De Wereld Van Hannah
.Het Gras Lijkt Altijd Groener Aan De Overkant.
VKBlog Headerimage

column NHD, deel 28, Kanker

zaterdag 17 oktober 2009 14:40

Het leeskwartiertje. Elke dag was het er, jaar in jaar uit.

 Soms stelde het weinig voor, als het net na het buitenspelen was ingeroosterd, bijvoorbeeld. Dan waren we vaak nog veel te wild om ons te kunnen concentreren op een boek. Maar het was ook wel eens om negen uur, als iedereen nog half in slaap was en dan heerste er een oase van rust in de klas. Keek je om je heen omdat je er even genoeg van had, dan zag je vredige gezichten verzonken in hun verhalen. Dus ging je zelf ook maar weer verder.

 Als je je boek uit had tijdens dat kwartier, mocht je een nieuwe halen. Op de gang stond onze ‘schoolbibliotheek’, een kast van ongeveer drie meter lang, tot de nok gevuld met boeken. Om de boekenkast en de boeken hing een typerend geurtje dat je vanzelfsprekend ook weer mee terug nam naar de klas met als gevolg dat aan het eind van het kwartiertje het hele klaslokaal rook naar muffe boeken.

 In groep acht werd het leeskwartier een leeshalfuur. Ik las dat jaar een boek dat me altijd is bijgebleven. Waarom weet ik niet, maar ik was niet de enige.

 Als ik aan mensen vraag welke boeken ze hebben onthouden van de basisschool, zit deze er vaak bij. Eigenlijk altijd.

 Achtste-groepers huilen niet.

 Akkie, een meisje van twaalf krijgt leukemie, een vorm van kanker. Ze houdt zich groot voor haar klasgenoten, alsof er niets aan de hand is, maar uiteindelijk verliest ze toch de strijd tegen haar ziekte.

 Akkies klas deed me tijdens het lezen vaak aan mijn eigen klas van toen denken. Net zo hecht, net zo druk en net zo leuk. Maar zonder meisje met kanker, dat wel. Zoals het hoort.'

 Een kind hoort geen kanker te krijgen. Volwassenen ook niet, maar een kind al helemaal niet. Die moeten ongeschonden kunnen spelen, in bomen klimmen en toneelstukjes verzinnen. Ze moeten op zwemles en in groep acht op kamp, anders ben je geen kind geweest.

 Ze moeten kunnen genieten van het jong zijn, want juist dan is alles nog zo ontzettend simpel. Later moeten ze op kamers, de wijde wereld in. Zonder kanker. Dat past niet in het rijtje.

 Het past nergens bij, niet bij het leven, bij niks.

 Ik las het eind van Achtste-groepers huilen niet niet op school maar thuis, in bed. Elf was ik, een jaar jonger dan Akkie. Ze was inmiddels mijn voorbeeld geworden, als ik ooit kanker zou krijgen zou ik het net zo doen als zij. Maar toen ging ze dood.

 Tranen liepen over mijn wangen en zachtjes fluisterde ik de laatste woorden van het boek mee, iets anders dan hoe het er stond.

 ‘Voor alle Akkie’s.”

 

 

 

 

 

 

column NHD, deel 27, Jong op kamers

maandag 8 juni 2009 22:46

Vroeger, als ik met mijn oma en opa naar het strand ging, kwamen we altijd langs een heel groot huis in de buurt van Castricum. Het was een soort sprookjeskasteel met grote ramen, torentjes en het was omgeven door allemaal bomen, waardoor je nooit het hele huis kon zien. Als de zon scheen, wat meestal zo was omdat we naar het strand gingen als we er langs reden, kwam er een magische lichtval over het huis doordat de bladeren van de bomen het zonlicht weerkaatsten.

 Een mysterieus schouwspel, zo naast de snelweg.

 Als we er weer eens langs reden, fantaseerde ik altijd dat we met de hele familie in dat huis zouden wonen. Met alle neefjes, nichtjes, ooms en tantes, en opa en oma als koning en koningin.

 Dat was mijn droomwereld en altijd als ik een wens mocht doen, wenste ik dat dat werkelijkheid zou worden.

 Nooit gebeurd, en het gaat ook nooit meer gebeuren.

 Want nu kan ik mijn eigen droomleven bouwen. De eindexamens zijn voorbij, de middelbare school is voorgoed afgesloten en de wereld strekt zich voor me uit.

 Ik kan alles doen wat ik wil. Ik kan reizen, thuis blijven, studeren, fulltime gaan werken.

 Of ik ga op kamers.

 Op kamers. Het galmt als een gong door mijn hoofd.

 Op kamers, weg van het vertrouwde buurtje waar ik bijna mijn hele leven heb gewoond. Weg van mijn ouders, mijn huis, mijn straat en mijn stad. Weg van waar ik alles ken.

 Maar naar een nieuw, stralend begin.

 Want op kamers is feest. Zelf beslissen wat je eet, zelf boodschappen doen, zelf bepalen hoe en hoe laat je thuiskomt. Nergens rekening mee hoeven houden, alleen met jezelf. Een soort eeuwige vakantie, eigenlijk.

 Maar er is een verschil tussen een vakantie en op kamers. Op vakantie is er namelijk altijd een dag dat je weer terug gaat naar het huis waar je vandaan kwam. En op kamers, is het begin van de rest van je leven. Een leven waarin je niet meer terug zult komen naar je oude thuis. Er komt geen dag meer dat je je oude straat in rijdt en denkt: dag huis, daar zijn we weer. Wel misschien voor een weekendje, maar niet meer voor altijd.

 Want je hebt je eigen thuis gemaakt.

 Ik heb nooit geweten wie er in het huis in Castricum woonden. De vele malen dat we er langs kwamen heb ik nooit iemand in de tuin zien liggen of iemand gezien die de bomen aan het snoeien was. Nooit deed iemand toevallig net de gordijnen open of stond er een auto.

 Misschien is het huis er wel helemaal niet. Misschien heb ik het, als we er langs reden op weg naar het strand, wel zelf bedacht.

 

column NHD, deel 26, vluchtelingen

maandag 8 juni 2009 22:44

Het is een mooie middag in maart. Ik lees de krant en mijn oog valt op een artikeltje, onderaan de voorpagina. “Weer bootvluchtelingen op Lampedusa.” Op de foto ligt, tussen een grote groep mannen en een enkele vrouw, een wat kleinere jongen, ik schat een jaar of 25. Hij kijkt een beetje hulpeloos, alsof hij niet precies beseft wat er gebeurd is.

Ik noem hem Karel.

 Karel is een Afrikaan, en een vluchteling. Hij droomde van welvaart, een mooi huis, het goede leven. Karel wilde vrijheid en vrijheid creëer je grotendeels door welvaart. Geld maakt niet gelukkig, zeggen ze, maar het helpt wel degelijk een handje.

 Welvaart is er in Afrika niet. Tenminste, niet waar Karel vandaan kwam.

 En dus wilde Karel weg. Weg uit Afrika, naar Europa, waar zijn dromen werkelijkheid konden worden.

 Hij had connecties, hij kende mensen die hem konden helpen.

 Kost een centje, maar dan heb je ook wat. Hij had al zijn spaargeld er voor over.

 Toen het eenmaal zover was, toen Karel aan zijn grote reis ging beginnen, werd hij toch wel een beetje zenuwachtig. Maar hij wist dat hij moest, er was geen weg meer terug.

