mode
milou van rossum over ontwikkelingen op de catwalk & meer
VKBlog Headerimage

Lanvin voor H&M

donderdag 2 september 2010 11:29

Vandaag maakte H&M bekend dat Lanvin dit jaar de feestcollectie voor vrouwen en mannen zal ontwerpen. Eind november ligt de collectie in 200 winkels. Hier het stuk dat afgelopen maart in het magazine stond over het chique Franse modehuis.
Lanvin, najaar 2010. Fotografie: Peter Stigter

 

 

 

Voor een zwarte broek of een effen kasjmier truitje moet je niet in de dameswinkel van Lanvin aan de Rue du Faubourg-Saint Honoré in Parijs zijn. Elke jurk, top, tas, pump, portemonnee, rok die in de bijna huiskamergezellige boetiek te koop is, is een uniek, bewerkt stuk. Bijzonder van kleur, geplooid, en versierd met strikken, kralen, een grote bloem van stof, een asymmetrisch geplaatste volant, een metalen kettinkje, een tekening van ontwerper Alber Elbaz (48).

 

Romantisch en vrouwelijk zijn de kleren van Lanvin, maar nooit té; details als onafgewerkte naden en aan de buitenkant geplaatste ritsen geven net wat rauwheid. Maar vóór alles zijn ze Lanvin; niet zozeer terug te voeren naar een trend of een seizoen (al staat wel altijd in het label vermeld uit welke collectie een schoen of kledingstuk komt), als wel op het handschrift van Elbaz.

 

Het is een stijl waaraan behoefte blijkt; weinig modemerken weten vrouwen op het moment zo hebberig te maken als Lanvin. Zelfs vorig voorjaar, tijdens de donkerste dagen van de crisis, toen mode even enorm uit de mode was en je in de meeste designerwinkels in de chique winkelstraten van Parijs een kanon kon afschieten, was het bij Lanvin behoorlijk druk. En dat terwijl de kleren en schoenen zelfs in vergelijking met die van veel andere chique modehuizen duur zijn. De prijs voor een jurk begint bij 1.500 euro en kan oplopen tot het drievoudige. 800 euro voor een paar schoenen is niet uitzonderlijk.

‘Maar zodra vrouwen het aantrekken, zijn ze verkocht’, zegt Debbie Ubachs van Azzurro Due in Amsterdam, een van de winkels in Nederland die de vrouwenkleren van Lanvin verkopen. ‘Het geeft zo’n gevoel van luxe. Lanvin verkoopt zichzelf.’

 

Die luxe zit ’m niet alleen in de decoratie: de kleren zijn voelbaar met zorg gemaakt, de draperieën en plooien vallen precies zoals ze moeten vallen. Aan een strapless jurk die goed blijft zitten zonder dat er baleinen in zitten, gingen bijvoorbeeld zeven mislukte pogingen vooraf. Een gele jurk van Lanvin is niet een variatie op een zwarte jurk; het is een andere jurk, omdat ‘de proporties anders moeten zijn’. Een keer liet Elbaz zijn team twee dagen voor de show met de hand alle tassen veranderen, omdat ze niet naar zijn zin waren.

 

De jurken van Lanvin zijn het soort jurken waarvan je zegt: daarin wil ik wel trouwen. Dat heeft Elbaz goed begrepen. De hele etalage in Parijs is gevuld met vrolijke bruiden op scooters, voor bruidsmode is een aparte afdeling ingericht. Er zijn langere en korte jurken in gebroken wit, maar ook wat een van de verkoopsters ‘een nieuw bruidsvoorstel’ noemt: witte T-shirts met bloemetjes, steentjes, teksten en vrolijke tekeningen van Elbaz, te dragen met lange witte rokken.

 

‘We proberen een product te maken dat een ziel heeft’, zegt Lucas Ossendrijver op een vrijdagmiddag in februari in een café om de hoek van zijn atelier in Parijs. ‘Een intieme luxe. Ik vind ook wel dat onze spullen duur zijn, maar we kunnen die prijs verantwoorden.’

 

Ossendrijver (39) is de Nederlandse ontwerper die verantwoordelijk is voor de mannenlijn van Lanvin. De show van zijn najaarscollectie 2010 is net achter de rug (de mannenshows vinden anderhalve maand eerder plaats dan de vrouwenshows); dit is een van de weinige weken in het seizoen dat hij en zijn vijf assistenten het niet schreeuwend druk hebben.

 

Zoals bij de meeste modemerken trekken ook bij Lanvin de vrouwenkleren de meeste aandacht. Maar binnen de mannenmodewereld zijn de subtiele, rustige, elegante, vaak aaibare kleren van Ossendrijver net zo’n sensatie als die van Elbaz in de vrouwenmode.

 

De Parijse mannenwinkel, die pal tegenover de vrouwenwinkel ligt, is zelfs groter dan de vrouwenboetiek. Op de derde en hoogste verdieping is de afdeling gevestigd waar maatpakken en -overhemden worden verkocht, en waar meteen een heel ander type man te vinden is: niet de hippe jonge mannen die je beneden ziet, maar 40-plus-zakenmannen. Die maatpakkenafdeling, daar dreef de mannenlijn van Lanvin vooral op toen Ossendrijver in 2005 begon, aangevuld met onopvallende luxeconfectie.

 

Ossendrijver is opgeleid aan de kunstacademie in Arnhem. Via onder meer Kenzo belandde hij in 1997 als assistent van hoofdontwerper Hedi Slimane bij Dior Homme, in die tijd het belangrijkste mannenmodemerk. Na vier jaar vond Ossendrijver het tijd zelf ergens verantwoordelijk voor te zijn. Via via hoorde hij dat Elbaz een mannenontwerper zocht.

‘Ik heb altijd bewondering gehad voor wat hij deed, ik voelde me verwant met zijn manier van werken, zijn stofkeuzen. Ik stuurde een korte brief en een week later hadden we een afspraak. Hij keek me in de ogen, bestudeerde mijn kleren en de spullen die ik bij me had. Naar mijn werk keek hij helemaal niet. Het was best intimiderend.’

 

Ossendrijvers mannenlijn begon, zegt hij, klein. ‘Ik had de vrijheid om iets nieuws te beginnen naast wat al bestond. Het hoefde niet meteen goed te verkopen.’

 

Inmiddels zijn de eerste twee verdiepingen van de Parijse mannenwinkel gevuld met Ossendrijvers ontwerpen. Geen pakken, maar losse stukken. Jasjes, korte broeken en overhemden gemaakt van stropdassenzijde, glanzende bandplooibroeken met een brede band en een hoge taille, klompsandalen, waarin je een verwijzing zou kunnen zien naar zijn afkomst, vrolijke tassen die zijn gebreid van nylon bergbeklimmerskoord, nonchalant-mooie effen overhemden.

 

Alber Elbaz en hij hebben, zegt Ossendrijver, een ‘open’ relatie. ‘Hij is genereus, hij geeft me veel vrijheid en steun.’ Allebei hebben de ontwerpers hun atelier pal boven hun winkels aan de Rue du Faubourg-Saint Honoré. ‘Het zijn gescheiden werelden. Aan het begin van het seizoen zien we elkaar en praten we over wat we gaan doen, wat in de lucht hangt, en ik ga regelmatig naar zijn studio om te kijken waar hij mee bezig is.’

 

Ossendrijver past technieken toe uit de vrouwenmode. De stropdassenstof in zijn voorjaarscollectie is ‘schuin op draad’ verwerkt, een techniek uit de haute couture. Er is een groene jas met wijde mouwen waarvan de zomen, net als veel vrouwenkleren van Lanvin, niet zijn afgewerkt, er zijn jasjes die zijn afgebiesd met het ripsband dat ook door Elbaz vaak wordt gebruikt.

 

Andersom worden de vrolijke zijden sneakers die door Ossendrijver zijn bedacht, inmiddels ook gemaakt voor vrouwen. En vorig jaar gebruikte Elbaz voor het eerste mannelijke materialen en snits.

 

Lanvin is het oudste nog functionerende Franse modehuis. Jeanne Lanvin (1867-1946), een van de negen kinderen van een journalist, was 13 toen ze begon te werken bij een hoedenmaker, en 18 toen ze haar atelier oprichtte, met hulp van een klant. In 1889 begon ze haar eigen hoedenmerk.

Haar dochter Marguerite, Lanvins enige kind, geboren uit haar eerste huwelijk, was haar oogappel en haar muze. Het logo van Lanvin is gebaseerd op een foto uit 1907 van Lanvin en haar dochter, gekleed om naar een gekostumeerd bal te gaan.

 

Marguerite was ook de reden dat Jeanne Lanvin de stap naar kleding zette, om te beginnen kinderkleding. Lanvins kinderkleren waren feestelijk, sprookjesachtig, maar niet formeel en gaven ruimte om te bewegen en te ademen – in die dagen een nieuw concept. Kort daarna begon ze met vrouwenmode, al snel volgden lingerie, sportkleren, mannenkleren, bont, ondergoed, zelfs interieurspullen. In de jaren twintig had ze achthonderd mensen in dienst, veel meer dan er tegenwoordig voor Lanvin werken.

 

Het nieuwe Lanvin lijkt in veel opzichten op het oude Lanvin. Lanvin stond bekend om de ‘ontspannen luxe’; haar vrouwenkleren hadden vloeiende lijnen die ze geschikt maakten voor zowel jonge meisjes als wat oudere vrouwen. Ze waren simpel van snit, maar romantisch van stijl, zelfs als dat niet in de mode was, en versierd met stenen, schelpen, linten, stukjes koraal. Ze had een voorkeur voor koraal, zachtroze, kersenrood, mauve, amandelgroen en vooral lavendelblauw, een kleur die ze ontdekte op een fresco van Fra Angelico, en waarnaar ze zo lang keek, zo wil het verhaal, dat ze er een stijve nek van kreeg. Lanvins schoenendozen zijn tot op de dag van vandaag lavendelblauw.

 

Ook Elbaz is dol op kleur en decoraties, en ook zijn kleren zijn gemaakt voor vrouwen van alle leeftijden. Hij doet niet aan decolletés, gebruikt weinig transparante stoffen. Hij mag graag zeggen dat hij niet de jurk wil ontwerpen die een man verliefd doet worden op een vrouw, maar de jurk waarin een vrouw verliefd wordt op zichzelf. Het feit dat hij zelf voortdurend op dieet is, maakt dat hij niet alleen aan fotomodellen en dunne actrices denkt, maar ontwerpt ook voor gewone, steviger vrouwen. Met zijn jurken wil hij hun een ‘gevoel van gewichtloosheid’ geven.

 

Alber Elbaz vergeleek zijn baan vorig jaar in een interview met The New Yorker met die van een conciërge in een goed hotel: neutraal, dienstbaar, op de achtergrond.

‘Toen ik bij Dior werkte’, zegt Ossendrijver, ‘dacht ik vaak dat ik eigenlijk niet geschikt was voor de mode. Slimane was bij Dior een ster, ik ben het gelukkigst als ik in mijn atelier aan het werk ben. Ik weet nu: daar ligt mijn kracht.’

 

Na de dood van Jeanne Lanvin hebben meerdere ontwerpers voor het huis gewerkt, onder wie Claude Montana. Maar niet een van hen wist van het huis een succes te maken. Tot in 2001 de Taiwanese zakenvrouw en mediamagnaat Shaw-Lan Wang het huis opkocht, vast van plan ‘de slapende prinses wakker te maken’. Elbaz, wist ze bij hun eerste gesprek, was de man die dat voor haar ging doen.

 

Alber Elbaz, die altijd gekleed is in iets te korte broeken en nooit wordt gefotografeerd zonder (strik)das, werd als Albert Elbaz geboren in Casablanca en groeide op in Israël. In 1985 verhuisde hij naar New York om een baan in de mode te zoeken; zijn moeder had hem 800 dollar meegegeven. Hij kwam terecht bij een bedrijf dat tuttige damesconfectie maakte en later bij Geoffrey Beene, een bekende naam in de Amerikaanse mode.

 

In 1997 werd hij hoofdontwerper bij Guy Laroche in Parijs. Binnen een jaar vertrok hij naar Yves Saint Laurent Rive Gauche, op verzoek van Saint Laurent zelf. Het was de bedoeling dat hij na het pensioen van Saint Laurent ook de haute couture zou gaan ontwerpen, maar de overname door Gucci gooide na drie seizoenen roet in het eten. Gucci’s Tom Ford werd zelf hoofdontwerper en verving Elbaz’ rustige, smaakvolle kleren door schreeuwerige, sexy vertalingen van Saint Laurents stijl.

 

Elbaz, sowieso een enorme tobber (‘Ik ben joods, ik kan niet níet tobben’), greep dat erg aan; hij verdween voor jaren uit Parijs. Maar na een paar seizoenen Lanvin was het duidelijk dat hij zijn bestemming had gevonden.

