Normaalverdelingen
Het weer is altijd goed. Het komt van God en het is gratis.

In afwezigheid van zijn handen
blijft hij
staan op de plaats die zijn moeder hem
heeft uitgezocht. De ringen knellen om
het bloed dat aangeslingerd en razend
aanwezig de klokken doet suizen.
In afwezigheid van zijn handen kruipen
muggen over zijn gezicht, slepen hun
angels langs zijn wangen, maken alles
drankzuchtig (als na een oorlog) rood
gegraven grillen van de moede wind.
Zijn haar brandt in de ochtendzon
waar hij de dag van gisteren in
het vizier krijgt. Hij schiet en denkt
niet meer aan zijn kapotte handen.
staan op de plaats die zijn moeder hem
heeft uitgezocht. De ringen knellen om
het bloed dat aangeslingerd en razend
aanwezig de klokken doet suizen.
In afwezigheid van zijn handen kruipen
muggen over zijn gezicht, slepen hun
angels langs zijn wangen, maken alles
drankzuchtig (als na een oorlog) rood
gegraven grillen van de moede wind.
Zijn haar brandt in de ochtendzon
waar hij de dag van gisteren in
het vizier krijgt. Hij schiet en denkt
niet meer aan zijn kapotte handen.
Hard gevallen en weer
opgestaan,
zo had het moeten luiden op zijn
eerste rapport. De meester heeft
anders beslist en zonder genade
de betreffende moeder onder
handen genomen. Zij vogelden
tot de vroege morgen, waarna
het de gehele familie duidelijk
werd: die jongen komt er wel.
zo had het moeten luiden op zijn
eerste rapport. De meester heeft
anders beslist en zonder genade
de betreffende moeder onder
handen genomen. Zij vogelden
tot de vroege morgen, waarna
het de gehele familie duidelijk
werd: die jongen komt er wel.
Hij ziet de Verlossing op
straat liggen
en kan zich niet bedwingen, bukt
en graait in andermans eigendom.
Achter zijn schouders laat het groene
meisje van de supermarkt de vlaggen
naar beneden vallen. Hij ziet haar niet,
hoort haar wimpers knisperen, hij wacht.
In een volle trein naar huis gebracht.
en kan zich niet bedwingen, bukt
en graait in andermans eigendom.
Achter zijn schouders laat het groene
meisje van de supermarkt de vlaggen
naar beneden vallen. Hij ziet haar niet,
hoort haar wimpers knisperen, hij wacht.
In een volle trein naar huis gebracht.
Je zoekt naar een
'doorwaadbare plaats',
de gedachten ergens anders, bij een
gezicht uit een film die je gisteren zag.
Je brengt de pannen naar het midden
van de kamer, waar de plinten zwart
blakeren, elke nieuwe dag oplichtend
in de zon. We slaan in het vuur, mijn
Shimamoto. Eens krijg je de tuin waar
je van droomt. Kijk op zolder naar de
regenbuien. Hoor de kranten ritselen
als zwartgeblakerde muizen in het veld.
de gedachten ergens anders, bij een
gezicht uit een film die je gisteren zag.
Je brengt de pannen naar het midden
van de kamer, waar de plinten zwart
blakeren, elke nieuwe dag oplichtend
in de zon. We slaan in het vuur, mijn
Shimamoto. Eens krijg je de tuin waar
je van droomt. Kijk op zolder naar de
regenbuien. Hoor de kranten ritselen
als zwartgeblakerde muizen in het veld.
Hij meet zich zijn
vriendelijkste
grimas aan en belt aan bij de
vrouw die van hem hield.
'Een bosje bloemen..', wil hij
nog zingen. Ze spuugt in zijn
ogen, trekt wat haren uit, het
bloed dat hem eigen is eindelijk
weer aan haar kleine handen.
Ze wisselen onbeleefdheden
uit en gaan enkele reis hun
eigen weg. Zij naar binnen,
hij naar buiten in oude kleren.
grimas aan en belt aan bij de
vrouw die van hem hield.
'Een bosje bloemen..', wil hij
nog zingen. Ze spuugt in zijn
ogen, trekt wat haren uit, het
bloed dat hem eigen is eindelijk
weer aan haar kleine handen.
Ze wisselen onbeleefdheden
uit en gaan enkele reis hun
eigen weg. Zij naar binnen,
hij naar buiten in oude kleren.
Mijnheer Jan hoopt op beter
weer.
Hij probeert te lopen langs het hek
dat volgeteerd voor zijn huis is blijven
hangen, het treft hem aan in staat van
verwarring. De kleren gekruist en oud.
Voor het huis is geen zon en geen
regen, enkel een zacht zwarte zweem
van harde lucht. Mijnheer Jan spreekt
zijn geheugen aan om te gaan lopen.
