
In de volkskrant las ik het vreselijke bericht van de mogelijke steniging van een overspelige Iraanse vrouw. Wat me vooral weer opviel was de discriminerende houding t.o.v. vrouwen. Het stenigen van een man met een dergelijke "vergrijp": lijkt me nooit in die cultuur aan de orde.
Hoe was dat vroeger bij ons? Onlangs hoorde ik van een gepensioneerde onderwijzeres dat zij met haar werk had moeten stoppen toen ze trouwde. Dat was in die tijd zelfs in de wet vastgelegd, wanneer dat veranderd is weet ik niet. Maar dus blijkbaar pas ergens na 1945! Ik heb een prachtig antiquarisch boek uit 1679. Gelresche Landt ende Stadtrechten int' Over-Quartier van Ruremonde. Den derden druck. De eerste druk, in de kern met dezelfde inhoud, is uit 1619. Dit rechtsboek was geldig in o.a. Roermond, Venlo, Weert en schijnt als voorbeeld ook in andere provincies (zelfs uit de Nederlandse Republiek) gebruikt te zijn tot de Franse tijd. Wat staat er over overspel van de vrouw? Een van de dingen (pag. 23) is:
"Des moet de Man de Vrouwe laten volgen haere dagelijcxe kleederen, ende haer tamelijck onderhalden in een Clooster oft andere eerlijcke ende bequaeme plaetse daer 't hem ende het Gericht goet dunckt, ende soo sy daer niet en blijft oft ontloopt, en is der man haer geene kleedinge ofte voorder onderhaldt schuldigh."
Van de ene kant lijkt dit heel sociaal: zelfs als de vrouw overspel heeft gepleegd heeft de man nog plichten. Hij moet namelijk zorgen voor kleren. Maar verder dient hij haar op te sluiten in een klooster en als ze daar ontvlucht is hij haar niets meer schuldig.
Als een man of vrouw overspel pleegt mag de ander van hem scheiden en heeft hij of zij recht op de helft van de waarde van het huis envan het roerende goed, tenzij er huwelijkse voorwaarden zijn. Maar het verschil: de man kan rustig met zijn nieuwe liefje verder leven, terwijl dus de vrouw bij een dergelijk vergrijp wordt opgesloten. Ook bij ons was het dus nog niet zo lang geleden dat een vrouw een soort bezit was dat je in een klooster kon stoppen. Mozart heeft prachtige variaties gescheven op het lied "Ein Weib ist das herrlichste Ding". Een vrouw is het heerlijkste ding dat je kunt bezitten.
Verder zien we in het rechtsboek uit 1679 dat in een huwelijk de vrouw in de kern geen zeggenschap over bezit heeft. Alle zeggenschap over bezit is in principe van de man, tenzij er getrouwd is met huwelijkse voorwaarden. (pag. 20). Wel zien we dat een vrouw mag scheiden van een verkwistende man als ze in gemeenschap van goederen is getrouwd, waardoor de schulden die ook zij voor de helft heeft opgebouwd automatisch komen te vervallen. Verder is het zo dat een langstlevende vrouw een eerder gemaakt gezamelijk testament na de dood van haar man mag wijzigen.
Over lijfstraffen bij overspel staat nergens iets. Wel was er vaak nog discussie tussen de wereldlijke machthebbers (de schepenen) en de kerkelijke rechtbank (het officialaat). Trouwen deed je in principe bij katholieken voor de kerk, en de bisschoppen vonden dan ook dat het hele huwelijksrecht bij hen thuishoorde. Als voorbeeld een kerkelijke rechtszaak uit het bisschoppelijk archief van roermond:
Gertrudis
Wijnckens contra Bernardus Ool alias Michaels.
Separationis illicitae.
16 Maart 1666 - 21 Juli 1666
Volgens de libellus actrixcis zijn ze 15 jaar geleden getrouwd en in Neer gaan wonen, waar hij haar mishandelde, haar koe verkocht zogenaamd om daarvoor huisraad te kopen, maar feitelijk kocht hij "bombarda et exploserit in eam". Daarna ging hij vijf jaar naar het leger. Het geld dat zij hem gaf toen hij terug keerde voor zijn vak verkwistte hij. Later trok hij naar Roermond, verkocht alles tot de kleren toe die zij in de kerk van Helden in bewaring had gegeven. Ze is van hem weggegaan en in Helden gaan wonen. Nu vraagt ze dat hij weer bij haar komt wonen en haar goed zal behandelen. Aldus wordt ook uitgesproken na een kort ordelijk proces. De man had wel verklaard dat ze volgens zeggen van haar eigen nicht een slechte naam had en daarom weggestuurd was uit het klooster St. Elisabeth.
Het schrijnende van dit verhaal is dat blijkt hoe moeilijk het was om als vrouw alleen je staande te houden. Dat je blijkbaar, zelfs als in de rechtszaal je man zegt dat hij alle recht van de wereld heeft omdat zijn vrouw een slechte naam heeft en zelfs uit het klooster is gezet, je toch nog wil dat hij bij je komt wonen en je verzorgt! Opvallend is ook hoe de geestelijke rechter blijkbaar deze toch ook wereldlijke macht heeft.
In de crypte van de O.L.V. Basiliek van Maastricht waar het winkeltje is gevestigd kocht ik voor 25 euro onlangs de nog als laatste verkrijgbare leisteen met zegel. Deze leisteen is afkomstig van het dak van de net gerestaureerde westelijke toren. De opbrengst van de verkoop dient als "laatste steentje" om de financiering rond te maken. Thuis had ik al een plak leisteen liggen, uit de Ardennen. Klaar om te verwerken tot dakpan. Elke steen heeft een geschiedenis. Bij leisteen gaat het om getransformeerde klei van miljoenen jaren geleden. Als ik dat overdenk krijg ik een enorm nietig gevoel en beleef ik een klein beetje de geschiedenis van die steen. Bij de leisteen van de basiliek voel ik vooral de eeuwenlange historie van dat gebouw in die steen. De tijd dat Thomas van Aquino, de ketterjager, in de dertiende eeuw op het plein stond om de landheren van de omgeving in een vlammende preek op te roepen deel te nemen aan een kruistocht. Werner van Swalmen, broer van de Maastrichtse kanunnik Robijn van Swalmen, ging bijv. mee en stichtte bij terugkomst het karthuizerklooster van Roermond. Of een van de torens van de basiliek, die als plaats diende om kostbare archieven in op te bergen bij weer een van de vele dreigende oorlogen en belegeringen. Als vaste plaats lag daar het document dat in de 13e eeuw regelde hoe de stad zowel door de bisschop van Luik als de hertog van Brabant bestuurd zou worden. En elke nieuwe autoriteit zwoer weer een eed om de tweeherigheid te laten voortduren, totdat Frankrijk in 1795 de stad annexeeerde. De kerk maakte mee hoe in die tijd vele schatten werden gestolen, vernield, verkocht. Hoe de kerk een paardenstal en legerwerkplaats werd. Na de Franse tijd zelfs bijna afgebroken, maar uiteindelijk trof dat lot de buurkerk, St. Nicolaas, en mocht de O.L.V. Basiliek van kapittelkerk tot parochiekerk verworden. Hoe het kerkhof op het plein werd afgegraven en uiteindelijk werd omgetoverd tot het gezelligste pleintje van de stad volgens vele inwoners.
De steen is zwart, zoals het hoort. Hij zit in een mooi zwart kartonnen doosje, en heeft een lakzegel, om zogenaamd de authenticiteit te waarborgen. Is hij echt, zoals dat ook bij veel verzegelde reliquiën maar zeer de vraag is? Het maakt me niet uit, net zoals al de mensen naar al de reliquiën blijven gaan en een soort verbondenheid met de historie van de heilige overledene proberen aan te gaan. De leisteen symboliseert voor mij iets moois, iets rijks.
Deze zelfde beleving heb ik ook bij antiquarische boeken. Op mijn website probeer ik die beleving over te brengen. Gisteren waren drie boeken van Pierre Doppler, 100 jaar oud, onderwerp van mijn mijmeringen. Ik wil er nog vele laten volgen.
Op mijn nachtkastje liggen op
dit moment twee boeken: "Bisdom aan de Maas" en het laatste
jaarboek van Rura, de historische vereniging van Roermond. In dat
jaarboek las ik een artikel van de werkgroep Archeologie van
Rura. Een voormalig hotel is gesloopt, de middeleeuwse kelders
zijn uitgegraven zonder archeologische begeleiding. Ook een
restaurant aan de markt is gesloopt. De vergunning was verleend
en er was niets meer aan te doen. De funderingen bleken mogelijk
uit de dertiende eeuw te zijn. De vereniging stelt verontwaardigd
dat vergunning tot sloop van kelders en funderingen in dat deel
van de stad pas plaats mag vinden als er eerst een degelijk
onderzoek heeft plaats gevonden. Het is duidelijk dat de historie
van de stad voor de bestuurders van de stad Roermond geen
prioriteit heeft. Daar trek je toch geen toeristen mee, of
bedrijven? Bedrijven moeten zich kunnen vestigen bij een goede
uitvalsweg. Daar heeft Roermond jaren voor geijverd, en nu is
deze er dan eindelijk: de A73. Tja even wat ellende: de tunnels
moesten steeds dicht. Maar de tunnel-perikelen lijken nu ten
einde, en de stad mikt op de komst van veel bedrijven. Inderdaad:
het outletcenter en mega-winkels als de mediamarkt hebben nu al
een aantrekkingskracht op vooral Duitsers. Roermond laat zijn
rijke historie verslonzen en richt zich op de toekomst!
Hoe ging dat vroeger? Maastricht, al voor het begin van de jaartelling een garnizoensplaats van de Romeinen, dreigde daarna helemaal van de kaart te verdwijnen door de volksverhuizingen. Bisschop Monulfus (zie afbeelding: Monulfus en Gondulfus bij Servaas Maastricht), die aan het eind van de zesde eeuw bisschop van Maastricht wordt, heeft dringend behoefte aan een opwaardering van zijn stad. Hij "maakt" Servatius. Hij gaat op zoek naar de heilige stichter van zijn bisdom. Die vindt hij op het oude Romeinse grafveld, even buiten de stad. Monulfus bouwt op dat graf een memoria (gedachteniskapel). Hij weet eigenlijk niets van deze verre voorganger, niet wanneer hij leefde, geen sterfdatum, niets. Maar hij verklaart hem heilig, door hem te verheffen uit zijn graf. Dit kon in die tijd een bisschop gewoon doen. Hij zorgt ook voor een Servaaslegende. Hij had goede contacten met Gregorius van Tours, en deze nam deze legende op in "de Historiën". In de legende staat dat Tongeren, de toenmalige bisschopsstad, bedreigd werd door de Hunnen. Servatius reist af naar rome. Op het graf van Petrus vertelt Petrus hem in een visioen dat Tongeren niet meer valt te redden en dat hij snel zijn bisschopszetel moet verplaatsen. Hij vertrekt met zijn hele hofhouding naar het beter te verdedigen Maastricht, en zo wordt Maastricht bisschopsstad. Na Monulfus wordt Maastricht groot dank zij de talloze pelgrims die het graf van Servaas komen bezoeken.
