
Bos has left the building. En dat terwijl hij er nog maar net was. Tenminste, zo voelt het. Hij was ‘de man na Kok’. Lange tijd was het alsof ik zat te kijken naar de politicus die hij zou willen worden. Pas rond de bankenredding begon hij zichtbaar te worden. Bos kwam nu pas goed op stoom. Maar niets dan respect voor zijn keuze: het lijkt me vreselijk voor een ouder om een stuk van het leven van je opgroeiende kinderen te missen. Kinderen trekken zich geen bal aan van een land dat in nood verkeert: de tijd verstrijkt onverbiddelijk. Papa let even niet op en hop, kindlief heeft een half decennium extra op de teller staan. De tijd is een gemeen en vraatzuchtig monster.
Tragisch is dat het krijgen en
grootbrengen van kinderen wordt gezien als ‘het hoogste
goed’ in ons land, maar zodra ze er zijn moet je afstand
van ze doen om aan je burgerplicht te voldoen. Het land moet
gered, of de honger van het noodlijdende huishoudboekje van
Nederland BV moet gestild. Een spagaat waar - onder
aanvoering van de met kilometersdikke kopborden getooide
(t)opzijvrouwenbrigade - behoorlijk luchtig over wordt gedaan.
Het
wordt zo normaal gevonden om het ‘allemaal’ tegelijk
te doen. Al
multitaskend en switchtaskend door het leven rennen
is de norm.
Maar ik durf er mijn hand voor in het vuur te steken dat veel
ouders ’s nachts de nerven van hun slaapkamerplafond liggen
te bestuderen terwijl ze ondertussen het knagende gevoel hopeloos
tekort te schieten weg proberen te piekeren. Het ironische is,
dat dit rotgevoel zich het makkelijkst vastbijt in de psyche van
mensen die het meeste werk verzetten.
Wat is nu werkelijk belangrijk in het leven? Bos heeft er
kennelijk al een paar jaar grondig over nagedacht en het antwoord
voor zichzelf gevonden, al was de keuze om de politiek los te
laten duidelijk niet makkelijk. Tijdens het onverwacht ingelaste
PvdA-fractieoverleg van gisterenmorgen zijn de nodige tranen
gevloeid, zo liet een emotionele Mei Li Vos gisteravond weten in
het NOS-journaal. Maar hoewel de Flow en de Happinez inmiddels
behangrollen volgeschreven hebben over ‘wat er nu werkelijk
toe doet’ in het leven - en een ontzagwekkend aantal lezers
het als chocola vreten - is het jezelf stellen van deze vraag in
werkelijkheid een luxe die we ons maar zelden kunnen veroorloven.
Hetzij je reputatie van carriéretijger staat op het spel (of je
moet het fijn vinden een watje te worden genoemd door je
collega’s) of de gezondheid van je eigen huishoudboekje.
Want de maandelijks terugkerende incasso’s trekken zich
geen biet aan van jouw filosofische levensvragen. Dus wat moet je
dan?
Meestal
gaan we onszelf pas afvragen wat er werkelijk toe doet als ons
leven door
een ernstige ziekte, burn-out, ontslag of het verlies van een
dierbare met gierende remmen tot
stilstand komt . Bos kan het zichzelf permitteren om de stekker
eruit te trekken. Met een - al voor zijn aantreden - klinkend
curriculum vitae kun je dat nauwelijks een risico
noemen. Voor een heleboel anderen die net als Bos al maanden of
jaren op hun tandvlees lopen is dat vaak niet weggelegd. En
eigenlijk klopt dat niet. Iedereen zou zo af en toe de stekker
eruit moeten kunnen trekken om even bij te tanken. Wat mij
betreft zou dan pas de emancipatie voltooid zijn.
Na een ware tsunami van PvdA
promotie – als er nog iemand in Ulft te vinden is die niet
weet dat er komende woensdag gemeenteraadsverkiezingen zijn dan
heeft diegene waarlijk diep onder een stoeptegel gebivakkeerd -
slijp ik in gedachten alvast mijn messen voor mijn hopelijk
aanstaande vier jaren als raadslid.
Hopelijk. Want hoewel de prognoses er goed uitzien, word ik
mesjogge van alle peilingen. Hoeveel invloed heeft de
kabinetsval? Is de stijve PvdA-poot nou goed of slecht voor de
lokale uitslag? Je kunt er met gemak een boek mee vullen.
Dan is er nog de kwestie van de voorkeursstemmen. Plek 4 op de
verkiezingslijst betekent nog steeds dat je ingehaald kan worden.
Allemaal goed voor eindeloos hersengekraak.
Een ding is zeker: nog nooit van mijn leven heb ik in twee
maanden zoveel werk verzet. Waarschijnlijk een realistisch
voorproefje voor wat me te wachten staat.
Ik heb er zin in.
De dikkerdspolis
dik, college van zorgverzekeringen, cvz, obesitas, roken, gezondheid, verzekerbare zorg, verzekeren, zorgverzekeringen, risicosolidariteit
En ja hoor, daar zullen we het
hebben. Er moet een
‘open discussie’ komen over de verzekerbaarheid van
een ongezonde leefstijl, aldus Dik Hermans van het College
van Zorgverzekeringen tijdens het radionieuws
zaterdagmorgen.
Open discussie? In Nederland? Sinds Fortuyn wordt er niet meer geluisterd, maar door elkaar heen geluld. Nee het agenderen van een ‘open discussie’ betekent meestal dat het allemaal al in kannen en kruiken is. Mensen met een ongezonde leefstijl krijgen straks een eigen polis.
De dikkerdspolis. Of de rokerspolis. De marketing doet de rest. ´Verzekeren op maat´ of ´Een polis die bij u past.´ Het maakt niet uit hoe bitter de pil is, Nederlanders kunnen alles verkopen. Dat is ons talent. De VOC-mentaliteit. Halleluja.
Risicosolidariteit, zei het opperhoofd Zorgverzekeringen nog. Heb even gegoogled wat de beste man ermee bedoelt. Op zorgvoorbeter.nl zie ik: “Door bij de premieheffing geen rekening te houden met het ziekterisico van de verzekerden, dragen mensen met een laag risico bij aan de ziektekosten van mensen met een hoger risico.”
Nou, dat klinkt veelbelovend: de suggestieve zinsconstructie verraadt dat het pad al keurig ligt geeffend voor onze zorgminister. Wel met een politiek correct jasje eromheen natuurlijk, want je moet discriminatie tenslotte wel kunnen verkopen. Maar zoals ik al zei, verkopen, daar zijn wij Hollanders goed in.
Het zal ongetwijfeld een emotioneel debat worden, voegt Hermans eraan toe. Goh, je meent het. Maar het komt goed want: “Wij hebben veel kennis in huis om de overheid adviezen op basis van feiten te geven.” Ja me grootje. Feiten hebben de gekke gewoonte om van betekenis te veranderen zodra je ze van de ene naar de andere context verhuist. Iets met belangenverstrengeling. Of waren we Osterhaus vergeten?
Maar ik begrijp die Hermans wel. Als ik 12 miljard bezuinigingen over de volle zorgbreedte voor mijn kiezen krijg dan ga ik vanzelf ook een keer kijken waar ik op kan beknibbelen. En omdat gezondheid tegenwoordig een particuliere verantwoordelijkheid is geworden, kies je voor de mensen die goed voor zichzelf zorgen. De mensen die hun verantwoordelijkheid nemen, zoals dat heet.
Het is natuurlijk flauw maar het
moet gezegd: waarom wel die blunderende bankiers redden en rokers
en dikkerds discrimeren?
Denken we dat mensen die te dik zijn, dik wíllen zijn? Of dat
mensen die verslaafd zijn aan roken, niet wíllen stoppen? Met
andere woorden: zijn deze mensen er bewust op uit om hun eigen
gezondheid te saboteren?
Hoe dan ook: het is duidelijk dat sommige invloedrijke bestuurders in dit land heilig geloven in de vrije wil.
Gelukkig ziet Achmea niets in het idee. Nu maar hopen dat Ab Klink de rug recht houdt.
Dag vrije wil, het was gezellig
enzo, vrije wil, individualisme, emancipatie, zelfontplooiing
Ik was er altijd van overtuigd dat de vrije wil bestaat. Vond ik heel prettig, dat ik zelf kon beslissen over mijn levensloop. Want als ik ergens de pest aan heb, dan is het wel het idee dat alles wat ik doe al voorgekookt is, hetzij door anderen, door de omstandigheden of zoiets ongrijpbaars als het lot. Van die gedachte word ik behoorlijk opstandig.
Nee, ik was een maakbaar individu. Met een eigen wil en verantwoordelijkheid. Dus alles wat me niet beviel aan mezelf of mijn situatie kon ik veranderen. Als ik maar wilde. Ik hoefde me alleen maar te concentreren op het eindresultaat, volhouden en doorzetten. Dan kwam alles goed.
En dat deed ik ook. Toen ik op mijn 28e een burn-out kreeg pakte ik de gelegenheid – na een paar maanden uitblazen – met beide handen aan om het voortaan allemaal anders te gaan doen. Ik zou een beter mens worden. Sandra 2.0 of zoiets. Het voelde als een project, met een doelstelling en een eindresultaat. Na een jaar ploeteren stond ik weer voor 100% op de loonlijst.
Maar dat was nog maar het begin. Letterlijk alles heb ik op kop gezet in de afgelopen 8 jaar. Nieuwe liefde, nieuw huis, nieuwe baan. Het voelde alsof ik bouwde aan mijn Droomtoekomst. Nu zou ik eindelijk het leven krijgen waar ik altijd van gedroomd had.
