Alexandra
Observaties - Opmerkingen - Verhalen - Gedichten - Foto's
VKBlog Headerimage

Interview: TheNAME - 5 februari 2008

maandag 11 februari 2008 20:01
In augustus zag ik ze op het Summer Darkness festival in Utrecht, alwaar ze positief opvielen tussen al het Gothic geweld. Inmiddels is het een half jaar verder en vertrekt TheNAME woensdag naar Kopenhagen om Nederland te vertegenwoordigen tijdens de Bodog Battle of the Bands. Tijd voor een nadere kennismaking.

In Haarlem ontmoet ik Hadassa, de zangeres, en Silas, de gitarist/componist. De laatste houdt zijn achternaam en leeftijd angstvallig verborgen. Maar zijn huis geeft prijs dat hij het gitaarspel uiterst serieus neemt: de woonkamer, waar het gesprek plaats vindt, staat vol met deze instrumenten.

Hadassa introduceert: ”wij zijn een female-fronted metal band die bestaat uit vier mensen: bassist, drummer, gitarist en zangeres. TheNAME is opgericht in het jaar 2000, maar pas sinds anderhalf jaar actief in de huidige bezetting”. Silas vult aan: “ik ben indertijd begonnen, ik had wat nummers geschreven, en een goede vriend speelde bas. Maar het duurde wel twee jaar voordat we de eerste zangeres gevonden hadden. We zijn heel wat bandwisselingen verder, maar nu hebben we echt de juiste muzikanten bij elkaar gebracht.” Hadassa: “we raken ook meer op elkaar ingespeeld, de show wordt beter, het klinkt allemaal steeds strakker. We voelen ons helemaal op ons gemak bij elkaar.”

Voor de 24-jarige Hadassa stond de keuze voor de muziek niet van jongs af aan vast. Integendeel, als kind was zij helemaal niet muziek bezig, en had ook geen cd-speler. Bij het amateurtoneel vond ze zichzelf al zingend terug op het podium, en merkte dat het haar prima af ging. Zanglessen volgden, maar als studie koos zij de schrijversopleiding met het doel zelf toneelstukken te gaan schrijven. Dat bleek toch niet de juiste weg, en rond haar 20ste besloot zij te kiezen voor muziekwetenschappen.

Het verhaal van Silas is heel anders. “ik ben er echt al sinds mijn vierde mee bezig”, vertelt hij. “Op die leeftijd kreeg ik mijn eerste KISS poster, en bedacht ik dat ik zo later wilde worden. Ja, daar waren mijn ouders erg blij mee! Rond mijn 8ste begon ik met drummen, maar dat werd niet zo gewaardeerd door de buren. Omdat ik vond dat ik te veel op de achtergrond zat, ben ik overgestapt op gitaar.”



Muziek
De impact van KISS deed zich nog lang gelden in zijn muzikale ontwikkeling. Zo toerde hij, voor het begin van TheNAME, met geverfd gezicht als onderdeel van de act KISS-THIS door Europa. Zij speelden covers van KISS. Ook nu nog zijn deze invloeden zichtbaar, vertelt de gitarist: “ik ben echt een grote fan van KISS. In de gitaar riffs zal de kenner het zeker wel terug horen.” Het oog valt op de Paul Stanley gitaar in de kamer. Dit kostbare exemplaar staat er voornamelijk voor de sier: tijdens optredens wordt dit instrument, bekend van de gitarist van KISS, niet gebruikt.

In de begindagen van de band was Silas op zoek naar een echt metal geluid. Hier vond hij een zangeres bij die, in de stijl van de nu zo populaire gothic metal, een opera-achtige stem had. Maar uiteindelijk paste zij niet bij de muziek, die voornamelijk steunt op de gitaren en een keyboard mist. Een rockzangeres volgde, maar de band vond het contrast met de muziek weer te klein, het leek te veel op standaard metal. Hadassa kwamen zij tweeënhalf jaar geleden bij toeval tegen, terwijl zij op een ander bandje stond te wachten. Haar zang is meer pop-georiënteerd, steekt af tegen de metal klanken van de muziek, en zo ontstond het kenmerkende geluid van TheNAME.

Hadassa legt uit: “de mensen denken al gauw bij het zien van een vrouwelijke zangeres, dat we gothic rock zijn, maar dat zijn we nu juist niet. We zijn meer groovy rock metal.” Silas vult aan: “ de bedoeling was altijd dat de bas en de drums een ondersteunende, groovy functie zouden vervullen. Dat het echt beukt. Mijn gitaarspel is wel op metal georiënteerd, ik kom zelf uit die hoek. Maar doordat Hadassa juist meer pop is, wordt het een echte cross over.” Hadassa: “we hebben veel verschillende kanten, die ons in staat stellen een breed publiek te bereiken. Maar wij vinden het gewoon leuk. Hier staan we achter.”

Dit samensmelten van pop en metal wordt nog verder doorgevoerd. Silas houdt zich in de band namelijk ook bezig met het zingen van de tweede stem en het zogenaamde ‘grunten’, een gutturale zangtechniek uit de metal scene waarbij de stem vervormd, laag en haast onverstaanbaar de ruimte in wordt geslingerd. Ook als tweede stem houdt hij het geluid bewust rauw: “als ik clean zing kom ik niet zo tot mijn recht, wordt het wat knijperig en moet ik me veel meer concentreren. Ook zorgt het rauwe geluid voor een heel mooi contrast met de zang van Hadassa.”



Live
Alhoewel de band al een tijdje bestaat, zijn de leden het laatste half jaar pas echt aan de weg aan het timmeren. Ze doen mee aan wedstrijden, promoten zichzelf actief met hun website en via MySpace, en proberen zoveel mogelijk op te treden. Nu nog veelal als support act, bijvoorbeeld van het bekende Epica, eveneens een metalband met een zangeres, maar TheNAME heeft ambities. Het optreden vervult hier een belangrijke plaats in. Momenteel spelen ze gemiddeld drie a vier keer in de maand live, maar zouden dit graag zien toenemen. Hadassa vertelt enthousiast: “sinds de zomer van 2007 komt het pas echt op gang. We hopen dat dit snel meer wordt, zodat we er niet meer bij hoeven werken.” Silas: “voor mij is het spelen op een mooi podium waar ik naar op zoek ben met de band. Ik vind het ook leuk om op te treden als er maar twintig man zijn. Zelfs als die er niets aan vinden, want dan is het een uitdaging om toch een goede show neer te zetten.”

Dit showelement is belangrijk. TheNAME wil haar publiek vermaken. Entertainen. Ze geloven in een spetterende, strakke performance. In dit kader vallen ook de covers te plaatsen als Hit Me Baby One More Time van Britney Spears en Can’t Get You Out Of My Head van Kylie Minogue. Niet bepaald metal klassiekers. Silas legt uit: “dit zijn echte popliedjes die wij in onze eigen stijl brengen. Het is niet serieus bedoeld. We zetten er onze TheNAME riffs onder en het publiek kan ze meteen meedoen. Het is misschien wat gewaagd in de gothic scene. Maar het is de bedoeling dat we een glimlach op de gezichten om ons heen zien.” Hadassa voegt toe: “we zouden dit natuurlijk nooit uitbrengen. Maar er is wel degelijk over nagedacht, onze uitvoering zit goed in elkaar.”

Ook voor het ontwikkelen van nieuw materiaal is optreden essentieel. Silas zegt hierover: “aan een nummer kan ik blijven sleutelen. De anderen zijn dan al lang tevreden, maar ik verander er nog van alles aan. Als ik dan eindelijk denk dat het af is, spelen we het tijdens een optreden. Zo kan ik zien welk gevoel het oplevert. Niet zozeer bij het publiek, maar bij ons: als het live lekker loopt, is het af voor mij.” Hadassa vult aan: “vaak is het zo dat, als we zo’n nieuw stuk live spelen, ik er de teksten nog bij moet bedenken. Meestal begint een nieuw nummer bij de muziek van Silas en volgen hierna de tekst en zanglijnen. En vervolgens maken we het samen af.” De gitarist voegt toe: “onze drummer kan ook heel kritisch zijn. Hij blijft dan nog maandenlang aan de details werken. Zodat ook hij uiteindelijk het juiste geluid vindt bij een stuk.”

Bodog
Woensdagochtend 13 februari om zes uur stapt de band in een busje om ’s avonds in Kopenhagen in de Europese finale te spelen. Mochten ze doorgaan, dan volgt de wereldwijde finale in Amerika, met als hoofdprijs een miljoenencontract. Silas: “het platencontract dat Bodog aanbiedt is vooralsnog een beetje vaag. Maar we hebben er ook niet echt naar gekeken.” “Het is in dit stadium misschien ook nog wat vroeg,” vult Hadassa aan. “We gingen eigenlijk voor het optreden in Paradiso, want daar wilden we heel graag gespeeld hebben.Deze volgende stap kwam als een volslagen verrassing. Op die avond namen de logistieke aspecten van het spelen in het Patronaat in Haarlem, als voorprogramma van Epica, en hierna het doorreizen naar Amsterdam ons volledig in beslag. We doen alles natuurlijk nog zelf. Tijd om ergens bij stil te staan hadden we niet. Voor ons is het vooral heel leuk om naar het buitenland te gaan.”

Nog niet eerder speelde TheNAME buiten de grenzen. Maar wie denkt dat de groep nu hard aan het oefenen is op haar set, komt bedrogen uit. Hadassa legt uit: “de nummers die we spelen, kennen we nu wel.” Silas vervolgt: “al onze tijd wordt nu gebruikt voor nieuwe dingen. We willen zo snel mogelijk een nieuwe promotie cd uitbrengen dus alle nummers hiervoor moeten af. Het is ook altijd mijn bedoeling geweest om niet te veel te blijven hangen in oud werk. Dit oefenen we als we live spelen, en daar hoeven we in de oefenruimte niet aan te blijven sleutelen. Ook wil ik het aanpassen van oude nummers vermijden. Het stuk is zoals het toentertijd was.”



Ontwikkeling
Voor de groep is haar ontwikkeling van groot belang. Ontwikkeling in de performance, zang en muziek. En ook het behalen van succes. Voornamelijk omdat succes er voor zorgt dat ze zich nog meer op de muziek kunnen toeleggen. “Uiteindelijk zou ik mijn werk willen kunnen opzeggen om meer op het podium te staan,” vertelt Silas. “Niet zozeer omdat ik geen baan zou willen hebben, maar vooral omdat ik dan meer tijd voor de band heb.” Hadassa: “het is niet dat we beroemd willen worden om het beroemd zijn, maar het zou natuurlijk wel helpen!” Silas: “want dan kunnen we overal spelen. Bijvoorbeeld als hoofdact in Paradiso. En het hoogst haalbare in Nederland voor ons als rock & metal band is denk ik wel de Heineken Music Hall.” Hiermee samenhangend zien ze de mogelijkheid om een goed geproduceerde cd op te nemen. En het budget om de nummers in de studio te kunnen schrijven en uitwerken, in plaats van het betalen van losse uurtjes studiotijd uit eigen zak.

Tegelijkertijd verandert de muziek door de tijd heen. Zo wilde Silas zich in eerdere bandjes vooral bewijzen als gitarist. Dat leidde, zoals wel vaker in de metalwereld, tot het veelvuldige gebruik van solo’s. Zelf zegt hij hierover: “dat had wel een impact op de kwaliteit van de muziek. Want solo’s puur om te laten zien wat je kunt, brengen niets over. Inmiddels ben ik er achter dat het beter is om een paar noten te spelen met heel veel gevoel dan duizend noten zonder. Soms zijn drie akkoorden genoeg, en moet je het niet kunstmatig ingewikkelder willen maken. Misschien komt dit inzicht wel doordat ik ouder wordt!”

TheNAME waakt er voor om zichzelf niet te herhalen. De gitarist vervolgt: “soms ben ik druk bezig met een nieuw nummer en merk ik dat de opbouw lijkt op iets wat we al eerder hebben gedaan. Dan moet dat anders, en verander ik bijvoorbeeld de toon.” Hij begint te lachen. “Ja, en dan komt de zangeres wel eens in de problemen natuurlijk!” Hadassa vult aan: “we zoeken wel bewust naar variatie binnen onze eigen stijl”. De balans tussen deze vernieuwingsdrang en het vermaken van het publiek zorgt wel voor een spanningsveld. Immers, het publiek hoort graag bekende klanken. Silas: “Er zijn een paar nummers die hele ingewikkelde maatvoeringen hebben. Persoonlijk vind ik dat wel de leukste om te spelen, maar ik denk dat ze wel wat moeilijker zijn om te volgen. Toch houdt ons dat niet tegen. Soms passen we ze wel aan voor het optreden. Onze bassist is daar heel bedreven in. Maar het belangrijkste is toch dat we het resultaat zelf goed vinden.”


© Alexandra van der Stap 2008
Foto’s Hadassa en Silas: Bianca van Dokkenburg

Losse Eindjes

zondag 13 januari 2008 14:30
Van losse eindjes houd ik niet. Als je ergens aan begint, maak je het af. In principe dan. Toch heb ik er wel enkele laten liggen, hier op het blog, na de zomer. Her en der schreef ik een 'wordt vervolgd' onder een stuk zonder er op terug te komen. Zo is mij al een paar keer gevraagd of ik nog leef. En of die pinguïns niet eens kunnen verdwijnen van hun wat al te prominente plek boven aan de pagina. Een ludiek stukje, zo maar tussen neus en lippen door geplaatst op een stille zondagavond, als zwanenzang?

Het lijkt me beter van niet. Daarom het meest prangende losse eindje vandaag maar eens opgepakt: het motorrijden. Het laatste stukje daarover dateert al weer van juni vorig jaar. Maar wees gerust: de stilte stond niet voor stilstand.

De eerste proeve van bekwaamheid, het onderdeel motorbeheersing op de parkeerplaats, doorstond ik met glans. Op papier dan in ieder geval, waar ik slechts één van de toegestane twee foutieve onderdelen telde. De praktijk was iets minder rooskleurig, waar ik bijna de mist in ging met het lopen met de motor (in mijn ogen absoluut niet van belang: wie wil er nou met zo’n ding lópen?) maar gehaald is gehaald. De theorie leverde ook geen problemen op. En toen was het tijd voor de ultieme proeve van bekwaamheid: het wegexamen. Tja. De beschrijving hiervan sla ik eerlijk gezegd liever over. Het volstaat om te zeggen dat deze niet geheel vlekkeloos verliep. En ons mooie plan om op onze vakantiebestemming in oktober met de motor rond te scheuren ging niet door.

Er volgde een periode van uiterst vroege lessen op uiterst koude ochtenden. Opeens leek de winter ingetreden: de autoruiten waren tot aan het middaguur stijf bevroren. En motorrijders bevonden zich al gauw in de zelfde toestand. Anderhalf uur les was voor een koukleum zoals ik dan ook echt geen pretje. Dit alleen was voldoende motivatie om te allen tijde te voorkomen de hele winter zo door te moeten gaan. Het rijbewijs moest ik nu koste wat het kost binnen slepen.

