door het lot? Ik tril met haar mee. Verwachtingsvol. Maar het ziet ernaar uit dat ze onder de plak zit, een plak die haar vasthoudt en belemmerd, die haar de vrijheid ontzegt. Het moet stormen voordat ze gaat. Nu kan ze alleen trillen. Ik tril met haar mee. Peinzend. Mijn beurt is gekomen, ik pak het heft en het jurkje in handen. Ik wil me niet voelen als een trillende schaamhaar in een stoffig web, ik wil niet wachten op de storm. De tijd is rijp, ik ook. Ik wacht niet meer.

I'm fine.

donderdag 5 februari 2009 16:47
Vandaag hadden de nieuwe mensen afgesproken met de huidige eigenaren van het huis, Mike en Alice, ze gingen het voorlopig koopcontract tekenen bij de notaris, maar eerst dronken ze samen koffie in het huis. De eerste koffie in hun nieuwe huis. De mensen hadden een pakje koekjes meegenomen, maar Mike hoefde niet, I'm fine, zei hij en stak een peuk op.

Alice en Mike waren enkele jaren geleden in de regio neergestreken, Alice wilde een school opzetten voor Engelse kinderen en Mike wilde gaan klussen. Beide waren het Frans niet machtig, maar dat moest geen probleem zijn, er woonden zoveel Britten in deze streek. Na een jaar was de school van Alice er nog niet en ook de bestaande scholen hadden geen interesse in een Engelse juf, ze besloot zich dan maar weer te richten op de Britse markt en trok zolang in bij Mike's moeder. Mike daarentegen had wat werkjes hier en daar, zwart uiteraard, maar hij verdiende er niet genoeg mee om het huis te kunnen houden, hij wilde kleiner gaan wonen en bracht het huis onder bij wat Engelse makelaars. Dat was oké, zo ging dat gewoon, daar maakte hij verder geen sentimentele kwestie van.

Alice had het wat moeilijker met de verkoop van het huis. Ze waren er twee jaar geleden in getrouwd, zomers in de tuin, alle Britten uit de omgeving waren op het feest gekomen, het was groots geweest, er werd nu nog over gesproken. Laat in de middag van de day after, toen Mike ontwaakte en met zware hoofdpijn en lichte tegenzin de luiken opende, had de hele tuin vol gelegen met slingers, doorgezakte stoelen, omgevallen barbecues, wijntonnetjes, scheefgezakte partytenten en platte bierblikken. Nog door de alcohol verdoofd had hij vanuit het raam op de eerste verdieping wel een uur naar de hectare rommel zitten staren. Af en toe meende hij tussen de bomen naast het huis nog een echo van een gelukskreet te horen, of was het in zijn hoofd? Hij had de luiken weer gesloten en was terug in bed gezakt. Wat een feest.

Toen ze enkele dagen na het huwelijksfestijn dan toch echt hersteld waren en ze herinneringen ophalend als echtgenote en echtgenoot over het verstilde feestterrein liepen, had daar ineens een fornuis gestaan, tussen de opengescheurde zakken barbecuekolen en de scheve tafel waar Mike door zijn vrienden was opgeslingerd tijdens een polonaise. Een fornuis. Het fornuis. De Boretti. Dat dure fornuis dat ze cadeau hadden gekregen. Hun huwelijkscadeau stond zomaar buiten tussen de rotzooi, ze waren het helemaal vergeten, het trouwfornuis, de Boretti, gelukkig had het de afgelopen dagen niet geregend.

Ja, Alice had het er moeilijk mee om haar huwelijkshuis te verlaten, maar het fornuis ging mee, dat was al iets. Mike had wat interessante experimenten in en om het huis lopen, een wekpot gevuld met water en wijnkurken bijvoorbeeld en in één van de schuren hingen halve pingpongballen aan blauw elektriciteitsdraad. De mensen waren benieuwd of hij deze projecten in de verhuizing zou betrekken, ergens hoopten ze van wel. Ze boden hem nog een koekje aan, I'm fine, zei hij weer en draaide nog een peuk.

Mike ging geregeld naar Mum in Engeland, maar nooit langer dan een week, daarna kwam hij weer naar the continent, als de mensen wilden kon hij het schuurdak wel vervangen, daar kende hij wel wat mannetjes voor die hem daarbij konden helpen. Hij zou wel een offerte opstellen, maar eerst moest hij de houtkachel nog installeren, voor de winter en er lagen enkele pannen scheef op het dak van het huis zelf, die zou hij nog even recht leggen. Alles kwam helemaal goed, zei Mike opgewekt en hij liep naar buiten om voor het keukenraam dromerig over zijn land te kijken, voordat de verkoop definitief vastgelegd zou worden.

Het was een mooie zomerse dag, de nieuwe mensen zaten aan de koffie in hun nieuwe keuken, Alice at koekjes en Mike was fine, beter had het niet kunnen zijn.

Gestorven Amaryllis.

dinsdag 3 februari 2009 15:13
Mijn Amaryllis is verzopen, ik bedoel, ik heb mijn Amaryllis vermoord, zoveel liefdevolle aandacht gegeven dat ze kopje onder gegaan is, letterlijk. Ik ben zwaar ontdaan, dat kunt u begrijpen.

Ik kende haar al van toen ze nog een baby’tje was en ze rustig lag te slapen in de koele aarde die als een bruine deken om haar bolletje lag. Ik weet nog hoe opgetogen ik was toen ze haar eerste stap zette en haar lichtgroene vingertop liet zien, deze groeide langzaam maar zeker uit tot een ware bengel. Mensen die op visite kwamen riepen standaard, ‘Ooh, ze groeit als kool’ en ik stond dan naast haar te glunderen als een trotse moeder. Ik had mijn mond vol van mijn Amaryllis en deelde mijn geluk met iedereen die het maar horen wilde en als ze het niet meer wilden horen, veinsde ik diepe gekrenktheid en deed er nog een schepje bovenop.

Op een gegeven moment kwam mijn Amaryllis in de pubertijd en trok ze de verhoudingen in twijfel. Ze wilde met van alles experimenteren en als ik een blikje bier opentrok ging ze zitten pruilen in haar pot, dan ritselde ze dat ze ook een slokje wilde, eentje maar en dat ze dat best aankon. Alles goed en wel, maar na dat ene slokje wilde ze er nog één en nog één en aan het einde van de avond was het blikje leeg en was ze zelfs alweer aan een volgende begonnen. Ik voelde me een slechte moeder, ik nam mijn positie niet in, ik schoot tekort, met de dag voelde ik me schuldiger, straks kweekte ik haar op als een loser die zich niet kon redden in de maatschappij. Hoe kon ik ook anders, als alleenstaande moeder.
 
Gelukkig kwam het ondanks alles toch nog goed en werd mijn Amaryllis een mooie bloem met vier stevige kelken. Ook onze relatie herstelde zich, ik zal het moment nooit vergeten dat ze kameraadschappelijk stuifmeel op mijn neus smeerde toen ik me naar haar toeboog. Snel daarna takelde ze echter af en ging ze bij de pakken neer zitten, ze liet haar schouders hangen, af en toe biggelde er een traan en als ik de gordijnen ’s morgens opendeed zag je haar denken ‘alweer een dag, alweer een doelloze dag met hetzelfde uitzicht als gisteren’. Ik probeerde haar op te monteren en gaf haar dagelijks oploskoffie, lekkere sterke. Ik meende dat dit wel zou functioneren als antidepressivum, maar het bleek te werken als een groeihormoon, daar kon ik me wel bij neerleggen, ze zou de mooiste Amaryllis van mijn hele banlieue worden en haar schoonheid zou haar d‘r zelfrespect teruggeven.

Even leek het erop dat de koffie het gewenste effect had en alles op zou lossen, ze richtte zich wat op en maakte weer plannen voor de toekomst. Tot ik vorige week thuiskwam en merkte dat er allemaal gele vlekken op haar armen zaten. Snel legde ik een kruik aan haar voeten en deed ik haar een das om, maar enkele dagen later had geel van groen gewonnen en hielp zelfs geen bier meer om de aftakeling terug te draaien. We sloten elkaar een laatste keer in de armen en Amarilly verhuisde voorgoed naar de bloemenhemel. Het einde van een mooie tijd. We liepen synchroon, mijn Amaryllis en ik, soms voelde ze zich ontworteld, ik ook, soms stond ze met beide voeten op de grond, ik ook, of ze voelde nattigheid, zo ook ik. We hebben altijd veel gedeeld, mijn Amaryllis en ik en ze heeft me bijgestaan in zowel de goede als de minder goede tijden. Nu is dat alles voorbij.

Mijn flatgenote Kim gaf me zonet in gebrekkig Frans te kennen dat ze mijn verdriet niet begreep, omdat ik toch gewoon een andere Amaryllis kon kopen. Even later kwam ze aanzetten met een advertentie van de Lidl, ‘alle bollen halve prijs’, kopte die. Hoe durfde ze me dat voor te stellen, terwijl ik nog maar net aan mijn rouwproces begonnen ben. Alsof Amaryllissen inwisselbaar zijn en ik van de ene Amaryllis zomaar naar een andere kan gaan, waar heeft de jeugd toch het respect gelaten.

Kent u overigens dat verhaal van die schrijver die niet weet waarover hij schrijven zal en dan maar bedenkt dat zijn kat overleden is? Je lezers in het ootje nemen, dat moet je maar net kunnen, bovendien heb ik geen kat, wel een Amaryllis. Nog steeds.

Lachende oogcontactdag.

zondag 1 februari 2009 14:55
Morgen is het de dag van het lachende oogcontact, althans mijn dag van het lachende oogcontact, zoals elke eerste maandag van de maand. Maandag is voor veel mensen niet de meest prettige dag van de week. Zondagavond wordt er meer gedronken en de meeste hartaanvallen vinden plaats op maandagmorgen, dit allemaal omdat er weer een hele werkweek van verplichtingen en stress in het verschiet ligt en die week begint op maandag. Maandag is daarom een dag die veel mensen het liefst over zouden slaan en daarom houd ik elke eerste maandag van de maand de dag van het lachende oogcontact, om de gepijnigde zielen wat te verlichten en de te hoge bloeddruk wat te laten dalen. Je moet ergens beginnen.