 Midden in de nacht, zodat ze niet gesnapt zouden worden, voeren ze weg.

 Naar de vrijheid. Naar het land waar ze het zouden maken en waar ze zich nooit meer zouden hoeven af te vragen hoe ze vandaag weer eens aan eten gingen komen.

 Dachten ze.

 Want in werkelijkheid stelt de vrijheid van een vluchteling natuurlijk niet zoveel voor.

Behalve als je de boottocht overleeft, een goed betaalde baan vindt en het liefst ook nog een leuke Nederlandse partner aan de haak slaat. Dan zit je gebakken.

Maar in alle overige gevallen is het allemaal niet zo rooskleurig als Karel en zijn makkers hoopten.

 Een boottocht is niet de enige manier waarop je kan vluchten, er zijn ook nog de welbekende vluchtelingenkampen. Duizenden tentjes op elkaar gepropt op een enorme vlakte in de bloedhete zon. Lekker warm.

 En toch gaan mensen liever naar dit soort kampen of riskeren ze hun leven op een helse boottrip, dan dat ze blijven in het land of gebied waar ze vandaan komen.

 Misschien is het in de kampen wel veel slechter of halen ze de overkant niet eens, maar het gaat ze allemaal om dat kleine beetje hoop op wat extra vrijheid.

Ze hebben toch niks te verliezen, dus dan maar gaan met die banaan.

 Karel en Karel’s boot haalde Lampedusa. Toen ze aan kwamen varen stond de politie al op ze te wachten. Hoppatee, terug naar huis.

 Jammer van zijn spaargeld, vond Karel. Volgende keer beter, dacht hij stiekem.

 De hoop was nog niet vervlogen. Dat nooit.

 

column NHD, deel 25, Humor

zondag 5 april 2009 20:44
 
Heel vroeger was hij er al. Vroeger, ja zelfs zo vroeg dat ik me er niets meer van kan herinneren.
 Hij is er nog steeds, de echte grote gemiddeld zo'n 2 á 3 keer per week, de mini's wat vaker. Soms blijft hij een tijdje weg, als hij even geen behoefte heeft om te komen.
 Maar hij zal er altijd blijven, hoop ik. Want zonder hem zou het leven een stuk saaier zijn.
 De slappe lach.
Op de basisschool dook hij regelmatig op tijdens slaapfeestjes.
 Dat waren de wat meligere sferen, zijn habitat.
 In die tijd moesten we bij een logeerpartijtje nog op tijd gaan slapen. Dat wilden wij natuurlijk niet, rebels als we waren.
 De kunst was om, als iemand een hilarisch verhaal aan het vertellen was en je een lachje voelde opborrelen, je hoofd in of onder je kussen te stoppen. Het liefst in, want dan werd het geluid het meest gedempt en kwamen er geen boze ouders. Als iemand het vergat riep je snel: "in je kussen, in je kussen!"
Zo werd het vaak half vijf. Soms gebruiken we deze truc nog steeds wel eens.
 Op de middelbare school kwam de slappe lach vaker op school voor.
 Hij was anders dan daarvoor, gegroeid met de jaren, net als wij.
 Op school komt de slappe lach meestal aanzetten op momenten dat het eigenlijk helemaal niet kan. Tijdens de doodse stilte van het uitleggen, bijvoorbeeld.
 Als hij dan komt, ben je officieel de sjaak. Helaas weet je nooit van te voren of een normale lachbui uitmondt in de slappe lach.
 Een grap hoeft niet altijd de slappe lach te veroorzaken, hoe enorm leuk hij ook is. Pas als de situatie precies goed is, als alle elementen kloppen, ontstaat Hij.
 En is hij er eenmaal, dan is er geen weg meer terug.
 De slappe lach is anders dan alle andere lachbuien. Hij heeft een soort ontploffende werking.
Tijdens de slappe lach bevind je je in een andere wereld. De magische wereld van de lach, waarin al je zorgen verdwijnen. Je spieren ontspannen, je hoofd is leeg en even, even ben je gelukkigste mens op aarde.
 De roes van een echt krachtige slappe lach duurt ongeveer tien minuten. Rond de zes minuten is er een inzinking waarin je denkt dat hij afgelopen is, maar zodra je ook maar een milliseconde terugdenkt aan de grap waar het mee begon is hij er weer, in alle hevigheid.
 Je kan hem niet stoppen, tegenhouden of proberen te doen alsof je hem niet hebt. Geef je eraan over, dan is hij het mooist.
 De slappe lach eindigt vaak met een zucht.
 Één lange, diepe zucht.

column NHD, deel 24, Valentijn

zondag 15 februari 2009 21:52
Als er één maand is waar ik een hekel aan heb, dan is het wel februari. Januari is ook niet al te best, maar dan zit er nog een restje van de feeststemming van december in je. Daar kan je dan nog even op teren. Maar februari is gewoon een doelloze maand. Er is nog geen sprankel lente te bekennen, alles is grauw en grijs en eigenlijk wil je het liefst de hele dag in bed blijven liggen. In maart en april heb je af en toe van die mooie dagen waarna je er weer even tegenaan kunt, in februari bestaan die niet. Er is alleen kou, nattigheid en wind. En Valentijn. Opeens, als een cactus in een uitgestrekte woestijn, doemt er een dag op in de sleur van februari, waar iedereen naar toe leeft. Een dag vol rozerode wolken en hartjes, vol chocolade en kaarten. Een dag van tranen en l’amour toujour. Tegenwoordig is bij mij de opwinding rond Valentijn wat afgezwakt, maar vroeger, toen we nog jong waren, was het één groot liefdesfestijn. Het begon al ’s ochtends vroeg, naast de brievenbus. Elk jaar verscheen daar namelijk weer die mysterieuze rode envelop met het handschrift van oma. Toen wist ik alleen nog niet dat dit het handschrift van oma was, dat was het leuke. Vorig jaar kreeg ik er voor het eerst geen eentje meer. Op school ging de vreugde vervolgens verder, hele tassen met cadeaus werden afgeleverd bij het tafeltje van je minnaar. Wel zo dat niemand het zag, want anders stond je voor lul. Als je publiekelijk een stelletje was, ging het er anders aan toe. De bevriende jongens kochten met z’n allen hetzelfde geschenk voor hun vriendinnetjes, en andersom ook. Dit werd dan overhandigd in de klas en aan het eind van de dag stonden er gemiddeld zeven identieke beertjes vol trots op de tafels. Het mooiste Valentijn cadeau dat ik ooit heb gekregen staat nog steeds in de kast. Het was een grote, zware mok met twee knuffelende beren erop, omringd door een groot hart. Vaak gebruik ik hem nog voor een cup-a-soupje. Volgens een van de vele verhalen, is Valentijn ontstaan in het jaar 270, toen een jonge Romeinse knakker, Valentijn dus, zich bekeerde tot het christendom. Achteraf niet zo slim van hem, want op 14 februari werd hij onthoofd door zijn mede Romeinen, die hadden het niet zo op het christelijk geloof. Maar voordat Vallie wreed werd vermoord, stak hij de dochter van de gevangenbewaarder, waarop hij hevig verliefd was, nog snel een briefje toe. En op dat briefje, van zo lang geleden, stonden de drie legendarische woorden: “van je Valentijn.”