En dat deed ik. Van mijn zenuwen merkte de examinator, veilig in de auto achter mij, niets. Ook mijn instructeur zag niet dat ik in de eerste vijf minuten al afsloeg. Snel herstellen en snel doorrijden bleek de oplossing. Verder had ik het zelfs wel naar mijn zin, zo rijdend op de dijk langs het IJsselmeer. Af en toe reed ik bewust net iets te hard. Dat is namelijk waar ze naar op zoek zijn: stoere, zelfverzekerde motorrijders, die hun snelheidsoverwicht gebruiken voor hun eigen veiligheid. Maar wel hun hoofd erbij houden natuurlijk: brokken maken wordt niet gewaardeerd. Hard optrekken kon ik wel. En negentig op de teller houden op een tachtig kilometerweg ook. En zo verliet ik het examencentrum met de officiële goedkeuring van de staat om mij op twee wielen met 120 km per uur op de snelweg te begeven.

Dit heugelijke feit vond eind november plaats. Vervolgens neem ik met knikkende knieën plaats op het – in mijn ogen – onwaarschijnlijk grote monster van mijn wederhelft, die twee weken eerder het papiertje in de wacht had gesleept. Ruim anderhalf keer zo zwaar als mijn sportieve lesmachine is dit toch wel even wennen. Op aanraden van mijn altijd bezorgde schat eerst maar even getest of ik niet omviel. Voeten aan de grond, motor even over laten hellen, naar links, naar rechts. Dat valt mee. Het stuur voelt verrassend licht aan de hand. Geen probleem. Even het stuur naar links draaien, dan de motor er over heen laten zakken. En zo beland ik gelijk in de nesten, want zoals elke motorrijder weet moet je dat alleen maar doen als je de standaard hebt uitgeklapt. Of met genoeg snelheid en je motor op toeren door de bocht rijdt. Want een motor, die wil van nature vallen. Gelukkig besef ik me dit nog net op tijd en kan met alle krachten die ik bij elkaar sprokkel de machine weer recht sjorren.

Nou ja. Het moet maar. Eerst een stukje rechtuit. Eerste versnelling, tweede, derde. Het voelt onwennig. Ik zit er ook heel anders op. Het ding is wat wiebelig lijkt het. Dan kan ook komen doordat ik nog niet zo veel gas durf te geven. Twee kilometer aan polderweg verderop is er een splitsing. Links de provinciale weg op, of rechtsaf en gewoon rustig doortuffen, een rondje en weer veilig naar huis? Rechts dus. O zo voorzichtig schakel ik terug, ga de bocht in, druk de machine, zoals ik heb geleerd, goed naar beneden, en geef snel gas bij om niet om te vallen. Het lukt.

Het nadeel van een polderweg is alleen, dat, alhoewel het relatief rustig is, alles wat er dan wel gebeurt meteen voor grote problemen zorgt. Fietsers nemen de hele rijbaan in beslag, auto’s staan half in de berm, half op straat, en tractoren rijden af en aan, onderweg geregeld wat lading verliezend, dikwijls in de vorm van plaggen of mest, welke een motorrijder aardig in de problemen kan brengen. Het ritje wordt dan ook een pittige uitwijktest. Had ik het inmiddels op mijn lesmotor aardig onder de knieën, het logge monster waar ik me nu op begeef is toch een heel ander verhaal. Hij wil eerder rechtdoor dan rechtsaf en laat zich niet zo soepel manoeuvreren. Tel hier de zenuwen bij op en het wordt een moeilijke bevalling.

Na een half uurtje draai ik weer onze straat in en parkeer naast het huis. Mijn been raakt de grond. En laat deze gelijk weer los. Zo hevig is het trillen. Of dit puur van de kou komt, of door iets anders, is mij niet geheel duidelijk. Wel zijn mijn handen ijskoud en mijn bovenbenen gevoelloos.

Twee lessen neem ik mee naar binnen, alwaar ik met een grote pot dampende thee weer wat op krachten kom. Ten eerste, een leuk licht, wendbaar motortje met pit is wat ik nodig heb. Ten tweede, ik wacht wel tot het eerste lentezonnetje aan de hemel staat om deze mogelijkheid verder te onderzoeken.

En nu? Naast op de motor op de weg, zal ik ook op het blog nog regelmatig voorbijflitsen. In mijn digitale gedaante. Als blogger, maar ook als schakel tussen het blog en de redactie. Want zoals Diana en Geert-Jan al hebben aangegeven, ben ik de afgelopen periode op de achtergrond wel actief geweest. En zal ik dat dit jaar ook blijven. Dat betekent veel lezen, het samen met Diana beoordelen van blogs voor de RBA-lijst, het bewaken en actief houden van de kwaliteitscriteria, het organiseren van regelmatige bijeenkomsten voor overleg tussen bloggers en de redactie, het stimuleren en ondersteunen van bloggersintiatieven (zoals een eventuele wedstrijd waar Frans nu zijn schouders onder heeft gezet), en wat dies meer zij.

Alle ideeën vanuit de bloggersgemeenschap worden serieus bekeken, alle kritiek ter harte genomen, alle input gewaardeerd. Want al deze zaken kennen een gemeenschappelijke gemene deler: het hart voor het blog.



Wat er aan vooraf ging:

Oerendhard... (8 juni 2007)
Ommekeerrrrrrr (30 april 2007)
Kaboemmmmmmm (22 april 2007)

Vroemmmmmmm (11 april 2007)

Pinguins in Artis...

zondag 19 augustus 2007 23:30
En een Jan van Gent.

Even een luchtig intermezzo voor de zondagavond.

Na een onvergetelijke ervaring een aantal jaren geleden tussen honderden, misschien wel duizenden kleine pinguins en hun jongen op Kangaroo Island bood Artis gisteren een leuk alternatief.













Chavez op Oorlogspad?

zaterdag 18 augustus 2007 12:52
De recente uitspraken van Hugo Chavez leidden gister tot grote beroering op de Nederlandse Antillen en tot vragen om advies aan het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken. De Venezolaanse president kwam eerder deze week al in het nieuws door zijn voorstel om het maximum aantal van twee termijnen dat een president mag zitten te schrappen. In plaats van een limiet wil hij de weg openstellen – voor zichzelf, uiteraard – om tot 2031 aan de macht te blijven. En hierop volgend verklaarde hij ook nog voor zijn parlement dat hij de noordgrens van Venezuela, die nu ligt bij de internationaal aanvaardde limiet voor territoriale wateren van twaalf zeemijl gemeten vanaf de kust, op wil rekken naar een gebied van tweehonderd zeemijl. Deze grens van ruim driehonderd kilometer wordt beschouwd als de exclusieve economische zone waarop een natie aanspraak kan maken en vormt tevens de basis van de recente territoriumclaims in het Noordpoolgebied. Aruba, Bonaire en Curaçao, de zogenaamde ABC-eilanden, liggen op veertig zeemijl vanaf het Venezolaanse vasteland. Niet verwonderlijk dus dat deze zich zorgen maken. Op annexatie of bezetting zitten de Antillen niet te wachten.

In Nederland blijft het stil. De Volkskrant berichtte gisteravond kort op haar website en vandaag op pagina 2 in de papieren krant. En de wakkerste krant van Nederland, de Telegraaf, vermeldde het nieuws eveneens online. En stelde het bericht open voor commentaar. Dat doet de redactie geregeld, naar het schijnt selectief, bij items die wel eens zouden kunnen leiden tot opwinding onder haar lezerspubliek. De teller staat momenteel op meer dan driehonderd reacties. En, springen de lezers nu massaal de overzeese gebiedsdelen te hulp? Laten ze weten dat een bedreiging aan het Nederlandse koninkrijk onacceptabel is? Een enkeling wel. Maar het merendeel zou niet met het verlies in zijn maag zitten. Sterker nog, de gemiddelde Telegraaflezer zou, afgaande op het commentaar dat onder het bericht wordt achtergelaten, de eilanden graag kwijt raken aan Chavez. Opgeruimd staat netjes, is de algemene boodschap.

Het leidt tot verbazing en moet hard te verteren zijn voor de eilandbewoners zelf. Want waar heeft men het over? Zouden ze ooit op Aruba, Bonaire en Curaçao geweest zijn? Hoogstwaarschijnlijk niet. Want het zijn idyllische oases in de Caribische zee. Doen geen vlieg kwaad. Liggen er voornamelijk mooi te zijn. Bonaire kent een van de aantrekkelijkste duikgebieden ter wereld dankzij een ruim dertigjarig beschermbeleid. Aruba en Curaçao hebben de prachtigste stranden. Overal is er helder, azuur- tot turkoois blauw water. De bevolking is vriendelijk. Het gebied is bij uitstek geschikt voor zeilers en windsurfers. Het is er altijd tussen de 25 en 30 graden, het grootste deel van het jaar waait er een prettig verkoelend briesje. Een stukje paradijs op aarde. En het hoort, welke historische misstanden er ook begaan mogen zijn, al eeuwen bij Nederland. Nederland, waar men altijd klaagt over het weer. Het gebrek aan ruimte. Waarvan het volk niet weet hoe snel het naar een warm land moet vertrekken in de vakantietijd. En dat zelfde Nederland lijkt dit deel van haar rijk zo te willen verkwanselen. In plaats van het te koesteren. Dit deel, waar men onze taal spreekt, en waar men bitterballen en oude kaas met mosterd op het strand serveert. Waar je in de supermarkt Venz Hagelslag en Calvé Pindakaas kan kopen. De Libelle. En ook de Telegraaf.

Eilanden ook, die hard op weg zijn van zichzelf een succesverhaal te maken. Waar duurzaam geïnvesteerd wordt in het toerisme. Waar vele buitenlanders, Nederlanders, Amerikanen en andere nationaliteiten, nu (tweede) huizen kopen of laten bouwen. Waar vier talen gesproken worden: Nederlands, Papiaments, Engels en Spaans. Waar de welvaart duidelijk toeneemt, langzaam maar gestaag. Een van de argumenten van de online gelegenheidscommentatoren is dat de eilanden een bodemloze zouden put zijn. Een bron van criminaliteit. Natuurlijk kennen we allemaal de verhalen over problemen van Antilliaanse jongeren in Nederland, met name in Rotterdam. Maar ja, als iedereen je altijd vertelt dat je niets voorstelt, hoe moet je dan in jezelf blijven geloven? Hoe moet je jezelf dan zo motiveren om te veranderen? Toch lijken Aruba, Bonaire en Curaçao dat nu juist wel te doen.


De Venezolaanse president had zijn oog al eerder op de Antillen laten vallen. Begin 2006 ontstond er ook al commotie, toen leden van de VVD, CDA en LPF Kamervragen stelden over de vijandelijke intenties van Chavez. Men had opgevangen dat er een reële oorlogsdreiging was, aangezien hij zich druk bezig hield met het uitbreiden van het leger en het wapenarsenaal. Een van de redenen hiervoor zou zijn dat Chavez’ interesse had in de Nederlandse eilanden vlak voor zijn kust. Er gebeurde echter niets en het onderwerp stierf een stille dood.


Nu begint het er op te lijken of er toch een langere strategie achter zit. Antilliaanse media berichten dat het niet erg waarschijnlijk is dat Chavez met zijn uitlatingen over gebiedsuitbreiding op de ABC-eilanden doelt, aangezien er daar al lang geratificeerde verdragen over bestaan. Het vermoeden is dat hij zou doelen op Aves Island, nog een flink stuk naar het noorden. Ik ben er nog niet zo zeker aan.



Objectief gezien liggen Aruba, Bonaire en Curaçao vervaarlijk dicht tegen de Venezolaanse kust aan. En zouden, in Chavez’ optiek, een prima uitvalsbasis kunnen vormen voor de Verenigde Staten mochten zij de Zuid-Amerikaanse ‘oproerkraaier’ aan willen vallen. De vraag is: wat gaat de Nederlandse regering hier tegen doen? Eenmaal bezet, zal het niet zo eenvoudig zijn de eilanden weer terug te winnen. Op eigen houtje zal het Nederlandse leger hier hoogstwaarschijnlijk niet toe in staat zijn. Zal de internationale gemeenschap zich inspannen voor deze ogenschijnlijk onbeduidende eilanden? Mijn verwachting is dat dit goed mogelijk is. Een Chavez die zijn invloedsfeer uitbreidt tot aan de Dominicaanse republiek en Puerto Rico komt wel vervaarlijk dicht in de buurt van het Noord-Amerikaanse continent. En tevens zijn de eilanden, alhoewel ze officieel buiten het NAVO gebied vallen, als onderdeel van het Nederlandse koninkrijk hier waarschijnlijk toch door beschermd.


Misschien komt het niet zo ver. Tenslotte zal Chavez zich wel een paar keer bedenken voordat hij de NAVO zo provoceert en de Verenigde Staten, die al lange tijd met een zure blik richting zijn land kijken, een excuus biedt om hem aan te vallen. Al was het officieel alleen maar om haar onderdanen die op de Antillen wonen of vakantie vieren te ontzetten. Maar hier kan de Nederlandse regering niet op rekenen. Zoals altijd is voorkomen beter dan genezen. Hopelijk biedt de diplomatie uitkomst. Deze zal dan wel duidelijk en stellig moeten zijn.


Chavez: de Rode Redder van Zuid-Amerika, of gewoon de zoveelste in een lange rij van megalomane dictators die het continent al decennia lang in haar greep houdt?
(Foto: Google Earth)
Voor het vijfde achtereenvolgende jaar alweer werd in Utrecht het gothic festival Summer Darkness georganiseerd. Het evenement dat een stad in het hartje van de zomer zwart doet kleuren. Althans, dat is de bedoeling. Naar het goede voorbeeld van haar grote zusje, het Wave Gothik Treffen in Leipzig, waar met Pinksteren 50.000 bezoekers al sinds 1992 een donkere deken over de stad uitspreiden.

In Utrecht is het nog niet zover. De zomer laat zich net even zien op zaterdag 11 augustus. Veel luchtige kleding: witte en pastelkleurige hemdjes, gebloemde rokjes, open sandaaltjes. Voorzien van grote boodschappentassen laveert men van winkel naar winkel. Drinkt men een drankje en eet men een hapje. Vrolijkheid ten top. Her en der echter een wat somberder beeld. Af een toe een eenzaam paartje dat hier duidelijk niet voor de uitverkoop is. De twee dragen zwarte enkelhoge laarzen met plateauzolen. Hij in een lange broek van leer of lak, zij in een kort rokje van hetzelfde materiaal. Veel glimmende gespen. Panty’s zijn steevast voorzien van een netmotief en scheuren. Beiden hebben een bos lang zwart haar, opgesierd door felgekleurde haarextensies. Neongeel, gifgroen en zuurstokroze. Rondom het poppodium Tivoli op de oude gracht verschuiven de verhoudingen en winnen de Goths terrein. Opvallend is dat de romantische substroming in de gotische underground cultuur ontbreekt. Weinig meisjes in prinsessenjurken, nog minder jongens in witte bloezen met ruches en leren rokken. Het beeld in Utrecht is overwegend stoer.

Als we het programma bekijken, wordt duidelijk waarom. Hier weinig bands geïnspireerd door de middeleeuwen. Doedelzakken ontbreken nagenoeg volledig. Wel te vinden zijn de vormen industrial, techno en electro. Elektronische muziek met een opslepend ritme. Hard. Niet bedoeld om bij na te denken. En metal. Met als belangrijkste varianten gothic-metal, ook wel gothic-rock genoemd.

De Nederlandse groep Within Temptation zette op dit vlak, een jaar of vijf geleden, een trend in. Een aantal wild uitziende mannen wordt vergezeld door een presentabele dame die de hoge noten aankan. De heren hebben lang haar en bespelen de instrumenten. Een ervan fungeert als zanger en slaat, vanonder uit zijn keel, lage kreten uit. De zangeres vormt de tegenpool en geeft het geheel een lieflijke, ietwat zweverige uitstraling.