Eigenlijk is het heel simpel, er hoeven geen symposia georganiseerd te worden, of grootscheepse campagnes van start te gaan, de dag van het lachende oogcontact is iets wat je op individuele basis kunt doen, moet doen en bestaat eruit dat je bewust oogcontact maakt met bekende, dan wel onbekende mensen, uiteraard met een positieve inslag en wat is daarvoor duidelijker dan de lach.

De invoering van de dag ligt enkele jaren terug, toen ik een boek las van een Fransman die verhaalde over turbulente zaken in zijn leven, zaken die deels bekend waren bij het grote publiek, criminele zaken waarvan hij verdacht werd en de twijfelachtige, excessieve persoonlijkheid die hem daardoor werd toegedicht door de media. Het boek was een aanklacht in autobiografische vorm, een aanklacht tegen alle mensen door wie hij zich onbegrepen voelde en dat was hij door bijna iedereen. Het onbegrip was al begonnen toen zijn Joodse vader vanuit bezet gebied naar Frankrijk vluchtte en daar een andere vrouw ontmoette. Ook op school werd hij niet begrepen en later, als volwassene, werden zijn activiteiten eveneens volstrekt verkeerd uitgelegd.

Bladzijde na bladzijde was volgeschreven door iemand die zich al zijn hele leven slachtoffer voelde en die zijn, soms radicale, gedrag goed probeerde te praten, om letter voor letter begrepen te worden, zo leek het. Op een gegeven moment gingen zijn egocentrische gedrag en zijn ongerelativeerde denktrant me de keel uithangen en heb ik het boek onuitgelezen teruggebracht naar de bibliotheek. Eén ding is me echter altijd bijgebleven en wel dat deze man zich zo enorm eenzaam voelde dat hij erin stikte, er was slechts één gelukkig moment te vinden in het boek en dat is als een onbekende vrouw in de metro naar hem lacht. Voelde hij zich eindelijk door iemand gezien, vatte hij haar lach op als begrip voor hem? En als hij nou vaker zoiets ervaren had, zou hij dan gelukkiger geweest zijn? Het is een kwestie die me nooit losgelaten heeft en sindsdien schenk ik aandacht aan de impact van het lachende oogcontact.

Nergens zoveel onbekende en gestreste mensen als in Parijs, dus ik kan rekenen op een enorme doelgroep. Van eerdere keren weet ik me te herinneren dat de meeste mensen snel wegkeken en deden alsof ze het niet hadden gezien. Sommige mensen ervoeren mijn blik als intimiderend en keken lichtelijk benauwd tot uitgesproken hatelijk. De categorie slenteraar was meer bevattelijk voor mijn blik en riep me dingen na om het contact te verlengen. De weinige personen die het lachende oogcontact leken te waarderen, waren mensen die zoveel binnenpretjes te verwerken hadden dat hun ogen glommen van de lachtranen. Wij begrepen elkaar helemaal, daarover was geen twijfel mogelijk en stuk voor stuk is hun lachende blik me bijgebleven, alsof het een deeltje van mijn ziel warm houdt in koele tijden.

Misschien ben ik wel de enige die werkelijk gebaat is bij de dag van het lachende oogcontact, bedacht ik me toen, maar morgen is het weer zover, doet u mee?

Rondje Parijs.

vrijdag 30 januari 2009 18:59
Het is mooi zonnig weer de laatste dagen, tijd voor een rondje door de stad. Ik toog op mijn fiets en reed naar de Seine, waarom nou de Seine, ik weet het niet precies, misschien omdat je van daaruit alle kanten op kunt. De Seine dus, en daarna ging ik naar het noorden.

Op de Boulevard de Sébastopol grenzen tientallen kantoortjes aan de stoep, waarin vrouwen voor het raam overwegend verveeld naar buiten staren. Het is dat ze mantelpakken dragen anders zou je kunnen denken dat je in de rode zone terecht gekomen bent. Hoeven die daar alleen te zitten en verder niks? Eentje maakt het wel heel bont, die kijkt niet alleen naar het verkeer dat langskomt, maar vijlt ondertussen ook haar nagels. Ik sta voor rood en wuif naar haar, ik wil ook wel eens lachen en ben benieuwd hoe ze reageert. Eerst ziet ze me niet, dus zwaai ik nog maar eens, nu een beetje expressiever. Met glazige ogen kijkt ze me aan, maar laat verder haar vijl geen moment rusten. Blijkbaar is ze niet gevoelig voor gewuif, wellicht wordt ze dagelijks meerdere malen toegewuifd door mensen die denken origineel te zijn en ook wel eens willen lachen. Flauw.
 
Op de Boulevard de Strasbourg zijn alle telefooncabines bezet, door mannen met leren jasjes. Niet dat ze van het toestel gebruik maken, ze staan er met hun mobiel tegen het oor. Misschien profiteren ze van de relatieve rust in het hokje, het is wachten op de eerste cabines met dubbele beglazing. Verderop staat een zwarte gepantserde four-wheel drive met getint glas half op de weg geparkeerd, een man, type gangsterrapper, brengt dozen kleurspoeling en gezichtscrème naar één van de Black is beautiful-kapsalons. Ik heb het Gare de l'Est nog niet bereikt of een kastanjebruine lok nephaar heeft zich tussen de spaken van mijn fiets genesteld. Beautiful.

Op de Boulevard Magenta staan overal koel kijkende mannen in de deuropening van hun winkel in trouwkleding. Er zijn geen potentiële echtparen, wel wat groepjes Amerikaanse vrouwen die zich vergapen aan de vitrines en giebelen over de associaties die de jurken bij hen oproepen. ‘Hey Cathy, look', krijst er eentje met een groot fototoestel om de nek, ‘dat is een mooie voor als je met die luggage porter gaat trouwen.' Cathy wordt helemaal rood, maar moet van haar vriendinnen toch echt met de jurk op de foto. Romantisch.

Op de Boulevard de Rochechouart probeert een jongeman zo hoog mogelijk affiches op de al volgeplakte gevel te plakken. Daarvoor heeft hij een bezem aan een hele lange gele buis, een prachtig gereedschap, behalve als er continu mensen achter je over de stoep lopen. De aanplakker stoot met zijn buis bijna een kindje uit een buggy, de moeder murmelt wat. Niet veel later rijd ik bijna een vrouw omver die zonder om zich heen te kijken het fietspad oversteekt, ze schrikt zich het apenzuur en murmelt wat, ik ook. Passief.

Op de Boulevard de Clichy zie ik mijn oud-collega Houcine lopen, jaren geleden, toen we in hetzelfde hotel werkten, was hij net getrouwd met een Franse vrouw, die ergens ver van Parijs woonde. Hij had haar leren kennen via een datingprogramma op de Tunesische televisie en was vrijwel direct daarna naar Parijs gekomen, waar hij een kamer deelde met zijn broer. In het hotel begon hij als nachtwaker, klom al snel op tot receptionist en kort voordat ik daar wegging werd hij assistent-manager van de receptie. Een echte doorzetter, het zou mij niet verbazen als hij inmiddels receptiechef zou zijn. Houcine loopt haastig over de stoep, met een verbeten trek om zijn mond en een licht wanhopige blik, hij ziet eruit alsof hij net slecht nieuws gehoord heeft, ik besluit hem maar niet aan te spreken. Laf.

Op de Rue d'Amsterdam scheur ik naar beneden, op de Madeleine aan, nog drie kwartier en ik ben weer thuis, eigenlijk is Parijs maar een stadje.

Wenkende paraplu.

woensdag 28 januari 2009 16:12
Hoe deden mensen dat toch toen er nog geen mobiele telefoons waren, werd er meer in neuzen gepeuterd als ze even moesten wachten, waren mensen zelfredzamer omdat ze geen op te trommelen telefooncoach hadden die ze bij kon staan in momenten van twijfel, voelden ze zich eenzamer zo zonder telefoon waarin ze kunnen praten om de leegte tussen de ene afspraak en de andere te vullen, waren mensen onzekerder, angstiger, eenzamer, verveelder? Ik vraag het me regelmatig af, afgelopen week nog, toen ik op de trappen van sport- en muziekparadijs Bercy stond te wachten totdat de poorten open zouden gaan.

Ik was niet de enige wachtende, er stonden al honderden mensen en daar kwamen in korte tijd nog eens enkele duizenden bij. Tegen vijven meldden de laatkomers zich en de ene na de andere mobiele telefoon ging, waarna de ene na de andere haardos zich reikhalzend boven de menigte probeerde uit te steken. ‘Welke kleren heb je aan’, toeterde het rechts van me, ‘ik zie je niet, zie je mij wel, ik sta op de bovenste trede, ik wuif nu met mijn linker hand.’ Even verderop ging een muts de lucht in, ‘ik gooi nu mijn muts’, gilde het daaronder, ‘zag je hem?’ De muts kwam terecht op de schouder van een lange kerel in een rode jas die er verwoed mee ging zwaaien. ‘Zie je die rode man zwaaien met mijn muts’, tetterde het nu, ‘daar sta ik naast!’ Gezien zijn lengte gingen meer mensen refereren aan de kerel met de rode jas, ‘ik sta zes meter achter die rode man, zie je me?’

Er gingen alsmaar meer mensen zwaaien in de menigte en wachtenden beneden aan de trap gingen voor de grap terugzwaaien, op een gegeven moment stonden duizenden mensen naar elkaar te zwaaien. Een mevrouw stak toen maar haar paraplu de lucht in, omdat haar echtgenoot beneden niet meer wist naar welke zwaaier hij toe moest klimmen. Het voorbeeld werd al snel gevolgd en verschillende paraplus moesten er aan te pas komen om mensen te herenigen. Hier en daar werd gejuicht als een paraplu weer werd ingeklapt, de missie was bereikt, de mensen hadden elkaar gevonden.
 