Maar helaas, in 705 overlijdt Lambertus, een bisschop van Maastricht die overigens ook in deze stad is grootgebracht. Hij gaat niet zo maar dood, hij wordt in Luik vermoord. Tja, en dat kon Luik weer goed gebruiken, een martelaar! Hij wordt in Luik begraven en de opvolger van Lambertus, Hubertus gaat nu Luik promoten. Hij bouwt boven het graf de Lambertuskerk. Nog erger: hij verplaatst zijn bisschopszetel naar Luik. Vanaf dat moment wordt het weer kniezen voor Maastricht en begint Luik aan een grote zegetocht. Vooral in de tiende eeuw kent deze stad een grote culturele bloeiperiode. Het wordt dan wel eens het Athene van het Noorden genoemd. Bisschop Stefanus (901-920 bisschop van Luik) zorgt voor een nieuw liturgisch handboek, een muziektractaat, een nieuwe vita van Lambertus (Latijnse levensbeschrijving in dichtvorm) en teksten en melodieën rond het liturgische feest van de H. Lambertus. Ook propageerde hij het feest van de drievuldigheid, welk later door de Cisterciënsers van Cluny wordt overgenomen. Petrarca ging nog in de 14e eeuw naar Luik, om daar de rijke bibliotheekverzameling te raadplegen. Hij vond er o.a. verloren gewaande geschriften van Cicero, die hier door ijverige monniken van eerdere eeuwen waren gekopieerd.
In Amsterdam en Rotterdam woonden waarschijnlijk in die tijd al wat vissertjes. Maar ook hun tijd zou nog komen. En ook zij hadden methodes om hun stad te promoten...
"Wijwater moet voorlopig weg uit kerken om de verspreiding van de Mexicaanse griep tegen te gaan", adviseert de Britse bisschop van Chelmsford, zo stond vanochtend in de Volkskrant. Wat krijgen we nou? Wijwater moet je juist beschermen, dat is al eeuwen zo. In de maasgouw van 1922 staat een artikel over de jaren 1660-1672 in een parochie in Heer bij Maastricht. De plaatselijke pastoor houdt een soort dagboek bij. Dit is integraal (maar dan wel met voetnoten en de Latijnse teksten vertaald) in een aantal afleveringen weergegeven. Kostelijke informatie die een prachtig tijdsbeeld geeft. Over wijwater: de pastoor vernam dat er brand woedde in een kerk nabij 's Hertogenbosch, en dat de pastoor het vuur eigenhandig met wijwater wist te blussen. Hier was iedereen zo van onder de indruk dat naar aanleiding van dit voorval een aantal "niet-gelovigen" zich alsnog bekeerde. De pastoor merkt op hoe krachtig de werking van wijwater kan zijn!
Dus: maak je niet ongerust over besmettingsgevaar door wijwater..
Boethius.Een van de meest gekopieerde boeken in de middeleeuwen was "de Musica" van de Italiaan Boethius uit de 5e eeuw na Christus, gebaseerd op de Harmonie der sferen van Pythagoras. Een exemplaar, maar nu in druk, uit 1492, heb ik op de antiquarische boekenbeurs in Maastricht mogen doorbladeren. Prachtig van kwaliteit, mooi stevig papier. Hier en daar handgeschreven teksten in de kantlijn, tekeningen van instrumenten. Volgens de antiquarius dateerden ook deze aantekeningen uit ongeveer dezelfde tijd. Met veel eerbied heb ik trachten te ontcijferen en begrijpen wat er stond. Het is feitelijk een van de oudste boeken over muziektheorie. Het eerste deel, de arythmetica, gaat uitsluitend over getallen, dan komt de musica en tot slot de geometrica, vol met geometrische afbeeldingen en toelichtingen. Mijn Latijn schiet al gauw tekort en zelfs mijn muziektheoretische achtergrond kan me nog te weinig helpen. Dus thuisgekomen heb ik het een en ander opgezocht over deze Boethius en over dit werk. Hij hield zich o.a. bezig met de harmonie der sferen, d.w.z. er klinkt vanuit de kosmos muziek. Deze muziek wordt veroorzaakt door de beweging van planeten en sterren. Omdat we van jongs af aan deze muziek al horen valt hij niet op en zijn we er ons niet bewust van. Maar feitelijk drukt deze muziek het goddelijke grondplan van de kosmos uit. De beweging van de planeten en de musica humana (onze muziek) komen allemaal uit hetzelfde voort. Waar Pythagoras en Boethius zich vooral bezighielden met trillingsgetalverhoudingen van tonen, zo ging Kepler in de 17e eeuw een stapje verder: hij mat de snelheden van de planeten in hun baan om de zon, en keek naar het verschil in snelheid veroorzaakt door de elliptische beweging om de zon. De planeten speelden in hun vertraging en versnelling feitelijk allemaal een stukje melodie. Mars speelde een lydische melodie, de aarde, die bijna centrisch om de zon beweegt, speelde slechts voortdurend een kleine secunde. De kleine secunde, de chromatische toon, was ook bij Kepler vooral een klagende toon. Zo verklaarde hij de voortdurende ellende van de aarde als een soort kosmisch gegeven, de aarde speelt voortdurend E-F-E-F-E etc. wat voor hem gelijk stond aan een grote klaagzang.
Maar op deze mooie donderdagavond in Maastricht, waar ik even het goddelijke gevoel van de eeuwigheid ervoer door het aanraken van zo'n stukje geschiedenis, voelde ik dat niet. Buitengekomen scheen nog steeds de zon en zaten mensen op terrasjes. Een heerlijk gueuzebiertje bracht me zelfs een beetje in de zevende hemel...
| In 1817, vlak nadat koning Willem I besloten had om het voormalige Franse departement van de Nedermaas "Limburg" te gaan noemen, werd er een dank-dag en dank-uur afgekondigd ter gelegenheid van de geboorte van een nieuwe prins. In Limburg werd verordonneerd dat dan ook het te Deum gezongen mocht worden en er zoveel mogelijk hoogwaardigheidsbekleders bij aanwezig moesten zijn. Het grootste deel van Limburg (toen nog Belgisch en Nederlands Limburg samen) had nog geen enkele binding met de Oranjes, dus dat moest nu maar eens gaan gebeuren, De geboorte van zo'n klein kind zou het oranjegevoel misschien helpen stimuleren.< |
| Naar aanleiding van die gebeurtenis ben ik gaan speuren naar dankzeggingen in eerder tijden, bijv. in Roermond of Venlo. Ik heb een kleine verzameling gemaakt op basis van authentieke documenten die getuigen van dankzeggingen, maar dan aan telkens weer andere machthebbers... |
Van 1543 tot 1703 (m.u. van enkele korte periodes Staats of Frans) hoorden Roermond en een belangrijk deel van het huidige Limburg bij Spanje. Spaanse hoogwaardigheidsbekleders werden altijd feestelijk onthaald.
Roermond, kroniek stadsschrijver, hertaald door Nettesheim
17 juni 1627: De Infante Isabella Clara Eugenia wordt bij hare aankomst te Roermond feestelijk ingehaald. Zij ging het kanaal bij Venlo bezichtigen. (De naar haar vernoemde "Fossa Eugeniana") Dit kanaal moest, door de Rijn met de Maas te verbinden, de Rijn-Antwerpen verbinding tot stand brengen. "Den 17 juny is hare durchluchte hoogheid de serenissime infante met groot gevolg binnen Roermond gekomen, om de nieuwe vaart of kanaal te bezichtigen, en was gelogeerd in de abdij van onze lieve vrouwe Munster, alwaar de regerende burgemeester Bosman haar de stadssleutels presenteerde in een rode sluier, dewelke hare hoogheid wederom in zijn handen legde, zeggende dat zij die hem wel toevertrouwde. De Kardinaal werd bij de bisschop ondergebracht, en zo ieder "naer advenant" en voorts werd het gevolg ondergebracht bij de heren kanselieren en raden en de gehele magistraat van Roermond. En zo tot het "defroyement" van hare hoogheid, zowel voor het hier komen als voor het wederkeren in juni, goedgekeurd 10.000 gulden, waarvan de quota van de stad 282 gulden en 2 1/2 stuiver bedraagt. ""... op welke reis zij den 17de juni te Roermond kwam, omringd van een schitterend gevolg, waartoe ook de kardinaal de Queva en de markies Spinola behoorde. Van hier begaf zij zich over Venlo naar Gelder, waar zich de burgerij in het geweer gesteld had en haar feestelijk ontving (zie hiervoor de stedelijke rekening) vergezeld van hare hofstoet en onder de hoede van 30 ruiters en 200 man voetvolk bevoer zij daarna met kleine vaartuigen het kanaal tot Rijnberg. 1686, Roermond, notulen magistraat
3 September 1686. Men besluit feestelijk te ontvangen Z.E. Don Digo d'Espinosa, mr. de Camp generaal van Zijne Con. Mat. Een der Secretarissen zal hem 8 Apostelen presenteeren, gevuld met den besten wijn, die te vinden is.
De periode 1703-1716 vormde een staats intermezzo. Er kwam een staatsgezinde magistraat en belangrijke kerken werden door de protestanten in bezit genomen. Bij de capitulatie was wel godsdienstvrijheid toegezegd.
Roermond, notulen magistraat
4 Mei 1703. De majoor der stad de prins van Holstein-Beeck wil hebben, dat de dank en biddag gepubliceerd wordt met het luiden der klok; de magistraat zegt, dat onder den koning van Spanje zulks nooit geschied is, dan alleen door omzeggen op de putten. Hiermede nam de prins genoegen zoodanig dat de gecommitteerden van den Magistraat onnoodig achten te wijzen op art. 1 der capitulatie medebrengende vrijdom der Roomsch-catholyke religie.
Tussen 1716 en 1794 hoorden Roermond en andere plaatsen bij Oostenrijk. De geboorte van bijv. Oostenrijkse aartshertogen werd publiekelijk gevierd.
Roermond, notulen magistraat
1 Maart 1716. Verandering van dominatie onder de gehoorzaamheid van Z.H. Majesteit Carel den VI. Op dien dag is omtrent den Middagh gekomen de heer graaf van Maldeghem als keizerlijk commissaris met den heer de Niolart, auditeur-generael. De magistraat is hem tegengegaan tot aan de buytenwacht der Brugh-poort. Het garnizoen stond op de Markt en deed driemaal een salvo; de eerweijn werd aangeboden. 6 maart 1716 heeft de Magistraat den eed afgelegd. 13 maart 1716 werd getracteerd op het stadhuis, de heeren gingen op het opperste balkon, dronken daar vivat; er werden veel peek en tartonnen gebrand, de huizen geïllumineerd en geld onder het volk geworpen. Volgt de proclamatie en de eed van den magistraat.
