Onder de rook van een stad


De berm langs het jaagpad is geel en groen en een beetje wit. Maar toch vooral geel. Veel geel.
Niet eerder zag ik zo veel boterbloemen als dit voorjaar. Een zee van geel. Goudgeel. Pardon: boter-geel.
Als kind dacht ik dat boterbloemen zo genoemd werden omdat koeien ze aten om boter van te maken. (Melk gemengd met boterbloemen maakt boter!)
Wist ik veel dat boterbloemen giftig zijn en vee er helemaal niet aankomt; de planten hebben een onaangename, sterke smaak.
Ik loop door het geel, kniel er midden in. Ik ga er tussen liggen. Boterbloemen boven mijn hoofd. Geel tegen blauw. Handenvol plukte ik er vroeger van om er - om en om met madeliefjes- kransen van te vlechten.
Vandaag plukte ik er geen handenvol maar een paar. Samen met grashalmen en een tak akkerscherm maakte ik er een bosje van.
Ik zette ze voor de groene muur, voor de paarse en voor het witte raamscherm maar ik kreeg het boterbloemen-gevoel niet goed op papier.
Boterbloemen zijn pas echt als het er veel zijn.
Een berm vol.
Tekst + beeldmateriaal: Canina
Sorry hoor, dat het 'Onder de rook' zo stil is. Er is wat gedoe,
kinken in de kabels, roet in het eten, dingen die niet gaan zoals
ze horen te gaan.
Er zijn blessures, mankementen, zorgen en er is wat droefenis. Niet allemaal heel, héél ernstig, maar wel zodanig dat het 't logleven beïnvloedt.
Al waar ik graag over schrijf of laat zien is er nog wel, maar wordt een beetje vertroebeld. Vertroebeld door beslommeringen.
En over beslommeringen log ik niet, wil ik niet loggen.
Maar... voor jullie allemaal en vooral voor alle lieve belangstellenden (die mailen of hier en daar een berichtje achter hebben gelaten) wil ik wel graag loggen. En dat doe ik dan maar in beeldtaal:
Een kus van Canina! (en een paar anderen...)
p.s.: Als je niet houdt van zoenende honden (en daar kan ik me wel wat bij voorstellen, zeker als ze net een bak pens op hebben of hun neus onder de staart van de kat hebben gestoken), draai dan gewoon je hoofd weg. Een hond ziet dat niet als een belediging. Sterker nog, je geeft daarmee aan dat jij de hoog-geplaatste bent. (En laat een hond dat nou fijn vinden... ;-))





Met dank aan alle fotografen, baasjes en honden:
Voor zover bekend (boven naar beneden en van links naar rechts):
1. Keprydak, 2. Missy Woodall, 3. onbekend, 4. Bullethc, 5. Zariok, 6. onbekend, 7. Yakatini, 8. onbekend, 9. onbekend, 10. onbekend, 11. onbekend, 12. onbekend, 13. Bob Christy, 14. Jenna Diana, 15. onbekend, 16. Smug-mug, 17. onbekend, 18. Kloudags, 19, onbekend 20. Jen&Nanook, 21. onbekend, 22. Laurie Graham, 23. onbekend, 24. GuaNy, 25. C0dy, 26. Joanne, 27. Redline, 28.Yestergirly, 29. onbekend, 30. onbekend, 31. Timitu
Er zijn blessures, mankementen, zorgen en er is wat droefenis. Niet allemaal heel, héél ernstig, maar wel zodanig dat het 't logleven beïnvloedt.
Al waar ik graag over schrijf of laat zien is er nog wel, maar wordt een beetje vertroebeld. Vertroebeld door beslommeringen.
En over beslommeringen log ik niet, wil ik niet loggen.
Maar... voor jullie allemaal en vooral voor alle lieve belangstellenden (die mailen of hier en daar een berichtje achter hebben gelaten) wil ik wel graag loggen. En dat doe ik dan maar in beeldtaal:
Een kus van Canina! (en een paar anderen...)
p.s.: Als je niet houdt van zoenende honden (en daar kan ik me wel wat bij voorstellen, zeker als ze net een bak pens op hebben of hun neus onder de staart van de kat hebben gestoken), draai dan gewoon je hoofd weg. Een hond ziet dat niet als een belediging. Sterker nog, je geeft daarmee aan dat jij de hoog-geplaatste bent. (En laat een hond dat nou fijn vinden... ;-))





Met dank aan alle fotografen, baasjes en honden:
Voor zover bekend (boven naar beneden en van links naar rechts):
1. Keprydak, 2. Missy Woodall, 3. onbekend, 4. Bullethc, 5. Zariok, 6. onbekend, 7. Yakatini, 8. onbekend, 9. onbekend, 10. onbekend, 11. onbekend, 12. onbekend, 13. Bob Christy, 14. Jenna Diana, 15. onbekend, 16. Smug-mug, 17. onbekend, 18. Kloudags, 19, onbekend 20. Jen&Nanook, 21. onbekend, 22. Laurie Graham, 23. onbekend, 24. GuaNy, 25. C0dy, 26. Joanne, 27. Redline, 28.Yestergirly, 29. onbekend, 30. onbekend, 31. Timitu
In het weitje van onze buurtboerderij dartelt de lente: lammetjes
en bruin-gevlekte geitjes. Een toompje kippen met hun kuikens. Uren
kan ik in de berm zitten, tussen de wilgen. En maar kijken.
Afgelopen weekend peddelden er twee eenden voor me in het slootje dat tussen de berm en het weiland loopt. Een mannetje met een prachtige gifgroene kop, en een vrouwtje. Nee, het waren er toch drie! In hun kielzog een eendenkuiken. Een beetje onbeholpen ging 'ie met holderbolderende zwempootjes achter de groters aan. Toen ze vlak bij me waren klommen ze op de kant.
Voorzichtig haalde ik mijn camera tevoorschijn. Maar hoe ik me ook in bochten wrong, pa en ma schermden hun enige jong zo goed af dat er maar één foto een beetje is gelukt.
Maar 't inspireerde me wel tot een lente-drieluik.