Maar ook aan het eind van de straat
verbaast zich zijn verstand, ook daar
weten zijn benen niet hoe ze moeten
staan, wat zwart of wit is, en waarom.
Hij probeert te lopen langs het hek
dat volgeteerd voor zijn huis is blijven
hangen, het treft hem aan in staat van
verwarring. De kleren gekruist en oud.
Voor het huis is geen zon en geen
regen, enkel een zacht zwarte zweem
van harde lucht. Mijnheer Jan spreekt
zijn geheugen aan om te gaan lopen.
Maar ook aan het eind van de straat
verbaast zich zijn verstand, ook daar
weten zijn benen niet hoe ze moeten
staan, wat zwart of wit is, en waarom.
Er was ons het een en ander
beloofd
alvorens wij afreisden naar deze stad.
Nu blijkt dat de saloon reeds lange tijd
gesloten is. De whiskey staat stof te
vergaren achter de toog, de barman
is gevlogen en gestorven in zijn vlucht.
Het hotel bestaat slechts uit houten platen
die geen derde dimensie toestaan waarin
we zouden kunnen vertoeven. De lobby
staat niet bestaand in het grind - slechts
enkele verloren kogelgaten vertellen ons
waar wij eventueel een fijne avond kunnen
hebben. Om kort te gaan: uw ogen vertellen
een verhaal dat uit de folder niet kon blijken.
alvorens wij afreisden naar deze stad.
Nu blijkt dat de saloon reeds lange tijd
gesloten is. De whiskey staat stof te
vergaren achter de toog, de barman
is gevlogen en gestorven in zijn vlucht.
Het hotel bestaat slechts uit houten platen
die geen derde dimensie toestaan waarin
we zouden kunnen vertoeven. De lobby
staat niet bestaand in het grind - slechts
enkele verloren kogelgaten vertellen ons
waar wij eventueel een fijne avond kunnen
hebben. Om kort te gaan: uw ogen vertellen
een verhaal dat uit de folder niet kon blijken.
Komt een kind bij de
dokter.
Het kijkt hem diep in de ogen,
voelt zijn hartslag, legt een droge
krant over zijn borstkas om hem
te troosten: niet zijn moeder en
zijn vader zijn hier om de tafel voor
hem te dekken. Het gaat liggen onder
de warme lamp, zijn haren licht.
De dokter zet een mes in het kind.
De dokter strijkt over zijn haren,
het kind mag nog niet naar huis,
de metalen handen zijn blinkend
wit, een zware grimas zijgt in zijn
kaken neer als hij het lichaam openlegt.
Het kijkt hem diep in de ogen,
voelt zijn hartslag, legt een droge
krant over zijn borstkas om hem
te troosten: niet zijn moeder en
zijn vader zijn hier om de tafel voor
hem te dekken. Het gaat liggen onder
de warme lamp, zijn haren licht.
De dokter zet een mes in het kind.
De dokter strijkt over zijn haren,
het kind mag nog niet naar huis,
de metalen handen zijn blinkend
wit, een zware grimas zijgt in zijn
kaken neer als hij het lichaam openlegt.
Hij kruipt tegen de regen
aan
op zoek naar een laatste beetje
stromende warmte, zoals het kan
gieren door verwarmingsbuizen.
Een stem treft hem als het nieuws
in een natte krant:
'Sluimer niet zo door de straten,
snoer je jassen aan en preek tot
de dingen: dat ze altijd gehoorzaamd
hebben aan wat wij hen opdroegen.
Waarom zou dat zomaar voorbij zijn?
Niets gaat voorbij, of
het moet de regen zijn.'
op zoek naar een laatste beetje
stromende warmte, zoals het kan
gieren door verwarmingsbuizen.
Een stem treft hem als het nieuws
in een natte krant:
'Sluimer niet zo door de straten,
snoer je jassen aan en preek tot
de dingen: dat ze altijd gehoorzaamd
hebben aan wat wij hen opdroegen.
Waarom zou dat zomaar voorbij zijn?
Niets gaat voorbij, of
het moet de regen zijn.'
Juist bij het verlaten van
zijn huis werd mijnheer
P. getroffen door een beroemde gedachte:
Klinkend in de kelder een brommende
stem gedragen door stelten van staal en
geslepen scharen - trillend de flessen, de
aardappels verdord en groen uitgeslagen,
uitgroeiend tot planten met de armen lang
en harig, zich kerend naar de zon, uitgestrekt
en warm, mijnheer P. de rug toedraaiend om
in zijn aangezicht weer op te staan.
Hij noemt de zon zijn zoon en gaat op weg.