Goed voorbeeld doet volgen en in de kielzog van het succes van Within Temptation, die een grote internationale markt wist aan te boren met haar gotische rockmuziek, kwamen allerlei bands aan de oppervlakte drijven die het zelfde principe nastreefden. Sommigen voegden iets toe, maar menigeen kwam niet verder dan de kopieerfase. Gothic verliet het ondergrondse en werd mainstream. Het spannende laagje verdween geleidelijk. Dit is misschien wel een van de valkuilen van de hedendaagse gothic scene. Er wordt weinig vernieuwends geboden. Er wordt niet actief naar veel diepgang gezocht. Men loopt elkaar in kringetjes achterna. Het is veel van hetzelfde. Muzikaal stelt men zich geen al te hoge doelen. Weer een slecht uitziende man zonder zangstem naast een mooie vrouw die er wel een bezit. Nog een kaalgeschoren elektronisch duo die dezelfde riedeltjes driehonderd keer herhaalt en met een strak gezicht van het publiek verwacht dat ze het allemaal fantastisch vindt. Om over de geplastificeerde act ‘the Cruxshadows’ die zichzelf Griekse goden en godinnen waant maar helemaal te zwijgen. In Leipzig valt er dan nog wat soelaas te halen uit de horrorpunk stroming. Dat zijn jongelui (jong van hart dan wel, want leeftijd is hier een rekbaar begrip) die het allemaal niet al te serieus nemen en zichzelf best in dienst willen stellen van het vermaak van het publiek. Op basis van 80-er jaren new wave en punk geluiden, aangevuld met een enkel vleugje glamrock, wordt het dan allemaal best gezellig. In Utrecht ontbrak deze mogelijkheid echter.

Gelukkig was er ook nog wel wat interessants te beleven. De Brabantse formatie Epica heeft weliswaar goed naar Within Temptation en ook After Forever geluisterd, maar weet hier toch nog een eigen schwung aan te geven. Energiek staan de leden op het podium, het geluid klinkt goed en de muzikanten zijn op elkaar ingespeeld. Het tijdstip is alleen wat minder gunstig: half vijf ’s middags in een donkere zaal. En toch begint het na een krap half uur al te vervelen en lijken de nummers wat al te veel op elkaar. Geen goed teken bij een rockconcert.

Een ongunstig tijdstip is al helemaal van toepassing op Haarlemse band The Name die om kwart voor twee op het programma staat. Om kwart voor twee is elke zichzelf respecterende goth nog niet aanspreekbaar. Het is dan ook niet erg druk. Maar daar laat de groep zich niet door afschrikken. Hoewel ook duidelijk geïnspireerd door haar (Nederlandse) collegae in het gothic-rock genre, zien ze zichzelf niet als weer de volgende dertien in een dozijn band. Nee, The Name probeert iets toe te voegen. En als je dat maar hard genoeg probeert, alsmede voldoende talent bezit, dan lukt dat ook. Men zoekt uit duidelijk naar invloeden van buitenaf en is merkbaar georiënteerd op de reguliere popmuziek. Het is verfrissend om te zien dat het dus nog wel kan, in deze al vrij uitontwikkelde scene.

Misschien is dit wel het antwoord voor de stroming die momenteel over haar hoogtepunt heen lijkt te zijn. Een vleugje underground, een toefje mainstream, en een dikke saus retro. Iets wat we ook weer terug vinden in tal van andere hedendaagse kunstuitingen.


Een leuk extraatje is de zogenaamde gothic boot, die heen en weer door de grachten vaart. Bestuurd door niet al te bekwame zeelui die ook nog eens te lijden hebben onder een toenemende alcoholroes. Dat deert echter helemaal niet. Sterker nog, het komt de feestvreugde alleen maar ten goede. En voor wie de scene een beetje kent: feestvreugde en goths worden over het algemeen niet graag samen in een zin genoemd. Maar de zon schijnt, het is weekend, en de Utrechtse grachten zijn niet erg druk. Op het water heeft iedereen de tijd. Wat maakt het uit als je af een toe de kant schampt? Onder de klanken van de Mexicaanse duiveltjes Hocico varen we van Tivoli naar Ekko en weer terug. We mogen niet klagen.


Een tip wil ik nog wel achterlaten: een buitenlocatie, zoals de Parktribune in Leipzig, zou een echte aanwinst zijn, zeker als de zomers in Nederland zich weer herstellen van de trendbreuk van dit jaar. Aangevuld met wat vernieuwende bands in de programmering die niet bang zijn om intelligent over te komen komt het dan allemaal best in orde.


Epica:




The Name:

Langs de enige serieuze weg op Terschelling, van de Brandaris naar Oosterend, zie je het al van verre staan. Het staal blinkt je tegemoet. Trekt je aan. Nodigt uit tot binnenkomen. Het lijkt wel een soort van mini-Luna Park, zoals je ze in de meer toeristische kustplaatsen van Italië tegen komt. Ook roept het herinneringen op aan het kinderspeelparadijs de Linnaeushof, in Bennebroek. Daar waar je vroeger, met opa en oma op een bankje, samen met je vader rondjes draaide. Waarna je een klef broodje kaas at en dit wegspoelde met een pakje chocomel uit de koelbox. Nostalgie ten top.

Enkele bezoekers lopen voor het hek wat verward rond. Kijken aarzelend naar de aangroeiende rij wachtenden. Hebben niet gelijk door dat het hier om een theateract gaat, en niet om een echte kermis. Dat je er niet zo maar in kan. En dat het toch echt nodig is om braaf bij de centrale kassa’s een kaartje te kopen. Een paar keer wordt ik aangeklampt. Geduldig leg ik het uit.

Ik mag wel naar binnen. Alwaar het niet alleen kermis blijkt te zijn. Theater hoort er ook bij. En hoe. Na een introductie barst het los. Een dunne directeur, een pyromaan tegen wil en dank, een tapdanseres die niet van ophouden weet, een jaloerse zigeunerin, haar zoon de barman, en vooral: Cecììììììììlia. De schoonste van het stel. En onder de rokken van Cecilia is het goed toeven. Tussen de roze zijde vertelt ze de spannendste verhalen.

Het achterliggende idee is: volwassenen vergeten even dat ze volwassen zijn. Sterker nog, volwassenen worden kinderen. En de kinderen? Die mogen niet mee. De minimale leeftijd is twaalf jaar. Zodat de grote mensen zich niet hoeven te schamen en zich ongegeneerd kunnen laten gaan. En dat doen ze. Met verve.


Wat overigens goed uitkomt. Want zonder volwassenen die zich laten gaan, zou er weinig gebeuren. Ze moeten namelijk de ingenieuze constructies aandrijven. Cecilia’s draaimolen beweegt alleen maar doordat er stevige voeten rondjes lopen onder haar rokken. Het reuzenrad verheft slechts de bezoekers in de lucht door de collega’s die als ratten in een kooitje zich in het zweet rennen in de houten tonnen. En ook de spiegeltent zou donker en stil zijn zonder de hard trappende fietsers. Die tegelijkertijd met een cocktail of glas champagne aan de bar hangen. Dat dan weer wel.


De voorstelling, want zo mag je het wel noemen, is een samenwerkingsverband tussen twee Belgische gezelschappen. De leden van Time Circus, door de directeur ook wel de ‘Blauwe Brigade’ genoemd, zijn verantwoordelijk voor de realisatie en de werking van het grote geschut. Ze draaien aan de raderen, hangen bezoekers in het visnetje van het reuzenrad, en knopen ze vast in de looptonnen. En Laika, dat zijn de luidruchtige excentriekelingen die het geheel met een flinke scheut circussaus overgieten.

Het merkwaardige samenraapsel werkt wonderwel. Niemand hoeft zich te vervelen. Sterker nog, men komt ogen en oren, maar vooral ook handen en voeten te kort. Anderhalf uur is bij lange na niet genoeg.

En dan komt er nog een zeer sympathieke, ik zou haast zeggen Vlaamse, verrassing. Je hoeft nog niet weg, als de tijd om is en de volgende groep eraan komt. Welnee, blijf gewoon maar spelen. Doe de attracties waar je nog niet aan toe bent gekomen. Of vooruit, loop nog maar een extra rondje in het rad.


Wat hebben we een lol. Al vinden we het fietsen, vijf meter boven de grond over een stalen kabel, toch wel wat wiebelig. Maar de glijbaan aan het eind maakt veel goed. En jezelf, in twee aaneengesloten tonnen, de lucht in lopen is een groot succes. We kunnen er geen afscheid van nemen. Één keer, twee keer, drie keer.
Uitgelaten komen we het terrein af. Rode blosjes op de wangen.

En gauw, nog maar een kaartje kopen. Voor de laatste dag. Voordat we weggaan. Voordat het erop zit. Nog één keer.





















Oerol 2007.

Over het recente festival op Terschelling verscheen al:

Theatre du Centaure - Cargo


Er volgen nog:

Vis a Vis – Groenland

Arling & Arling – De Astronaute en de Ster

De bezoekers
De omgeving
Gespannen zitten we in de donkere tent. Een aantal mensen komt te laat binnen door een zijingang, we kijken verstoord op, maar gniffelen als ze in het duister tegen de tentpalen aanlopen. Het affiche kondigde een waternimf aan, zwemmend in zee met haar paard. Maar we zien in eerste instantie geen tekenen die hier op wijzen. Muziek speelt, wat beelden lopen over de schermen die rond de halve arena staan opgesteld. Een cafébar met tap staat aan de linkerkant.

Dan, als uit het niets, komt het paard toch nog onverwachts te voorschijn. Geluidloos. Opeens is hij er, groot en glanzend. Zwart. Met op zijn rug een actrice. We zien alleen haar blote schouders. Voetje voor voetje schuift zij, met paard en al, achter de bar. Maakt wat schoon, draalt wat heen en weer. Dan, een ander paard. Met een man hierop. Pezig, met tuinpak en niets eronder. Er ontstaat een samenspel, een verhaal.


We kijken ademloos, geboeid. De beelden nemen het over. De acteurs, mens en dier, bewegen over het podium. Achter het podium. Werpen enorme schaduwen op de schermen. Zitten achter elkaar aan. Zitten achter niemand aan. Worden achterna gezeten. Een man met een ezel mengt zich in de strijd. Beide zijn voorzien van overvloedige dreadlocks. Er ontvouwt zich een verhaal. Maar de vrouw, zij wordt heen en weer geslingerd tussen plicht en liefde. Tussen hart en verstand. En de man, hij ook.


Aan het einde, toch nog, het onderwatertafereel. Geprojecteerd op de filmmuur. Het was mooi. We zijn tevreden. Het paard van de actrice eveneens, deze neemt gretig zijn applaus in ontvangst en loopt nog (alleen in de arena) een extra ererondje. Achter ons horen we iemand zeggen: ‘het zag er mooi uit, maar het verhaal stelde niet veel voor’. Deze mensen hebben het duidelijk niet begrepen. Het verhaal, dat is er om de rest van de belevenis tot stand te brengen.


De beste voorstelling op de eerste avond van het festival zien. Je hoopt dat het niet zo is. Er zijn nog negen dagen te gaan. Maar je vreest van wel. Want wat de Franse theatergroep neerzet is uniek in zijn soort. De eenwording van mens en dier, van man en paard. Optimale controle. De acteurs beheersen hun rijdier tot in de puntjes, geen stap wordt te veel gezet. Ja, misschien wel door de ezel. Want een ezel luistert niet zo graag.


Perfectionisme. Men had met 80% van de inzet ook voldoende resultaat geboekt. Maar dat was duidelijk niet het streven. Dan was het niet af.

Spijt heb ik van de gemiste foto. Waarschijnlijk, in navolging van dè voorstelling, dè foto van het festival. De beste foto van de week. Een grote zwarte tent, op een open plek, tussen duin en bos. De zon gaat in felle kleuren achter het gevaarte neer, nog net zichtbaar. Haar stralen vechten om de lucht met de oprukkende wolken, winnen soms, verliezen het volgende moment. De wolken dreigend, het regent even verderop, onweert zelfs. Een lange sliert bezoekers staat op de voorgrond, parallel aan de weg. Te wachten om de tent binnen te gaan. Ze steken donker af, bewegingsloos bijna. Die foto, die maakte ik dus niet.

Wie wel?












Oerol 2007.

In een serie blogs zal ik deze week wat momentopnames weergeven van het recente Oerol festival.

Vandaag: Cargo van Theâtre du Centaure.


Er volgen nog:
Laika & Time Circus - Sensazione!
Vis a Vis – Groenland

Arling & Arling – De Astronaute en de Ster
De bezoekers

De omgeving
Acht jaar geleden zag ik Aerosmith voor het eerst. En voor het laatst, want sindsdien is de Amerikaanse rockgroep niet meer in ons land geweest. Acht jaar, dat is een lange tijd. Veel herinner ik me er dan ook niet van. Wel dat het aan de andere kant van het land was, in Nijmegen, en dat ik voor het eerst een auto huurde. In mijn onervarenheid reed ik op de terugweg lange tijd, zonder er erg in te hebben, met groot licht. En ook weet ik nog dat zanger Steven Tyler lekker op dreef was en flink over het podium heen en weer rende. En er verbazend goed uitzag.

Afgelopen zaterdag zou het de tweede keer worden. Op het, jawel, Arrow Rock Festival. Of Classic Rock eigenlijk, maar op de een of andere manier is de toevoeging ‘Classic’ verdwenen. Het zal wel met een herprofilering voor een jongere doelgroep te maken hebben.


De dag begint goed. Na een stormachtig verlopen vrijdag staan we op met een zonnetje. Dat zonnetje blijf ook bij ons totdat we in de buurt van Biddinghuizen, bij het Lowlands terrein in Flevopolder, aankomen. Daar pakken de wolken zich boven ons hoofd samen en beginnen de files. Vreselijke files. Je zou verwachten dat een dergelijk gebied, aangelegd op een onontgonnen stuk land, een schoolvoorbeeld zou vormen van logistieke planning. Dat al het verkeer strak georganiseerd en zo efficiënt mogelijk naar de bestemming geleid zou worden. Maar nee. Het staat muur- en muurvast. Snel nemen we de eerste de beste polderweg die we kunnen vinden, crossen over landweggetjes om het terrein heen, om ons even later vrolijk aan te sluiten bij de file aan de andere kant. Tja. Maar in ieder geval hebben we het geprobeerd.


In het begin is de sfeer nog olijk. Mensen stappen uit, drinken een biertje, mannen doen een plasje. Maar als na een kwartier de eerste band onder politiebegeleiding langsracet, en een half uur later de tweede, slaat de stemming toch ietwat om. Een aantal verlaten hun auto en beginnen te lopen. Een andere groep klaagt tegen jan en alleman. Een enkeling keert zelfs om. Wij houden vol, maar kijken toch ietwat zuur als de derde politiewagen met volgauto langskomt. Waarin ongetwijfeld een band zit. Een band, die wij niet zullen zien optreden.

Gelukkig, net voordat ons oorspronkelijk opperbeste humeur echt verziekt is, beginnen we te rijden. Om op de parkeerplaats, jawel, nog vijf euro te moeten betalen. Voor anderhalf uur stilstaan. Bovenop een kaartje van drieënzeventig euro. Ik kan het niet nalaten om de medewerker hier een cynische opmerking over toe te doen komen. Maar een betekenisvolle reactie blijft uit.