 

Sommige van Elbaz’ ontwerpen, zoals een snoer van in stof ingepakte parels, vestjes die zijn afgezet met stukjes transparante zijde en zijn kenmerkende naar buiten verwerkte ritsen zijn inmiddels tot in alle lagen van de mode-industrie opgepikt. Minder opvallend, maar zeker zo revolutionair is zijn stofgebruik. Behalve van zijde maakt hij zijn jurken en geplooide jumpsuits ook vaak van polyester en andere synthetische stoffen, materialen waarop nog steeds een behoorlijk taboe rust in de luxemode.

 

Ondanks al het succes is Lanvin een relatief klein merk. In 2007 was de omzet 115 miljoen euro (recentere cijfers worden niet gegeven). Bovendien is het een van de weinige bekende modemerken die geen deel uitmaken van een groot conglomeraat. Het adverteert daarom maar mondjesmaat en geeft, anders dan bijna alle andere modemerken, geen spullen weg. Niet alléén uit principe; er is simpelweg geen geld voor.

 

Maar het merk groeit snel. En dus, zegt Lucas Ossendrijver, wordt de druk elk seizoen groter. ‘Er komen steeds meer mensen naar de shows, de verwachtingen worden hoger en hoger; ik kan het me niet permitteren een collectie te maken die slecht verkoopt. Soms denk ik dat we dat we een hype zijn. Angstaanjagend vind ik dat. Want als iedereen roept dat je de beste bent, komt er ook een moment waarop ze zeggen dat je dat niet meer bent.’

 

De vrouwenkleren van Lanvin worden verkocht bij Azzurro Due in Amsterdam, Cobra in Den Bosch en Kiki Niesten in Maastricht. De mannenmode hangt bij Didato in Amsterdam. Shoebaloo (Amsterdam, Rotterdam) en Eleganza (Utrecht, Hilversum) verkopen schoenen (m/v) van Lanvin.

Louis Vuitton in de Bijenkorf

woensdag 1 september 2010 16:50

 

De Bijenkorf roept al een paar jaar dat het chiquer en modieuzer gaat worden. Inderdaad zijn er de laatste jaren een aantal interessante namen aan het assortiment toegevoegd (Max Mara, Sonia Rykiel), maar echte internationale allure kreeg het warenhuis, althans de Amsterdamse vestiging ervan, vandaag, met de opening van de shop-in-shop van Louis Vuitton. Het is de 453ste vestiging van het Franse luxemerk.

 

Met bijna 150 vierkante meter is het bepaald geen lullig hoekje geworden; de winkel is groter dan bijvoorbeeld die in Le Bon Marché in Parijs. Er zijn tassen, schoenen en andere accessoires voor mannen en vrouwen, koffers, maar geen kleren – de door Marc Jacobs (vrouwen) en de Nederlander Paul Helbers (mannen) ontworpen mode van Louis Vuitton wordt  maar op een paar plekken op de wereld verkocht. Opmerkelijk benaderde Louis Vuitton (dat de winkel helemaal in eigen beheer heeft)  de Bijenkorf twee jaar geleden, in plaats van andersom.

 

Louis Vuitton heeft al een grote winkel in de P.C. Hooftstraat. Met de vestiging in de Bijenkorf wil het ook de mensen bereiken die die winkel te hoogdrempelig vinden. ‘Als je al in een warenhuis bent, stap je toch gemakkelijker naar binnen’, aldus de directeur Benelux. De luxeopmars in de Amsterdamse bijenkorf stopt niet met Louis Vuitton. Binnenkort gaan ook shop-in-shops open van Gucci, Hermès, Ferragamo, Mulberry en Fendi. Die eerste vier merken hebben eveneens al winkels in de P.C. Hooftstraat.

Amsterdam Fashion Week (2)

zondag 25 juli 2010 21:55

Heren van Koster                                 Oda Pausma

 

Franciscus van der Meer                      Hyun Yeu

 

Mannenbroeken die die hoog in de taille vallen, dat was het uitgangspunt voor Roos Koster. Maar het  voorpand van zo'n broek wordt wel erg groot, en in principe helemaal plat, ‘en dat ziet er niet goed uit’. En dus voorzag ze haar broeken van suggestieve plooien, opstaande gulpen of liet ze er gevuld ondergoed onder dragen, zodat alle modellen enorme geslachtsdelen leken te hebben. De meest voor de hand liggende oplossing voor het platte voorkantprobleem, aldus Koster: ‘Want het is natuurlijk ook een potente collectie.’

De ‘pikbroeken’ van Koster, die vorig jaar afstudeerde aan de masteropleiding Fashion Institute Arnhem (FIA), waren de grootste verrassing van Fashion Lab, een onderdeel van Amsterdam International Fashion Week dat beginnende ontwerpers in staat stelt tien ontwerpen te tonen; ditmaal waren dat er zes, die twee aan twee showden. 

Ook de Lab-show van Marloes Blaas was overtuigend; met haar op werkmanskleren gebaseerde vrouwenmode is ze een heel eigen stijl aan het neerzetten.


Drie van de ontwerpers die dit jaar het FIA afrondden, gaven gezamenlijk een show. Oda Pausma had lange, sluike jurken in zwart en warmgeel met details van zwaar leer. Sommige stukken waren afgewerkt als de bovenkant van gordijnen, waardoor het leek of ze zo van de rails waren getrokken. Jiska van Rossum had sensuele kleren voor mannen: ruim om het lichaam vallend, met veel gebruik van draperie en voor mannen ongewone materialen als satijn.


De derde deelnemer aan die show, Franciscus van der Meer, had zijn collectie  gebaseerd op de Holocaust. ‘Niet om te provoceren, maar om emoties, herinnering en bewustwording op te roepen’, meldde het persbericht. Ambitie hoort bij jonge ontwerpers, maar om van een elegante jurken met vervagende verticale strepen (een verwijzing naar de pakken van de gevangenen in concentratiekampen) en schuin geplaatste leren riemen (Duitse uniformen) te verwachten dat ze dat teweeg brengen, gaat wel erg ver.


De van oorsprong Zuid-Koreaanse Hyun Yeu studeerde twee jaar geleden af aan de Rietveld Academie, maar zijn werk is al zeer volwassen. Twee collecties toonde hij op Fashion Week. Bij de show van de Frans Molenaarprijs, die hij vorig jaar won, liet hij  jurken zien van brede lappen stof, die precies langs de contouren van het lichaam waren afgestikt, waardoor ze toch sexy waren. Daarnaast hij had een eigen show, alweer de derde, van zijn mannenlabel Ado les Scents: een subtiele, zomerse,  in wit lichtblauw en  heldergroen gehouden collectie met bermuda's, pakken,  modieuze varianten op de pandjesjas en overhemden met schuine voorpanden die de buiken van de modellen bloot lieten.


Daryl van Wouw staat bekend om zijn bedrukte sweatshirts en andere streetwear, maar in zijn voorjaarscollectie 2011 waren die geheel afwezig. In plaats daarvan had hij jurkjes en rokken van geheel geplooide stof, leren hotpants, een paar goede parka’s en jasjes en, ook van eigen merk, vrolijke sandalen met een subtiele plateauzool; een stap in een nieuwe, volwassener richting.
De bijzonderste show van de dertiende Fashion Week was die van Conny Groenewegen. Groenewegen, een ontwerpster die veel tijd en aandacht besteedt aan materiaalonderzoek. Soms gaat dat ten koste van het modegehalte van haar collecties, maar dit keer klopte alles: haar jurkjes en rokken, gemaakt van combinaties van met laser ingesneden leer, glimmende stoffen en losse breisels waren eigen èn modieus.


Groenewegen hield haar show zaterdagavond laat op het grasveld voor de Zuiveringshal op het Westergasterrein, de ruimte waar alle grotere shows van de modeweek werden gehouden. Groenewegens publiek zat op met doorzichtig plastic beklede pallets, haar modellen liepen, nadat ze uit hun capes van doorzichtig plastic waren geholpen, daar tussendoor. Aan palen gehangen peertjes zorgden voor verlichting, iedereen – bezoekers en modellen – kreeg een eigen koptelefoon met muziek op, wat de sfeer nog specialer maakte.
De Amsterdam Fashion Week zou er bij winnen als meer ontwerpers kozen voor zo’n eigenzinnige presentatie.

 

Conny Groenewegen


Daryl van Wouw

 

Fotografie: Peter Stigter

Amsterdam Fashion Week (1)

dinsdag 20 juli 2010 21:42

 

Sis (Peter Stigter)


Het werd gezien als een grote tekortkoming  van Amsterdam Fashion Week: de bekendste  Nederlandse modeontwerpers showden er niet.

 

Dat werd woensdagavond op de openingsavond van de dertiende editie aardig goedgemaakt. Iris van Herpen, een ontwerpster wier shows seizoenen  lang tot de hoogtepunten van de modeweek waren, maar die de Amsterdamse modeweek een jaar geleden verruilde voor die van Londen, was door sponsor ABN/ Amro uitgenodigd een show te geven, net als Truus en Riet Spijkers, de tweeling achter  Spijkers en Spijkers. Dat laatste merk heeft zelfs nog nooit in Nederland geshowd; de kleren worden vooral in het buitenland verkocht, en dus had een show in Nederland weinig zin. Dat lag deze keer anders: de zussen zijn een tweede, goedkopere lijn begonnen, die vooral bedoeld is voor Nederlandse vrouwen: Sis.

 

De eerste  collectie, voor voorjaar 2011, zag er veelbelovend uit. Sportiever en  jonger dan de hoofdlijn, maar net zo goed gesneden. De show  had een nautisch thema, een van de meest uitgekauwde uitgangspunten voor een zomercollectie die er zijn, maar het was op een frisse manier uitgewerkt. Korte jurkjes hadden een witte band langs de halslijn, waarin een bootje was gevouwen; wapperende lange jurken waren bedrukt met een Delfts blauw dessin van enorme antieke zeilschepen; broeken hadden rechte pijpen en een zeer hoge taille.

 

Iris van Herpen (Michel Zoeter)

 

Minder overtuigend was de show van Iris van Herpen. Van Herpen maakt creaties van leer die vaak bijzonder van vorm zijn, en buitengewoon knap gemaakt. Dat laatste Knap gemaakt  waren de  jurken  die ze liet zien  nog steeds, maar de show miste de  magie van eerdere presentaties.  Het leek of ook Van Herpen eveneens had besloten een commerciëlere koers te varen. De leren jurken waren dit keer kort en uitgesproken sexy, in plaats van futuristisch en dramatisch, maar  daardoor kwamen ze  net te  dicht in de buurt van festisjmode.

 

Mannenmodeontwerper Francisco van Benthum  toonde zijn laatste vijf collecties tijdens de Parijse mannenmodeweek. Maar tegenwoordig heeft ook hij heeft een tweede, speciaal op Nederland gerichte lijn, of liever gezegd  twee: Van Benthum (pakken) en FvB (uitgesproken kleren voor jonge mannen). Hij deed dinsdagavond mee aan Boutyq, een mede door haarproductenmerk Wella georganiseerde mode- avond.

 

De mannelijke modellen waren te nadrukkelijk gekapt en te zwaar opgemaakt, maar de kleren waren  goed: klassieke herenstukken die door de details en de manier van combineren – een blousonboordje aan een lichtblauw overhemd, een transparant zwart overhemd over een klassieke witte– onderscheidend en modieus werden.

 

FvB (links) en Van Benthum (Peter Stigter)

 

Salon/1

donderdag 15 juli 2010 09:29

Werk van Ronald van der Kemp, Klavers van Engelen, Painted Series en Antoine Peters, te zien op Salon/1.

 

De leverancier van de 24 etalagepoppen die, in kleding van net afgestudeerde modeontwerpers rond de gedekte tafel in eetkamer van Museum van Loon de zouden komen te zitten, bleek opeens een huurprijs van 100 euro per stuk te vragen. En dus benaderde stylist Ferry van der Nat op het laatste moment een plaatselijk modemerk, dat hem gratis hielp, maar veel minder poppen in de aanbieding had. Een staat er nu voor de tafel, vijf zijn erop gezet, als een soort buitenissige tafeldecoratie.

 

Van der Nats aanpak is tekenend voor het nieuwe mode-evenement Salon/1. Zonder subsidie of sponsors, maar met veel improvisatievermogen en enthousiasme, zijn op zo’n twintig locaties in het centrum van Amsterdam zijn opstellingen neergezet van ruim veertig modeontwerpers, fotografen, stylisten, tijdschriftmakers, beeldend kunstenaars, en zelfs een bloemstylist en een ijsmaker.