Inmiddels is het stof weer gaan liggen en begint de realiteit tot me door te dringen. En wat blijkt: ik kom elke keer weer mezelf tegen, inclusief al die gebreken waar ik in de afgelopen jaren nu juist zo hard voor gevochten heb om ze ‘ongedaan’ te maken. Het lijkt verdomme wel een boemerang.
Aan
mijn inspanningen kan het niet liggen. Heb mijn hele zelfje van
boven tot onder doorgelicht, onderzocht op oneffenheden en flink
puin geruimd. Toch sijpelen steeds dezelfde thema’s
door in mijn dagelijkse leven: het gevoel altijd tekort te
schieten en de angst om alles te verliezen. Tegen beter weten
in.
Telkens weer trap ik in dezelfde bekende valkuilen. Mezelf voorbij lopen bijvoorbeeld. En dat doe ik echt niet omdat ik daar zoveel zin in heb. Dus waarom doe ik het dan? Meer en meer bekruipt me het gevoel dat ik ‘gestuurd’ wordt door krachten die ik zelf maar nauwelijks kan beïnvloeden. Maar wat zijn die krachten? Komen ze uit mijn onderbewuste? Of van ‘buiten’?
“Als je ouder wordt, kom je tot de conclusie dat je toch niet diegene bent geworden, die je graag had willen zijn”, aldus Theo Maassen in zijn voorstelling van een aantal jaren terug. Tsja.
Maar zinloos was alle moeite niet: ik begrijp inmiddels precies hoe mijn eigen klokje tikt. Inzicht heb ik dus wel gekregen. En veel meer begrip voor anderen. Vroeger was ik een wandelende oordelenmachine die gul etiketten plakte op andermans gedrag. Die machine staat al heel lang buiten werking. Da's dus winst. Maar een beter mens? Nee, gewoon dezelfde. Met misschien een andere verpakking eromheen.
Dus
het maakbare individu? Een illusie als je het mij vraagt. Wel een
mooie: het sprookje van de 21e eeuw. De Happinez,
Flair, Viva, Opzij en godweetwelke damesbladen nog allemaal meer
drijven erop. Ben je wel ondernemend genoeg? Ben je wel sexy
genoeg? Ben je wel .... goed genoeg? Gelukkig mag iedereen zelf
kiezen waar hij in gelooft. Maar ik zet deze illusie per direct
bij het grof vuil. Opgeruimd staat
netjes.
De vinger in de dijk
vergrijzingsgolf, huishoudboekje, babysterfte, oogstcultuur, bevallingscultuur, bevallen, vrouwen
Volgens gynaecoloog Gerard Visser moeten zwangere vrouwen standaard ingeleid worden in de 41e week om babysterfte te voorkomen. Want Nederland scoort slecht op de ranglijst. Dat moeten we niet hebben, want dat staat zo slecht voor de buren. Typisch dat we pas in actie komen als we met de billen bloot gaan door een slechte plek in een top 10-lijstje. Of de vrouw en de aanstaande baby het allemaal wel bevalt doet er niet zoveel toe: alles is geoorloofd om de statistieken te pimpen, hop eruit ermee in de 41e week. Ja, mét instemming van de vrouw staat er nog net bij. De geboorte van een kind heeft tegenwoordig meer weg van het binnenhalen van een buit dan een bevalling. Volgens mij kennen we in Nederland geen bevallingscultuur maar een oogstcultuur.
Volgens de auteur van het artikel 'Een kind baren is nuttig' (opiniepagina Volkskrant, 30 oktober) is het echte probleem dat de begeleiding en zorg voor zwangere vrouwen ver beneden de maat is. Zwangere vrouwen worden teveel aan hun lot overgelaten en moeten het zelf allemaal maar uitzoeken. Vervolgens barst er onder het stuk een - niet in het minst door de onderbuiktitel getriggerde - off-topic discussie los over het egoïsme versus de noodzaak van het krijgen van kinderen. Als (aanstaande) ouders ben je tegenwoordig bij voorbaat verdacht: je bent hetzij een onbeschaamde profiteur omdat je de maatschappij op kosten jaagt met het innen van fokpremies, of je bent een ongebreidelde egoïst omdat je niet bereid bent een bijdrage te leveren aan de 'scheefgegroeide' demografie van Nederland BV. Het kind als pensioenverzekering. Terug in de tijd?
Kennelijk is de keuze om al of niet voor kinderen te kiezen onder druk van het noodlijdende huishoudboekje van Nederland BV, de krimpende beroepsbevolking en die immer dreigende vergrijzingsgolf aan de horizon tot een economisch-strategische beslissing gebombardeerd. En opeens staat de invulling van die keuze ter discussie. Want het voortbestaan van onze maatschappij en de bijbehorende levensstijl as we know it ligt onder vuur.
Grappig
is dat de vrouw zoveel macht wordt toegedicht. Als de dijken van
onze sociale zekerheid dreigen te bezwijken is het aan de vrouw
om de spreekwoordelijke vinger erin te stoppen. Gij zult baren,
en hop daarna weer zo snel mogelijk aan het werk. Of juist geen
kids, want dat kost teveel belastingcenten en niet-productieve
verlofdagen. Hoe dan ook: het is de portemonnee die luider
spreekt dan het gezonde verstand.
Of het krijgen van kinderen nu wel of niet een bijdrage levert
aan de betaalbaarheid van Nederland BV: dat speelt geen enkele
rol bij het al of niet kiezen voor kinderen. Of ik moet me sterk
vergissen en wordt het liefdesspel in de Nederlandse slaapkamer
steevast ingeleid met 'Goh schat, in 2015 ofzo is de AOW niet
meer betaalbaar, zullen we er eentje maken om het gat (sorry, kon
het niet laten) te dichten?' In dat geval heb ik niets
gezegd.
God pakt zijn koffers
interpreteren, koffer, lauri fransen, vrouwen, christendom, bijbel
God schiep hemel en aarde niet, maar scheidde ze. Foutje van het bijbelredactieteam. Ik moet er even voor gaan zitten hoor. Wat moet er nu van me worden? Ik, die mijn godsganse bestaanszekerheid ontleen aan deze ene fundamentele zekerheid. De zekerheid dat het universum waarin ik rondzweef zijn bestaan dankt aan een goddelijke interventie. De zekerheid dat de bouw ervan een bewuste keuze was, en niet zomaar ontstond uit een willekeur van onverklaarbare krachten. Nou moet ik verder met de onverdraaglijke gedachte, dat god pas ten tonele verscheen toen het universum allang bestond en alleen even langskwam om de spreekwoordelijke bezem door de 'chaos' te halen.
Chaos is een menselijk oordeel, maar dat terzijde.
Terug naar Genesis. Als we het met elkaar al niet eens kunnen worden over de werkelijke betekenis van de eerste zin van dit hoofdstuk, dan kan het nog interessant worden. Want het hele verhaal stikt van de dubbele bodems. Ik weet niet hoe het jullie verging toen jullie voor het eerst het ribverhaal hoorden, maar ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat de schrijver iets te diep in het absintglaasje had gekeken. The story would blend in perfectly in één van de boeken van de gebroeders Grimm. Ja, hoor ik u zeggen, dat weten we toch allemaal wel, dat korreltje zout enzo. Ja, dat weten we ondertussen wel. Maar tot nog niet zo lang geleden werd dit verhaal door onze voorouders van generatie op generatie letterlijk overgedragen. Ook nog niet zo spannend. Maar de boodschap die er eeuwenlang stilletjes op meeliftte wel: dat de vrouw een tweederangs burger is die ons in het verderf heeft gestort met haar zondige lichaam. Daar plukken we tot op de dag van vandaag de wrange vruchten van.
En
dan heb ik het niet over de inmiddels uitgewoonde
mannen-onderdrukken-vrouwen-mantra. Want dat is een
grove versimpeling van de werkelijkheid, die veel complexer en
genuanceerder ligt. Maar daarvoor verwijs ik u graag naar 'Het
Evangelie van Isis' van Lauri Fransen.
Om een heel lang verhaal kort te maken: het grote misverstand
over de bijbel is, dat het een boek is. Als je de bijbel een boek
noemt, dan suggereer je daarmee dat de schrijvers zich hebben
uitgeput om de waarheid zo objectief mogelijk weer te geven. In
werkelijkheid is de bijbel een koffer die eeuwenlang van
generatie op generatie is gebruikt, hergebruikt, gerepareerd en
weer overgedragen.
De
inhoud van de koffer werd voor het laatst ververst in de vierde
eeuw na Christus. Om maar even aan te geven dat de christelijke
leer die onze voorouders tot nog niet zo lang geleden in grote
getale op zondag gingen ophalen, tegen de achtergrond van het
ontstaan van het Romeinse rijk werd geschreven. Geen wonder dat
er zoveel ruzie is gemaakt over de interpretatie van de
bijbelteksten in de Nederlandse geschiedenis.
Tijd om die koffer leeg te gooien en er nieuwe boeken in te doen. Zelf geschreven, bij voorkeur.
Afbeelding: Jos Collignon, Opiniepagina Volkskrant, 10 oktober 2009
Met dank aan Mike Hendrixen voor de
titel
Topvrouwenmaffia
topvrouwen, topvrouwenquotum, topvrouwenquota, barbara, baarsma, pauw en witteman, emancipatie, deeltijdwerken, feminisme

Net
als je denkt dat het gesodemieter nou wel een keer afgelopen is,
wordt er weer een blik met hel en verdoemenis predikende 3.0
feministes opengetrokken. Want het is zo slecht gesteld met de
vertegenwoordiging van vrouwen in de top van het bedrijfsleven.