Onder de klanken van INXS (zonder Michael Hutchence uiteraard) komen we bij de toegangspoorten aan. Waar de rijen gelukkig meevallen. Eenmaal binnen is het allemaal vrij rustig. Logisch, blijkt later, want iedereen staat nog vast in de file. Het verhaal gaat dat velen er gerust vier uur over doen. En dat een groot aantal onverrichter zake naar huis teruggekeerd is. Misschien was de sluiproute dan toch zo slecht nog niet…


Het programma vormt het volgende obstakel. De acts op de drie podia zijn zoveel mogelijk tegelijkertijd geprogrammeerd. Elkaar overlappend. Zodat je, als je op sprintsnelheid heen en weer rent, van elke groep net de drie eerste of drie laatste nummers mee kan maken.

Kiezen dus maar. En na een kwartiertje of zo buiten een overvolle tent naar Thin Lizzy te hebben geluisterd, vertrekken we naar het hoofdpodium, alwaar Riders on the Storm al bezig is. Dit is de voortzetting van The Doors, die op last van de originele drummer de naam Doors niet meer mogen voeren. Er zijn nog twee originele leden: Ray Manzarek en Bobby Krieger. En een nieuwe, jonge zanger. Ene Brett Scallion, zoals snel zou blijken. Deze gedraagt zich als Jim Morrison in het kwadraat, maar zonder de zwarte randjes. Voorzien van een flinke doos arrogantie, maar echt gevaarlijk wordt het niet. Toch is het geheel wel vermakelijk, en komen een aantal nummers, zoals L.A. Woman, bijzonder goed uit de verf.


Volgende op het lijstje is Roger Hodgson, de voormalige zanger van Supertramp. Deze zit op het kleine podiump, achter een synthesizer, slechts begeleid door een man met een saxofoon. Maar hij maakt indruk. Kwetsbaar, gevoelig, maar ook sterk klinken de liedjes. Af en toe kijkt hij verbaast om zich heen, alsof hij het niet helemaal kan geloven, alsof het niet helemaal echt is. Het in grote getale aanwezige publiek geniet. En laat er Steve Vai voor schieten.


Van de Scorpions moest ik nooit veel weten, en daar komt tijdens Arrow geen verandering in. Europe’s publiek puilt uit het te kleine terrein voor de derde stage. En Toto klinkt zoals vroeger: braaf en veilig. De Australian Pink Floyd show, vooraf ingeschat als een gimmick, is verrassend goed. Een omstander merkt op  dat ze beter zijn dan de originele band…


Maar ik moet mijn krachten sparen. Voor de hoofdact.

Een half uurt voor aanvang is het al druk op het veld. Een blonde presentatrice kondigt aan dat de band over tien minuten het podium zal betreden. Ze spreekt het niet al te jonge en inmiddels gearriveerde publiek aan alsof het een stel kleuters betreft. Een lichtelijk overbodige actie.


Het zal ruim een kwartier later zijn als de rookmachines beginnen te werken en de spanning stijgt. Bekende klanken klinken en het concert barst lost met een energieke uitvoering van ‘Love in an Elevator’. Dat begint goed. Even lijkt het erop alsof Tyler’s stem bij het volgende nummer, ‘Same Old Song and Dance’, niet in optimale conditie is, maar niets blijkt minder waar. Gedurende de rest van het concert lijkt hij wel beter en beter te gaan zingen, en haalt hij moeiteloos alle zo kenmerkende uithalen.


Hij, en gitarist Joe Perry, gebruiken het hele podium. Ze houden zich ook veelvuldig in elkaars buurt op, dragen beide oogschaduw en lijken af en toe wel een liefdesstelletje. Tyler schiet van links naar rechts en is veelvuldig op de catwalk te vinden, die een heel eind het publiek in loopt. Ook haalt hij allerlei ondeugende kunstjes uit met de microfoon. We vinden het allemaal prima. Een recent, bluesy nummer gezongen door Perry, met Tyler in de achtergronddans, wordt ook enthousiast ontvangen. En de uitvoering van ‘Baby Please Don’t Go’ staat als een huis.


Halverwege het concert doen we een imaginaire stap terug en vragen ons af: hoe oud is die Steven Tyler nou eigenlijk? Er is geen enkel verschil te zien of te horen met acht jaar geleden. Ik hield het op, na enig terugrekenen, minstens vijfenvijftig. Hij blijkt nog vier jaar langer op de aardbodem rond te lopen. Maar ziet er beter uit dan zijn dochter Liv, die van mijn leeftijd is. En dit zijn niet de woorden van een lichtelijk jaloers vrouwspersoon, maar van mijn mannelijk gezelschap. Alhoewel ik ze van harte onderstreep. Ongelooflijk. Mick Jagger, eat your heart out.


Voor de toegift worden we getrakteerd op een tekenfilmpje van de band. En een richtingaanwijzer waarop ‘Biddinghuizen’ staat. Gejuich is de beloning. Ze spelen vervolgens nog één nummer, ’Walk this Way’. Voor deze gelegenheid is er een camera op Tyler’s microfoonstandaard gemonteerd, gericht op zijn gezicht met imposante mond, wat eigenaardige close-ups als resultaat heeft.


De band is trouwens absoluut niet mediaschuw. Zo neemt Tyler geregeld speciale poses aan voor de fotograferende omstanders. En de roodharige, ietwat gezette cameraman, die in het begin van het optreden wat lusteloos rondhing, wordt door de zanger het hele podium over gejaagd teneinde her en der beeld te schieten. Van het concert, de bandleden, maar geregeld komen er ook wat interessantere plaatjes op de grote schermen als Tyler het apparaat zo’n beetje zijn kruis in drukt.

De combinatie van ijzersterke nummers, doorgewinterde muzikanten en energieke performances levert een zeer onderhoudend optreden op. Hier kunnen heel wat oude en jongere rockers iets van leren. Zo moet het. Bij een intermezzo belooft de band dat we geen acht jaar hoeven wachten op een volgend optreden. Ik ben van plan ze daar aan te gaan houden. Ik zal er bij zijn. Desnoods in de Arena, waar ik normaal gesproken met een grote boog om heen loop. Overboord die principes. Misschien moet ik toch maar een carrière als groupie op gaan starten. Zo oud ben ik toch ook nog niet.

Het goede gevoel houdt lang genoeg stand om me met een glimlach op mijn gezicht door de files op de terugweg te worstelen. Ook het overvloedige negatieve commentaar, dat door vele teleurgestelde bezoekers her en der geplaatst wordt, waarin men de organisatie door de mangel haalt, kan me niet deren.

De volgende dag treedt Joe Perry in Londen op bij het concert ter ere van prinses Diana. Ik kijk er niet naar. Maar in mijn hoofd weerklinkt nog geruime tijd ‘Something’s wrong with the world today, but I don’t know what it is…’.

Living on the Edge.
Voor altijd.

Een impressie:

Riders on the Storm






Roger Hodson
Aerosmith









Voor meer foto’s en materiaal, kijk ook hier: http://www.aeronewsdaily.com/
Leipzig, een stad in het oosten van Duitsland. Een stad met historie. Een stad waar je die historie nog ziet. Tenminste, tot nu toe. Want het lijkt erop dat de stad haar historie wil afschudden.

Grote bulldozers walsen de binnenstad plat. Stukken steen, beton en staal vliegen in het rond. Waar vorig jaar nog een statig overheidsgebouw stond inclusief indrukwekkende gevelversieringen, rest nu een krater. Waar volgend jaar ongetwijfeld een hypermoderne kantoortoren zal verreizen, inclusief een cocktailbar op de bovenste verdieping met uitzicht over de stad.

Moet alles altijd hetzelfde blijven? Nee.
Moet een stad haar geschiedenis koesteren? Ja.

Je zou denken dat men, na de grote betonneringsvlaag die in de jaren van wederopbouw in onze contreiren heerste te zijn misgelopen, wel zou leren van andermans' fouten. Dat men zou proberen oude stadscentra te bewaren voor de toekomst en de bouwsector nette, kale bedrijventerreinen aan de rand van de stad toe zou wijzen. Maar nee.

Het levert wel interessante plaatjes op. Het stel aan het eind is de inleiding naar een volgend item. Want er gebeurt van alles, daar in Leipzig...











De eerste keer dat ik Patti Smith zag, was op het Roskilde festival in Denemarken in 2001. Het jaar na het drama ten tijde van het optreden van Pearl Jam, waarbij negen toeschouwers het leven lieten. Patti speelde op dezelfde plek en coverde Pearl Jam’s grootste hit, ‘Alive’. Een gewaagd statement.

De tweede keer was in 2005 op het Paleo festival in Zwitserland. En de derde keer? Dat was gistermiddag. Toen we voor het concert in Paradiso op zoek waren naar een hapje eten, aangezien het restaurant van de Balie dicht bleek. De eerste fans stonden, een kwartier voor de opening van de zaal, al op de trappen te wachten. Misschien dertig, veertig man. En Patti verschijnt een meter of twintig verderop op straat, kuiert over de Weteringschans naar het Leidseplein. Op haar gemak. In haar eentje. Niemand die het opmerkt. Niemand die haar aanspreekt. Ze ziet er wat zonderling, maar ook vertrouwd uit. Lang grijs haar, spijkerbroek, vormeloos T-shirt en een colbertje. Een beetje verlopen. Zonder het gebeuren van later op de avond in het achterhoofd zou ik haar wellicht ook over het hoofd hebben gezien.


Twee uur later stapt ze in precies dezelfde uitdossing op het podium. De enige toevoeging is een donkere hoed, die ze voor een noot te zingen al af gooit, en welke de rest van de avond niet meer in zicht komt. Het gaat om de entree, zal ik maar zeggen. Al na de eerste klanken van haar stem is het duidelijk: dit gaat goed komen. Zestig jaar oud maar nog lang niet moe. Vanavond laat ze zien dat ze haar plaats, toegekend in maart 2007, deRock and Roll Hall of Fame meer dan verdient. Patti is rock and roll.


Ze communiceert graag met het publiek, visueel en verbaal. Een van de eerste dingen die ze zegt, is dat de cannabis haar door het hoofd tolt. Iets wat nog vaker voorbij zou komen. Ook Anne Frank als inspiratiebron wordt vernoemd. En haar zoektocht naar het Rembrandthuis, wat al gauw een excuus blijkt te zijn voor een bezoek aan de nabijgelegen koffieshop. Waarna ze met Rembrandts enorme beeld van het plein afwandelt en op zoek gaat naar windmolens. Enzovoorts. Een ander thema is de fietser. Specifieker, de Amsterdamse fietser die haar, als onbenullig toeriste, continu van de sokken rijdt. Op wie ze best wel eens wraak zou willen nemen. Maar het deert haar niet echt. Of wellicht krijgt ze er juist extra energie van, wat ze over haar publiek uitstort. Als een douche. Een warme douche. Een tot de nok gevuld Paradiso kan er geen genoeg van krijgen. En zij eigenlijk ook niet.


Haar stem schalt door de kerk. Het geluid is overal in de zaal fantastisch. Waarom hebben andere podia hier toch zoveel moeite mee? Waarom klinkt het niet altijd zo? De grote hits passeren de revue. Dan weer snel, dan langzaam. Krachtig. Ontroerend. Passievol. Even stapt ze opzij om haar trouwe sidekick, Lenny Kaye, de hoofdrol te laten overnemen. Patti verdwijnt in het achtergrondkoor als hij overtuigend het nummer ‘Pushing too hard’ van The Seeds te weer geeft. Zo herleeft even weer de tijd van de garage uit de 60s.


Een meisje uit het publiek beklimt het podium. Zwart geverfd haar, een beetje punkerig. Schuchter loopt ze op Patti af. De roadies maken al aanstalten om haar zo snel mogelijk naar de zijkant weg te werken, maar de zangeres houdt ze tegen. Het meisje vraagt, en krijgt, een knuffel. Patti maakt er nog een grapje over, ‘What can I say: I’m popular with the girls’. De zaal lacht. Mensen krijgen handtekeningen, op elpees maar desgewenst ook op T-shirts of lichaamsdelen. Handjes worden geschud, bolletjes geaaid.

De zaal zingt luidkeels mee met ‘Because the night’. De emoties lopen hoog op bij de wereldberoemde eerste zin van haar bewerking, reeds uit 1975, van Van Morrisson’s ‘Gloria’: ‘Jesus died for somebody's sins ... but not mine’. Hoe duidelijk willen we het hebben.

Ook volgen er, naar haar nieuwste album ‘twelve’, enkele covers. ‘Within you without you’ van The Beatles klinkt goed. Maar echt indruk maakt ze in de toegift met Nirvana’s ‘Smells Like Teen Spirit’, gevolgd door enige persoonlijke woorden voor Kurt Cobain. Vervolgens pinkt menigeen een traantje weg bij een werkelijk sublieme uitvoering van R.E.M.’s ‘Everybody Hurts’. Vind ik het origineel wat al te opzichtig gemaakt om zoveel mogelijk emoties los te werken, bij Patti kan het niet lang genoeg duren. Helaas, helaas, komt er, na een daverende uitvoering van ‘Rock ’n Roll Nigger’, welke overgaat in een nog eenmaal met vereende krachten gebruld ‘Gloria’, uiteindelijk toch een eind aan deze avond. We willen haar niet loslaten. Paradiso stampt, schreeuwt en fluit. Maar de meteen al legendarische avond, met vele hoogtepunten en het publiek in een houdgreep, is toch echt afgelopen.


Wat betreft Patti Smith, tenminste. Maar enkele insiders spoeden zich naar de kleine bovenzaal, alwaar Robyn Hitchcock, even tevoren al bij Patti op het podium te bewonderen, reeds klaar staat. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig speelde hij in The Soft Boys. De huidige bandleden, onder wie R.E.M.’s Peter Buck, moeten er even in komen. Ik kan ze geen ongelijk geven. Hoe begin je, als de hele tent al platgespeeld is? Wat breng je nog, als iedereen uit staat te hijgen en na te genieten? Dan maak je gebruik van het feit, dat er mensen zijn die nog lang niet naar huis willen. Die er geen genoeg van kunnen krijgen. Voor wie de nacht nog vele uren telt.


En dat doen ze. Roby
n Hitchcock’s lijzige stem klinkt zeer Brits, doet soms denken aan Peter Perrett van The Only Ones, terwijl in de muziek Amerikaanse invloeden verweven zijn, bij vlagen neigt het zelfs naar country. Psychedelische country, wel te verstaan. Die combinatie zorgt voor een interessante ervaring. En na een half uur staan we alweer mee te dansen en te zingen. En we zijn echt niet de enigen. De sfeer is magisch. Hoe is het toch mogelijk.

Ook Lenny Kaye is aanwezig. En hij voelt zich duidelijk niet te goed om eer te betonen aan deze veel minder bekende band. Hij is fan en dat mag iedereen weten. In de toegift (ja het publiek wil zoals gezegd nog meer, nog altijd maar meer) speelt hij op zijn beurt een deuntje mee. Twee nummers. Drie nummers. Vooruit, vier nummers. Hier ook weer The Beatles. Het is een waardige afsluiter. Wat een avond.