Bij het tekenen moest ik denken aan het drama met Snap. Een jaar of acht moet ik geweest zijn. Ingeklemd tussen mijn broer en zus op de achterbank van onze Ford Escort. Mijn vader en moeder voorin. Het was zondag, we waren vast bij mijn opa op bezoek geweest.
Op de snelweg, niet ver van huis, riep mijn moeder opeens: "Nico, kijk uit!"
Mijn vader draaide aan zijn stuur, keek in zijn achteruitkijkspiegel en reed al schokkend-remmend de vluchtstrook op. Zonder iets te zeggen gooide hij het portier open en snelde naar buiten.
Wij, achterin, verdrongen elkaar om te kijken wat er aan de hand was. Riepen: "Wattisser, wat doet pappa?"
Op dat moment zagen wij onze vader langs de auto rennen en tussen twee auto's door de snelweg op springen. Hij bukte zich en kwam op een holletje terug, de auto in. Het leek alsof hij iets in zijn handen geklemd had. Toen hoorden we een indringend piepen.
"Ach.... je hebt 'm!" zei mijn moeder.
Mijn vader draaide zich om, deed voorzichtig zijn handen van elkaar en daar zat, ineens stil, afwachtend, een donzig eendenkuiken.
"Liep goddomme in zijn dooie-pieren-eendje midden op de weg", bromde mijn vader. Mijn broer en zus schoten in de lach. Ik was met stomheid geslagen.
Dat mijn vader, mijn stugge, zwijgzame, bonkige vader, zomaar gestopt was voor een eendenkuiken. Dat hij het beestje - met gevaar voor eigen leven - van het asfalt had geraapt.
En toen hij het eendenkuiken ook nog aan mij gaf - ik de jongste, de vervelendste, die met dat eigenwijze achterhoofd - wist ik niet waar ik het zoeken moest.
Nooit was ik blijer, dankbaarder geweest dan op dat moment, die dag. De dag dat ik Snap, het eendenkuiken in mijn handen gedrukt kreeg.
Het geluk duurde maar kort, heel kort. De volgende dag liep Snap op zijn waggelpootjes onder een kastje door, vergat dat 'ie moest bukken en knalde keihard met zijn kleine kop tegen het hout en brak zijn nek.
Toen ik met de zieltogende Snap naar de keuken rende, waar mijn vader en moeder aan tafel zaten, stierf 'ie in mijn handen. Nooit zal ik de verwijtende blik van mijn vader vergeten. Nooit.
Tekst, foto en illustraties: Canina
Afgelopen weekend peddelden er twee eenden voor me in het slootje dat tussen de berm en het weiland loopt. Een mannetje met een prachtige gifgroene kop, en een vrouwtje. Nee, het waren er toch drie! In hun kielzog een eendenkuiken. Een beetje onbeholpen ging 'ie met holderbolderende zwempootjes achter de groters aan. Toen ze vlak bij me waren klommen ze op de kant.
Voorzichtig haalde ik mijn camera tevoorschijn. Maar hoe ik me ook in bochten wrong, pa en ma schermden hun enige jong zo goed af dat er maar één foto een beetje is gelukt.
Maar 't inspireerde me wel tot een lente-drieluik.

Bij het tekenen moest ik denken aan het drama met Snap. Een jaar of acht moet ik geweest zijn. Ingeklemd tussen mijn broer en zus op de achterbank van onze Ford Escort. Mijn vader en moeder voorin. Het was zondag, we waren vast bij mijn opa op bezoek geweest.
Op de snelweg, niet ver van huis, riep mijn moeder opeens: "Nico, kijk uit!"
Mijn vader draaide aan zijn stuur, keek in zijn achteruitkijkspiegel en reed al schokkend-remmend de vluchtstrook op. Zonder iets te zeggen gooide hij het portier open en snelde naar buiten.
Wij, achterin, verdrongen elkaar om te kijken wat er aan de hand was. Riepen: "Wattisser, wat doet pappa?"
Op dat moment zagen wij onze vader langs de auto rennen en tussen twee auto's door de snelweg op springen. Hij bukte zich en kwam op een holletje terug, de auto in. Het leek alsof hij iets in zijn handen geklemd had. Toen hoorden we een indringend piepen.
"Ach.... je hebt 'm!" zei mijn moeder.
Mijn vader draaide zich om, deed voorzichtig zijn handen van elkaar en daar zat, ineens stil, afwachtend, een donzig eendenkuiken.
"Liep goddomme in zijn dooie-pieren-eendje midden op de weg", bromde mijn vader. Mijn broer en zus schoten in de lach. Ik was met stomheid geslagen.
Dat mijn vader, mijn stugge, zwijgzame, bonkige vader, zomaar gestopt was voor een eendenkuiken. Dat hij het beestje - met gevaar voor eigen leven - van het asfalt had geraapt.
En toen hij het eendenkuiken ook nog aan mij gaf - ik de jongste, de vervelendste, die met dat eigenwijze achterhoofd - wist ik niet waar ik het zoeken moest.
Nooit was ik blijer, dankbaarder geweest dan op dat moment, die dag. De dag dat ik Snap, het eendenkuiken in mijn handen gedrukt kreeg.
Het geluk duurde maar kort, heel kort. De volgende dag liep Snap op zijn waggelpootjes onder een kastje door, vergat dat 'ie moest bukken en knalde keihard met zijn kleine kop tegen het hout en brak zijn nek.
Toen ik met de zieltogende Snap naar de keuken rende, waar mijn vader en moeder aan tafel zaten, stierf 'ie in mijn handen. Nooit zal ik de verwijtende blik van mijn vader vergeten. Nooit.
Tekst, foto en illustraties: Canina