'We hebben rolmodellen nodig', beweert de pro-quotomploeg bij
Pauw en Witteman aan tafel afgelopen donderdag, 2 oktober
jl.
Wat? Rolmodellen nodig? Hoezo? Mag ik misschien zelf mijn
rolmodellen kiezen? Heb er genoeg: mijn moeder nam zo'n beetje 20
jaar de dagelijkse zorg voor mij en mijn zus op zich, deed het
huishouden, de boekhouding van de zaak en vrijwilligerswerk voor
kerk en dorp. Mijn zus werkt als verzorgende in een
verpleeginstelling, heeft samen met haar man twee jonge kinderen
en studeert psychologie. Over topvrouwen gesproken. Maar Neelie
Kroes zit te schitteren in de EU en hoppa, opeens moeten alle
vrouwen de top van het zakenleven in. Alsof dat de enige manier
is waarop je een bijdrage kunt leveren aan de maatschappij.
Als klap op de vuurpijl verschijnt afgelopen donderdag een
Volkskrantbrief getiteld
'Vrouwenquotum' met daarin een reeks aan dwang grenzende
maatregelen. Om al die deeltijdvrouwen toch maar in godesnaam
fulltime aan het werk te krijgen. Het is te zot voor woorden: als
het dienblaadje maar 'economische onafhankelijkheid' heet (als ik
het goed begrijp het absolute walhalla), dan mogen daar kennelijk
de meest smakeloze maatregelen op worden geserveerd.
Dat getrek aan de topvrouwenkar impliceert dat vrouwen
'achterlopen'. Dat is flauwekul. In werkelijkheid vinden vrouwen
op een zeer ingenieuze manier een balans tussen zorgen en werken
waar ze zich prettig bij voelen. Dat noem ik nou emancipatie.
Maar dat vinden de 3.0 feministes niet fijn, want dat past niet
bij hun oogkleppendefinitie ervan. En dat vrouwen niet serieus
worden genomen door mannen op de werkvloer is ook flauwekul. Als
je iets zinnigs te melden hebt, dan wordt er altijd geluisterd.
Dat geldt voor vrouwen én mannen. En als er (structureel)
niet geluisterd wordt, dan pak je je biezen en zoek je een
werkgever die je talent wél waardeert. Geen hand vol maar een
land vol.
Zet die topvrouwenkar in de schuur en regel eerst eens dat
vrouwen niet voortdurend lastig gevallen worden door overblijf-,
luizen- en poetscorvee op scholen. Wat is dat voor een
middeleeuwse veronderstelling dat moeder de vrouw alle losse
eindjes op de onderwijsbegroting aan elkaar moet knopen? Ciska
Dresselhuys zei het al: de vrouw als 1000-en-1-dingen-doekje. Dát
is nou een (t)issue.
We
hebben een cultuurprobleem in Nederland. SEO-onderzoeker Barbara
Baarsma benoemde feilloos het pijnpunt bij Pauw en Witteman
afgelopen donderdag: 'Een moeder die meer dan 20 uur werkt, die
doet iets dat niet helemaal goed is'. Laten we de rekening van
dat cultuurprobleem nou niet rücksichtslos op het bordje van
vrouwen neerleggen door te beweren dat er iets mis is met haar
ambitie, of dat ze zogenaamd stiekem ontevreden is. En ook al is
ze stiekem ontevreden, dan is dat haar goed recht. Dat hoeft niet
losgepeuterd en opgelost te worden door allerlei hijgerige 3.0
feministen. Leave us alone en get a effin' life.
(Geredigeerd maandagmiddag 13.40 uur)
Vingers af van mijn (vr)eten
michael pollan, efsa, gezondheidsclaims, voedingsclaims, voeding, unilever, becel
Vroeger was eten simpel.
Aardappelen van de boer om de hoek, verse groente uit de Heurnse
moestuin van opa en oma, een soepkippetje van buurman Bernard en
de vleeshap van de ambachtelijke slager uit Varsseveld. Mijn
moeder schuwde spekvet en roomboter niet. En dat vonden we
helemaal niet erg, want we vraten onze vingers erbij op. Maar in
de 80-er jaren werd roomboter tot volksvijand verklaard. En
eieren mochten opeens ook niet meer, want slecht voor je
cholesterol. Inmiddels zijn de maatregelen om het dagelijkse menu
(en de gezondheid) van de Nederlandse burger in goede banen te
leiden anno 2009 verworden tot een circus van verwarrende
keurmerken en quasi-wetenschappelijke gezondheidsclaims in het
supermarktschap.
Zondebok
Maar is vet bijvoorbeeld nu echt zo slecht voor ons? Volgens voedseljournalist Michael Pollan is er een tweedeling ontstaan in de hedendaagse voedingsmiddelenleer tussen 'goede' en 'kwade' voedingsstoffen. Waarbij uiteraard het 'kwade' bestreden moet worden, en het 'goede' wordt aangemoedigd. In de VS werden verzadigde vetten 30 jaar geleden gebrandmerkt als de zondebok van de meest voorkomende chronische aandoeningen: hart- en vaatziekten, kanker en obesitas. Dit resulteerde in Amerikaanse supermarktschappen met een eindeloze reeks low-fat, fat-free en no-cholesterol voedingsproducten, met veel geraffineerde koolhydraten en suiker. Maar een onderzoek uit 2001 van de Harvard School of Public Health (Types of dietary fat and risk of coronary heart disease: a critical review) laat zien dat er geen positief verband bestaat tussen 'kwade' vetten en chronische ziekten. Volgens de laatste inzichten gaat het er niet om dat je zo min mogelijk vet eet (integendeel, je hebt vet nodig), het gaat erom bewust stil te staan bij welk vet je eet. Als gevolg van de nadruk op het eten van low-fat, low-carb en fat-free producten kregen veel Amerikanen juist te weinig vet binnen. Een citaat uit het onderzoek: 'It is now increasingly recognized that the low-fat campaign has been based on little scientific evidence and may have caused unintended health consequences.' Volgens Pollan een eufemisme van jewelste.
Drijfzand
Wat kunnen we leren van deze wetenschappelijke dwaling in de VS? In de eerste plaats is het een probleem om wetenschappelijk vast te stellen op welke manier ons eten onze gezondheid beinvloedt, aldus Pollan in zijn laatste boek 'In Defense Of Food'. Er blijkt namelijk een enorm verschil te zijn tussen wat mensen zeggen dat ze eten en wat ze echt eten. Om die reden moeten uitkomsten van onderzoeken niet alleen voortdurend gecorrigeerd worden met allerlei ingewikkelde algoritmes, maar ook met een flinke korrel zout genomen worden. In de tweede plaats schijnt het achterhalen van a) wat er in ons voedsel zit en b) hoe het op ons lichaam inwerkt verdomde lastig te zijn. In ieder geval is uit studies keer op keer gebleken dat voedsel (net als het menselijk lichaam) meer is dan de simpele optelsom van de delen ervan. De wetenschap maakt het weliswaar mogelijk om bepaalde gezonde (lees: gezondverklaarde) componenten uit onze voeding te isoleren en te bestuderen, maar daarmee is nog niet gezegd dat dit specifieke onderdeel in zijn eentje op een andere plek precies hetzelfde doet als op zijn vertrouwde stekkie tussen al die andere collega-voedingsstoffen. Gladys Block, prominent epidemiologe en professor van de School of Public Health, zei hierover tijdens een gesprek met Pollan: 'I don't believe anything I read in nutritional epidemiology anymore. I'm so skeptical at this point.'
Smakeloos
Kortom: wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van voedsel op onze gezondheid is gebaseerd op drijfzand. Het goede nieuws is dat boodschappen doen des te makkelijker wordt: al die gezondheidsclaims kunnen gewoon worden genegeerd. Tot voor kort deed Unilever flink hun best om ons aan te praten dat we zelf te stom zijn om te weten wat goed voor ons is. Een voorbeeld hiervan is het smakeloze artikel 'Kinderen krijgen te weinig goede vetten binnen' in het vaktijdschrift VoedingNu van juli/augustus 2008, gebaseerd op een onderzoek naar de inname van gezonde essentiele vetten door de Blue Band Kindervoedingsmonitor. Ik citeer: 'Moeders hebben onvoldoende aandacht voor goede vetten in de voeding van hun opgroeiende kinderen.' Het feit dat de schuld van het zogenaamd gebrekkige dieet van het Nederlandse kind in het artikel zonder uitzondering bij de moeder wordt neergelegd laat ik voor het gemak even buiten beschouwing, anders zitten we hier volgende week nog. Maar na een technisch verhaal over de noodzaak van de inname van meer linoolzuur en alfa-linoleenzuur (ALA en LA) is de verpletterende conclusie: 'Het besmeren van brood met margarine of halvarine evenals het gebruik van vloeibare margarine bij het koken is de aanbevolen manier om op een gezonde en makkelijke manier deze essentiele vetten binnen te krijgen.' Of course.