column NHD, deel 22, politieke iconen

woensdag 11 februari 2009 14:45
Zondagavond lig ik op de bank. Ik lig op de bank, en ik zap. Ik ben niet op zoek naar iets speciaals, ik zap gewoon wat in het rond. Het is vijf over half negen. Ik zap, zonder dat het per se mijn bedoeling is, naar Nederland 3. Daar zie ik Barack Obama, hand in hand met Michelle Obama. Ze lopen over een groot wit podium. Toen wist ik nog niet dat dat het Abraham Lincoln Monument was. Ik leg de afstandbediening naast me neer en kijk naar de tv. Mijn gedachten gaan terug naar het moment dat ik Barack voor het eerst zag. Het was denk ik zeven maanden voor de verkiezingen en ik zat aan tafel. Ik las de krant en opeens zag ik hem, samen met Hillary Clinton. Leuk, dacht ik. Meer niet. Tot twee weken voor de verkiezingen. Ineens ging ik in kranten zoeken naar artikelen over Obama en op tv volgde ik het nieuws rond zijn campagne. Samen met mijn vader besprak ik het Amerikaanse politieke systeem en keek ik uit naar De Avond. Ik kwam helemaal in de sfeer en ik werd een fel aanhanger van Barack. Heel anders dan toen ons nieuwe kabinet werd gekozen, dat interesseerde me totaal niet. Maar dit was anders. Nu voelde ik mee met mijn mede Barackfans en eigenlijk wilde ik zelf ook naar Amerika. Het was alsof Obama met zijn toverstok richting Nederland had gewapperd en zo iedereen had besprenkeld met zijn fairydust. Hij heeft iets, hij straalt iets uit. Houdt Barack op tv een speech, dan denk je: het komt allemaal wel goed. Misschien is het zijn grijns, zijn ogen of zijn haar, ik weet het niet. Maar dat is juist de magie. Niemand weet wat Obama heeft, en daarom heeft hij het. Op zes november stond de tv ’s middags vanaf een uur of twee aan. Af en toe keek ik even snel of er al een uitslagje binnen was. Rond een uur of tien begonnen de commentatoren van de CNN enthousiast te worden, en daarmee ook ik. Toen de eerste uitslagen kwamen, werd ik een beetje zenuwachtig. Mijn vader had speciaal voor deze avond chocoladerozijnen gekocht en met volle mond keken we ingespannen naar de tv. Om half 1 ging ik naar bed. De volgende ochtend kwam mijn moeder mijn kamer binnen en zei: “Barack heeft gewonnen, hoor.” Het werd een mooie dag. Ik kijk naar de tv. Op het podium van het Abraham Lincoln Monument houdt Tom Hanks een speech. Lang niet zo overtuigend als Obama, maar hij doet zijn best. Heel soms komt Barack zelf even in beeld. Met een dromerige blik in zijn ogen kijkt hij voor zich uit. Kom op jongen, denk ik. Yes, you can.

column NHD, deel 21, Criminaliteit

woensdag 3 december 2008 16:16
  We waren elf en liepen door de stad. Het was een prachtige dag.
 We stapten de Jamin binnen. Ons paradijs, als we in de stad liepen mochten we deze winkel niet overslaan. Dat kon gewoon niet.
Meteen toen we over de drempel stapten voelde ik een soort spanning. Dit was het echte werk, nu mocht het niet meer fout gaan.
Heel rustig liepen we langs de bakken met snoep, net zoals bij een normaal Jaminbezoekje.
 Toen waren we ineens achter in de winkel. We stonden voor de glazen wand met jellybeans.
 Halverwege zat een opening.
 Mijn hart ging als een beest tekeer en het zweet brak me aan alle kanten uit.
 Dit was het moment.
 Langzaam draaiden mijn twee vriendinnen en ik ons om, en met een stalen gezicht keken we recht in de ogen van de man achter de toonbank, die wat gluiperig naar ons keek. Ik voelde een golf adrenaline omhoog borrelen.
 We zakten iets door onze knieën en mijn hand raakte de plakkerige snoepjes.
Met mijn vingers greep ik er zeven.
 Nu kwam het lastigste stuk en moest ik heel nonchalant weer rechtop gaan staan en zo onopvallend mogelijk mijn hand met de zeven jellybeans in mijn zak doen. Een beetje alsof ik het koud had, en ik daarom mijn hand maar even in m'n zak stopte.
 De spanning steeg.
 Stel dat die kerel ineens naar achteren zou komen en een glimpje van de gekleurde rakkers zou zien. Dan was ik de sjaak.
Maar hij rekende een Kitkat af.
 Naar buiten. Niet te snel, niet te gehaast, heel gecontroleerd.
 Eenmaal buiten kwam het gevoel van ontlading. Dat het ons wederom was gelukt. Het was altijd wel jammer als je net de vieste kleur had gepakt, de groene bijvoorbeeld. Dan had je toch het idee alsof je voor niets zo ‘crimineel' had gedaan.
 Het waren mooie tijden.
 Crimineel is ‘alles wat door een bepaling strafbaar is gesteld'.
 Jellybeans jatten uit de Jamin is dus crimineel, ook al zagen we onszelf niet als echte criminelen.
 F. pakte er zelfs altijd maar ééntje, omdat ze het anders zielig vond voor de man achter de toonbank.
 Er zijn dingen die echt niet kunnen, maar tegelijkertijd vinden we sommige van die dingen juist weer bere-interessant.
 Neem mijn ouders, al jaren verslaafd aan ‘The Sopranos'.  Maffia, criminaliteit ten top. Maar toch leuk om naar te kijken. Het is leuk om naar iets te kijken wat eigenlijk niet mag, het is soms ook leuk iets te doen wat niet mag.
 Jellybeans of de Soprano´s, het gaat om de kick.
 Alleen maar dingen doen die mogen is saai.
 Geen Sopranootje op vrijdagavond zeg, stel je voor.