Voor me zette een vrouw de hoed van haar man op de punt van haar paraplu en de hele zaak werd boven de massa verheven. ‘Daar is ze’, schreeuwde haar man, en hij wees naar een jonge vrouw die iets aan haar oor drukte en op haar beurt met concertkaartjes wapperde. ‘Oh’, zei z’n vrouw, terwijl ze op de puntjes van haar tenen stond, ‘rookt Mireille weer, wist jij dat, ze was toch gestopt?’ Mireille worstelde zich ondertussen met haar peuk door de mensen, naar de hoed van haar vader, ‘ik hang op hoor’, riep papa in zijn telefoon, ‘je bent er al bijna, je raccroche, hein’, maar daarna ging hij net zo lang door met ciao en au revoir roepen, totdat hij zijn dochter in de armen kon sluiten. De paraplu kon weer zakken en de hoed mocht weer op.

Achter me drukte een dikke man zijn buik in mijn rug, terwijl hij luidruchtig aan zijn telefoon liet weten dat hij plaatsen bezet zou houden voor de vrienden die er nog niet waren. Deze boodschap herhaalde hij een paar keer luid, de omstanders moesten niet denken dat hij alleen was, dat hij geen vrienden kon krijgen. Naast me stond een vrouw druk te sms’en en haar vriendin stond ondertussen foto’s te maken met haar telefoon.

Hoe dat ging toen er nog geen mobiele telefoons waren? Geen idee, maar over een aantal jaren heeft iedereen gewoon een chip in zijn lichaam. Je hoeft dan alleen je chipnummer nog in je telefoon te schreeuwen of deze te sms’en, eventueel al van te voren, zodat de ander het nummer in kan typen op zijn GPS en alleen maar op het schermpje hoeft te kijken om te weten waar je je precies bevindt. Over een aantal jaren vragen we ons af hoe dat toch ging, toen mensen nog geen chip in hun lichaam hadden. De paraplu kan dan thuis blijven. Behalve als het regent.

De laatste metro.

maandag 26 januari 2009 22:35
Afgelopen week nam ik steeds de laatste metro van Parijs naar mijn banlieue, in mijn geval vertrok die om één uur ’s nachts vanaf Châtelet. Gedurende een half uur rijd je dan van het ene uitgestorven station naar het andere en elke keer dat de metro binnenrijdt, wordt er omgeroepen dat het de laatste is en dat men wordt verzocht het station te verlaten. Dit hoeft geen twee keer gezegd te worden, want op de wat grotere stations staan de groepjes blauwe mannen met honden en walkietalkies al gereed. Op mijn station stapten zes mensen uit, die bij de hel verlichte toegangspoortjes werden ontvangen door een tiental mannen met schijnwerpers en fluorescerende jassen. De laatste metro, het heeft wel wat.

Mijn halte ligt in een gat en mijn huis ligt op de flattenberg, dus dat is nog een hele klim over de ontvolkte straten. Een mooi moment om te profiteren van de stilte en de frisse nachtlucht, het briesje hoog in de bomen, het gorgelende water van de fontein in de tuin van de psychiater, het zware gebrom van een vliegtuig verheven boven de aarde en het getik van mijn kordate stappen op het versleten asfalt. Al luisterend werd de rust ineens verstoord door een vogel, die deed alsof de zon volop scheen door uit volle borst te zingen.

De eerste nacht was ik verbaasd en verrukt over zoveel daadkracht. De tweede nacht liet ik me wederom verrassen en maakte ik me zorgen over de performance van het diertje overdag, hij zou toch niet dag en nacht zo kunnen zingen? De derde nacht was ik bezorgd over de nachtrust van de omwonenden. De vierde nacht liet de nachtzanger zich tot mijn verbazing en lichte teleurstelling niet horen, wel weekte zich achter me een schim van de gevel los. Ik zag hem in een flits, toen ik geroutineerd achter me keek en voelde zijn ogen gloeien op mijn rug.

Ik wist maar al te goed dat een vrouw die om half twee ’s nachts alleen door een banlieue struint risico loopt. Ik wist maar al te goed dat een man die zich rond die tijd losmaakt van een gevel om achter de vrouw aan te lopen gevaar betekent. Maar het weten alleen garandeerde geen behouden thuiskomst. De schim was een stuk sneller dan ik en liep nu nog geen vijftig meter achter me, wat zou ik doen, zou ik gaan rennen, maar wegrennen zou aangeven dat ik bang voor hem was en de straat liep op, hij zou me vast zo inhalen, liet ik maar koel blijven en doen alsof ik geen angst kende.

Ik stak de straat over, hij ook, ik zag zijn schaduw, die kwam dichterbij, moest ik hem blijven negeren, doen alsof ik hem niet zag, of moest ik juist kenbaar maken hem gezien te hebben. Ik kantelde mijn hoofd en wierp de schim een snelle blik toe, het was een magere jongeman in een hagelwit trainingsjasje, hij was iets groter dan ik en had een koptelefoon scheef op zijn gemillimeterde blonde kruin staan. Zijn gezichtsuitdrukking had ik zo snel niet kunnen zien, maar daar kreeg ik al snel een antwoord op toen hij naast me kwam lopen en vroeg hoe het met me ging.

Moest ik meegaan in deze ongeloofwaardige hoffelijkheid, doen alsof het normaal was dat hij me aansprak, hem gelijkwaardig behandelen, geen negatieve signalen afgeven. Of moest ik hem bewust negeren, afhoudend zijn, hem op zijn plaats wijzen en hem boze blikken toewerpen om kenbaar te maken dat ik niet op zijn contact zat te wachten. Hij had een opgefokte houding, alsof hij onder spanning stond en deze elk moment kon ontladen, op mij. Hoe zou hij straks reageren, wanneer zou de gemaakte vriendelijkheid omslaan in agressie en hoe speelde ik daarop in. Of vormde hij eigenlijk helemaal geen gevaar, was mijn kijk zo door de duisternis en het late uur gekleurd dat ik zijn houding onterecht als intimiderend ervoer.

Ça va en u, zei ik neutraal, wel goed, antwoordde hij, behalve dan dat er niemand meer op straat is, en toen lachte hij zijn tanden bloot, rechte, grijze tanden, onwerkelijk grijze tanden voor zo’n jong mens. Nog honderd meter dan kon ik links afslaan, het woonerf op, hopelijk ging hij niet mee. Liet ik maar doen alsof ik rechtdoor ging en pas op het laatste moment afslaan. Deze strategie leek even te slagen, hij bleef een moment vertwijfeld onder de overkapping staan, maar toen wilde hij me terug, hij stelde voor iets te gaan drinken, ik bedankte en versnelde mijn pas. Nu werd de jongeman boos, hij sprak zijn woorden steeds nadrukkelijker uit, schreeuwde ze bijna. Zou ik alvast maar om hulp gaan roepen, of het laatste stuk naar mijn flat dan toch gaan rennen. Hij bleef staan, de schim, hij was geïrriteerd, maar bleef staan. Ik snelde mijn flat binnen en probeerde de zwakverlichte hal en de hier heersende stilte niet als bedreigend te voelen. De laatste metro, het heeft wel wat, maar als je alleen bent neem dan een taxi.

Vals alarm.

zaterdag 24 januari 2009 21:13
Kent u dat, de combinatie van autotoeter en mobieltje, half drie ’s nachts en dan ook nog eens vijf keer achterelkaar bellen? Na vannacht weet ik precies waar ik het over heb. Ik had net de man van mijn leven ontmoet en belde hem op om voor te stellen maar direct aan nageslacht te gaan werken, toen ik aan het lijntje werd gehouden door zijn auto, ik bedoel, dat er op de parkeerplaats beneden een auto zo luid en ritmisch begon te toeteren, dat ik wakker werd en besefte dat de man van mijn dromen was blijven steken. En dat niet alleen. Ik was amper van de teleurstelling bekomen of de auto werd alweer gebeld in de daarvoor zo stille nacht.

Nu zou ik kunnen vertellen dat het de auto was van Patrick’s vader, die van de Franse Tokkiefamilie die hier vlakbij woont en al maanden de buurt onveilig maakt. Dat papa diezelfde nacht nog met de auto aan was komen rijden in beschonken toestand en dat hij zijn huissleutels vergeten was, zodat hij eerst zijn vrouw wakker moest schreeuwen vanaf de parkeerplaats en dat zij haar man snauwend de sleutels toewierp vanuit het raam vier hoog. Waarna hij haar uitschold voor gerookte makreel (maquereau fumé) en bijna over zijn eigen voeten struikelde toen hij naar het voorportaal van de flat liep. Ik zou daarna alweer ingedommeld zijn, totdat de auto werd gebeld.

Ook zou ik kunnen schrijven dat toen het belalarm voor de derde keer afging, er overal ramen opengingen van de flats rond de parkeerplaats en er een geïrriteerd gemurmel te horen was. Een wat onwerkelijk en dierlijk geluid dat aanzwol naarmate er meer bewoners bij hun raam kwamen staan. Gemurmel van mensen die tot hun ergernis wakker geschud waren door het getoeter en nu hangend uit het raam hun ontstemdheid uitten. Het murmelde van alle kanten en er ontstonden zelfs gesprekken waarin de murmelaars zich bij elkaar beklaagden over zoveel onbeschoft gedrag.

De gedeelde irritatie creëerde saamhorigheid en er werden hier en daar 06-nummers uitgewisseld en beloftes gemaakt om de volgende morgen bij elkaar koffie te komen drinken. Er werden nog net geen handen geschud, want dat zou een beetje moeilijk gaan zo hangende uit het raam, maar hier werden vriendschappen voor het leven gesloten, dat kon je wel zien. De geïrriteerde lading was van het gemurmel af en er gingen alweer wat ramen dicht. Totdat de auto voor de vierde keer een reeks bellen door de buurt toeterde, toen ging het gemurmel over op woedend geschreeuw.

In de donkere nacht zag ik Kim gevaarlijk uit haar raam hangen, maar voordat ik haar had kunnen waarschuwen moest ik snel mijn hoofd terugtrekken, omdat er iets naar beneden kwam vanaf de elfde verdieping. Ik kon zo snel niet zien wat het was, wel zag ik, toen ik mijn plaats bij het raam weer had ingenomen, dat Ming en Lili om de beurt handjes rijst naar de auto wierpen. Ongekookte rijst welteverstaan. Lang had ik niet om me hierover te verbazen, want vanuit de seniorenflat tegenover ons werden koffiekopjes richting de auto gelanceerd. Er klonk een luid gejuich uit vele geïrriteerde kelen toen een kopje uit elkaar spatte op het autodak en het gejuich veranderde in bijtend gelach toen een projectiel uit een ander raam de voorruit aan barrels sloeg, net op het moment dat de wagen voor de vijfde keer opgetoeterd werd. Raamhangers van de ene flat moedigden die van de andere flat aan om hun woede te uiten en langzaam maar zeker veranderde de auto in een berg spullen waar een interieurarchitect nog wel wat van zou kunnen maken. De politiesirenes in de verte maakten een einde aan het buurtspektakel, alle ramen werden eensgezind gesloten en iedereen verschool zich verheugd achter de gordijnen om te kijken wat er gebeuren ging.