‘Oké,
ik heb gedronken,’ zegt mijn vader. Hij legt de nadruk op
heb, alsof zijn bezoek aan de kroeg al een hele tijd geleden is en
dat hij heus, héús, niet dronken ís. Wat een onzin, dat wij dat
denken.Maar de alcoholwalm hangt om hem heen als het parfum waarmee Ciska zich onderspuit. Allesoverheersend, misselijkmakend.
Soms, als Ciska voor mij getelefoneerd heeft, stinkt de hoorn zo erg dat ik kokhalzend mijn gesprek voortijdig moet beëindigen.
‘Waar is jullie moeder?’ vraagt mijn vader, terwijl hij, een beetje uit het lood, midden in de kamer staat.
‘Onze moeder ligt boven op bed,’ zegt Ciska met de nadruk op onze.
Ik bijt op de binnenkant van mijn wang om niet in de lach te schieten. Het is alsof we een toneelstukje opvoeren met die onnatuurlijk beklemtoonde woorden en dat krampachtige staan midden in de huiskamer.
Ik besluit te gaan zitten in de schommelstoel bij het raam. Laat Ciska het maar oplossen, zij is tenslotte de oudste.
Mijn vader kreunt en begint door de kamer te lopen. Van de salontafel naar de boekenkast. Van de boekenkast naar de driezitsbank. Langzaam, geconcentreerd.
Ciska houdt hem met argusogen in de gaten. Ik schommel. Minuten verstrijken. Saai toneelstuk. Er moet iets gebeuren.
‘Onze moeder heeft de hele dag op zolder gezeten. Met het luik dicht. Zonder eten, zonder drinken. Vanaf vanochtend een uur of negen tot... Hoe laat kwam ze naar beneden, Cis?’
Mijn zus kijkt me strak aan, er trilt een spiertje bij haar oog.
‘Even denken hoor, tot een uur of acht, negen? Nou ja, net voor dat jij thuis kwam, pa.’
‘Ja, precies. Ze heeft nog heel even bij ons gezeten. We vroegen of ze iets wilde eten...’
‘Of drinken,’ zegt Ciska.
‘Maar ze wilde naar bed, ze was moe. Niet zo gek, ze heeft zo’n twaalf uur op de zolder doorgebracht.’
Mijn vader kreunt weer, doet er een stapje bovenop. Zijn ijsberen-passen krijgen iets koddigs. Hij wiebelt en wankelt, alsof hij op glad ijs loopt.
‘Nee hè, nog steeds dat gedoe. Dat teruggaan in het verleden. Al die kozen en disten open...’
‘Wat zeg je, pa?’ vraagt Ciska.
‘Dozen en kisten,’ zeg ik.
‘Ach, het gaat natuurlijk allemaal maar om één ding en dat is de koffer met boeken,’ zegt Ciska, terwijl ze een kussen van de bank trekt en aan mijn voeten gaat zitten.
Ze legt haar hoofd tegen mijn knieën. Met gespreide vingers kam ik door haar haar. Er zitten klitten in haar nek. Ze bromt van genoegen wanneer ik de haarstrengen probeer te ontwarren.
Pa klemt zich vast aan de deurpost. Hij kijkt niet naar ons maar naar zijn voeten. Ik weet waar hij aan denkt. Hij ziet, net als ik, net als Ciska, de gedeukte bruine koffer voor zich. De koffer vol met boeken die de vader van onze moeder schreef.
Boeken over planten en kruiden, over tincturen, pillen en poeders, zalven en crèmes. De boeken van opa, bij leven apotheker, mijn moeders meest dierbare bezit.
Hoe vaak hadden we haar niet aan de keukentafel zien zitten, de koffer met boeken aan haar voeten. Steeds nam ze er eentje uit, streelde de kaft en sloeg het open. Ze betastte en besnuffelde de bladzijden om het boek dan weer langzaam dicht te klappen, zonder een letter te lezen. Zo maakte ze een keurige stapel op haar schoot, om ze vervolgens weer een voor een terug te leggen in de koffer, haar schatkist.
De schatkist die mijn vader, nu precies een maand geleden, in een vlaag van opruimwoede, bij het vuilnis had gezet. Niet expres, natuurlijk niet. Hij wéét niet eens meer dat hij het gedaan heeft. Dat heb je er nou van als je zo veel drinkt.
Arme ma, ze kan het nog steeds niet geloven dat er geen enkel boek van opa bewaard is gebleven. Daarom sluit ze zich af en toe op tussen de spullen op zolder die uit haar ouderlijk huis zijn gekomen nadat opa en oma stierven.
‘Wat moet ik doen?’ mompelt mijn vader. Hij wrijft met draaiende bewegingen van zijn vingertoppen over zijn gezicht. Over zijn wangen, zijn ogen, over zijn voorhoofd. Hij knijpt in zijn haar. Strekt dan zijn armen naar ons uit, de handpalmen naar boven gekeerd. Genade vragend.
‘Ik denk niet dat je het goed kunt maken,’ zegt Ciska.
‘Nee, zou niet weten hoe,’ zeg ik.
‘Je had natuurlijk bij de Reinigingsdienst kunnen informeren, zo’n koffer met boeken gooien ze heus niet in de verbrandingsoven. Maar ja, dat had je wel meteen moeten doen. Is nu een beetje te laat.’
‘Ja, veel te laat,’ echo ik.
‘Gelukkig is het eendje er nog, hè Quint,’ zegt Ciska terwijl ze zich nog dichter tegen mijn knieën vleit.
Ik voel geen klitten meer en maak vlechtjes in haar haren. Pa, nog steeds met zijn armen gestrekt, kijkt ons aan. Ik zie dat het hem moeite kost. Zijn blik is lodderig, troebel. Maar vooral mismoedig.
‘Eentje?’ Ineens gloort er licht in zijn ogen. ‘Heeft ze er eentje gevonden! Maar dat is toch... geweldig!’
Hij zet een paar passen in onze richting, zijn armen nog verder voor zich uit strekkend, even heb ik het idee dat hij ons wil omhelzen, optillen.
‘Nee, een eendje, je weet wel, zo’n geel gummi badeendje. Ongelooflijk toch dat een klein stukje speelgoed zo veel herinneringen los weet te maken.’
‘Ja,’ haakt mijn zus aan, ‘en wat een wonder dat ze het eendje van de week terug vond. Wat vertelde ze ook al weer, Quinta?’
‘Ze vertelde dat ze, toen ze klein was, elke zaterdag in de teil ging.’
‘Want een douche of bad hadden ze toen nog niet,’ Ciska uitleggerig.
‘Die teil stond ‘s winters vlak bij de kachel. En op een keer gleed ze uit en brandde haar arm aan de gloeiend hete zijkant van die kachel. Het deed zo verschrikkelijk pijn dat ze, dat ze...,’ ik duw mijn knokkels in Ciska’s nek.
‘Er helemaal niet meer in durfde!’ zegt mijn zus, alsof ze de clou van een mop vertelt.
‘Ja, ècht! Wat opa en oma ook probeerden, ze deed niets anders dan tegenspartelen, huilen, krijsen, nou ja de hele mikmak.’
Mijn vader kijkt van mij naar mijn zus en weer terug. Zijn kin is op zijn borst gezakt, zijn mond een open wond.
‘Toen kreeg ze dus dat eendje van geel gummi. Opa stopte het in de teil en toen ze het zo vrolijk zag ronddobberen, stapte ze zonder te dralen het badwater in. Ongelooflijk hè, weg angst!’ Ik.
‘Vandaar een heel bijzonder eendje.’ Ciska.
Een zacht, ingehouden grinniken borrelt op uit mijn vaders keel. Hij schudt zijn hoofd, schokt met zijn schouders. Hikt, slikt en grijpt met twee handen naar zijn buik.
‘Alleen, nu kan ze dat eendje ook niet meer vinden!’ Ciska, luid en duidelijk.
‘Hij lag op de keukentafel, ten - min - ste,’ en ik proef elke afzonderlijke lettergreep, ‘ze zei dat ze hem daar voor het laatst gezien had.’
Pa stopt met lachen, plotsklaps. Hij kijk ons aan met een blik in zijn ogen alsof hij, uit het niets, totaal onverwacht, een stomp in zijn rug heeft gekregen.
Dat wat wij vermoeden, nee, dat wat wij zeker weten, dringt tot hem door. Hij is degene die vanochtend vroeg de vuilniszakken buiten heeft gezet. Hij heeft, mopperend omdat wij nooit iets opruimen, een paar uitgedroogde boterhammen, een lege melkdoos, de plastic verpakking van de kaas - een geel gummi eendje? - van de tafel geveegd en met één zwaai in de muil van de grijze afvalzak laten verdwijnen.
Hij weet het weer en begint te snikken. Tranen druppen uit zijn wijd open ogen, biggelen langs zijn wangen en spatten uiteen op de neuzen van Ciska’s laarzen. Ze trekt ze met een ruk weg en draait zich naar me om. ‘Zal ik nu jouw haar vlechten?’
Tekst en illustraties: Canina
(Eerder geplaats in Meander Magazine)
Al eerder schreef ik het:
altijd als ik de mooiste luchten zie, heb ik mijn camera niet bij
me.
Gisteravond weer. Echt de mooiste zonsondergang sinds dagen, weken, jaren misschien wel.
De plek speelde natuurlijk ook mee (Ackerdijkse plassen) omdat de zon, de lucht, en de bijna onwerkelijke kleuren ook nog eens weerspiegeld werden in het water.
Niets leent zich beter voor kleur dan krijt en enfin... hierbij het resultaat.
En nu niet zeggen: ja maar, Canina, die kleuren, dat kan toch niet!
Want nee, dat kan ook niet.
Ik heb nieuw fixatief en die blijkt de kleuren enorm te verdiepen, te verlevendigen ook wel.
Nou ja, ik beschouw het nu maar als een 'artist-impression' van een zonsondergang...
De 'boosdoener'!
Ik schreef het al eerder: eigenlijk ben ik te slordig voor krijt... ;-)
Tekst, pastel en foto's: Canina
Gisteravond weer. Echt de mooiste zonsondergang sinds dagen, weken, jaren misschien wel.
De plek speelde natuurlijk ook mee (Ackerdijkse plassen) omdat de zon, de lucht, en de bijna onwerkelijke kleuren ook nog eens weerspiegeld werden in het water.
Niets leent zich beter voor kleur dan krijt en enfin... hierbij het resultaat.
En nu niet zeggen: ja maar, Canina, die kleuren, dat kan toch niet!
Want nee, dat kan ook niet.
Ik heb nieuw fixatief en die blijkt de kleuren enorm te verdiepen, te verlevendigen ook wel.
Nou ja, ik beschouw het nu maar als een 'artist-impression' van een zonsondergang...
De 'boosdoener'!
Ik schreef het al eerder: eigenlijk ben ik te slordig voor krijt... ;-)
Tekst, pastel en foto's: Canina



