Wereld en Verwondering
Count your blessings

Mij wordt het bang te moede,
bij het zien van zo veel strijd.
En weinig kan ik bevroeden,
dat het afloopt met de tijd.
Toch zijn de tekens duidelijk.
Zij vlammen aan de muur.
Zij wijzen naar het einde,
naar hel en vagevuur
Versteend tussen de jaren,
ligt ons leven moe en oud.
Het wil ons niet meer sparen,
het hoont ons, kil en koud.
En wij, wij vluchten, zuchten,
naar liefde en naar rust.
Wij horen naar geruchten,
en zijn ons niet bewust,
dat de dood het laatste woord heeft.
Onafwendbaar is ons lot,
dat dra de laatste rust geeft,
in de hemelen onzer god.
Het was op een mooie zomerdag in mei 1998 dat ik deelnam aan een tuinfeestje bij mijn neef. Hij woonde toen in Baarn. Hetzelfde huis dat later door hem aan een of andere tv-tycoon werd verkocht. Het huis heette toen “Intimis”.
Tijdens dat zonovergoten feest sprak ik langdurig met mijn neef over de wereldproblemen. Maar dan meer nog de problemen die zich op spiritueel terrein zoal manifesteerden. Zo spraken wij o.a. ook over het mogelijke einde van de wereld. Mijn neef was, na consultatie van deskundigen op dat gebied, tot de conclusie gekomen dat ons universum op 21 mei 2008 zou ophouden te bestaan. Een echte wetenschappelijke reden voor de keuze van deze datum kon hij niet geven.
Ik geloof niet in dergelijke profetieën, maar heb toen wel die datum opgeschreven.
Tot mijn grote verbazing las ik onlangs dat de grote deeltjesversneller (LHC) van CERN op die datum getest zal worden. Er zijn enkele wetenschappers die geloven dat het geëxperimenteer met deze gigantische deeltjesversneller zou kunnen leiden tot het einde van ons heelal.
Toeval of niet?
bij het zien van zo veel strijd.
En weinig kan ik bevroeden,
dat het afloopt met de tijd.
Toch zijn de tekens duidelijk.
Zij vlammen aan de muur.
Zij wijzen naar het einde,
naar hel en vagevuur
Versteend tussen de jaren,
ligt ons leven moe en oud.
Het wil ons niet meer sparen,
het hoont ons, kil en koud.
En wij, wij vluchten, zuchten,
naar liefde en naar rust.
Wij horen naar geruchten,
en zijn ons niet bewust,
dat de dood het laatste woord heeft.
Onafwendbaar is ons lot,
dat dra de laatste rust geeft,
in de hemelen onzer god.
Het was op een mooie zomerdag in mei 1998 dat ik deelnam aan een tuinfeestje bij mijn neef. Hij woonde toen in Baarn. Hetzelfde huis dat later door hem aan een of andere tv-tycoon werd verkocht. Het huis heette toen “Intimis”.
Tijdens dat zonovergoten feest sprak ik langdurig met mijn neef over de wereldproblemen. Maar dan meer nog de problemen die zich op spiritueel terrein zoal manifesteerden. Zo spraken wij o.a. ook over het mogelijke einde van de wereld. Mijn neef was, na consultatie van deskundigen op dat gebied, tot de conclusie gekomen dat ons universum op 21 mei 2008 zou ophouden te bestaan. Een echte wetenschappelijke reden voor de keuze van deze datum kon hij niet geven.
Ik geloof niet in dergelijke profetieën, maar heb toen wel die datum opgeschreven.
Tot mijn grote verbazing las ik onlangs dat de grote deeltjesversneller (LHC) van CERN op die datum getest zal worden. Er zijn enkele wetenschappers die geloven dat het geëxperimenteer met deze gigantische deeltjesversneller zou kunnen leiden tot het einde van ons heelal.
Toeval of niet?
Zo mooi als hij kon schrijven,
zijn er niet echt heel erg veel.
Reëel, zonder overdrijven,
greep het me naar de keel.
Het leidde tot mijn verslaving,
aan zijn geschreven woord.
Een eiland in onze “beschaving”,
en nimmer die platte moord.
Een lege plek blijft achter.
Een verse open wond.
Ironie weerklinkt al zachter,
uit gestreepte stille mond.
Zo blijft hij in mijn gedachten,
die het leven niet goed verstond
Beschaamd blikt mijn geweten
verplicht terug in de tijd.
Naar de tientallen miljoenen,
die, door ons reeds lang vergeten,
gewoon nog doorgaan met hun strijd.
Die hun gevecht voor vrede,
voor liefde en barmhartigheid,
nu met stille monden voeren:
zij werden niet bevrijd.
Ik begrijp de droeve oorzaak,
de noodzaak van hun strijd.
Ook ik zie landen branden,
Ondanks deze tijd
En machteloos hef ik weer mijn handen
in wanhoop en verdriet
Het zijn steeds weer de onschuldigen
en wij, wij zien het niet.
verplicht terug in de tijd.
Naar de tientallen miljoenen,
die, door ons reeds lang vergeten,
gewoon nog doorgaan met hun strijd.
Die hun gevecht voor vrede,
voor liefde en barmhartigheid,
nu met stille monden voeren:
zij werden niet bevrijd.
Ik begrijp de droeve oorzaak,
de noodzaak van hun strijd.
Ook ik zie landen branden,
Ondanks deze tijd
En machteloos hef ik weer mijn handen
in wanhoop en verdriet
Het zijn steeds weer de onschuldigen
en wij, wij zien het niet.
Op een zonnige zondagochtend,
met mensen in de kerk ernaast,
viel de beuk zo maar ter aarde,
opzienbarend, bijna ongehaast.
De boom leek zo gezond van buiten,
maar van binnen bleek hij rot.
Gelukkig viel hij niet op de huizen,
en maakte alleen de straat kapot.
Bij onderzoek bleken andere bomen,
ook zwak en aangedaan.
De boomchirurg, direct gekomen,
bracht het sluipende verval tot staan.
Dit gebeurde lang geleden.
Nu pronken de beuken als voorheen.
En zij stollen het nieuwe heden,
als was het voor eeuwig gehouwen,
uit ruwe, harde steen.
Het vroegere leed, door tijd verbleekt,
vormt vage sporen naar het heden,
terwijl de lentekleur weer openbreekt,
als milde balsem op een verleden.
Onbekommerd, frivool en fris,
danst het heden door ons leven,
alsof de strijd verdwenen is,
alsof de pijn maar even.
De ouden weten, willen zwijgen,
geborgen in herinnering,
en niet om gelijk te krijgen
Het goedbedoelde holle vertoon,
de zwarte rouwbedekking,
is voor de getekenden doodgewoon.
vormt vage sporen naar het heden,
terwijl de lentekleur weer openbreekt,
als milde balsem op een verleden.
Onbekommerd, frivool en fris,
danst het heden door ons leven,
alsof de strijd verdwenen is,
alsof de pijn maar even.
De ouden weten, willen zwijgen,
geborgen in herinnering,
en niet om gelijk te krijgen
Het goedbedoelde holle vertoon,
de zwarte rouwbedekking,
is voor de getekenden doodgewoon.
Onzichtbaar schuiven ‘s nachts miljoenen,
in stille rijen langs mijn bed.
De oorlog, eerst nog woedend,
wordt in oude foto's bijgezet.
De angst, de strijd, de wapens,
het is er allemaal nog.
En talloos veel miljoenen,
volharden in hun tocht.
Hun tocht door mijn geweten,
als doornen in mijn vlees,
maar ik wil het liever niet weten;
ik ben het niet geweest.
Onder de zolen van mijn schoenen,
ligt de aarde dood en stil.
Donker graf van vele miljoenen.
Zo verlaten, grauw en kil.
in stille rijen langs mijn bed.
De oorlog, eerst nog woedend,
wordt in oude foto's bijgezet.
De angst, de strijd, de wapens,
het is er allemaal nog.
En talloos veel miljoenen,
volharden in hun tocht.
Hun tocht door mijn geweten,
als doornen in mijn vlees,
maar ik wil het liever niet weten;
ik ben het niet geweest.
Onder de zolen van mijn schoenen,
ligt de aarde dood en stil.
Donker graf van vele miljoenen.
Zo verlaten, grauw en kil.
In de hemel werkt men even niet
wachtend op de zoon van de baas.
Alleen vandaag klinkt er geen lied
Zie de mens, voor woorden te dwaas.
Want degene die uit de dood moest verlossen
werd gegeseld en vermoord.
En rijdt met zilveren karossen,
vandaag nog door de hemelpoort.
Even rust het werk onzer handen,
lijkt de geest getroost.
Even raakt de liefde alle landen,
maar morgen is de slaaf weer knecht,
en is de wolf weer baas.
Ja, morgen wordt de mens weer slecht.
wachtend op de zoon van de baas.
Alleen vandaag klinkt er geen lied
Zie de mens, voor woorden te dwaas.
Want degene die uit de dood moest verlossen
werd gegeseld en vermoord.
En rijdt met zilveren karossen,
vandaag nog door de hemelpoort.
Even rust het werk onzer handen,
lijkt de geest getroost.
Even raakt de liefde alle landen,
maar morgen is de slaaf weer knecht,
en is de wolf weer baas.
Ja, morgen wordt de mens weer slecht.
Trillend met zijn neusje
tegen de westenwind,
steunt het op zijn staartje,
en staart zich bijna blind,
op een verre woeste einder,
vol dreiging en gevaar.
Achter het gespannen lijfje,
zie je er nog een paar.
Met de kleine wriemelpootjes,
scharrelend over droge grond,
zoekend naar wat pindanootjes,
of lekkers voor een gulzige mond.
Soms lopen ze op vieren,
dan zitten ze weer op twee,
die kleine lieve dieren,
ik neem er eentje mee.
Maar het staartje laat zich niet snel vangen;
het kent de mens te goed.
En ofschoon ik het diertje niet wil tergen,
zet ik toch het kwade bloed.
Plots doorklieft een bliksem,
het stille donkere zwerk,
en rommelt een stem vol donder:
"Staartje wordt groot en sterk!!".
Gelijk, als bij toverslag en volle maan,
verandert het staartje in een reus,
en ziet mij bevend onder zich staan,
wat wit weggetrokken om de neus.