column NHD, deel 20, Jongeren & Politiek

donderdag 27 november 2008 22:00
  Jan-Peter Balkenende heeft 148298 vrienden op Hyves. Een popi-jopi dus, onze Jan. In zijn profiel staat bij Sport: autosport. Hij eet liever vlees dan vis, en geniet naast klassieke concerten ook enórm van musicals als Mamma Mia. Zijn helden zijn Marianne Timmer en Bob de Jong.  Wat is er op het moment: ‘on Jan-Peters mind?'  
 Regeren. Lekker duidelijk, geen andere poespas eromheen, gewoon simpelweg Regeren.
 Zo hoort het.
Ik besluit even Jan-Peter en mijn gemeenschappelijke vrienden te bekijken. Tot mijn grote verbazing zie ik dat zestien van mijn maten óók de maten van Jan-Peter zijn, onder wie mijn oppaskindje van tien.  
 Wow.  
 Zouden deze zogenaamde vrienden van Jan-Peter ook allemaal om vier 's nachts zijn opgestaan voor de speech van Obama? Ik hoop eigenlijk van wel, want ook al is Obama natuurlijk geen Jan-Peter, je bent een liefhebber van politiek of je bent het niet.  Je kan niet ‘een beetje' van politiek houden. Politiek zit namelijk best ingewikkeld in elkaar, en als je er niet voor honderd procent in gaat zitten, snap je er geen bal van.
 Aan de andere kant kan het ook erg ingewikkeld lijken, juist omdát je er geen bal vanaf weet.  
 Het is maar net hoe je het bekijkt.  
 Ik ben geen buddy van Jan-Peter. Waarom zou ik, ik ken die hele man niet. Niks persoonlijks, het zal best een aardige vent zijn.  
 Jan-Peter wil wel graag mijn vriend zijn. Het liefst mijn moderne vriend, de coolste minister-president op aarde. Zodat er heel veel mensen op hem stemmen en hij zo lang mogelijk minister-president blijft.  
 Lekkere vriendschap, Jan-Peter.
 Jan-Peter zal er alles aan doen om mij te kunnen bereiken als vriend. En mij niet alleen, ook al mijn leeftijdsgenoten.  
 Dus gaat hij gestructureerd te werk, die Jan. Zo wordt hij beste vrienden met Jan Smit, want de kloof tussen Jan Smit en mij is wat minder diep dan tussen Jan-Peter en mij.  
 Een slimme zet.
 Maar als je niet zo'n Jan Smit-fan bent, dan heeft Jan-Peter een probleempje. Dan moet hij iets anders bedenken om ‘hip'te zijn.  Zo heeft hij meegedaan aan de Bavaria City Race, sprong hij de kleedkamer van het Nederlands elftal in om ‘onze jongens' een hart onder de riem te steken, en staan er privéfoto's van hem op zijn Hyves. Jan op vakantie en Jan in de Efteling bijvoorbeeld.   
 Schept een band.  
 Als je hem tenminste gelooft.  Anders zal er altijd een sulletjesimago blijven hangen rond Jan-Peter Balkenende. Dan blijft hij een professor van 52, toevallig de minister-president, die het liefst autosportprogramma's kijkt op televisie.
 Hoe dope hij ook probeert te zijn.  
Jan-Peter is lid van de gemeenschappelijke hyve Ap's Kappers.
Way to go, JP.

column NHD, deel 19, Goede Doelen

donderdag 27 november 2008 21:57
  Op een regenachtige donderdagmiddag, ongeveer drie jaar geleden, stond er een vriendin voor de deur. In haar hand had zij een collectebus waar met grote letters 'Geef om dieren, Dank u!' op stond.
Ik keek haar aan. ‘Wil je alsjeblieft even meelopen? Ik moet collecteren voor het asiel.'  Het was de eerste keer dat ik langs de deuren zou gaan collecteren. Ik had altijd gedacht dat met een collectebus lopen een van de makkelijkste dingen in het leven was. Aanbellen, een standaardtekstje opdreunen gevolgd door een stralende lach en je was binnen. Ik zou die dierenbescherming wel eens even laten zien hoe je geld ophaalde.
 Maar dat viel tegen.  Zelfs na ons zelfbedachte lied over arme diertjes op Hawaï smeten sommige mensen gewoon de deur dicht.  Op Nationale Goede Doelen Test.nl wordt de dierenbescherming omschreven als een organisatie die het welzijn van elk dier beschermt door hun belangen te behartigen en daadkrachtig op te treden.
 Klinkt goed. Maar bakken geld ophalen, ho maar.  Ik dacht terug aan de tijd dat ik nog kinderpostzegels moest verkopen. Toen ging dat geld inzamelen een stuk makkelijker.  Onder het motto: ‘kinderen voor kinderen' renden mijn klasgenoten en ik op de beruchte woensdagmiddag als leeuwen de poort uit, op zoek naar aardige mensen die wel een postzegelpakketje of drie wilden kopen. De kunst was om zo snel mogelijk naar het huis van je buren te gaan zodat je die in elk geval binnen had.
 Gouden tijden.  In de Nationale Goede Doelen Test staat dat de kinderpostzegels projecten steunen die het welzijn van kínderen verbeteren. Een soort dierenbescherming dus, maar dan voor kinderen. Ook niet verkeerd.  Goede doelen. Het zijn er nogal wat. Je kan niet meer blind een goed doel kiezen en je daar helemaal op storten, nee, het vergt inspanning en opperste concentratie. Voor je het weet gooi je je geld in de verkeerde collectebus en dat zou jammer zijn.  Allereerst moet je uitzoeken welke categorie goede doelen jou het meest aanspreekt. Zijn dat de dieren, arme kinderen in Afrika of toch echt de natuur?  Weet je dit, dan kan je je namelijk wat meer gaan specialiseren. Door de Nationale Goede Doelen Test te doen, bijvoorbeeld.  Uitermate handig. Een paar klikjes hier en daar en hoppetee, jouw ware goede doel is gevonden. Maar dan ben je er nog niet. Nog lang niet. Dan moet je namelijk nog gaan bedenken op welke manier je het geld gaat doneren. Dump je tijdens het collecteren meteen een maandsalaris in de bus zodat je er voorlopig weer vanaf bent, of laat je elke week een vast bedragje afschrijven?  Ik heb ook de Nationale Goede Doelen Test gedaan. Stiekem hoopte ik dat de kinderpostzegels mijn persoonlijke goede doel zou zijn. Het werd de Papadans Clown Stichting.
 Kom maar op met die collectebus.

column NHD, deel 18, Festivals

dinsdag 14 oktober 2008 21:50
Ik ben niet echt van de festivals.  Waarom niet, geen idee, het is niet zo dat ik ooit een traumatische ervaring heb gehad op een festival. Integendeel. Mijn eerste en dus ook enige keer op een festival, was onvergetelijk.
 Het was Badpop 2004.  In die tijd was ik nog een obsessieve fan van Di-rect en samen met vriendin F. hadden wij onze vaders overgehaald om met ons naar Badpop te gaan, want daar zouden ze optreden.  De vaders waarschuwden ons wel, het zou niet zoals een gewoon concert zijn. Dit was namelijk een festival.  Laat maar lullen, dachten wij.  Het beloofde een mooie avond te worden. De zon scheen en de lucht was op een paar kleine wolkjes na helemaal blauw. We hadden er zin in. 
 Eenmaal op het festivalterrein schaatsten we als ervaren festivalgangers sierlijk over de biermodder naar het podium. Iedereen was uitermate vrolijk. Kwam vast doordat Di-rect straks op zou treden, dachten wij.
 Toen Di-rect eindelijk opkwam, was het al helemaal donker. De klanken van de band scheurden over het grasveld, Badpop is namelijk in een soort weiland. F. en ik waanden ons in een roes van geluk. 
 Toen begon het te regenen. Geen gewone regen, nee, het regende bier.  En niet zo’n klein beetje ook. Tientallen liters werden naar het podium gesmeten, waarvan ook een redelijk groot deel op het publiek belandde. 
 Het mocht de pret niet drukken, vonden wij en we hopsten gezellig door op de maat van de muziek. 
 Later, na een uurtje ongeveer, begon het ook gewoon te regenen.   Hard te regenen. Vooral in combinatie met het bier dat nog steeds enthousiast over ons heen werd geworpen. Het leek net alsof we in bad waren geweest.
 F. en ik keken elkaar aan. Was dit ook iets typisch festivals?  Waarom waren we in godsnaam niet naar een gewoon concert gegaan? 
 Uiteindelijk knoopten we onze regenjassen aan elkaar en zo vormden we een soort tent. 
 Om één uur waren we thuis. Op de tegels in de gang stonden bruine voetsporen. Als twee natte dweilen ploften we op de bank en er hing een enorme bierlucht om ons heen. 
 Verdrietig keek ik naar de twee futloze briefjes in mijn hand waar eerst nog een handtekening van Spike op te zien was. 
 Nu stond er alleen nog een vaag streepje pen. R. kwam vandaag met het idee om zondag naar Parkpop te gaan, in Den Haag. Ik kreeg meteen een déjà vu met zwarte bemodderde schoenen. Maar ik ga wel, misschien ontwaakt er in mij opeens een extreme liefde voor festivals. Ik heb hem ook nog niet de kans gegeven om zich te ontwikkelen. 
 In 2004 lustte ik ook nog geen bier. Nu wel.       