Foto-strip: Canina
Ik teken wel maar kom niet verder dan ruwe schetsen, vellen vol
lijnen en vormen en sombere kleuren. Probeersels, half af.
Uitwerken kost me moeite.
Ik verzamel wel maar het heeft geen samenhang, geen kader. Leeuwenvrouwen, paardenmannen en zeewezens... de gemene deler ontbreekt.
Ik schrijf wel - zinnen, beginnetjes vooral- maar allemaal grof, slordig en de puf ontbreekt om er verhalen van te maken.
Drie keer een zin met ik beginnen... dat bedoel ik maar.
Is het de klad na de griep? Vermoeidheid omdat ik slecht slaap en vooral droom. Heel veel droom...
En als het nu nog hele interessante dromen waren maar net als mijn tekeningen, mijn verhalen en mijn verzamelingen zijn mijn dromen ruw en slordig, zonder samenhang, zonder kader.
Hoewel... vannacht droomde ik heel luid en duidelijk dat iedereen enorm aardig voor me was. Ik voelde me gekoesterd, bemind. Toen bleek dat iedereen zich zo voor me uitsloofde omdat ik nog maar kort te leven had.
Nooit eerder voorspellende dromen gehad dus echt veel zorgen maak ik me niet.
Maar ik vraag me wel af hoe dat nou moet de klad. Die zit er echt wel een beetje in...
Tekst en beeld: (Droom in blauw): Canina
Ik verzamel wel maar het heeft geen samenhang, geen kader. Leeuwenvrouwen, paardenmannen en zeewezens... de gemene deler ontbreekt.
Ik schrijf wel - zinnen, beginnetjes vooral- maar allemaal grof, slordig en de puf ontbreekt om er verhalen van te maken.
Drie keer een zin met ik beginnen... dat bedoel ik maar.
Is het de klad na de griep? Vermoeidheid omdat ik slecht slaap en vooral droom. Heel veel droom...
En als het nu nog hele interessante dromen waren maar net als mijn tekeningen, mijn verhalen en mijn verzamelingen zijn mijn dromen ruw en slordig, zonder samenhang, zonder kader.
Hoewel... vannacht droomde ik heel luid en duidelijk dat iedereen enorm aardig voor me was. Ik voelde me gekoesterd, bemind. Toen bleek dat iedereen zich zo voor me uitsloofde omdat ik nog maar kort te leven had.
Nooit eerder voorspellende dromen gehad dus echt veel zorgen maak ik me niet.
Maar ik vraag me wel af hoe dat nou moet de klad. Die zit er echt wel een beetje in...
Tekst en beeld: (Droom in blauw): Canina
Ze zien me graag komen. Met een bot of een nieuwe mand. Met een
behaaglijke schoot, een schone kattenbak. Of met een gietertje en
een beetje mest. Met kaarsen op tafel, een vers gebakken
appeltaart.
Zorgen of eigenlijk verzorgen. Dat is wat ik doe. Vaak en over het algemeen best graag. De honden en katten onder mijn dak varen er wel bij. Ook de planten - binnen én buiten - zien me graag komen. Zelfs de vissen in de buitenvijver schieten naar de oppervlakte als ze mij zien staan (met het groen-gele busje visvoer).
Ik zorg voor gezonde maaltijden. En voor de schone was. Ik zorg voor gezelligheid. Al vind mijn vriend mijn smaak op het gebied van 'snuisters' - een schelpenlamp, een verveloze Madonna-buste, een lijstje met een afbeelding van een hele schele uil - soms een beetje apart.
En als iemand of iets wat mankeert dan is mijn zorgen weergaloos. Ik week het pootje van een van mijn honden dagenlang in de Biotex omdat er een abces zit. Kat Brutus krijgt elke dag Cranberry voor zijn gevoelige blaas. Zieltogende planten worden van het ene raam naar het andere gesleept en een vis met witte stip wordt overgeheveld een aparte accu-bak voor extra contrôle.
En toen mijn vriend weken lang alleen nog maar plat op zijn rug kon liggen deed ik... alles.
Ook belangrijk om te melden: ik klaag niet als ik zorg. Nou ja, bijna niet. Het is fijn om te zien dat alles onder je handen welig groeit, tierig en tevreden is. Een bedankje, een compliment. Een zoen, lik of poot. Allemaal leuk en aardig.
Maar wat als de verzorger zelf zorg nodig heeft. Nou, dan wordt er moord en brand geschreeuwd. Niet door diegenen die nu zorg moeten missen, nee door de verzorgster zelf. Die zich ontpopt als een zeer onhebbelijk zieke.
Omdat zij (ik dus) vindt (vind) dat er voor haar helemaal niet goed gezorgd wordt. Geen fijne koele hand op het warme voorhoofd, geen citroenthee met honing maar 'gewone' English blend in een mok zonder oor. Er wordt niet om het uur aan haar gevraagd hoe het nu gaat. Sterker nog, vriendlief gaat gewoon werken!
Zelfs de vierpotigen in dit huis ziet zij amper. Kwam er nu maar eentje gezellig bij haar koude voeten liggen. Maar nee, ze hobbelen allemaal achter 'de baas' aan. Stelletje afvalligen.
Zelfs de narcissen in de pot voor het raam draaien hun koppen de andere kant op.
Dus zij, ik, de verzorgster, diegene die koestert en waakt, die troost en sust, die voedt en laaft, staakt! En hoest, snuft, kucht en zucht.
Ondertussen schets ik wat (een van de trouwelozen) met mijn fijne nieuwe conté-krijtjes, probeer orde te brengen in mijn 'rare-plaatjes'-archief (taart.jpg?) en wis ik mislukte foto's van mijn harde schijf (hoewel... zo'n mislukte wolf is ook wel weer grappig).
Hoe lang duurt griep eigenlijk?
Let op dat oor... eigenlijk wil 'ie er weer vandoor.
Wolfje wel heel dichtbij...
Zorgen of eigenlijk verzorgen. Dat is wat ik doe. Vaak en over het algemeen best graag. De honden en katten onder mijn dak varen er wel bij. Ook de planten - binnen én buiten - zien me graag komen. Zelfs de vissen in de buitenvijver schieten naar de oppervlakte als ze mij zien staan (met het groen-gele busje visvoer).
Ik zorg voor gezonde maaltijden. En voor de schone was. Ik zorg voor gezelligheid. Al vind mijn vriend mijn smaak op het gebied van 'snuisters' - een schelpenlamp, een verveloze Madonna-buste, een lijstje met een afbeelding van een hele schele uil - soms een beetje apart.
En als iemand of iets wat mankeert dan is mijn zorgen weergaloos. Ik week het pootje van een van mijn honden dagenlang in de Biotex omdat er een abces zit. Kat Brutus krijgt elke dag Cranberry voor zijn gevoelige blaas. Zieltogende planten worden van het ene raam naar het andere gesleept en een vis met witte stip wordt overgeheveld een aparte accu-bak voor extra contrôle.
En toen mijn vriend weken lang alleen nog maar plat op zijn rug kon liggen deed ik... alles.
Ook belangrijk om te melden: ik klaag niet als ik zorg. Nou ja, bijna niet. Het is fijn om te zien dat alles onder je handen welig groeit, tierig en tevreden is. Een bedankje, een compliment. Een zoen, lik of poot. Allemaal leuk en aardig.
Maar wat als de verzorger zelf zorg nodig heeft. Nou, dan wordt er moord en brand geschreeuwd. Niet door diegenen die nu zorg moeten missen, nee door de verzorgster zelf. Die zich ontpopt als een zeer onhebbelijk zieke.
Omdat zij (ik dus) vindt (vind) dat er voor haar helemaal niet goed gezorgd wordt. Geen fijne koele hand op het warme voorhoofd, geen citroenthee met honing maar 'gewone' English blend in een mok zonder oor. Er wordt niet om het uur aan haar gevraagd hoe het nu gaat. Sterker nog, vriendlief gaat gewoon werken!
Zelfs de vierpotigen in dit huis ziet zij amper. Kwam er nu maar eentje gezellig bij haar koude voeten liggen. Maar nee, ze hobbelen allemaal achter 'de baas' aan. Stelletje afvalligen.
Zelfs de narcissen in de pot voor het raam draaien hun koppen de andere kant op.
Dus zij, ik, de verzorgster, diegene die koestert en waakt, die troost en sust, die voedt en laaft, staakt! En hoest, snuft, kucht en zucht.
Ondertussen schets ik wat (een van de trouwelozen) met mijn fijne nieuwe conté-krijtjes, probeer orde te brengen in mijn 'rare-plaatjes'-archief (taart.jpg?) en wis ik mislukte foto's van mijn harde schijf (hoewel... zo'n mislukte wolf is ook wel weer grappig).
Hoe lang duurt griep eigenlijk?
Let op dat oor... eigenlijk wil 'ie er weer vandoor.
Wolfje wel heel dichtbij...