25 April 1716. Illuminatie ter oorzake van de geboorte van eenen Aartshertog. 1754, Roermond, notulen magistraat
20 Juni 1754. Illuminatie der stad wegens de geboorte van den Aertshertog Ferdinandus; 't stadhuis wordt met flambouwen geïllumineerd, de portretten der souvereinen zullen buiten gehangen worden onder het balkon boven de deur, twee pyramiden met teertonnen zullen worden gebrand. Op het stadhuis zullen de heeren op eenigen wijn en crostillade getracteerd worden. Onder de plechtige Mis zullen drie salvo's met de haken op de Kraanpoort afgeschoten worden; evenzoo 's avonds. Drie keeren zal er met de groote klok geluid worden en door den kourder of torenwachter op de trompet gespeeld worden.
30 December 1756. Illuminatie wegens een nieuwgeboren Aertshertog Maximilianus.
Tussen 1794 en 1814 hoorde Limburg bij Frankrijk. De Franse feesten werd de inwoners letterlijk door de strot gedrukt.
1798, Roermond. Bericht van W.G. Bovier aan de Commissaris van het departement Neder-Maas in Maastricht
18 augustus Toen ik hier op mijn post geplaatst werd, wist men niet wat een Republikeins feest was, men had er in deze hoofdgemeente nooit iets van gezien. Ik heb niet nagelaten bij iedere gelegenheid de Municipaliteit te gelasten de feesten met de groots mogelijke plechtigheid te vieren, zodanig dat ik er heden in geslaagd ben te bewerkstelligen, dat er gebruik gemaakt wordt van een podium met een oppervlakte van ongeveer 30 vierkante meter, op de vier hoeken zijn voetstukken geplaatst, waarop piramides, beschilderd met driekleurige slingers en ieder bekroond door een kleine vlag; een Vrijheidsgodin in natuurlijke kleuren, gekleed in het wit, getooid met de burgerlijke kroon en een driekleurige gordel, met een hand steunende op de wapenbundel en in de andere hand een lans waarop de vrijheidsmuts, wordt op iedere feestdag op een altaar voor het vaderland geplaatst. U kunt er dus van verzekerd zijn, dat ik mij alle moeite geef om de grootst mogelijke luister aan de feesten bij te zetten. Op de 23e heeft het feest ter herdenking van de 10e augustus plaats gevonden. Wij zijn in optocht door de belangrijke straten van de stad getrokken, voorafgegaan door muziek. Teruggekomen bij het bovengenoemde altaar, heeft men alle tekenen van koningschap en feodaliteit verbrand bij de klanken van de muziek.
1798, Venlo. Pastoor van Postel, dagboek 29 april
"29 april zijnde decadi was om 10 uur vergadering der vruchtbaarheid onder de vrijheidsboom. Vrouw Wassenbergh, geboren Esser, werd geheel in het wit gekleed met haar 7 kinderen door haar man apotheker Jan naar de markt geleid; idem ook vrouw Michielsen, geboren Willems met haar 7 kinderen; de andere twee, de vrouwen Bernière en Dungelhoeff zijn thuis gebleven. Daar zijnde trok de agent municipaal Keuller op het theater en hield een toespraak; na hem kwam naar voren dokter Herckenrath (president) en deed insgelijks. Daana kwam commissaris Petit en deed iets in het Frans. Hierna trok men met klinkende muziek rondom het stadhuis, en toen kwamen ze weer onder de vrijheidsboom. Nu klom de weduwnaar Henricus Theunissen, bijgenaamd 'de Wijze' op het theater en deed een zielroerende toespraak, zette intussen een bloemkroon op het hoofd van vrouw Wassenbergh. Nota; vrouw Michielsen was al vertrokken en hiermee was de comedie uit. "Dat is kaal", zeiden de kinderen!. Tenslotte is met muziek door de stad getrokken. Rond de middag werd omgeklopt: "deze avond is comedie bij Peter Berniëre". Petit was zeer tevreden over het feest, dat volgens hem tamelijk plechtig was gevierd. Vooral het feit dat de president en de agent municipaal een rede hadden gehouden over de echtelijke verbintenis had hem veel voldoening geschonken."
Na 1814 ontstond de provincie Limburg, het huidige Belgisch en Nederlands Limburg samen. Gebiedjes die voor de Franse tijd allemaal onder verschillende souvereiniteiten vielen, werden door de Fransen al samengevoegd tot het departement Nedermaas, en dit gebied kreeg nu de nieuwe naam Limburg. Deze naam was verzonnen door Koning Willem I die dit wel een luisterrijke naam vond, denkende aan het voormalige hertogdom Limburg in de Ardennen. De mensen uit deze provincie hadden voor het merendeel geen verleden met Nederland. Ze moesten dus snel koningsgezind gemaakt worden, waarbij het vieren van de geboorte van een Oranjeprins een welkom middel was.
1817. Register op het administratief memoriaal der provincie Limburg, 1e half jaar
(pag. 262): aanschrijving van 24 februari 1817 n.4, tot het houden van een dank-uur, op zondag den 2 maart aanstaande, wegens de gelukkige verlossing van H.K.K.H., Mevrouw de Prinses van Oranje. De Gouverneur der Provincie Limburg, Ridder van de Orde van den Nederlandschen Leeuw, Breng ter kennisse van de respective Gemeentebesturen dezer Provincie, dat het Zyne Mejesteit behaagd heeft te bepalen, dat op Zondag den 2 maart aanstaande, by alle de Kerkgenootschappen van het Ryk, een plegtig dankoffer aan het Opperwezen zal worden toegebragt, voor de gelukkige verlossing van Hare Koninklyke Hoogheid, Mevrouw de Prinses van Oranje, van eenen Prins, en dat zulks, voor zoo veel den Roomsch Katholyken Eeredienst aangaat, door het zingen van een Te Deum, ten elf uuren voor de middag, zal geschieden; ten welke einde, de nodige aanschryving, van wegens de Bisschoppen en Vicarissen generaal, aan de Heeren Pastoren zal worden gedaan. Nodigende hy Gouverneur diensvolgens de respective civiele Autoriteiten. In deze Provincie, en daar aan verder allen mogelyken luister bytezetten.
Maastricht, den 24 february 1817
De Gouverneur, C. De Brouckere.
"Schaemt u, schaemt u, soo yverlijck en soo sorghvuldelijck, in soo veel verscheydene gerichten, en schotels, saussen en speceryen, bieren en wijnen, daer gy uwen appetyt in soeckt, en uwe lichaemen, die haest spys der wormen sullen zyn, mede opmest, te soecken uwe gesontheyt, ick segge, siecjten met hoopen, ende een haestige doodt."
"Schaemt u, schaemt u, u soo ydelijck en sottelijck, soo lichtveerdelijck en hoerelijck te cieren en op te setten tot uwen eygen onderganck, en verderf van ontallijcke zielen, die gy door uwe schandaelen den hals breeckt, hun aenlockende tot onsuyverheyt, door 't opproncksel uws lichaems, bloote halsen, borsten, armen, en wat noch: en ondertusschen uwen eygen buyck speent, uw suyverheyt verkoopt, uw schuldenaers doet vasten, martelaer des duyvels wort, soo den H. Chystonomus leert"
Dit zijn enkele citaten uit een van de honderden preken ("sermoonen") van Mathias Agolla, een Augustijner priester, 25 jaar werkzaam in Nijmegen als "zendeling" en die leefde van 1628-1701. Deze preken zijn in 1726 in Maastricht uitgegeven in drie boeken van elk ongeveer 600 pagina's. De boeken had ik al een half jaar in huis en eindelijk heb ik de tijd gevonden om er dieper in te duiken. Ze geven om te beginnen een aardig tijdsbeeld. Maar ook is het interessant om de toepassingen van de lessen rhetorica, die in de Latijnse school, maar ook bij de studies theologie onderwezen werden, hierin terug te zien. Een preek heb ik "hertaald" en geanalyseerd, o.a. op het gebruik van de rhetorica. Als je je hier helemaal in laat meevoeren dan moet je op zijn minst erkennen hoe knap dat wordt aangepakt. Op de seminaries is dat volgens een vriend van mij nog steeds of in ieder geval tot voor kort gebruikelijk geweest: de inwijding in de geheimen van de rhetorica. De prekenboeken stonden o.a. in het Augustijner klooster van maastricht, daar zijn mijn exemplaren ook van afkomstig, via een antiquariaat. De kerk van dat klooster is momenteel in gebruik als oefenruimte van de Mestreechter Staar.
Het gebruik van woorden als "mouwveger, pluimstrijker, naenkens" etc. leert iets over de gewoonten van die tijd. Verder viel me op hoe Agolla bekend was met de kunst uit de oudheid. Tijdens zijn studie leerde hij waarschijnlijk meer dan alleen theologie.
Meer over deze preek kun je hier vinden.
Laatst heb ik een serie van drie boekjes uit 1726
gekocht. Het zijn boekjes afkomstig van het voormalige Augustijner
klooster van Maastricht. De kerk behorend bij dit klooster,
prachtig te zien vanuit Wijck kijkend naar de andere Maasoever, is
tegenwoordig in gebruik als oefenruimte voor de Mestreechter Staar.
De drie boekjes zijn bedoeld voor de Augustijnen zelf om daaruit
preken letterlijk over te nemen of eventueel als inspiratiebron
voor nieuwe preken. De boeken staan dus helemaal vol met preken,
geënt op de diverse zondagen en gekoppeld aan vooral de gedachtenis
aan bepaalde heiligen.Wat maakt ze interessant? De retorica. We zitten midden in de periode van de verlichting. Retorica is een vak wat op de universiteit zeer belangrijk is, vooral als je theologie of rechten studeert. Examen doen bestond uit een wedstrijd retorica. De beste, de primus, was iemand die daarna overal terecht kon. Meer over de kunst van de retorica kunnen we terug vinden in een analyse van deze preken. een tweede interessant gegeven is: wat kunnen we lezen over die tijd, welke tijdgeest komt er naar voren. Er is in alle drie de boeken een index aanwezig. Bij het onderwerp joden las ik nieuwsgierig wat daarover in een van de preken stond. Dat was niet al te best. De jood is degene die Christus verraden heeft. Hij is nog steeds onbetrouwbaar en vermaledijd. Een fragment uit deze preek.