 

Salon/1, dat in een tijdsbestek van nog geen twee maanden tot stand kwam, is een initiatief van Gijs Stork, eigenaar van galerie Magazijn en curator van Kasteel Keukenhof, in samenwerking van Cathal McKee, eigenaar van het in mode gespecialiseerd reclame- en productiebedrijf CMK1, en Manon Schaap, creatief directeur van het Parijse warenhuis Le Bon Marché en adviseur voor grote modemerken.

 

De Amsterdamse International Fashion Week, waarmee Salon gelijktijdig plaatsheeft, geeft geen volledig beeld van de Nederlandse mode, vinden zij. Op het Westergasterrein zijn vooral shows te zien van net beginnende ontwerpers, of juist grote, zeer commerciële merken; veel namen die op hoog niveau meedraaien in de internationale modewereld, zijn bij het grote publiek onbekend, omdat ze zich zelden manifesteren in eigen land. Bovendien gaan de shows, zegt Schaap, ‘alleen over het eindproduct.’ Salon wil duidelijk maken dat mode meer is dan kleren alleen, en een kijkje geven in het ontwerpproces.

 

Dat laatste gebeurt bijvoorbeeld bij de opstelling van Painted Series in het gebouw van Droog. Painted Series is een modecollectief dat samenwerkt met Bulgaarse en Indiaanse borduursters. Half-afgewerkte kledingstukken worden door hen versierd, waarna Painted er weer verder mee aan de slag gaat. Op een muur zijn silhouetten getekend van de Amerikaanse actrice/zangeres Juliette Lewis, die een aantal outfits heeft besteld bij het merk, en daarop hangen voorbeelden van kledingstukken in wording.

 

Nog een stap terug in het proces gaat de installatie van modeontwerper Mark van Vorstenbos en kunstenaar Twan Janssen. Op twee tegenover elkaar hangende filmschermen worden abstracte beelden geprojecteerd, met daaronder liefdesdialogen uit verschillende speelfilms - een eerste aanzet tot de twee modemerken die ze aan het opzetten zijn, You as me (voor vrouwen) en Me as you (voor mannen).

 

Weer een stuk toegankelijker is de bijdrage van Ronald van der Kemp, die werkte voor Guy Laroche, Michael Kors en Escada en nu verbonden is aan het chique panty- en modemerk Wolford. HIj zette  in een in antieke spiegels gespecialiseerde galerie dertig poppen neer, glamourous gekleed in kledingstukken van Wolford en van zijn eigen vrouwenlabel, dat hij in 2003 ophief, maar dat hij overweegt weer nieuw leven in te blazen.

 

Fotografenduo Freundenthal Verhagen kreeg  de 16de-eeuwse Montelbaanstoren aan de Oudeschans tot hun beschikking, tegenwoordig het hoofdkwartier van stichting Secret Garden, die opkomt voor de belangen van homoseksuele moslims. Een zeer bijzondere locatie, en een passende achtergrond voor hun fotoserie met en over de 30-jarige stylist Majid, overtuigd moslim, en nog maar net uit de kast. Majid – een mooie man met een lange, pikzwarte baard – poseert op soms levensgrote foto’s in statige outfits die een mix zijn van westerse designermode en de klassieke moslimdracht. De sierlijkheid van hoofddoeken en lange gewaden wordt benadrukt doordat een aantal foto’s is afgedrukt op stof, en de draperieën letterlijk van het beeld afglijden, Majids eigen worsteling lijkt verbeeld door beelden die letterlijk gelaagd zijn.

 

In het kantoor van modewinkel Van Ravenstein is uit metalen kleerhangers een boom opgetrokken die, als het goed is, over vier dagen helemaal gevuld is met papiertjes waarop de bezoekers can Salon/1hun gedachten en mening over mode hebben verwoord.

Wie zich geroepen voelt een bijdrage te leveren doet er goed aan eerst de Montelbaanstoren aan te doen. Zelden zie je zo overtuigend gedemonstreerd hoe indringend mode kan zijn, en hoe relevant.

 

Salon/1, tot en met 18 juli op verschillende locaties in Amsterdam. Toegang 10 euro, inclusief bezoek aan de tentoonstelling van Inez van Lamsweerde en Vinoodh Matadin in fotomuseum Foam. Salon1.nl

Mannenmode, Parijs (slot)

maandag 12 juli 2010 10:14

 

Ann Demeulemeester: een show die begon met uitsluitend witte outfits, waarna, na de korte stop, de outfits weer voorbijkwamen, nu in zwart(leer) uitgevoerd. Wat een verschil kleur en materiaal kunnen maken. Veel motorsportinvloeden, brede cumberbands en over de broek gedragen laarzen, afgewisseld met jasjes en wijde, lange blouses.

 

 

Kris van Assche:de verfspatten die ook te zien waren bij Dries van Noten en Jean Paul Gaultier- dat moet een trendje worden. Een rustige, ruim vallende collectie in grijs, wit en zwart, gebaseerd op functionele werkmanskleren. Het schootje links is gebaseerd op een timmermansschort.

 

 

Yohji Yamamoto: elegante, feestelijke kleren met een knipoog naar de achttiende eeuw. De mermuda speelde een belangrijke rol, en werd gecombineerd met pandjesjassen. Jasjes met  handgeborduurde details denken aan merklappen.

 

 

Walter van Beirendonck: combinaties van pepitaruitjes in vroljike kleuren en pastelkleurige overalls met grote sieradenm maakten samen een lieve en tegelijk stoere en vooral heel eigen mannencollectie. In bijna iedere outfit was het woord 'hope' verwerkt, links als ketting, op de foto rechts zijn de letters met gaatjes in de overall gemaakt.

 

Fotografie: Peter Stigter

Parijs, mannenmode voorjaar 2011

donderdag 8 juli 2010 21:20

Kenzo

 

Hermès

 


Dries van Noten


 

Een nieuw soort elegantie: losjes, sierlijk, soms gedurfd, maar altijd gekleed. Dat is het overheersende beeld dat oprees uit de mannenmodeweek in Parijs voor zomer 2011. Het tweedelige pak, al zo lang de geijkte weg naar mannelijke elegantie, speelde daarbij een opmerkelijk bescheiden rol. Veel modehuizen deden het helemaal zonder, andere toonden er maar een paar; ontwerpers waren duidelijk op zoek naar iets nieuws.
Bij de paar merken die wel veel pakken lieten zien, hadden die een nonchalante uitstraling.

 

Bij Kenzo, waar de collectie een romantisch ‘Fransman in Japan’-thema had, waren de pakken gemaakt van rood, felblauw of hardgroen katoen, vaak versierd met opgestikte strepen.


In de chique, rustige collectie van Hermès waren de pak van wit of zachtgrijs katoen of naturelkleurig linnen en werden ze gedragen met sandalen. De jasjes waren vaak double-breasted, maar door de zomerse stoffen hadden ze niets van de klassieke bankierspakken die de laatste tijd zo in ongenade zijn gevallen. Blikvangers in de collectie waren een jasje, short en jack van soepele, smaragdgroene suède.


Dries van Noten wist, net als bij zijn laatste vrouwencollectie, voor najaar 2010, in zijn nieuwe mannencollectie een goede balans te vinden tussen klassieke stukken en straatmode. Jasjes – ook hier weer vaak double-breasted – en regenjassen werden gedragen met cargo-shorts en kistjes. Een camelkleurig gebreid vest sloot met een asymmetrisch geplaatste leren riem en werd gecombineerd met jeans en sandalen, op een bruinroze pantalon kwam een los gebreide, gestreepte blauwe trui met mouwen van denim.

Van Noten was dit seizoen een van de weinige ontwerpers die spijkerbroeken liet zien. Ze waren heel, maar zeer, en onregelmatig, gebleekt, alsof iemand had lopen zwaaien met een emmer bleekwater. Witte overhemden hadden het omgekeerde effect, daar leek weer verf overheen te zijn gespat.


Jean Paul Gaultier liet zien dat westerse kleding niet de enige weg is naar een modern-elegante look. In zijn broeierige show (bijna-naakte donkere mannen in een hammam-setting dienden als decor, en er liep een aantal modellen mee dat niets meer droeg dan een strak zwembroekje) combineerde hij klassieke mannenjasjes en broeken met lange blouses, die gebaseerd waren op de Marokkaanse djellaba en variaties op Yves Saint Laurents beroemde saharienne, de safariblouse met vetersluiting. Veel stukken waren versierd met hetzelfde verfspattendessin als bij Van Noten, of een 3D-print.


Ook bij de bijna geheel zwarte mannencollectie van Dior Homme heerste sierlijkheid: fladderende dunne capes en wijde mouwloze jassen en mouwloze, asymmetrische tops werden gedragen op soepele, vrij wijde broeken.


Lucas Ossendrijver, de Nederlander die verantwoordelijk is voor de mannenlijn van Lanvin, is een ontwerper die al een paar jaar streeft naar elegantie, en dat eigenlijk zelden doet via een pak (nu zaten er twee in de show).
Zijn collectie was een mengeling van formeel en sportief: keurige pantalons, double-breasted jasjes, al dan niet mouwloos en reikend tot net boven de knie, aangevuld met sportieve jacks, leggings, wielrenbroeken, zo chic uitgevoerd dat het met gewone sportkleren of straatmode niets meer te maken had.
Bijzonder waren de details: de ronde schouderlijn van een jasje dat werd onderbroken door een naar buiten gewerkt naadje aan de bovenkant van een mouw, de combinaties van kleuren – roestbruin met lila, hemelsblauw met beigebruin – de dramatische halssieraden , de naar buiten gekeerde naden van een soepele, zijden broek, de grove structuren van sommige stoffen.


De grootste verrassing van de Parijse modeweek kwam van de Belg Raf Simons, wiens mannenmerk 15 jaar bestaat. In zijn grotendeels wit gehouden collectie refereerde hij aan vroegere shows, maar hij wist toch een nieuw beeld neer te zetten, dat dramatisch en helder tegelijk was.
Op zeer wijde en lange broeken werden strakke, vrij lange en vaak mouwloze jasjes gedragen. Alle jasje en tops hadden aan de achterkant, en meestal ook aan de voorkant, brede ritsen die geplaatst waren tussen gekleurde banen stof. Aan de trekker van de ritsen waren langwerpige stukken stof in stropdasmotief gezet, die maakten dat je zin kreeg er een ruk ana te geven.
Over eerder genoemde wijde broeken, en over wielrenbroekjes, kwamen soms strakke minirokjes. Opvallende parallel met Prada, waarvan de mannencollectie vorige week werd geshowd in Milaan, waren de over strenge witte overhemden gedragen ‘chirurgentops’.
Te extreem om aan te trekken? Simons’ zeer smal gesneden mannenpakken waren toen hij er in 1997 voor het eerst mee kwam ook radicaal.
Een kleine serie van die pakken, die inmiddels heel normaal zijn geworden, vormde het slot van de meeslepende show.

 

Jean Paul Gaultier

 

Dior Homme

 

Lanvin

 

Raf Simons

 

Fotografie: Peter Stigter

Onze jongens

vrijdag 25 juni 2010 21:51

Uit de voorjaarscollectie 2011 van Francisco van Benthum. Foto: Peter Stigter

 

Nederlanders doen het best goed in de mannenmode. Tijdens de Parijse mannenmodeweek staan vier shows op het officiele programma van collecties die worden gemaakt door Nederlanders: Francisco van Benthum, Louis Vuitton (Paul Helbers), Lanvin (Lucas Ossendrijver) en Viktor & Rolf. Over dat laatste merk zal ik niet schrijven; ik was niet welkom op de show, vanwege een artikel dat afgelopen najaar verscheen in Volkskrant Magazine, en ook op dit blog is te lezen: Een nieuw hoofdstuk in Viktor & Rolfs modesprookjesboek? (november 2009)

 

Francisco van Benthums show heette Brave. Dat sloeg op de kleren, die verwezen naar legerkleding, maar zou ook kunnen verwijzen naar de ontwerper zelf. Dit was zijn vijfde Parijse show, maar heel succesvol is hij hier niet; relatief weinig bezoekers, en nog maar een verkooppunt naast de winkel die hij in Amsterdam deelt met Alexander van Slobbe, NL= New Luxury. Ditmaal stond hij voor het eerste op het officiele programma van de mannenmodeweek, maar wel op een 'onverkiesbare plaats': hij showde op woensdagavond, terwijl de meeste winkeliers en persmensen pas de dag erna arriveerden.

 

Geslaagde collectie, dat wel. Van Benthum had het thema gelukkig niet te letterlijk genomen; soldatenmode is de laatste jaren wel erg vaak voorbij gekomen. Van Benthums kleren hadden een elegant, soepel silhouet waarin de inspiratie nog maar indirect te herkennen was. Hij had zich ditmaal ingehouden met riempjes en andere toevoegingen en een mooi stofgebruik. Wijde, witte broeken waren gemaakt van de sterke papiersoort waarvan ook wegwerpoveralls worden gemaakt, en er was veel linnen met een mooie glanslaag.