Mijn vader zat met een reddingsboei om zijn nek op de dekenkist in de gang. In zijn linkerhand een fles jenever. Naast hem zat oom Piet. Mijn vaders rechterarm lag over zijn schouders. Het glas in zijn hand hield hij zo scheef dat hij grote druppels morste op de mouw van Oom Piets hemelsblauwe overhemd.
‘Toen wij van Rotterdam vertrokken, met de Edam, een ouwe schuit,’ zong mijn vader.
‘Met kakkerlakken in de midscheeps en rattennesten in het vooruit,’ vulde Oom Piet aan.
‘Toen hadden we een kleine jongen als Ketelbink bij ons aan boord, die voor de eerste keer naar zee ging en nooit van haaien had gehoord,’ zongen mijn vader en Oom Piet tweestemmig. Het klonk huiveringwekkend mooi.
Mijn moeder en tante Jo pakten in de keuken de koeltas uit. We zouden naar de Efteling gaan, maar we gingen niet. Al vanaf negen uur hadden we, gepakt en gezakt, zitten wachten of het droog zou worden.
Puck en Ollie hadden zo lang voor het raam gestaan, hun neuzen plat tegen het glas gedrukt, dat hun grijze wolkjes adem er nog op te zien waren.
Ik had niet naar buiten gekeken. Het gekletter van de regendruppels tegen het raam overstemde het gedrein van mijn broertje en zusje; het was duidelijk een bui die niet snel over zou waaien.
Verveeld had ik op en neer gelopen tussen de keuken waar mijn moeder en tante Jo, druk kwebbelend, koffie aan het zetten waren en de zijkamer waar oom Piet en mijn vader over diens modelschepen gebogen zaten. Kijken met je handen op je rug, had mijn vader, voor de zoveelste keer, tegen me gezegd.
Na de koffie was de jeneverfles op tafel gekomen en mijn
vader, die nog altijd dacht dat hij kapitein was - we hadden zelfs
een patrijspoort in de voordeur - begon te verhalen over de wilde
vaart.Niet veel later had hij de reddingsboei van de muur gerukt en om zijn nek gehangen. Toen wist ik zeker dat we niet meer gingen, al werd het lichter.
Puck en Ollie hadden nog wel even gejengeld wanneer we nou zouden gá-háán, maar waren, toen mijn vader en oom Piet in het zingen van zeemansliederen waren los gebarsten, naar hun kamer gevlucht.
Wat een rotvakantie. Dit jaar blijven we thuis, maar we gaan wel leuke dingen doen, had mijn moeder gezegd.
Wat je leuk noemt: het Scheepvaartmuseum was saai, het Evoluon niks aan, en in het Dolfinarium was het zo druk dat ik alleen de staarten van dolfijnen had gezien wanneer ze hoog in de lucht door een hoepel sprongen.
Het weer was te slecht om naar het strand of de dierentuin te gaan. En nu was de vakantie bijna voorbij.
‘In het kleine café aan de haven, daar zijn de mensen gelijk en tevree,’ weergalmde het inmiddels huiveringwekkend vals in de gang.
Ik stond in de deuropening van de huiskamer en zag hoe mijn moeder bij Oom Piet op schoot zat. Tante Jo zat op de schoot van mijn vader. Ze giechelde hoog en kirrend.
Mijn moeder lachte ook maar haar ogen dwaalde steeds af naar de handen van mijn vader. Die lagen groot en vierkant op de dijen van tante Jo. Haar rok was opgekropen. Aan de bovenkant van haar kousen bobbelde roze vlees.
‘Wil je ook een borreltje, Jet?’ vroeg oom Piet terwijl hij een greep naar me deed. Ik deinsde achteruit.
‘Doe niet zo gek, ‘t kind is net veertien.’ Mijn moeder stond op, wankelde even en deed toen twee voorzichtige stappen in mijn richting. Tante Jo lachte als een paard.
‘Hopla,’ zei mijn vader en oom Piet zong: ‘Ach moederlief, toe drink niet meer’.
Mijn keel deed zeer en mijn ogen begonnen te branden. Waarom deden ze nou zo stom?
‘Ik vind het helemaal niet leuk meer, mamma.’
Mijn moeder pakte mijn gezicht beet. Haar handen waren warm. Ze keek me aan. Stonden er ook tranen in haar ogen?
‘We zijn alleen een beetje vrolijk. Dat geeft toch niet? Oom Piet en tante Jo gaan zo naar huis en dan gaan wij nog even naar de zwanen kijken, goed?’
De zwanen. Daar wilde ik wel tien keer per dag naar toe. Bij de vijver achter ons huis had ik een paar weken geleden een groot, rommelig nest in het riet ontdekt. De eieren waren een week geleden uitgekomen en de hele familie zwaan was inmiddels zo tam dat ze broodkorsten uit mijn hand aten.
‘Goed,’ zei ik.
Mijn moeder streek door mijn haar en gaf me een zet in de richting van de kamer van Puck en Ollie. ‘Ga maar even kijken wat je broertje en zusje uitspoken.’
Ik blikte nog even achterom. Oom Piet had nu ook zijn hoofd door de reddingsboei gewrongen. Wang aan wang met mijn vader herhaalde hij almaar: ‘toe drink niet meer, toe drink niet meer ...’
Tante Jo hing onderuit, met haar billen tussen de knieën van mijn vader en met haar hoofd tegen oom Piets borst. Mijn moeder stond er verloren bij.
‘De kaars. De kaars staat op tafel. De kaars brandt.
Dan komt de wind. Die waait heel hard. De wind blaast naar de
kaars. De vlam wordt klein. Dan is de kaars uit en ook dit
verhaal.’Sinds mijn zusje had ontdekt dat je van woorden zinnen kon maken en dat zinnen achter elkaar een verhaal vormden, deed ze niets anders dan: ‘de kaars’ - haar eerste en enige verhaal - voordragen.
Ollie zat met zijn handen tegen zijn oren gedrukt op het onderste bed van het stapelbed. Op het bovenste zat Puck.
‘De kaars. De kaars staat op tafel. De kaars...’
Snel klom ik naar haar toe. Met mijn hand voor haar mond legde ik haar het zwijgen op. ‘Hou op!’ siste ik in haar oor.
‘Gaan we naar de Efteling?’ Ollie klom, lenig als een aapje, ook omhoog. Met zijn knuffellap tegen zijn neus gedrukt en zijn duim in zijn mond kroop hij tegen me aan.
‘Ik denk het niet.’
Puck maakte grommende keelgeluiden. Ik haalde mijn hand van haar mond.
‘Gaan we dan morgen naar de Efteling?’ vroeg ze en vleide zich eveneens tegen me aan.
‘Misschien. Ik weet niet... Ik denk het niet.’
Ze keek naar me op, ik las de teleurstelling in haar ogen. Snel boog naar haar over en en en kuste haar warme wang.
‘Ikke ook,’ Het opgedroogde snot onder Ollie’s neus deed me griezelen; ik kuste hem op zijn warrige blonde haar.
‘Straks gaan we naar de zwanen. Een mannetjeszwaan en een vrouwtjeszwaan blijven hun hele leven bij elkaar. Wisten jullie dat?’
Ik wist het zelf ook pas sinds kort. Toen mijn moeder en ik voor de zoveelste keer met een zakje broodkorsten aan de rand van de vijver stonden, had ze het me verteld.
‘En wanneer één van de twee sterft, gaat de ander ook dood, van verdriet,’ zei ik en ik hoorde hoe mijn stem wankelde.
‘Watisser?’ vroeg Ollie en wreef met zijn knuffellap over mijn gezicht.
‘Niks...’
Ik sloeg mijn armen om Puck en Ollie heen en wiegde zachtjes heen en weer.
Arme kleine zwanenkuikens.