![]() ![]() |
![]() |
![]() |
|
Hoe was het toneelspel in de Nederlanden, of nog specialer in het huidige Limburg in die tijd? Er is niet veel bewaard gebleven. Ik heb een prachtig anoniem gedicht gevonden, geschreven in een dialoogvorm, over de inname van Maastricht in 1672 door Lodewijk XIV. In Maastricht werden vaker toneelstukken opgevoerd in die tijd. Soms buiten. Zoals bij het bezoek van Tsaar Peter de Grote aan Maastricht in 1717. Daar is een verslag van bewaard gebleven. Een fragment wil ik hier graag weergeven:
"In het midden van de Maas was een burcht, of zeskantige toren, van hout opgericht, langs welke van alle zijden ladders waren bevestigd. Dit gevaarte was ongeveer 20 a 25 voeten hoog boven de waterspiegel verheven en kon in het rond om een soort mast of paal gedraaid worden, terwijl twee man zich daarin bevonden om de burcht te verdedigen. Om een krijgshaftiger aanzien aan het schouwspel te geven, wierpen de verdedigers met granaten, terwijl de schippers hun geweer losten. Zodra nu de scheepjes deze burcht op zekere afstand genaderd waren, sprongen de schippers in de Maas en zwommen daar op af, waarna zij trachtten om zich aan de ladders vast te houden, wat aan velen niet gelukte, door de draaiende beweging van de toren, waarbij zij tot grote vreugde der toeschouwers de ladders moesten loslaten en in de Maas vielen. Met taaie volharding werd nu het bestormen door anderen hervat; ja het duurde wel twee uur eer de burcht was ingenomen, zodat de Tsaar, die wij aan zijn ontbijt gelaten hebben, ruim de gelegenheid had om stevig te dejeuneeren. Eindelijk gelukte het aan een zekere Hendrik Knops, een vreemdeling, om de burcht te nemen, onder luid gejuich der toeschouwers, en de Tsaar zal het ook wel aardig gevonden hebben."
Ik moest daardoor vooral denken aan allerlei gebeurtenissen in bijv. Limburgse of nabijgelegen contreien in vroeger eeuwen. Verhalen die zich afspelen in een tijd, niet eens zo erg ver voor de tijd dat Shakespeare King Lear schreef. Bijv. aan de verhalen van de prinsbisschoppen van Luik, die hun gezag nog slechts konden doen gelden door als een tiran opstandige onderdanen in de Maas te laten verdrinken. Of aan verhalen over de hertogen van Gelder. Wat een familie-intriges: Reinald II van Gelder huwde in 1331 met de zus van de Engelse koning Edward III, Eleonora. Uit dit huwelijk kwamen twee kinderen voort: Reinald en Eduard. En die konden elkaar niet luchten of zien. In 1361 bij de slag bij Tiel werd Reinoud III door zijn broer Eduard gevangen gezet. Bijna 10 jaar regeerde daarna Eduard. Toen hij in 1371 stierf kwam Reinald III weer vrij, maar tengevolge van de geleden ontberingen stierf ook hij korte tijd later. Net als vrijwel de complete cast van King Lear...
Shakespeare schreef vanuit quasi-historische feiten. Ondanks het feit dat er helden waren wist hij ook dingen aan te klagen, zoals de oneerlijke behandeling van bastaarden. En hij zorgde op het einde niet voor een echt happy end, dat alleen al geeft je te denken. Maar de hofintriges waren in de tijd van rond 1605, toen het stuk geschreven was, nog lang niet voorbij... Is het nu voorbij?
1570: Tijdens de mis mag er niet op het kerkhof gekaatst, gebeugeld of gekegeld worden of andere luidruchtigheden gepleegd worden. Zij die de mis storen krijgen een boete van een Hornse gulden.
In 1570 geeft bisschop Lindanus de landdekens bevel om te onderzoeken of er onwetende gelovigen of kortzichtige geestelijken zijn die gebruik maken van ongeoorloofde geneesmiddelen als windels, amuletten, inschriften of insnijdingen van letters. Deze bedriegers moeten op gepaste wijze gestraft worden.
In 1570 wordt gezegd dat pastoors in het begin van de vastentijd en op palmpasen de gelovigen moeten aansporen zich goed voor te bereiden op het paasfeest. Openbare zondaars, ketters, afvallige geestelijken, getrouwde nonnen, woekeraars mogen alleen na boetedoening toegelaten worden tot de paascommunie. Hieraan wordt nog toegevoegd dat de volgende personen geen communie mogen ontvangen: joden, calvinisten, anabaptisten, martinisten enz., waarzeggers, tovenaars of zij die voorgeven door spreuken vee, tanden, ogen enz. te genezen, zij die briefjes of amuletten om de hals dragen om pijn te stillen, zij die zware vloeken uitbraken, zij die valse getuigen voor de rechter afleggen, zij die op zondag stoffelijke arbeid verrichten of weigeren ter kerke te gaan, zij die op dergelijke dagen naar de markt reizen of hun personeel niet de tijd geven om naar de kerk te gaan. Ook niet kinderen die hun ouders slaan of beledigen, die de vastenwet schenden of op verboden dagen vlees eten, allen die zondigen tegen het zesde gebod of openbaar dronken zijn. Zij die hun klanten bedriegen in maat en gewicht. Ouders die schuld zijn dat hun kinderen ongedoopt sterven. De eer-rovers en zij die hun evenmens verwensen. De oversten die hun personeel niet uitbetalen. Zij die kerken en kloosters in brand steken enz. Deze zondelijst moet de pastoor tweemaal in het jaar vanaf de preekstoel voorlezen, eenmaal tijdens de advent, en op palmpasen. Wie zijn zonden biecht mag alsnog ter communie. Hij die in het uur van de dood geen berouw toont mag niet in gewijde aarde begraven worden.
In 1574 wordt verordonneerd dat de dienstmeiden eerst naar de mis moeten voordat ze de koeien gaan melken.
Vastenregels zijn in heel Europa al snel heel verschillend. Oorzaak hiervoor zijn vooral de verschillen in eetgewoonten en de klimatologische verschillen. Waar eerst het nuttigen van melkspijzen in de vastentijd verboden is, wordt het vanaf 1598 weer geoorloofd, mits je dan wel vijf onze vaders en vijf weesgegroetjes knielend bidt en elk huisgezin 5 stuivers offert aan de parochiekerk. Het mag echter nooit op aswoensdag, de vier quatemperdagen van de vastentijd, de vooravond van Maria Boodschap en de vier laatste dagen van de Goede Week. Het gebruik van vlees of eieren is op straf van doodzonde verboden gedurende de hele vastentijd. Iedereen die onder de vastenwet valt mag op vastendagen slechts een hoofdmaaltijd gebruiken.
In 1602 wordt er op aangedrongen dat de pastoors er voor zorgen dat er op elke feestdag een mis is in de kerk. Tegelijk wordt gewezen op het misbruik van de kerkzangers die het credo na de woorden "passus et sepultus est" afbreken. Er moet onmiddellijk door gezongen worden.
(In dit deel van het credo wordt het lijdensverhaal van Christus beschreven, met de dramatische zin: hij heeft geleden en is begraven. Blijkbaar was men dan even stil voordat de zin “et resurrexit” (hij is weer opgestaan) kwam).
In 1615 wordt verordonneerd, dat priesters die nog jong of al zeer oud of hardhorend zijn geen biecht mogen afnemen. De zonden moeten belijd worden niet staande of zittende naast de priester, maar geknield in nederige houding.
In 1618 wordt gevraagd om het aantal processies per jaar te laten verminderen omdat er bij veel plechtigheden weinig blijk wordt gegeven van godsvrucht. In hetzelfde jaar wordt verboden om tijdens de processie bier uit te reiken aan de gewapende schutters. Het was nl. meermalen voorgekomen dat dronken lieden de processie begeleidden.
1619: De dopeling mag tijdens de gebeden van het doopsel niet op het altaar liggen, aangezien hij nog een heiden is, maar moet in de arm gedragen worden . Negen dagen na de bevalling worden de moeders in de kerk verwacht en ontvangen zij de zegen van de priester. (Zoals gebruikelijk bij ook de joden in de tijd van Christus). De moeder van een onecht kind krijgt geen zegen....
In 1619 wordt verboden om lijkjes van gedoopte kinderen op het altaar te plaatsen. "Zulks zou misschien aanleiding kunnen geven dat het volk die wichtjes, in onschuld afgestorven, als heiligen zou vereeren."
De kerken werden in vroeger tijden gebruikt als schuilplaats tegen de vijand, in de hoop dat deze het heiligdom niet zou durven schenden. Daarom was het ook gebruikelijk dat kostbare bezittingen van dorpslieden daar werden bewaard. In 1629 loopt dit uit de hand. In een verordening uit dat jaar staat dat spullen niet meer opgeborgen mogen worden op het koor of onder het altaar. Ook mag het middenpad in de kerk niet meer versperd worden en mogen er ook niet met kisten kamertjes gebouwd worden. Lege kisten, maar ook hoornvee, schapen, kippen enz. mogen niet meer in de kerk bewaard worden. Gehuwde mensen mogen er ook niet meer de nacht doorbrengen, tenzij bij gevaar, maar dan wel man en vrouw gescheiden!
1652: Huwelijken die niet door de eigen pastoor voltrokken zijn, zijn ongeldig. De pastoors moeten daarom vooral letten op dienstboden en andere mensen die vaak van woonplaats veranderen. In 1652 wordt ook geregeld dat de priester die de zieke komt bedienen een koorhemd en stola aan moet hebben. Mensen die ver weg wonen moeten een rijtuig naar de pastoor sturen om hem op te halen.
In 1657 ging de mare rond dat de Elmterheide werkte als een heilige fontein waar veel mensen genezing vonden. Een en ander wordt door het officialaat onderzocht. Na het verhoren van diverse getuigen, rechtsgeleerden en geneeskundigen wordt verklaard dat niets te Elmpt geschied is dat niet natuurlijk te verklaren is.
In 1685 maakt bisschop Cools een dan al ouder gebruik officieel: "iemant zal omgaen met een schel en op elken hoek van de straet roepen met luyde stem om te bidden voor de stervende." (In de 19e eeuw werd dit gebruik in Roermond voortgezet, maar nu als iemand overleden was. In de zeventiger jaren van de 19e eeuw hield ook dit gebruik op te bestaan).
In 1708 wordt gewaarschuwd voor Franse wijn voor het misoffer. Die was door zijn schaarsheid door kooplieden zo vervalst dat hij niet meer als natuurlijke wijn beschouwd kon worden. Aanbevolen wordt om Rijnwijn te gebruiken.
Nog in 1710 worden er aanvragen tot exorcisme ingediend, zoals de pastoor van Horst die de duivel vermoedt bij een landman omdat in zijn kelder door de dienstmeiden levende padden gevonden waren, die het maken van boter onmogelijk maakten. In de uitwerpselen van de koeien bleken bovendien vreemde kleine proppen beenderen te zitten. De bisschop geeft geen machtiging omdat volgens hem een en ander natuurlijk te verklaren valt.