Bullshitfactorreductie
Maar gelukkig hebben we de European Food
Safety Authority in het Italiaanse Parma nog, de Europese
waakhond van de voedselveiligheid. Zij zijn momenteel druk doende
om een eindeloze stapel gezondheidsclaims te beoordelen van
voedingsproducenten in de hele EU. In het artikel 'Weg met de
praatjesmakers' uit de Volkskrant van 5 juli jl. schrijft Broer
Scholtens dat er tot nu weinig overeind is gebleven van de
ingediende claims. Dat geldt ook voor de gezondheidsclaim op het
kinderbotertje van Unilever. De EFSA oordeelde in augustus 2008
dat de onvoldoende inname van eerder genoemde essentiele vetzuren
door kinderen onvoldoende is bewezen. Daarnaast zetten zij
vraagtekens bij het effect van deze toevoegingen op de gezondheid
van kinderen. De afkeuringen van gezondheidsclaims wil niet
zeggen dat de gezondheidsclaims op verpakkingen verdwijnen, de
formuleringen worden enkel afgezwakt. Het komt erop neer dat je
als voedselfabrikant niet meer mag zeggen dat de boter goed is
voor je gezondheid. In plaats daarvan zeg je dat er een bepaalde
'gezonde' voedingsstof in je kuipje zit, en vervolgens zeg je er
achteraan dat dat stofje de kans op bepaalde gezondheidsrisico's
kan verkleinen. Oftewel: gebakken
lucht.
Eet smakelijk!
Ruim helft claims op voedingsmiddelen is onjuist
Bron: nieuwsvoordietisten.nl, 4 augustus 2009
Bron: webblog Voeding en Gezondheid, 24 mei 2006
Een vriend van mij bracht recent enkele stomvervelende uurtjes door in de wachtkamer van een ziekenhuis. Overigens samen met vele anderen die al uren landerig zaten te wachten op hun afspraak. De telefoon van één van de medepassagiers ging af. De eigenaresse van de mobiel nam het gesprek aan. Het kwam haar te staan op een – naar verluid, ongegeneerde scheldpartij van een medewachtende. De mevrouw in kwestie roeptoeterde verontwaardigd dat het zo asociaal was om de telefoon op te nemen. Vriend nam het op voor de enigszins verbouwereerde mevrouw, probeerde de zaak te sussen. Het zou dringend kunnen zijn geweest. Roeptoeter ging alleen nog maar harder schreeuwen. Wie of hij dan wel niet dacht dat hij was? De telefoon mocht – zo siste ze hem toe, alleen opgenomen worden als er echt iemand aan het doodgaan was aan de andere kant van de lijn. Tegen zoveel onredelijkheid is het doorgaans lastig praten.
Het voorval deed me denken aan de tv-spot met die bellende meneer aan de kioskkassa. (Is dat een woord?) De boodschap: het is asociaal als je de telefoon aanneemt terwijl je staat af te rekenen. Daan Westerink kan erover meepraten dat er mensen rondlopen die bij de eerstvolgende soortgelijke situatie binnen het tijdsbestek van een milliseconde de kersvers opgeslagen moraal als een ware pavlovhond van zich afblaffen. Echt, ik word bang van het idee dat er mensen bestaan die bij het zien van een dergelijk moraalspotje de boodschap zonder een spoortje zelfreflectie rücksichtslos de hersenpan inkopiëren. Sluit me een paar uurtjes op met zulke papegaaiers. Gegarandeerd hartritmestoornissen, klotsende oksels en een migraine waar je u tegen zegt.
Normaal gesproken doe ik mijn best om vriendelijk te zijn in de winkel. Ik durf zelfs te zeggen dat het ronduit gezellig is aan de kassa van de grootste supermarkt in mijn dorp. Altijd even een praatje, en als het winkelpubliek niet al te hard met de benen uit de borders hangt even lekker ouwehoeren met de kassadame. Dat is hard nodig, want de tragiek van het menselijk bestaan slaat me nergens zo hard in het gezicht dan op de supermarktvloer. Al die doodserieuze gezichten die met een aan grimmigheid grenzende koortsachtigheid winkelkarren torenhoog volproppen met god-weet-wat. Ik word er steevast retemelig van en krijg zin om gekke dansjes te doen op de winkelvloer om die opkomende triestheid van me af te schudden.
Je goede humeur behouden tijdens boodschappentijd: het is altijd weer de ultieme karaktertest. Enkele jaren geleden was ik er ronduit slecht in, tegenwoordig slaag ik met vlag en wimpel. Maar dat kassameisje bij de ietwat lager geprijsde lokale grootgrutter dat elke week steevast over mijn hoofd heen een luidruchtig gesprek aanknoopt met haar collega over haar verrichtingen van het afgelopen weekend: daar valt echt niet tegenop te grimlachen. De volgende keer is ze hoe dan ook aan de beurt voor een onvervalste winkelzedenpreek. En als het even meezit pak ik die nurkse bedrijfsleider ook even mee. Die moet echt een ander hoofd kopen. Eentje dat bij voorkeur de binnenwandelende shoppers niet zo hard de winkel uitchagrijnt.
Maar o wacht, ik ben nog niet klaar met het wachtkamerverhaal, want de uitsmijter komt nog. Zo tegen sluitingstijd informeerde vriend bij een mevrouw die wel heel erg lang had zitten wachten – bijna drie uur, of ze al snel aan de beurt zou zijn. Ze informeerde nog maar eens bij de receptie. Zonder enige schaamte werd haar medegedeeld dat de specialist in kwestie al lang naar huis was. De receptiemedewerkster liet ook even subtiel doorschemeren dat dat niet haar probleem was. Mevrouw kon onverrichter zake naar huis. Over asociaal gesproken. Maar eerlijk gezegd weet ik niet wat erger is: de desinteresse van de receptiemedewerker of het eindeloze geduld van de wachtende mevrouw.
Er zit
een angstaanjagend volume in mijn stembanden. Mensen die mij goed
kennen kunnen erover meepraten. Als je in de (on)gelukkige situatie
geraakt om in een radius van - pak 'em beet - twee en een halve
meter in mijn nabijheid te verkeren terwijl ik een onbedaarlijke
lachbui krijg, rest je niets anders dan met onmiddellijke ingang
nieuwe trommelvliezen op de kweek te laten zetten. Als de schade
meevalt kun je je gewoon vervoegen bij de lokale
gehoorapparatenboer. Wordt waarschijnlijk keurig vergoed door het
ziekenfonds, niks aan de hand. Maar kijk voordat je naast me gaat
zitten even naar de kleine lettertjes van je verzekeringspolis.
Just to be sure.Verder ben ik ook niet te beroerd om even geheel professioneel een zanginstallatie naar zijn grootje te helpen. Ooit pakte ik na enig aandringen de microfoon voor een stukje karaoke in een kroegje in Limburg tijdens een vriendenweekendje. De mixer stond er een beetje gelaten en verveeld bij, dacht er het zijne van. Vanaf het moment dat ik mijn mond opendeed en de eerste toon aanzette, zag ik een lichte paniek opwellen in zijn ogen. Mijn decibelgehalte was niet helemaal in verhouding met de geluidsmix. Om te voorkomen dat hij het hele zaakje de volgende dag bij het grof vuil zou kunnen zetten stortte hij zich als een bezetene op het mengpaneel. Ik heb nog nooit iemand zo koortsachtig aan de knopjes zien draaien.
Waar dat volume precies vandaan komt is een beetje een mysterie. Aan de zangcarriere van mijn ouders kan het niet gelegen hebben. Dat bestond uit het zondagse bescheiden psalmengezang op de klanken van een ietwat betweterig en haastig orgel. De orgelbegeleiding liep steevast een maat voor, waardoor er een voortdurende machtsstrijd gaande leek tussen de zingende parochie en de wellicht tandenknarsende organist. Alsof de gemeente subtiel zijn eigen boodschap verkondigde: we komen hier om onze zonden te belijden, maar we laten ons door niemand de wet voorschrijven. En dan dat luidkeelse, welhaast oorverdovende meezingen vanaf de kansel van de eerste dominee die ik me herinner. Voor een dergelijk vertoon in het openbaar wordt je tegenwoordig onherroepelijk weggestemd door een driekoppige jury.
Buiten het feit dat de wekelijkse lofzang aan het adres van de here god van de Kroezenhoek en omstreken niet te harden was vanwege zijn verpletterende saaiheid, was de zogenaamde groove dus ver te zoeken. Even lekker een testrit maken met je stembanden door ongegeneerd op twee wielen de bocht door te scheuren was er niet bij. Het was een oetje hier en een aatje daar en als je pech had moest je knijpen om erbij te kunnen. Misschien reizen hoge tonen makkelijker door de ether in de richting van gods troon, maar ik kon me niet voorstellen dat onze lieve here blij werd van mijn raspende gepiep. Dus playbackte ik een beetje mee of hield gewoon mijn mond. Met als gevolg dat ik me na elke zitting met een zucht van opluchting luidruchtig onderdompelde in mijn zorgvuldig gekoesterde hardrockcollectie om al die ingehouden verveling te compenseren.
Zingen leerde ik dus niet in de kerk. Wel schijn ik een behoorlijke brulbaby te zijn geweest in mijn eerste levensjaar. Zoals mijn moeder af en toe met onverhuld genoegen vertelt, deed mijn gebler niet onder voor de luidsprekers van een haastige brandweerwagen. Wellicht heeft deze dagelijkse keeloefening, naast het opschrikken van de bewoners van de Sinderense Kroezendijk, toch een positieve invloed gehad op mijn longinhoud. Zangsgewijs dan, wel te verstaan. Verder had ik als kind met mijn bescheiden lengte en kleine gestalte weinig keus dan mijn gebrek aan fysieke impact te compenseren met een grote bek en dito volume. Je moet tenslotte iets ondernemen om boven het spreekwoordelijke maaiveld uit te steken en de nodige aandacht op te eisen.