Tekst en digi-beeld: Canina
Foto's: uit eigen archief en dankzij Google afbeeldingen (met dank aan de naamloze fotografen)






Ze heersen over de nacht en over het leven. Ze zijn beschermers van
zeelieden en van moeders. Ze zorgen voor een rijke oogst of voor
het eeuwige leven. Bruiden van zonnengoden zijn het maar soms ook
hun dochters.
Ze omringen zich met dieren zoals Diana vergezeld wordt door een hert en Europa door een stier. Soms nemen ze ook de vorm aan van een dier, zoals de Indiaanse maangodin Huitaca die als een uil naar de maan vliegt. Ze symboliseren de wassende maan, de volle, en soms de donkere, de schaduwkant van de maan.
Maangodinnen dus. Al buigend en 'googelend' over de vraag of de maan nu een man of een vrouw is kwam ik er heel veel tegen. Erg interessant voor iemand die houdt van trivialiteiten en verzamelen. Met het gevolg dat ik nergens meer aan toe kwam, hopeloos verloren in sites over mythologie en hekserij. Dwalend van de ene naar de andere maangodin.
Mijn eigen 'maanvrouw' heeft niets van een godin maar ik heb me wel door de 'vrouwelijke' kant van de maan laten inspireren. Omdat ik haar maakte voor licht-technica N. heb ik haar Nuna genoemd (verbastering van N. en luna).

En voor wie nog niet genoeg kan krijgen van de combinatie maan en vrouw plaats ik hierbij een kleine selectie van echte maangodinnen uit allerlei windstreken en culturen.




Tekst en gouache "Nuna": Canina
Info uit Moonscapes door Rosemary Ellen Guiley
Verzameling beeldmateriaal via Google (dank aan alle helaas naamloze kunstenaars)
Ze omringen zich met dieren zoals Diana vergezeld wordt door een hert en Europa door een stier. Soms nemen ze ook de vorm aan van een dier, zoals de Indiaanse maangodin Huitaca die als een uil naar de maan vliegt. Ze symboliseren de wassende maan, de volle, en soms de donkere, de schaduwkant van de maan.
Maangodinnen dus. Al buigend en 'googelend' over de vraag of de maan nu een man of een vrouw is kwam ik er heel veel tegen. Erg interessant voor iemand die houdt van trivialiteiten en verzamelen. Met het gevolg dat ik nergens meer aan toe kwam, hopeloos verloren in sites over mythologie en hekserij. Dwalend van de ene naar de andere maangodin.
Mijn eigen 'maanvrouw' heeft niets van een godin maar ik heb me wel door de 'vrouwelijke' kant van de maan laten inspireren. Omdat ik haar maakte voor licht-technica N. heb ik haar Nuna genoemd (verbastering van N. en luna).

En voor wie nog niet genoeg kan krijgen van de combinatie maan en vrouw plaats ik hierbij een kleine selectie van echte maangodinnen uit allerlei windstreken en culturen.




Tekst en gouache "Nuna": Canina
Info uit Moonscapes door Rosemary Ellen Guiley
Verzameling beeldmateriaal via Google (dank aan alle helaas naamloze kunstenaars)
Sereen of sexy, mythisch of melancholisch. Naakt of gehuld in
sluiers en wapperende gewaden. Rokend, dansend, omarmend, strooiend
met sterren.
Vrouw en maan. Het blijkt een inspirerende combinatie. Voor zowel fotografen als tekenaars en schilders. Van vroeger en nu.
Een bevriend lichtontwerpster vroeg me of ik 'iets' wilde maken met een maan en een vrouw. Op zoek naar inspiratie kwam ik veel vrouwen en manen tegen. Héél veel vrouwen en manen.
Inmiddels weet ik wel hoe 'mijn' maanvrouw er uit zal gaan zien (en vooral ook hoe ze er niet moet zien...) maar ik wilde jullie toch graag mee laten genieten.
In de serie 'Canina's verzamelingen': De maan is een vrouw!