P. getroffen door een beroemde gedachte:
Klinkend in de kelder een brommende
stem gedragen door stelten van staal en
geslepen scharen - trillend de flessen, de
aardappels verdord en groen uitgeslagen,
uitgroeiend tot planten met de armen lang
en harig, zich kerend naar de zon, uitgestrekt
en warm, mijnheer P. de rug toedraaiend om
in zijn aangezicht weer op te staan.
Hij noemt de zon zijn zoon en gaat op weg.
'nederlanders ontevreden over
kabinet'
en de meeuwen boven de zee verwijtend
klapperend tussen onregelmatigheden in
de golven - we tellen de zilveren patronen
Geen brood is hetzelfde, wijn smaakt altijd
anders in warme landen, geklemd in handen
die zich vrij kunnen bewegen - de kippenek
van de Ander geklemd houdend tussen de
scheerlijnen. En pa schept in de ravioli,
de krant reciterend, wijzend naar
steden die gelegen zijn aan zee.
en de meeuwen boven de zee verwijtend
klapperend tussen onregelmatigheden in
de golven - we tellen de zilveren patronen
Geen brood is hetzelfde, wijn smaakt altijd
anders in warme landen, geklemd in handen
die zich vrij kunnen bewegen - de kippenek
van de Ander geklemd houdend tussen de
scheerlijnen. En pa schept in de ravioli,
de krant reciterend, wijzend naar
steden die gelegen zijn aan zee.
De bal ligt buiten en het
regent al heel lang.
Het dondert langs de regenpijp.
Het klatert over de daken langs de stoep en
in de boot die wij ons vouwen van servetten.
We hijsen de zeilen op de eettafel.
We hangen alles halfstok in de regenwind.
We zetten de deuren op een kier.
We branden de krant in stukken
en leggen de geblakerde letters onder
het tafellicht en op het gouden kleed,
ons gehaakt door moede handen,
ons gebracht door zachte bodes
ons gewenst op een verlaten avond.
Het dondert langs de regenpijp.
Het klatert over de daken langs de stoep en
in de boot die wij ons vouwen van servetten.
We hijsen de zeilen op de eettafel.
We hangen alles halfstok in de regenwind.
We zetten de deuren op een kier.
We branden de krant in stukken
en leggen de geblakerde letters onder
het tafellicht en op het gouden kleed,
ons gehaakt door moede handen,
ons gebracht door zachte bodes
ons gewenst op een verlaten avond.
Hij spreekt de buren toe op
luide toon.
Zijn ogen dwalen af en toe naar boven
naar het tot regenverf vermalen raamkozijn
dat uit zijn handen glipte -
op de tuinman met de rozen in zijn hand
de doornen in zijn voeten
en roze blaadjes in zijn krant.
Gelukkig, hij woont nog steeds op stand
(en verspreekt hij zich op luide toon)
Niets aan de hand
Zijn ogen dwalen af en toe naar boven
naar het tot regenverf vermalen raamkozijn
dat uit zijn handen glipte -
op de tuinman met de rozen in zijn hand
de doornen in zijn voeten
en roze blaadjes in zijn krant.
Gelukkig, hij woont nog steeds op stand
(en verspreekt hij zich op luide toon)
Niets aan de hand
Het onheil is reeds geschied.
Zijn haar is bewerkt met botte scharen, zijn grootouders zijn op de
hoogte gebracht van zijn falen, zijn kapper is
gestenigd.
En nergens het bereik genoeg om in blijdschap te dansen - nergens meer de bomen zo buigzaam dat ze met zich laten dansen - nergens de regen zo van goud dat ze een boog van rozen kan vormen.
Op de grond de aarde en zijn laatste rustplaats. In de lucht zijn hoopvolle blik die voortleeft in de vogels vliegend naar het paradijs.
En nergens het bereik genoeg om in blijdschap te dansen - nergens meer de bomen zo buigzaam dat ze met zich laten dansen - nergens de regen zo van goud dat ze een boog van rozen kan vormen.
Op de grond de aarde en zijn laatste rustplaats. In de lucht zijn hoopvolle blik die voortleeft in de vogels vliegend naar het paradijs.
Berichten uit het ondermaanse,
d.d. 1001 AD.
Grondig verpeste augurkensalade, zuur geworden gesprekken.
De dood achtervolgt ons tot in het oneindige.
Groenland is met ijs bedekt en zal onze huizen kunnen bergen.
Hier de kat, daar het vuur en overal de winter.
Ergens op de zon die ons om de oren staat
ergens bij het kind dat slaapt en schreeuwt
hier de kat en de kinderen
daar het vuur en overal de winter.
Grondig verpeste augurkensalade, zuur geworden gesprekken.
De dood achtervolgt ons tot in het oneindige.
Groenland is met ijs bedekt en zal onze huizen kunnen bergen.
Hier de kat, daar het vuur en overal de winter.
Ergens op de zon die ons om de oren staat
ergens bij het kind dat slaapt en schreeuwt
hier de kat en de kinderen
daar het vuur en overal de winter.