30 juni 1719 schrijft de bisschop een brief aan de pastoor van Horst waarbij "jonge meisjes met stokken en fladderende linten" niet meer het Allerheiligste mogen dragen, daar dit veel te wulps is.
Als in 1744 de runderpest uitbreekt gaan massaal diverse pastoors buiten de bisschop om gewijde koordjes bij de dieren aanbrengen. Dat kan natuurlijk niet!
De katholieke onderdanen wisten voortdurend tot in detail wat wel mocht en niet mocht...
Eerder las ik “de Goede Stad” van Geert Mak. Een verzameling opstellen, gebaseerd op lezingen. Vooral het hoofdstuk “het taboe van de waarheid” sprak me erg aan. Veel dingen zijn in Nederland niet bespreekbaar. Geert Mak noemt historische zaken als “de passieve schuld van Nederland aan de holocaust in de tweede wereldoorlog, de oorlogsmisdaden in Indonesië door het Nederlandse leger gepleegd, de muiterij op de zeven Provinciën in 1933 die eigenlijk helemaal geen muiterij was enz. Dit alles is nog steeds nauwelijks benoembaar.“ Hij zegt o.a.: "het land zit vol met vieze geheimpjes die niet gezegd mogen worden. We koesteren onze nationale mythes met kracht en geweld, we koesteren ons koopmansfatsoen, maar intussen geldt in de internationale financiële wereld de Nederlandse Antillen als het roversnest bij uitstek voor louche beleggers en malafide banken.” Een van de belangrijkste oorzaken is volgens Mak het calvinisme. Het calvinisme heeft ons nooit leren biechten, heeft ons nooit leren omgaan met het kwaad, en laat ons zo slechts een ding: verdringen, ontkennen. Zwijgen...
Er komt in Nederland een historisch museum. Wordt het een museum over vaderlandse verheerlijking en ontkenning van alle vuile zaken? Wat wordt er verteld over Maurits, een van onze nationale helden, die tegen alle adviezen in Oldenbarnevelt liet onthoofden om vrij spel te hebben in het machtscentrum. Wat wordt er verteld over de werkelijke VOC-mentaliteit. En de Vader des vaderlands, Willem de Zwijger? Welke verhalen worden er wel verteld en welke niet?

We kennen allemaal de martelaren van Gorcum. Maar kennen we ook de martelaren van Roermond? Jos Habets, rijksarchivaris Limburg eind 19e eeuw heeft veel historisch onderzoek gedaan. Daarbij gebruikte hij allerlei bronnen, vaak in het Latijn, waar maar weinig mensen aan toe komen. Hij schreef vele boeken, die jammer genoeg nooit zijn herdrukt. Ik bezit van hem de vier delen over de geschiedenis van het Bisdom Roermond. In 1572 had Willem van Oranje (de Zwijger..) met zijn soldaten deze stad ingenomen. Diverse bronnen hebben hier over geschreven. Ik beperk me tot onderstaand citaat:
Schrikkelijk was het bloedbad, dat door de euvelmoedige soldaten werd aangericht; de geestelikheid bizonder was het voorwerp hunner woede. Bisschop Lindanus wist te ontsnappen; maar zijn huis werd overrompeld, de meubelen geroofd en zijn kostbare bibliotheek, waarin verscheidene oude en zeldzame handschriften, verscheurd en vernield. De stadskommandant de Barlaimont, een jongeling zoo dapper als edel, werd gedood, de bezetting grootendeels nedergesabeld, vele burgers om het leven gebracht. Hun grootste woede was echter gericht tegen het klooster der Kartuizers , deels uit haat tegen de monniken, deels uit geldzucht. Toen ter tijde stond aan het hoofd der zonen van den H. Bruno een godvruchtig kloosterling, met name Joachim van Congerlo. Deze goede herder, de bloeddorstige wolven ziende naderen, verborg zich met zijne schapen in Gods tempel. Het eerste slachtoffer, dat door de woedende bende werd getroffen, was de portier, een Roermondenaar van geboorte, met name broeder Stephanus. Deze bejegende de binnendringende soldaten met alle minzaamheid en overhandigde hun de sleutels des huizes. Maar dit kon niet baten; zij randden den ongelukkige aan, achtervolgden hem terwijl hij naar een naburig huis wilde vluchten en verbrijzelden hem den hoofdschedel. Dicht bij den straatput werd hij nedergeveld, ontkleed, van ingewanden beroofd en aan de voorbijgangers uit spotternij ten toon gesteld.Het tweede slachtoffer hunner onmenschelijkheid was de kloosterkok, een oud, afgeleefd man, met name Albertus Winsem, die ziek tengevolge eener beroerte, in zijn bed vermoord werd. Een derde, broeder Joannes van Sittard, bakker en brouwer, had zich onder een hoop takkebossen verborgen, maar zulks redde hem het leven niet; ook hij werd opgespoord en ten dood gebracht.Deze gruwelen geschiedden in het portaal en op het voorplein van het klooster. Nu braken de moordenaars met geweld de binnendeur open en drongen de kloostergangen binnen. De eerste kloosterling dien zij daar ontmoetten was Erasmus van Maastricht, een eerbiedwaardig priester, die door ouderdom en ziekte verzwakt en op eene kruk steunende, zich bij zijn broeders in de kerk meende te vervoegen. In een oogenblik was de arme grijsaard gedood.
En zo gaat het nog diverse pagina’s door. Deze bron komt uit een boek uit 1608 geschreven door een monnik op basis van ooggetuigenverslagen.
( HAVENSIUS, getiteld: Historica relatio duodecim martyrum cartusialiorum, qui Ruraemundae anno 1572 agonem suum feliciter compleverunt. Te Gend, bij Walter Manilius.)
Wat hier allemaal precies fantasie en
werkelijk-heid is, is moeilijk te zeggen. Maar uit ook andere bronnen blijkt dat de soldaten vreselijk hebben huisgehouden in de stad. Als je een keer in Roermond komt op een zaterdag (dan is hij open) moet je beslist de Caroluskapel bezoeken. Het is een van de laatste overblijfsels van het voormalige Karthuizer klooster midden in de stad. Hierboven een afbeelding van een fragment van "het laatste oordeel" uit begin 16e eeuw (dus nog voor de moordpartij) in deze kapel. Het is een prachtige ruimte, waar je kunt nadenken over wat we allemaal als Nederlanders verdringen en verzwijgen...
1815. Het is feest in Wenen. Napoleon is verslagen en alle hoge pieten van Europa komen op bezoek om een nieuwe kaart van Europa te tekenen. Dat mag best wel een tijd duren, want intussen kan er veel gegeten, gedronken en gedanst worden. Wenen voelt zich nog steeds het middelpunt van de wereld. Zelf hebben de Habsburgers ook enkele wensen. Er wonen nog wat familieleden in Toscane en Zuid-Italië. En ze willen best wat ruilen. De Oostenrijkse Nederlanden, ach wat moeten ze er eigenlijk mee. Het ligt ver weg en het kost handenvol geld om het voortdurend tegen die Fransen en tegen het opkomende Pruissische rijk te beschermen. Wie wil dat hebben? Ja Frankrijk wil het best, maar Frankrijk is de verliezer, daar komt natuurlijk niets van in. Pruissen? Niet zo slim, het Pruissische rijk begint al veel te machtig te worden. Vooral Engeland kijkt met zorg naar de groeiambities van Pruissen. Weet je wat, dat kleine Nederland, als we die daar eens voor laten opdraaien. Moeten ze flink wat geld in de verdediging steken, hoeven wij dat niet te doen. En ze hebben daar weer zo’n prins van Oranje die het hoog in de pet heeft, die leent zich daar wel voor. Daar zijn ze het snel over eens. En zo komen de voormalige Oostenrijkse Nederlanden, het prinsbisdom Luik en al de voormalige kleine vrijplaatsen bij Nederland. Vooral de Oostgrens, daar moet nog wat over gesteggeld worden. Eerst zou de Maas de oostgrens vormen. Maar dan vielen al de landen van Overmaas, die vroeger al bij Nederland gehoord hadden, nu opeens aan Pruissen. Het was slimmer om dat hele gebied, wat vroeger zo versnipperd was geweest (deels Oostenrijk, deels Nederland, deels vrij) maar in een keer ook bij Nederland te trekken. En Roermond hoorde bij Oostenrijk, Venlo bij Nederland, die moeten nu niet opeens naar Pruissen gaan. Dus wordt besloten om een smalle strook oostelijk van de Maas de grens te laten zijn. Dat kost Pruissen dan wel territorium (o.a. Tegelen en Noord-Limburg) maar dat krijgen ze dan elders gecompenseerd. Zo worden bijv. Elmpt en Niederkrüchten, die altijd bij de provincie Roermond (Oostenrijk) hoorden, nu bij Pruissen gevoegd.

Hoe gaan we dat nieuwe land nu indelen? Het Noordelijke Nederland heeft provincies, dus de rest moet ook provincies hebben. En er was al een provincie-indeling uit de Franse tijd. Die kon goeddeels gehandhaafd blijven. Limburg wordt zo een grote provincie, ongeveer gelijk aan het huidige Nederlands-Limburg en Belgisch Limburg samen. Het was het voormalige departement van de Maas, met Maastricht als hoofdstad en Roermond en Hasselt als arrondissementshoofdsteden. Maar de verdediging is duur. De belasting wordt zeer zwaar. Het weer zit niet mee, er zijn een aantal jaren achter elkaar extreme zomers (heet of nat) waardoor oogsten mislukken. Ook heeft de regering een ouderwets bestuur ingesteld met afgevaardigden van de adel, van de steden en het platteland, en een gouverneur die door de koning benoemd wordt en bij alles vetorecht heeft. De overgrote meerderheid is katholiek, maar de bisschoppelijke indeling mag niet hersteld worden. De paar kloosters die de Fransen nog niet verkocht hadden wordt het leven zuur gemaakt. Er zijn zo veel reden voor een opstand, vooral in het zuidelijke deel. Dan splitst in 1830 België zich af van Nederland. En Limburg doet graag mee. Alleen Maastricht blijft negen jaar bezet door Hollandse troepen. En het nieuwe België besluit gelijk om een aantal veranderingen door te voeren. Het verschil tussen adel, stad en platteland komt te vervallen. Er komen rechtstreekse verkiezingen. De gouverneur wordt zijn vetorecht ontnomen. België is democratisch!