Column NHD, deel 17, Vrijheid

zondag 18 mei 2008 12:35
  Van half oktober tot half mei ongeveer, trippelt er elke avond een klein, grijs muisje door onze woonkamer.
De ene avond, meestal op woensdag, komt hij tot de eettafel, de andere avond zelfs tot onder de piano.  Elk jaar wordt hij iets brutaler, alsof hij wil zeggen: Zo jongens, ik ben er weer hoor, stoerder dan ooit.  
Waarschijnlijk ziet hij onze woonkamer als een soort vakantiehuisje waar hij in de koudere tijden bivakkeert.  Ik vind hem wel heftig, dit muisje. Elke dag een beetje door de kamer wandelen, op zoek naar een kruimeltje brood en in de zomer lekker luieren in de tuin, onder het konijnenhok. Nooit huiswerk, naar school of stress om een examenweek.  
What a life.  
Alleen maar vrijheid, vrij zijn om te doen wat je wilt. Je hele leven lang. Maar als je nooit iets anders hoeft te doen dan waar je zin in hebt, zoals onze muis, is het dan wel vrijheid? Of weet je gewoon niet beter?  
Ik denk niet dat die muis weet dat hij zo ‘vrij' is. Hij moet wel op zoek naar eten en intussen uitkijken voor muizenvallen en hongerige katten. Misschien vindt hij zichzelf wel vrijer in een veilig muizenhok. Ons gevoel van vrijheid is anders dan dat van een muis.  
Gelukkig maar.  
Toen de Nederlanders na de Duitse bezetting werden bevrijd, moeten zij ook een gevoel van enorme vrijheid hebben gevoeld, anders dan dat van de muis. Een soort vrijheid waar ik me niks bij kan voorstellen. Mijn gevoel van vrijheid is vergeleken met dat gevoel een beetje aan de trieste kant. Maar dat betekent niet dat ik dat gevoel nooit heb.
 Integendeel.
 De laatste dag voor de meivakantie, om tien over twee, zat ik in het geschiedenislokaal. Iedereen was wat wild geweest het hele uur, het was namelijk bijna vakantie.  
Ineens ging de bel. 
Een halve seconde was het eng stil, alsof we nog net niet beseften dat het nu echt vakantie was, twee hele weken lang. Toen ontplofte iedereen.  
Vreugdekreten vulden het lokaal en de lerares keek wat verbaasd. Waarschijnlijk was zij dit gevoel van pure vrijheid al vergeten.  
Op de fiets naar huis was alles mooi. Het water van het kanaal kabbelde zachtjes en het gras wuifde rustig mee met de wind.  
Eenmaal thuis maakte ik de voordeur open en gooide mijn tas op de grond, half onder de kast. Een gevoel van overwinning maakte zich van mij meester.  
Ik liep vrolijk de keuken in en zette een kopje thee.  Er was eens een muisje/ Dat kwam uit zijn huisje/ Dat danste en zong/ En maakte een sprong.  
Een ander soort vrijheidsgevoel dan dat van 1945, maar op zich ook niet slecht.

Column NHD, deel 16, Rijbewijs

zondag 18 mei 2008 12:32
  Een rijbewijs heb je niet zomaar.
Dat kost doorzettingsvermogen, stressbestendigheid en geld.
Vooral dat laatste is een lastig puntje, een rijbewijs haal je meestal rond je 19e en dat is nou niet bepaald de rijkste tijd van je leven. Als je geluk hebt, willen je ouders je nog wel eens sponsoren. Een bekende is: ‘Als je tot je 18e niet rookt, betalen wij je rijbewijs.'
Fijn zaakje. Want je rijbewijs halen kost niet zomaar een cent, het is een rib uit je lijf.  
Maar stel dat je die poen bij elkaar hebt, dan ben je er nog niet. Nog lang niet.
Het RIS is een zogenaamde ‘rijopleiding in vier fases'.  Uitermate handig, nu je het geld hebt ga je natuurlijk niks overhaasten.
In fase één leer je de auto kennen. Ja, je kunt niet zomaar in een onbekende auto gaan cruisen, dat is uit den boze. Als je de kar van top tot teen kent, krijg je in fase twee de auto onder verschillende snelheden onder controle.
Hoop je. Fase drie is een uitdaging, hier beoefen je alle kanten van het verkeer. Gelúkkig mag je daar wat langer over doen, want in fase vier verfijn je nog even je rijkunsten en mag je oefenen met ‘bijzondere' weersomstandigheden.
Zo héé, dan ben je geen beginneling meer hoor. Als je alle fases perfect hebt doorlopen, en je jezelf dus een echte snelheidsduivel mag noemen, wil je gelijk voor het echie.
Helaas. Eerst moet er nog een theorie-examentje behaald worden.
En ook dat is niet mis. Maanden voorbereiding, op de dag zelf driekwartier zweten op 50 vragen en dan maar hopen dat je er minimaal 44 goed hebt.
Anders ben je gezakt, dag geld. Maar als je slaagt, mag je je examinator eindelijk ervan overtuigen dat jij je crossmobiel de baas bent.
Na de oogtest weliswaar, kentekens lezen op ongeveer 25 meter afstand. Pittig.
On the road is er onder andere het in en uit voegen en een nieuw onderdeel: het zelfstandig route rijden.
Een van de ‘zelfstandig route rijden' manieren is het rijden met behulp van een navigatiesysteem. Inderdaad, erg zelfstandig jongens.
Verder zijn er de ‘bijzondere manoeuvres'. Het inparkeren bijvoorbeeld, de hel van elke vrouw. En dan, als je alles hebt gedaan, stijgt de spanning. Mag je als een Snelle Jelle over de wegen toeren of niet?
Veel gedoe dus, zo'n rijbewijs. In Amerika is het een stuk eenvoudiger. Een maand oefenen met iemand die zijn rijbewijs al heeft, dan een rondje door het dorp met de instructeur en hoppakee, in the pocket.  
Maar hier is het verkeer wat wilder, en zijn er dus wat meer eisen aan je rijkunsten.  
Mijn opa zakte zeven keer. Ik hoop dat het niet in de familie zit.
 