En wat een spijt de volgende dag, ’s morgens vroeg op Schiphol…


Een impressie:





Robyn Hitchcock:

Oerendhard...

vrijdag 8 juni 2007 23:43
Eén en één is twee. Of soms ook drie. Of vier. Net wat u wilt, eigenlijk. In een verhaal kan alles. In het echt helaas niet. Met de motor is het de bedoeling dat één en één slechts één wordt. Niet meer, niet minder. De mens en de machine vormen een geheel dat zich voortbeweegt, afremt, kantelt, en door de bochten heen buigt. Onttrekt een van beiden zich aan deze afspraak dan gaat het fout. Sputtert de machine, dan wijkt de mens. Aarzelt de mens, dan wankelt de motor.

Ik en de motor, wij zitten nu gemiddeld op anderhalf. Twee is achter ons gelaten. Soms lijkt het al aardig wat, en zitten we op één en een kwart. Dan weer hellen we, letterlijk en figuurlijk, de andere kant op en komen we uit op één en drievierde. Helemaal los van elkaar staan we niet meer. Maar een twee-eenheid, nee die vormen we nog niet. De machine levert haar aandeel echter trouw. De mens, dat is nog een onberekenbare factor.


Na nog een keer of wat rondjes draaien op het oefenterrein meld ik mij aan de balie van de rijschool om een volgende afspraak te maken. Na het opvragen van mijn leshistorie aanschouwt ze me peinzend.‘Weet je het zeker, nog een les op de parkeerplaats? Als ik dat zo bekijk, wordt het wel eens tijd voor de weg’. Ja, misschien op papier. Niet noodzakelijk als je mij in levende lijve in actie ziet. Ik denk het, maar zeg het niet. Vol bravoure kijk ik terug. Kom maar op dan. We gaan de weg op. Wereld, hier kom ik! Houd je kinders binnen en de honden aan de lijn.


Drie weken geleden was het zo ver. Weer ’s ochtends vroeg, ik schijn er een voorkeur voor te ontwikkelen. Met enigszins knikkende knieën arriveer ik bij de school. De instructeur is goed geluimd. Hij heeft nog geen weet van de verschrikkelijke situaties waarin hij zodadelijk zal belanden. Ik wel, maar probeer het te negeren. Eerst maar eens een ‘oortje’ aan passen. Voor de communicatie. Zodat ik in theorie kan weten dat ik naar links af had moeten slaan in plaats van rechtdoor de plomp in te rijden.


Het is een hard en oncomfortabel ding. Hier ga ik last van krijgen. Helm erover, handschoenen aan. En opstijgen. Zachtjes rijden we het terrein af. In de eerste versnelling, wordt me nog even toegeroepen. Alsof ik van plan was ‘m eens goed te raken. Ik kijk wel lekker uit. En trouwens, voorop rijdt een medecursist, daarna kom ik pas. Zo verstandig was men nog wel. Nou, bochtjes. De eerste lukt. De tweede ook. Ai, een rotonde. Heel voorzichtig dan maar. En zo verder, nog een bochtje, goed kijken. Ik zie nog niet veel van de omgeving, ben volledig geconcentreerd op de weg voor me. En de motorrijder.


Even later belanden we buiten de bebouwde kom. De zon breekt door. En daar is een bruggetje. Een klein, stijl bruggetje. Oef. Met zweet in de handen schakel ik terug, toeren houden, toeren houden, schiet het door me heen. Dus met loeiende motor stuur ik het bruggetje op. Meteen erna volgt een bocht. Ik zie ‘m aankomen. En ben daar al te veel mee bezig. Dus vergeet wat ik aan het doen was, en ja hoor. De motor slaat af. Snel weet ik, door ervaring wijzer geworden, nog het stuur recht te trekken. Want een gedraaid stuur betekent een instabiele, overhellende motor. En dat betekent vallen. Wonder boven wonder lukt het me op tijd en blijf ik staan. Wel stilgevallen, maar ik sta in ieder geval nog. Op de een of andere manier kom ik zo de eerste drie kwartier door. De stem in het oor stuurt ons naar een parkeerplaats. Even pauze.

En dan, ja dan moet ik er aan geloven. Voorop. Gelukkig heeft de instructeur een niet al te hoge dunk van mijn vaardigheden en zocht hij een rustig parcourtje uit. Door de polder. Over smalle weggetjes. Langs slootjes. En weilanden vol schapen. Nou. Na een aarzelende start vertellen de radiogolven me dat het best wat harder mag. Dat doe ik dan maar. En begin er lol in te krijgen. Het IJsselmeer ligt glinsterend aan mijn linkerhand. De wind waait lustig. En ik rijd.

Aangezien het slechts een kleine week geleden was dat ik een concert van de Achterhoekse band Normaal tegenkwam, hangt de bierlucht bij wijze van spreken nog in mijn haren. En klinken de klanken nog op de achtergrond. Hoe ging het ook al weer? Oe? Oehoehoe? Oerendhard?
En ja hoor, weldra zing ik het bijna mee:

Ik zeg oeh (oeh)
Ik zeg aah (aah)

Ik zeg oeh (oeh)

Oeh (oeh)

Oehoe oehoerend hard

Kwamen zie daor aangescheurd

Oehoe oehoerend hard

Want zie hadden van de motorcross geheurd

* Tekst Normaal


Iets te uitbundig wellicht. In de derde versnelling nader ik een scherpe bocht. Die haal ik wel, denk ik in mijn bravoure. En gooi mijn gewicht in de strijd, duw de motor op z’n kant. En schiet de bocht door. Helaas volgt hierna een volgende. Haarspeld. Oh ja. Ik heb weinig keus, kom overeind, en laat me gelijk de andere kant weer opvallen. Druk goed door. En hoop er maar het beste van. Ook dit overleef ik. ‘HAHAHA! HAHA!’ klinkt het in mijn oor. Hmmm. Volgens mij is het goedgekeurd.


Uitgelaten stap ik een tijdje later van de machine. En in de auto werp ik me nog steeds op volle snelheid de bocht in. Links, rechts, links. Ja, dit was wel leuk. Misschien gaat het me toch nog lukken.


Dacht ik. Want de volgende les verloopt onder een ander gesternte. Ik geef de schuld maar aan het iets te zware weekend, waarna maandagochtend acht uur veel te snel komt. Geen fraaie acties mijnerzijds dit keer. Nee, ik neem een verkeerde afslag, raak in een bocht het gras naast het asfalt, trek lelijk stuiterend op, en laat de motor minstens twee keer door een schakelfout afslaan. Het zelfvertrouwen daalt tot nul. Dit was een hoge één en driekwart. Het enige goede wat erover te melden is, is dat ik niet ben omgevallen. En na afloop krijg ik het verdiende advies om voor de volgende les toch nog maar een uurtje op de parkeerplaats te oefenen…

Wat ik braaf doe, uiteraard. Want leren, dat zal ik het!



Wordt vervolgd…



Wat eraan vooraf ging:

Ommekeerrrrrrr (30 april 2007)
Kaboemmmmmmm (22 april 2007)

Vroemmmmmmm (11 april 2007)
Speciaal voor de (ex-)grungers onder u, de gelukkigen die, net als ikzelf, puber waren in het begin van jaren negentig, of voor hun iets minder gelukkige ouders, hierbij nog een verlaat concertverslag van het optreden van Chris Cornell in de Melkweg twee weken geleden.

Chris Cornell. Even graven in het geheugen. Was dat niet…? Ja, de vroegere zanger van de Amerikaanse band Soundgarden. En deze naam hoort weer thuis in de gelederen van Nirvana en Pearl Jam, die allen hun thuisstad Seattle delen. En Alice in Chains past hier ook nog bij.
Nu is hij, na een avontuur als frontman van Audioslave, weer solo. En trad op voor een uitverkochte zaal. Waar, zoals overal duidelijk te lezen was, niet gerookt mocht worden. De man die dikwijls betiteld wordt als zijnde in het bezit van ‘the greatest voice in rock ’n roll’ stelt duidelijk prijs op het behoud van zijn karakteristieke geluid. Hier wordt serieus gezongen. Niks whisky. Niks stoer paffen on stage. Niks krakerig fluisteren met een van drank, drugs en tabak doorleefde stem. Uitgehaald moet er worden. Lang, fel en hard.

Het rookverbod is een verschijnsel dat ik steeds vaker tegenkom. De artiesten lopen vooruit op de wettelijke maatregelen. De bezoekers houden hier zich over het algemeen keurig aan. Wel lekker, trouwens, de ietwat frissere lucht. Voor de niet-rokers tenminste.

Vele meisjes staan vooraan. Gillen als er actie op het podium is waar te nemen. Naast een rocksterrenstem heeft Chris namelijk ook nog een rocksterrenuiterlijk. Zijn tweeënveertig jaren lijken vooralsnog weinig vat op hem te hebben gehad. Hij begint energiek en springt het podium op en neer. ‘Spoonman’ is de sterke opener, gevolgd door nog een paar stevig klinkende songs die het publiek in beweging krijgen. Hierna lijkt de klad er enigszins in te komen. Veel van hetzelfde. Jongensnummers die hem nog slecht lijken te passen. De vernieuwing ontbreekt. En het publiek, inmiddels ook de tienerjaren ver ontgroeid, kijkt ook ietwat ongemakkelijk bij het zoveelste lang uitgesponnen rif.


Dan, net op tijd, voordat de vermoeidheid toeslaat, de oren dichtklappen en de stramme benen van zich doen spreken, volgt er een ommekeer. De band verlaat het podium, Cornell blijft moederziel alleen achter. Met een akoestische gitaar. En zijn stem. Die fantastische stem. Dit is het moment waarop het concert tot leven komt, waarop hij sprankelt. En laat zien dat-ie nog wat meer in z’n mars heeft dan alleen als een zestienjarige over het podium te stuiteren. Het ontroert, bijna, misschien wel helemaal. Hij beseft het zelf ook. Maar wil het nog niet toegeven. Wil nog niet echt weten dat het leven verandert, dat het publiek verandert, en hij zelf ook.


Dus verschijnt de begeleiding weer. Te snel. En te snel gaat het weer terug naar het emotieloze rammen. Rammen op de drums, bas en gitaren. En rammen met de stem. Waar niet echt z’n hart en ziel meer in terug te vinden is. Want die zijn achtergebleven in het intermezzo.
Verrassen doet hij echter nog een keer. Want erg bekende klanken klinken op. De hersenen moeten het even registreren, hebben moeite het te plaatsen. Maar niet lang. Michael Jackson. ‘Billy Jean’. En hier komt toch weer een interessant geluid te voorschijn. De cover van de wereldhit uit 1983 laat niemand onberoerd. Sommigen vinden het fantastisch, anderen niet om aan te horen. Maar iedereen zal het onthouden.

Na nog twee toegiften is het concert afgelopen. Er blijkt nog een ‘meet-and-greet’ te volgen. Dit is speciaal voor de hardcore fans. Voor mij een bekend verschijnsel uit de tijd waarin ik de Hitkrant las. Deze schreef dan een wedstrijd uit, en degene met de origineelste, of meest desperate, inzending mocht dan na het concert op de foto met de band. Mij scheen het altijd een opgelaten toestand. Voor een leven als groupie ben ik niet in de wieg gelegd. Onverhulde bewondering laat ik niet snel merken. Ben meer van de onderkoelde emoties.


Ik vroeg me af of er in de opzet veel verandering was gekomen. Al snel bleek van niet. De band zat na afloop in het verlaten café van de Melkweg, onder een niet al te subtiele verlichting. Op een rijtje achter een paar tafels, rug tegen de muur. Bij de deur een stel bodyguards. Die de fans een voor een naar binnen lieten komen. Ze mochten dan een handje schudden, vertelen hoe zeer ze wel niet onder de indruk waren, en als ze geluk hadden nog een plaatje schieten. Erg vriendelijk leek het allemaal niet. Cornell en kornuiten zaten er verveeld en vermoeid bij. De bodyguards keken stuurs, en behandelden de bezoekers met niet al te veel respect. Een andere setting had misschien wat verschil uit kunnen maken, ergens in een echte kroeg of zo, bruin van kleur en rokerig van atmosfeer, zoals ze in Amsterdam nog volop te vinden zijn. Zo sloeg het nergens op. Een opgelaten gevoel bekroop me in alle hevigheid. En ik was alleen maar toeschouwer. Gauw liep ik verder.

Een impressie:

















Tot nu toe ben ik er wegens een wat al te volle agenda niet aan toegekomen. Dus misschien komt dit bericht een beetje als mosterd na de maaltijd. Wel heeft het verlate schrijven als voordeel, dat collega-bloggers er al iets over gemeld hebben en dat er ook een lijst met actiepunten gepubliceerd is, zodat ik een paar spiekbriefjes kan raadplegen en ook niet alles meer hoef te herhalen. Toch wil ik er nog wel iets aan toevoegen, omdat momenteel het sentiment lijkt te bestaan onder de niet-aanwezigen dat het voornamelijk een technische bijeenkomst was. En dat het niet echt uitmondde in wat meer beleidsmatige discussies. Dit strookt namelijk niet met mijn ervaringen en doet geen recht aan de intentie van de vergadering. Zeker, een aantal uitkomsten leidde tot technische veranderingen, maar de achterliggende gedachten zijn dikwijls toch wat principiëler van aard.

Donderdag 31 mei begon voor mij vroeg, met, jawel, een motorrijles om 8 uur. Gelukkig bleek ik onder een gelukkig gesternte opgestaan en ging het allemaal van een leien dakje. Dat mag ook wel eens, het was de zoveelste les op het oefenterrein na een niet geheel vlekkeloos verlopen (tweede) avontuur op de weg. Maar dat is een ander onderwerp…

Hierna enkele vergaderingen op kantoor bijgewoond, wat gevatte teksten en emails eruit gestuurd, en toen met vliegende vaart richting Utrecht. Vliegende vaart, tenminste, tot aan de rook van de voorsteden. Hier begonnen de files. Om half drie ’s middags. Met mooi weer. Dus ging het met een sukkelgangetje verder, en met een zucht de afrit op. In Utrecht zelf was het al niet veel beter. Gelukkig kon ik met behulp van mijn kameraad Tommetje, waarmee ik inmiddels een haat-liefde verhouding heb opgebouwd, de locatie snel vinden. En na nog wat fietsers ernstig gehinderd te hebben teneinde met pijn en moeite mijn autootje in een krappe parkeerplek te duwen, resteerde nog slecht het betalen van een vrij grote hoeveelheid kleingeld in de parkeermeter. Uiteindelijk kwam ik een kwartier te laat aan.

Te laat komen, dat is nog een hele kunst. Iedereen kent elkaar dan al. De algemene beleefdheden en het handenschudden zijn voorbij. De pretpraat is over. Serieuze zaken liggen op tafel. En te laat komen in een wildvreemd gezelschap, dat is nog een graadje moeilijker. Maar veel keus heb je niet: het is naar binnen gaan of onverrichterzake weer door de achterdeur verdwijnen. Na de getrooste moeite, en met het doel voor ogen, resteerde slechts één optie: naar binnen.

Alwaar een groep breeduit rond de tafel gedrapeerd zat. Met koffie, thee en water voor zich. Ik riep nog: ‘De Volkskrant?’ , terwijl een aantal hoofden al vriendelijk knikkende bewegingen lieten zien. Van de andere kant van de kamer antwoordde iemand gelijk: ‘Alexandra? Kom binnen!‘. Dat liet ik me geen tweede keer zeggen. Ik maakte me op voor een rondje voorstellen, maar dat was niet nodig, het eerste onderdeel, waar men net aan begonnen was, was een korte introductie van en door alle aanwezigen. Ik had nog niet veel gemist. Dat gaf me even tijd om op adem te komen.