Zal ik jou eens even grijpen,
ja jij, met die kale norse kop,
en jou in je donder knijpen.
Laffe donder, kom maar op!
Ik heb geen foto van een stokstaartje. Dus heb ik hier maar een foto van onze Sam geplaatst.
Hij heeft ook een beetje een stokstaartje.
tegen de westenwind,
steunt het op zijn staartje,
en staart zich bijna blind,
op een verre woeste einder,
vol dreiging en gevaar.
Achter het gespannen lijfje,
zie je er nog een paar.
Met de kleine wriemelpootjes,
scharrelend over droge grond,
zoekend naar wat pindanootjes,
of lekkers voor een gulzige mond.
Soms lopen ze op vieren,
dan zitten ze weer op twee,
die kleine lieve dieren,
ik neem er eentje mee.
Maar het staartje laat zich niet snel vangen;
het kent de mens te goed.
En ofschoon ik het diertje niet wil tergen,
zet ik toch het kwade bloed.
Plots doorklieft een bliksem,
het stille donkere zwerk,
en rommelt een stem vol donder:
"Staartje wordt groot en sterk!!".
Gelijk, als bij toverslag en volle maan,
verandert het staartje in een reus,
en ziet mij bevend onder zich staan,
wat wit weggetrokken om de neus.
Zal ik jou eens even grijpen,
ja jij, met die kale norse kop,
en jou in je donder knijpen.
Laffe donder, kom maar op!
Ik heb geen foto van een stokstaartje. Dus heb ik hier maar een foto van onze Sam geplaatst.
Hij heeft ook een beetje een stokstaartje.
[L]
Blaffende woorden botsen op hun weg
naar norse dichte oren;
-het kleine kind weet heg noch steg-
zij gaan haar onschuld vermoorden.
De kleine fee, gespitst, bedeesd,
hoort grove grote woorden
is zij aan alles schuld geweest
omdat zij haar niet hoorden
Het vraagt bedremmeld en bevreesd
“ben ik het schuldige ding?”.
Onschuldiger is het nooit geweest,
in de strijd tussen trouw en ring
Geschrokken en in smaad gesmoord,
met schaamrood op de kaken,
wordt naar het kleine ding gehoord
Moet men krakelen staken,
en acht zichzelf ook ongehoord,
door al het ruziemaken
Blaffende woorden botsen op hun weg
naar norse dichte oren;
-het kleine kind weet heg noch steg-
zij gaan haar onschuld vermoorden.
De kleine fee, gespitst, bedeesd,
hoort grove grote woorden
is zij aan alles schuld geweest
omdat zij haar niet hoorden
Het vraagt bedremmeld en bevreesd
“ben ik het schuldige ding?”.
Onschuldiger is het nooit geweest,
in de strijd tussen trouw en ring
Geschrokken en in smaad gesmoord,
met schaamrood op de kaken,
wordt naar het kleine ding gehoord
Moet men krakelen staken,
en acht zichzelf ook ongehoord,
door al het ruziemaken
Minder nog dan een ogenblik,
duurt mijn smart om deze liefde
Immers, ik was al veel te lang,
het vlees dat zij niet beliefde.
Zij wilde niet meer vrijen,
haar woorden klonken vals,
haar troost werd tot een gruwel,
en ik danste een vurige lentewals.
Een wals van vreugd en liefde,
een wals van smart en leed.
't was echter niet het dansen,
dat mij de das om deed.
Het waren zijn mooie woorden,
zijn schuine autopet,
die hebben haar overspelig hartje,
in vuur en vlam gezet.
Nu danst zij met die ander,
een niksnut, licht en leeg,
omdat, hetgeen zij wilde,
zij van mij niet kreeg.
Dus zit ik met de brokken,
gebakken peren, wat niet al!
Ik zoek maar snel een ander,
op het volgende lentebal.
Bij dit gedicht past een kleine uitleg. Toen ik nog een klein jongetje was, lang geleden, zong mijn moeder voor mij geregeld een liedje met een mysterieuze tekst. Het ging, voor zover ik me kan herinneren, als volgt:
Jij met je hemelsblauwe ogen
Jij met je schuine autopet.
Je hebt mijn hartje toen gestolen
Je hebt gestolen als een dief.
Ik liet me door je smoesjes lijmen
Toen je zei: ik heb je lief.
Je hebt mijn hartje toen gestolen
je hebt gestolen als een dief.
Of woorden van gelijke strekking. Dat het hier om een liefdesspel tussen man en vrouw ging ontging mij geheel. Wat mij niet ontging was de zin: jij met je schuine autopet. Weinig kon ik op die leeftijd bevroeden dat het hier om een bepaald soort hoofddeksel handelde dat door de snode verleider uit het liedje blijkbaar op een schalkse wijze ietwat schuin op het verliefde hoofd was geplaatst. Nee, ik kon alleen maar denken aan het speeltuig met een "d". Een schuine autoped! Het leek mij een hele toer om op zo'n autoped te steppen. Ik kon het ternauwernood op een gewone. En mijn moeder had er een duivels plezier in om mij in het ongewisse te laten omtrent de exegese van deze mysterieuze smartlap. Het heeft nog lang geduurd voordat ik de geheimen van dit prachtige lied op eigen kracht kon ontrafelen.
duurt mijn smart om deze liefde
Immers, ik was al veel te lang,
het vlees dat zij niet beliefde.
Zij wilde niet meer vrijen,
haar woorden klonken vals,
haar troost werd tot een gruwel,
en ik danste een vurige lentewals.
Een wals van vreugd en liefde,
een wals van smart en leed.
't was echter niet het dansen,
dat mij de das om deed.
Het waren zijn mooie woorden,
zijn schuine autopet,
die hebben haar overspelig hartje,
in vuur en vlam gezet.
Nu danst zij met die ander,
een niksnut, licht en leeg,
omdat, hetgeen zij wilde,
zij van mij niet kreeg.
Dus zit ik met de brokken,
gebakken peren, wat niet al!
Ik zoek maar snel een ander,
op het volgende lentebal.
Bij dit gedicht past een kleine uitleg. Toen ik nog een klein jongetje was, lang geleden, zong mijn moeder voor mij geregeld een liedje met een mysterieuze tekst. Het ging, voor zover ik me kan herinneren, als volgt:
Jij met je hemelsblauwe ogen
Jij met je schuine autopet.
Je hebt mijn hartje toen gestolen
Je hebt gestolen als een dief.
Ik liet me door je smoesjes lijmen
Toen je zei: ik heb je lief.
Je hebt mijn hartje toen gestolen
je hebt gestolen als een dief.
Of woorden van gelijke strekking. Dat het hier om een liefdesspel tussen man en vrouw ging ontging mij geheel. Wat mij niet ontging was de zin: jij met je schuine autopet. Weinig kon ik op die leeftijd bevroeden dat het hier om een bepaald soort hoofddeksel handelde dat door de snode verleider uit het liedje blijkbaar op een schalkse wijze ietwat schuin op het verliefde hoofd was geplaatst. Nee, ik kon alleen maar denken aan het speeltuig met een "d". Een schuine autoped! Het leek mij een hele toer om op zo'n autoped te steppen. Ik kon het ternauwernood op een gewone. En mijn moeder had er een duivels plezier in om mij in het ongewisse te laten omtrent de exegese van deze mysterieuze smartlap. Het heeft nog lang geduurd voordat ik de geheimen van dit prachtige lied op eigen kracht kon ontrafelen.
Vele kleuren groen,
en zwart, de oude aarde.
Met de lente dingen doen.
Eindelijk iets van waarde.
Het is nog fris,
of koud misschien,
alsof er hoge wind is.
In de schone lucht,
met wit op blauw,
zijn er meeuwen,
goed te zien.
En in mijn lichte hoofd,
daar lonkt weer als vanouds,
de tere lentevrouw.
Ik wilde hier dus een mooie foto boven zetten, die ik zelf had gemaakt van de tuin waarin ik als een bezielde mol bezig ben. Plantjes erin, struiken snoeien enzovoort. Maar het is, om mij onduidelijke redenen, niet gelukt. Het moet een jpg-bestand zijn, beveelt de computer. Bij mijn foto staat dat het een jpg-bestand is. Dus zou het moeten lukken. Nou kan ik helemaal naar beneden lopen om mijn computer uit de voortuin op te halen.
Ik weet het zeker, eens zal het me lukken om mooie foto's, zonder allerlei belemmerend gedondersteen, op mijn weblog te plaatsen. De aanhouder wint.
Als 't kindeke krijt in moeders armen,
en vlammende houtblokken het huis verwarmen,
stijgen uit de ketel boven het brandende hout,
de geuren op van garend lamsvlees en konijnenbout.
T'is kerst, de winter is gekomen,
want ijs op het water en sneeuw op de bomen.
Een snelle ree springt langs de rand van het bos,
een vogel schrikt ,
een jagende vos.
En zo zou je nog uren door kunnen zeuren,
maar dat laten we dus echt niet gebeuren.
Want de liefde zullen we bedrijven,
en onze zwetende lijven,
spoedig tot stof vergaan,
zullen als afdrukken van dit heden,
in onze toekomst staan.
en vlammende houtblokken het huis verwarmen,
stijgen uit de ketel boven het brandende hout,
de geuren op van garend lamsvlees en konijnenbout.
T'is kerst, de winter is gekomen,
want ijs op het water en sneeuw op de bomen.
Een snelle ree springt langs de rand van het bos,
een vogel schrikt ,
een jagende vos.
En zo zou je nog uren door kunnen zeuren,
maar dat laten we dus echt niet gebeuren.
Want de liefde zullen we bedrijven,
en onze zwetende lijven,
spoedig tot stof vergaan,
zullen als afdrukken van dit heden,
in onze toekomst staan.
De tijd overwint alles. De grote kerkgeleerde Augustinus worstelde
in zijn tijd al met het fenomeen tijd. "Wat is dan de tijd? Als
niemand me er naar vraagt, weet ik het, maar als ik het aan iemand
wil uitleggen, weet ik het niet".
Hieronder volgt niet een romantische verhandeling over de tijd, maar een min of meer natuurwetenschappelijke beschouwing over wat tijd is en/of zou kunnen zijn.