Dat er geluid in mijn stembanden zat ontdekte ik per abuis op mijn 11e. Tijdens het repeteren voor een playbackshow in Dinxperlo alwaar ik met 5 andere meiden zou verschijnen als een stel ontplofte poedels met hysterische make-up, gehuld in kringloopgarderobe (lees: Dolly Dots), brulde ik in de bochten mee met Angela Groothuizen om de boel een beetje op te leuken. Nadat ik vervolgens de smaak van het podium geproefd had, was de beer onherroepelijk los: ik droomde van echt zingen voor volle zalen en oefende jaar in jaar uit in mijn slaapkamertje voor een denkbeeldig publiek. Met Ann Wilson, Whitney Houston en Donna Summer als de hoofdpersonen van mijn eigengemaakte zangcursus leerde ik kwaaiig de bocht om snerpen, tierelantijntjes maken en hard galmen. Van Gloria Estefan leerde ik - last but not least - dat het niet altijd woest en onbenullig hoeft, maar ook best ingehouden en klein mag zijn.
Vorige week zaterdag trad ik na veel te lange tijd weer eens ouderwets op met mijn sluimerende bandje Snatch tijdens een oergezellig feestje. Hoewel de zenuwen zich - zoals gewoonlijk - vlak voor de start aandienen, gooide ik ze na enkele minuten op het podium - tot mijn eigen verbazing - bruusk van me af. Je leeft maar een keer, galmen met die handel! Na het optreden vroeg ik me af waarom ik dat zingen toch in godesnaam heb laten ondersneeuwen in de afgelopen jaren. Tijd voor een flinke inhaalslag. Over een paar weken staat het eerste optreden van mijn nieuwe bandje gepland. In Dinxperlo, waar het allemaal begon. En zo is de cirkel weer rond.
Dommig schuifelend zoek ik
naar een lege plek om me te nestelen met mijn boek. Ik voel me
altijd zo´n analfabeet in de trein, zeg ik verontschuldigend tegen
een onwennige medepassagier. Het duurt altijd even voordat de
fysieke kenmerken van de plek waar ik me bevind tot me doordringen.
En als de gegevens zijn geland, worden ze direct weer gewist uit
mijn geheugen, alsof ik er nooit geweest ben. Of heeft die plek
nooit bestaan? Was zonet al in de eerste klas gaan zitten. Terwijl
ik mijn achterste liet neerploffen op de stoel - of is het fateuil?
- werd ik begroet door de schaapachtige blik van een voornaam
aandoende heer met een schlepptop op schoot. Wat doet zij hier,
zweeg hij hardop. De volgende keer ga ik expres een
eersteklasbiljet kopen, al was het alleen maar om te
zieken.De lange treinreis naar Limburg voor een interview onderbreekt mijn dagelijkse routine van wekkerloos ontwaken, langzaam opstarten en geurige filterkoffie. De dag van tevoren ben ik al een beetje uit mijn doen. 's Avonds pak ik mijn tas in en controleer meerdere malen licht neurotisch of ik alle spullen bij me heb die ik wellicht nodig zou kunnen hebben de volgende dag. Met als gevolg dat ik zowat mijn halve leven in de tas stop. Naast enkele werkklusjes pak ik een goed boek in, als verzekering tegen verveling. Voor het uiterste geval dat zelfs Mulisch niet afdoende is, pak ik een tweede boek, want je weet tenslotte maar nooit. Omdat ik een hartgrondige hekel heb aan verdwalen puzzel ik met chirurgische precisie de routes naar afspraken van voordeur tot voordeur uit. Het toeval is aan mij niet besteed. Het is me dan ook meerdere malen overkomen dat ik onderweg zo geconcentreerd op mijn plattegrond liep te turen dat ik niet merkte dat ik de plaats van bestemming al twee keer gemist had.
Meestal ben ik me nauwelijks bewust van de tastbare kenmerken van alledaagse gebruiksvoorwerpen zoals auto´s of huizen. Toen ik voor het eerst eigenaar werd van een koopwoning werd mijn schamele ruimtelijke inzicht en mijn vergietachtige geheugen danig op de proef gesteld door geinteresseerde collega's. Aan welke kant van de woning zit de voordeur? Heb je de badkamer aan de achterkant van het huis of de voorkant? Hoe diep is de tuin? Mijn hele verstand ging op zwart. De diepte van mijn tuin? Had ik een zwembad dan? En wat maakt het uit waar de voordeur zit, je kunt toch naar binnen? Ik zou het niet weten, stamelde ik dan ietwat beschaamd. Als ik iets vervelend vindt, dan is het wel de indruk te wekken dat ik een beetje dom ben. Het lukt me al heel lang om de schijn te wekken dat dat niet zo is, en ik wil dat graag zo houden. Dus scheer je weg met deze ingewikkelde en zinloze vragen! Lekker belangrijk hoe de woning technisch in elkaar steekt, ik heb er gewoon een goed gevoel bij. Maar hoe leg je dat uit? Dus lachte ik mezelf vaak alvast uit voordat de ander dat deed. Hadden we dat ook weer gehad.
Het eindstationnetje van mijn treinreis blijkt ingebed tussen twee groen begroeide heuvels. Grazende geiten, weidse vergezichten en doodse stilte, verbeeld ik me. Misschien lang geleden. Als ik via het geasfalteerde pad omhoog klim, word ik begroet door een melancholieke rij grijzige woningen aan een triestige doorgaande weg. Als treurwilgen aan een grijze poel. Kranig overeind, maar met hangende hoofden, alsof ze opgegeven hebben maar tegen beter weten in zijn blijven staan. Na honderd meter tref ik een plattegrond. Ik ben vlakbij de bestemming, maar hoe lang ik ook tuur naar de aanduiding 'u staat hier', het wordt me niet duidelijk in welke richting ik moet lopen. Ook mijn zelf geprinte googleplattegrond biedt geen uitkomst. Ik loop maar eens wat heen en weer. Geen nood, ik had natuurlijk een ruime verdwaal- en vertragingsmarge ingecalculeerd. Want ik ken mezelf, en de NS. We lijken zelfs een beetje op elkaar. Op het eerste gezicht heel doordacht en geloofwaardig, maar in de praktijk een soort onwennig testmodel. De NS komt er al heel lang mee weg. Net als ik.
Met zo'n prententieuze titel lijkt
het net of ik verstand heb van literatuur, maar dat is helemaal
niet waar. Ik durf te wedden dat het merendeel van de bloggers op
dit platform kilometers meer literatuur achter de kiezen hebben dan
ik. Wat heb ik nou gelezen? Een paar boeken van Harry Mulisch,
Hubert Lampo. Bijna het volledige oeuvre van La Palmen. Verder heb
ik me vooral laten vermaken door Stephen King en John Grisham. In
het Engels, dat dan weer wel, want die vertalingen zijn zo
pijnlijk. De Engelse taal is licht, poëtisch, doordacht, een
elegante ballerina. In de Nederlandse vertalingen struikel je over
motorisch gehandicapte olifanten in roze tutus.Maar literatuur fascineert me. Niet alleen om de literatuur zelf, maar vooral de beweegredenen van de maker. Dat urenlange zwoegen in mistige schrijfkamers achter een notenhouten bureau met liters koffie in het kielzog. Aan het einde van de dag misschien twee goede zinnen. Die de volgende dag weer geschrapt worden. Wat in godesnaam drijft je om je uren-, dagen-, maandenlang te wijden aan dit monnikkenwerk? Maar misschien begrijp ik het beter dan me lief is. Want op welke andere manier kun je enerzijds ontsnappen aan de allesverslindende maatschappelijke maalstroom en er tegelijk je stempel op zetten? Hoe anders kun je uitleggen wat je denkt en voelt zonder onderbroken te worden? Hoe anders kun je betekenis geven aan je eigen leven? Ik kan geen andere manier bedenken. Welke andere keuze heeft de schrijver dan te schrijven? Ik denk dat menig blogger begrijpt wat ik bedoel. Het verschil tussen bloggers en 'echte' schrijvers is enkel zelfbeheersing. Boekenschrijvers kunnen de aandacht uitstellen. Bloggen is instant gratification.
Schrijver wordt je niet, je bent het, zegt Harry Mulisch. Een man van vaste gewoonten. Elk jaar datzelfde bordje pasta in datzelfde Venetiaanse restaurant. Zit hij niet altijd op de trap met zijn rug tegen de muur op het jaarlijkse boekenbal? Alsof hij het bal ervaart als een schouwspel, dat hij rustig wil overzien vanaf een zorgvuldig gekozen voetstuk. Die houding is voelbaar in zijn boeken. Hij schept zijn eigen universum en geeft er betekenis aan met oude mythen en legenden. Alsof hij flirt met god. En de klank van zijn zinnen verraadt dat hij daar een bijna duivels plezier in schept. Hij maakt me aan het glimlachen, zoals hij speelt met de liefde, de dood, het verraad. Alsof hij troostend wil zeggen: ach, wat betekent het nou allemaal. Harry Mulisch ziet de humor er wel van in, de tragiek van het menselijk bestaan.
Maar dan die zweem van verhevenheid rond literatuur. Het dédain van de gevestigde orde voor de debutanten. Gerrit Komrij die onbeschaamd zijn ongerief over de tafel liet denderen in een recente aflevering van Pauw en Witteman over de inwisselbaarheid van schrijfsters zoals Heleen van Royen en Saskia Noort en hun 'middelmatige proza' die ten koste zou gaan van 'het echte werk'. Ook al zou hij onbetwistbaar kunnen aantonen in keiharde cijfers dat de verkoop van lectuur ten koste gaat van literatuur, zijn betoog roept enkel een beschaamd mededogen bij me op. Want dat hij zich eigenlijk onbegrepen en gepasseerd voelt spatte van het scherm af. Misschien het stille verdriet van elke schrijver.