Tekst + verzameling digitaal beeldmateriaal via Google: Canina
(Met dank aan de alle jammergenoeg naamloze kunstenaars)
Vrouw en maan. Het blijkt een inspirerende combinatie. Voor zowel fotografen als tekenaars en schilders. Van vroeger en nu.
Een bevriend lichtontwerpster vroeg me of ik 'iets' wilde maken met een maan en een vrouw. Op zoek naar inspiratie kwam ik veel vrouwen en manen tegen. Héél veel vrouwen en manen.
Inmiddels weet ik wel hoe 'mijn' maanvrouw er uit zal gaan zien (en vooral ook hoe ze er niet moet zien...) maar ik wilde jullie toch graag mee laten genieten.
In de serie 'Canina's verzamelingen': De maan is een vrouw!




Tekst + verzameling digitaal beeldmateriaal via Google: Canina
(Met dank aan de alle jammergenoeg naamloze kunstenaars)
Ze zou zijn mond willen zijn, zijn lippen. Nee, het puntje van zijn
tong dat langs zijn lippen gaat. Ze wil bewegen in zijn mond, langs
zijn tanden, tegen zijn gehemelte, ze wil zich krullen en strekken.
Proeven van elk woord, elke letter keuren.
Nee, toch liever zijn lippen. Het plooien en buigen, tuiten en pruilen. Praten en praten. Snel, veel en onstuitbaar.
Eerst luisterde ze nooit naar hem, ze was niet geïnteresseerd in de betekenis van zijn woorden. Keek alleen hoe zijn mond al die woorden vormden. Stellige woorden, smalende woorden, wijze woorden. Woorden waarvan de letters uitgesmeerd werden, woorden waarbij hij de letters leek in te slikken.
Ze voelde zich bevoorrecht dat ze die mond van zo dichtbij kon bekijken, dat haar vingers zijn lippen mochten raken, dat er soms zelfs een streng van haar haar langs zijn lippen gleed.
Zelfs als ze met hem bezig was praatte hij door, zijn mond stond geen ogenblik stil. Dat was lastig maar ze zei er nooit wat van. De anderen wel. Daarom kwam hij altijd bij haar in de stoel. Als ze met haar sponsje over zijn huid ging of een lijntje trok om zijn ogen, werd ze afgeleid door zijn mond. Ze keek de woorden uit zijn mond.
Soms wanneer ze het niet kon laten, moest ze met haar pink, met een heel klein beetje make-up, zijn lippen accentueren. Heel weinig, een mannenmond heeft geen lippenrood nodig.

De dag dat hij tegen haar begon te praten vergeet ze nooit, hoewel ze nu niet meer weet wat hij allemaal zei. Hij praatte en keek haar aan. Op de momenten dat hij even zijn mond hield knikte ze en dan praatte hij weer door. Zodat ze ongestoord naar zijn mond kon blijven kijken.
In die tijd moet ze ook zijn gaan luisteren en heeft ze af en toe iets teruggezegd. Ze weet niet wat, maar wel dat het zo is. Eigenlijk praat zij niet. Als haar iets wordt gevraagd, geeft ze antwoord, maar uit zichzelf, nee. Ze denkt heel veel en denken en praten dat gaat niet samen. Bij haar niet.
Ze raakten dus in gesprek, tussen zijn spraakwatervallen door zei ze iets. Oneliners, verder kwam ze niet. Toch schoot ze raak met haar korte zinnetjes want hij praatte steeds vaker tegen haar, met haar.
Eens, na een opname, toen ze hem had afgeschminkt, bleef hij. Hij praatte en praatte. Snel, veel en onstuitbaar. Zijn lippen, zijn tong, zijn tanden, zo dichtbij en ineens was er die kus. Stevig en dwingend, dan weer zacht en week, plagend, uitdagend zoals zijn woorden.
Als hij kust praat hij niet. Hij verstomt, ze weet hem te verstommen. Dat vindt hij prettig. Hij zegt dat ze de enige is die de woorden uit zijn mond mag nemen, zijn mond mag snoeren. Kussen werd vrijen. Zijn mond, lippen, zijn tong en tanden over haar lichaam. Ze miste de woorden niet, ze verwelkomde de geluiden. Het smakken, kreunen, zuchten, hijgen.
Tegenwoordig komen er briefjes, hij stuurt haar sms-jes en emails. Ook hierin is hij goed met woorden, al begrijpt ze soms niet waarover hij het heeft. Maar dat komt omdat ze zijn mond er niet bij ziet. Hij schrijft dat hij haar mist, naar haar verlangt. Maar zij ziet alleen letters op een rij.
Pas als ze zich concentreert en haar innerlijk oog zijn lippen ziet, hoe die elkaar raken bij de m en het puntje van zijn tong tussen zijn tanden kruipt bij de l, dan weet ze, snapt ze wat hij bedoelt en mist ze hem ook, verlangt ze ook naar hem. Naar zijn mond, zijn lippen, het puntje van zijn tong.
Tekst en tekening: Canina
Nee, toch liever zijn lippen. Het plooien en buigen, tuiten en pruilen. Praten en praten. Snel, veel en onstuitbaar.
Eerst luisterde ze nooit naar hem, ze was niet geïnteresseerd in de betekenis van zijn woorden. Keek alleen hoe zijn mond al die woorden vormden. Stellige woorden, smalende woorden, wijze woorden. Woorden waarvan de letters uitgesmeerd werden, woorden waarbij hij de letters leek in te slikken.
Ze voelde zich bevoorrecht dat ze die mond van zo dichtbij kon bekijken, dat haar vingers zijn lippen mochten raken, dat er soms zelfs een streng van haar haar langs zijn lippen gleed.
Zelfs als ze met hem bezig was praatte hij door, zijn mond stond geen ogenblik stil. Dat was lastig maar ze zei er nooit wat van. De anderen wel. Daarom kwam hij altijd bij haar in de stoel. Als ze met haar sponsje over zijn huid ging of een lijntje trok om zijn ogen, werd ze afgeleid door zijn mond. Ze keek de woorden uit zijn mond.
Soms wanneer ze het niet kon laten, moest ze met haar pink, met een heel klein beetje make-up, zijn lippen accentueren. Heel weinig, een mannenmond heeft geen lippenrood nodig.