Men presenteerde zich, meestal met volledige naam, soms ook niet, en vertelde waarom hij of zij ooit begonnen is bij de Volkskrant te bloggen en dit nog steeds doet. Al snel bleek dat er een aantal gemeenschappelijke factoren te herkennen waren: het zoeken van een klankbord, de mogelijkheden tot interactie met min of meer gelijkgestemden, de gezelligheid, het zich rekenen tot het ‘Volkskrantpubliek’ en het oefenen van de schrijfkunst alsmede het ontwikkelen van het eigen ontluikende schrijftalent.

Het volgende onderwerp was de agenda. Deze bestond uit de volgende punten, van welke ik enkele zal uitlichten:

* Techniek
* Groepsvorming & aanbevelingen
* Nieuwe bloggers
* De Blogger in Blauw
* De relatie met de papieren Volkskrant
* De gebruikersvoorwaarden, en het naleven hiervan door de redactie
* De communicatie van de redactie naar de bloggers
* De bloggersinitiatieven
* De rondvraag

Er werd stevig gediscussieerd. Alle aanwezigen voelden zich duidelijk betrokken en waren erop gericht om hun steentje bij te dragen. Sommige technische aspecten zijn opgenomen in het al bekende lijstje van verbeterpunten, andere, wegens een negatief uitgevallen kosten-baten analyse, niet. Zaken zoals groepsvorming, waarmee bedoeld werd VK-bloggers versus niet VK-bloggers, werden niet als problematisch ervaren. Een niet-blogger heeft waarschijnlijk andere redenen om op het VKblog te komen als een wel-blogger. En anders kan hij nog altijd een blog openen…

Relatief veel tijd werd gespendeerd aan de nieuwe bloggers. En dan met name twee aspecten: het aantrekken en behouden van nieuwe bloggers. De Blogger in Blauw was ingezet als initiatief om nieuwkomers voor het voetlicht te brengen, maar is inmiddels, na uitgegroeid te zijn tot een alomvattender ‘welke bloggers verdienen de aandacht binnen een bepaald thema’ een niet zo stille dood gestorven. Een teleurstelling voor de initiators hiervan. De aanwezigen waren het ermee eens dat nieuwe bloggers het moeilijk kunnen hebben. Ja, ze kunnen zichzelf in de kijker proberen te spelen door her en der, te pas en te onpas, reacties achter te laten, maar dat ondermijnt misschien het reactiestelsel en heeft het potentieel om uit te groeien tot een soort: ‘ik beveel jou aan, beveel je mij ook aan’ systeem. Wat niet de bedoeling is van de reacties. Een objectievere oplossing is om alle nieuwe bloggers, die in de laatste maand begonnen zijn, uit te lichten. Een maand is een redelijke termijn om een lezerspubliek op te bouwen. Dit is inmiddels geïmplementeerd en op de voorpagina is een vijfde keuze toegevoegd aan het menu.

Een andere reeds zichtbare verandering is het slechts zichtbaar zijn van één bijdrage per blogger in de lijst aan de rechterkant. Dit is niet om het aantal blogs per persoon te beperken of mensen te vertellen hoe vaak ze zouden moeten bloggen. Maar puur en alleen om iedereen een kans te geven zich in de kijker te spelen, en niet na korte tijd al, als een ander vanwege enthousiasme of een vergissing een groot aantal bijdragen heeeft gepubliceerd, van de rechterkolom te verdwijnen. En is er eenmaal een bijdrage aangeklikt, dan is het snel doorklikken naar andere stukken. Tevens blijven natuurlijk alle blogs meetellen in de overzichten links op de pagina. Een limiet hier zou onzinnig zijn.

Vervolgens kwam de sfeer op het blog aan de orde. Of deze al dan niet veranderde. Of een verandering toegeschreven kan worden aan de bloggers in het algemeen of aan een kleine subgroep in het bijzonder. En in hoeverre het potentiële bloggers zou afschrikken, dat er geregeld bijdragen en discussies op, of over, het randje plaatsvinden. En wat de redactie daar aan zou moeten doen.

De redactie vindt, volgens de meesten onder ons terecht, dat het blog geen kleuterschool is en dat ze niet iedereen aan het handje mee hoeft te voeren. Dat men volwassen genoeg zou moeten zijn om zichzelf te reguleren. Dat de gebruikersvoorwaarden er alleen zijn om in extreme gevallen, voornamelijk achteraf, actie te ondernemen, en niet om, al dan niet pro-actief, censuur uit te oefenen. En ook dat sommige individuen, vanwege hun maatschappelijke positie of eigen acties op het blog, maar tegen een stootje moeten kunnen. Dat neemt niet weg, dat het een en ander misschien een negatief beeld uitstraalt van het blog als geheel. En dat een aantal bloggers met minder plezier dan voorheen blogt, wat resulteert in blogpauzes, afhaken, en wellicht ook, gezien het feit dat normaal gesproken het gros van de nieuwe bloggers toetreedt na getipt te zijn door bestaande bloggers of lezers, een afname in de nieuwe aanmeldingen.

Een oplossing zou gezocht kunnen worden, niet zozeer in het afstraffen van degenen die deze negatieve indruk veroorzaken, als wel in het bevorderen van de dingen die wel goed gaan. De redactie gaf aan dat een aantal zaken hier ook toe dienen, zoals de Redacte Beveelt Aan (RBA) lijst, de aanbevelingen en reacties van bezoekers, de zoekmechanismen op basis hiervan, voorheen de Blogger van de Week en nu de Forumbijdrage, en ook de Blogger in het Blauw.

Dit leidde tot een gesprek over de doelstellingen van het blog en de relatie met de papieren krant. Het blijkt dat de redactie al met al zeer tevreden is met het blog en de diversiteit hierop, die heeft geleid tot een heterogene groep enthousiaste bloggers die allemaal bij elkaar toch goed passen bij het profiel van de Volkskrant. Toch werd ook duidelijk dat het blog minder journalistieke bijdragen levert dan oorspronkelijk verwacht werd. En dat de redactie niet zo goed weet, naast bovengenoemde methodes, hoe dit verder te bevorderen. Genoemd werd dat de RBA lijst, in tegenstelling tot deze doelstelling, niet alleen journalistieke bloggers bevat. Dat hetzelfde gold, zonder ze tekort te willen doen, voor de ‘Bloggers van de Week’. Dat de bijdragen op het Forum ook niet altijd een passende belichting van het blog vormen. En tenslotte dat kwalitatief goede bijdragen dikwijls minder goed ontvangen worden, in termen van aanbevelingen en reacties, dan de wat sneller, populairder geschreven items. Terwijl er genoeg bloggers zijn die hun schrijverstalent zouden kunnen en willen aanwenden om stukken van journalistieke aard te leveren, zelfs ambities koesteren in die richting, maar hier zich door de huidige opzet niet voor beloond voelen en hun met zorg geschreven artikelen in de vergetelheid zien verdwijnen.

Een idee om verder uit te werken is om te bekijken hoe deze doelstellingen en de beschikbare, of eventuele nieuwe, methodes gecombineerd zouden kunnen worden in de toekomst. Zodat kwalitatief goede bijdragen gestimuleerd zouden worden, zonder dat er een waardeoordeel wordt geveld of er een verbod komt op andere zaken. Dus zonder dat andersoortige bloggers geweerd gaan worden. Voorop staat dat iedereen, binnen de reeds aangegeven grenzen, zijn of haar eigen ding mag (blijven) doen. Dat is iets wat de redactie en ook de aanwezige bloggers als een van de steunpilaren zien van het VK-blog en waar ook niet aan getoornd mag worden.

Helaas hebben nuttige en constructieve vergaderingen een gemeenschappelijk kenmerk. Ze zijn steevast te kort. Er is altijd meer te bespreken. Over dit onderwerp waren we dan ook nog lang niet uitgepraat. En zouden we graag nog verder over blijven meedenken, teneinde het VK-blog verder te laten ontwikkelen en een thuis te laten zijn en blijven voor ons allen.



Verder gepubliceerd over dit onderwerp door de aanwezigen bij de bloggersraad:

Jacob Hesseling – Met foto!
Momeho – Hemels ingrijpen
Geert Jan Bogaerts – Actielijst
Coming Soon – We waren net grote mensen
Iedereen kent wel eens van die momenten. Momenten, waarop je denkt: wat in mijn leven heeft tot deze gebeurtenis geleid? Hoe kwam ik hier terecht? Wat is er fout gegaan?
Gisteravond had ik zo’n moment. Ik was een verjaardag aan het vieren. In Haarlem. Bij een concert van Normaal. Jawel, Normaal, de Achterhoekse boerenrockers. Met Høken als levensinstelling.
Enkele dagen geleden schreef al over bevrijdingspop in dezelfde stad, waarin ik opmerkte dat Haarlem, ogenschijnlijk braaf en beschaafd, van bier houdt. Dit werd vanavond nog eens bewezen. Sterker nog, niemand zal het ooit, nu of in de toekomst, nog kunnen ontkennen. Bier staat centraal. En ‘Normaal is hier’ stond er boven het podium.
Høken staat voor drank, dames en feestvieren. En drank, dat is in dit geval dus, inderdaad, voornamelijk bier. Het is alom vertegenwoordigd. Het publiek drinkt bier. Er zijn bierreclames. En, ik was er al gewaarschuwd: bierwerpen is een prestigieuze sport voor Høkers. Hoe verder hij smijt, hoe mannelijker de Høker. Hoe meer vocht hij door de ruimte weet te werken, hoe meer bewonderd hij wordt. Hoe meer bezoekers hij treft, hoe groter zijn vermeende aantrekkingskracht op de vrouwen. En ja hoor, ik stond nog geen twee minuten in de zaal of het eerste goudgele vocht trof doel. Plets. Gelijk nat, ondoorkambaar haar. Dat begon goed.
De band liet zich uiteraard niet onbetuigd en stond met de fles in de hand haar kunstje te doen. Af en toe spoot het bier wild in het rond, het publiek in. En de microfoonstandaards van alle bandleden waren uitgerust met een speciaal fleshoudertje. De flesjes hierin werden tijdens het concert minstens vijf keer verwisseld.
Halverwege de avond hief de band haar loflied aan, waarin het gebruik van haar favoriete drank gepredikt wordt. Van deze song met de zeer toepasselijke naam, ‘Bier bier bier’, gaat het refrein gaat zo’n beetje als volgt:
Ik heb geen zin in een fles water Ja mie lust allen maar bier Moet geen limonade chocomel of cola Ja mie lust alleen maar bier Bier bier bier bier Jalalalala Bier bier bier bier Jalalala *Tekst: Normaal
Nou dat kon de zaal nog net behapstukken. De niet al te diepzinnige maar wel erg doeltreffende tekst werd dan ook uit volle borst meegezongen. Onnodig te vermelden dat de biersmijtfrequentie nog eens werd opgevoerd. En ook de polonaise werd niet geschuwd.
Ik houd helemaal niet van bier. Drink het niet en vind het stinken. En al helemaal houd ik er niet van als er met bier gegooid wordt. Naar mij. Het mag dan nog zo goed voor je haar zijn, een bierdouche vermijd ik liever. Ik keek dan ook verstoord op of om als de nattigheid mij troef. Om de dader te achterhalen. Maar veel zin had het niet. Iederéén was namelijk dader. Of werd het wel na eerst slachtoffer geweest te zijn. Geen beginnen aan dus. Ik ben nog even naar de eerste etage gegaan, om het geweld van bovenaf gade te slaan. En wellicht enkele biersmijters terug te pakken. En zag vanaf de balustrade dus echt fonteinen omhoog komen. Maar ja, ze leken het wel naar de zin te hebben, daar beneden. En boven was er niets aan.
Op zo’n moment zijn er twee keuzes. Je kan strak in je rol blijven zitten, er van overtuigd zijn dat dit niks voor jou is, dat je het niet leuk vind en ook nooit leuk zal vinden. En dus de hele avond chagrijnig in een hoekje onder een plastic zeiltje gaan zitten. Of je kan je overgeven. Ik ben geneigd om voor de eerste optie te gaan. Dit is ook mijn beproefde methode om karaoke-avonden door te komen. Maar mijn gezelschap ging al over naar keuze twee. En er was een jarige tussen ons. Dus toen heb ik maar besloten om voorzichtig mee te doen. In het kader van ‘if you can’t beat them, join them’. Maar ik dronk wel Spa Rood.
Vervolgens blèrde ik als aspirant motormuis lekker mee op ‘Oerendhard’. En vond ik mezelf, temidden van zo’n driehonderd Høkers, op de grond gehurkt bij het stemmige deel uit het lied, uit respect voor de snelrijders die nooit meer hard zouden gaan.
Aan het eind van de avond was de vloer van het Patronaat een grote plakkerige polder. En de bezoekers waren er niet veel beter aan toe. Er zat bier in het haar, bier in de nek, bier aan het shirt, bier aan de schoenen. Bier op de lens van de camera. Overal bier. En het rook waarschijnlijk navenant. Maar dit viel niet meer te onderscheiden. Alles was immers hetzelfde. Maar het schijnt dat het in het keurige Haarlem nog wel meeviel: er is mij verteld dat er in de Achterhoek geregeld karren mest en hooi de schuur worden binnengereden, zodat het publiek er fijn in rond kan stampen. Of rollen, wie zal het zeggen.
Na afloop werd menig bezoeker gesignaleerd in de buurt van de merchandise-stand. De band deed goede zaken. Nummerborden, CD’s, en kleding. Vooral het T-shirt ‘Bennie Che’ was een grote hit. ‘Høkers Aller Landen Verenigt U’.
[L]
*Foto: anhangerschap.nl











En na afloop? Hup de auto in, oerendhard naar Amsterdam, stinkend en wel de kroeg in, alwaar het in de Jordaan nog erg laat werd… En de kreten “Høken!” “Bier! Bier! Bier! Bier! Jalalalala” nog her en der weerklonken…
Het was een memorabele avond.
[L]
[L]
[L]
[L]
[L]
[L]

Bevrijdingspop Haarlem - 5 mei 2007

donderdag 10 mei 2007 23:54
Het lijkt al weer een tijdje gelden. In de tussenliggende dagen is er weer veel gebeurd. Zoals bijna elke week tegenwoordig. Was het echt pas afgelopen zaterdag? Ja, ik geloof het toch wel.

Het oudste bevrijdingsfestival van het land bestaat al sinds 1980. Voor mij was het mijn eerste bezoek sinds een jaar of vijf. Bevrijdingsdag was, ik schaam me bijna om het te zeggen, niet een reden om naar Nederland terug te komen. Koninginnedag ook niet, trouwens.

Bij de hoofdingang stond een muur van mensen. En als ik zeg muur, dan bedoel ik ook muur: een grote kluwen van zo’n twintig meter breed en honderd meter lang. Te wachten. Onbeweeglijk. Zonder enige vooruitgang. Dit hadden we al snel gezien: omlopen dan maar. Er zou vast nog wel een andere manier zijn om binnen te komen. Het vermoeden begon echter wel te dagen, dat er misschien het een en ander veranderd was. Van een gemoedelijk festival waar je zo naar binnen loopt, tot een strak georganiseerd evenement met security, fouilleren en tascontrole.