Tegenwoordig wordt de definitie van de seconde als basale tijdseenheid niet langer bepaalt door de rotatie van de aarde, maar door de trillingen van atoomkernen bv. de trillingen van cesiumatomen. Trillingen die uiterst constant zijn in de tijd. Met de cesiumklok in Frankfurt controleert men o.m. de bewegingen van hemellichamen. Astronomen hebben te maken met onvoorstelbaar grote tijdseenheden. Het heelal is ongeveer tussen de 15 en de 20 miljard lichtjaren oud/groot, waarbij de snelheid van het licht 300.000 kilometer per seconde bedraagt! De virtuele grootte van het heelal bedraagt 10/3000 (tien tot de 3000ste).
Naast deze enorme grootheden is er ook de wereld van atomen en subatomaire elementaire deeltjes. Deze deeltjes kennen vervaltijden (dat is de gemiddelde duur van het bestaan van een instabiel deeltje, ofwel de tijd waarna van de oorspronkelijke hoeveelheid nog precies 36,8% over is), die zo extreem kort zijn dat het ieders begrip te boven gaat. Bij de kortste tijdspanne die we bij tijdmeting in de praktijk gebruiken, spreken we van de elementaire tijd. Dat is tien tot de min drieëntwintigste (een honderd triljardste) seconde. Dit is de tijd die het licht nodig heeft om door een electron te gaan. Het electron is echter nog groot vergeleken met de zgn. superstrings, topologische structuren van een veeldimensionale ruimtetijd.
De algemene en speciale relativiteitstheorie, maar ook de kwantummechanica geven ons een geheel nieuwe kijk op de aard van de tijd. Blijkens de bevindingen van de kwantummechanica verloopt de tijd niet vloeiend, maar in afzonderlijke sprongen. De afzonderlijke tijdseenheden, de tijdquanta, zijn daarbij uitzonderlijk klein. Het zijn de kortste tijdsspannen die we kennen, namelijk de fundamentele Plancktijd. Deze bedraagt tien tot de min drieenveertigste seconde (hierna door mij te schrijven als 10/-43 sec.). In dit licht bezien is het dus zinloos om te vragen wat er plaatsvond tussen het tijdstip nul en het einde der Planckperiode (10/-43 sec.). Niets!! (d.w.z in ons eigen ruimte-tijdcontinuüm). Elk proces duurt ten minste 10/-43 seconde. Omdat geen enkel tijdpunt exacter dan tot op de 10/-43 kan worden aangegeven, is het tijdstip nul in feite niet precies en exact aan te geven. De Planckperiode komt overeen met de looptijd van het licht over de fundamentele Plancklengte = 10/-33 centimeter. Ruimte en tijd zijn dus in absolute zin kwantificeerbaar.
In de microcosmos beweegt elk deeltje op zijn eigen tijdlijn. Wanneer deeltjes op elkaar inwerken door gravitatie of electromagnetische krachten dan coïncideren hun tijdlijnen. Is dit echter niet het geval, dan kan een elementair deeltje op een tijdlijn lopen die niet met onze tijdlijn samenvalt. Er zijn derhalve meerdere tijdsdimensies.
Tijd treedt dus op in kleinste, niet verder deelbare porties, tijdquanta genoemd, die naar alle waarschijnlijkheid in drie dimensies voorkomen. De tijd ordent, veroorzaakt eigenlijk de causaliteit, waarmede bepaalde gebeurtenissen zich aan ons voordoen. Deze opeenvolging is onomkeerbaar in de macrocosmos. In de microcosmos is dit dus anders.
Er zijn echter nog meer theorieën aangaande de tijd.
In het boek "Universe without Time" (ik weet niet zeker of het zo heet!) van Einstein en Godel wordt tijd gezien als een getalsmatige ordening van een onomkeerbare materiële verandering die zich afspeelt in de niet-tijdgebonden fysieke ruimte. Ruimte-tijd bestaat niet als een materiële, als een fysieke werkelijkheid. Het bestaat slechts als een wiskundig model waarbinnen de irreversibele stroom van materiële verandering wordt beschreven, die zich afspeelt binnen die niet-tijdgebonden fysieke ruimte (A-temporal Physical Space).
Einstein zag het universum als zich niet in de tijd bevindend. Alles binnen het universum gehoorzaamde aan duidelijke en bewijsbare natuurwetten. "God dobbelt niet". Hier werd Einstein het niet eens met Niels Bohr, die veel meer oog had voor het chaotische, kwantummechanische element.
Julian Barbour, een zgn. vrije wetenschapper, heeft een zeer afwijkende mening over de tijd. Zijn opvatting is dat de tijd niet bestaat. Er kan geen sprake zijn van een onzichtbare tijdstroom. Er zijn volgens hem wel zoiets als "ogenblikken van tijd" en die noemt hij de "nu's". Het zijn afzonderlijke ordeningen van letterlijk alles in het universum in een bepaalde verhouding tot elkaar en op elk moment. Tijd is een illusie. Beweging is ook een illusie. Wat bij hem niet duidelijk wordt is de wijze waarop de mens door deze "nu's" beweegt. En hoe het komt dat de mens de tijd toch als een lineair verlopend proces ervaart. Op de een of andere wijze "reizen" we van het ene "nu" naar het andere "nu". Volgens Barbour heeft een "nu" geen tijdsduur, geen lengte, geen verandering. Een "nu" is eeuwigdurend, want er verandert niets. Dat is ook de reden dat wij een "nu" als een flits ervaren. Omdat er niets verandert! Kijk, dit gaat mij nou net iets te ver. Dit is mystieke onzin. Voor een bepaald gedeelte van zijn theorie kan ik wel wat voelen. Maar dat ligt dan toch meer in de buurt van de recente wetenschappelijke resultaten van de kwantummechanica. Je zou bijvoorbeeld de "nu's " van Barbour gelijk kunnen stellen aan de fundamentele Plancktijd van 10/-43 sec.
Er is nog heel wat neurologisch onderzoek nodig om duidelijk te maken waarom de mens de tijd ervaart als een lineair verlopend proces, terwijl steeds duidelijker wordt dat ons universum een statische, oneindige en eeuwigdurende entiteit is. Een willekeurig gerealiseerde mogelijkheid als "keuze" uit oneindig veel mogelijkheden.
Zelf heb ik een theorie ontwikkelt die iets zegt over het “einde”van het universum. Het is natuurlijk een lekentheorie en als zodanig helemaal niet interessant . Hij zal wetenschappelijk ongetwijfeld aan alle kanten rammelen, maar ik heb hem in ieder geval wel zelf bedacht. Over deze theorie zal ik in de toekomst meer vertellen. Ik moet eerst alle wetenschappers, op wiens schouders ik me in evenwicht probeer te houden, erbij zoeken en bronvermeldingen maken.
En je moet maar denken: al die flauwekul houd me voorlopig wel van de straat.
Hieronder volgt niet een romantische verhandeling over de tijd, maar een min of meer natuurwetenschappelijke beschouwing over wat tijd is en/of zou kunnen zijn.
Tegenwoordig wordt de definitie van de seconde als basale tijdseenheid niet langer bepaalt door de rotatie van de aarde, maar door de trillingen van atoomkernen bv. de trillingen van cesiumatomen. Trillingen die uiterst constant zijn in de tijd. Met de cesiumklok in Frankfurt controleert men o.m. de bewegingen van hemellichamen. Astronomen hebben te maken met onvoorstelbaar grote tijdseenheden. Het heelal is ongeveer tussen de 15 en de 20 miljard lichtjaren oud/groot, waarbij de snelheid van het licht 300.000 kilometer per seconde bedraagt! De virtuele grootte van het heelal bedraagt 10/3000 (tien tot de 3000ste).
Naast deze enorme grootheden is er ook de wereld van atomen en subatomaire elementaire deeltjes. Deze deeltjes kennen vervaltijden (dat is de gemiddelde duur van het bestaan van een instabiel deeltje, ofwel de tijd waarna van de oorspronkelijke hoeveelheid nog precies 36,8% over is), die zo extreem kort zijn dat het ieders begrip te boven gaat. Bij de kortste tijdspanne die we bij tijdmeting in de praktijk gebruiken, spreken we van de elementaire tijd. Dat is tien tot de min drieëntwintigste (een honderd triljardste) seconde. Dit is de tijd die het licht nodig heeft om door een electron te gaan. Het electron is echter nog groot vergeleken met de zgn. superstrings, topologische structuren van een veeldimensionale ruimtetijd.
De algemene en speciale relativiteitstheorie, maar ook de kwantummechanica geven ons een geheel nieuwe kijk op de aard van de tijd. Blijkens de bevindingen van de kwantummechanica verloopt de tijd niet vloeiend, maar in afzonderlijke sprongen. De afzonderlijke tijdseenheden, de tijdquanta, zijn daarbij uitzonderlijk klein. Het zijn de kortste tijdsspannen die we kennen, namelijk de fundamentele Plancktijd. Deze bedraagt tien tot de min drieenveertigste seconde (hierna door mij te schrijven als 10/-43 sec.). In dit licht bezien is het dus zinloos om te vragen wat er plaatsvond tussen het tijdstip nul en het einde der Planckperiode (10/-43 sec.). Niets!! (d.w.z in ons eigen ruimte-tijdcontinuüm). Elk proces duurt ten minste 10/-43 seconde. Omdat geen enkel tijdpunt exacter dan tot op de 10/-43 kan worden aangegeven, is het tijdstip nul in feite niet precies en exact aan te geven. De Planckperiode komt overeen met de looptijd van het licht over de fundamentele Plancklengte = 10/-33 centimeter. Ruimte en tijd zijn dus in absolute zin kwantificeerbaar.
In de microcosmos beweegt elk deeltje op zijn eigen tijdlijn. Wanneer deeltjes op elkaar inwerken door gravitatie of electromagnetische krachten dan coïncideren hun tijdlijnen. Is dit echter niet het geval, dan kan een elementair deeltje op een tijdlijn lopen die niet met onze tijdlijn samenvalt. Er zijn derhalve meerdere tijdsdimensies.
Tijd treedt dus op in kleinste, niet verder deelbare porties, tijdquanta genoemd, die naar alle waarschijnlijkheid in drie dimensies voorkomen. De tijd ordent, veroorzaakt eigenlijk de causaliteit, waarmede bepaalde gebeurtenissen zich aan ons voordoen. Deze opeenvolging is onomkeerbaar in de macrocosmos. In de microcosmos is dit dus anders.
