
Foto: Copyright by J.D. Raven.
Langzaam laat het zijn zwijgende zeil zakken,
de windstille haven heeft het nu.
Aan het Houten Hoofd staan taaie ouderen
traag op van hun kaartspel,
Met hun handen op de heupen
geven zij hun cijfer aan de schipper.
Hoorn: de expedities, de Compagnieën,
zilte
Zuiderzeenostalgieën
kleven er als zoetwatermosselen.
Joris Raven, Hoorn,
13 juli 2010
Denken is
soms
juist losgeraken van alle gedachten,
die slechts angstvallig weigeren
om het niets te laten
zijn.
Zoals op die gouden dag op de
Gouwzee,
- verguld en gekruld de schuiten met
slede,
met wapperende vlag en vaantjes -
de winter de witste witheid
wasemde.
En dat wij horig die stille stem hoorden,
een roep vanuit alle windrichtingen,
ergens tussen Monnickendam en
Marsman.
Joris Raven,
Monnickendam, 15 februari
2010
De grote zon is machtig mooi
wintervertelling, kort verhaal, poëzie, literatuur
I
De roestende zandzuiger fascineert me zoals die verlaten in het
ijswater hangt. Boven de landingsbaan van het oude vliegveld een
hoop gekwaak van ganzen in V-formatie. Ik zet speels de wissel
van het smalspoor om (en weer terug). Ik waan me in
Tarkovski’s Zone.
II
Inderdaad even rond het meer gelopen vandaag. Snijdende wind
en witte oevers. Paksneeuw. Stukken lucht hebben een bijzonder
knalblauw en het riet is heel erg geel. Het is alweer flink onder
nul. Niets en niemand hier. Al snel zal het weer donker
zijn.
III
Een haas blijft vlakbij het door mij gekozen pad zitten en laat
zich niet storen. Net als een roodborstje. Ook de lucht wordt
langzaam rood. De grote zon is machtig mooi. Door haar verblind
verkeer ik even in de illusie dat alleen het geknerp van de
sneeuw mij verraadt als mens.
IV
Het is nu zo goed als donker. Over het besneeuwde strandje naar
boven kijk ik nog eens om. Dan is er eigenlijk niets meer te
zien. Het is nog een eind naar huis. Ik besef dat ik ouder ben
geworden, dat ik de dag nog heb meegemaakt. Zo ging ook weereen
jaar voorbij.
V
Hier verpulveren auto’s alles tot een grijze moes. Ik
verander mijn lopen, pas mij aan, ben weer in beweging in een
wereld van beton. Er doet zich een bijzonder verlangen aan naar
boek en borrel.
uit: Joris D. Raven, 'De grote zon is machtig mooi' (Leiden 2009).
De drieteenstrandloper
aan zee gezien:
een zandloper
als voorbode van het seizoen,
een haastige klerk
met krant en koffie
op weg naar het werk.
En enkele cyclische gedachten
verstijven ons subiet,
verworden een ammoniet,
gehard in de hoofden
van oude, versteende mensen.
Zo leven wij,
en meestal denken we heel lineair:
bij tij en bij ontij ijlen wij langs de vloedlijn
omdat we van het bad van vandaag verwachten
dat het ons morgen zal doen stranden.
Joris Raven, Wassenaar, 31 augustus 2009
Het slenteren in de kleine stad
inmiddels tot een kunst verheven:
het dansen over een trap
waarvan men weet
waar die kraken kan.
De stoepen en straten
uitgesleten paden
in het mijmerend landschap
van neuronenbanen,
sporen van het leven,
maar ook de grijze groeven
van een goede plaat.
Bijvoorbeeld hoe je
op de Hooglandsekerkgracht
midden in de nacht in lantaarnlicht
onder de gouden regen loopt;
met wat respect in je pas
als in een kathedraal.
Joris Raven, De kleine stad, 19 juni 2009
Columns
De zuilen,
die van hun last verlost
nu enkel nog
licht de tijd dragen,
een idool voor columnisten.