 

Overigens komt Van Benthum binnenkort met twee nieuwe, goedkopere lijnen, speciaal gericht op de Nederlandse markt, maar daarover aanstaande zaterdag in het magazine meer.

 

Collectie Louis Vuitton, fotografie: Peter Stigter

 

De Louis Vuittoncollectie, ontworpen dus door Paul Helbers, was opgehangen aan een 'digitale bohemien' die over de wereld reist via zijn computer. Grote, gebloemde sjaals, geabstraheerde slangenprints, geborduurde tijgers, rugzakken en neptattoos konden niet verhullen dat de collectie vooral bestond uit keurige, chique, goed gemaakte kleren voor de well-to-do zakenman. Okee: vrijetijdskleren voor de well-to-do zakenman.

Jil Sander

 

Calvin Klein

 

De voorjaarsshow 2011 van Jil Sander had plaats tijdens de mannenmodebeurs in Florence, voorafgaand aan de modeweek in Milaan. Ik was er helaas niet bij; op de foto's ziet de intens gekleurde collectie zien er fantastisch uit. Het is waarschijnlijk een van de laatste collecties van Raf Simons voor het merk; het gerucht gaat dat hij er gaat stoppen.

Onderaan mannenmode van Calvin Klein, geshowd in Milaan. Ook hier een paar bijzondere kleurcombinaties, maar ook de korte tops en jasjes in de collecties vielen op. De combinatie van een heel kort, wijd jasje over een langer exemplaar werkte goed, een idee dat ik ook terugzag bij Marni, dat een presentatie hield in de eigen winkel. Daar werd een kort, wijd jack over een colbert gedragen. Een modeparodie op een voor veel mannen irritant verschijnsel: dat jack dat toch weer te kort blijkt voor het jasje dat eronder moet.

 

Fotografie: Peter Stigter

 

 

 

 

Milaan: leatherboys & linnen

woensdag 23 juni 2010 08:14

Looks uit de show van Dolce & Gabbana, live begeleid door Annie Lennox

 

De uitnodiging voor de show was helemaal met de hand geschreven, en tijdens het feest ter gelegenheid van het twintigjarig bestaan van de mannenlijn, later die dag, zat op een ronddraaiend plateau een kleermaker met de hand een jasje in elkaar in te zetten. Dolce & Gabbana houdt van traditie en romantiek. Tegelijkertijd weet het Italiaanse modemerk erg goed weg met nieuwe technologie. Op iedere stoel bij de presentatie voor de mannencollectie voor voorjaar 2011 lag een kaart met een code, die door smartphones automatisch werd vertaald naar een live screening van de show. Die  kon vervolgens op  blogs en websites kon worden geplaatst.

 

Burberry Prorsum

 

Ook de mannenshows van Armani en Burberry Prorsum werden rechtstreeks de wereld ingezonden. Bij Burberry kon het publiek bovendien, net als  bij de laatste vrouwenshows, de jassen en tassen uit de show meteen bestellen. Kopers krijgen de  spullen over zes weken thuisgestuurd,  waardoor ze  hun jas of tas voor voorjaar 2011 al in huis hebben als de herfst van 2010 nog lang niet is begonnen.

 

Dat de collectie van Burberry, die draaide om ongevoerde trenchcoats, smalle broekjes van dikke tricot,  ‘Birkenstock’-sandalen en  zware leren motorbroeken en motorjacks, opmerkelijk weinig zomers was, zou daar iets mee te maken kunnen hebben - de meeste mensen kijken er waarschijnlijk naar als een vroege herfstcollectie.

 

Maar ook op een ander niveau kan het grote bereik van modeshows invloed hebben op de collecties. Shows zijn niet meer alleen voor professionals, die gewend zijn vooruit te kijken en vroeger een half jaar de tijd hadden om nieuwe trends uit te leggen aan  het grote publiek, maar in principe voor iedereen.

 

Dat zou een verklaring kunnen zijn voor het feit dat veel kleren die te zien waren op de catwalks van Milaan niet bijzonder vernieuwend waren. Met name mannen hebben over het algemeen een behoudende smaak.

 

Gianfranco Ferré


De grote hit in Milaan was het ongestructureerde, los vallende pak van naturelkleurig of wit  linnen of witte gekreukelde katoen. Het was te zien bij het klassieke pakkenmerk Ermenegildo Zegna, dat maar ook  bij Dolce & Gabbana, Gianfranco Ferré en Bottega Veneta. Die vaak driedelige pakken werden gedragen met even neutraal getinte, ruime overhemden, met een opmerkelijk kleine kraag.

 

Versace & Vivienne Westwood

 

Ook de bermuda en de enkellange broek kwamen vaak terug– kledingstukken die een aanzienlijk deel van de bezoekers van de show al aanhadden– alsook ruime, los gebreide truien. Opvallend was het kapsel dat bijna alle modellen hadden; zeer kort in de nek en opzij, iets langer bovenop. Het gaf ze, samen met hun glad geschoren wangen, een frisse jaren vijftig-uitstraling, een breuk met het langere haar en de baarden die nu zo populair zijn.

 

Emporio Armani


Bij Emporio Armani, de tweede lijn van Armani, was net als bij Burberry  een groot deel van de collectie opgehangen aan zwart leer. Behalve motorjacks waren er strakke leren broeken tot op de enkel, mouwloze leren jasjes en leren stropdassen, aangevuld met zwarte tricot speelpakjes en zwembroekjes, transparante overhemden, bermuda’s met zwarte leggings eronder, broeken met een camouflageprint en grove, over ontblote bovenlijven gedragen kettingen.

 

Aan het eind van de show werd duidelijk wie de inspiratie was geweest voor de pittige ‘leatherboy’-collectie van de 75-jarige, doorgaans keurige Armani. Op een scherm verscheen een fragment uit Lady Gaga’s nieuwe clip Alejandro , waarin Gaga, in een beha met enorme punten erop omringd is door van een groep in zwartleren uniformen geklede dansers; allemaal geleverd door Armani. De Emporio-show eindigde met modellen in die nogal Nazi-achtige pakken.

 

Gucci

 

Roberto Cavalli

 

Bij  Gucci gaven witte spijkerbroeken onder strakke, glanzende jasjes de collectie een jaren zestig-gevoel. Ook Roberto Cavalli verwees met zijn met feestelijk gekleurde hoogwaterjeans, hippieoverhemden en gedessineerde zoeavenbroeken naar de stijl van dat decennium.

 

De echte verassing kwam, zoals vaker, van Prada. De lange rij tl-buizen die de catwalk verlichtte was tekenend voor de collectie, die helder, onderkoeld en doordacht was, en waar interessante nieuwe ideeën in zaten.

 

Strakke drieknoopsjasjes  werden gedragen met broeken die nauw waren of juist erg wijd.  Onder truien met een rechte hals en wijde katoenen ‘chirurgentops’  kwamen overhemden, schoenen hadden dikke witte zolen, aan ceintuurs hingen buideltasjes, bermuda’s waren zo wijd dat het bijna broekrokken werden.

 

Er zat veel blauw en wit in de collectie, maar hier en daar ook felle kleuren, bijvoorbeeld in sluike, gestreepte truien waarmee de show eindigde. Het was een intrigerend geheel: volwassen en jong, sportief en formeel, vreemd en draagbaar tegelijk. Nieuwe mode. 

 

Prada (alle fotografie: Peter Stigter)

 

 

Morgen om 15.00 uur is hier de mannenshow voor voorjaar 2011 van Burberry Prorsum te zien, een van de eerste shows van de mannenmodeweek  in Milaan. Net als bij de laatste Burberry-vrouwenshow is het mogelijk meteen items te bestellen uit de collectie. Zie voor meer over modeshows op internet een oudere bijdrage op dit blog: De hele wereld op de eerste rij- over modeshows op internet

 

‘Wanneer er weinig vissen waren om te vangen, en ze over een kalme, stille zee zeilden, bestudeerde hij het gouden horloge aan zijn grootvaders oude, zonverbrande arm. Het leek alsof dat horloge nog feller scheen dan de zon.’

(Uit een van de verhalen van de new age-schrijver Paulo Coelho voor het 4 kilo zware koffietafelboek van en over het Zwitserse horlogemerk IWC Schaffhausen)

 

 

Geen mens heeft nog een horloge nodig; iedereen draagt minstens één elektronisch apparaat bij zich dat vertelt hoe laat het is. Maar dat wil niet zeggen dat de horloge-industrie dood is. Nu horloges niet meer nodig zijn, zijn het luxeartikelen geworden; sieraden, vooral voor mannen, want nog altijd is een horloge de enige onomstreden bling die een man kan dragen.

‘En het is speelgoed’, zegt George Kern, de bestuursvoorzitter van IWC. ‘Er zijn op de wereld twaalf miljoen mensen die meer dan 1 miljoen dollar te besteden hebben. Als je toch geld hebt, waarom zou je dan niet iets kopen om mee te spelen? Zoveel is er niet voor mannen: auto’s, horloges en vrouwen – al mag je dat laatste niet zeggen.'

 

De meeste horloges worden geproduceerd in China, maar Zwitserland verdient er het meeste geld mee. In 2008 exporteerde het land voor 20 miljard euro aan horloges. In de eerste maanden van 2009 daalde dat met een meer dan een kwart, maar dit jaar is er al herstel; in februari stegen de verkopen van Zwitserse horloges met 14 procent ten opzichte van vorig jaar.

De gemiddelde exportprijs van een Zwitsers horloge was in 2006 310 euro, vierhonderd keer zoveel als die van een Chinees horloge. Zwitserland is dan ook vooral het land van de luxehorloges.

 

Jaarlijks worden er in Zwitserland twee horlogebeurzen gehouden. Er is Baselworld, een immense achtdaagse beurs die wordt bezocht door 95 duizend bezoekers en waaraan bijna tweeduizend merken meedoen. En er is de veel kleinere, driedaagse Salon International de la Haute Horlogerie in Genève. Dit jaar deden daar negentien merken aan mee, allemaal gelieerd aan luxeconglomeraat Richemont Group. De 12.500 bezoekers waren juweliers en twaalfhonderd journalisten; in tegenstelling tot Basel is de beurs in Genève niet toegankelijk voor het publiek.

In Basel kun je ook horloges van Swatch en andere betaalbare merken bekijken, maar in Genève tref je niets dat minder kost dan 1.000 euro.

 

De gezamenlijke ruimten van de Salon International de la Haute Horlogerie zijn gestoffeerd in chic beige en bruin. Er zijn barretjes, zithoeken en feestelijk gedekte eettafels. Drank en maaltijden zijn gratis. Voor de lunch is er de keuze uit vier voorgerechten, vier hoofdgerechten, vier nagerechten, twee soorten witte wijn, vier soorten rode wijn en een rosé. Champagne wordt de hele dag geschonken.

Journalisten worden per land ingedeeld en van stand naar stand geleid. In de merkenstands bevinden zich tal van kamertjes, waar de verkoop en demonstraties plaatsvinden.

Bij Alfred Dunhill, fabrikant van luxe lederwaren en horloges, is met houten muren, een notenhouten bureau, wereldbollen en oude boeken de sfeer van een 18de eeuwse studeerkamer nagebootst.

Bij de stand van Vacheron Constantin (‘uurwerken sinds 1755’) is een doorlopende demonstratie Japans lakwerk te zien; het merk introduceert dit jaar de collectie Métiers d’Art la symbolique des laques, een serie horloges die zijn versierd met, inderdaad, Japans lakwerk. In drie jaar worden negen nieuwe modellen gepresenteerd, van elk model worden twintig stuks gemaakt. Dit jaar is het thema ‘vrienden van de winter’. Van de drie horloges heeft er één een naaldboom en een vogel, één bamboe en een vogel en nummer drie is versierd met een Japanse pruimenboom en een vogel (272.500 euro per stuk).

 

Bij sieraden- en horlogemerk Piaget moeten donkere vloeren en muren, projecties van pianotoetsen en een saxofonist die Take Five ten gehore brengt, je de illusie geven dat je in een jazzclub bent. Dit ter viering van de Limelight Jazz-collectie, een serie horloges waarin afbeeldingen van muzieknoten en pianotoetsen zijn verwerkt. Pronkstuk: een speciale uitgave van de Piaget Polo Tourbillon Relatif, een mannenhorloge met muzieknoten op de wijzerplaat. Op de achterkant bevindt zich een jazzmuzikant, op de zijkanten staan illustraties van muziekinstrumenten (oplage: 1, prijs op aanvraag).