Dat had ik allemaal kunnen schrijven.
Toch doe ik dat niet, want het gebeurde niet. Ik lag gewoon rustig in bed en wachtte tot het getoeter ophield, evenals alle honderden andere gewekte bewoners van de flattenberg in mijn banlieue. Wel zo netjes dat ik u niet zomaar wat op de mouw speld.

Roddelende macht.

donderdag 22 januari 2009 20:03
De eerste keer dat de nieuwe mensen het kantoortje binnenkwamen, had ze net taart gegeten. De vieze borden stonden er nog, op de stoel aan de andere kant van het ene bureau, daar waar anders de bezoeker zou kunnen zitten, maar dat kon nu niet, want kort tevoren was dus blijkbaar iemand met een taart aan komen zetten. Eentje met banketbakkersroom zo te zien, de gele crème zat nog op haar kin. Er waren nòg drie stoelen in het kamertje, waarvan er twee duidelijk voor haar waren. Die waren modern, die konden draaien en omhoog en omlaag met een hendeltje. De vierde stoel lag vol afvalkalenders en gouden gidsen uit 2005. Dus bleven ze staan, de nieuwe mensen, bij één van de twee bureaus, niet die waar de computer op stond, maar die andere, die waarop allemaal paperassen lagen.

Ze reageerde eerst wat achterdochtig, afhoudend, maar toen ze hoorde dat de mensen graag in haar gemeente wilden komen wonen, begon ze welwillend te glimlachen en stelde ze zich voor als Madame Menotte Justine, gemeentesecretaris. De mensen wilden weten of er geen autoroute of andere grootscheepse veranderingen in de planning lagen vlakbij het huis dat ze wilden kopen. Om daar antwoord op te kunnen geven had Madame Menotte geen computer nodig, ‘er zal niks van die orde gebeuren in mijn gemeente’, zei ze stellig, ‘daar zorgt de burgemeester wel voor’, ze zweeg even en probeerde een vleugje trots te verbergen, ‘dat is mijn man.’ Dat hadden de mensen al op internet gezien en ze knikten vriendelijk.

‘U komt zeker uit Engeland’, stelde ze, ‘in deze regio zitten zowat meer Britten dan Fransen.’ Dat hadden de mensen gemerkt, het huis dat ze wilden kopen was zelfs van een Engelsman, Mike, en de makelaar was ook al Brits. ‘Miek?’, riep Madame Menotte, ‘gaat u het huis van Miek kopen? Dat is een leuk huis, een leuke buurt ook, met allemaal aardige mensen, nou ja, allemaal.’ Ze ging er even goed voor zitten, de armen over elkaar, het bovenlichaam samenzwerend naar de mensen toegebogen. ‘Wist u dat uw buurvrouw net gescheiden is? Ze woont nu met haar nieuwe vriend in het huis van haar man, maar ze werkt nog wel met haar ex hoor, ze hebben samen een kroeg in het dorp verderop.’ Ze keek de mensen veelzeggend aan en je zag haar wikken en wegen of ze er nog een schepje bovenop zou doen.

‘U kent de reputatie van Miek wel natuurlijk’, ging ze verder en omdat de mensen haar geïnteresseerd aan bleven kijken, keerde ze haar geopende mond naar het plafond en gooide daarin haar duim leeg. ‘Hij houdt wel van een slokje’, smiespelde ze, terwijl ze de nieuwe mensen één voor één doordringend aankeek. ‘Oh, maar alle Britten zijn zo, vous-savez’, hervatte Madame Menotte, ‘zomers trekken ze van barbecue naar gekostumeerd tuinfeest en terug, iedereen kent elkaar en allemaal hebben ze wel eens bij een ander in de heg gekotst.’ De nieuwe mensen hadden het niet meer van het lachen, wat een leuke gemeentesecretaris, het kantoortje met het oorlogsmonument voor de deur vulde zich met bulderlach. Dat kon de vrouw wel waarderen en toen de mensen weer bedaard waren ging ze verder. ‘Miek is hier nog nooit geweest en zijn jonge vriendin ook niet, maar ik ken ze wel hoor, ik ken iedereen van mijn gemeente’, ze zweeg even om de woorden tot hun recht te doen komen, de mensen moesten wel weten met wie ze van doen hadden, het was niet alleen bulderlach en saamhorigheid in haar kantoortje.

‘Heeft u al een notaris op het oog’, hervatte ze. ‘Ja, we dachten aan Monsieur Ferrat Félix’, zei de man, ‘ah, Maître Ferrat, doucement met hem hè, rustig aan, notarissen vous-savez’, ze blies haar wangen vol adem en schudde haar hoofd. De mensen knikten instemmend, ‘in Frankrijk heb je God, de president en dan de notaris’, zei de man. ‘En de vrouw van de burgemeester’, voegde Madame Menotte daar half ernstig aan toe. Ze gaven elkaar een hand en de nieuwe mensen liepen het stenen trappetje af richting hun auto, de volgende vakantie moesten ze maar een cadeautje uit Nederland meenemen voor hun gemeentesecretaris, een Madame Menotte kun je maar beter te vriend houden, vous-savez.

De kattenfeeder.

dinsdag 20 januari 2009 19:49
De meeste bewoners van mijn buurt zie je niet, je weet dat ze er zijn aangezien alle flats op de berg gevuld moeten zijn met mensen, honderden mensen, maar het merendeel zie je niet. Behalve als je een verrekijker pakt en daarmee de ramen aflikt, langs al die donkere gaten in het blikveld van de mijne. Dan gaat een wereld voor je open, dan bevind je je in huishoudens die voor anderen niet bestaan en maak je kennis met mensen die je anders nooit ziet. Althans dat denk ik, ik heb het nog nooit gedaan. Helaas, zou ik daar aan toe willen voegen, want ik verdiep me graag in andermans wereld, maar om dat met een verrekijker te doen schijnt not done te zijn, dus tot nu toe heb ik me daarvan weten te weerhouden.

Gelukkig zijn er enkele bewoners waar je geen verrekijker voor nodig hebt om ze te kunnen zien, Léo en Cacapoum bijvoorbeeld, die twee zijn altijd aan het scharrelen samen. Léo op badslippers en in een groezelige blauwe trui van nepwol waarin zijn buik zit vastgesnoerd. Cacapoum met zijn permanent openhangende bek waaruit wolkjes komen en die aan elke boom snuffelt om te controleren of hij zichzelf nog wel kan ruiken. Léo en Cacapoum dus.

Het rondje dat ze tweemaal daags door de buurt maken verloopt altijd volgens een vast patroon, eerst door het speeltuintje, waar Cacapoum zich kan ontlasten op het zand vlakbij de glijbaan. Dan langs de nieuwe parkeerplaats waar Cacapoum aandacht besteedt aan alle struikjes, hier is het ook dat Léo zijn omhoog gekropen trui weer naar beneden trekt en vervolgens glippen ze beide achter een eens zwarte Renault vijf die tegenwoordig wit ziet van de duivenpoep, de auto van Léo. Cacapoum wordt dan in de auto opgesloten, want als je Léo en de bescheten Renault in het blikveld van één oog kunt vangen, dan is het etenstijd, etenstijd voor de katten.

Léo heeft een steeds groter wordende groep zwerfkatten verzameld die twee keer per dag lekkere hapjes van hem krijgt en omdat niet alle bewoners de overmaat aan katten in hun buurt kunnen waarderen, voedt Léo ze discreet achter zijn auto, vanuit de kofferbak. De doelgroep van Léo wordt niet alleen steeds groter, maar ook steeds dikker, aangezien het niet alleen kattenbrokjes zijn wat de pot schaft, maar ook beenderen van braadkippen, stukken pizza, klodders paté, kwark en andere resten van een overvloedige en voedzame maaltijd.

Als de katten zich tegoed doen aan de bulten voedsel en de jaloerse Cacapoum zijn tanden geïrriteerd in de hoofdsteun van de passagiersstoel zet, dan schuurt Léo met zijn kruis over de achterlichten van zijn auto. Léo ziet zijn katten graag eten, zeg maar. Nu vind ik het allemaal best, maar ik ben wel eens bang voor de tijd na Léo, als zijn hart het op een gegeven moment niet meer aankan om dat logge lichaam steeds te verplaatsen of als zijn vaten breken. Wie zorgt dan voortaan voor al die katten, of regelt het zich vanzelf en trekt de groep naar een Léo in een andere buurt?

Vooralsnog maken Léo en Cacapoum trouw hun rondjes en hebben ze nog altijd een groeiend publiek. Ondertussen ben ik ergens wel blij dat het merendeel van de bewoners zich niet laat zien en hun bizarre gewoonten zodoende voor zichzelf houdt, want één Léo met één Cacapoum is mij wel genoeg. Ook al vind ik het idee dat er een kattenfeeder in onze buurt actief is een stuk prettiger dan dat als er een kattenmepper rond zou lopen, met of zonder verrekijker.

Het zou overigens best eens kunnen dat Léo fan is van Jacques Dutronc en zijn hond heeft vernoemd naar diens lied Merde in France

Preventieve verzamelaar.

zondag 18 januari 2009 15:58
Verzamelen geeft het leven kleur, een invulling, een doel. De gespannen tinteling in je bloed als je in een tweedehands platenwinkel voor een kratje vinyl knielt en je vingertoppen over de versleten kartonnen hoezen laat gaan, op zoek naar die ene. Of dat je geroutineerd maar verwachtingsvol alle rommelmarkten afstruint omdat er een kans is dat je daar vooroorlogse bierviltjes aantreft. Verzamelen betekent een sociaal netwerk, een status, een identiteit. Schilderijen, postzegels, modeltreinen, paperclips, ze geven allemaal op hun manier grip op het verleden, het heden of de toekomst.