Dat journalisten soms niet te beroerd zijn om de hoer van de onderbuik te spelen, bewees een door de ongeschreven wetten van de rangorde in schrijversland geïnspireerde 'zuigvraag' aan een ietwat balorige Connie Palmen op het boekenbal. Het leverde een beschamend filmpje op waarin ze zich iets liet ontvallen over 'nieuwkomers' en 'nietsnutten'. Afgelopen donderdag bood ze haar excuses aan aan een zichtbaar gekwetste Saskia Noort bij De Wereld Draait Door. Maar de overwoekerde grenspaaltjes tussen lectuur en literatuur werden wel even stoïcijns kwaaiig afgestoft door La Palmen.
Op zijn schooljufferigs legde ze uit dat er plaats in de boekenwinkel is voor iedereen, maar dat het verschil tussen originele werken en clichés niet ontkend mag worden. Waarom zijn die grenspaaltjes zo belangrijk? Want wat moet er nu precies verdedigd worden? Haar werk? Of haar vermogen om uit te stijgen boven het gewone alledaagse? Juist het willen ontsnappen aan clichés, is een cliché van jewelste. Maar misschien moet je een vleesgeworden cliché zijn om originele werken te kunnen schrijven. Wat schrijvers zoals Saskia Noort, Heleen van Royen en Kluun misschien wel tot de echte helden in schrijversland maakt. Omdat ze de moed hebben om banaal te zijn.
Twee jaar geleden trapte ik
er genadeloos in, het
meesfeminisme. Verontwaardigd schandaalde
ik dat al die vrouwelijke deeltijdtevredenheid in de jaarlijkse
Emancipatiemonitor waarschijnlijk gelatenheid was. Dat er eens
flink onderhandeld moest worden aan de keukentafel over een
eerlijker verdeling tussen zorgen en werken. Want economische
onafhankelijkheid: dat is het walhalla. Ik haalde er zelfs
paginagroot De Gelderlander mee. 'Analyse' stond erbij. Soms wordt
ik nog 'herkend'. Jij stond toch in de krant met dat stuk over
emancipatie? Yep. Omstanders die veelbetekenende blikken wisselen
onder geloken wimpers. Zeggen wat je bedoelt is niet helemaal
vanzelfsprekend in de Achterhoek, you know. Om de hete brij heen
draaien wel. In een nabijgelegen dorp zeggen ze joah joah
als ze 'nee' bedoelen. Irritant, maar ook onweerstaanbaar
charmant.Enfin. Na veel blogkilometers en een stapel leesvoer begint arbeidsparticipatie voor vrouwen steeds meer op een nieuw dogma te lijken dat hijgerig geserveerd wordt op het dankbare bedje van economische onafhankelijkheid. De onvermoeibare dominee van het evangelie is de Opzij. Elke maand komen er een reeks aan hysterie grenzende glitter 'n glamkostuums of onbegrijpelijke oliesoepjurken voorbij, die je indringend aanstaren vanaf het papier. Kom deze kant op, want hier is de hemel. Ik voel slechts de aandrang om zo snel mogelijk de hielen van mijn geïntimideerde zelfje te lichten. Misschien tijd om het blad opzij te zetten voor een tijdschrift dat niet zo uit de hoogte doet. Je zou godbetert spontaan Margriet-abonnee worden van dat betweterige topvrouwentoontje.
Toegegeven, ondanks het ergelijke feministische gekakel eromheen, ziet het perspectief van economische onafhankelijkheid er aantrekkelijk uit. Want wat als manlief op een goede dag genoeg van jou heeft of jij van hem? Dan is de kans een stuk kleiner dat je jezelf terugvindt bij het zorgloket van de plaatselijke gemeente. Aangezien een derde van de huwelijken op de klippen loopt zou economische onafhankelijkheid dus ook een nuttige relatiepechverzekering kunnen zijn. Toch is economische onafhankelijkheid een misleidende term. Hoezo ben je opeens onafhankelijk als je een salaris verdient? Het is nog steeds afhankelijkheid, maar dan in een nieuw jasje. In plaats van (gedeeltelijk) afhankelijk te zijn van je man, ben je afhankelijk van je baas. En die kan op een dag ook zomaar genoeg van je hebben. Reorganisaties, kredietcrisis, ik roep maar wat. Goed beschouwd halen deeltijdwerkende vrouwen het onderste uit de maatschappelijke kan. Ze verdelen hun talenten niet alleen over verschillende aandachtsgebieden, maar beschikken ook nog eens over een uitstekende financiële risicospreiding. Als dat geen emancipatie is, dan weet ik het ook niet meer.
Ik weet niet hoe vaak ik per abuis economische afhankelijkheid typte in plaats van economische onafhankelijkheid. Vanwege het wellicht Freudiaanse karakter wilde ik dat toch even met jullie delen.
Hij wil best een jaartje naar Den Haag. Om dat
crisisvarkentje even te wassen. Zijn strategie: problemen zijn
kansen en die moet je aanpakken. Warempel, de verlosser is
eindelijk gekomen. Waarom zijn er niet meer Dirken op deez'
noodlijdende aardkloot? Als ik het goed begrijp wil
Dirk helpen om zijn eigen rotzooi op te ruimen. Want ik kan
me niet heugen hoeveel wanhopige klanten van één van zijn
hijgerige kredietbévéés we in mijn Rabodagen uit de goot hebben
mogen trekken vanwege schaamteloze overfinanciering. Het waren er
in ieder geval genoeg. Fijn Dirk, dank je wel. Bij wijze van
tegenprestatie wil ik best 365 dagen je hobbyvoetbalclub runnen.
Ik schat in dat mijn succeskansen als voetbalcoach ongeveer
gelijk zijn aan de jouwe als crisismanager. Want ik weet
geen klap van voetbal. Affijn, er is vandaag al genoeg over
gezegd door Bert Wagendorp en onze Frans.
I rest my case.
Van politieagent tot koning van de
persoonlijke lening
KRO
Profiel, 4 februari 2009
De vitrinekast van de vrouw
vitrinekast, vrouw, moeder, dati, bevalling, werken, verlof, emancipatie, publiek bezit, keuzevrijheid, handelsbekwaam
Na twee feministische golven en een derde golf
waarvan we nog niet duidelijk hebben of dat een terugwijkende of
vooruitrollende is, is het recht op keuzevrijheid van de vrouw
over haar lichaam en haar leven inmiddels bevrijd uit de bedompte
kelder waar het eeuwenlang geduldig heeft liggen wachten op
betere tijden. Het recht op keuzevrijheid is teruggegeven aan de
rechtmatige eigenaar: de vrouw. Althans, zo lijkt het. Want zodra
ze het recht uitoefent, blijken er een indrukwekkend aantal
voorschriften bij te horen, geserveerd op een bedje van
orenklapperende vooroordelen en overkokende
emoties.
Er schijnt een Franse minister te zijn, toevallig vrouw, genaamd
Dati - had tot op de dag van vandaag nog nooit van haar gehoord,
sorry, wederom onder een stoeptegel gezeten - die, o bewaar me,
het ongehoorde lef heeft gehad om ultrakort na de
keizersnedelijke bevalling van haar dochtertje het ziekenhuis te
verlaten, getooid met een opgewekt gemoed, hoge hakken en
gestifte lippen. En dat terwijl elke vrouw toch hoort te weten
dat dat vanwege de zusterlijke solidariteit toch echt niet kan.
Dit valt toch niet uit te leggen aan al die andere
verlofgenietende moeders? Hoe moeten zij dit uitleggen
aan de baas? En hoe kan het dat mevrouw de minister vlak na
de bevalling alweer zo strak is? Dan zal het vast geen echte
vrouw zijn, maar een stuk ijzer. Als pasbevallen vrouw dien je
bij het verlaten van het ziekenhuis een op zijn minst vermoeide,
maar liefst uitgeputte indruk te maken gekleed in een
pastelgetint hemahuispak. Je bent immers vanaf dat moment
officieel geen vrouw meer, maar moeder. En je bent publiek
bezit.
Uit het artikel en de reacties op 'Bescherm ijzeren vrouwen tegen
zichzelf' op de opiniepagina van de Volkskrant blijkt dat een
kersverse moeder anno 2009 kennelijk nog steeds niet zelf kan en
mag kiezen hoe ze haar (werkende) leven inricht. En al helemaal
niet als ze een minister is met internationaal aanzien, want dan
heeft ze immers een 'voorbeeldfunctie' voor al die andere vrouwen
die wél het fatsoen hebben om zich minimaal de eerste zes weken
na de bevalling verre te houden van betaalde arbeid en zich
hoogstpersoonlijk om haar jonge kroost te bekommeren. Kortom: de
vrouw heeft keuzevrijheid, maar is kennelijk niet handelsbekwaam
(genoeg) om het te gebruiken. Ze mag haar keuzevrijheid
bewonderen, het af en toe even uit de kast pakken en liefkozend
strelen, erover praten, het trots tonen aan haar familie en
vrienden, maar het moet wel weer terug achter slot en grendel. De
keuzevrijheid van de vrouw staat in de vitrinekast. En da's maar
goed ook, want van die geëmancipeerde vrouwen, daar krijg je
alleen maar ongelukken van.
(De verkorte versie verscheen in de Opzij van maart 2009.)