 

Bij alle presentaties op de luxehorelogebeurs speelt zich hetzelfde ritueel af. Een directeur of marketingman houdt in Engels met een Frans-Zwitsers accent een powerpointpresentatie. Daarin wordt gesproken over de nieuwe modellen, bijna altijd gemaakt in een beperkte oplage. Ook is er altijd een voor niet-ingewijden bijna onnavolgbaar verhaal over de techniek, dat, als je de sprekers mag geloven, maar een fractie belicht van wat zich werkelijk in de horlogekast afspeelt. Of zoals een van de sprekers stelt: ‘Dit horloge is zo gecompliceerd dat je twee dagen nodig hebt om uit te leggen hoe het werkt.’

Op de beeldschermen worden foto’s van de nieuwste horloges afgewisseld met sfeerbeelden van polospelers, horlogemakers in witte jassen, sneeuwtoppen en zeilboten. Vervolgens gaan zorgvuldig opgemaakte, slanke jonge vrouwen in korte stretchjurkjes en op hoge hakken rond met de horloges, die soms alleen met een handschoentje aan mogen worden betast. De prijzen worden niet van de daken geschreeuwd; bij sommige merken moet je er nadrukkelijk naar vragen.

Na afloop van de presentatie worden er folders uitgereikt die vaak meer lijken op koffietafelboeken. Het totale gewicht aan documentatiemateriaal loopt snel op, maar in dat probleem is voorzien. In een als postkamer ingerichte ruimte op de beurs staan honderden dozen klaar; het drukwerk kan tot 10 kilo gratis naar huis worden gestuurd.

 

Ongeveer 90 procent van de moderne horloges bestaat uit door batterijen aangedreven kwartshorloges. Deze Japanse uitvinding uit 1969 bracht de Zwitserse horloge-industrie in een diepe crisis. Tot in 1983 Swatch op de markt kwam, dat uiterst succesvol werd met limited edition-kwartshorloges – uit Zwitserland.

De horloges die in Genève worden gepresenteerd hebben zelden een batterij. Het zijn bijna allemaal mechanische horloges: de zogenaamde handopwinders, en de automatische horloges, die op gang worden gebracht door beweging. Omdat een horloge ook wel eens een tijdje stilligt, hebben veel van die horloges een reservecapaciteit, de zogenaamde gangreserve, meestal van 36 of 48 uur, maar in de hoogste prijsklassen kan dat oplopen tot vier weken.

 

Het functionerende deel van een horloge heet in de wereld van de haute horlogerie een movement, ofwel een uurwerk. Een beetje uurwerk heeft een heleboel complications , of in het Nederlands; complicaties. Apps zeg maar, maar dan voor horloges, al zijn de snufjes in een luxehorloge meestal nogal primitief in vergelijking met wat een iPod of iPad, smartphone of zelfs het eenvoudigste mobieltje kan. ‘Maar daar gaat het niet om’, zegt Lex Stolk, hoofdredacteur van Watch Report, een van de vijf Nederlandse in horloges gespecialiseerde tijdschriften. ‘Het gaat om de romantiek; dat het allemaal mogelijk is zonder elektronica, dat een door een veer aangedreven mechaniek zo veel dingen in beweging kan zetten. Dat vinden mannen verbluffend fascinerend.’

De eerdergenoemde gangreserve is een complicatie. De eeuwige kalender is er ook een, net als de de minute repeater, die door minuscule gongen in de horlogekast uur, kwartier en minuten doorgeeft, een vinding uit de tijd dat er nog geen lichtgevende klokken bestonden. Er is een complicatie die de maanstand aangeeft, en ook een die de maanstand op het zuidelijke en het noordelijke halfrond weergeeft. Sommige horloges hebben een wijzer die de exacte zonnetijd aangeeft, heel populair is de chronograaf (stopwatchfunctie). Bij de duurdere horloges loopt het aantal complicaties op tot vijftien.

 

Bij de meeste mannenhorloges is de achterkant van glas, zodat je alle tandwieltjes, radertjes, wijzertjes goed kunt zien. In de allerhoogste prijsklassen zijn er ook skeletons, opengewerkte modellen. Soms beweegt en trilt er zo veel tegelijk in zo’n horloge dat het even duurt voor je kunt zien waar de wijzers zich bevinden.

 

De complicatie waarover bij elk merk wordt gesproken is de tourbillon. Een tourbillon is, korter kan het niet worden uitgelegd, een om zichzelf draaiende kooi die om het gangwerk gaat, het deel van het uurwerk dat het in beweging zet. Hij werd aan het einde van de 18de eeuw uitgevonden, toen zakhorloges nog verticaal werden gedragen, en de zwaartekracht de regelmaat van het uurwerk beïnvloedde. De kooi –een soort cilinder– corrigeert dat.

Sinds horloges ook door mannen aan de pols worden gedragen, begin 20ste eeuw, heeft een tourbillon nog maar een beperkte functie. Of zoals Gerben Bijpost, de hoofdredacteur van het horlogemagazine Watch, zegt: ‘Ze zorgen ervoor dat je niet 5 seconden te laat op je afspraak komt.’ De aantrekkingskracht van de tourbillon zit er vooral in, zegt hij, dat het moeilijk te fabriceren is. Horloges die meerdere tijdsaanduidingen hebben, hebben er soms wel vier. Cartier heeft een tourbillon die om de buitenkant van de wijzerplaat heen draait. Aan de vinding is, zegt het sieraden- en horlogemerk, vijf jaar gewerkt.

 

Vaak wordt ook genoemd hoeveel onderdelen een horloge heeft. De Calibre 2755 van Vacheron Constantin van 51 duizend euro heeft er 602. En hoeveel uur het heeft gekost om een horloge te maken. Ook chic: als een horlogemerk de onderdelen niet bij derden bestelt maar in eigen huis maakt. Van de aan de beurs deelnemende merken doen dat er vijf, waaronder Piaget.

Verreweg de meeste horlogemerken bestellen hun onderdelen echter bij Eta, een bedrijf dat onderdeel is van Swatch. Het merk zit namelijk inmiddels ook flink in de mechanische horloges en heeft naast Eta ook een aantal luxemerken overgenomen. In veel dure horloges zit dus hetzelfde basisuurwerk.

 

Grote trend op de Salon: rubber horlogebanden en kasten van staal in plaats van edelmetaal. Het zijn democratische ingrepen die ingewikkelde horloges bereikbaar maken voor een groter publiek: een concessie aan de crisis, zou je kunnen zeggen.

Ook, zo meldt Piagets bestuursvoorzitter Philip Leopold-Metzger, ‘gaat de ultradunne queeste door!’ Het bedrijf zegt de voorlopige winnaar te zijn in de categorie extra dunne horloges, met de platina Altiplano, een automatisch horloge dat in totaal 5,25 millimeter dik is, waarvan 2,35 millimeter voor de kast (vanaf 14.200 euro).

Grote horloges zijn al jaren een trend. De veel dikkere en erg grote Altiplano Double Jeu (18-karaat roségoud, bruine krokodillenleren band, 62 uur reservecapaciteit, vanaf 25.700 euro) prijst de topman aan als voorbeeld van ‘opperste mannelijkheid’. Kort gezegd is het een erg groot horloge dat open te klappen is, twee tijdzones tegelijk aangeeft, met een 24-uursschaal in plaats van de gebruikelijke 12-uursschaal. ‘Zodat de drager, zelfs als hij aan het andere eind van de wereld is, zijn kinderen kan bellen met de zekerheid dat hij ze niet welterusten wenst als ze op weg zijn naar school.’

 

Vrouwenhorloges worden eveneens groter. In een van de kamers van de met rood pluche en goudkleurig behang ingerichte stand van Cartier, na Rolex ‘s werelds grootste horlogemerk, ligt een vrouwenhorloge uit de nieuwe serie Captive in de grootste maat. Het uurwerk ‘voor de assertievere vrouw’ is breder dan een vrouwenpols en aan de bovenkant zit er een soort lus doorheen, die net als de rest van het uurwerk bezet is met diamanten (pavé), in totaal 1.036 stuks (340 duizend euro). Hij is er in dezelfde maat overigens ook in een semi-pavé uitvoering; daarvan is de wijzerplaat niet bezet met diamanten maar de andere onderdelen wel (vanaf 45.600 euro).

Veel horloges van Cartier zijn overduidelijk bestemd voor het Midden-Oosten en de nieuwe markten van de westerse luxe-industrie: India, China, Brazilië, Rusland. Uit dat laatste land lopen opvallend veel juweliers rond op de beurs, vergezeld van mooie, jonge vrouwen die zonder uitzondering opgespoten lippen hebben.

 

Voor die nieuwe, vermogende klanten maakt Cartier grote, opzichtige modellen: openklapbare horloges met koppen van tijgers, pandaberen, en, uiteraard, panters, samengesteld uit hout, lak en diamanten (vanaf 95.000 euro). En nee, ze zijn niet bestemd voor vrouwen; buiten het Westen zijn mannen een stuk minder bang voor afbeeldingen en diamanten, zegt Cartiers Nederlandse pr-man.

 

Vorig jaar betaalde een horlogeverzamelaar uit het Midden-Oosten 3,3 miljoen euro voor een tourbillon van Piaget in de vorm van een Mayatempel. Er zaten 1.200 diamanten op. De meeste horlogeliefhebbers besteden een stuk minder. Volgens Olav Westerwoudt, directeur van IWC Benelux en Scandinavië, beginnen de meeste mannen met een luxehorloge van ongeveer 2.500 euro (bijvoorbeeld de roestvrijstalen uitvoering van IWC’s Portofino Automatic, een simpel vormgegeven, tot 30 meter diepte waterdicht automatisch horloge zonder al te veel poespas). ‘Maar als je het virus hebt’, zegt hij, ‘koop je meestal ook een tweede.’ De meeste horloges die IWC verkoopt, kosten tegen de 10 duizend euro. ‘En alls je het écht te pakken hebt, ga je daarna naar horloges van 25 duizend, 40 duizend euro’, zegt Westerwoudt. ‘De stappen worden steeds groter.’ Het duurste horloge van IWC is de Grande Complication (roségoud, bruine krokodillenleren band, 650 onderdelen, 260 duizend euro).

 

IWC werd in de 19de eeuw opgericht door een speciaal voor dat doel naar Zwitserland verhuisde Amerikaan, en stond jarenlang bekend als een degelijk, maar tikje saai horlogemerk. Tot in 2002 de toen 36-jarige George Kern de baas werd en het merk veranderde in de pitbull onder de luxe horlogemerken. ‘Ik heb van IWC een cool merk gemaakt’, zegt Kern, een kleine man met priemende ogen voor wie zijn medewerkers zichtbaar sidderen. ‘Wij zijn sexy. We hebben mythische ontwerpen. In de horlogewereld is het een survival of the fittest. En wij zijn de laatste jaren gegroeid.’

De stand van IWC, waar tweehonderd man personeel rondloopt, is vormgegeven als een schip. Kerns kamer is ingericht als een kapiteinshut.

 

De avond ervoor was hij het middelpunt van een diner, waar bijna negenhonderd gasten, onder wie oud-tennisser Boris Becker, auteur Paulo Coelho en oud-voetballer Zinedine Zidane, keken naar de nieuwe promotiefilm met acteur Jean Reno (ook lijfelijk aanwezig), die ging over navigatie en ontdekkingsreizen en uiteindelijk over de Portuguese, de serie chonografen van IWC.

De horloges van IWC, dat zichzelf neerzet als een stoer, bijna macho merk, hebben dezelfde snufjes als andere luxemerken. Maar die zijn eigenlijk onzin, zegt Kern. ‘Tourbillons zijn bullshit. Ga niet mee in die onzin! Een kalender die tot 2499 alle schrikkeljaren bijhoudt: wat moet je ermee? Tegen die tijd zijn we allemaal allang dood. Maar ja, de mannen die onze horloges kopen willen het gevoel hebben dat ze iets goeds hebben en daarom stellen we ze gerust met techniek en geschiedenis. Want laten we wel wezen: elk willekeurig kwartshorloge van 5 dollar loopt nauwkeuriger dan de horloges hier.’

 

 

 

Nergens is de kracht van Yves Saint Laurent zo duidelijk te herkennen als bij de couturecollectie voor de zomer van 1971. De ontwerpen, waarin Yves Saint Laurent verwees naar de modestijl van halverwege de jaren veertig, veroorzaakten destijds een schandaal: de modellen zagen er, vond men bijvoorbeeld, uit als de vrouwen die zich tijdens de oorlog inlieten met Duitsers. Maar zelden is show invloedrijker geweest.