In 1839 wordt er dan vrede gesloten met Nederland en België mag zelfstandig blijven. Weer moeten de grenzen bepaald worden. Nederland wil het bezette Maastricht niet kwijt. En het wil ook Venlo als maasvesting terug. Eigenlijk wil het ook al de landen van Overmaas terug. Dus wordt besloten om Limburg in tweeën te delen, een deel voor België, een deel voor Nederland. De Limburgers wordt niets gevraagd. Het overgrote deel is zeer tevreden met het democratische Belgische bestuur. De Nederlanders voelen dit wel aan, er is daardoor voortdurend achterdocht. Het is maar beter om geen autochtone Limburgers in het provinciale bestuur te hebben. Alle hoge posten worden grotendeels vergeven aan Hollanders. En bij de nieuwe grondwet mogen de Limburgers nog maar even niet meestemmen. Ook was ter gelegenheid van de oprichting van België Nederlands Limburg ingedeeld bij de Duitse bond, dit ter compensatie van het verloren gegane deel van Luxemburg, welk aan België was gegeven. In 1848 zijn de Limburgers nog steeds ontevreden. Er ontstaat een afscheidingsbeweging. Limburg wil zich van Nederland afsplitsen, en bij Duitsland gaan horen. De twee afgevaardigden voor de Duitse bondsdag die democratisch door de Limburgse bevolking gekozen waren, pleiten voor deze afscheiding van Nederland in de Duitse bondsdag. Deze vergadering besluit nu dat de wil van de Limburgse bevolking gerespecteerd moet worden. Binnen 9 maanden moet Nederland Limburg aan het Duitse rijk afstaan. Nederland is in eerste instantie genegen om dit te doen, maar Engeland is er tegen. Duitsland mag niet uitbreiden. In 1866 wordt de Duitse bond opgeheven. Daarmee is ook de kwestie definitief van de baan en mag Limburg zich heel langzaam een stukje Nederland gaan voelen...
Website over geschiedenis (Midden)-Limburg
12 April 1661. Eenige families zijn genegen om hier te komen wonen, om "wullen lakenen" te maken, mits zij genieten eenige vrijheijt.
Het burgerschap kreeg je niet zo maar. Normaal moest je een hele tijd in de stad wonen en liefst ook een baan hebben. Wat toen bepalingen voor een stad waren is nu vergelijkbaar met bepalingen voor een land als Nederland. Polen mogen komen als ze maar een bijdrage leveren aan de economie. Zo was het in de zestiger jaren hier ook met de gastarbeiders. En als ze iets kunnen zoals ICT-specialisten uit India, dan zijn ze helemaal welkom.
12 Mei 1661. Ordonnantie op het inbrengen van vreemde bieren, daar de burgers in den zomer gaan naar de Broekhen, Leeuwen, op gen Broeck, aen de Capelle, in den Weerdt gaan om Luijker, Guijliker, Weerdter bier te drinken, waardoor de accijnsen geschaad werden.
Protectionisme, daar houden ze in Europa nog steeds van. Ondanks dat een aantal derde wereldlanden veel goedkoper spullen levert dan bijv. Italië wil de EU de Europese economie beschermen, ten koste van die derde wereldlanden. Toen gingen de burgers (goedkoper) bier drinken in de omliggende dorpen, wat vooral de belastingopbrengsten van Roermond in gevaar bracht. Het mocht dus gewoon niet meer.
22 Juli 1661. Wegens de grootte hitte op de putten aangezegd, dat elk voor zijn deur zal hebben te stellen een emmer water. De putmeesters moeten putcuypens vol water staende op goede sleyden voorradig hebben met haken, brandladders enz. Behoorlijke wacht aan de poorten.
Wij krijgen pamfletten met “wat te doen als de sirene gaat”. En alle openbare gebouwen moeten zich houden aan steeds strengere brandveiligheidsvoorschriften. Nog steeds niets nieuws onder de zon!
3 November 1661. Den vele vreemde Melaatschen, die hier bedelen, waardoor de portien voor de schamele armen te kleiner vallen, wordt verboden, dat zij zonder permissie omgaan.
Wat te doen met de zwervers bij perron 0 in Rotterdam of tegenwoordig bij de Pauluskerk. De Rotterdamse gemeenteraad maakt zich er al net zo druk om als 350 jaar eerder de Roermondse gemeenteraad. Zij mogen ook niet zomaar bedelen. Is een straatkrant misschien een oplossing?
19 April 1663. Er zullen geene borgers in de Ampten geadmitteerd worden dan oprechte Roomsch-Catholycke
Tja. Naar de godsdienst wordt niet meer gevraagd gelukkig. Maar heb je een dubbele nationaliteit, dan wordt het toch echt een ander verhaal. En voor sommige burgers is de huidskleur van een ambtenaar eigenlijk toch ook wel best erg belangrijk, zeker als je gaat trouwen...
Maar eigenlijk is het niet begonnen bij Cuijpers. Ook niet enkele decennia eerder, bij Mgr. van Paredis. Nee, het is feitelijk nog veel eerder begonnen, met bisschop Lindanus. In Roermond heb je de bisschop Lindanussingel, die nog aan deze tijd herinnert. Vanaf de tijd van Cuijpers wordt deze bisschop van Roermond zelfs min of meer vereerd. Ook hij symboliseert de triomf van het katholicisme.
Roermond was een dwarse, in de ogen van de Spaanse koning een ketterse stad. Hoe kwam dat?
In de 16e eeuw begon in het huidige Nederland en België de reformatie het eerst in de Zuidelijke Nederlanden, vooral in België dus. Steden als Antwerpen en Gent waren voorlopers, maar ook in Limburg waren er al snel veel aanhangers. Daarnaast was Friesland een broeinest van nieuwe geloofsideeën en Lindanus, bekend om zijn ijver om alle ketterse uitwassen de kop in te drukken, werd daar aangesteld. Hij wilde dat er in de diverse parochies weer gebeden werd en de bijbel werd gelezen. Bij het concilie van Trente, de reactie vanuit Rome op de onrust van de hervorming, werd een aantal maatregelen genomen. Men besloot dat bisschoppen theologie gestudeerd moesten hebben. Dat was een slag in het gezicht van de adel. Tot dan toe was het gebruikelijk dat de adel bepaalde wie ergens bisschop werd. Een theologische studie was helemaal niet nodig, je moest vooral goed zijn in oorlog voeren en politiek bedrijven. Diverse bisschoppen lapten ook het celibaat aan hun laars of hielden er in ieder geval maitresses op na. Van belang voor de adel was dat de grotere machtsverhoudingen niet al te veel zouden verschuiven, de hogere adel met name maakte onderling uit wie er bijv. bisschop werd als er weer een zetel vacant was. Bisschoppen hadden veel te vertellen, ook op wereldlijk gebied. Met de nieuwe maatregelen van de paus vreesde de adel in zijn macht aangetast te worden.
De volgende maatregel van de paus was een nieuwe indeling van de bisdommen. Tot dat moment liepen de grenzen van de bisdommen en de grenzen van de graafschappen en vorstendommen heel vaak niet parallel. Keizer Karel V zinde dat al niet. In het begin wilde de paus niets weten van de wensen van de keizer, maar nu het overal broeide en het katholicisme onder zware druk was komen te staan ging hij overstag. Karels opvolger Philips II wilde een waar voorvechter van het katholieke geloof zijn en nu liepen de wensen van kerk en staat opeens wel parallel. Zo werd besloten om het aantal bisdommen om te beginnen flink uit te breiden. Het belangrijkste bisdom in het noorden was van oudsher het bisdom Utrecht, waar vrijwel heel Noord- en Midden-Nederland onder viel. Daarnaast had je het bisdom Luik, dat besloeg zo ongeveer de huidige provincie Luik + een groot deel van Limburg en Brabant. Een klein deel van het huidige Nederland viel onder Münster of Keulen.
Een van de nieuwe bisdommen zou het bisdom Roermond worden, zo werd besloten in 1562. De paus benoemde Lindanus, die net tevoren benoemd was als deken van den Haag. Met hem zou de onrust in het huidige Limburg wel eens snel beteugeld kunnen worden. Maar het duurde uiteindelijk nog 7 jaar voordat Lindanus echt geïnstalleerd kon worden. Als er in 1666 geen beeldenstorm was geweest, die de koning van Spanje, Philips II, nog fanatieker maakte, dan was het er misschien wel nooit van gekomen. Want met name de stad Roermond bleef de installatie van Lindanus tegenhouden. Er werden allerlei argumenten, meest van procedurele aard bijgehaald: men was niet betrokken geweest bij de keuze van Roermond tot bisdom, zoiets hoorde toch ook goedgekeurd te worden door de andere onderdelen van het hertogdom Gelre (Arnhem, Nijmegen, Zutphen) enz. De stadhouder van Gelre liep mee aan de leiband van de landvoogd in Brussel, maar de andere bestuurders, met name de leden van de staten van Gelre, schaarden zich aan de zijde van de magistraat van Roermond. Een rapport in 1563 gemaakt door de stadhouder leverde op dat er in Roermond de laatste jaren steeds minder mensen naar de kerk gingen en dat er ook bij de magistraat veel personen van verdacht allooi waren. (Lees: met ketterse sympathieën.)
Pas toen Alva op het toneel verscheen veranderde de houding. Roermond had na de beeldenstorm aan gereformeerde predikanten de sleutel van de parochiekerk gegeven, maar toen Alva er aan kwam vluchtte de nieuwe dominee. En zo ging het op de meeste plaatsen. Sommige steden openden van te voren al uit angst de poorten om afstraffing te voorkomen. Alva liet grondig uitzoeken wie allemaal ketterse sympathieën had. De meesten waren gevlucht. Zij die opgepakt waren werden ondervraagd. Doordat de teksten van deze processen deels bewaard zijn gebleven kun je een goed beeld krijgen van de drijfveren die de gewone man had om zich aan te sluiten bij de nieuwe godsdienst. Een inwoner van Maaseijck van 26 jaar, Pauwels Leyssen, vertelde bijv. dat hij was verwond door een plaatselijke schoenmaker van Maaseijck en daarover een proces ging voeren. Een van de getuigen was de pastoor die naderhand de biecht had afgenomen bij de schoenmaker en die vond dat er daardoor verder nu niets meer te vereffenen viel, waardoor Pauwels Leyssen het proces verloor. De betreffende pastoor had kinderen van zijn dienstmaagd en was een dronkenlap. Verder stond hij bekend als een twistzieke vechtersbaas. Pauwels Leyssen kwam daarna in contact met twee vrouwen uit Gulick die vroom leefden en veel bijbel lazen. Zij hebben hem een keer meegenomen naar een preek in Echterwald. Zo was hij in contact gekomen met de nieuwe godsdienst.
In 1569 kon Lindanus dan eindelijk geïnstalleerd worden. Er is niets bekend van onlusten daarbij, maar ook niet van feestelijke plechtigheden. In de jaren daarna werd het gebied al heel snel oorlogsgebied, soms waren er troepen van de geuzen (o.a. Willem van Oranje), dan weer waren Spaanse troepen in de buurt. Steden werden belegerd, ingenomen, geplunderd (Roermond in 1572 door Willem van Oranje).