Ik ben zestien en nog geen moeder.  
Nee, hè hè, denk je nu. Zestien zeg, dan ben je zelf nog bijna een kind.  Maar het had gekund.
Ik had een tienermoeder kunnen zijn.
Ik hád vandaag met een kinderwagen over straat kunnen lopen met een pasgeboren baby erin. Niet zomaar natuurlijk, want tienermoeder word je niet zomaar. Je denkt niet: waar zal ik vandaag eens voor gaan, goh, tienermoeder lijkt me wel wat.  
Een kind is duur. Een kind vraagt heel veel aandacht maar je moet zelf nog naar school, en de vader waarschijnlijk ook. Als die tenminste nog in de buurt is. Je wilt feesten als je zestien bent en eigenlijk heb je helemaal geen zin in verantwoordelijkheid. Je wilt nog dromen over de toekomst maar de toekomst is er al.
Hij ligt in de wieg en hij huilt, hij heeft honger. Daarom kiezen de meeste meisjes er niet voor om tienermoeder te worden.  Maar ja, je komt die ene jongen tegen, je vrijt onveilig want je denkt: ‘komt wel goed.' Dat kan inderdaad, maar dik fout kan ook. En dan zit je met de zwangerschapstest die een :) aangeeft.  
Oeps. Dat had je niet gepland.  Je kunt een abortus laten plegen. Klinkt gemakkelijk, maar dat is het niet. Je kunt het kind laten komen. Klinkt ook gemakkelijk, maar is het evenmin.  
Dan begint het namelijk pas echt. Je moet babykleertjes kopen, ergens een wiegje zien te versieren, je moet je ouders ervan overtuigen dat ze blij moeten zijn dat ze op hun 40e al opa en oma worden.
En, je moet een naam gaan bedenken.  Poeh, een naam bedenken.  Ik denk even terug aan de tijd dat ik nog met poppen speelde. Elke nieuwe pop in mijn poppenverzameling kreeg zijn bloedeigen namenceremonie. Ik schreef allemaal namen op papiertjes en vervolgens moest er telkens eentje afvallen.
Uren zat ik op de grond, met de papiertjes om me heen. 
Engeland staat op nummer een van de westerse landen met de meeste tienermoeders, Nederland staat op de laatste plaats. Hoe komt dat?
De meeste Nederlandse meisjes willen geen tienermoeder worden en weten ook hoe ze dat moeten voorkomen. In Engeland zijn veel meer meisjes die een kind zien als een manier om te ontsnappen uit nare omstandigheden en die een zwangerschap niet eens wíllen voorkomen.  
Ze zijn de poppenleeftijd ontgroeid maar vinden het idee van een echte pop ook wel wat. Ze hebben geen doel in hun leven, maar dan opeens wel.
Het kind moet hun geven wat ze zelf nooit hebben gehad, liefde, warmte, aandacht.  Het valt me op dat kinderen van tienermoeders vaak Esperanza en Destenisha heten.    
Uiteindelijk werd het bij mij altijd Lisa of Rosa. -de poppen dan.
  Het begon al op de basisschool. Groep 6 om precies te zijn.
Ging wel wat anders dan tegenwoordig, maar dat is logisch.
Toen waren we namelijk nog jong.
Als je in die tijd ‘verliefd' op iemand was, dan was dat niet zomaar iets. Alle normale dingen werden ineens een stukje spannender. Zo had je bijvoorbeeld het wisselen van groepjes in de klas. Normaal niet erg bijzonder, maar nu was je ineens zenuwachtig. Met kriebels in je buik keek je hoopvol naar het bord om te zien of je naast je grote vlam zat, of in elk geval in de buurt.
Tijdens gym kon je je geluk niet op als je bij hem in het trefbalteam zat. De kunst was dan uiteraard om zo lang mogelijk over te blijven en dan met z'n tweeën de tegenstander finaal af te maken.  
Als je al Verkering had, was het natuurlijk een heel andere zaak. Dan stond je schrift vol met ... hartje ... en tijdens het voorleeskwartiertje van meester werden er tekeningen voor elkaar gemaakt. Dan was je namelijk echt verliefd, als je dat deed.  
Tussen de middag ging je bij hem thuis een broodje met chocopasta eten.
Toen ik in groep 7 een jaar met mijn vriendje ‘had', gingen we uiteten. Bij McDonalds. Dat was pas liefde.   
In de eerste van de middelbare school had ik ook een vriendje. Wel drie hele maanden. Niks vergeleken bij de eeuwige verkeringen op de basisschool trouwens, die duurden gemiddeld zo'n twee jaar.  
Maar dat vriendje in de eerste voelde toch wel anders dan het vriendje in groep zes. Ineens was het niet meer zo belangrijk of je bij hem in het team kwam, poeh zeg, nu had je heel andere dingen om je druk over te maken.  Nu ging je misschien binnenkort wel zoenen, jeetje mina. En niet een onschuldig kusje op de wang, nee, plat op de bek. Het liefst met tong, want dan was je gelijk ontgroend. Altijd handig.
Dat zoenen gebeurde niet, en na die drie maanden had ik het ook wel weer gehad met vriendjes.  Inmiddels zijn we weer een fase verder. Nu kan het onschuldige spel opeens een serieus spel worden. Nu zou je zomaar morgen de liefde van je leven kunnen tegenkomen en hoppakee, huisje boompje beestje.
Het is wat vroeg, maar je hebt ze ertussen zitten. Sommige grote liefdes ontstaan nou eenmaal al in de zandbak.  Het hoeft alleen niet, die vaste relatie van je tweede tot je tachtigste.
Mijn oma zei het altijd al: De één plukt direct de goede roos, de ander treft dat geluk pas na een klein boeketje. En daar kunnen ook best mooie bij zitten.  
That's love, that's life.

Column NHD, deel 13, Alcohol

zondag 18 mei 2008 12:20
  Een jongen die ik ken werd op een mooie ochtend wakker in zijn eigen braaksel. Een vriendin stapte ooit es nonchalant op haar fiets en donderde er vervolgens aan de andere kant weer af. Een andere makker kotste 's nachts in de tuin van de buren.  
Lekkere vrienden heb jij, denk je nu, maar nee. Het lag namelijk niet aan henzelf, het was de alcohol.  
Alcohol is iets magisch. Het brengt je in een soort nieuwe wereld, een roes. Kan ook verkeerd uitpakken natuurlijk.  
Het is zaterdagavond. Op mijn opoefiets rij ik naar de Albert Heijn. Ik ga straks met  een paar vrienden de stad in, en we gaan eerst bij mij wat drinken.  Ik stap de Appie in, pak een mandje en loop regelrecht naar de drankafdeling.  
Ik kijk naar de volle schappen en dan blijft mijn blik hangen op een fles met fluorescerend rood spul erin, Passie genaamd.  
Passie.
 Het heeft een beetje een mysterieuze klank. Bij het woord Passie denk ik aan romantische zonsondergangen op een ver kokosnoteneiland.  
Hopatee, in het mandje ermee. Met mijn mandje wandel ik naar de kassa waarachter een vriendin zit. Zij gaat vanavond ook mee en terwijl ze de fles scant werpt ze me een veelbetekenend lachje toe.  
Een paar maanden geleden vond ik dat voordrinken maar een trieste bedoening. Een beetje op iemands slaapkamer zitten, fout muziekje aan en zuipen maar. Dan ben je alvast lekker los voordat je de stad in gaat.  
Lekker los, ja.  Natuurlijk kan je ook lekker los zijn zonder drank. Maar met wat alcohol in je bloed is alles net iets grappiger, weet je net even een leuker antwoord en durf je net een stapje meer. Je bent zeg maar, dubbel lekker los.  
Je kunt helaas ook te ver gaan. Je kunt de controle over jezelf verliezen en dan is alcohol opeens niet meer zo grappig en handig. Dan zet je jezelf alleen maar voor lul.  Die zaterdagavond staan we op mijn kamer, cocktailglas in onze handen.
De Passie glijdt mierzoet door mijn keel.  Terwijl we naar de stad fietsen, zigzag ik een beetje. Ik merk het niet.  In de kroeg stel ik me aan allemaal onbekenden voor en zweef ik langs de bar om nog een wijntje te bestellen.
Als ik een keer moet plassen, ga ik naast de wc zitten. 's Nachts stuur ik eerst allemaal welterusten smsjes en zodra ik mijn ogen dichtdoe val ik als een blok in slaap.  
Het is zondagochtend, negen uur. Fel zonlicht dringt door in mijn oogkassen. Mijn keel voelt alsof er een prop papier in zit en boven me draait het plafond nog een beetje.  
Op mijn bureau staat een lege fles, vier cocktail glazen staan verspreid door de kamer.  
Passie, kerel, bedankt.