Ik ben ook een bezield verzamelaar, mijn verzamelingen zijn echter van een hele andere orde dan die hierboven. Mijn collecties hebben meer met bewaren te maken, het moeilijk afstand doen van zaken. Zo staat er een lange rij shampooflessen in mijn kamer, met elk nog een restje erin. Ergens vind ik het decadent de flessen weg te gooien, maar ik ben tegelijkertijd te weinig gemotiveerd om ze nou eens echt leeg te maken. Hetzelfde geldt voor tandpastatubes en deorollers, dan kom je tenminste nooit zonder te zitten is het idee daarachter. Ook onderbroeken met gaten koester ik onderin mijn kast, je weet tenslotte maar nooit of iemand beneden je was uit de droger steelt, dan heb je altijd nog die versleten onderbroeken waar je op aan kunt. En dan heb ik het nog niet gehad over mijn verzameling afgedankte, maar toch bewaarde sokken. Oude tandenborstels, ook zo iets, die verdwijnen bij mij onder de wasbak, voor het geval ik schoenen ga poetsen. Poets ik dan zo vaak schoenen? Nee hoor, maar dat kan zomaar veranderen.

Soms vraag ik me wel eens wat af. Ben ik zo arm dat ik het moet hebben van restjes en rotzooi? Nee. Heb ik de oorlog meegemaakt? Ook niet. Voel ik mij een beter mens als ik zo min mogelijk verspil? Eigenlijk niet. Waarom omgeef ik me dan met dingen die objectief gezien onder afval vallen? Laten we het erop houden dat mijn verzameldrift genetisch bepaald is. Mijn grootmoeder legde de boterverpakkingen standaard in een keukenlade, zodat ze daar op een goede dag haar bakblikken mee in kon vetten. Mijn grootvader kreeg altijd jassen cadeau als hij een bestelling deed bij een postorderbedrijf, deze gingen rechtstreeks naar de garage voor als hij in de tuin ging werken. Ah, had hij groene vingers? Nou nee, mijn grootouders hadden een tuinman. Op een gegeven moment hingen er zoveel ongebruikte jassen in de garage, dat half Afrika voorzien had kunnen worden.

Mijn moeder had een periode dat ze de deksels van Camembertdoosjes spaarde, het hele gezin at meters stokbrood met Camembert weg, terwijl mijn moeder dagelijks de ene glimlachende pater na de andere in het winkelkarretje legde. Mijn vader heeft een tijd gehad dat hij geëmailleerde borden spaarde, geen gereconstrueerde reclameborden van Zeeuws Meisje, maar oude Franse ‘gebruiksborden’. Die zocht hij niet via de gangbare verzamelaarnetwerken, maar voornamelijk in bermen en aan palen. Dan zaten we in de zomer op een Franse gemeentecamping van ons stokbrood met Camembert te happen en dan kreeg mijn vader plots erg veel interesse voor een bord dat volgens hem niet meer gebruikt werd. Als we dan de volgende dag verder trokken, was ineens dat bord weg en zat mijn vader met een tevreden gezicht achter het stuur. Mijn moeder kon niet altijd instemmen met zijn verzamelmethode, maar de hele vakantie Camembert eten had natuurlijk een prijs en een goede relatie kan niet zonder compromis.

Zelf verzamelde ik destijds Franse vruchtenyoghurtpotjes in een oude supermarkttas, wat relatief veel plaats nam in de overvolle personenauto, maar als ik de tas tijdens het rijden op schoot hield mochten ze wel mee. Totdat mijn collectie zo zuur ging ruiken dat het alle overige gezinsleden teveel werd en ik op een morgen vast moest stellen dat mijn yoghurtpotjes verdwenen waren. Volgens mijn ouders was er die nacht een kabouter gekomen die had gevraagd of hij de potjes mee mocht nemen om er een kasteel van te bouwen en ze hadden gedacht dat ik dat wel goed zou vinden aangezien ik zo’n gul meisje was. Ik begon opnieuw met sparen, voor als de kabouter terug zou komen.

Bij nadere analyse waren mijn grootouders bewaarders in hart en nieren en hebben mijn ouders het tij proberen te keren door deze bewaardrang om te zetten in verzamelen. Waar ik eerst, met mijn yoghurtpotjes, nog een poging deed de beide categorieën te combineren, ben ik tegenwoordig helemaal omgeslagen naar de bewaarkant en wentel ik mij behaaglijk in regressie. Of ik mezelf wel eens uitlach, hoor ik u vragen, jazeker, lacht u mee?

Drôle de famille.

vrijdag 16 januari 2009 20:33
We moeten nog een familie hebben, opperde de man en hij schreef ‘familie’ op het lijstje nog aan te schaffen zaken. Oh, en wat zei je gister ook al weer, vroeg hij aan zijn vrouw, deze fronste peinzend haar wenkbrauwen en nam een trage slok van haar wijn. Ah, ik weet het weer, een tafeltje, om onze glazen op te zetten tijdens de borrel, riep ze even later, terwijl ze op de vloer voorzichtig een plek zocht voor haar glas.

De mensen waren nog maar enkele dagen in hun nieuwe huis en afgezien van een bed, twee wankele tuinstoelen en een paar kasten waren de ruimtes nog leeg. In de schuur hadden ze al wel wat spullen gevonden, waaronder twee schragen en een houten deur, die gezamenlijk goed bleken te dienen als tafel. Verder lag er een lang stuk staaldraad, wat erg van pas kwam, want de man ging steeds bijna door zijn stoel zover als de latten uit elkaar geschoven waren. Met deze min of meer essentiële zaken hield de vondst echter op en de boodschappenlijst werd langer en langer.

Lampen moesten ze ook kopen, want de vorige eigenaar had op één lamp na alles eruit gedraaid en zelfs hier en daar de fitting van het plafon geknipt. De eerste dag was dat geen probleem geweest, de mensen liepen bij duisternis met hun mijnwerkershelmen door het huis en toen de batterijen van de lampjes op waren, verhuisde het enige aanwezige peertje gewoon met de mensen mee. ‘Gaan we douchen, ik draai de lamp wel even in de badkamer, zullen we naar bed gaan, neem jij dan het licht mee?’ De mensen voelden zich net krakers die recentelijk een pand binnengedrongen waren en het moesten doen met de spullen die ze hadden aangetroffen.

Ja, en dus een familie, zei de man weer, want wat is een mens zonder familie. Nou, bracht de vrouw in, laten we eerst de noodzakelijke dingen maar kopen, dan denken we daarna wel aan een familie. De man leek niet overtuigd, maar ging toch maar akkoord. Zodoende werd de familie nog even uitgesteld. Totdat op zolder de kleding hing te drogen aan de nieuwe waslijn, het afwaswater dankzij een rubberen stop niet meer voortijdig wegliep, het stof in de hoeken van de verschillende ruimtes verlicht werd door 75 watt en er nog maar één woord op het lijstje stond dat niet was doorgestreept, toen kwam de man weer met zijn familie aandragen en dit keer kon de vrouw niet meer om ze heen.

De volgende ochtend gingen ze naar de Emmaüs in de stad. Langs de koelkasten en de wasmachines liepen ze het oude fabriekspand binnen. Eerst langs het servies dat soort bij soort stond te verstoffen op de planken, toen via het kinderspeelgoed naar de kleding, waar de vrouw drie broeken en een truitje paste, vervolgens klommen ze de stalen trap op richting de boeken en de Lp’s die daar in fruitkistjes rond een oude maalmachine stonden. Weer beneden ging de vrouw op zoek naar haar borreltafeltje en dook de man in de hoek met waardevolle objecten. Zijn ogen dwaalden door de ruimte, naar een rek met porseleinen sierborden, een koffer vol dof tafelzilver, een oud pistool met een loop van messing, een roestige wolvenklem, wat snuisterijen die door moesten gaan voor relikwieën en toen, toen zag hij zijn moeder staan. Ze verschuilde zich half achter een schilderij van een berglandschap en de man liep met grote passen op haar toe. Achter zijn moeder bleken zijn zusje en broertje stijf op een houten bank te zitten en verderop stond een streng kijkende oom in politie-uniform.

Terwijl hij vertedert over zijn familie gebogen stond, kwam er iemand naast hem staan die tot zijn schrik belangstellend naar z’n moeder keek. Hij wierp zijn meest vuile blik op die persoon en ging gejaagd verder met zoeken. Na een kwartier had de man zijn familie wel zo’n beetje compleet en liep hij naar de kassa om met ze af te rekenen. Veel kostten ze niet, gemiddeld nog geen zes euro per persoon, de prijs hing samen met de kwaliteit van de lijst, niet met hun karaktertrekken. Opgetogen bracht de man zijn familie naar huis. Zijn moeder kreeg een centrale plaats boven de houtkachel, zijn broertje en zusje mochten mee naar boven, de relatie met zijn oom was niet bijzonder goed, dus deze hing hij in het tochtige trapgat, de tante achter het spinwiel zette hij in de kamer en zijn opa van moederskant liet hij bij het keukenraam uitkijken over de tuin.

’s Avonds schonk de man de glazen vol op het nieuwe tafeltje en klonk hij met zijn vrouw op hun zwart-witte familie, ze voelden zich helemaal thuis.

Strompelende tijd.

woensdag 14 januari 2009 07:06
Het blauwe scherm licht op, ik knijp één oog dicht en houd het andere op een kiertje, 3.38, het is weer zover, de zeeën liggen voor me, net als gister. Het is alweer een jaar geleden dat ze de kisten in de grond lieten zakken, nu ligt er een steen met twee namen en een verdroogde krans. Mij onbekende mensen leggen nieuwe bloemen neer, opdat wij niet vergeten. De kerkman prevelt, tante laat een traan. Ze waren oud, dat wel, maar het kwam zo onverwachts en dan ook nog alle twee tegelijk, dat had niet gehoeven. Ik kan me niet vinden in het geprevel, ik keer mij tegen de traan, ik doe het straks wel op mijn manier, maar dan moeten eerst al die mensen weg. Ik trek me terug achter een grafhuisje, ik wacht wel, ik heb de tijd.