Er zijn echter nog meer theorieën aangaande de tijd.
In het boek "Universe without Time" (ik weet niet zeker of het zo heet!) van Einstein en Godel wordt tijd gezien als een getalsmatige ordening van een onomkeerbare materiële verandering die zich afspeelt in de niet-tijdgebonden fysieke ruimte. Ruimte-tijd bestaat niet als een materiële, als een fysieke werkelijkheid. Het bestaat slechts als een wiskundig model waarbinnen de irreversibele stroom van materiële verandering wordt beschreven, die zich afspeelt binnen die niet-tijdgebonden fysieke ruimte (A-temporal Physical Space).
Einstein zag het universum als zich niet in de tijd bevindend. Alles binnen het universum gehoorzaamde aan duidelijke en bewijsbare natuurwetten. "God dobbelt niet". Hier werd Einstein het niet eens met Niels Bohr, die veel meer oog had voor het chaotische, kwantummechanische element.
Julian Barbour, een zgn. vrije wetenschapper, heeft een zeer afwijkende mening over de tijd. Zijn opvatting is dat de tijd niet bestaat. Er kan geen sprake zijn van een onzichtbare tijdstroom. Er zijn volgens hem wel zoiets als "ogenblikken van tijd" en die noemt hij de "nu's". Het zijn afzonderlijke ordeningen van letterlijk alles in het universum in een bepaalde verhouding tot elkaar en op elk moment. Tijd is een illusie. Beweging is ook een illusie. Wat bij hem niet duidelijk wordt is de wijze waarop de mens door deze "nu's" beweegt. En hoe het komt dat de mens de tijd toch als een lineair verlopend proces ervaart. Op de een of andere wijze "reizen" we van het ene "nu" naar het andere "nu". Volgens Barbour heeft een "nu" geen tijdsduur, geen lengte, geen verandering. Een "nu" is eeuwigdurend, want er verandert niets. Dat is ook de reden dat wij een "nu" als een flits ervaren. Omdat er niets verandert! Kijk, dit gaat mij nou net iets te ver. Dit is mystieke onzin. Voor een bepaald gedeelte van zijn theorie kan ik wel wat voelen. Maar dat ligt dan toch meer in de buurt van de recente wetenschappelijke resultaten van de kwantummechanica. Je zou bijvoorbeeld de "nu's " van Barbour gelijk kunnen stellen aan de fundamentele Plancktijd van 10/-43 sec.
Er is nog heel wat neurologisch onderzoek nodig om duidelijk te maken waarom de mens de tijd ervaart als een lineair verlopend proces, terwijl steeds duidelijker wordt dat ons universum een statische, oneindige en eeuwigdurende entiteit is. Een willekeurig gerealiseerde mogelijkheid als "keuze" uit oneindig veel mogelijkheden.
Zelf heb ik een theorie ontwikkelt die iets zegt over het “einde”van het universum. Het is natuurlijk een lekentheorie en als zodanig helemaal niet interessant . Hij zal wetenschappelijk ongetwijfeld aan alle kanten rammelen, maar ik heb hem in ieder geval wel zelf bedacht. Over deze theorie zal ik in de toekomst meer vertellen. Ik moet eerst alle wetenschappers, op wiens schouders ik me in evenwicht probeer te houden, erbij zoeken en bronvermeldingen maken.
En je moet maar denken: al die flauwekul houd me voorlopig wel van de straat.
Verdrietig na een nare droom,
met mist in beide ogen.
Mijn lichaam voelt nog lam en loom.
Mijn tranen moeten drogen.
Haar verraad hangt dreigend aan mijn ziel.
Haar keuze voor een ander.
En alles wat haar niet beviel,
beviel wel in mijn tegenstander
Strompelend zoek ik tastend,
de splinternieuwe dag
nog licht verdoofd door nachtfantomen,
wetend dat het aan mij niet lag,
maar toch gebeurt het in je dromen.
Als de mist is opgetrokken,
en de dag weer werkelijk wordt,
begint je leven onverschrokken,
het “zelf” met zekerheid omgordt.
Je praat, gebaart met stelligheden.
De nacht vergeten, weggezet.
De stokpaarden van stal gehaald,
met moed en trots bereden.
Maar aan het eind van elke rit,
wacht altijd weer het bed,
om de dag uit je lijf te stelen.
en wordt je net op tijd gered.
met mist in beide ogen.
Mijn lichaam voelt nog lam en loom.
Mijn tranen moeten drogen.
Haar verraad hangt dreigend aan mijn ziel.
Haar keuze voor een ander.
En alles wat haar niet beviel,
beviel wel in mijn tegenstander
Strompelend zoek ik tastend,
de splinternieuwe dag
nog licht verdoofd door nachtfantomen,
wetend dat het aan mij niet lag,
maar toch gebeurt het in je dromen.
Als de mist is opgetrokken,
en de dag weer werkelijk wordt,
begint je leven onverschrokken,
het “zelf” met zekerheid omgordt.
Je praat, gebaart met stelligheden.
De nacht vergeten, weggezet.
De stokpaarden van stal gehaald,
met moed en trots bereden.
Maar aan het eind van elke rit,
wacht altijd weer het bed,
om de dag uit je lijf te stelen.
en wordt je net op tijd gered.
Kwebbelend en kwakend,
klets ik me door de dag
Woorden blijven komen,
en stromen eindeloos,
zonder enig echt gezag.
Het norse zwijgen van de ander,
Dreigend en vol gevaar,
zegt meer dan mijn snelle zinnen,
dan mijn vluchtig handgebaar
Wat ik denk, dat wil ik zeggen,
en acht ik van belang.
Woorden en wapperende handen,
Want voor stiltes ben ik bang.
Wat ik denk is licht en vluchtig,
voor diepgang niet genoeg.
Die stilte, lang en dreigend,
is een rust waar ik niet om vroeg
De ander is een vreemde,
een saai onleesbaar boek.
En ik, ik blijf maar praten,
terwijl ik naar de juiste woorden zoek.
Ik blijf de ander ergeren
met mijn woorden van ach en wee.
Nog wil hij niet van mij vluchten,
en zwijgt uit verwaten beleefdheid,
met al mijn woorden mee.
Ja, dan hij met zijn mooie gedachten,
met zijn ideeën zo helder en klaar,
hij moet mij wel verachten.
Hij vindt mij onecht en raar
Hij wil zijn eigen juwelen slijten,
maar dan wel aan iemand die zwijgt
aan iemand met diepe gedachten,
die ook naar zijn stilte neigt.
Hij bekijkt mij, verstoord en meewarig,
schudt even zijn wijze hoofd,
en blaast dan deskundig de aftocht,
waarmee hij mijn woorden dooft
Mijn geblaat, gezeur en geneuzel,
galmen na in zijn grote geest.
Maar nu kan hij weer zwijgen,
Hij is nooit een prater geweest.
Dit gedicht is gemaakt naar aanleiding van de zeer spaarzame contacten met mijn zwager De broer van mijn echtgenote. Mijn zwager is onderwijzer. Hoofdonderwijzer. Tegenwoordig heet dat directeur . Mijn zwager wil liever niet met mij praten. Hij heeft dat vroeger wel eens gedaan. Maar dat is hem kennelijk niet goed bekomen. Ik praat maar aan en klets hem min of meer de oren van de kop. Overigens niet met de bekende persoonlijke prietpraat, al zeg ik het zelf. Nee, ik wil het liefst praten over kosmologie, het universum of over bepaalde nog niet opgeloste filosofische problemen. Meningen uitwisselen. Wijzer worden. Oplossingen zoeken voor politieke en/of maatschappelijke problemen. Ik wil eigenlijk overal wel over praten, als het dus maar niet over die onbenullige piemeldingen gaat. Zoals: ik voel dit, en toen zei jij nog dat, en toen dacht ik , nou dat gaat ook lekker, en toen zei jij weer dat, maar ik wist niet waarom, zodat ik weer zei dat jij, en zo maar door. Dat wil ik dus echt niet. Maar over alle andere dingen die interessant zijn praat ik honderduit. Mijn zwager vind dat maar niets. Mijn zwager is onderwijzer. Ik moet luisteren. Hij praat. Heel gewichtig. Met kuchjes en zo. En als ik me verstout om wat te zeggen, dan antwoordt hij veelal met: “je begrijpt het niet, ik zal het nog een keer uitleggen”. Ook als ik het gewoon niet met hem eens ben. Beroepsdeformatie dus. Praten met mijn zwager is altijd een wedstrijd. Zo in de geest van: wie praat wie vanavond onder de tafel. Een soort lijsttrekkersdebat. Niet leuk en niets voor mij. Zinnen die hij vaak bezigt zijn: "Ik ben blij dat jij niet voor mijn klas staat!!!!". "Ik ben blij dat jij niet met de ouders van leerlingen praat!!!". "Allemaal vage intellectuele onzin!!". "Wat een raar intellectueel geklets!!!". Nee, mijn zwager moet mij niet en naar ik vermoed heeft hij ook niet veel op met al die, in zijn ogen, pseudo-intellectuelen, waarbij hij mij uiteraard weer als eerst aangewezene op de korrel heeft. Volgens hem gaat er niets boven het gewone gezonde boerenverstand. En eigenlijk zou ik hem daarom best wel aardig kunnen vinden. Ik ben, tot op zekere hoogte, ook wel voor boerenverstand en zo. Maar helaas is een echte dialoog daarover met mijn zwager niet mogelijk omdat hij mij ver onder zijn ethische niveau acht. Hij ziet mij niet zitten, die zwager van mij.
O ja, nu heeft hij het weer steeds (nou ja, steeds!) over Bernard Mandeville, een obscure Engels-Nederlandse laat zeventiende-eeuwse arts die liefhebberde in de filosofie. “ Principal target of his polemics was hypocrisy. For Mandeville, behind the mask of respectability and virtue, lay a Hobbesian egoism, which had to be faced up to in any throughgoing moral, political, and economic theory, and he was prepared to follow the consequences for all three of these area's. "The fable of the bees". The bees mirror the egoistic qualities of the individuals who make up our present market-orientated society”. De zeventiende eeuwse evenknie van mijn zwager dus. De gefrustreerde arts die, net als mijn zwager , alles en iedereen doorziet. Kan het nog duidelijker! En natuurlijk ben ik voor hem één van die principeloze, opportunistische rotbijen van Mandeville, die zich opblazen als brulkikkers maar onder de minste of geringste stress leeglopen als een te vaak geplakte fietsband. Doe maar gewoon, dan doe je al raar genoeg. Dat is zijn motto. Het enige wat ik daar tegenover kan zetten is: Leve de werkelijk vrije mens!!