Als je in het stedelijk museum bent zie je een aangrijpend schilderij welk een eeuw later is gemaakt naar aanleiding van de moordpartij op de Karthuizer monniken door soldaten van Willem van oranje in 1572. In het weekend is op bepaalde uren ook de prachtige Caroluskapel open, nu onderdeel van het bisdom, toen onderdeel van de Karthuizer abdij. Daar ligt het gebeente van deze Karthuizers als relikwie.
Ook na 1572 gingen de plundertochten, belegeringen enz. nog een hele tijd door. Toen in het gebied van Roermond uiteindelijk de Spanjaarden weer stevig de touwtjes in handen hadden kon Lindanus, die eerder diverse keren moest vluchten, pas echt iets gaan opbouwen. Hij legde zo de basis voor de contrareformatie in die gebieden en werd na enkele generaties, toen men niet meer beter wist, uiteindelijk symbool van de "goede" katholieke kant.

Bovenstaand kaartje: zo was globaal de indeling van de provincies van Nederland tussen 1600 en 1800. Er was al bijna een stadsprovincie: Noord-en Zuidholland waren nl. één. Drente, Noord-Brabant en Staats-Vlaanderen mochten niet echt meedoen bij het bestuur. Ze hoorden er officieel wel bij maar hadden geen stemrecht. Drente werd in de beginjaren van de Republiek vanuit zowel Groningen als Overijssel geclaimd en de oplossing was dat het dan maar een aparte provincie werd zonder stemrecht. Ook Brabant had geen stemrecht, men zei: er woonden te veel katholieken, maar in werkelijkheid speelden waarschijnlijk vooral economische motieven een rol: de textielindustrie van Brabant mocht geen te grote concurrent van Hollandse steden als Leiden worden. De landen van Overmaas, een groot deel van Zuid-Limburg, was, net als de vestingsteden Maastricht en Venlo, voornamelijk een strategische bufferzone. Af en toe moesten er eens wat oorlogen uitgevochten worden. Holland deed dat het liefste zo ver mogelijk van zich zelf vandaan, de uiterste grens was de Hollandse waterlinie. We hebben het over de tijd van de VOC, waar Balkenende zo trots op is. Toen was Holland letterlijk groot. Limburg bestond nog niet. Een deel hoorde bij Spanje, later Oostenrijk, een deel hoorde bij het prinsbisdom Luik, kleine delen hoorden bij diverse andere zelfstandige graafschappen als Gulick en je had ook nog een aantal vrijheerlijkheden als bijv. Gronsveld en Rijckholt. En de bufferzones van Nederland zoals gezegd. Maar de mensen daar waren saamhorig. De overheid was in principe onbetrouwbaar, de enige die je kon vertrouwen waren je familieleden en buren. Als het er op aan kwam verdedigden ze zich vanuit hun schans. En als de overheid oude rechten aantastte kwamen ze gezamenlijk in opstand. (In Swalmen was er bijv. eens een bosoorlog omdat de rechten van het hoeden van varkens dreigde aangetast te worden).
Nu moeten de provincies, die moeizaam na de Franse tijd enige gelijkwaardigheid verkregen hebben, misschien weer verdwijnen. Maar de mensen interesseert het niet denk ik....
(Bron afbeelding: Groote Historische schoolatlas H. Hettema 1927)
Waarom verhuist een van de rijkste mensen van de Republiek van rond
1700 van Utrecht naar Roermond? Dat deed Frederik Jacob Heereman
van Zuijdwijck. Hoe makkelijk ging dat, verhuizen in die tijd
naar een stad welke in die tijd onderdeel was van de Zuidelijke
Nederlanden en bestuurd werd vanuit Brussel? Verder: hij
was een overtuigd en belijdend katholiek, ging hij daarom
verhuizen? Maar er zijn meer mogelijke argumenten.Zo las ik dat hij als heer van Lisse (een overwegend katholieke enclave in Holland in die tijd) het recht had om predikanten aan te stellen. Zo was dat nu eenmaal, als je heerlijke rechten had dan mocht je ook predikanten aanstellen. Een katholiek die een gereformeerde predikant aanstelt, een predikant van de staatgodsdienst, stel je voor! De katholieken waren wel in opkomst, maar dat vonden ze in de staten van Holland niet fijn. Net in die tijd waren er ook complottheorieën dat de katholieken de Nederlandse staat wilden omvergooien. Tot aan de Franse tijd mochten katholieken geen eigen kerken hebben, Heereman trouwde dan ook in een schuur. En daarnaast moest hij trouwen voor de schepenen. Dat was verplicht: gereformeerden hoefden slechts voor de kerk te trouwen, maar alle anderen moesten in ieder geval voor de wet trouwen. Frederik Jacob was heel slim. Hij had rechten gestudeerd en wist wat er allemaal mocht. En hij mocht dus de predikant aanstellen. Bovendien: hij stelde gewoon degeen aan die voorgedragen werd door de gemeente. De gereformeerden van Lisse waren blij met hem, evenals de katholieken. Maar de staten van Holland hielden de benoeming tegen. De benoemde predikant ging dus maar eens verder kijken. En Lisse bleef zo jaren zonder predikant.
Frederik Jacob was ook heer van Zuijdtwijck, een heerlijkheid bij Boskoop. Stelde niets voor, maar: daar stond een galg! Dat betekende dat hij het hoge gerecht had, dus ook het recht om doodvonnisen te laten voltrekken. En dat recht had niet zo maar iedereen. Daarom noemde hij zich trots “van Zuijdtwijck”. Als was hij van adel, net als zijn tweede vrouw, Elisabeth Catharina van Scherpenzeel. Zijn vader had overigens een echte adelsbrief gekregen van de Oostenrijkse keizer. Maar die wilden ze in de Nederlanden niet erkennen.
Dan was hij ook nog heer van Wachtendonck, een stadje vlak bij Venlo. Na 1713 hoorde dat bij Pruisisch Gelder. Hij was zo ootmoedig om in een keer de hele schuld van het stadje op eigen kosten af te lossen.
En toen vertrok hij naar Roermond. Vlakbij was namelijk ook een dochter gaan wonen. Daarnaast was hij waarschijnlijk al het gepest van de gereformeerden zat. En nu mocht hij zich eindelijk ook van adel noemen: markies Heereman van Zuijdwijck! Welke reden het belangrijkste geweest is, ik ben er niet achter gekomen,
In Utrecht had hij o.a. gewoond in het Paushuis, dus in Roermond wilde hij ook wel een leuk optrekje. Het werd het huis met de Steenen trappen, wat op dit moment helemaal verbouwd wordt. Heereman liet het helemaal opknappen. Het is trouwens doodzonde dat zo’n eeuwenoud pand (1665) nu zo verpest wordt, alleen de voorgevel blijft intact. In Swalmen kocht hij een leuk landgoed om te jagen: de Spick, sindsdien "Zuijdewijcks Spick" genoemd. Zo heet het nog steeds. Je kunt er logeren. In Swalmen en Roermond was hij een geliefd persoon. Hij deelde studiebeurzen uit en kocht bij de Roermondse middenstand allerlei leuke dingen. Toen Heereman in 1745 in Roermond stierf liet hij een erfenis na waar de executeurs vijf jaar voor nodig hadden om alles te inventariseren. Niet alleen talloze huizen, kastelen en lappen grond waren van hem, maar bijv. ook vele tolrechten en visrechten (zoals het visrecht op de Lek: hij kreeg de opbrengst van de verkochte vergunningen.)
Enkele van zijn zonen trokken naar Duitsland. Een deel van de huidige Universiteit van Keulen is gehuisvest in het kasteel van een van de zonen van Heereman. En Schloß Surenburg, niet ver van Münster en de Rijn, een van de meest imposante kastelen van Duitsland, wordt nog steeds bewoond door een nazaat van de familie Heereman. Kasteel Dever van Lisse, ook een van zijn voormalige bezittingen, is helemaal opgeknapt. Je kunt de geschiedenis van het kasteel bestuderen, er zijn ook mooie tentoonstellingen en soms concerten. Dat is een goede bestemming! En hij heeft een prachtig archief nagelaten. Voor vorsers als ik om van te lekkerbekken...
Iedereen kent wel de
verhalen van “een briesje in de Chinese zeer welk
uiteindelijk de basis is van een storm op de Atlantische
oceaan.” Dit om aan te geven dat de kleinste dingen grote
gevolgen kunnen hebben en zo toevalligheden enorme consequenties
kunnen hebben. De grenzen zoals we die kennen in de provincie
Limburg berusten voor een groot deel op toeval. Een zo’n voorbeeld. Kijk eens naar het kaartje hiernaast. Waarom horen plaatsen als Grubbenvorst (ten noorden van Venlo), Tegelen (ten zuiden van Venlo) Beesel en Swalmen (ten noorden van Roermond) nu allemaal bij Nederland en niet bij Duitsland? in 1790 was het nog zo dat al deze plaatsen bij een andere machthebber hoorden: Grubbenvorst hoorde toen bij Pruissen, Tegelen bij het graafschap Gulick, Beesel bij de Republiek der Nederlanden en Swalmen hoorde bij Oostenrijk. Hoe kwam dit allemaal?
- Voor 1543 had je Gelderland. Een hertogdom met 4 kwartieren: Arnhem, Nijmegen, Zutphen en Roermond.
- Oppergelder was het kwartier welk als hoofdstad Roermond had: een gebied dat een deel van het tegenwoordige Duitsland en het tegenwoordige Nederlands-Limburg beslaat. In 1543 kwam heel Gelderland, dus ook Oppergelder bij Spanje. Het was feitelijk de laatste provincie die nog weerstand bood aan Karel V. Holland, Friesland en de overige provincies waren al bij Spanje gevoegd. Gulick (met bijv. Sittard en Tegelen en vooral veel plaatsen die nu in Duitsland liggen) bleef nog zelfstandig (toevallig: sinds kort was de hertog van Kleef nl. ook hertog van Gelder en Gulick, bij de vrede werd hem “als troost” Kleef en Gulick gelaten.)
- 1589. Na het begin van de Nederlandse onafhankelijksstrijd bleef Oppergelre door de Spanjaarden bezet. Tweede toevalselement: Spanje had geldgebrek door een twee fronten-oorlog (ook oorlog met de Turken). Ze besloten de status quo van dat moment te handhaven, Oppergelre was daardoor “de klos”. De rest van Gelderland kon zich zo aansluiten bij de Republiek en werd de huidige provincie Gelderland. Belangrijke plaatsen in het bovenkwartier dat nog steeds bij Spanje hoorde waren Roermond, Venlo, Weert, Wachtendonck, Straelen en natuurlijk Gelre, de plaats waar het hele hertogdom van oudsher naar genoemd was.
