
Hadrianus spreekt
oudheid, hadrianus, yourcenar, literatuur, zelfkennis, wijsbegeerte

Kennis van het
zelf
'Gelijk iedereen, heb ik slechts drie middelen tot mijn dienst om het menselijk bestaan te taxeren: de studie van mijzelf, de moeilijkste en gevaarlijkste, maar tevens de vruchtbaarste methode; het waarnemen van de mensen, die het er meestal op aanleggen hun geheimen voor ons te verbergen of ons te doen geloven dat zij geheimen hebben; de boeken, met de speciale perspectieffouten die tussen hun regels ontstaan. (...)
Maar ze liegen, die boeken, en zelfs de oprechtste. De stunteligste houden van het leven, bij gebrek aan woorden en zinnen om het er in op te sluiten, een geesteloos en armzalig beeld vast.' (p.25)
'Onze grootste dwaling is dat wij uit ieder in het bijzonder de deugden trachten te halen die hij niet bezit, en het cultiveren van die welke hij wel bezit verwaarlozen.' (p. 41)
Eros
'Van al onze spelen is dit het enige dat onze ziel onderste boven kan keren, het enige ook waarin de speler zich wel aan de razernij van het lichaam moet overgeven. Het is niet noodzakelijk dat de drinker afstand doet van zijn rede, maar de minnaar die de zijne behoudt, volgt zijn god niet tot het einde toe. Overal elders bindt de onthouding of de overdaad slechts de mens alleen. (...)
Aan het beminde lichaam
genageld als een gekruisigde aan zijn kruis, heb ik van het leven
enige geheimen geleerd die alreeds in mijn geest vervagen, door
de werking van dezelfde wet die wil dat de genezen zieke zijn weg
niet meer kan vinden in de geheimzinnige waarheden van zijn
kwaal, dat de vrijgelaten gevangene de foltering en de
ontnuchterde triomfator de glorie vergeet.'
(p.16-17)
'Ik heb er wel eens van gedroomd een stelsel van menselijke kennis op te bouwen dat gebaseerd is op de erotiek, een theorie van de aanraking, waarin het mysterie en de waardigheid van anderen juist bestaan zouden in het aanbieden van het Ik van dit steunpunt in een andere wereld. In deze filosofie zou de wellust een meer complete, maar tevens meer gespecialiseerde vorm zijn van dit benaderen van de Ander, een nieuwe techniek in dienst van de kennis van hetgeen niet Ik is.
Bij de minst zinnelijke ontmoetingen is het
alweer in de aanraking dat de aandoening zich voltrekt of geboren
wordt: de ietwat weerzinwekkende hand van de oude vrouw die mij
een smeekschrift aanbiedt, het klamme voorhoofd van mijn
stervende vader, de uitgewassen wond van een gekwetste.' (p.
18)
Dood
'Kleine ziel, tere en zwevende ziel, gezel van mijn lichaam, dat je gastheer was, je gaat nederdalen in bleke, harde en naakte oorden, waar je moet afzien van de spelen van weleer. Een ogenblik nog: laat ons samen de vertrouwde kusten schouwen, de dingen die wij stellig nooit zullen weerzien... Laat ons trachten met open ogen in de dood te treden...' (p. 264)
(Uit: Hadrianus Gedenkschriften, Marguerite Yourcenar. Uitgegeven door Atheneum-Polak. Leest dat boek)

Filosofies vertier #2: Diogenes en Alexander de Grote
foucault, diogenes, cynicus, parrhesia
Diogenes went on to tell the king that he did not even possess the badge of royalty. .
"And what badge is that?" said Alexander.
"It is the badge of the bees, "he replied,
"that the king wears. Have you not heard that there is a king
among the bees, made so by nature, who does not hold office by
virtue of what you people who trace your descent from Heracles
call inheritance? "
"What is this badge ?" inquired Alexander.
"Have you not heard farmers say, " asked the other, "that this is the only bee that has no sting since he requires no weapon against anyone? For no other bee will challenge his right to be king or fight him when he has this badge. I have an idea, however, that you not only go about fully armed but even sleep that way. Do you not know," he continued, "that is a sign of fear in a man for him to carry arms? And no man who is afraid would ever have a chance to become king any more than a slave would.
At these words Alexander came near hurling his
spear
"... In view of what I say rage and prance about ... and think me
the greatest blackguard and slander me to the world and, if it be
your pleasure, run me through with your spear; for I am the only
man from whom you will get the truth, and you will learn it from
no one else. For all are less honest than I am and more
servile.
Then was Alexander amazed at the courage and fearlessness of the man.
And I think we can also see in the aggressive encounter between Alexander and Diogenes a struggle occurring between two kinds of power: political power and the power of truth. In this struggle, the parrhesiastes accepts and confronts a permanent danger: Diogenes exposes himself to Alexander's power from the beginning to the end of the Discourse.
And the main effect of this parrhesiastic struggle with power is not to bring the interlocutor to a new truth, or to a new level of self-awareness; it is to lead the interlocutor to internalize this parrhesiastic struggle-to fight within himself against his own faults, and to be with himself in the same way that Diogenes was with him.