Column NHD, deel 12, Kledingstijl

zondag 18 mei 2008 12:15
  Stel dat iedereen altijd gewoon maar bloot was. 
 Dat iedereen poedelnaakt op straat liep te bellen of rustig onbedekt een rondje fietste. Geen kledingwinkels, nergens lingeriezaken.
Misschien een verdwaald schoenenboetiekje ergens in een steeg.
Je zou nooit eens op zaterdagochtend kunnen denken: hmm vandaag ga ik even lekker winkelen. Want als je geen kleren hoeft te kopen, wat moet je dan in de stad. Dan heb je er eigenlijk niks te zoeken.
Gelukkig zijn we niet altijd allemaal nakend. Gelukkig kan iedereen gewoon aan wat hij of zij wil. Het leven zou nou eenmaal een stuk saaier worden, zo zonder kleren. Geen carnaval, nooit meer opvallende outfits bestuderen op school.
Sinterklaas is ook een stuk minder indrukwekkend zonder al zijn rode mantels.
  
Er zijn alleen een paar kledingfenomenen die ik nooit, maar dan ook echt nooit zal begrijpen.
De kleren van de leraar bijvoorbeeld. In het bijzonder de mannelijke. Ze blijven me fascineren, elke dag weer.
Er bestaan verschillende groepen. Zo heb je de typische hai-ik-ben-een-leraar kledingstukken; het eeuwige colbertje gecombineerd met een foute stropdas met raketten en planeten erop. Of de lubberende spijkerbroek die omhoog wordt gesjord aan de ‘moderne' Dieselriem.
Beetje triest, jongens.  
Ook heb je de leraar die een soort oerliefde voor zijn vak heeft, wat zelfs doordringt in zijn kledingstijl.
Meneer X van mijn school draagt minstens vier dagen in de week zijn favoriete USA t-shirt, drie keer raden welk vak hij geeft. En wat dachten we van de welbekende waistcoat. Zo'n grijs vodje dat vaak de wat oudere leerkrachten steevast over hun grauwe overhemd aantrekken.  
Maar er is één uniek verschijnsel in de wereld van de leraarkleding, dat alles overtreft. Het is iets wat je alleen op scholen tegenkomt, en misschien op vakantie in Italië. Zie je iemand met die dingen aan, dan weet je gelijk: deze meneer is leraar, of is het ooit geweest.
Het zijn de leren, ouderwetse sandalen, met geitenwollen sokken erin.
Of het nou zomer of winter is, sneeuw of bliksem, niets weerhoudt de echte leraar ervan om ze te dragen.  
Nu denk je: in de zomer vast zonder de geitenwollen sokken, maar nee. Die twee dingen horen bij elkaar.
Dat is juist het mooie. Op de basisschool betrapte ik mijn meester er al vaak genoeg op, en nu, zes jaar later zag ik vandaag weer een docent door de gangen lopen.
Ik zag hem op zijn dooie gemak een rondje wandelen, en ik herkende meteen het bepaalde loopje dat bij dit schoeisel hoort. Een soort pinguïnpasje, met de handen op de rug.
Onder de kantinetafels door keek ik naar zijn voeten.
En inderdaad, daar waren ze.
 Het bruine leer glimmend en wel, de geitenwollen sokken trots om de enkels.

Column NHD, deel 11, Harry Potter

zondag 2 december 2007 17:41
  Ik ben zeven jaar. Ik lig onder de dekens en mijn moeder zit op de rand van mijn bed. Ze leest voor, uit een nieuw boek. 
 ‘Mr and Mrs Dursley, of number four, Privet Drive, were proud to say that they were perfectly normal, thank you very much.'  
Goed begin.  
Een maandje later zit mijn moeder weer op de rand van mijn bed, dit keer zit ik op de grond.
‘I'm going to have a lot of fun with Dudley this summer ...'  Dan blijft het stil.
Vragend kijk ik omhoog.
‘Hij is uit', zegt mama. Harry Potter and the Philosopher's Stone was uit. En ik was verkocht.  
Wat mij trekt in Harry weet ik niet precies. Hij heeft iets betoverends, iets wat ik niet helemaal kan verklaren.  
 Vanaf het derde deel begon ik de boeken zelf te lezen. In het Engels, want toen Harry begon woonde ik in Engeland en dan ga je natuurlijk niet opeens de Nederlandse versie lezen als je weer terug bent in Nederland.
 Dat is landverraad.  
 Bovendien kon ik zo de boeken veel eerder lezen dan vriendinnen, zij moesten altijd wachten op Nederlandse vertaling.  
Ja, ik hield van de Harry Potter boeken. Maar de echte, keiharde verslaving, die kwam later pas.  Het was een mooie dag, ik weet het nog precies. Ik zat tv te kijken en er kwam een reclame voorbij, over de verfilming van Harry Potter  en de Steen der Wijzen. Ik gaf een schreeuw van blijdschap.  
Een paar weken later zat ik met mijn ouders in de bioscoop.  
Ademloos keek ik 152 minuten lang naar het scherm, ik was helemaal in de ban. Maar niet van Harry. 
 Die avond, toen ik eigenlijk al in bed hoorde te liggen, printte ik drie plaatjes uit, een van Harry, een van Hermione en een van Ron.
Ik plakte ze op de muur, naast mijn bed. Harry hing rechts, Hermione links. Ron hing in het midden, want hij was het.
Hij was mijn held geworden.  Alleen maar Ron.  
Na het zien van de film vormde ik samen met twee vriendinnen een ‘Potterclubje'. Ons clubje hield in dat we samen plaatjes zochten van onze lievelingspersonages en die daarna in onze agenda's plakten.
R. was heimelijk verliefd op Draco Malfoy. Een schande vond ik, hij was immers van de vijandelijke kant.  F. vernoemde al haar knuffels naar Harry.  
Ik maakte van mijn kamer een soort Ronhol.  Het waren goede tijden.  
Nu, een paar jaar later, is het zevende boek uit. Het is afgelopen, klaar. Maar het A4'tje met de drie plaatjes hangt nog altijd op de muur, naast mijn bed.
Harry aan de rechterkant, Hermione links en Ron in het midden.