 

Tot op de dag van vandaag citeren ontwerpers uit de ironisch bedoelde collectie. Miuccia Prada leende het dessin van rood gestifte monden, Marc Jacobs het model van een van de jurken. De korte, vierkante bontjas wordt altijd wel weer een keer nagemaakt, de gerimpelde stretchjurkjes zie je tegenwoordig overal. En met de asymmetrische avondjurk in camouflageprint was Yves Saint Laurent zijn tijd ver, ver vooruit.

 

Dertien stukken uit de collectie zijn nu in Parijs te zien op de overzichtstentoonstelling Yves Saint Laurent, 40 years of creation, de eerste postume tentoonstelling over de ontwerper die in 2008 op 71-jarige leeftijd overleed. Met meer dan 300 outfits is het een grote tentoonstelling, en tegelijkertijd ook weer niet; een coutureshow van Saint Laurent had al snel een stuk of negentig opkomsten. De Fondation Pierre Bergé Yves Saint Laurent heeft zo'n 5000 sets bewaard.

 

Yves Saint Laurent is een vrij recht toe, recht aan ingerichte modetentoonstelling. De kleren zijn gegroepeerd per thema: de stukken die Saint Laurent tussen 1958 en 1960 maakte voor Dior, variaties op de caban (jopper), mantelpakken, kleren die hij maakte voor vaste klanten, et cetera. Ze worden gedragen door neutrale witte en af en toe helblauwe poppen.

De werktafel van Saint Laurent staat er – een eenvoudig blad op schragen-  er draaien filmpjes en zijn eigen strip is te zien, La vilaine Lulu, over een klein, dik meisje; een heel ander type dan de elegante vrouwen met wie hij zich omringde.

 

De kleren zijn in het Petit Palais nou eens niet achter glas gezet, en bijna allemaal van heel dichtbij te bekijken. Stuk voor stuk zijn ze prachtig gemaakt en in uitstekende staat. Zelfs het zwarte krokodillenleren jack uit Saint Laurents laatste collectie voor Christian Dior – ook al geruchtmakend vanwege het feit dat hij refereerde aan de kleren van beatniks –  ziet eruit alsof het net uit het atelier komt.

 

Bijna alle belangrijke vondsten van Saint Laurent zijn er: le smoking , la saharienne, het uniseks safari-jasje, de jurken waarin hij schilderijen van Mondriaan en andere kunstenaars verwerkte, de van kralen gemaakte ‘Afrikaanse’ collectie uit 1967.

 

Het zijn stukken die, net als de ‘oorlogscollectie’, nog altijd modern aandoen. Wat ook opvalt aan de ontwerpen is hoe vriendelijk ze zijn. Veel kleren van hedendaagse ontwerpers lijken alleen gemaakt voor piepjonge, dunne vrouwen. Van Yves Saint Laurent is er bijna geen outfit waarin je je geen oudere, wat vollere vrouw kunt voorstellen.

 

Niet alles heeft overigens de tand des tijds even goed doorstaan. De rijke, kleurige op de Ballets Russes gebaseerde collectie uit 1976 staat nog steeds overeind, maar de Spaans, Chinees en Indiaas geïnspireerde stukken zijn een beetje te letterlijk uit naar hedendaagse maatstaven. Enigszins teleurstellend is ook de opstelling met tientallen feestelijke, lange avondjurken op rode trappen; al die glimmende overdaad doet op dit moment een tikje ouderwets aan.

 

De tentoonstelling eindigt met een paar avondjurken in effen dunne zijde voile, die Saint Laurent maakte voor zijn afscheidsshow in 2002. Niet de beste stukken, maar wel bijzonder, ontroerend zelfs, omdat het zijn allerlaatste zijn. Ze zijn omringd door papiertjes met gele, zachtroze, groen, fuchsia, blauwe en oranje stofstaaltjes erop geprikt; Saint Laurent was zijn hele werkende leven op zoek naar de perfecte tinten.

 

De expositie geeft inzicht het oeuvre van Yves Saint Laurent. Maar het is niet de definitieve tentoonstelling over zijn werk: daarvoor is er net te weinig duiding. Niet erg overigens; het is mode waarnaar je nog vaak kunt kijken.

Tot 29 augustus, Petit Palais, Parijs

 

Alle nuances zwart in Antwerpen

dinsdag 11 mei 2010 17:28

 

(Gepubliceerd op 14 april in de Volkskrant)

 

Als er één woord is waarmee de damesmode van de afgelopen 25 jaar kan worden samengevat, is het zwart. Bijna geen vrouw die het niet draagt, geen ontwerper die het nooit gebruikt. Regelmatig worden door de mode-industrie pogingen gedaan de hegemonie van zwart te doorbreken; dit voorjaar wordt khaki bijvoorbeeld gebombardeerd tot ‘het nieuwe zwart’. Maar tot nu toe keert de mode steeds weer naar zwart terug.

 

Het modemuseum in Antwerpen heeft een tentoonstelling gewijd aan de kleur die eigenlijk geen kleur is: Zwart, meesterlijk zwart in mode & kostuum. Op zwarte podia staan tientallen bijzondere, geheel zwarte outfits uit de afgelopen tien jaar. Uitbundige haute couture van Riccardo Tisci voor Givenchy; dramatische stukken van Olivier Theyskens; leer en raffia van de Nederlandse Iris van Herpen; showstukken van Viktor & Rolf, en natuurlijk een groot aantal ontwerpen van Ann Demeulemeester, de Antwerpse ontwerpster die al ruim twintig jaar bijna uitsluitend in zwart werkt, omdat ze het ‘de mooiste en meest mysterieuze kleur’ vindt. Historische kledingstukken en schilderijen flankeren de kleren.

 

Die oude stukken zijn vaak rouwkleren, maar lang niet altijd. Al in de 15de eeuw was zwart een modekleur voor vrouwen en mannen, en in bijna elke eeuw was er een periode met een voorkeur voor zwarte kleren. Lange tijd was zwart voor een groot deel van de bevolking verboden als rouwkleur.

 

Er zijn maar een paar heel oude stukken te vinden op de expositie; een zijden mannenpak, handschoenen, een katoenen mutsje en een laken wambuis, allemaal uit de 17de eeuw. Oude zwarte stukken zijn zeldzaam; tot de 19de eeuw was zwart verven een duur en arbeidsintensief proces. Bovendien verloren zwarte stukken verloren snel hun kleur, of ze vielen, door agressieve verfmethodes, snel uit elkaar.

 

Uit de 19de eeuw zijn daarentegen een hoop kledingstukken te zien. Verbazingwekkend hoe dicht moderne ontwerpen soms tegen die 100 tot 150 jaar oude stukken aanschuren.

Van een lange, asymmetrische, dichtgeknoopte jasjurk van Alexander McQueen zou je zweren dat-ie van honderd jaar geleden was. Een ingeweven bloemmotief in de stof van een jurk van Ann Demeulemeester is bijna hetzelfde als dat van een japon uit het midden van de 19de eeuw. Een lange zwarte kapmantel uit de 19de eeuw valt tussen de tien dramatische capes uit de najaarscollectie 1999-2000 van Raf Simons vooral op doordat hij, als enige kledingstuk in de zaal, ronddraait.

 

Het is het zwart dat de oude en nieuwe kleding bij elkaar brengt. Elk tijdperk heeft zijn eigen modekleuren, en die kleuren veranderen voortdurend; het groen van nu is niet het groen van tien jaar geleden. Alleen zwart en wit zijn altijd hetzelfde, en daarom als enige kleuren tijdloos.

Zwart toont zwart in bijna al zijn nuances. Er is chic zwart, somber zwart, ironisch zwart, luxe zwart, feestelijk zwart, rouwzwart. Er is duister zwart, en veelzijdig zwart; met name Demeulemeester weet door haar gevarieerde materiaalgebruik af en toe vrijwel alle schakeringen zwart in één outfit te vangen. Alleen kinky zwart is overgeslagen.

 

De 20ste eeuw is opvallend mager vertegenwoordigd. Er is een replica van Chanels little black dress uit 1926, het beroemdste zwarte kledingstuk uit de geschiedenis, de ultieme modeklassieker en, zo wordt vaak gedacht, het eerste werkelijk moderne kledingstuk voor vrouwen, en het einde van zwart als louter rouwkleur.

 

De jurk , een elegant knielang model met ingestikt ruitmotief, staat op het einde van de tentoonstelling, dus dat laatste misverstand is dan al de wereld uit. Maar een paar oudere, knielange, zwarte jurkjes maken duidelijk dat Chanel niet de eerste was. Zoals grote modenamen zich nu al bestaande ontwerpen kunnen toe-eigenen, zo deed Chanel dat blijkbaar ook in de jaren twintig.

 

Ook toont de tentoonstelling een replica van een zwart-fluwelen vrouwensmoking van Yves Saint Laurent uit 1966. Daar blijft het eigenlijk bij. Zelfs uit de jaren tachtig, toen een hele generatie geheel zwarte outfits ging dragen, is er niets.

Dat zwart kwam destijds uit twee richtingen: van punk en new wave, en van Japanse ontwerpers als Yohji Yamamoto en Rei Kawakubo van Comme des Garçons, die met hun zwarte ‘armoedelook’ de mode veranderden. Voorbeelden van straatmode zijn niet te vinden, ook niet in de overigens interessante catalogus. Van de Japanners is alleen recent werk gebruikt.

 

Naar een duidelijk antwoord op de oorzaak van de huidige populariteit van zwart wordt niet gezocht op Zwart. Misschien is het dragen van zwart nog te vanzelfsprekend om er iets zinnigs over te zeggen, en kan dat pas als de zwarte golf eindelijk voorbij is gegaan – als dat ooit gebeurt.

 

Tot emn met 8 augustus, MoMu, Antwerpen

Mode met Monique

donderdag 22 april 2010 21:26

 

Streekdracht is een van de pijlers van het Zeeuws Museum in Middelburg. Maar sinds het museum drie jaar geleden na een lange verbouwing heropende, spreekt men er liever over mode – streekdracht klinkt nou eenmaal niet zo aantrekkelijk. Ook de manier van tonen is veranderd. Modeontwerpers worden uitgenodigd om hun eigen werk relateren aan stukken uit de vaste de collectie. Na de Belg Erik Verdonck en de Deen Henrik Vibskov is nu Monique van Heist gevraagd een expositie in te richten.

 

Van Heist (1972) neemt een bijzondere plaats in in de Nederlandse mode, en niet alleen vanwege jaar stoere, doordachte vrouwenkleren. Sinds een jaar werkt ze volgens een nieuw, zelfbedacht systeem, dat ze Hello Fashion heeft genoemd. In plaats van steeds met een nieuwe collectie te komen, breidt ze haar collectie beetje bij beetje uit. Alle ontwerpen blijven in principe dus altijd verkrijgbaar. Het Zeeuws Museum zag een parallel met de manier waarop Zeeuwse vrouwen vroeger met hun garderobe omgingen; daar werden ook alleen maar dingen aan toegevoegd.

 

Mode met Monique, zoals de bescheiden expositie heet, is verdeeld over drie zalen. In de eerste zijn in een alle kledingstukken uit de Hello Fashioncollectie te zien zijn, vergezeld van bijpassende kledingstukken en andere voorwerpen uit de collectie van het Zeeuws Museum.

Bij een witte overhemdjurk is een 18e eeuws vrouwenhemd gekozen, bij een gebloemde broek een paar opgevouwen antieke gebloemde rokken, bij haar feestjurk in de vorm van een vijfkantige ster een gedroogde zeester.

 

Het is een drukke opstelling met een subtiel kleurverloop, en vol geestige details, maar de onderlinge connectie tussen de stukken wordt pas na lang kijken duidelijk. Doordat er geen poppen zijn gebruikt, komt de kleding ook niet echt tot leven.

 

Wat dat betreft is de tweede zaal beter geslaagd. Voor haar lookbook laat Van Heist haar kledingstukken fotograferen op 'gewone' mensen, die poseren in hun eigen omgeving en met eigen accessoires.

 

Voor deze gelegenheid staan medewerkers van het museum, alsook andere Zeeuwen, in kleren van Van Heist op de foto. Op iedere foto is ook minstens een oud kledingstuk of een ander voorwerp van het museum afgebeeld; zo draagt een schoonmaakster naast een broek en rok van Van Heist ook een een ‘Cadzand-jasje’ uit 1913. Achter haar, op de bank, zit haar puberzoon in zijn eigen trainingspak.

 

De tentoonstelling eindigt met een muurgrote foto van Van Heists atelier, waarin voorwerpen uit het museum zijn geplaatst. Op een andere muur is een grote letterbak opgehangen, met spullen uit het museum en van Van Heist zelf. In het midden staat een bed met een gebloemd dekbed, erachter hangen kledingstukken in dezelfde stof.

 

Het is een vrolijke bedoening bij Mode met Monique. Maar de expositie maakt weinig duidelijk over de vermeende overeenkomst tussen de opbouw van een traditionele Zeeuwse garderobe en de werkwijze van Van Heist (overigens niet Zeeuws). En voor de liefhebbers van Van Heist biedt hij weinig nieuws.