Achter me hoor ik iets over de grond schuiven, ik draai me om, een vijftiger houdt zich vast aan het huisje, hij kijkt betrapt, ik voel me betrapt. Wilt u erlangs, vraag ik op gedempte toon. Nee, ik wacht, fluistert hij. Ik vraag niet door, dat hoort niet zo, ik draai me om en voel het kriebelen in mijn buik, prikkelen in mijn neus, ik grinnik, dit is toch een verdomd bizarre situatie, waar gaat dit heen, hoelang staan we hier nog, is er al een uur voorbij? Ik druk op de plek waar de rode toets moet zitten, 4.12, het gaat minder snel dan ik dacht. Ik kijk weer achter me, hij staat er nog steeds, schichtige bruine ogen, maar hij lacht nu ook.

Verderop zijn ze bijna klaar, de kerkman prevelt niet meer, tante droogt haar traan, ik steek m'n hand in mijn zak en voel hem gloeien, de steen, mijn steen uit de bergen, speciaal hiervoor gevonden. De bovenkant is zandkleurig en ruw, met een tiental ondoorgrondelijke gaatjes erin, aan de onderkant zitten kristallen, roomkleurig, zacht, hij ruikt naar salmiak, naar verleden en als je goed kijkt zie je de hitte eruit slaan, net als toen op het bergpaadje waar ik hem vond, liters zweet kroop uit mijn lichaam, de ene na de andere druppel gleed over mijn rug en beneden in het dal sloeg de hitte uit de stad.
Mijn duim glijdt over de inkeping, mijn favoriete inham, thuis heb ik hem nog met een tandenborstel schoongemaakt, maar blinken deed hij niet, dat hoefde ook niet, het gaat niet om het blinken, het gaat om het gebaar, mompel ik tegen mezelf.

De stoet loopt langzaam naar de uitgang, zogenaamde eensgezindheid. Straks zullen ze in groepjes uiteenbreken, sommigen kunnen niet wachten en graaien gespannen naar hun sigaretten. Ik grijp naar mijn telefoon, de zwaan is wit, maar ik zie hem niet, ik zie hem nooit, ik heb alleen oog voor de tijd, ik wil weten hoelang het nog duurt, hoelang ik nog heb en ik wil weten waarop de man wacht. Hij staat er nog steeds, dit is toch een verdomd bizarre situatie, grinnikt hij, ik knik, hij heeft gelijk.

Het zou nu kunnen, de mensen staan al buiten de poort, de steen brandt in mijn handpalm, het voelt vertrouwd, ik zou hem op hun graf kunnen leggen nu, naast de bloemen van de vreemden, op de plaats boven het hart dat ooit klopte, maar ik doe het niet, nog niet, dat zou het einde betekenen en morgen moet ik misschien weer verder. Ik draai me om, hij staat er nog steeds, ik wil weten waarop je wacht, of jij ook een steen hebt, is die voor hetzelfde graf, hoelang gaat dit nog duren, ik ben er nog niet uit, ik wacht nog even, ik heb de tijd.

Het ruikt nog niet naar aftershave in mijn kamer, de jongens doen nog niet mee. Buiten staat het licht op groen, al de hele nacht en niemand die het ziet. Een auto start beneden op de parkeerplaats, verbreekt de stilte, de wereld komt op gang. Uit de kamer naast me klinkt een holle hoest, het scherm licht op, de zwaan dobbert bewegingloos in het beeld, de tijd sijpelt het kiertje binnen, zal ik opstaan, ik moet wassen vandaag, zal ik de was gaan doen, of is het nog te vroeg? 5.53, mijn zon komt op, dag man, tot vannacht misschien.

De eerste moeder.

maandag 12 januari 2009 16:59
De eerste bom die ik kuste was de moeder van Janneke. Als er in Frankrijk tegen of over een vrouw gezegd wordt dat ze une bombe is, dan wordt hiermee bedoeld dat ze een spetter is, maar de moeder van Janneke was niet bepaald een stuk, toch was ze een bom, daar kwam ik vroegtijdig achter. Ik was zeven en vroeg aan mijn moeder hoe het nou kon dat Janneke was geboren terwijl ze nooit een vader had gehad. Mijn moeder wist altijd alles en vertelde dat mijn klasgenootje bij de spermabank vandaan kwam, aangezien de moeder van Janneke bewust geen man wilde. Niet veel later kreeg Janneke een broertje, ik wist wel waar die vandaan kwam, maar deed uiteraard alsof ik een naïef zevenjarig kind was toen ik de bom voor het eerst na haar bevalling tegenkwam op het schoolplein. En naïef was ik ook, want de bom boog zich voorover om me te zoenen, blijkbaar dacht ze dat ik net zo blij was met haar zoontje als zij en van schrik over zoveel misplaatste intimiteit kuste ik haar vol op de mond, zoals ik dat gewend was bij mijn moeder, voorheen had ik nog nooit een andere vrouw moeten zoenen. De bom barstte daarop in lachen uit, ik zag wel dat ze me schattig vond en voelde ook dat haar geschater betrekking had op iets dat normaal anders moest gaan, iets wat ìk anders had moeten doen, maar ik snapte verder niet wat er op dat moment nou zo lollig was. Jarenlang heeft haar schaterpartij me beziggehouden en vroeg ik me af wat ik fout gedaan had daar op dat plein, je kunt als zevenjarige dan wel weten wat een bom is, dat betekent nog niet dat je wereldwijs bent...

De eerste volwassen negerin die ik zag in mijn leven was de moeder van Livera, Falasha en Michaëla, net als haar dochtertjes had ze zo'n soort van dreadlocks op haar hoofd en droeg ze gouden oorbellen. Ze was één van de zwemmoeders die ons wekelijks naar het gemeentebad begeleidden en die begeleiding begon al in de bus. De stevige vrouw vond me zo'n lief meisje met zulk mooi haar, dat ik elke keer bij haar op schoot moest. Zoveel lichamelijkheid was ik niet gewend van een relatieve vreemde en ik kon haar enthousiasme absoluut niet waarderen. Spraakzaam was ik echter niet zo, vooral niet tegen volwassenen, bovendien sloot ik niet uit dat het haar goed recht was mij op schoot te nemen en kwam het niet in me op om mijn ongenoegen aan haar kenbaar te maken. Voor zover dat mogelijk was schoof ik ongemakkelijk naar het puntje van haar knieën en drukte ik mijn verstijfde lichaam tegen de stoel voor ons. De vrouw vermaakte zich ondertussen met mijn haar en blies daarbij hartstochtelijk kauwgomadem in mijn gezicht. Die menthollucht zal ik nooit vergeten, evenals de verongelijkte blikken van Livera, Falasha en Michaëla, die vanaf de stoelen voor ons jaloers toekeken op de ongewenste voorkeursbehandeling die hun moeder me gaf.

Nee, dan de moeder van Christel, dat was de eerste heks waarmee ik geconfronteerd werd. Christel was een klasgenootje met een ruige bos bruine krulletjes, een meisje dat volgens een bepaalde formule angstige huilbuien kreeg. Alle kinderen kenden die formule en deze werd te pas en te onpas gebruikt. Meestal werd hij met grote ogen en op dreigende toon tegen Christel uitgesproken, ergens in een verlaten hoekje van het schoolplein of achter de haag van rozenstruiken, ver bij de beschermende juffen en meesters vandaan. In de klas fluisterden we het soms in haar oor, of hijgden we het verwachtingsvol in haar nek en als Christel dan ging huilen, en dat ging ze, veinsden we verbazing, herhalen zou ze de gevreesde formule toch niet. Kinderen zijn vreselijk, dat ben ik met u eens.
Misschien bent u benieuwd naar wat we dan zeiden, om de formule eventueel zelf te kunnen gebruiken en tegenstanders effectief uit te schakelen in noodgevallen. Helaas, ik heb altijd aan de doeltreffendheid van de formule getwijfeld en tot op de dag van vandaag is het me volstrekt onduidelijk waarom Christel altijd zo angstig werd. Toch zal ik u de formule vertellen, al was het maar om u deelgenoot te maken, hij luidde: ‘Ik eet je op met brood en pindakaas.' Zou Christel misschien allergisch geweest zijn voor pinda's?
Wat ik ook niet snapte was dat ik in datzelfde jaar werd uitgenodigd voor haar verjaardagsfeestje. Door haar moeder. Dat was een heks. Dat wist ik wel, maar dat zei ik niet. Falasha deed dat wel, toen de heks in de keuken limonade aan het inschenken was.
Jouw moeder ziet eruit als een heks, maar dat is ze niet, sprak het donkere meisje op waarderende toon alsof het een groot compliment betrof. Christel vond de opmerking geheel niet leuk, en terecht. Toch was haar moeder een heks, want nadat ik haar limonade gedronken had heb ik de formule nooit meer tegen Christel kunnen hijgen. Zo zie je maar, of het nou bommen, negerinnen of heksen zijn, moeders zijn onvergetelijk en hun invloed is onuitwisbaar, definitief.

Uitgelopen.

zaterdag 10 januari 2009 16:07
De oude man wilde van zijn schoenen af, van zijn schoenen met leren zolen, want daar liep hij niet goed op, daarmee gleed hij steeds uit. Hij liep sowieso niet goed, heel af en toe hees hij zich met veel inspanning en gekreun uit de donkerbruine, elektrische stoel, om vervolgens verder te gaan met het looprek, dat hij relativerend loopfiets noemde. Even mijn loopfiets parkeren, zei hij dan bij terugkomst, maar dat klonk simpeler dan het was, aangezien de man bijna negentig was en erg slecht ter been. Voordat de loopfiets weer in zijn hoek bij het raam stond, waren er zeker drie volle minuten verstreken en was er een grote druppel speeksel in een mondhoek ontstaan die langzaam over zijn kin naar beneden zakte. Zo, zei de man dan, terwijl hij met zijn houten stok wiebelig richting de donkerbruine stoel strompelde, die staat weer op zijn plek. En dan haalde hij een verfrommeld papieren zakdoekje uit de zak van zijn nette beige broek, om daarmee zijn kin af te vegen.