Column NHD, deel 10, Frits

zondag 2 december 2007 17:40
De kerst komt er weer aan; een oude column die ik voorheen nog niet kon plaatsen

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

  Het is kerstavond en ik zit gezellig met mijn familie rond de tafel.
 Op de achtergrond klinkt een vredig kerstkoor en vanuit de hoek van de kamer schijnt een prachtig versierde kerstboom me tegemoet. Opeens komen de koks van de avond uit de keuken gewandeld.
Er wordt een blinkend, zilveren bord op tafel gezet. Het geroezemoes verstomt en iedereen kijkt nieuwsgierig naar de deksel die langzaam wordt opgetild.  ‘Zo jongens, dit is dan Frits.'  Pardon?  Voor me ligt een nog duidelijk herkenbaar kippenlijfje, dat kennelijk de naam ‘Frits' bij zich draagt. Warme dampen stijgen eruit op en een heerlijke geur verspreidt zich.
 Maar dat dringt allemaal niet tot me door. Ik kijk geschrokken naar het stuk vlees en mijn gedachten dwalen af.
Ik zie een klein, geel, donzig kuikentje voor me, dat vrolijk zijn ei uithuppelt en met nieuwsgierige, stralende oogjes, blij de wijde wereld in kijkt. Boven hem schijnt de zon en je zou willen dat je ook een kippetje was.  Plotseling wordt het zwart rond het gele balletje en als het schattige pluisje weer bijkomt zit het opeens gevangen in een grote, donkere schuur.
 De reclame van de Partij voor de Dieren snijdt door mijn hersenen.
Arme Fritsie.  
Frits heeft dus niet bepaald een ‘spetterend' leven gehad, dat kun je wel stellen.
 Als lief minikippetje is hij vervoerd naar een mestbedrijf waar hij zoveel te eten kreeg dat hij uiteindelijk tweeënhalve kilo woog. Zie je het voor je, zo'n opgeblazen lijfje op pootjes?  
En om nou te zeggen dat Frits oud is geworden, nee. Na zes weken in de grote, donkere schuur wordt de dikke verenbol samen met zijn andere tienduizend vriendjes verdoofd en vermoord met een automatische snijmachine. Einde verhaal. 
 Wat heeft Frits nou eigenlijk bereikt in zijn korte leventje? Niet veel.
Ja, hij is kerstmenu geworden. Zoo zeg, wat een beroep. En straks, over een halfuurtje, als Frits helemaal opgegeten is en zijn restanten zijn weggegooid, zal niemand ooit nog aan hem denken. Er zal niemand zijn die zegt: ‘Goh, ik vraag me af waar Frits zijn botjes op dit moment zijn.'  
Niet dat je dat mòèt zeggen. Frits is namelijk maar een van de miljoenen kippen die zo gefokt worden, maar het is toch wel zielig.
Heel zielig. Frits kan er immers ook niks aan doen dat hij als slachtkuiken is geboren. En gestorven. Daarom besluit ik, na deze snelle flashback van Frits zijn leventje, dat ik dit malse, krokante ding voor me niet ga opeten en ik schuif mijn bord opzij.
Voor Frits hoop ik dat reïncarnatie bestaat, zodat hij in zijn volgende leven alsnog prettig en onbezorgd op een onschuldig erf kan wonen.  
Frits jongen, bedankt.

Column NHD, deel 9, Terug naar school

dinsdag 4 september 2007 19:53
Het is ochtend, acht uur. Met een grote tas aan mijn stuur voor de boeken sta ik te wachten op mijn fietsmaat. De hoop voor een jaar op tijd vervliegt.
We fietsen door de stad, langs Super de Boer, onder het gemeentehuis door het kanaal langs. 
Na een tijdje nemen we de scherpe bocht naar rechts, waar ik met mijn fiets een paar jaar geleden in de winter nog eens een genante uitglijder maakte toen er net een grote groep mensen langs kwam. We rijden voorbij het speeltuintje, langs de ramen van de kantine en dan fietsen we rustig het fietsenhok in.
Mijn hoofd raakt het dakje nog steeds niet.
Voor de vijfde keer zijn we er weer. Terug.
Terug in de saaiheid van steeds maar dezelfde lessen, terug bij slome leraren met rare sandalen, maar ook terug in een nieuw, knispervers schooljaar. Terug bij goede voornemens, je kunt al je huiswerk nog maken, alleen maar tienen halen en echt op tijd beginnen met leren.
Dit gaat wel weer wat ver, maar we zijn terug. Terug bij af. 
 
Binnen in het schoolgebouw is het nog precies hetzelfde als vóór de vakantie. Rood met grijze kluisjes, vergeelde posters en vele, vele prullenbakken. Het tapijt van kaftpapier dat er voor de vakantie lag, is opgeruimd. Hier en daar zie je een leraar lopen, sommigen met nieuwe kapsels, anderen met een kreeftkleurig hoofd. Verrassend.
We sluiten aan in de rij om boeken te halen en in de gang is het één grote brulpartij van vakantieverhalen. Ja, vakantieverhalen.
 Verhalen over witte strandjes, knappe Italianen en koraalriffen. Over spaghetti bolognese, palmbomen en oude stadjes. 
 
Want we hebben vakantie gehad. Zomervakantie. Zeven, lange weken zomervakantie waar geen einde aan kon komen. Dacht ik.
Ik kijk moedeloos naar de loodzware stapel boeken voor me op de grond en denk terug aan de laatste schooldag vóór de vakantie. Hij zit nog vers in mijn geheugen.
Het regende. Iedereen liep verkrampt met stapels boeken te sjouwen, een enkele keer viel alles op de grond. Balen.
Een halfuurtje later stapte je op je fiets om voor de laatste keer van school naar huis te fietsen.
Het was helemaal niet de laatste keer, maar op dat moment leek het alsof je nooit meer zou terugkomen.
 Helaas duurde dat moment niet zo lang.  
Weken van zon, strand, party en JOL gingen voorbij en nu het is weer tijd.
Tijd om naar school te gaan.
 Ik stop de boeken in de grote tas en we wandelen met een paar anderen naar beneden.
Ik doe de deur van de kantine open en we ploffen neer op een paar stoelen. Met een dreun valt de deur in het slot. 
 
Jaaropening.
       

boekje kopen.

maandag 3 september 2007 20:38
Ja vrienden van de blog, ik zeg kopen.
Jeugdhelden.

"Een held is niet zomaar een dingetje."
- Hannah Wagendorp

Cool.
Profielfoto hannah

hannah

Woonplaats: Alkmaar
Beroep: Scholier 6VWO
Hobbies: piano schrijven zingen feesten toneel vrienden life
Vrouw, 19 jaar
  • Niet verplicht
  • Je boodschap moet minstens 5 en hoogstens 1500 tekens bevatten
  •  

Groepen

Favorieten van hannah

Laatste reacties

persona

column NHD, deel 28, Kanker
zusenzo: Dapper om door te lezen. Zal "Komt een vrouw bij de …

persona

column NHD, deel 25, Humor
edu: Het geeft inderdaad een geweldig gevoel! Heerlijk ontspannen ook.

persona

column NHD, deel 24, Valentijn
edu: En hoe was Valentijnsdag dit jaar voor jou? Mooie rode …

persona

column NHD, deel 21, Criminaliteit
leoni: Toch verrassend dat F. net even braver was... ;)

persona

column NHD, deel 21, Criminaliteit
edu: Ik zou wel eens willen weten hoeveel mensen zoiets nog …

Archief / RSS

Bekijk het hele archief van hannah, of klik op een van de jaren hieronder om een deel van het archief te ontsluiten.

2009
2008
2007
2006
2005

Zoek in het archief



Zoeken

Abonnementen

Alle blogs rss google netvibes
Deze gebruiker rss google netvibes

Statistieken

TelMiep
  •