Bron:
Bescherm ijzeren vrouwen tegen zichzelf
Opiniepagina Volkskrant, 13 januari 2009
Toen ik eigen baas werd,
dacht ik dat het erom ging dat ik zoveel mogelijk kennis en
ervaring opdoe. Over hoe je een goed artikel schrijft, dat blijft
hangen bij de klanten van je klant. Of hoe je een strakke tekst
voor een brochure of website in elkaar schroeft. Maar dat is maar
de helft van het verhaal.Het is geweldig om zelf te bepalen hoe, waar en wanneer je werkt. En vooral: zelf bepalen welk werk het beste bij je past. Het is fijn om te onderzoeken, me in te leven en te schrijven voor anderen. Het afgelopen jaar interviewde ik tientallen inspirerende mensen, vroeg ze het hemd van het lijf, kon mijn nieuwsgierigheid naar wat de mens beweegt lustig botvieren, was verguld met alle kennis die spontaan met me werd gedeeld, en het lukte me ook nog om het goed op te schrijven. Wat een rijkdom. Ik mocht een jubileumfeest voor alle klanten van één van mijn opdrachtgevers bijwonen en voelde me de koning te rijk tussen al die echte ondernemers, want zo voelde het toch een beetje. Dat ik daar mocht rondlopen, zomaar. Er waren complimenten waar ik soms stil van werd. Gebeurt dit echt? Ja, het gebeurt. Een beginnetje van zakelijk succes. Zomaar ineens, heel onwerkelijk.
Maar eigen baas zijn is niet alleen inspirerend en avontuurlijk. De andere helft van het verhaal is dat het vooral een pittige karaktertest blijkt te zijn. Want het ontwikkelen van totaal nieuwe vaardigheden brengt ook de nodige emoties met zich mee. De faalangst stoomde me soms dagenlang uit de oren. Kan ik het wel? Valt mijn schrijfstijl in de smaak? Raak ik de juiste snaar? En waar praat je eigenlijk over tijdens een gesprek op een netwerkbijeenkomst? Maar alle twijfels bleken achteraf altijd onterecht. De teksten vielen in de smaak, en de mensen die ik trof tijdens bijeenkomsten waren erg vriendelijk en toonden oprechte interesse. Soms had ik spijt als haren op mijn hoofd van de kostbare energie die ik had verspild met al die onnodige zorgen, ik had er zoveel andere dingen mee kunnen doen. Mijn lichaam trapte af en toe hard op de rem om me de rekening van al dat gepieker te presenteren. Maar het hield me ook scherp, en zorgde ervoor dat ik mijn beste beentje voorzette en het onderste uit de kan haalde.
Soms geloof ik het nog steeds niet dat het kan, eigen baas zijn. Dan fabriceer ik beren op de weg die heel echt lijken. Alsof ik mezelf wil dwingen om op de rem te trappen. Het is een uitdaging voor een zekerheidszoeker als ik om erop te vertrouwen dat ik beter in mezelf kan geloven dan in een salarisstrook die steevast op de 25e op de deurmat valt. Maar ik weet ook dat ik niet terug wil naar die voorspelbaarheid van vroeger. Het verveelde me stierlijk, ik werd er knap ongedurig van. Mijn creativiteit zat klem tussen dat bureau en die computer. Geen moment heb ik getwijfeld of ik er goed aan gedaan heb om voor mezelf te beginnen. Dit past bij mij, dit ben ik. Maar soms vraag ik me af waar het naar toe gaat. Wat wil ik bereiken? Waar wil ik mijn energie op focussen? Er schieten soms zoveel ideeën door mijn hoofd. Wat is wijsheid? Maar misschien komt dat antwoord vanzelf, groeit het onder mijn handen als ik laat gebeuren wat er gebeurt. Het zou zomaar mijn beste voornemen voor het volgende jaar kunnen zijn. Overgave.
Gelukkig
is er een coalitiepartij die het hoofd koel weet te houden. Een
rots in de branding die verontrustende dreigingen met
duizelingwekkend gemak weet te spotten. Of de wereld nu vergaat of
niet.Maak in deze barre politieke omstandigheden maar eens duidelijk aan het opperhoofd van Volksgezondheid dat het fragiele leven van onze jonge kinderen récht onder onze neuzen wordt bedreigd. Op de achterbank van de auto. Ja, dames en heren. Echt waar. Op de achterbank. Omdat die rottige ouders het verrekken om te wachten met hun paffie tot ze op de plek van bestemming zijn. En de kinderen die zitten daar maar. In de rook. Dat kán toch niet?
Nou, dat vindt Esmé Wiegman van de ChristenUnie ook. Het moet maar eens afgelopen zijn met die sigaretjes achter het stuur. Er kan zomaar as op je broek vallen. Of rook in je ogen dwarrelen. Het zal je maar gebeuren.
Esmé Wiegman groeide op in een gezin waar de visite onthaald werd met sigarettenkokertjes op tafel. 'Het toppunt van gastvrijheid.' Als er gasten waren stond de kamer binnen de kortste keren blauw. Laten we ons gelukkig prijzen met een Tweede Kamerlid dat onze kinderen dit horrorscenario wil besparen. De zorgwekkende gang van achterbankzaken in het Nederlandse gezin moet op de Haagse agenda. Het zou zomaar over het hoofd gezien kunnen worden in deze roerige tijden. Want ze had het al eerder aangekaart. Bij Ab Klink. Maar die deed er niks mee. Al die hollende collega-polici met kredietcrisisdossiers onder de oksels. Dan moet je wel even met de vuist op tafel.
Ook wil ik mevrouw Wiegman van harte feliciteren. Dat ze het ondanks de dikke rookgordijnen in haar jeugd toch nog zover geschopt heeft. Een waar boegbeeld voor al die hoestende achterbankkinderen. Dat het toch nog goed kan komen met je, ondanks alles.
Volgens de oud-minister van Sociale Zaken moet er een energiepark op zee met 1300 windmolens worden gebouwd. De terugverdientijd zou zes maanden zijn. 6 miljoen mensen zouden op deze manier kunnen worden voorzien van energie. Vermeende opbrengsten: 40 tot 50 duizend banen en afhankelijkheidsreductie van fossiele brandstoffen. Het prijskaartje: 12 tot 15 miljard.
PVV-er Fleur Agema ergerde zich zichtbaar aan de kosten van het enigszins warrige verhaal van Vermeend. ‘Zo'n windmolen rendeert pas na jáááren', wierp ze tegen. ‘Dat geld kan beter geïnvesteerd worden in verzorgingshuizen.' ‘Mevrouw heeft er geen verstand van!' onderbrak Vermeend haar triomfantelijk. Het energiepark is juist nodig om de zorg voor ouderen betaalbaar te houden, onderwees hij haar stoïcijns.
Vermeend is zichtbaar vertrouwd met het verkopen van een plan. Samen met oud staatskas beheerder Zalm lobbyde hij zich destijds een slag in de rondte om het nieuwe belastingplan van 2001 door de Haagse mallemolen heen te jassen. De uiteindelijke acceptatie van het bijbehorende wetsvoorstel was daardoor als een heet mes door de lauwe boter.
Het is aannemelijk dat de oud-politicus gezien zijn curriculum vitae weet hoe je economische rekensommen moet maken. En het moet gezegd worden: het volledig uitgewerkte plan van Vermeend ziet er doordacht uit. Maar zijn windmolenverhaal overtuigt niet door een gebrek aan charme. Zijn van arrogantie en zelfgenoegzaamheid doorspekte ‘ik lul je suf'-methode irriteert en intimideert. Wellicht was dit hijgerige kunstje succesvol in paarse tijden toen de huidige issues diep onder het tapijt verscholen lagen en er taarten werden aangesneden om begrotingstekorten van nul komma nul te vieren. Maar dit zijn nieuwe (crisis)tijden. Dat vraagt om een andere benadering. Het is onvermijdelijk dat je engagement creëert voor een verhaal met een dergelijk prijskaartje. Met warrige oneliners afvuren kom je er niet.
Verder rijst de vraag waar het geld vandaan moet komen. Inmiddels heeft elke Nederlander 1.000 euro bijgepast om het Nederlandse deel van het Fortis consortium te redden. Hoeveel gaat er nog volgen? Volgens de huidige berichten staat ING ook al bij Bos op de stoep. En creëer je met deze windmoleninvestering niet dezelfde zeepbel die net uit elkaar gespat is? Het moet immers voorgefinancierd worden met geld wat er eigenlijk niet is.
Van oudsher zijn we als Nederlanders bijzonder prijsbewust en hebben we de onderdrukbare neiging om bij dure investeringen, hoe nuttig ook, de onvermijdelijke ‘Wakostdah?' vraag te stellen. Maar Den Haag kan zich op dit moment niet opstellen als een kruidenier die op de kleintjes let. Het oplossen van grote problemen vraagt om grote investeringen. Het plan van Vermeend is daarom een onderzoek waard. Maar de vraag is: heeft Den Haag de kennis in huis om te beoordelen of dit plan van Vermeend daadwerkelijk vleugels heeft en niet plat op zijn bek valt bij de uitvoering ervan? Een dure onderzoekscommissie die na maandenlang onderzoek dikke onderzoeksrapporten produceert met het verlossende antwoord lijkt onvermijdelijk.
Op maandag 27 oktober volgt een uitzending met medewerking van Willem Vermeend over 'Nederland als land van zonnestroom en windenergie'.
Vroeger wist je precies
waar je aan toe was. Jezus was een zachtaardige,
vergevingsgezinde, blanke man met schouderlang haar en trouwe
hondenogen. Hij liep over water en veranderde water in
wijn. Het wereldberoemde basisakkoord van de symfonie
van onze Westerse cultuur.Maar wie was Jezus eigenlijk? Was hij daadwerkelijk die geweldloze man die na het incasseren van een fikse linkse de andere wang aanbood? Of was hij een tot de tanden bewapende revolutionair die een legertje van rebellen om zich heen verzamelde om de overheersing van het Romeinse Rijk omver te werpen? En heeft hij eigenlijk wel echt bestaan? Is hij een historische of mythologische figuur? Of toch beide?