Nee, de man liep niet meer zoveel, daarom wilde hij van zijn schoenen af, en dus vooral van zijn schoenen met lederen zolen, want tegenwoordig droeg hij enkel nog rubberen zolen. Schoenen had hij genoeg, schoenen hadden altijd deel uitgemaakt van zijn leven, voor elk moment was er een schoen, moest er een schoen zijn en elke schoen representeerde een periode in zijn leven. Het grijze paar van zijn jonge jaren voor de oorlog, het zwarte duo waarmee hij ten strijde getrokken was tegen de moffen en waarvan hij in het midden liet of ze nou bloed gezien had of niet en zijn toenmalige nette schoenen, waarop hij in het echt verbonden was tijdens de wederopbouw.

Die schoenen wilde hij niet kwijt, het ging hem om de andere schoenen, de schoenen die hij verzameld had toen hij onder de pannen was, toen de kinderen het huis uit waren en hij zich luxegoederen kon permitteren. Toen de schoen een verzamelobject werd, een statussymbool, een passie. Die schoenen. Schoenen zonder geschiedenis, zonder herinnering of emotie. Van die schoenen met leren zolen waar je op uitglijdt, zelfs al heb je houvast aan je loopfiets.

Van elke mannelijke bezoeker wilde hij de schoenmaat weten. Zo bij de eerste kop koffie, als de gast net het laatste stukje van zijn diepvries frambozentaartje in zijn mond stak, dan stelde hij die vraag. En daarna mocht de bezoeker mee naar boven, met de stoellift naar de geïsoleerde zolder, daar waar alle schoenen stonden, daar waar de schoenen in hun dozen muren vormden. Aan alle kanten stonden ze opgestapeld. Tussen de boekenkast met de dikke oude boeken in hun harde goudkleurige kaften en de kast met vergeelde werkstukken van de kinderen, maar ook naast de Cd-kast en onder zijn glimmende bureau van gepolijst eikenhout, overal stonden stapels schoenendozen, dozen schoenen.

Het was nog een heel werk om het paar te vinden dat de oude man voor de bezoeker in gedachten had. Hij had wel een idee en gezeten in een makkelijke stoel wees hij met zijn wandelstok een stapel aan, daar ergens moesten de schoenen zijn. De bezoeker begon over het algemeen met de bovenste doos, aarzelend, omdat hij wel voelde dat er een zekere intimiteit uitging van de schoenen. Met delicatesse ging de bezoeker de muur langs, hier en daar wreef hij het hardnekkige stof van een deksel en toonde hij de geopende doos aan de oude man, ter controle, waren dit ze misschien? Nee hoor, zei de oude man dan, dat zijn ze niet, je moet nog even verder zoeken, en dat deed de bezoeker dan, terwijl de oude man tevreden toekeek vanuit zijn stoel en af en toe een woord van waardering tegen de bezoeker sprak, waardering voor dingen uit het verleden, of waardering voor nu, voor de persoon die de bezoeker was, voor zijn komst naar hem, voor zijn zijn, daar, op die zolder.

De zoektocht was een voorwendsel, de schoenen waren een smoes, het proces was een afscheid, de man liep niet meer, de man ging heen, binnenkort, voorgoed. Bij elke doos die werd geopend kwam het afscheid nader, kwamen de oude man en de bezoeker nader, voor de laatste keer. Plotseling kwam het besef. Bij de bezoeker. Die ging de stapels dozen ineens van een hele andere kant zien, ergens wel als houvast, om de tijd die nu voorbij bleek nog even vast te kunnen houden, om het definitieve afscheid uit te kunnen stellen, om dit saamhorige gevoel bij zich te kunnen houden, tevergeefs, toekomst en verleden kwamen hier samen, op deze geïsoleerde zolder, tussen schoenen en boekenkasten en de stapels verwerden tot duistere kolommen oud zeer.
 
Zou hij hem daar nog mee confronteren, nu zo op het end, moest hij hem zeggen wat hij al die tijd op het hart had gehad, omdat het hierna nooit meer zou kunnen, of moest hij de pijn en het verleden laten voor wat het was en vooral rouwig zijn, zich verdrietig voelen, omdat het de laatste keer was dat hij zijn vader in levende lijve zou zien, zou voelen, zou ervaren. De zoon had gemengde gevoelens, daar tussen die dozen, gevoelens die in hevigheid toenamen toen hij enkele dagen later de doos opendeed die zijn vader hem aan het eind in de handen gedrukt had. Zulke beladen schoenen had hij nog nooit gezien, hij was er nog niet aan toe om de confrontatie aan te gaan en zette de doos zolang op zolder, de dag vrezend dat de rest zou volgen. Welke schoenmaat heeft u eigenlijk?


LebonTon dicht de schoenenman, zoals alleen hij dat kan!

Koning Osama.

donderdag 8 januari 2009 19:14
In mijn banlieue is de knipperende kerstverlichting alweer ingepakt en weggezet op zolder. Vaak wordt enkele dagen voor Driekoningen ook de kerstboom het huis uitgezet. Met die gewoonte werd ik eergisteren geconfronteerd, toen ik een glibberwandeling maakte over de tot ijs verworden sneeuw die daar sinds maandag lag. Ik ging steeds bijna op m’n bek, alleen letterlijk, dus het viel mee. Er lagen minstens twintig kerstbomen her en der in de goot, het merendeel was verpakt in grote viesgele zakken. De kerst werd hier in body bags afgevoerd. Toch jammer, net nu het overal wit was.

Nou ja, een besneeuwde Driekoningen kan ik ook erg waarderen. Ik had ter viering al een koek gekocht bij de Intermarché. Ooit ging ik daar altijd voor naar een bakker, in het kader van duurder is beter. Tot het jaar dat ik met toenemende maagkrampen, maar bijzonder gemotiveerd om de ‘boon’ te vinden, het laatste stukje in mijn mond stopte en teleurgesteld moest vaststellen dat de bakker vergeten was de fève erin te doen. Sindsdien heb ik geen vertrouwen meer in ambachtelijke bakkers als het erop aankomt.
Bij de winkel heb je naast die met amandelspijs, een toenemende keuze uit appel- of perenvulling met stukjes chocolade, mijn voorkeur gaat echter uit naar de klassieke koek. De boon is ook meegegaan met zijn tijd, de koekenbakkers spelen goed in op de huidige cultuur van religieuze neutraliteit en vermedialisering. Waar je het eerst voornamelijk moest doen met Bijbelse zaken, stoppen ze nu steeds vaker porseleinen attributen van Indiana Jones, The Simpsons of Harry Potter in hun koek. Ook op dit punt ben ik behoudend, wie de boon vind mag die dag tenslotte koning zijn en de baas spelen in huis. Dat is iets om serieus te nemen en dat gaat moeilijk als je net de bril van Harry aangetroffen hebt, lijkt me.

De traditie wil dat als de koek aangesneden is de jongste persoon in het gezelschap onder de tafel gaat zitten en aanwijst voor wie welk stukje is. Nu was ik in goed gezelschap van mijzelf en daarmee de jongste, dus klom ik iedere keer dat ik weer een stuk achter de kiezen had, onder mijn bureau om me het volgende toe te wijzen. Tradities houd ik graag in ere. Na drie stukken voelde ik me wat opgezwollen, maar ik had de boon nog steeds niet gevonden, dus kroop ik toch maar weer onder mijn tafel voor de volgende ronde.

Met grote tegenzin, maar toch ook verwachtingsvol en met opspelende zenuwen naar wat ik aan zou gaan treffen, begon ik aan mijn vierde stukje Galette des Rois. Geroutineerd beet ik eerst de randen weg, omdat mijn intuïtie me zegt dat de boon in de kern zit en ik het mooiste graag voor het laatst bewaar. Ik zette mijn steeds langer wordende tanden in het gebruinde bladerdeeg, behoedzaam, omdat het risico er inzit dat je plots op het porselein stuit en mijn tandarts is een beste man, maar zoveel houd ik nou ook weer niet van ‘m.

Uiteindelijk had ik beet, maar ik schrok me een ongeluk, uit de amandelspijs rees een man op met een tulband en een lange zwarte baard, Osama zat in mijn koek! Wat moest die man in mijn koek? Oké, de wijzen kwamen uit het Oosten, maar de fabrikant moest zich in de traditie vergist hebben. Op de achterkant van de koekdoos zag ik echter dat mijn Osama overeenkomsten had met Balthasar, de beschermheilige van reizigers en pelgrims, de schildermachine had zich blijkbaar wat nonchalant opgesteld.

Ik had dit jaar mijn plaats op de troon veiliggesteld en opgelucht zette ik het goudkleurige papieren kroontje op m’n hoofd en schreed een paar keer over de gang van mijn aso-flat. Vandaag mocht ik de broek aanhebben in huis, nu heb ik dat elke dag, maar het voelde nu toch anders. De rest van de koek laat ik maar verschimmelen, ik heb mijn portie bladerdeeg ruimschoots gehad, zoals gewoonlijk. Met het toenemen der jaren gaat mijn traditiegetrouwheid me steeds zwaarder op de maag liggen, gelukkig duurt het nog een jaar voordat het weer Driekoningen is.

Potprojecties.

dinsdag 6 januari 2009 17:22
Sommige mensen hebben een zwak voor kleine meisjes met blonde krulletjes, anderen kunnen niet van hun neusgaten afblijven of houden geen maat als er een pot pindakaas op tafel staat en er zijn zelfs mensen die geen enkele gelegenheid voorbij laten gaan om gebruik te maken van bepaalde Franse gemeentelijke voorzieningen, zoals de sanitaire faciliteiten, het gemeenschappelijke huisje, de plaatselijke latrine, oftewel, de gesubsidieerde dorpspot. Tot die laatste categorie mens behoor ik.

Gemeentelijk toiletbezoek is voor mij een must, niet alleen uit primair belang, maar ook uit sociologisch oogpunt. Laat mij de dorpspot zien en ik vertel u welke politieke voorkeur de burgemeester heeft, wat de jongeren bezighoud, hoe hoog het werkeloosheidspercentage in de gemeente is en of er voornamelijk kosmopolieten rondlopen of dat toch de hedonisten in de meerderheid zijn, met andere woorden, welk type mens de regio behuisd. Zittend op die pot proef je de dorpscultuur, voel je de volksaard en ruik je de publieke moraal, maar je komt ook meer praktische zaken te weten, zoals wanneer de gemeentemannen weekend hebben of wanneer het marktdag is. En als er helemaal geen sprake is van een pot en je in de hurkhouding moet zitten om wat te kunnen bereiken, dan weet je dat de gemeentesecretaris in ieder geval niet tot de early adopters behoort. Meten is weten.