Neen, voor hem ben ik de vleesgeworden onwaarachtigheid. Kitsch!!! Volgens oude calvinistisch opvattingen: “A pompous fool”. En ik? Ik heb er mee leren leven.
klets ik me door de dag
Woorden blijven komen,
en stromen eindeloos,
zonder enig echt gezag.
Het norse zwijgen van de ander,
Dreigend en vol gevaar,
zegt meer dan mijn snelle zinnen,
dan mijn vluchtig handgebaar
Wat ik denk, dat wil ik zeggen,
en acht ik van belang.
Woorden en wapperende handen,
Want voor stiltes ben ik bang.
Wat ik denk is licht en vluchtig,
voor diepgang niet genoeg.
Die stilte, lang en dreigend,
is een rust waar ik niet om vroeg
De ander is een vreemde,
een saai onleesbaar boek.
En ik, ik blijf maar praten,
terwijl ik naar de juiste woorden zoek.
Ik blijf de ander ergeren
met mijn woorden van ach en wee.
Nog wil hij niet van mij vluchten,
en zwijgt uit verwaten beleefdheid,
met al mijn woorden mee.
Ja, dan hij met zijn mooie gedachten,
met zijn ideeën zo helder en klaar,
hij moet mij wel verachten.
Hij vindt mij onecht en raar
Hij wil zijn eigen juwelen slijten,
maar dan wel aan iemand die zwijgt
aan iemand met diepe gedachten,
die ook naar zijn stilte neigt.
Hij bekijkt mij, verstoord en meewarig,
schudt even zijn wijze hoofd,
en blaast dan deskundig de aftocht,
waarmee hij mijn woorden dooft
Mijn geblaat, gezeur en geneuzel,
galmen na in zijn grote geest.
Maar nu kan hij weer zwijgen,
Hij is nooit een prater geweest.
Dit gedicht is gemaakt naar aanleiding van de zeer spaarzame contacten met mijn zwager De broer van mijn echtgenote. Mijn zwager is onderwijzer. Hoofdonderwijzer. Tegenwoordig heet dat directeur . Mijn zwager wil liever niet met mij praten. Hij heeft dat vroeger wel eens gedaan. Maar dat is hem kennelijk niet goed bekomen. Ik praat maar aan en klets hem min of meer de oren van de kop. Overigens niet met de bekende persoonlijke prietpraat, al zeg ik het zelf. Nee, ik wil het liefst praten over kosmologie, het universum of over bepaalde nog niet opgeloste filosofische problemen. Meningen uitwisselen. Wijzer worden. Oplossingen zoeken voor politieke en/of maatschappelijke problemen. Ik wil eigenlijk overal wel over praten, als het dus maar niet over die onbenullige piemeldingen gaat. Zoals: ik voel dit, en toen zei jij nog dat, en toen dacht ik , nou dat gaat ook lekker, en toen zei jij weer dat, maar ik wist niet waarom, zodat ik weer zei dat jij, en zo maar door. Dat wil ik dus echt niet. Maar over alle andere dingen die interessant zijn praat ik honderduit. Mijn zwager vind dat maar niets. Mijn zwager is onderwijzer. Ik moet luisteren. Hij praat. Heel gewichtig. Met kuchjes en zo. En als ik me verstout om wat te zeggen, dan antwoordt hij veelal met: “je begrijpt het niet, ik zal het nog een keer uitleggen”. Ook als ik het gewoon niet met hem eens ben. Beroepsdeformatie dus. Praten met mijn zwager is altijd een wedstrijd. Zo in de geest van: wie praat wie vanavond onder de tafel. Een soort lijsttrekkersdebat. Niet leuk en niets voor mij. Zinnen die hij vaak bezigt zijn: "Ik ben blij dat jij niet voor mijn klas staat!!!!". "Ik ben blij dat jij niet met de ouders van leerlingen praat!!!". "Allemaal vage intellectuele onzin!!". "Wat een raar intellectueel geklets!!!". Nee, mijn zwager moet mij niet en naar ik vermoed heeft hij ook niet veel op met al die, in zijn ogen, pseudo-intellectuelen, waarbij hij mij uiteraard weer als eerst aangewezene op de korrel heeft. Volgens hem gaat er niets boven het gewone gezonde boerenverstand. En eigenlijk zou ik hem daarom best wel aardig kunnen vinden. Ik ben, tot op zekere hoogte, ook wel voor boerenverstand en zo. Maar helaas is een echte dialoog daarover met mijn zwager niet mogelijk omdat hij mij ver onder zijn ethische niveau acht. Hij ziet mij niet zitten, die zwager van mij.
O ja, nu heeft hij het weer steeds (nou ja, steeds!) over Bernard Mandeville, een obscure Engels-Nederlandse laat zeventiende-eeuwse arts die liefhebberde in de filosofie. “ Principal target of his polemics was hypocrisy. For Mandeville, behind the mask of respectability and virtue, lay a Hobbesian egoism, which had to be faced up to in any throughgoing moral, political, and economic theory, and he was prepared to follow the consequences for all three of these area's. "The fable of the bees". The bees mirror the egoistic qualities of the individuals who make up our present market-orientated society”. De zeventiende eeuwse evenknie van mijn zwager dus. De gefrustreerde arts die, net als mijn zwager , alles en iedereen doorziet. Kan het nog duidelijker! En natuurlijk ben ik voor hem één van die principeloze, opportunistische rotbijen van Mandeville, die zich opblazen als brulkikkers maar onder de minste of geringste stress leeglopen als een te vaak geplakte fietsband. Doe maar gewoon, dan doe je al raar genoeg. Dat is zijn motto. Het enige wat ik daar tegenover kan zetten is: Leve de werkelijk vrije mens!!
Neen, voor hem ben ik de vleesgeworden onwaarachtigheid. Kitsch!!! Volgens oude calvinistisch opvattingen: “A pompous fool”. En ik? Ik heb er mee leren leven.
Soms leg ik, stil, mijn oor te luisteren
bij mensen van rang en van stand.
Vaak hoor ik hen dan heimelijk fluisteren
over de hoed en over de rand.
Ze praten voorzichtig,
de ogen gericht,
op prangende kwesties
van landelijk gewicht.
Ze gebaren heftig,
met deftig gezicht,
ze zwellen en zweven
naar hemelse sferen
en zuchten gelaten
onder publiekelijke plicht.
Ze stijgen en stijgen,
ze stijgen steeds meer,
het voetvolk blijft beneden
en van hemelse hoogte
roept men luid en steeds weer
hier mogen de burgers niet treden.
Dit is gewijde, zeer heilige grond.
Slechts bestemd voor uw eigen elite.
Houdt nu eens even uw grote mond,
laat ons eerst zelf eens genieten.
Wij denken voor u en voor al wat u lief is,
wij schenken u welvaart en vrede.
Het welzijn dat moet u dan zelf maar doen,
daarvoor komen wij niet naar beneden.
bij mensen van rang en van stand.
Vaak hoor ik hen dan heimelijk fluisteren
over de hoed en over de rand.
Ze praten voorzichtig,
de ogen gericht,
op prangende kwesties
van landelijk gewicht.
Ze gebaren heftig,
met deftig gezicht,
ze zwellen en zweven
naar hemelse sferen
en zuchten gelaten
onder publiekelijke plicht.
Ze stijgen en stijgen,
ze stijgen steeds meer,
het voetvolk blijft beneden
en van hemelse hoogte
roept men luid en steeds weer
hier mogen de burgers niet treden.
Dit is gewijde, zeer heilige grond.
Slechts bestemd voor uw eigen elite.
Houdt nu eens even uw grote mond,
laat ons eerst zelf eens genieten.
Wij denken voor u en voor al wat u lief is,
wij schenken u welvaart en vrede.
Het welzijn dat moet u dan zelf maar doen,
daarvoor komen wij niet naar beneden.
Een mogelijk snel einde van ons heelal en tevens een lesje in bescheidenheid!
donderdag 10 april 2008 16:01
Het in het verschiet liggende einde van ons zonnestelsel mag als
algemeen bekend worden verondersteld. Door de toegenomen
lichtkracht (10%) zal de aarde over 500 miljoen jaar
hoogstwaarschijnlijk al onbewoonbaar zijn geworden. De lichtkracht
blijft toenemen, terwijl de zon zich ontwikkelt tot een zogenaamde
rode reus (straal ongeveer 20 maal zo groot als nu). Dan volgt de
heliumflits (het helium begint in een thermonucleaire reactie te
smelten tot koolstof). Zo ongeveer 100 miljoen jaar na de
heliumflits zwelt de zon enorm op en de lichtkracht stijgt tot
tienduizend maal de huidige waarde. De radius van de zon wordt
honderd keer zo groot als nu en de zon verandert in een rode
superreus. Het lot van de aarde is onzeker. Het nog niet duidelijk
of de aarde als planeet dit geweld zal overleven. Dit stadium
duurt, cosmologisch gezien, niet lang. De rode superreus wordt een
witte dwerg (diameter die overeenkomt met de aarde). Uiteindelijk
eindigt de zon als een koude, super zware, onzichtbare zwarte
dwerg, over ongeveer 16 miljard jaar.
Maar er is een, zij het zeer kleine, mogelijkheid, dat ons hele universum op een andere, snellere wijze zal eindigen. Anders dus dan de hiervoor geschetste gang van zaken.
Als men de kwantummechanica consequent toepast op de cosmologie, dan leidt dit namelijk tot het inzicht dat het heelal ook plotseling, zonder enige voorafgaande waarschuwing, ineen kan storten. Ons universum wordt dan in één klap totaal vernietigd. En misschien komt een dergelijke vernietigingsgolf nu al met de snelheid van vele malen de lichtsnelheid op ons afgestormd, zonder dat we er ook maar het geringste vermoeden van hebben.