Lauri Fransen, auteur van 'Het Evangelie van Isis' windt er geen doekjes om. Volgens haar heeft Jezus nooit bestaan. Hij zou om politieke redenen zijn verzonnen door de Romeinse Staatskerk rond het jaar 400. Het Romeinse Rijk zou dringend behoefte hebben gehad aan een historische figuur met mythologische proporties die de hoofdrol kon spelen in een patriarchale staatsreligie die het Romeinse Rijk bij elkaar moest lijmen. Zij deed onderzoek naar verschillende historische figuren van die tijd die opvallende overeenkomsten met de figuur Jezus vertoonden. Pythagoras (550 vC) bijvoorbeeld, was gekleed in witte gewaden en net als Jezus beroemd om zijn wonderen. Van zijn reizen van stad tot stad werd gezegd dat hij niet kwam ‘om te onderrichten maar om te genezen'. Eén van de vele wonderen van Pythagoras bestond uit het ‘tot rust brengen van de golven van rivieren en zeeën opdat zijn leerlingen gemakkelijker over konden steken.'
Ook het teken van de
vis vindt zijn historische oorsprong in de meetkundige symboliek
uit de school van Pythagoras. Lang voor de opkomst van het
christendom was de vis het symbool van de ingewijden van de
mysterieschool van de Griek Pythagoras. Zij werden 'vissen'
genoemd, of 'vissers'. Dit symbool is later overgenomen door
de christenen als symbool voor Jezus. Het symbool ontstaat door een
cirkel te trekken, daarna de punt van de passer op de omtrek van de
cirkel te zetten en een tweede cirkel te trekken die door het
middelpunt van de eerste gaat.Paul Verhoeven suggereert in zijn vandaag verschenen boek 'Jezus van Nazaret' dat Jezus zomaar de zoon van een Romeinse soldaat zou kunnen zijn geweest. In de uitzending van Eénvandaag van 12 september jl. worden de theorieën van de filmtycoon voorgelegd aan woordvoerders van de gevestigde kerkelijke orde. 'Ontroerend en onnozel' oordeelt predikant Nico ter Linden gortdroog. 'Een gedreven man met een grote fantasie' zalft priester Antoine Bodar diplomatiek. Als de hoorbaar geïntimideerde interviewer de katholieke voorganger vraagt of hij de theorie van Verhoeven interessant vindt, hult hij zich met zichtbaar dédain in een zelfgenoegzaam stilzwijgen. 'Ik hoef niet te geloven wat de heer Verhoeven beweert.' Om er even later met een gelijkhebberige verongelijktheid aan toe te voegen: 'Zoals het in de Bijbel staat is het.'
De vraagtekens bij de historische en/of mythologische figuur Jezus zijn interessant. Het geeft aan dat wij in een tijd leven waarin er ruimte is om de geschiedenis te herschrijven op basis van actuele inzichten. Maar het maakt eigenlijk niet zoveel uit of Jezus nu wel of niet bestaan heeft, of hoe hij er uit zag. Voor mijn part was hij paars met gele stippen. Verhoeven betoogt terecht dat het niet gaat om de verkondiger, maar om de verkondiging. En die blijft relevant: heb je naasten lief. Of zoals Depeche Mode het verwoordde: wees een personal Jesus voor je medemens. Misschien is dat de boodschap. Dat je je innerlijke Jezus zoekt en uitdraagt.
Interview met Paul Verhoeven - Eén Vandaag 12 september jl.
Personal Jesus - Depeche Mode
Als
vrouw ben je altijd onderweg naar je volgende bestemming. Als
single ben je een wandelende partnervacature, als je gescoord
hebt wordt het tijd om dezelfde voordeur te gaan delen, als je
samenwoont zeurt iedereen aan je hoofd over de bruiloft en zodra
je het boterbriefje getekend hebt en een godsvermogen armer bent
staat het aanstaande moederschap al in de
steigers.
Mannenterreur
Het zijn echter niet alleen vrouwen die met enige regelmaat langs
de maatschappelijke meetlat worden gelegd. Uit een anekdote die
een vriend recent met me deelde blijkt dat mannen het af en
toe ook zwaar te verduren hebben. Nadat hij enkele jaren geleden
tijdens diverse feestjes steevast door dezelfde zestigplusser
geterroriseerd werd met de vraag wanneer of hij nou eens een
vriendin kreeg omdat hij zo langzamerhand toch eens aan kinderen
moest gaan denken, maakte hij op uiterst effectieve wijze een
einde aan deze terreur met de wedervraag wanneer of hij
nou eens doodging. Sindsdien is het stil.
Spijtverzekering
Het
is leuk om als dertiger met vrienden van gedachten te wisselen
over levenskeuzes. Maar niet zelden verbaasde ik me over de
stoïcijnse doofheid die optrad zodra je aangaf geen kinderen te
willen. ‘Dat zei ik ook altijd.' De ogen minzaam
samengeknepen, de lippen mysterieus getuit. Je kent dat wel, op
zijn Matthijsvannieuwkerks. Een hoop dooddoeners heb ik
voorbij horen komen. De ergste was toch wel deze:
‘Opvoeden gaat helemaal vanzelf.' Je bedoelt
dat kinderen op miraculeuze wijze vanzelf groeien als je er
eten instopt. De indringendheid waarmee de Zaligheid van het
moederschap soms bejubeld werd (er werd nog net geen
‘halleluja' bij geserveerd) gaf me het gevoel dat ik een
verloren ziel was die bekeerd moest worden naar Het Licht dat me
naar Mijn Verlossing zou leiden. Verlossing waarvan, van mezelf?
Op een bijna hijgerige manier werd ik gewaarschuwd voor de Grote
Spijt of de Onverdraaglijke Eenzaamheid van een kinderloos
bestaan. Wat zou er van me terecht komen op al die eenzame lange
zondagen in het bejaardentenhuis? Het kind als spijtverzekering
tegen ontbrekende koffievisites.
Biologisch vetorecht
Maar het kan nog gekker. Toen mijn lief enkele jaren geleden
tijdens een gezellig mannenonderonsje vertelde dat er geen
kinderen zouden komen kreeg hij als wederwoord dat je als man
gewoon niks te vertellen hebt, als je vrouw nou eenmaal kinderen
wil, dan heb je dat gewoon te accepteren. Goudeerlijk en
schokkend. Hoeveel mannen denken er ook zo over maar durven het,
begrijpelijkerwijs, niet hardop te zeggen? Hoeveel mannen
beschouwen kinderen als neveneffect van het huwelijk? We hebben
de mond altijd vol over de keuzevrijheid van vrouwen, maar
hoeveel keuzevrijheid hebben mannen eigenlijk als het gaat om het
vaderschap? Biologisch gesproken ligt het vetorecht immers
nog steeds bij hun echtgenote. Of zijn er mannen die zonder
blikken of blozen de leidingen door laten knippen? Ik ken ze
niet.
Bangmakerij
In
het stuk
'Jong
moederschap is nergens voor nodig' in de Volkskrant van
vrijdag 5 juli jl. worden de bevindingen van een onderzoek van
drie academici naar de leeftijd waarop Nederlandse vrouwen hun
eerste kind krijgen samengevat. De onderzoekers constateren dat
de ongerustheid over een toenemend aantal oudere moeders
onterecht is, het lijkt er juist op dat vrouwen hun biologische
klok beter hebben afgestemd op hun maatschappelijke
volwassenheid: nog nooit hebben zoveel vrouwen hun eerste kind
tussen hun 25e en 35e gekregen. Eén van de
onderzoekers zegt dat de vruchtbaarheid van de vrouw
weliswaar met de jaren afneemt, maar dat vrouwen ook onnodig bang
worden gemaakt voor onvruchtbaarheid: twee derde van de vrouwen
boven de 40 worden zwanger. De onderzoekers wijten deze
‘bangmakerij' aan de preoccupatie van gynaecologen met
ongewenst kinderloze vrouwen die zij in hun praktijk voorbij zien
komen.
Horrorverhalen
Maar de bangmakerij is waarschijnlijk niet alleen te wijten aan
gynaecologen die lijdzaam moeten aanzien hoe zij ongewenst
kinderloze vrouwen ondanks hun uiterste pogingen niet aan een
zwangerschap kunnen helpen. Laat bij wijze van sociaal experiment
op een willekeurig feestje het citaat 'Op de leeftijd van 40
jaar kan men nog zwanger worden en zijn de complicaties voor de
kinderen voldoende beperkt om dat risico te nemen' uit het
voornoemde onderzoek vallen en je wordt gegarandeerd getrakteerd
op een portie verontwaardiging over het ongebreidelde egoïsme van
zwangere 40-plussers met in het kielzog daarvan de nodige
vulgaire details over horrorzwangerschappen en dito bevallingen.
De moraal laat zich kennelijk niet zomaar knechten door de
wetenschap. Een ding is zeker: wetenschappelijk gesproken is mijn
houdbaarheidsdatum met vijf jaar verlengd. Halleluja!
Bron: Opiniepagina Volkskrant, 15 juli 2009
Verstandige
gezinsplanning: niet te laat, maar ook niet te vroeg kinderen
krijgen.
Bron:
Nederlands Tijdschrift Geneeskunde 5 juli 2008
Oude
moeders
De Nederlandse vrouw is gemiddeld 30 jaar als ze haar eerste kind
krijgt. 'Dat is eigenlijk te oud', zeggen artsen en gynaecologen
in Zembla.
Bron:
Zembla 27 april 2008