- In 1702 ontstond er een erfstrijd om de Spaanse troon. (Toeval, de laatste koning had geen kinderen). Zowel de Republiek, Frankrijk als Pruissen maakten gebruik van het hierdoor verzwakte Spanje en sloegen aan het veroveren. Een deel van Oppergelre werd veroverd door Pruissen (welk deel is in zekere zin toeval), de Republiek Nederland zag zijn kans schoon om maassteden als Roermond en Venlo in te nemen.
- Van 1713 tot 1715 waren vredesbesprekingen in Utrecht en toen werden de grenzen opnieuw vastgesteld. Tussen Roermond en Venlo, een strook grond van 23 km lang, waren de grenzen heel bizar. (Zie kaartje) Oostenrijk, historisch verbonden met Spanje, kreeg Roermond en Swalmen. Beesel en Belfeld kwamen bij de Nederlanden. Tegelen bleef bij Gulick, een nog steeds onafhankelijk hertogdom. Venlo bleef bij de Nederlanden. Arcen iets noordelijker, bleef bij Pruissen, net als al het eerder door Pruissen veroverde gebied. Toeval: de grenzen zijn zo vreemd en willekeurig dat je je goed kunt voorstellen dat dit net zo goed heel anders ingedeeld had kunnen worden.
- Deze toestand bleef tot de Franse invasie eind 1794. Eerst werd Oostenrijks Gelre door de Fransen geannexeerd. De Republiek wilde geen mot met de Fransen en stond al snel ook Staats Gelre af. Pruissen volgde als laatste: Pruissen werd veroverd tot aan de Rijn en vanaf een bepaald moment ook geannexeerd.
- Alles wat Pruisisch was kwam na de vrede van Wenen van 1815
bij wat nu uiteindelijk Duitsland is geworden, met uitzondering
van alle Pruisische gebieden ten westen van de Maas en het gebied
welk binnen schootsafstand van de Maas lag. (een
compleet nieuwe manier om grenzen te trekken, waarschijnlijk uit
de toevallige koker van een generaal) Zo is de
huidige provinciegrens van Midden-Limburg ontstaan. Om die
reden kwam Tegelen, welk ook binnen schootsafstand lag, na
eeuwen bij Gulick gehoord te hebben, ook bij Nederland
terecht.
(Het kaartje is gemaakt op basis van Google maps)
.jpg)
Meulenhoff had toen een hele serie met Duitstalige literatuur, bedoeld voor het voortgezet onderwijs. En alles in gotische letters! Wat is er veel veranderd! Stephan Zweig, een wereldburger die vrienden had over de hele wereld, is net iets jonger dan de schrijvers van "Jung Wien", een kring van schrijvers van rond de eeuwwisseling die de nieuwe eeuw inluidden met uitdagend proza en een nieuw soort poëzie. Stephan Zweig bekwaamde zich ook in deze genres, maar hij heeft ook veel vertaald en biografieën geschreven, o.a. over de door hem zeer bewonderde Erasmus. In het boekje dat ik kocht las ik het verhaal "Episode vom Genfer See" (Episode van het meer van Genève). Het gaat over een man, die naakt door een visser wordt aangetroffen op een soort vlot op het meer. Het enige wat hij weet uit te brengen is "Rossiya", niemand snapt er iets van. Uiteindelijk via een tolk die gebrekkig Russisch kan blijkt hij "Rus" te zeggen en vertelt hij daarna in het Russisch zijn verhaal hoe hij in de eerste wereldoorlog met het Russische leger daar verzeild is geraakt. Hij deserteert en wil terug naar Rusland, maar heeft geen flauw idee hoe te gaan behalve dat hij naar het oosten moet. Het is nog steeds oorlog en de mensen bezweren hem te wachten tot de oorlog voorbij is. Uiteindelijk vertrekt hij toch weer en een tijd later spoelt hij naakt aan en wordt ter plekke begraven. Een klein facet van de enorme dramatiek van de eerste wereldoorlog wordt in dit verhaaltje blootgelegd. Gorki zegt over Zweig dat Zweig voor hem degeen is die de liefde het best weet te beschrijven. Al de korte verhalen in het boekje dat ik kocht hebben een historische achtergrond, maar geven steeds een heel persoonlijk aangrijpend beeld van een klein stukje geschiedenis. Ze doen me denken aan de verhalen van Pirandello, waarvan enkele verhalen door de gebroeders Taviani zo meesterlijk zijn verfilmd in "Kaos". Blijkbaar was Zweig in 1930 wereldliteratuur voor de jeugd van Nederland, daar ben ik het helemaal mee eens! En dat in gotische letters. Daar ben je overigens vrij snel aan gewend is mijn ervaring.
Een en ander deed me ook denken aan het verhaal over schoolmeester Bellaers rond 1800 in Roermond. In Limburgs jaarboek XX, pag. 296, uit 1914, schrijft H. Drehmans Sr. bij een beschouwing over het onderwijs vlak na de Franse tijd het volgende over deze onderwijzer:
Voor de kinderen tot de leeftijd gekomen dat ze moesten leren lezen, van schrijven was geen sprake, was er een school bij de poortwachter Bellaerts (noot: na 1825 was Bellaers nog steeds een tijd poortwachter) aan de brugpoort. Heden nog bestaat het portiershuisje van enkele vierkante meters groot, dat destijds tot woning en school dienen moest; daar werden de kinderen onderwezen in Gotisch letterschrift, van leerboeken en Latijnse letters was destijds daar geen sprake en hadden de leerlingen het zo ver gebracht dat zij enige volzinnen uit het Christelijk leerboek konden lezen, waarvan Bellaerts dan ook de uitleg gaf en die zich voornamelijk bepaalde met het verhaal van de schoonheid van de hemel en de vreselijkheid van de hel, dan waren de kinderen uitgeleerd en ging het van "opzegge nao hoes", d.w.z. die zijn les gelezen had kon naar huis gaan. Veel eerbied hadden de kinderen niet voor hun meester; immers daar deze een vurig liefhebber was van tabak pruimen had er zich allengs op zijn wang een uitwas gevormd. De kinderen zongen daarom bij vertrek: "Lek vinger, lek doem, lek Bellaers zien proem." (Lik vinger, lik duim, lik Bellaers zijn pruim)
Bellaers leerde de kinderen dus Gotische letters lezen. Voor zover mij bekend moet hij zelf dan onderwijs hebben genoten op behoorlijke afstand van Roermond, waarschijnlijk in een Pruisische provincie. In de directe omgeving schreef iedereen uitsluitend met normale Latijnse letters. In veel plaatsen in die omgeving die nu in het tegenwoordige Duitsland liggen sprak en schreef men indertijd ook Middel-Nederlands, een taal die globaal geschreven werd in heel het tegenwoordige Nederland en Vlaanderen, maar dus ook in het Nederrijnse gebied.
Daar een onderwijzer alle goede hoedanigheden bij de kinderen moet bevorderen en alle slechte aangewoonten bij hem tegenwerken en uitroeien moet, zult gij de voornaamste goede en hoofdzakelijkste kwade hoedanigheden die men bij kinderen pleegt aan te treffen wel weten op te noemen? Zo ja, doe zulks dan eens.
Verbeter onderstaand opstel:
Meine goden vrint, verbetert en ontleed dezen obstel met taalvauten in worden en na scheit en sinteken, imant die dit nit kent kan onse schoen nationael modertael nit zoo als een got scholonderweiser die behoord te konnen en te leren.
Qu'est ce que la grammaire francaise et la syntaxe?
Combien y a t'il des genres, articles et des cas dans la langue francaise? Et quel rapport ont ils et a leur substantif?
Quot sunt partes orationis lingua Latinae?
Was lehrt die Hochdeutsche Rechtschreibung? Worauf gründen sich die Regeln der rechtschreibung dieser Sprache? Welche und wie viele sind die Namen der Unterscheidungszeichen in der Deutschen Sprache?
Als een mud van het nieuwe matenstelsel 21 gulden en 75 cent kost, hoeveel kosten dan 9 lasten 5 schepels en 7 maatjes van hetzelfde matenstelsel?
Vooral opvallend is dat de onderwijzer niet alleen de Nederlandse taal goed moest beheersen, maar ook de Franse en Duitse, en zelfs iets van Latijn moest weten. Dat heeft vrijwel zeker met de situatie van Limburg te maken. 20 jaar lang waren in deze contreien alle officiële documenten in het Frans opgesteld geweest. (van 1794-1814). En het Franse taalgebied lag heel dichtbij. Sittard is door een speling van het noodlot niet bij Duitsland maar Nederland gekomen, Het hoorde namelijk oorspronkelijk bij het hertogdom Gulick, en het grootste deel daarvan is na het congres van Wenen (1815) bij Duitsland ingedeeld. In Roermond werd overigens op sommige scholen vanaf omstreeks 1850 ook soms Duits geleerd, dit omdat veel kinderen uit het aangrenzende Duitsland daar naar school toe gingen.
Het vak rekenen stond op veel plaatsen nog in de kinderschoenen, of werd helemaal niet gegeven. Maar in Sittard moest je kunnen rekenen zoals we hierboven zagen. Ook aardrijkskunde en geschiedkunde, zoals dat toen nog heette, stonden soms al op het programma en over allebei werd in Sittard een algemene vraag gesteld:
Wat en hoe velerlei is de aardrijkskunde en wat leert wel ieder hoofddeel daarvan kort in het bijzonder?
Wat is de geschiedkunde in het algemeen en welke geschiedenis behoort men wel in de middelste en welke op de hoogste klasse op de lagere scholen in het bijzonder voornamelijk aan te bieden?
Ik heb geprobeerd om de opgaven op te lossen, maar dat is nog niet zo eenvoudig. Bij geschiedkunde vermoed ik dat er onderscheid gemaakt wordt tussen Bijbelse geschiedenis voor de lagere klassen en Vaderlandse geschiedenis voor de hogere klassen. Bij rekenen: het matenstelsel was net aangepast, dat wil zeggen de maten waren geüniformeerd, dus niet meer plaatselijk verschillend. Het echte metrieke stelsel werd nog pas later helemaal doorgevoerd. Men diende dus te weten hoe nu deze uniforme oude maten waren. Oorspronkelijk was een mud in ieder geval meestal 4 schepels, een last was ongeveer 3000 liter. Een maatje werd vaak als term gebruikt in de herberg, dus dat zal wel iets van een derde of halve liter zijn geweest. Maar je moest niet alleen de maten kennen, ook behoorlijk kunnen rekenen!
Wie er uiteindelijk aangenomen is in Sittard weet ik niet.
De opgaven (en meer) stonden als bijlage bij een uitvoerig artikel in Spiegel van Roermond 1994.
Zie ook "de dorpsschool" op
http://www.ppsimons.nl/stamboom