(Ontleend aan Foucaults lezing Discourse and Truth - The problematization of Parrhesia, 1983 @ Berkeley)
Foucaults analyse van hoe het Parrhesiastische
spel (Parrhesia: vrijmoedige spreken) gespeeld wordt tussen
Diogenes (de Cynicus) en Alexander de Grote biedt naar mijn
mening interessante aanknopingspunten voor politiek en verzet
tegen illegitieme macht vandaag de dag. Ik kom hier op
terug.
Waarheid is vaak een ongenode gast die
Plotseling uw huis betreedt
Zich breed uitstrekt op een stoel en
Uw wereld begint te duiden, inzichtelijk en waterklaar
Waarschijnlijkheid; een goede vriend maar
Wankelmoedig. Houdt niet van heftige emoties en dramatische momenten.
Wat kleurloze twijfelaar, die zich niet binden durft.
Van deze drie is vermoeden mij nauw te na. Een flits van inzicht die zich nog vormen moet.
Werkelijk en toch niet realistisch. Een proberen (essayer) dat wijzer worden wil; en een bescheiden rumoer voortbrengt.
(Klikt u eerst even op play?)
Loop de koele paden van de rede
In een bos waar passies leven
Naar de oevers van een tranenmeer
Waar je, kind, berusten moet
En slaap je in, dan zul je
In een droom je weg vervolgen
En aan de kust waar tijd begon
Ga je scheep op zoek naar liefde
De golven volgen in je kielzog
De wind wakkert in je rug
Voor je ogen aan de einder
Bestrijkt duisternis de zee
De nacht heeft deuren en ze zwaaien
Open naar het verre niets
En eindeloos berustend
Zeil je naar de sterren toe
---
In de verre sterrensteden
Kus je dochters van de goden
Leer je hun geheime talen
Lippen open als de bloesem
En binnen zijn donkere meren
Waar je bloed en vocht in stort
Ogenschijnlijk evenwaardig
In het duister haar hervonden
Eindelijk zichzelf ontstegen
Valt smekend Icarus.
(aan Kavafis, deemoedig.
en aan de vrouw, omdat ze er weinig van begrijpen, en toch...)
Na de wilde jacht
Hemelhoog rijken ze, boomkruinen
met sapstromen traag
verheven kilte heeft ze omarmd en
tot levenswijze, oude mannen gemaakt.
Hun lijven stram maar recht
Ongebroken
De sparren buigen diep,
door witte schimmel aangetast
Gestolde tranen van een vreemde, oude god
Gevallen.
Zijn wilde heir kwam in de sneeuwnacht
En nam het land weer in bezit
Verbond, hernieuwd in heilige nachten.
- tijd vóór kruis en steen
-
Een witte huiskamer zonder muren
Elke afstand maatloos dichtbij
Jij, wandelaar, moet je een vreemde voelen
Naakte indringer, prooi
- zonder vacht en zonder tanden -
Waanwild en onwetend
Achtergrond en relevante muziek
Wegens aangeboren luiheid en schroomvalligheid (hoe kan ik nog iets zinvols toevoegen aan de gedachten van grote of inspirerende denkers) wederom een doorgelinkt filmpje.
Fascinerend.
Langs de gehurkte
huisjes, met hun hard, dik haar
over hun voorhoofd, de verlaten tuinen, waar
de bonestaken met hun maagre vingers staan
-tussen verwilderend loof stijgt af en toe de dunne rook van
vuren
en ver, tussen de hese, wit-uitgebeten, roodgesteelde
grassen
blinkt het onzegbaar dorstverwekkende en schoongewassen
water van meertjes, die alleen maar in de herfst bestaan
–
daar zijn wij, - zorgeloze neuriënde man, -
des zomers langs gegaan.
Nu loop ik er alleen
en langzaam en ik stond
lang op de smalle brug, hoog boven de gezwollen
stroom
waarin de grassen schuin het trage water wervlen
deden.
Daar leek het land haast hol:
de donkre bodem van de heldre bol,
die de kristallen hemel ermee vormde.
Ver in het bos praatte een kind tegen een hond
zo helder en onzichtbaar,
dat ik m’ als een blinde voelde.
Heeft al ’t
verlangen en de onrust van de zomer
geleid tot dit volmaakte, heldre ogenblik,
of is mijn hart verkoeld, is dit de eerste vorst?
Het water blinkt. Ik heb nog altijd dorst.