Sinds 1982 houden twee natuurkundigen, Sidney Coleman en Frank de Luccia, zich bezig met het zogenaamde vacuümverval door gravitatiewerking. Vacuümverval lijkt een absurd begrip te zijn. Gezien echter in het licht van de kwantummechanica, behoeft de oorspronkelijke klassieke voorstelling van vacuüm als een absoluut lege ruimte, aanpassing. Een absoluut lege ruimte bestaat namelijk niet. En het was heer Einstein die de gravitatie beschreef in zijn algemene relativiteitstheorie.
Voor de moderne voorstelling van vacuüm moeten we dus bij de kwantummechanica zijn. Het kwantumvacuüm heeft een paar saillante eigenschappen : er zijn meerdere kwantumvacuüms, die door hun energieniveaus van elkaar zijn te onderscheiden. Het natuurkundig vacuüm (het ons bekende vacuüm) kan beschreven worden als een toestand van laagste energie. In dit vacuüm zijn geen reële deeltjes aanwezig. Maar wel een enorme hoeveelheid van allerlei soorten virtuele deeltjes, die uiteraard niet direct kunnen worden waargenomen.Ze bestaan binnen de enge grenzen die gedicteerd worden door de onzekerheidsrelatie van Heisenberg. Het product van de onzekerheid van de positie van een deeltje en de onzekerheid van de impuls van een deeltje is altijd groter of hoogstens gelijk aan een waarde die het werkingskwantum van Planck wordt genoemd ( 6,625 . 10/-34J . s). Plaats en impuls van een deeltje zijn zogenaamde complementaire grootheden. Ook de gezamenlijk levensduur en energie van een deeltje zijn complementaire grootheden. Reële deeltjes zijn dus altijd gelijk aan of groter dan het werkingskwantum van Planck! Daarom zijn deeltjes, die binnen de grenzen van de onzekerheidsrelatie opnieuw vervallen niet waarneembaar en worden ze virtueel genoemd. Het natuurkundig vacuüm is vol met virtuele, dus niet direct waarneembare deeltjes, die spontaan verschijnen en weer verdwijnen. Zoals reeds eerder gezegd, kunnen, als er sterke gravitatievelden en/of electromagnetische velden zijn, virtuele deeltjes ook reële deeltjes worden. Dit kan men proefondervindelijk in een laboratorium waarnemen.
Blijkens het onzekerheidsprincipe kan een energieniveau NUL (uit de klassieke fysica) niet absoluut bepaald worden. Als men de grondtoestand van het vacuüm als NUL voorstelt, dan schommelen de meetwaarden van de energiedichtheid altijd tussen kleine positieve en kleine negatieve waarden. Men spreekt van kwantumvacuümfluctuatie.
Het kwantumvacuüm speelt een enorm belangrijke rol in de allervroegste fase van ons heelal. Er bestaat een klassiek standaardmodel van de oerknal. Met dit model zijn drie problemen helaas niet op te lossen t.w. het horizonprobleem, het vlakheidsprobleem en het ontbreken van de magnetische monopool. Ik zal hier verder niet al te diep op ingaan. De problemen konden echter worden opgelost door een scenario van een "inflatiefase"in te bouwen in de oerknaltheorie. Tussen de 10/-35 en de 10/-33 seconde na de oerknal (10/-43 sec.), dus in een extreem korte tijdsperiode, zette het universum exponentieel uit. Vanuit een nietig volume met een diameter van een proton ontstond een ruimte met een diameter van miljarden lichtjaren. Het mechanisme van de inflatie kan als volgt worden verduidelijkt: vòòr de inflatiefase bevond het heelal zich in een staat van een vacuüm met een extreem hoge energiedichtheid. Stelt men dat het vacuüm een grondtoestand NUL had, dan was er sprake van een negatieve energiedichtheid, iets wat in de klassieke fysica niet voorkomt. Deze negatieve energiedichtheid veroorzaakte een extreem negatieve druk (Poincaré-druk). De negatieve vacuümenergie van het onvoorstelbaar hete universum leidde tot de inflatie, totdat de temperatuur was gedaald tot 10/27 Kelvin en de normale toestand zich herstelde.
Fase-overgang van vals naar echt vacuüm gaat gepaard met een reeks (reeds eerder genoemde) symmetriebrekingen: krachten ontkoppelen van elkaar en elementaire deeltjes ontstaan. Dit gehele scenario wordt "verval van het vacuüm" genoemd. Het valse vacuüm is een instabiele toestand. Volgens de wetten van de natuurkunde verlopen de processen zodanig dat uit een staat met hoge energie zich een staat met minder energie ontwikkelt. Wie kan echter garanderen dat ons echte vacuüm de staat is met het laagste energieniveau. Misschien bestaat er nog wel een vacuüm met een nog lager energieniveau. Misschien handelt het bij ons vacuüm wel om een zeer langlevend, metastabiel vacuüm. Dit zou inhouden dat ons huidige vacuüm over korte of langere tijd ook zou kunnen vervallen. Spontaan. Zonder reden! Op een willekeurig punt in het universum. Deze nieuwe faseovergang zal zich als een lawine met ongekende snelheid (>s) over het hele universum uitbreiden. Daarbij zal alles vervallen. De materie in de ons bekende vorm verdwijnt. Het betekent het plotselinge einde van het universum in zijn bestaande structuur.
Enkele Japanse natuurkundigen hebben de mogelijkheid besproken dat in grote deeltjesversnellers, waar deeltjes met grote snelheid op elkaar botsen, in extreme gevallen een dergelijk vacuümverval in gang kan worden gezet. Binnen een fractie van een seconde zou onze aarde zijn verdwenen. Dit gebeuren zou natuurlijk wel de kroon op al het werk van de homo sapiens zijn! De mens is God geworden en in één klap vernietigd hij het universum. In de loop van 2008 gaat men bij CERN met de LHC dergelijke experimenten starten. U bent gewaarschuwd!
Ik heb bovenstaand stukje vorig jaar geschreven. Ik weet niet zeker of ik het op mijn vorige weblog heb gezet.
Inmiddels is het 2008. Repent, you sinners, the end is near!!
Maar er is een, zij het zeer kleine, mogelijkheid, dat ons hele universum op een andere, snellere wijze zal eindigen. Anders dus dan de hiervoor geschetste gang van zaken.
Als men de kwantummechanica consequent toepast op de cosmologie, dan leidt dit namelijk tot het inzicht dat het heelal ook plotseling, zonder enige voorafgaande waarschuwing, ineen kan storten. Ons universum wordt dan in één klap totaal vernietigd. En misschien komt een dergelijke vernietigingsgolf nu al met de snelheid van vele malen de lichtsnelheid op ons afgestormd, zonder dat we er ook maar het geringste vermoeden van hebben.
Sinds 1982 houden twee natuurkundigen, Sidney Coleman en Frank de Luccia, zich bezig met het zogenaamde vacuümverval door gravitatiewerking. Vacuümverval lijkt een absurd begrip te zijn. Gezien echter in het licht van de kwantummechanica, behoeft de oorspronkelijke klassieke voorstelling van vacuüm als een absoluut lege ruimte, aanpassing. Een absoluut lege ruimte bestaat namelijk niet. En het was heer Einstein die de gravitatie beschreef in zijn algemene relativiteitstheorie.
Voor de moderne voorstelling van vacuüm moeten we dus bij de kwantummechanica zijn. Het kwantumvacuüm heeft een paar saillante eigenschappen : er zijn meerdere kwantumvacuüms, die door hun energieniveaus van elkaar zijn te onderscheiden. Het natuurkundig vacuüm (het ons bekende vacuüm) kan beschreven worden als een toestand van laagste energie. In dit vacuüm zijn geen reële deeltjes aanwezig. Maar wel een enorme hoeveelheid van allerlei soorten virtuele deeltjes, die uiteraard niet direct kunnen worden waargenomen.Ze bestaan binnen de enge grenzen die gedicteerd worden door de onzekerheidsrelatie van Heisenberg. Het product van de onzekerheid van de positie van een deeltje en de onzekerheid van de impuls van een deeltje is altijd groter of hoogstens gelijk aan een waarde die het werkingskwantum van Planck wordt genoemd ( 6,625 . 10/-34J . s). Plaats en impuls van een deeltje zijn zogenaamde complementaire grootheden. Ook de gezamenlijk levensduur en energie van een deeltje zijn complementaire grootheden. Reële deeltjes zijn dus altijd gelijk aan of groter dan het werkingskwantum van Planck! Daarom zijn deeltjes, die binnen de grenzen van de onzekerheidsrelatie opnieuw vervallen niet waarneembaar en worden ze virtueel genoemd. Het natuurkundig vacuüm is vol met virtuele, dus niet direct waarneembare deeltjes, die spontaan verschijnen en weer verdwijnen. Zoals reeds eerder gezegd, kunnen, als er sterke gravitatievelden en/of electromagnetische velden zijn, virtuele deeltjes ook reële deeltjes worden. Dit kan men proefondervindelijk in een laboratorium waarnemen.
Blijkens het onzekerheidsprincipe kan een energieniveau NUL (uit de klassieke fysica) niet absoluut bepaald worden. Als men de grondtoestand van het vacuüm als NUL voorstelt, dan schommelen de meetwaarden van de energiedichtheid altijd tussen kleine positieve en kleine negatieve waarden. Men spreekt van kwantumvacuümfluctuatie.
Het kwantumvacuüm speelt een enorm belangrijke rol in de allervroegste fase van ons heelal. Er bestaat een klassiek standaardmodel van de oerknal. Met dit model zijn drie problemen helaas niet op te lossen t.w. het horizonprobleem, het vlakheidsprobleem en het ontbreken van de magnetische monopool. Ik zal hier verder niet al te diep op ingaan. De problemen konden echter worden opgelost door een scenario van een "inflatiefase"in te bouwen in de oerknaltheorie. Tussen de 10/-35 en de 10/-33 seconde na de oerknal (10/-43 sec.), dus in een extreem korte tijdsperiode, zette het universum exponentieel uit. Vanuit een nietig volume met een diameter van een proton ontstond een ruimte met een diameter van miljarden lichtjaren. Het mechanisme van de inflatie kan als volgt worden verduidelijkt: vòòr de inflatiefase bevond het heelal zich in een staat van een vacuüm met een extreem hoge energiedichtheid. Stelt men dat het vacuüm een grondtoestand NUL had, dan was er sprake van een negatieve energiedichtheid, iets wat in de klassieke fysica niet voorkomt. Deze negatieve energiedichtheid veroorzaakte een extreem negatieve druk (Poincaré-druk). De negatieve vacuümenergie van het onvoorstelbaar hete universum leidde tot de inflatie, totdat de temperatuur was gedaald tot 10/27 Kelvin en de normale toestand zich herstelde.