Kolumnen
Die Säulen,
die von ihrer Last erlöst
jetzt nur noch
leichtig die Zeit tragen,
ein Idol für Kolumnisten.
Joris Raven, Via Gemini Doppi, 15 mei 2009
de mare
tumido sapientia

Vraag me niet hoe het
leven
zijn vlucht genomen heeft!
Ik mag mij gelukkig prijzen
en ook omdat dit altijd
nog niet de toekomst is
maar laat voor mij
in naam van wie dan ook
het verleden er ook niet meer zijn.
Toen was wijsheid altijd
Boethius:
bij de wending naar ongeluk
is zelfs de chronisch ongelukkige
van mening dat hij voorheen gelukkig was.
Een reiziger ben ik
altijd laat en ach
waar ik naartoe ga!
Hunkerend naar thuiskomst
terwijl ik alles heb
moet ik nog zoveel
en zovaak opnieuw
opbouwen vernietigen
zien voelen horen ruiken proeven.
Wijsheid zou dan zijn
om stormen op te zoeken
en soms schepen te verbranden.
Joris Raven, Via Gemini Doppi, 26 maart
2009
De achterkant van de spiegel
altijd dof en donker, zonder glans.
Als de zee bij nacht van alle zielen
die kalm de diepste roerselen in zich nam.
Dan dromen
die doodgewoon zich nestelen,
eenvoudig vrede vinden
in werkelijkheid:
zij weerspiegelt niet langer
de windhond van het wezen,
maar is in zoete vlucht.
Joris Raven, De kleine stad, 9 december 2008
De
grijze Tijdspaarders besturen
en sturen draken
over de hoofden van het publiek.
Paniekpolitiek;
het
virtueel verlies
van de angry mob.
Boven
de kleine huizen,
van het ingeslapen land
kakelbonte wolken.
Onvermoed
het
grootse zwijgen
van alom presente oneindigheid.
Een
zwerm spreeuwen
krakeelt
in centrifugale vlucht.
Lucht;
een
grote winst
voor de valsgebekte sekte.
Joris Raven, De kleine stad, 6
december 2008
Naar Rainer Maria Rilke: Früher Apollo (1907/08)
Zoals we aan de kale twijgjes al
de ochtend kunnen lezen, die al helemaal
met de ontluikende knoppen van het voorjaar is bedekt:
zo is aan haar hoofd niets te zien dat zou kunnen beletten, dat de pracht
van honderd jaar oude poëzie ons haast dodelijk zou treffen:
want haar blik is nog niet bedoezeld,
haar oren nog verdoofd, te doof nog voor zilveren versiering
en pas later zal vanuit haar wenkbrauwen
met kronkelende stammen zich de rozentuin oprichten
waaruit blad'ren, enkele, zullen groeien
en zich richten op het beven van de mond,
die nu nog stil is, ongebruikt en schitterend
en alleen maar met haar glimlach een weinig drinkend
alsof haar een pianospel wordt ingegoten...
Joris Raven, Het Winterhuis, 23 november 2008
Zo ijl is hier de lucht
als herfst al
Rijn-afwaarts stroomt,
het silhouet op de
brug
nog
droomt.
De
gerimpelde vrouw
glimlacht hierbij naar mij,
de wereld gezien,
loopt ze de laatste meters
naar haar deur,
ze zoekt enkel nog
haar sleutels, om te slapen.
Tot de schouder
in schemer
graait de scharrelaar
zijn vindende
vingers
goed
voorbereid.
Joris
Raven, De kleine stad, 4 september 2008
De Bijzonderbloem
De zomer geroken,
bepakt en bezakt
helmgras vertrapt en
de Bijzonderbloem geplukt
op de top van het duin.
In de volgende nacht,
het laatste kwartier:
'r in het 'rbarium geplakt,
het archief geordend,
een passend bijschrift bedacht.