Tijdens de looptocht werd dit vermoeden nog versterkt. Aanplakbiljetten vertelden dat drugs niet getolereerd werden. Alle drugs. Ook een blowtje mocht niet meer. Ik kan me de tijd nog herinneren dat gelegenheidsverkopers met grote kartonnen borden voor hun buik over het terrein rondsjouwden. Een joint voor vijf gulden. Vijf voor twintig, of zoiets. Die tijd is blijkbaar voorbij. Misschien ook een teken van de veranderende sfeer in Nederland. Er mag inmiddels steeds minder en er moet steeds meer. Maar ik ben de eerste persoon, die onder invloed van hasj of wiet herrie schopt op een popfestival, nog niet tegengekomen. Men wordt er over het algemeen lekker sloom en rustig van. Dit in tegenstelling tot van het gebruik van alcohol, dat overal het algemeen in grote stromen gebeurt.

Kilometers, letterlijk kilometers hekwerk passeerden wij waaraan geen einde leek te komen. Hekwerk, overigens, zonder enige controle. Waaronder je makkelijk hele sporttassen door kon proppen of literflessen wodka, drie kilo stuff, of serieuzere substanties, aan je handlanger door kon geven. Wat het hele idee van een uur in de rij staan voor de controle lichtelijk belachelijk maakte. Maar al dat hek en de regels wierpen toch wel een wat kwalijke schaduw over deze bevrijdingsdag. Wat vierden we nu eigenlijk? Vrijheid? Op deze manier? Door ons in een bewaakt kamp op te laten sluiten? Tja.

Uiteindelijk kwamen we aan de andere kant. Hier was in geen velden of wegen een rij te bekennen. Konden we zo doorlopen. En onze dagelijkse wandeling zat er ook weer op.

Binnen was het druk, maar wel gezellig. En stoffig. Heel erg stoffig. De inmiddels veelbesproken regen zou nog even op zich laten wachten. Binnen een paar minuten zat er stof in ons haar, aan onze handen, in onze ogen. Maar ach, een stofpannenkoek smaakt ook prima met een flinke scheut suikerstroop eroverheen. En voor het culinaire genieten kwamen we toch niet. De meest bezoekers lieten zich er ook niet veel aan gelegen liggen. Elk stukje zon was bezet. Overal zaten, lagen en hingen mensen op de grond.

En ze dronken bier. Veel bier. Haarlem houdt, wellicht bij gebrek aan iets anders, van bier. Zelfs zo veel, dat de hoofdbar op het festivalterrein, voor het hoofdpodium, niets anders schonk. Wijn? Frisdrank? Water? Dat was er niet. Ja, bij de tentjes aan de zijkant wel, maar dat betekende weer een flink eind door het stof kruipen. Gelukkig schonken die dan wel enorme glazen rosé voor een muntje van twee euro. Dat maakte veel goed.

Er traden natuurlijk ook bandjes op. Hoge verwachtingen hadden wij van the Black Lips, aangekondigd als ‘psychedelic garage rock underground’. Een beschrijving waarvan ons hart sneller ging kloppen. Maar het viel tegen. De garage rockers bleken een stel vluchtig rondspringende tieners, die het goed, te goed naar hun zin hadden. Al de vrolijkheid was wat te veel van het goede. Wellicht weer zo’n toekomstige hype die ik niet helemaal begrijp. Maar misschien word ik gewoon oud.

Hierna terug geslenterd naar het hoofdpodium. Na een paar minuten wachten worden we opgeschrikt door een schelle stem. “Gooooooooooooood afternoon Haaaaaaaaaaaaaarlem!” krijst iemand vol overtuiging in de microfoon. Het trekt de aandacht. We kijken op. Op het podium staat een roodharig opgewonden standje met lokken tot op de billen. Tot op zijn billen, wel te verstaan, want het is een jongen. Met Robert Plant aspiraties. En hij komt er mee weg ook. Het volgende uur hebben we het prima naar ons zin. The Answer maakt haar naam waar. Rockt, rolt, krioelt, headbangt erop los. Zingt en krijst dat het een lieve lust is. Het publiek doet mee. Wij ook.

En de beveiliging let even niet op. Als een duveltje uit een doosje werpt een toeschouwer zich over het middenhek heen, sprint, en gooit zich aan de andere kant weer terug het publiek in. In een fractie van, ja ik zou bijna zeggen, een seconde. De bewaker kijkt beduusd, fronst, begint zich op te winden, maar ziet dan de lachende gezichten om zich heen. En besluit zich dan maar gewonnen te geven. Wat kan het ook voor kwaad. Het is tenslotte bevrijdingsdag.

[L]
[L]
[L]
[L]
[L]
[L]
[L]
[L]
[L]

Ommekeerrrrrrr...

maandag 30 april 2007 22:47
Om acht uur ’s ochtends ving het vervolgavontuur aan. Erg vroeg voor mij. Zelfs voor mijn werk vermijd ik op dat tijdstip te beginnen. Maar ja, ik moet er wat voor over hebben natuurlijk. Het is maandagochtend. De nacht tevoren, wegens de welbekende weekendjetlag, slecht geslapen. Nog wat wazig verschijn ik dan ook op de inmiddels vertrouwde plek. Mij beter bekend als de folterplaats. Even nog spreek ik mezelf moed in. Mijn mantra is niet ver weg.

Met licht trillende handen start ik de motor. En begin maar weer eens met bochten maken, linksom, rechtsom. Het wil nog niet echt vlotten. Krijg een tip: armen rechthouden. Armen rechthouden? Maar hoe moet je dan draaien? Met je lichaam. Aha. Juist. Ik ben er niet zeker van. Maar ik probeer het. Duw de motor weg, houd mijn armen zo stijf mogelijk, bovenlichaam recht, en de machine valt naar binnen. Ik dwing mezelf mijn voeten op de steunen te houden en niet bij te steppen om het evenwicht te bewaren. Als ik het omval, merk ik het wel. Maar ik val niet om. Geef lichtjes gas bij als ik in de gevarenzone dreig te komen. En draai zowaar netjes een bocht. En nog een. Helaas lukken ze nog niet allemaal. Maar er is vooruitgang.

De instructeur weet niet wat hem over komt. ‘Ben je met het goede been uit bed gestapt, vanmorgen?’ Roept hij me toe. Ik lach.

Vervolgens een achtje. Waar ik tot in den treure op geoefend heb. Totdat mijn armen slap aanvoelden en mijn rug niet meer wilde. Totdat ze mijn neus uitkwamen. Wat ben ik het zat, die achtjes. Ik ben vastbesloten dit nu goed te doen. Ik wil er vanaf. Concentreer me. Haal de net geleerde bochten techniek erbij. En na even oefenen lukt het me aardig. Nog niet perfect, maar ik blijf binnen het parcours. Nog een aantal keer later zwier ik van de ene naar de andere kant alsof ik nooit iets anders doe. Vind het al bijna leuk.

En dan. Mijn moment van triomf. De medecursisten, voorheen bezig met rem- en uitwijkoefeningen op hogere snelheid, worden nu ook tussen de pylonnen doorgestuurd. En zowaar, de leraar vraagt of ze even aan de kant kunnen gaan staan. Eerst kijk ik verbaasd om, word ik nu ook al een circusattractie? Bijgezet in het rariteitenkabinet? Maar nee. Ze moeten kijken hoe ik het voordoe. Zodat ze van me kunnen leren. Als dit duidelijk wordt, val ik alsnog zowat van mijn motor. Ha! Haha! Er is dus toch gerechtigheid.

Nu de instructeur er eindelijk genoeg vertrouwen in heeft, dat ik niet alle geparkeerde auto’s of langskomende bezoekers het ziekenhuis in zal stuiteren, mag ik ook aan de snellere onderdelen beginnen. Ja, en dan openbaart zich pas het echte motorrijden. Dan wordt het pas interessant, en is zo’n machine een stuk minder zwaar. Ik zwier rond, mijn voeten raken af en toe het asfalt, en heb het best een beetje naar m’n zin.

Met alweer flink wat praatjes verlaat ik de les. Babbel wat over motoren hier en examens daar. Maar naarmate de volgende afspraak dichterbij komt, verdwijnt mijn overmoed. Het was vast een toevalstreffer. De sterren stonden natuurlijk uitzonderlijk goed, op een voor mij gunstige positie die eens in de honderd jaar voor komt. Misschien had de bakker wat opwekkende drugs door het meel gemengd. Enzovoorts. Maar een tweede keer zou het me vast niet meer lukken.

Ondanks de schuchtere successen stond ik vrijdag dan ook weer met knikkende knieën klaar. Zoals elke keer bestaat de eerste activiteit uit de halve draai. Ik denk terug aan de tip van de vorige keer. Zit overdreven stijf op de motor. Kan toch de neiging niet bedwingen om, als ik de machine voel buigen, mijn voet op de grond te zetten. Jammer. Maar ik ga door. En dan, lukt het me. En nog een keer. En nog een keer. Ik blijk het nog niet verleerd. En het blijkt de gouden tip. Fluitje van een cent nu, zo’n halve draai. Niet alleen meer een toevalstreffer, voor het eerst heb ik het gevoel dat ik het voertuig onder controle heb. Dat het me misschien een volgende keer ook wel zal lukken.

En wederom moet een medeleerling mijn voorbeeld volgen. Ik zie hem knarsetanden, vond zichzelf al zo stoer natuurlijk, al vier lessen aan het crossen terwijl ik, dat klunzige meisje, die vreselijke manoeuvres moest doen. Maar nu blijkt dat het toch echt wel wat oefening vereist, moet hij er ook aan geloven. Pas als hij achter mij aan rijdt, de bocht in, lukt het hem ook om de oefening uit te voeren volgens het boekje. Ik gniffel onder mijn helm. Maar goed dat deze mijn hele gezicht bedekt. Het is vast niet erg vrouwelijk, om je hierover zo te verkneukelen. Maar ach, u vergeeft het me wel. Bijna had ik de handdoek in de ring gegooid. Bijna dacht ik dat het me echt niet zou lukken, dat ik gewoon geen talent had. Maar nu blijkt dat de medeleerlingen het ook niet kunnen. En ik, na de nodige bloed, zweet en tranen, wel. Vergeten zijn de spierpijn, de vernederingen, de stress.

Ik zou me nog druk kunnen maken over het feit, dat ik waarschijnlijk slechts vanwege mijn vrouw-zijn zo lang de lage snelheidsoefeningetjes moest doen, terwijl de ‘mannen’ al eerder over mochten op snellere exercities, zonder de langzamere echt onder de knie te hebben, maar ik doe het niet. Deze keer niet. Het moment is te goed.

[L]



Wordt vervolgd…



Wat eraan vooraf ging:
Kaboemmmmmmm... (22 april 2007)
Vroemmmmmmm... (11 april 2007)

Zomaar, ergens, in de stad

donderdag 26 april 2007 23:13
Een van de vreemdste concertavonden ooit. Zo niet de vreemdste.

Het begon al bij aankomst. Plaats van handeling was het zogeheten North Sea Venue op de Hemkade in Zaandam. Een beruchte plek op een verlaten industrieterrein. Normaal worden hier alleen houseparty’s gegeven. Maar nu probeerde men iets anders. Iets alternatievers. Een avond, nee een weekend lang een aaneenschakeling van rockbandjes. Dat was dan ook de reden voor mijn aanwezigheid.

Zaterdag was de eerste dag van het festival, dat om één uur ’s middags al was begonnen. Het was erg rustig in de omgeving van de zaal toen we tegen zevenen aankwamen. Ik dacht nog dat de grote meute al lang en breed binnen zat. We reden recht op de ingang af, zagen alleen een parking met ‘artists’. Misschien de publieksparkeerplaatsen over het hoofd gezien. Maar de man bij het hek deed niet moeilijk: het was toch nog rustig. Dus konden we onze auto tussen de muzikantenbusjes achterlaten. Objectief gezien geen goed teken.

Bij de ingang haalden we het reserveringspapier te voorschijn. Dat bleek niet nodig. We waren de enigen die de moeite hadden genomen om te reserveren. Sterker, ik was ook de enige die haar jas in de garderobe afgaf. En al gauw bleken we op dat moment ook de enige betalende bezoekers te zijn. In de hele club. Die flink van omvang is. Op zo’n houseparty komen namelijk hele hordes mensen af.

Op het festival niet. Wel veel medewerkers, wat vrijwilligers, een handjevol artiesten. Een paar gasten. En wij. Een bandje speelde. Voor het podium stonden vijf mensen.

De gedachte kwam op om weg te gaan, ergens een pizza te eten, en later op de avond, als The Zombies zouden gaan spelen, terug te komen. Maar bedachten al gauw dat, als we dan de enigen waren, we zo’n groot gewicht in de schaal zouden leggen dat we geen optreden konden missen. En maar extra hard moesten klappen en juichen.

Dat deden we dan ook. En het moet gezegd, met plezier. Want de bands keken dan wel enigszins beteuterd als ze het podium beklommen en drie koeien en een paardekop voor zich zagen, ze maakten er het beste van. Er stond echt voldoende kwaliteit, daar lag het niet aan.

Zo kwamen we nog twee optredens door. Toen was het tijd voor de eerste publiekstrekker van de avond, Dr. Feelgood. En hier druppelden dan eindelijk wat mensen binnen. Echte fans. Die vertelden dat voorgaande optredens steevast uitverkocht waren. En dat het onbegrijpelijk was dat het hier zo rustig bleef. De groep zelf ging voortvarend van start. De gitarist gaf een werkelijk fantastische solo weg, alleen op het podium, en des te ontroerender omdat er haast niemand was om van te genieten. De zanger had een grote zonnebril op zijn neus en deed zijn ding. En halverwege het optreden stonden we zowaar, samen met nog een stuk of twintig, dertig diehards, te dansen. Kwam het dan toch nog goed?

Hierna een pauze. Ik was nog bang dat de Dr. Feelgood fans nu en masse het pand zouden verlaten, en ons samen met een eens toch echt wel grote wereldact achter zouden laten, maar gelukkig bleven de meesten.

We liepen wat rond. Hingen wat op een barkruk. Hingen wat op een andere barkruk. Keus genoeg, immers. Aten een broodje. Dronken een wijntje. En zien een in het zwart geklede man op het podium verschijnen, wilde grijze krullen om zijn hoofd. Dezelfde die kort tevoren nog tussen ons, gewone stervelingen, doorschoot. Hij gaat achter de keyboards zitten. ‘Zou dat...? Is dat...?’ De man stemt zijn instrumenten. En nog eens. Hij is niet gauw tevreden. Trekt er al snel een half uur voor uit. Je bent tenslotte een professional, een handjevol publiek of niet, het moet goed klinken. Hij verdwijnt weer.

Om even later terug te keren. Dus toch, Rod Argent. En Colin Blunstone is er ook. Nou ja, hij lijkt zich wat aan het geheel te onttrekken, bevind zich het merendeel van de tijd met een beate glimlach wat achteraan op het podium. Als hij zingt, en vooraan staat, schijnt er steevast een geelgroenig licht op zijn gezicht. Verder wordt de groep aangevuld met nieuwe leden. De bassist van drie turven hoog kwam ik vorig jaar al tegen bij een optreden van Eric Burdon van The Animals. U merkt al, ik kom niet alleen bij jonge bandjes.