Fase-overgang van vals naar echt vacuüm gaat gepaard met een reeks (reeds eerder genoemde) symmetriebrekingen: krachten ontkoppelen van elkaar en elementaire deeltjes ontstaan. Dit gehele scenario wordt "verval van het vacuüm" genoemd. Het valse vacuüm is een instabiele toestand. Volgens de wetten van de natuurkunde verlopen de processen zodanig dat uit een staat met hoge energie zich een staat met minder energie ontwikkelt. Wie kan echter garanderen dat ons echte vacuüm de staat is met het laagste energieniveau. Misschien bestaat er nog wel een vacuüm met een nog lager energieniveau. Misschien handelt het bij ons vacuüm wel om een zeer langlevend, metastabiel vacuüm. Dit zou inhouden dat ons huidige vacuüm over korte of langere tijd ook zou kunnen vervallen. Spontaan. Zonder reden! Op een willekeurig punt in het universum. Deze nieuwe faseovergang zal zich als een lawine met ongekende snelheid (>s) over het hele universum uitbreiden. Daarbij zal alles vervallen. De materie in de ons bekende vorm verdwijnt. Het betekent het plotselinge einde van het universum in zijn bestaande structuur.
Enkele Japanse natuurkundigen hebben de mogelijkheid besproken dat in grote deeltjesversnellers, waar deeltjes met grote snelheid op elkaar botsen, in extreme gevallen een dergelijk vacuümverval in gang kan worden gezet. Binnen een fractie van een seconde zou onze aarde zijn verdwenen. Dit gebeuren zou natuurlijk wel de kroon op al het werk van de homo sapiens zijn! De mens is God geworden en in één klap vernietigd hij het universum. In de loop van 2008 gaat men bij CERN met de LHC dergelijke experimenten starten. U bent gewaarschuwd!
Ik heb bovenstaand stukje vorig jaar geschreven. Ik weet niet zeker of ik het op mijn vorige weblog heb gezet.
Inmiddels is het 2008. Repent, you sinners, the end is near!!
“Reedlijk willen stroomt over de aarde”
“En die stroom rijst al meer en meer”
Het moet niet gekker worden
Eigenlijk is het al te gek,
diepe decadentie,
en “Het Ideaal” verworden
tot een molensteen om onze nek
De schavuiten en bandieten,
alle schurken en het dieventuig,
kunnen nu zichzelf genieten,
op de nieuwe leugenbuis.
Dat circuit van papegaaien
zeurt ons allen doof en daas.
De Schavuiten blijven graaien,
voor hen is het altijd Sint-Niklaas
Ze profileren zich als helden,
pijlers waar ons land op rust.
Gelukkig kan ik u dan melden,
dat het leugens zijn van lieden,
slechts op geld en macht belust.
Het zijn de vuige kapitalisten
met harten zo hard als staal
die leven van leugens en listen
en u steeds weer opnieuw bedriegen
met hun sluwe en mooie verhaal.
Ze zien zich als de Kroonkurk,
waar de natie zo fier op drijft,
maar u heeft niets te vreten,
en zij zorgen dat het zo blijft.
Aanwijzing van de dichter: Na het versterven van de laatste dichtregel moeten de klanken van de "Internationale" klinken. Het liefst gezongen door gebrekkige mensen van boven de 90 jaar. Gedicht moet worden voorgelezen in een morsige bedrijfskantine in de haven van Rotterdam door een norse man van midden veertig, met een knoestig, door de jaargetijden getekend gezicht. En hij moet een bruin manchesters pak aan hebben.
Mocht men zich aan de bovenstaande aanwijzingen van de "dichter" niet willen houden dan zullen de schuldigen getroffen worden door de toorn Gods tot in het derde geslacht.
“En die stroom rijst al meer en meer”
Het moet niet gekker worden
Eigenlijk is het al te gek,
diepe decadentie,
en “Het Ideaal” verworden
tot een molensteen om onze nek
De schavuiten en bandieten,
alle schurken en het dieventuig,
kunnen nu zichzelf genieten,
op de nieuwe leugenbuis.
Dat circuit van papegaaien
zeurt ons allen doof en daas.
De Schavuiten blijven graaien,
voor hen is het altijd Sint-Niklaas
Ze profileren zich als helden,
pijlers waar ons land op rust.
Gelukkig kan ik u dan melden,
dat het leugens zijn van lieden,
slechts op geld en macht belust.
Het zijn de vuige kapitalisten
met harten zo hard als staal
die leven van leugens en listen
en u steeds weer opnieuw bedriegen
met hun sluwe en mooie verhaal.
Ze zien zich als de Kroonkurk,
waar de natie zo fier op drijft,
maar u heeft niets te vreten,
en zij zorgen dat het zo blijft.
Aanwijzing van de dichter: Na het versterven van de laatste dichtregel moeten de klanken van de "Internationale" klinken. Het liefst gezongen door gebrekkige mensen van boven de 90 jaar. Gedicht moet worden voorgelezen in een morsige bedrijfskantine in de haven van Rotterdam door een norse man van midden veertig, met een knoestig, door de jaargetijden getekend gezicht. En hij moet een bruin manchesters pak aan hebben.
Mocht men zich aan de bovenstaande aanwijzingen van de "dichter" niet willen houden dan zullen de schuldigen getroffen worden door de toorn Gods tot in het derde geslacht.
De komst van de zomer.
Op de vleugels van de lentewind
reist ook de nieuwe zomer;
en geruchten van zijn komst, mijn kind,
maken mijn leven nu al lomer.
Het zachte, heldere, snel groeiende groen
onderschrijft met tere geuren,
onze schuchtere eerste liefdeszoen,
tussen steeds mooiere zomerkleuren,
terwijl telkens veranderende plekken licht,
van warme zonnenstralen,
goudgeel, gespikkeld, soms uit het zicht
onder donkere bomen dwalen.
Of zoals Osho zegt:
Ik zit stil
en doe niets,
maar de lente komt,
en het gras groeit vanzelf.
Op de vleugels van de lentewind
reist ook de nieuwe zomer;
en geruchten van zijn komst, mijn kind,
maken mijn leven nu al lomer.
Het zachte, heldere, snel groeiende groen
onderschrijft met tere geuren,
onze schuchtere eerste liefdeszoen,
tussen steeds mooiere zomerkleuren,
terwijl telkens veranderende plekken licht,
van warme zonnenstralen,
goudgeel, gespikkeld, soms uit het zicht
onder donkere bomen dwalen.
Of zoals Osho zegt:
Ik zit stil
en doe niets,
maar de lente komt,
en het gras groeit vanzelf.
Al die toestanden van de laatste tijd. Het gaat niet goed met
Nederland. Hoe zou dat nou komen? Ik moet er maar eens een
eigenwijze analyse op los laten.
Na de oorlog moest Nederland weer opgebouwd worden. Nederland moest herrijzen. Maar het moest ook anders dan voor de oorlog. En het ging ook anders. De zuilen werden geslecht onder de bezielende leiding van het egalitaire socialisme. Het generatieconflict werd uitgevochten op de barricaden van de zestiger jaren en de VS hielp ons op weg naar onze eigen interpretatie van de “American way of life”. Ontkerkelijking en democratisering waren belangrijke thema’s. Iedereen, ongeacht zijn afkomst, kon gaan studeren en sociaal stijgen. De laatste restanten van de standenmaatschappij werden overboord gegooid. Om de continuïteit van de stijging van de materiele welvaart te garanderen werden hele cohorten gastarbeiders naar het goede Vaderland gelokt. Eerst uit Spanje en Italië, later uit Turkije en Marokko. Het kon niet op!
Na nog wat idealistisch nasputteren in de jaren zeventig en tachtig, werden de jaren negentig het terrein van de werkgevers en hun handlangers bij de overheid, die met behulp van vooral de commerciële media, het enorm gegroeide aanbod van consumptiegoederen en een tsunami aan allerlei soorten managementcursussen, de inmiddels tot de middenklasse opgeklommen arbeider wisten om te vormen tot een volgzame en marktgerichte consument. Zelfs het gedachtegoed van de socialisten ontkwam niet aan de steeds grotere invloed van het grootkapitaal en het marktdenken. De rode haan raakte van verwarring in de rui en verloor al zijn prachtige ideologische veren. Mannen als Kok en Bos werden de nieuwe realistische leiders van de PvdA en maakte gemene zaak met de grootverdieners. Paars werd geboren en het socialisme ging verloren. PvdA en VVD werden één pot nat.
Kind van de rekening was de enorme grote groep mensen die als residu op de bodem van de emancipatiezeef achterbleef. Zij hadden, door factoren veelal in de persoon gelegen, de slag gemist en gingen deel uitmaken van de bekende “35%” van de CDA-profeet Lubbers. Later door Pim met de hondjes “de onderklasse” genoemd. Deze “onderklasse” zou het, volgens de traditionele liberalen en de conservatieve confessionelen, aan zichzelf te danken hebben dat zij de boot had gemist. Het ging om de grote groep mensen, meestal laag opgeleid, vaak wonend in achterstandswijken en niet erg in trek op de arbeidsmarkt, die via de commerciële kijkbuis bestookt werd met verleidelijke “glamour and glitter”- beelden en verhalen afkomstig uit ethisch geërodeerde kringen die zelf wel volop profiteerden van de steeds verder toenemende welvaart. En omdat deze “onderklasse” inmiddels economisch sterk gemarginaliseerd was geraakt door gebrek aan koopkracht en organisatie, was ze voor de bestaande “oude” politiek ,electoraal gezien, bijna een quantité negligable geworden. En nu wordt het spannend!