 

Dat komt deels door haar werkwijze. Het is een geweldig idee om duurzame ontwerpen te maken, en Van Heists kleren blijken inderdaad meerdere seizoenen goed te blijven. Maar ze zijn daardoor inmiddels zo bekend, dat ze ook in een museale omgeving niet meer echt verrassen.

 

Mode met Monique, Expositie in het Zeeuws Museum, Middelburg. Tot en met 24 oktober. zeeuwsmuseum.nl

Dinsdagmiddag 9 maart zat ik aan de telefoon met een modecollega. Om half drie moesten we ophangen: de najaarsshow van Louis Vuitton begon. Zij zat in de tent die in Parijs op een binnenplaats van het Louvre was opgetrokken, ik keek naar via Louis Vuittons ‘vriendenpagina’ op de sociale netwerksite Facebook.

 

De presentatie was op drie manieren online te bekijken. Je kon kiezen voor het overzichtsbeeld, waarbij je meerdere modellen in jarenvijftigjurken om een fontein zag lopen. Een andere optie was een head to toe scan, waarbij de de camera steeds van het hoofd naar de voeten van individuele modellen bewoog. En dan was er ook nog de bag close-up, die zonder gêne de eigenlijke bedoeling van de show blootlegde: het verkopen van tassen. De kleren van Louis Vuitton worden nauwelijks verkocht, zelfs de schoenen die in de show te zien zijn worden lang niet allemaal in productie genomen.

 

Onder in beeld kwamen de commentaren van van mede-Facebookkijkers van over de hele wereld voorbij. ‘Lame.’‘Très, très chic.’ Toen model Jessica Stam voor de tweede keer struikelde: ‘Fuck, Stam almost fell twice.’ En ja: ‘What bag will I buy?’

 

Na afloop werden nog geregeld foto’s van de show op de LV-Facebookpagina geplaatst. Iedereen die voorafgaande aan de vertoning van de show zich had opgegeven fan te willen worden van het modemerk, kreeg de foto’s automatisch toegestuurd. Eind vorige week konden zo 850 duizend fans 31 detailfoto’s van tassen en schoenen bekijken.

 

De mode mag dan graag teruggrijpen op stijlen uit het verleden, de nieuwe mogelijkheden om shows de hele wereld over te sturen worden door de modewereld gretig omarmd. Louis Vuitton, dat een half jaar geleden een van de eerste modehuizen was die overging tot live streaming, was dit seizoen lang niet meer de enige; tientallen modehuizen maakten hun shows op die manier toegankelijk voor het grote publiek.

 

De shows van Prada en Prada’s tweede lijn Miu Miu waren rechtstreeks te zien op de respectievelijke websites, en die van Dolce & Gabbana via de iPhone. Bij de show van de eerste lijn van Dolce & Gabbana was het principe van live-registratie ook in de zaal toegepast. Op monitoren was te volgen hoe backstage de laatste hand werd gelegd aan de outfits en de kapsels van de modellen.

 

Burberry Prorsum showde in Londen, maar organiseerde in Tokio, Parijs, Dubai, Los Angeles en New York bijeenkomsten voor modemensen, inkopers en vips waar de show rechtstreeks en in 3D werd vertoond op grote schermen. De rest van de wereld kon de show zien via de Burberry-site en via een aantal bekende blogs en modesites.

 

Ook de voorjaarsshow 2010 van het Nederlandse jeansmerk G-Star tijdens de New York Fashion Week werd vorige maand live uitgezonden, via de eigen website, Facebook en MTV Japan. Voorafgaand daaraan had G-Star een wedstrijd uitgeschreven. De beste twitteraar, modeblogger, YouTube-filmer en Flickr-fotograaf mochten mee naar New York om daar verslag te doen van de opbouw van de show, de aankomst van de sterren die de show bijwoonden en de werkzaamheden backstage. Die verslagen gingen naadloos over in de uitzending van de show, 7 uur ’s avonds New Yorkse tijd, 1 uur ’s nachts Nederlandse tijd. ‘En het ging nog ook’, zegt Marije de Boer van G-Star. ‘De site liep niet vast.’

 

Modeshows zijn alleen toegankelijk voor pers, inkopers en beroemdheden. Voor andere modeliefhebbers geeft live streaming de mogelijkheid toch iets van de ervaring mee te krijgen. Voor modehuizen is het een prachtkans veel meer te halen uit de tonnen die soms in een show worden gestopt. ‘De kosten ervan zijn in verhouding met die van de show verwaarloosbaar’, zegt De Boer. ‘Het is goed voor je naamsbekendheid.’

 

‘Internet biedt de mogelijkheid om snel en direct contact te maken met het publiek’, zei Stefano Gabbana, de helft van Dolce & Gabbana, vorige maand in het Amerikaanse modevakblad WWD. ‘Het is niet de toekomst, het is het nu.’

 

Maar in vergelijking met een echte show is een internetregistratie afstandelijk, onscherp en vooral sfeerloos. De show van Louis Vuitton duurde nog geen tien minuten, maar ik merkte dat ik me na een minuut of vijf al begon te vervelen, wat me in de zaal bij Vuitton nooit is overkomen.

 

Dolce & Gabbana vertoonde tijdens zijn laatste show naast backstagebeelden ook een zwart-witfilm waarin werd getoond hoe de beroemde getailleerde jasjes van het huis worden gemaakt. Tijdens de finale, waarin zeventig modellen in zulke zwarte jasjes de catwalk opkwamen, verschenen alle medewerkers van het atelier in beeld, gekleed in witte stofjas en met een ernstige blik in de ogen. Uit de speakers klonk Elton Johns Ýour Song. Een aanzienlijk deel van de duizend modeprofessionals in de zaal was tot tranen toe geroerd door dit multimediale bombardement. Het lijkt me sterk dat degenen die via hun iPhone meekeken net zo waren geraakt.

 

Shows die alléén zijn te zien via internet zijn nog uitzonderingen. Viktor & Rolf deden het eenmalig bij hun voorjaarscollectie 2009. De presentatie was gemodelleerd naar een traditionele catwalkshow, alleen waren de stoelen naast de catwalk leeg en deed er maar één model mee. Doordat de show speciaal voor internet was gemaakt, kwam hij beter over dan de meeste films van modeshows. En toch: om te beseffen hoe bewerkelijk sommige stukken waren, moest je ze in het echt zien.

 

De vraag is of dat laatste nog belangrijk is. In veel shows zijn outfits te zien die nooit in de winkel terecht zullen komen. Die zogenaamde showstukken zijn alleen te zien op foto’s en films van de shows, in modereportages en, gedragen door sterren, op foto’s van premières en award-uitreikingen.

 

Tot style.com, de site van de Amerikaanse Vogue die foto’s van modeshows binnen 24 uur plaatst, in september 2000 online ging, duurde het bijna een half jaar voordat het publiek meer van modeshows kon zien dan de paar foto’s die kranten vlak na de show publiceerden. Op het moment dat de beelden en modereportages met kleren uit die shows naar buiten kwamen, lagen de kleren ook daadwerkelijk in de winkel. Nu zit tussen die twee momenten een periode van minstens vier maanden. De kans dat in die periode de eventuele koopaandrang verflauwt, is niet onaanzienlijk.

 

Burberry Prorsum heeft daarvoor een oplossing gevonden. Alle dertig tassen en achttien van de jassen die in de show waren te zien, konden tot drie dagen na afloop worden besteld. Levertijd was zes tot acht weken, waardoor de spullen drie maanden eerder aan vroege individuele kopers dan aan winkels werden geleverd.

 

Je nieuwe winterjas of -tas in huis voor de lente goed en wel is begonnen: het is de nieuwste zegening van mode op internet.

Parijse couture in Den Haag

zaterdag 17 april 2010 09:43

 

Modetentoonstellingen zijn in de mode in Nederland. Vorig jaar was naast de Mode Biënnale Arnhem in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen het groots opgezette Gejaagd door de wind te zien, en op dit moment zijn er maar liefst vier mode-exposities tegelijk. Het Centraal Museum in Utrecht heeft Alexander van Slobbe, het Groninger museum Bernhard Willhelm, het Zeeuws Museum Mode met Monique van Moniquevan Heist.

 

Verreweg de meest ambitieuze van de vier is te vinden in het Gemeentemuseum in Den Haag. Haute Couture/ Voici Paris! is een groots opgezette, uitbundig vormgegeven, toegankelijke tentoonstelling, waaraan grote internationale modehuizen hun medewerking verleenden.

Na anderhalf jaar aandringen kreeg conservator Madelief Hohé modehuis Chanel zover dat het een serie witte jurkjes en pakjes uit de vorige zomercollectie uitleende. De grootste zaal is gevuld met recente, fantasierijke, sprookjesachtig mooie creaties van Dior, en ook Jean Paul Gaultier heeft een eigen ruimte. Andere huizen stelden een of twee stukken ter beschikking, zoals de Libanese Elie Saab, geliefd bij Hollywoodsterren, vrouwen uit het Midden-Oosten en Sylvie van der Vaart.

 

De Parijse haute couture is de exclusiefste vorm van mode. Er is een speciale modeweek voor de met de hand en op maat gemaakte vrouwenkleding, er zijn maar elf Franse modehuizen die haute couture maken volgens de officiële Parijse regels. Die luiden: een huis moet in Parijs zijn gevestigd en minstens twintig vaste medewerkers hebben. Een collectie dient te bestaan uit minimaal 25 ontwerpen, en een klant moet minstens drie keer komen passen. Tijdens de Parijse coutureweek showen ook huizen uit andere landen en (buiten het officiële programma om) jonge ontwerpers zoals de Nederlandse Jan Taminiau.

 

Er zijn maar een paar honderd vrouwen op de wereld die haute couture kopen. De shows zijn tegenwoordig vooral bedoeld als uithangbord voor vakmanschap en creativiteit. Hoewel ook die functie onder druk staat: de showstukken in de pret-porter shows (kleren die dus alleen voor de show zijn gemaakt, en niet in winkels terechtkomen) zijn vaak net zo bijzonder en bewerkelijk.

 

Vijftig jaar geleden was couture de enige echte vorm van mode. De stukken werden toen niet alleen gemaakt door de huizen zelf: couturemerken verkochten ook patronen van hun ontwerpen, waarbij precies werd voorschreven welke stof en fournituren moesten worden gebruikt. Via lokale modewinkels en coupeurs vonden die hun weg naar particulieren. Yves Saint Laurent was in 1998 de laatste die met deze praktijk stopte.

 

Naast authentieke historische stukken uit de eigen collectie van het Gemeentemuseum, van onder anderen Paul Poiret, Cristobal Balenciaga, Hubert de Givenchy en Jeanne Lanvin, zijn een aantal in Nederland in elkaar gezette ontwerpen te zien. Dat deze vorm van couture niet heel exclusief was, wordt meteen duidelijk. Van een middagjurk van Dior uit 1972 hangen drie identieke versies naast elkaar, nota bene allemaal verkocht door modehuis Kühne in Den Haag.

 

Originele Nederlandse couture – in feite geen haute couture, maar showstukken of maatkleding naar eigen ontwerp – is ook te vinden in Den Haag, zij het in beperkte mate.

Jan Taminiau en Iris van Herpen, een jonge ontwerpster die bewerkelijke creaties van leer maakt, hebben ieder een eigen kamertje. Voor ontwerpen van Frank Govers, Mart Visser, Frans Molenaar, Viktor & Rolf, Fong-Leng, Percy Irausquin en andere Nederlandse namen is een even geestige als passende opstelling bedacht.

 

Waar de stukken van Parijse couturehuizen worden gedragen door poppen en staan opgesteld in decors van sierbogen, bloemstukken, Parijse daken en een sprookjesbos, zijn in de Hollandse ruimte boven een zwarte snelweg twee elektriciteitsmasten opgetrokken. De kledingstukken zijn opgehangen aan de elektriciteitsdraden, op het eerste gezicht met een simpele kleerhanger.

 

De jurken en pakjes mogen van deze ontwerpers mogen dan weliswaar uitsteken boven de typisch Nederlandse nuchterheid, ze zijn daar tegelijkertijd, zo wordt gesuggereerd, onlosmakelijk mee verbonden.

 

Haute CoutureVoici Paris! Gemeentemuseum Den Haag. T/m 6 juni 2010.

 

Toch voordeliger

woensdag 7 april 2010 14:25

 

 

Als telg van de familie die groot is geworden met goedkope  textiel wil hij niet te veel nadruk leggen op de prijs. Alexander Brenninkmeijer (42), uit de C&A-clan, maakt tenslotte  chique, minimalistische  vrouwen- en mannenmode, geen  massaconfectie die je verkoopt door te vertellen hoe betaalbaar die is.  Maar zijn merk, Clemens en August, is wel degelijk voordelig.