The Zombies. Ontstaan in 1961. Hebben al van alles gezien en meegemaakt. Laten zich niet ontmoedigen door een paar man publiek, ergens in een discotheek op een industrieterrein in Zaandam. Toerden dit jaar al door de US en Canada. Speelden de avond ervoor nog in Leeuwarden. En een groot aantal locaties in Engeland volgen de komende weken. Scoorden wereldhits als ‘Time of the Season’ en ‘She’s not there’. Dus hopelijk hebben ze karakter genoeg om nu niet meteen hun instrumenten aan de wilgen te hangen. Maar enigszins beschaamd voelde ik me wel.

Het publiek dat er was, deed zijn best. En de band ook. Blunstone’s zang groeide met het optreden en hij liet zien dat de stembanden nog prima functioneren. Maar magisch, nee dat werd het niet. Een uitgelaten sfeer ontbrak. Het wat opgelaten gevoel hielp ook niet. Bijzonder, dat was het wel. Het concert duurde wat korter dan aangekondigd. Een toegift, alhoewel een enkele durfal er nog wel om riep, kwam er niet. Ik kan het ze niet kwalijk nemen.

Na afloop liepen we nog even naar de merchandising, waarmee ook niet veel verdiend kan zijn. Zagen een poster. Zes euro, toch wat prijzig. Aarzelden. Maar al snel werden we over de streep getrokken: hij zou gesigneerd worden. Door de hele band. Met naam en al. Ja, toen konden we geen nee meer zeggen. En even later hadden we het stuk papier met opschrift weer terug. ‘To Alexandra &… With love, Colun Blunstone.’ Toch leuk.

Waar het nou mis ging? Ja, natuurlijk, het was mooi weer. En het weekend voor Koninginnedag. De locatie wordt ook niet snel in verband gebracht met popconcerten. Verder was er ook nog een goed bezochte blogborrel. Maar ik denk dat het grootste manco het gebrek aan public relations was. Niemand die er van wist. Ik werd meegenomen door een Zombies-fan, die al surfend het evenement was tegengekomen. Maar nergens was er verder over gesproken. Niets over te lezen. En pr, hoe graag ik ook zou willen dat het niet zo was, heb je toch nodig om zalen te vullen. Zeker een moeilijke zaal als deze

Maar de mensen van de organisatie die ik sprak, lieten zich niet uit het veld slaan. Gaan gewoon door, ondanks de forse verliezen. En de desillusie die duidelijk op de gezichten te lezen was. En zo hoort het ook. Misschien de volgende keer alleen een expert inschakelen om het gebeuren aan de man te brengen. Ik wil best een handje helpen…


Een impressie:

De Bar
[L]

Het Publiek
[L]

The Straights
[L]

Kaylou
[L]

Dr. Feelgood
[L]
[L]
[L]
[L]

The Zombies
[L]
[L]
[L]
[L]
[L]

Kaboemmmmmmm...

zondag 22 april 2007 22:54
‘Volhouden, volhouden, volhouden. Opgeven is geen optie. Nederlaag komt niet in het woordenboek voor. Kunnen is willen. Ik wil het, ik kan het, ik moet het, ik zal het.’ Dit voorgaande als een mantra elke ochtend voor de spiegel herhalen. Twintig keer. Op vol volume. Rocky is er niets bij.

Aldus opgepept verschijn ik aan de start voor de tweede les. Het iets meer vertrouwde ritueel van de twee mannelijke medecursisten begroeten, een pak zoeken, maat XS vinden, het aantrekken over mijn kleren, en erachter komen dat het woord michelinvrouwtje wederom te kort schiet voor het resultaat. Zo elegant mogelijk wijdbeens richting motor schrijden. Deze starten. Geen effect. Nogmaals. Niets. Met rode wangen het oog op het contactsleuteltje laten vallen. Dit omdraaien. Dit levert het beoogde resultaat.

Inmiddels oververhit rijd ik weg. Het net zo moeizaam bijeengeraapte zelfvertrouwen is weer als de spreekwoordelijke sneeuw voor de zon verdwenen.

De eerste oefening. Een bocht binnen de pylonen. Alles weer vergeten. Dat merkt de instructeur ook, want gedurende een half uur moet ik deze draai herhalen. Tot vervelens toe. Uiteindelijk lukt het me. En dan mag ik het achtje doen. Dit een kleine driehonderd keer. Mijn handen doen pijn van het knijpen. Want knijpen, dat moeten ze. In de remmen. In de koppeling.

En de mannen? Ha. Die zoeven al met vijftig kilometer per uur op denkbeeldige strepen af. Remmen. Doen uitwijkoefeningen. En ik? Ik draai achtjes. Totdat ik ze in mijn verbeelding echt perfect maak. Maar ik blijf achtjes draaien. ‘Hallo! Hallo! Ik ben hier! Ik kan het! Ik wil iets anders doen!’ schreeuw ik inwendig. Niks ervan. En natuurlijk, net als de instructeur kijkt, als ik me bewust ben van de noodzaak een goede indruk te maken, trek ik in paniek het gas open en stuiter ik het parcours af. Dat schiet niet erg op.

Het laatste kwartier, wonder boven wonder, even een adempauze van het krampachtig stapvoets rijden. Eindelijk, eindelijk mag ik ook de eerste versnelling verlaten en opschakelen. Ineens houdt het horten en stoten op. Kan ik de motor een beetje laten draaien. Dat voelt een stuk beter. Snelheid, daar weet ik wel raad mee.

Helaas duurt het niet lang. De les is afgelopen.

Met mijn mantra op de achtergrond loop ik het kantoor binnen. Mijn derde afspraak staat gepland voor een week later, maar dat duurt me te lang. Snel boek ik een extra les, voor de volgende ochtend. ‘Ha, jullie krijgen mij er niet zo gauw onder! Doorzettingsvermogen, dat bezit ik wel. Als ik dan geen talent heb, red ik wel het op karakter! Kom maar op, met dat ding!’

De ochtend erna vroeg op pad. Grotendeels hetzelfde patroon. Alleen moet ik nu, zonder gas, slalommen, alleen met de koppeling. Ja. U moet zich voorstellen: de machine weegt bijna tweehonderd kilo. Ik nog geen derde. Dat betekent: weinig tegengewicht. Dat betekent: problemen. Nu was ik, geholpen door verhalen van welwillende belangstellenden, altijd al bang om te vallen. Want iedereen vertelde me dat ik dat ding nooit meer overeind zou kunnen krijgen. En ja, wie wil er nu hulpeloos aan een brok metaal staan sjorren als iedereen om haar heen vrolijk rondjes tuft? Ik niet.

Toch is dat precies wat er gebeurde. Ik, braaf slalommend, hield het ding niet, of dacht dat ik ‘m niet hield, wat in feite op het zelfde neerkomt. En kwam er achter dat ook een motor leeft. Dat ook een motor een eigen wil heeft. Die niet de mijne is. Kaboem! Daar lag-ie. Ik stond ernaast, blijkbaar was ik er intussen vanaf gestapt. Toch nog genoeg verstand om er zelf niet onder te gaan liggen. Dat moet ik mezelf dan weer nageven.

Maar goed, de instructeur was er als de kippen bij. Ik weet dus nog steeds niet of ik sterk genoeg ben om de motor zelfstandig weer overeind te zetten. Maar iets vertelt me dat ik waarschijnlijk nog wel gelegenheden te over zal krijgen om dat eens op mijn gemak uit te vinden. Ik heb geen haast. Op de een of andere manier kwam ik de resterende lestijd door, maar veel herinner ik me er niet meer van.

Mijn gevoel zei na afloop, doorlessen tot ik er bij neerval. Ik wil, ik kan, ik moet, en ik zal. Maar verstandig was het niet. Mijn handen en armen deden pijn. Ook trokken er een aantal spieren gevaarlijk in mijn rug. En bovendien moest ik naar Londen. Dus daarom maar geduldig gewacht tot de volgende les.

Ondertussen, ter bevordering van de motivatie, nog wel een motorshow bezocht. Met grote glimmende machines, opgepoetst door trotse handen. Echte bikers. Echte bikes. Veel leer. Veel lichaamsversieringen. En veel kale koppen. Ik was onder de indruk. Maar heb me nog maar niet opgegeven voor de plaatselijke club. Daar wacht ik nog even mee. En die tatoeages, dat weet ik ook zo net nog niet.

[L]

Op een gegeven moment kwamen er een soort van enorme driewielers aan, hels grommende machines. Trikes, schijnen ze te heten. Besnorde, serieus kijkende mannen voorop, de handen hoog aan het stuur. Achterhen, een zitje. Meer een bankje, eigenlijk. Hierop de vrouw. Rustig om zich heen kijkend. Handtasje op de schoot. Achter haar man. Ik keek bedenkelijk. Misschien toch nog wat meer mijn best doen, in de les...

En mijn mantra weer tot leven roepen. Ik heb het nodig. Wat heb ik het nodig. Het valt me niets mee. En dat zegt wat, dat ik dat toegeef. Morgenochtend weer.



Wordt (wellicht) vervolgd...


Wat er aan vooraf ging:
Vroemmmmmmm... (11 april 2007)

Roomservice VII – A Different View

woensdag 18 april 2007 23:23
In de voorgaande afleveringen kwamen Londen Docklands in het algemeen, en Canary Wharf in het bijzonder, er maar bekaaid af. Troosteloze hotelkamers. Brullende airco’s. Adult-only entertainment programma’s. Of, misschien nog erger, helemaal geen entertainment programma’s. Roomservice. Het ontbreken van roomservice. Droge biscuitjes. Uitzicht op een betonnen parkeerbunker. Zonder ook maar een auto erin. Een bunker zonder nut, dus. Langbenige dames voor de mannen, verschrompelde sardientjes voor de vrouwen. Vertragingen. Uitlaatgassen. Slechtgeklede vrouwen haastig rondklakkend op straat. Bezwete haantjes elkaar aftroevend in de gyms. Al met al, niet bepaald een opwekkend beeld.

Vanmorgen werd ik uitgeslapen wakker. Of het nu kwam door mijn upgrade naar een executive room, compleet met gratis drankjes en hapjes, of door iets anders, dat weet ik niet. Hoe dan ook, ik had er zin in, in deze dag. En bedacht me dat er vast nog een ander gezicht moet zijn. Een stukje Canary Wharf dat onderbelicht is gebleven. Waar je misschien wat meer moeite voor moet doen. Maar dat je wel kan vinden.

Dus vandaag had ik een missie. Met mijn gloednieuwe camera op pad. Want deze moest toch nog ingeklikt worden. Samen op zoek naar het positieve. Hand in hand uitkijkend naar klein geluk. En zo met een nieuwe kijk de wereld aanschouwen.

En wat kwam ik tegen? Veel van hetzelfde, mijn mening bevestigend. Ook wat winkels, waardoor ik bijna ontspoorde. Bijna het doel uit zicht verloor. Gelukkig waren de bikini’s niet in mijn stijl. En verder? Roeibootjes op zacht spiegelend water. Fietsers. Motorrijders. Keuvelende agentes. Mensen staand, zittend, lezend, liggend, pratend, ruziemakend, in de zon. Vogels die nog wat dichterbij probeerden te komen. De zon gevangen tussen de gebouwen. De gebouwen reikend naar de zon. En uiteindelijk, haar ondergang. De overwinning van de stad. Voor vandaag.

Of het nu wat is, dat Canary Wharf? Oordeelt u zelf maar….

[L]
[L]
[L]
[L]
[L]
[L]
[L]
[L]
[L]
[L]
[L]
[L]
[L]
[L]
[L]
[L]
[L]

























Of ik nu bekeerd ben? Welnee. Bekeringen, daar heb ik het niet zo op...



In deze serie verschenen ook:

Roomservice VI - Work Out (4 april 2007)
Roomservice V - Quiet Please! (3 april 2007)
Roomservice IV - Chai Latte (23 februari 2007)
Roomservice III - Indefinite Delay (20 februari 2007)
Roomservice II - Mojita's (31 januari 2007)
Roomservice I - Entertain Me (30 januari 2007)
Profielfoto Alexandra

Alexandra

Woonplaats: Amsterdam
Recensies - Sfeerverslagen - Observaties - Commentaar - Opmerkingen - Verhalen - Gedichten - Foto's
Vrouw
  • Niet verplicht
  • Je boodschap moet minstens 5 en hoogstens 1500 tekens bevatten
  •  

Groepen

Favorieten van Alexandra

Over dit blog

Op dit blog zijn recensies, sfeerverslagen, columns en gedichten te vinden, aangevuld met commentaar en foto's. Wat alles aan elkaar bindt, is dat elke posting stof tot nadenken zal vormen! Commentaar is altijd welkom!

Plaatje

foto

Opiniegedicht - een nieuwe dichtvorm

Het 'opiniegedicht' is een nieuwe dichtvorm, waarin commentaar geleverd wordt op de actualiteit en recente ontwikkelingen in de wereld. Met her en der een kwinkslag en een verrassende wending, volgt het geen strak schema. Wel dient het een prettig lezende bijdrage te zijn en niet te lang. Rijm en ritme spelen een belangrijke rol, spelfouten zijn uit den boze en het gedicht hoort doordrenkt te zijn met taalgevoel. Verder is de boodschap belangrijker dan de literaire kwaliteit! Voor voorbeelden, zie dit blog! Opiniegedichten Astronauten (7 februari 2007) Joker (28 januari 2007) IJsdansen (27 januari 2007) De Gezonde Stad (27 januari 2007) Over het opiniegedicht (29 januari 2007)

De ezeltjes

foto

Inspiratie

foto foto foto foto foto foto foto foto foto foto foto foto foto foto foto foto foto foto

Voorbehoud

Eigendomsrecht Van alle publicaties op dit weblog berust het eigendomsrecht bij de auteur (Alexandra van der Stap, bekend als Alexandra), tenzij uitdrukkelijk anderszins vermeld. De inhoud van dit weblog mag niet (geheel of gedeeltelijk) zonder toestemming van de auteur door kopie, druk of andere middelen worden gereproduceerd en verspreid. Citaten en verwijzingen zijn toegestaan met volledige bronvermelding. Bij twijfel: stuur een mailtje via de link in het infoblok rechtsboven! De auteur behoudt zich ook het recht voor om, in extreme gevallen, reacties te wijzigen of te verwijderen zonder opgaaf van reden. © Alexandra van der Stap 2007

Counter

Webstats4U - Free web site statistics Personal homepage website counter

Zoektocht

Wat willen zij? Wat zoeken wij? Wat vind ik? (Post)

Laatste reacties

persona

Tijdreiziger in de Herkansing
annika: ik heb het boek net gelezen in Australië, en zag …

persona

Bevrijdingspop Haarlem - 5 mei 2007
G.H. Duval: Toch blijft het een mooie fotoserie.

persona

Bevrijdingspop Haarlem - 5 mei 2007
Lester: Ja het word steeds erger hier in haarlem. Ik had …

persona

's Werelds beste plek
Monique: De onrust die je voelt als je weggeweest bent, komt …

persona

Summer Darkness Festival – Utrecht – 9-12 augustus 2007
Paradox: Ik vind het jammer dat dit artikel Neo-folk en aanverwante …

Archief / RSS

Bekijk het hele archief van Alexandra , of klik op een van de jaren hieronder om een deel van het archief te ontsluiten.

2008
2007

Zoek in het archief



Zoeken

Abonnementen

Alle blogs rss google netvibes
Deze gebruiker rss google netvibes

Statistieken

TelMiep
  •