Want wat hebben we hier? Een sneue, achtergestelde groep, die wel graag mee wil delen in de opzichtige materiele welvaart, maar het inkomen en de capaciteiten mist om aan dat verlangen tegemoet te kunnen komen. Resultaat: rancune en frustratie. De politici: allemaal graaiers en zakkenvullers, die veel beloven en niets doen. Den Haag: een broeinest van oude achterkamertjespolitiek onder een verhullende kaasstolp. Allemaal volgens de kretologie van de onderklasse.
En zie, daar is Pim met de hondjes, die precies aanvoelt wat dit volk wil en die, zoals hij zelf ook zegt, als gemankeerde wetenschapper behoorlijk gefrustreerd is geraakt. Hij roept op tot strijd tegen de enige nog niet geëmancipeerde groep in Nederland, namelijk onze allochtonen, waarvan de meesten , aldus Pim met de hondjes, aanhangers zijn van een volkomen achterlijke godsdienst. En ligt het dan niet voor de hand om die achterlijke godsdienst te gebruiken om onze allochtoon, die nu plotseling moslim heet, te ridiculiseren en te demoniseren.
Echter, voordat hij minister-president kan worden, wordt hij door een onverlaat op brute wijze vermoord. De eerste politieke moord in Nederland sinds de moorden op de broertjes Johan en Cornelis de Witt. En dan nu dus de moord op onze eigen Pim, die de boeken in gaat als “Die afschuwelijke moord op Pim Fortuyn”.
Duidelijk is inmiddels geworden dat onze allochtonen en de witte “onderklasse” elkaar beconcurreren op de zelfde markten. Dit, en de pregnante cultuurverschillen, moeten noodzakelijkerwijs wel leiden tot onderlinge animositeit. Het enige dat de witte “onderklasse” onderscheidt van de groep allochtonen is het feit dat zij échte Nederlanders zijn. En daar zijn ze plotseling heel erg trots op! Nederlanders met een koningin, met een mooie vlag en met een eigen geschiedenis, die ze overigens zelf niet kennen. Maar ondanks dit alles zullen onze allochtonen de onderlinge concurrentiestrijd gaan winnen. Zij hebben veel meer potentieel en zijn nog maar net begonnen met hun emancipatiestrijd. De witte “onderklasse” is een residu zonder enige potentie, met een hele lading angst, boosheid, frustratie en rancune. Een grote groep mensen die zich nu weer bezig is te verzamelen onder het banier van een paar opportunistische politieke gelukszoekers. Bange, boze mensen die zich willen laten leiden door populisten zoals Wilders en Verdonk, omdat die twee eindelijk zullen gaan doen wat zij vragen/eisen. Mensen overigens, die geen weet hebben van het werkelijke programma van Wilders en Verdonk. Een programma dat, gezien de voorgeschiedenis van beide gelukszoekers, tragischerwijze voor hen niet veel goeds inhoudt. Maar ook hier zal hun eigen enorme waarheid gelden: politici (ook populisten) beloven wel veel, maar komen die beloften nooit na.
Na de oorlog moest Nederland weer opgebouwd worden. Nederland moest herrijzen. Maar het moest ook anders dan voor de oorlog. En het ging ook anders. De zuilen werden geslecht onder de bezielende leiding van het egalitaire socialisme. Het generatieconflict werd uitgevochten op de barricaden van de zestiger jaren en de VS hielp ons op weg naar onze eigen interpretatie van de “American way of life”. Ontkerkelijking en democratisering waren belangrijke thema’s. Iedereen, ongeacht zijn afkomst, kon gaan studeren en sociaal stijgen. De laatste restanten van de standenmaatschappij werden overboord gegooid. Om de continuïteit van de stijging van de materiele welvaart te garanderen werden hele cohorten gastarbeiders naar het goede Vaderland gelokt. Eerst uit Spanje en Italië, later uit Turkije en Marokko. Het kon niet op!
Na nog wat idealistisch nasputteren in de jaren zeventig en tachtig, werden de jaren negentig het terrein van de werkgevers en hun handlangers bij de overheid, die met behulp van vooral de commerciële media, het enorm gegroeide aanbod van consumptiegoederen en een tsunami aan allerlei soorten managementcursussen, de inmiddels tot de middenklasse opgeklommen arbeider wisten om te vormen tot een volgzame en marktgerichte consument. Zelfs het gedachtegoed van de socialisten ontkwam niet aan de steeds grotere invloed van het grootkapitaal en het marktdenken. De rode haan raakte van verwarring in de rui en verloor al zijn prachtige ideologische veren. Mannen als Kok en Bos werden de nieuwe realistische leiders van de PvdA en maakte gemene zaak met de grootverdieners. Paars werd geboren en het socialisme ging verloren. PvdA en VVD werden één pot nat.
Kind van de rekening was de enorme grote groep mensen die als residu op de bodem van de emancipatiezeef achterbleef. Zij hadden, door factoren veelal in de persoon gelegen, de slag gemist en gingen deel uitmaken van de bekende “35%” van de CDA-profeet Lubbers. Later door Pim met de hondjes “de onderklasse” genoemd. Deze “onderklasse” zou het, volgens de traditionele liberalen en de conservatieve confessionelen, aan zichzelf te danken hebben dat zij de boot had gemist. Het ging om de grote groep mensen, meestal laag opgeleid, vaak wonend in achterstandswijken en niet erg in trek op de arbeidsmarkt, die via de commerciële kijkbuis bestookt werd met verleidelijke “glamour and glitter”- beelden en verhalen afkomstig uit ethisch geërodeerde kringen die zelf wel volop profiteerden van de steeds verder toenemende welvaart. En omdat deze “onderklasse” inmiddels economisch sterk gemarginaliseerd was geraakt door gebrek aan koopkracht en organisatie, was ze voor de bestaande “oude” politiek ,electoraal gezien, bijna een quantité negligable geworden. En nu wordt het spannend!
Want wat hebben we hier? Een sneue, achtergestelde groep, die wel graag mee wil delen in de opzichtige materiele welvaart, maar het inkomen en de capaciteiten mist om aan dat verlangen tegemoet te kunnen komen. Resultaat: rancune en frustratie. De politici: allemaal graaiers en zakkenvullers, die veel beloven en niets doen. Den Haag: een broeinest van oude achterkamertjespolitiek onder een verhullende kaasstolp. Allemaal volgens de kretologie van de onderklasse.
En zie, daar is Pim met de hondjes, die precies aanvoelt wat dit volk wil en die, zoals hij zelf ook zegt, als gemankeerde wetenschapper behoorlijk gefrustreerd is geraakt. Hij roept op tot strijd tegen de enige nog niet geëmancipeerde groep in Nederland, namelijk onze allochtonen, waarvan de meesten , aldus Pim met de hondjes, aanhangers zijn van een volkomen achterlijke godsdienst. En ligt het dan niet voor de hand om die achterlijke godsdienst te gebruiken om onze allochtoon, die nu plotseling moslim heet, te ridiculiseren en te demoniseren.
Echter, voordat hij minister-president kan worden, wordt hij door een onverlaat op brute wijze vermoord. De eerste politieke moord in Nederland sinds de moorden op de broertjes Johan en Cornelis de Witt. En dan nu dus de moord op onze eigen Pim, die de boeken in gaat als “Die afschuwelijke moord op Pim Fortuyn”.
Duidelijk is inmiddels geworden dat onze allochtonen en de witte “onderklasse” elkaar beconcurreren op de zelfde markten. Dit, en de pregnante cultuurverschillen, moeten noodzakelijkerwijs wel leiden tot onderlinge animositeit. Het enige dat de witte “onderklasse” onderscheidt van de groep allochtonen is het feit dat zij échte Nederlanders zijn. En daar zijn ze plotseling heel erg trots op! Nederlanders met een koningin, met een mooie vlag en met een eigen geschiedenis, die ze overigens zelf niet kennen. Maar ondanks dit alles zullen onze allochtonen de onderlinge concurrentiestrijd gaan winnen. Zij hebben veel meer potentieel en zijn nog maar net begonnen met hun emancipatiestrijd. De witte “onderklasse” is een residu zonder enige potentie, met een hele lading angst, boosheid, frustratie en rancune. Een grote groep mensen die zich nu weer bezig is te verzamelen onder het banier van een paar opportunistische politieke gelukszoekers. Bange, boze mensen die zich willen laten leiden door populisten zoals Wilders en Verdonk, omdat die twee eindelijk zullen gaan doen wat zij vragen/eisen. Mensen overigens, die geen weet hebben van het werkelijke programma van Wilders en Verdonk. Een programma dat, gezien de voorgeschiedenis van beide gelukszoekers, tragischerwijze voor hen niet veel goeds inhoudt. Maar ook hier zal hun eigen enorme waarheid gelden: politici (ook populisten) beloven wel veel, maar komen die beloften nooit na.

Het enige dat
ik echt weet, is dat ik niets weet.
Max is een
luie rooie kater. Heel erg lief. Hij is er altijd als je hem nodig
hebt. Overigens ook als je hem niet nodig hebt.
Dit bureau is
afkomstig uit de boedel van mijn ouderlijk thuis. Aan dit bureau
maak ik meestal mijn gedichten en allerlei andere onzin. Nou ja,
onzin? Indachtig hetgeen Marjolein Februari in een van haar columns
schreef zou ik mijzelf moeten behoeden voor al te veel zelfkritiek,
omdat zelfkritiek vaak het mechanisme van de narcist is om
kritische opmerkingen op een oneigenlijke, niet inhoudelijke wijze
te neutraliseren. Oppassen geblazen dus. Ik maak gedichten omdat ik
het leuk vind met de taal bezig te zijn. Het is voor mij daarbij
van groot belang dat er een melodie in het gedicht zit. En dat een
gedicht rijmt. Ik weet het, erg ouderwets. Maar als muzikant vind
ik de melodie belangrijk. En het rijm geeft een gedicht altijd iets
ambachtelijks. Gedichten moeten niet al te vrolijk zijn. Somber en
donker, met veel pathos en bombast en overgoten met de onmisbare
saus van de ironie. Zonder ironie kan ik niet dichten. Steeds moet
ook die verre echo van zelfspot in het gedicht doorklinken. Meestal
door niemand te horen, behalve gelukkig wel door mijzelf. Leve de
heer Poe en de heer Lovecraft. Een constante bezieling.