De dag dat hij tegen haar begon te praten vergeet ze nooit, hoewel ze nu niet meer weet wat hij allemaal zei. Hij praatte en keek haar aan. Op de momenten dat hij even zijn mond hield knikte ze en dan praatte hij weer door. Zodat ze ongestoord naar zijn mond kon blijven kijken.
In die tijd moet ze ook zijn gaan luisteren en heeft ze af en toe iets teruggezegd. Ze weet niet wat, maar wel dat het zo is. Eigenlijk praat zij niet. Als haar iets wordt gevraagd, geeft ze antwoord, maar uit zichzelf, nee. Ze denkt heel veel en denken en praten dat gaat niet samen. Bij haar niet.
Ze raakten dus in gesprek, tussen zijn spraakwatervallen door zei ze iets. Oneliners, verder kwam ze niet. Toch schoot ze raak met haar korte zinnetjes want hij praatte steeds vaker tegen haar, met haar.
Eens, na een opname, toen ze hem had afgeschminkt, bleef hij. Hij praatte en praatte. Snel, veel en onstuitbaar. Zijn lippen, zijn tong, zijn tanden, zo dichtbij en ineens was er die kus. Stevig en dwingend, dan weer zacht en week, plagend, uitdagend zoals zijn woorden.
Als hij kust praat hij niet. Hij verstomt, ze weet hem te verstommen. Dat vindt hij prettig. Hij zegt dat ze de enige is die de woorden uit zijn mond mag nemen, zijn mond mag snoeren. Kussen werd vrijen. Zijn mond, lippen, zijn tong en tanden over haar lichaam. Ze miste de woorden niet, ze verwelkomde de geluiden. Het smakken, kreunen, zuchten, hijgen.
Tegenwoordig komen er briefjes, hij stuurt haar sms-jes en emails. Ook hierin is hij goed met woorden, al begrijpt ze soms niet waarover hij het heeft. Maar dat komt omdat ze zijn mond er niet bij ziet. Hij schrijft dat hij haar mist, naar haar verlangt. Maar zij ziet alleen letters op een rij.
Pas als ze zich concentreert en haar innerlijk oog zijn lippen ziet, hoe die elkaar raken bij de m en het puntje van zijn tong tussen zijn tanden kruipt bij de l, dan weet ze, snapt ze wat hij bedoelt en mist ze hem ook, verlangt ze ook naar hem. Naar zijn mond, zijn lippen, het puntje van zijn tong.
Tekst en tekening: Canina

Er zijn van die boeken waarvan de eerste woorden van de eerste pagina je zo bij de strot grijpen dat je moet blijven lezen.
Al vallen je ogen bijna dicht van vermoeidheid en zegt de display van je wekker dat het 02:12 is, je moet door, dóór. Letter-vreten, woorden-slikken, pagina's-draaien...
"De verdronkene" van Margriet de Moor is zo'n boek.
Ongelooflijk dat het al een jaar op mijn stapel 'nog te lezen
boeken' ligt.Sinds ik "Eerst grijs dan wit dan blauw" las, ben ik fan van De Moor. Ik houd van haar taal, haar stijl, haar verteltempo. In "De verdronkene" is de Moor op al deze punten op haar best.
De watersnoodramp van 1953 is het decor van de roman. En vanaf de eerste pagina waan ik me in de jaren '50.
Bijzonder, omdat ik zelf in de zestiger jaren geboren ben.
Dat ik me toch zo goed kan verplaatsen komt omdat ik als kind in de ban was van "De ramp", het foto-boek over de Watersnoodramp dat meteen in februari 1953 van de persen rolde.
De zwart-wit foto's van huizen en boerderijen tot hun nok
in het water, verdronken koeien en paarden, hun lijven eenzaam
drijvend in de golven. De vrouwen en kinderen in reddingsbootjes,
de ontzetting op hun gezichten; de foto's staan op mijn netvlies
gebrand.Een goed doorwrochte recensie houden jullie nog van me te goed; ik ben pas halverwege. Maar het boek roept. Vandaag maar eens vroeg naar bed met 'De verdronkene' van Margriet de Moor.

'Narcissen zijn enorm slijmjurken,' zegt hij.
'Giftig slijm is het. Daarom kunnen ze niet samen met tulpen of hyacinten in een vaas. Met geen enkele bloem of tak. Want ook het water waar ze in staan wordt giftig. Allemaal door dat slijm.'
Hij stoot me aan. Wijst met het aardappelschilmesje naar de felgroene stelen.
'Dus ook uitkijken dat die katten van je niet uit de vaas drinken. Of er met de bloemen vandoor gaan.'
Met driftige halen snijdt hij stukjes van de stelen.
'Denk je er aan?'
'Ja,' zeg ik en raap een van de stengel-eindjes van het aanrechtblad. Ik knijp er in; slijm op mijn vinger en mijn duim. Zou ik dood gaan als ik er aan likte?
'De stelen, bladeren, bloemen, alles is giftig voor die donderstralen. Waar zijn ze eigenlijk?'
Hij kijkt om zich heen, roept: 'Poespoespoes.'
Maar de katten laten zich niet zien. Ze zijn bang voor zijn stem, zijn stampende voetstappen.
'Heb je geen andere vaas?'
'Nee.'
'Nee?'
'Nou ja, ik heb er nog wel een maar dat is een hele rare...'
'Alles beter dan deze,' zegt hij en schuift de bolvormige vaas van lichtblauw glas van zich af.
Ik buk, open het kastje onder de gootsteen. Rommel tussen pannen en schalen en vind de vaas: een stalen cilinder.
'Wat een rare vaas,' zegt hij.
'Ja'.
'Net een urn.' Hij zet de narcissen er toch in. Schikt de stelen. Maar het wordt niets, dat zie ik zo wel.
'Die blauwe vaas is beter.'
'Hmm,' zegt hij. En nog eens: 'Hmm.'
Als hij weg is en de katten spinnend om mijn benen draaien, kieper ik de narcissen uit de urn en zet ze in de bolle glazen vaas. Het is het mooiste blauw dat ik ken. Licht als de lucht, als de kleur van haar ogen.
Hij herkende de vaas niet. Terwijl zij, mijn moeder, zijn vrouw, er vroeger de mooiste boeketten in schikte. Narcissen, tulpen en grillige wilgentakken door elkaar.
Dat ze de narcissen eerst een dag apart in water zette, zodat het gif uit de stelen liep, dat weet hij ook niet meer. Zoals er zo veel - te veel - dingen zijn die hij niet meer weet.
Beeld en tekst: Canina
Februari, zondagmiddag.
Alles is grijs en stil. Nat, kil.
Ben beetje brak, lamlendig.
Geeuwen, suffen.
Nergens zin in...
Mijn uitzicht:

Op tafel een dappere bloem:

En heel veel van deze:

Half uurtje later:

Voel me stukken beter...
Tekst, foto's en pasteltekening: Canina
Alles is grijs en stil. Nat, kil.
Ben beetje brak, lamlendig.
Geeuwen, suffen.
Nergens zin in...
Mijn uitzicht:

Op tafel een dappere bloem:

En heel veel van deze:

Half uurtje later:

Voel me stukken beter...
Tekst, foto's en pasteltekening: Canina
Hoeveel weblogs zullen er vandaag in het teken staan van
sneeuw?
Sneeuw in de stad, sneeuw in het bos. Sneeuw in je eigen tuin, op je kat, op het puntje van je tong?
Ik doe gewoon mee:
Sneeuwhond:

Sneeuwpolder:

Enne... veel plezier in de sneeuw!
Ik zelf kan er geen genoeg van krijgen dus ik ga nog even voor het donker is (en alle sneeuw gesmolten).
Sneeuw in de stad, sneeuw in het bos. Sneeuw in je eigen tuin, op je kat, op het puntje van je tong?
Ik doe gewoon mee:
Sneeuwhond:

Sneeuwpolder:

Enne... veel plezier in de sneeuw!
Ik zelf kan er geen genoeg van krijgen dus ik ga nog even voor het donker is (en alle sneeuw gesmolten).