 

De kleren van Clemens en August worden  niet verkocht in  winkels. Brenninkmeijer en zijn medewerkers doen, als een  rondreizend modecircus, een paar dagen lang een stad aan,  huren er een galerie en verkopen hun kleren daar rechtstreeks aan particulieren. ‘Bij winkels gaat de inkoopprijs  tweeënhalf keer over de kop. Voor een pak dat bij ons  450 euro kost, zou je, als wij het doorverkochten aan winkels, meer dan 1.100 euro betalen’, zegt hij. 

Brenninkmeijer – achterovergekamd haar, grijze baard en  een Duits accent – werd geboren in Duitsland, en verhuisde  na de lagere school naar Nederland.  Na een studie bedrijfskunde deed hij wat zijn vader  ook had  gedaan: hij volgde de  interne opleiding van C&A en ging  vervolgens aan het werk in  het familiebedrijf.

 

‘Het was in die tijd niet gebruikelijk iets anders te doen, maar  ik vroeg me altijd af: als ik niet in deze familie was geboren,  was ik dan ook bij C&A gaan werken? Ik merkte steeds meer  dat het niet bij me paste, zo’n groot bedrijf waar je niet zomaar je stempel op kunt drukken.’

 

 

Op zijn 28ste verliet hij C&A. Een jaar later ontmoette hij de  Duits-Griekse ontwerper Kostas Murkudis, die net bezig was  in München een eigen merk op te zetten. Brenninkmeijer  werd zijn zakelijk partner. Het avant-gardistische merk werd  een succes, maar in 2003 stapte Murkudis plotseling op. (De  ontwerper werkt inmiddels weer alleen onder zijn naam.)

 

‘Ik wist dat we ook zonder hem goed zouden zijn, maar ik  had geen zin om het weer via Parijs te doen’, zegt Brenninkmeijer. ‘Onze shows werden goed besproken, we lagen bij  alle goede winkels. Maar als je ging kijken zag je dat het maar  een klein rek was. Ze gebruikten merken als het onze om interessanter over te komen, maar de omzet werd gemaakt  met grote merken als Tommy Hilfiger. Dus de bestellingen werden nooit groter. Bovendien vond ik  onze kleren gewoon te duur. Er zijn maar weinig  mensen die de volle prijs betalen voor designermode. Iedereen wacht op de uitverkoop, modemerken verdienen hun geld met accessoires.’

 

Zo kwam hij op het idee van zijn ‘tour’. Clemens en August trekt elk seizoen zes weken door Europa en Japan  met de collectie, en doet drie tot vier steden per week  aan. Er is ook een webwinkel, maar de volledige collectie kan daar niet worden gekocht. De basiscollectie en  de door kunstenaars ontworpen overhemden en accessoires zijn in de webwinkel gewoon verkrijgbaar, maar de  seizoenscollectie is pas na de tour online te koop. ‘Op die  manier zorgen we voor spanning rond ons merk: als je er niet  bij bent in de paar dagen dat we in de stad zijn, mis je iets.’

 

Brenninkmeijer noemde zijn bedrijf naar de twee oprichters  van C&A, Clemens en August Brenninkmeijer; hij stamt van  beiden af: zijn vader en moeder zijn verre familie van elkaar.  ‘Ik had het ook Hans en Frans kunnen noemen, maar vroeg of  laat waren mensen er toch achter gekomen dat ik een Brenninkmeijer ben. Het heeft natuurlijk ook voordelen, je krijgt  meteen aandacht.’ Bovendien zegt hij, werkt hij eigenlijk net  zo als de oprichters van C&A: ‘Die trokken met hoogwaardige linnen stoffen van boerderij naar boerderij.’

 

Niet iedereen in zijn familie was blij met die merknaam. Zijn  neef Erik legde razendsnel de naam Clemens & August vast  in zestig landen en begon een trits rechtszaken tegen het  nieuwe modemerk – die hij allemaal verloor. ‘Omdat het grote publiek de namen Clemens en August niet  kent had niemand binnen het bedrijf die namen ooit gedeponeerd. Dus iedereen had ze kunnen gebruiken’, zegt Brenninkmeijer. ‘Ik begrijp tot de dag van vandaag niet dat we het  niet binnen de familie konden oplossen.’

 

De ruzie is inmiddels bijgelegd. Erik Brenninkmeijer heeft alle  juridische kosten betaald, Alexander heeft laten vastleggen  dat Clemens en August altijd in de familie zal blijven. ‘Ik kan  mijn merk dus nooit verkopen’, zegt Alexander Brenninkmeijer.

 

 

Clemens en August is deze maand voor het eest in Nederland. Van 9 tot en met 11 april in White Space, M.J.Kosterstraat 18, Amsterdam. Van 15 tot en met 17 april in Witte de With, Witte de Withstraat 50, Rotterdam. Openingstijden op meide locaties: van 11 tot 20 uur. Clemens-en-august.com

 

Fotografie: Alexander Brenninkmeijer

 

 

 

 

Precies een week eerder was ze  het middelpunt in de najaarsshow van Viktor & Rolf, waar ze, net als Maggie Rizer elf haar voor haar, laag over laag kleding kreeg aangetrokken. En afgelopen zaterdag was ze in Amsterdam, voor de opening van een aan haar gewijde tentoonstelling bij galerie Reflex. Er hangen foto’s die haar man Miles Aldridge heeft gemaakt, en tekeningen en schilderijen van Chantal Joffe.

In de jaren negentig was de Amerikaanse Kristen Mc Menamy, met haar magere lichaam en opvallende gezicht, een wereldberoemd model. Ze was het gezicht van Versace, maar poseerde ook naakt, vol blauwe plekken, met de naam Versace met lipstick op haar lichaam geschreven. Inmiddels is ze 46 jaar, moeder van vier kinderen, en weer volop aan het werk. Afgelopen najaar was ze het gezicht van Lanvin, in het nieuwe nummer modeblad Love is ze pagina’s lang naakt te zien. Wat ik niet zag op de foto’s en in de show is dat haar lange haar helemaal grijs is. Stoer. 

 

De Amerikaanse Vogue wijdt in het maartnummer een artikel aan de het succes van Nederlandse modellen. In bijna iedere belangrijke modeshow lopen tegenwoordig minstens een paar Nederlanders mee, onder wie Lara Stone, Patricia van der Vliet, Anna de Rijk, Kim Noorda en Mirte Maas.

Of zoals Vogue zegt: At this moment, the face of beauty is Dutch.

En waarom? ‘De modellen zijn net wat langer en atletischer, en net een een beetje meer 17e-eeuws Nederlands.’ Omdat dat laatste te onderstrepen is er een foto van Lara Stone, met haar hoofd en hals omwikkeld met wit kaasdoek. ‘Knijp je ogen dicht en kijk of de foto niet een beetje lijkt op iets van Pieter de Hooch of Rembrandt van Rijn of wie dan ook van de 17e-eeuwse Nederlandse schilders.’

Stone (haar achternaam komt van haar Engelse vader) doet zelf ook haar best om het gezellige Oudhollandse beeld in stand te houden. ‘Over het algemeen fietsen wij Nederlanders overal naar toe, en zijn we veel buiten, dus onze wangen zijn rood,' zegt ze in het stuk. 'En we eten gezond, met ons simpele brood en onze aardappelen en onze kaas. We zijn gezonde  mensen.’

 

 

Parijs (slot)

vrijdag 12 maart 2010 21:42

Volwassen, elegante collecties, vol goede, draagbare pakken, winterjassen, jurken - daar draaide het bij de meeste modehuizen om, tijdens de Parijse modeweek voor najaar 2010; de sexy  rockchickmode en lingerie van de afgelopen seizoenen waren zo goed als  verdwenen.

 

 

Erg goede jassen en pakken, met broeken met een rechte, wijde pijp, waren te zien bij Maison Martin Margiela.

Het huis gaf, sinds het vertrek van de naamgever, twee shows die zo teleurstellend waren, dat er bij de presentatie voor najaar 2010 stoelen leeg bleven. Maar het modehuis, waarvan de collecties nu worden ontworpen door een anoniem designteam, revancheerde zich met een geslaagde collectie. Het Maison kwam met een heel nieuwe mouwvorm: de mouwen hadden liepen naar de achterkant uit in een platte, ronde vorm. Opmerkelijk waren de halve broeken, met alleen aan de voorkant stof, en ver uitstaande taillebanden. Accessoires hadden de vorm van uitvergrote mannensieraden: een zegelring werd een armband, een metalen horlogeband een riem.

 

 

Nu Sonia Rykiels vrolijke strepen voor een habbekrats bij H&M hebben gelegen, was het te verwachten dat ze geen grote rol  zouden spelen in haar nieuwe collectie. Drie gestreepte sets waren te zien, ergens midden in de show, die opende met een oversized mannenpak. Jasjes waren er te over in de sober gekleurde collectie. Soms waren dat echte jasjes, soms geestige trompe l’oeils: op de voorkant van truien waren soms  delen van een colbertjes waren gestikt.

 

Bij Ann Demeulemeester draait het al twintig jaar om jasjes en broeken. Ook in haar najaarscollectie waren wijde, elegante pantalons te vinden, alsook strak toelopende broeken. Ze werden gedragen met korte jasje, losjes vallende gilets, (rode) leren jasjes, stoere wollen capes, en nonchalante bontjasjes die met een veter in de taille waren vastgemaakt. Kettingen van vele koorden gevlochten leer gaven de outfits een stoer, tribal karakter mee.

 

 

Als er iemand experimenteel uit de hoek kan komen, is het wel de Brit Hussein Chlalayan, die daarom een lieveling is van Nederlandse modecuratoren. Maar zijn show voor najaar 2010 had een opmerkelijk praktische inslag. Al waren de kleren zelden doorsnee vormgegeven, zo’n beetje alles wat je als dit najaar nodig zou kunnen hebben kwam op de catwalk voorbij.

De show –een verbeelding van een reis door de VS– begon met oversized jassen en colberts en sweaters met capuchons of zilverkleurige stukken op de schouder (New York). Via kuise zwarte jurkjes en rokken(Pennsylvania) ging hij naar het orkanengebied in het zuiden (jurken en blouses met duistere onweerdessins) waarna er zwart leer met vrolijk gekleurde gebreide ruches erop opdook (de grens met Mexico). De kleur van de woestijn kwam terug in camelkleurige poncho’s en jassen, de Amerikaanse zakelijkheid in grijze jurken en een chique broek met wijde pijpen. De schuine sjerpen op sommige jurken herinnerden aan schoonheidswedstrijden, de intrigerende lange jurken waarmee de show eindigde –met een onweerdessin van pailletten of zwart, met een geplooide, uit meerdere lagen bestaande capuchon– waren feestelijk genoeg voor de Oscaruitreiking.

Niet helemaal duidelijk werd of het nou de bedoeling was dat de khaki spijkerbroeken, die door de hele show heen werden gedragen, zo veel leken op de onmodieuze, typisch Amerikaanse mom jeans.

 

Fotografie: Peter Stigter

 

 

Profielfoto Milou van Rossum

Milou van Rossum

Woonplaats: Amsterdam
MIlou van Rossum (44) is moderedacteur van de Volkskrant. Op dit weblog schrijft zij onder meer over (inter)nationale modeshows, ontwerpers en modetenstoonstellingen.
40 jaar
  • Niet verplicht
  • Je boodschap moet minstens 5 en hoogstens 1500 tekens bevatten
  •  

Links

Over dit weblog

Milou van Rossum (43) is moderedacteur van de Volkskrant. Op dit weblog schrijft ze over nationale en internationale mode.

Laatste reacties

persona

Louis Vuitton in de Bijenkorf
jan met de pet: Weer een zaak erbij voor die omhooggevallen figuren, zodat …

persona

Louis Vuitton in de Bijenkorf
christine: Ja, de Vuittongeschiedenis is niet fraai, het was tot decennia …

persona

Louis Vuitton in de Bijenkorf
Britt: De zoveelste plek waar je (de accessoires van) Vuitton, Hermes, …

persona

Louis Vuitton in de Bijenkorf
wouter: During the World War II, Louis Vuitton collaborated with the …

persona

Louis Vuitton in de Bijenkorf
kortjakje: Inderdaad alles van nep materiaal en lelijk. Maar het is …

Archief / RSS

Bekijk het hele archief van Milou van Rossum, of klik op een van de jaren hieronder om een deel van het archief te ontsluiten.

2010
2009
2008
2007

Zoek in het archief



Zoeken

Abonnementen

Alle blogs rss google netvibes
Deze gebruiker rss google netvibes

Statistieken

TelMiep
  •