Teruggekomen legt hij de
kaarten op tafel en begint hij zijn gebaren voor de avond te
spellen. Zijn magere arm legt hij te rusten op de stoel die
zucht onder de tirannie van zijn gestroomlijnde gedachten. Hij heft
de ogen ten hemel en schreit naar het schilderij boven de
keukendeur, door zijn vader bevestigd, rammelend in de
telefoon die schreeuwt van de dood van de overburen: het
ineenstorten van het dak en de daaropvolgende paniek - het grijpen
naar gouden deuren als in het eind van een verhaal. Zijn
dromen achterhalen wat hij voor zich denkt te zien; hij klopt
op zijn slapen om de gaafheid van de materie in hemzelf
te beproeven - er klinkt een gouden gloed, en hij begrijpt dat
zijn tijd gekomen is.
De pet staat scheef, de ogen
draaien naar de zon - waar moeder ooit eens de haren tegeninstreek
toen de zee dichterbij kwam en Heit nergens te bekennen was. De zon
die draait en scheef het huis binnenvalt, door de geloken ramen de
verblindende ogen binnen - tussen de valiezen door en op de
stickers van zon, zee en achterland. En hier verbrandt
het schip dat uit varen ging met
geloken zeilen en de pannen op
het dek, het wapentuig verroest
en gereed, de mast verrassend
hoog en onbereikbaar verdorven
snel en scherend door de lucht en
langs het water. En alles staat scheef
en trekt zich recht langs de randen van
wat wij hier durven te beseffen.
het schip dat uit varen ging met
geloken zeilen en de pannen op
het dek, het wapentuig verroest
en gereed, de mast verrassend
hoog en onbereikbaar verdorven
snel en scherend door de lucht en
langs het water. En alles staat scheef
en trekt zich recht langs de randen van
wat wij hier durven te beseffen.
Buiten op straat hangen de
buren rond
de ogen bruin en verstard, vastbesloten
starend naar de mysteries van het dorp
Mysteries in de hoog geheven vlag -
toppen van de wind die suist en nimmer
iets laat vallen. Dode vogels in de lucht
ongeschreven veren in de handen van
onschuldigen. Groot geworden eendekuikens
de borsten rood en verbrand, gebroken in het
eindeloze water, de donkere moeder om hen heen
en boven hun hoofd, de dronken moeder in de bomen
slingerend en gek geworden, haastig alles verbergend
wat op het moment zelf niet tot verklaringen kan leiden
Wijdverbreide overeenkomsten aan de oevers, op de bankjes
in het driewerf gezegende schrift dat spreekt van de wederkomst
van de Heiland, de ogen gesloten houdend om het water dat opspettert tegen zijn spijkerbroek zijn zicht op de wetenschap niet
te laten belemmeren - de hoop vestigend op hen die de theorie
van het water en jonge eendjes, en hoe de twee zich tot elkaar verhouden, zoeken in ongeschreven meesterwerken.
de ogen bruin en verstard, vastbesloten
starend naar de mysteries van het dorp
Mysteries in de hoog geheven vlag -
toppen van de wind die suist en nimmer
iets laat vallen. Dode vogels in de lucht
ongeschreven veren in de handen van
onschuldigen. Groot geworden eendekuikens
de borsten rood en verbrand, gebroken in het
eindeloze water, de donkere moeder om hen heen
en boven hun hoofd, de dronken moeder in de bomen
slingerend en gek geworden, haastig alles verbergend
wat op het moment zelf niet tot verklaringen kan leiden
Wijdverbreide overeenkomsten aan de oevers, op de bankjes
in het driewerf gezegende schrift dat spreekt van de wederkomst
van de Heiland, de ogen gesloten houdend om het water dat opspettert tegen zijn spijkerbroek zijn zicht op de wetenschap niet
te laten belemmeren - de hoop vestigend op hen die de theorie
van het water en jonge eendjes, en hoe de twee zich tot elkaar verhouden, zoeken in ongeschreven meesterwerken.
Omdat het hier nu eenmaal
altijd helder en groen is. Omdat hier de zeemeerminnen meisjesbenen
hebben, en niet bij elke toevallig
passerende hoofdonderwijzer in zingen uitbarsten. Hier
staan de lantaarnpalen recht, tot ze gebroken en verfraaid in hun
eigen schijnsel de maan proberen bij te lichten.
En de krassen in je bovenlip die
rechter staan dan al het voorgaande
En de tekens op het grote schip die
zich voegen naar de vaart en fietsers
met optrekkend licht en oude verhalen
En de krassen in je bovenlip die
rechter staan dan al het voorgaande
En de tekens op het grote schip die
zich voegen naar de vaart en fietsers
met optrekkend licht en oude verhalen