Nu zijn er ongetwijfeld mensen die inbrengen dat de gemiddelde dorpspotbezoeker helemaal niet representatief hoeft te zijn voor de werkelijke inwoners van de gemeente, maar indien je als onderzoeker resultaten wilt behalen, zul je toch wat moeten generaliseren. Bovendien is geen doelgroep zo divers als die van het openbaar toilet, ga maar eens turven bij die op Utrecht Centraal.

Nogmaals, meten is weten, de locatie waar de voorziening is neergezet licht al een tipje van de sluier op. Staat deze ergens achteraf, dan weet je dat er schaamte in het spel is of preutsheid, of dat de streek alles behalve toeristisch is en ieder huis zelf een wc heeft. In sommige dorpen staat de faciliteit pontificaal op het dorpsplein en lijken de marktkramen zich er trots omheen te scharen. Oude vrouwen met volle tassen zoenen elkaar daar op marktdag en jongeren ontmoeten elkaar bij de pot om gezamenlijk naar de discotheek te rijden. En als er geen discotheek of zuipcaravan in de buurt is, omdat er voornamelijk oudjes wonen of omdat het een gemeente is die pretendeert fatsoenlijk te zijn, dan blijven de jongeren rond de pot hangen en spuiten ze het gebouwtje vol graffiti.

Over het algemeen moet je het doen met een bemodderde vloer, een kale, gebarsten pot achter een amper sluitende deur en aan de muur een minuscuul wasbakje, waarvan het water uit de kraan met drukknop zo hard spuit, dat het een uur later nog zichtbaar is dat je je handen gewassen hebt. Dan weet je dat de renovatie van de dorpspot geen prioriteit heeft op de gemeentelijke begroting. Er zijn uitzonderingen. Zoals de afgesloten toilet in het uitgestorven bergdorp, waar een boodschap op een verregend A-viertje aangaf dat de sleutel van de deur achter het hokje aan de regenpijp hing. Eenmaal binnen trof ik een koelbox aan die bij het optillen van de deksel een hypermoderne, zelfreinigende wc bleek te zijn. Er stond zelfs een rol wc-papier bedrukt met Mickey Moussefiguurtjes en in de houten deur was op ooghoogte een opening gemaakt waardoor je al zittende het dal in kon kijken, of om eventueel van buiten vast te kunnen stellen dat de koelbox in gebruik is en om eventueel de zittende voor u van de pot weg te kunnen kijken, maar dat zal niet vaak voorgekomen zijn, want afgezien van een kudde schapen en een bos lichtbruine sprinkhanen was er in de omgeving weinig leven te bekennen.

Afgelopen week wist ik direct waar ik aan toe was toen ik de plaatselijke pot voor een onderzoek bezocht, jong en oud waren in deze gemeente erg behoeftig, overal waar ik keek boden mensen tekstueel bepaalde delen van hun lichaam aan of gaven ze te kennen specifieke dingen te willen doen met blonde vrouwen tussen de zestien en achttien jaar, dan wel met ervaren vrouwen met cup D. Ik vond het verbazingwekkend, de complete gemeente moest hier bestaan uit reuklozen om in deze pislucht aan seks te kunnen denken en die gedachten ook nog eens uitgebreid met potloodjes op de deuren uit te werken. Echte doorzetters. Deze gemeentelijke pot voorzag in vele basis behoeften, in dit dorp hadden ze geen virtuele datingsite nodig. Ik wil maar zeggen, geen pot zo significant als die op het Franse platteland.
Profielfoto Amelie.pardouze

Amelie.pardouze

Woonplaats: Parijs
Mag ik even uw schoenen aan? Hooggeachte bezoeker, Dit weblog ligt even stil, ik ben met een projectje bezig dat moeilijk te combineren valt met een blog en de interactiviteit daarvan….
Beroep: Verzamelaar van plateauzolen.
Hobbies: zWeven
Vrouw
  • Niet verplicht
  • Je boodschap moet minstens 5 en hoogstens 1500 tekens bevatten
  •  

Links

Groepen

Favorieten van Amelie.pardouze

Amélie's Sluipreclame

foto foto Soms heb ik wel eens dat een blogger zo leuk schrijft, dat ik het liefst alles van diens hand op m’n gemak zou willen lezen. Echter door alle kruisingen en paden verdwaal ik op een gegeven moment in het duistere blogbos en ben vervolgens alleen nog op zoek naar de weg terug. Zij die dit herkennen kunnen hier kosteloos de bundel met alle blogstukken downloaden die ik in maart-juni 2008 geschreven heb en hier die met de stukken september-december.

Amélie’s Autoportret

foto

Amélie’s Situatieschets

Ik heb al jaren de behoefte belasting te betalen in Frankrijk, het liefst in de sector waarvoor ik ben opgeleid. Daartoe heb ik verschillende pogingen gedaan, die niet altijd even goed uitpakten. Begin maart 2008 besloot ik een nieuwe poging te wagen, dit keer niet alleen met concrete doelen, maar ook nog met een deadline. Binnen een maand wil ik een kamer, een baan en een ziektekostenverzekering, met als einddoel geluk. In dit blog beschrijf ik deze zoektocht. één maand later… Sinds 13 april werk ik als verkoopster in de bakkerswinkel van de familie Médoc, een expressieve en soms explosieve familie. Ik woon nog steeds bij mijn oud-collega Xavier en zijn huisgenote Noémie in Montmartre. De zeer beperkte persoonlijke en werkelijke ruimte zorgt geregeld voor wrijvingen. Naast mijn werk ben ik mede daarom veel op straat te vinden, zo zie je nog eens wat… juni Na weken tevergeefs zoeken naar een kamer in Parijs, heb ik uiteindelijk een dynamisch onderkomen gevonden in de zuidelijke banlieue. De oorspronkelijke doelen, baan, kamer en administratieve integratie, zijn hiermee behaald, en het einddoel? Geluk zit in een klein hoekje, ongeluk ook, ik blijf balanceren...en dat hoop ik nog lang te kunnen doen…

Wat zit er in mijn koffer?

foto

Wat speelt er door mijn hoofd?

Een positieve perceptie is het halve werk. Liever verlaten dan verlaten worden. What’s eating Gilbert Grape? Beter last van je hart dan geen hart. Zou ik gelukkiger zijn als ik in God geloofde? Is bindingsangst een vorm van egocentrisme?

Yk ver(t)rek DEEL 1 -- maart-juni 2008

Zoektocht naar een baan, een appartement en een ziektekostenverzekering in Parijs, in voor- en tegenspoed. En Route Ik vertrek voorgoed, voor de tweede keer... De slechtnieuwsgesprek-cursus van de NS. Houdt de Franse douane niet van duiven? Zwalken over de périférique. Chez Xavier et Noémie. Een driekops verhouding in Montmartre. Televisiegym met Noémie. Woelen op een tweedehands matras. Een romantische kelder in Montmartre. Relooking in de Parijse H ‘n’ M. Als water en vuur samenkomen bij het arbeidsbureau. Poepen buiten de deur. Door de knieën. De schatkist van Xavier. Stoppen met roken. Overpeinzingen op het openbaar toilet. De zucht van Parijs. De clown van de Champs-Elysées. Naast het graf van Napoleon. Simon zit. De poepschepper. De vleesneger. Kleverige Sacha. Quasimodo. Alleen lachen. De droom ontkracht. Quasimodo geconfisqueerd. Met Franse slag. Flessen gooien. Onbehaaglijke Roger. Vrijdag de dertiende. Fietsroute taferelen. Laila scant onmacht. Over meel en menselijkheid. Mijn brood verdien ik bij de bakker. Monsieur Médoc, Papy voor intimi. Madame Barr, een dame vol contrasten. Aan de voeten van mijn baas. Even scheten. Lentekriebels bij de bakker. Misdaad loont. Klanten meppen. Bakkersvrouw op dieet. Een vrouwenmoordenaar in de zaak. Haar Poolse realiteit. Claudine, de tweede dochter. Bezoek van Vito. Sociale routine. Slachtofferschap De handen van de slagerszoon. Het dubbeltjessyndroom. Wereldberoemd bezoek. Beste vriendin. De duif van Johnny. De goede kant. Duidelijke taal. Dieven in Het Buurtje. Lieve Madame Barr, Lieve Madame Barr, (vervolg) Trou Normand. Beter dan Bril. Ode aan mijn grootmoeder. Inzending columnwedstrijd. Vergeet je zwemkleding niet! De auto van zijn jeugd. Mijn bergen roepen. Klik hier voor de bundel.

U bent geteld.

Motigo Webstats - Gratis web site statistieken Eigen homepage website teller Gratis teller Miepje TelMiep Fantastische teller van N=1 met een eigen pagina.

Moi je vis chez Amélie.



Amoureuse de Paname.



La fille à bicyclette.



Dans mon H.L.M.



Amélie's kladpapier

© van Amélie

Laatste reacties

persona

De hangmannen van Barbès.
bloggen: bijzonder dat je je wel voorhoud het adres of tafeltej …

persona

De hangmannen van Barbès.
bloggen: heb een stuk over je geliefde bril geschereven geliefde!

persona

De hangmannen van Barbès.
bloggen: moet wel zeggen dat die achteruitcrossende scene mij het meest …

persona

De hangmannen van Barbès.
bloggen: amelie! was je in cannes bij johnny? hoop t niet, …

persona

De hangmannen van Barbès.
amelie.pardouze: Echt!! Crost Audrey daar achteruit over de Boulevard in haar …

Archief / RSS

Bekijk het hele archief van Amelie.pardouze, of klik op een van de jaren hieronder om een deel van het archief te ontsluiten.

2009
2008

Zoek in het archief



Zoeken

Abonnementen

Alle blogs rss google netvibes
Deze gebruiker rss google netvibes

Statistieken

TelMiep
  •