Joris Raven, Leiden, 31 augustus 2008
La vista della sera
in de wind van de ventilator,
zoemend, onder de Turkse lamp,
met kraaltjes wiegend als een bruid,
klevende krullen, kirrende mond
terstond laat luxaflex liefde ontluiken;
tot tijgers tovert het licht de glimmende lichamen
Joris Raven, Leiden, 5 juli 2008
In de
verstilling - onverwacht toch echt in de 21e eeuw -
staan ze er te liegen, de schitterende torens
- transparant, maar aan gene zijde.
Boven mij kruipt de tram erdoorheen.
Wie is daar binnen?
Waaraan bouwen,
waarnaar reiken zij?
De Babylonische bolbliksem
leiden ze naar het kleinste huis,
rondom hen waait koel
een storm van loze kreten.
Joris Raven, Den Haag, 10
augustus 2008
Licht-zinnig, broos, en vluchtig
als zand door een zeef.
Zo draait de dag
van west naar oost
door ons heen.
Alles behalve dichten,
onwillekeurig zeven
van de vluchtigheid,
het gedicht
het residu van geuren en kleuren,
schelp
van de eigen fictie,
huis
in de wind,
gesprek
van de dag.
Joris Raven, De
kleine stad, 10 maart 2008
the Man Machine, bloedsoep en poëzie,
het zelfregulerend Spartaans systeem,
mens robusta in corpore robusto,
tandwielen tikken tegen de tand des tijds:
het behalen van de target wordt voorspeld,
maar laat der Frühling niet te vroeg komen
Joris Raven, De machinefabriek, 3 februari 2008
Nieuwjaarsochtend in Oost-Berlijn,
in Poolse wind de straten verlaten.
Langs de oude Muur kruipt zij guur,
geeuwt sneeuw in oude kogelgaten.
Hier blijft men binnen; onomwonden
wordt het Nieuwe nooit meer uitgevonden.
Joris Raven, Berlijn, 1 januari 2008
Aan de bevroren gracht hingen in sneeuw stijfjes
de bladerloze bomen. De tijd was rijp overwogen,
maar geheel niet helder als ijskristal.
Een duif kwam koeren op de dakrand,
nestelde in warme schoorsteendamp,
waterig wisselde zich een begrijpende blik.
En die witte polder een avond of twee later.
Hard schaatsen. Het licht van de volle maan
waarschuwde wel waar wakken waren.
Joris Raven, De kleine stad, 23 december 2007
In diffuus lantaarnlicht:
oranje-grijze novembernevels.
Een verstrooide verzameling van zuchten,
de droomdekens van winterslaap,
of de vingerhoed van
mist en gemis
waardoor een wegwijzer wordt verhuld.
Boven de scherpe contouren van de kleine stad:
witte meeuwen
Kreisend beantwoorden ze
cirkels van gedachten.
Zoekend naar voedsel,
maar verheven
verbazen zij zich in hun witte dracht.
Joris Raven, De kleine stad, 15 november 2007
De blinde tastte naar het verzachtend goud,
niets dan een zijden draad, oud
en hangend in het vallen van de avond.
Maar zo had hij gedacht,
zo had hij geschreven
en zo was hij zijn zintuigen trouw geweest.
Na zeven jaren brachten ze hem om,
met zijn laatste muntje op de tong
zag hij ook de veerman niet.
Joris Raven, Leiden, 2 november 2007
alweer kleumend kleeft
aan glas gestorven adem
en de avond dwarrelt verder in vlagen miezer
de opzichter verantwoordt
de ontmoeting
zo zakelijk als mogelijk op zijn dienstrapport:
Schoonheid en affectie, 22:33u
schrijft hij secuur, want in alle zaken
verdient de broosheid notitie, maar dingen als
De geur die is blijven hangen van haar natte haar, om kwart voor elf
of
Een gevoel van berusting, vanavond om half tien
of
Mijn lieve herinnering aan een dame uit Schagen, op talloze tijdstippen
schrijven heeft in de zaakwaarneming
natuurlijk geen enkele informatiewaarde
Joris Raven, Leiden, 23 oktober 2007

"Nee, vraag
ons niet om taal als een lijst met een strakke rand rond ons
vormloos gevoelen, die dat helder maakt..." Eugenio Montale,
1925 (vertaling: K. van Eerd)