(Maria Vasalis, Vergezichten en Gezichten 1954)
Er groeide een boom in
de tuin van het leven
Met armen die reikte tot ver in de lucht
En steeds als de takken hun vruchten verloren
Werden er duizenden mensen geboren
En eens op een dag kwam ook ik uit zo’n vrucht
In de tuin van het leven
Toen groeide ik op in de tuin van de vrede
Tussen sneeuwwitte bloemen en kelken vol licht
Verwarmd door de zon en gekust door de regen
Heb ik daar handen en voeten gekregen
En lippen en ogen een eigen gezicht
In de tuin van de vrede
Ik zocht me een weg door de tuin van de liefde
Waar paden zo smal zijn maar niet voor een kind
Ik hield van de mensen, ik hield van de dieren
Ik wilde de straten met bloemen versieren
En speelde een spel op de rug van de wind
In de tuin van de liefde
De wind nam me mee naar de tuin van geheimen
Daar zongen de vogels een wonderlijk lied
Er straalde een zilveren licht door de bomen
En de wind zei me zachtjes: daar mag je niet komen
Maar ik dacht: ik ben groot en ik luisterde niet
In de tuin van geheimen
Ik kwam door een poort in de tuin van bekoring
Daar staken de rozen mijn ogen in brand
Maar toen ik begerig de mooiste wou plukken
Vielen de purperen blaadjes aan stukken
En stond ik verdwaasd met de steel in mijn hand
In de tuin van bekoring
Nu loop ik alleen door de tuin van de stilte
Met ogen vol heimwee en armen vol spijt
De zon is verdwenen, ik wacht op de morgen
Maar een loodgrijze muur houdt de toekomst verborgen
De zevende tuin in het land van de tijd
Ik kan er wel heen, maar mijn angst is te groot
Want achter die muur wacht de tuin van de dood
(Elly Nieman)
Het getal zeven is het heiligste getal in de getallenleer. Het staat symbool voor het goddelijke en spirituele, de vervolmaakte van de ziel. Er zijn zeven aartsengelen. De Joodse menorah heeft zeven armen. De Islam kent een hemel met zeven lagen. In de oudste kosmologieën corresponderen deze hemelse sferen met de hemellichamen: de maan, mercurius, venus, de zon, mars, jupiter en saturnus, met de aarde in het midden. Volgens de antroposofie verloopt de ontwikkeling van de mens in fasen van zeven jaar.
De soemerische godin Inanna moest zeven poorten betreden in haar reis naar de onderwereld. Boeddha schijnt zeven stappen te hebben gezet bij zijn geboorte. Jezus sprak zeven laatste woorden aan het kruis. En de Ierse held Cuchulain zou zeven vingers aan elke hand, en tenen aan elke voet gehad hebben. En dan nog zeven pupillen (zag hij de wereld dan ook zevenvoudig?). En zelfs vadertje Tolkien heeft het over 'seven stars and seven stones' die uit land van de goden (waarvan er, jawel, twee keer zeven waren) mee worden genomen naar Midden-Aarde.
Elly (van Elly & Rikkert) sluit met dit lied dus aan bij een mooie traditie. En laat ik nu toevallig ook op de zevende geboren zijn. Misschien dat het me daarom zo bevalt. Dat geldt dan weer niet voor de beelden van dit filmpje, waarvan de esthetiek me nogal tegen staat. Maar dat heb je op YouTube helaas niet altijd zelf in de hand.
Filosofies vertier #1: Darius en Heraclitus
overheersing, misantropie, darius, heraclitus, filosofie
Plaats van handeling: Efeze
Tijd: 5e eeuw voor Christus
Heraclitus wordt wakker, rekt zich uit, sloft eens heen en terug over de agora met de slaap nog in de ogen. Dan bedenkt hij zich dat hij vandaag nog niet in zijn brievenbus gekeken heeft. En zowaar; niemand minder dan de Keizer van Perzië (en dus ook van Efeze, dat in die jaren van de Perzen was) heeft hem een brief gestuurd. Hoera!
KING DARIUS, THE SON OF HYSTASPES, ADDRESSES HERACLITUS OF EPHESUS, THE WISE MAN, GREETING HIM.
"You have written a book on Natural Philosophy, difficult to understand and difficult to explain. Accordingly, if in some parts it is explained literally, it seems to disclose a very important theory concerning the universal world, and all that is contained in it, as they are placed in a state of most divine motion. But commonly, the mind is kept in suspense, so that those who have studied your work the most, are not able precisely to disentangle the exact meaning of your expressions.
Therefore, king Darius, the son of Hystaspes wishes to enjoy the benefit of hearing you discourse, and of receiving some Grecian instruction. Come, therefore, quickly to my sight, and to my royal palace; for the Greeks in general, do not accord to wise men the distinction which they deserve, and disregard the admirable expositions delivered by them, which are, however, worthy of being seriously listened to and studied; but with me you shall have every kind of distinction and honour, and you shall enjoy every day honourable and worthy conversation, and your pupils' life shall become virtuous, in accordance with your precepts."
HERACLITUS, OF EPHESUS, TO KING DARIUS, THE SON OF HYSTASPES, GREETING.
"All the men that exist in the world, are far removed from truth and just dealings; but they are full of evil foolishness, which leads them to insatiable covetousness and vain-glorious ambition. I, however, forgetting all their worthlessness, and shunning satiety, and who wish to avoid all envy on the part of my countrymen, and all appearance of arrogance, will never come to Persia, since I am quite contented with a little, and live as best suits my own inclination."
Achtergrond: Darius is natuurlijk Darius de Grote, heerser van het perzische wereldrijk van die jaren. Heraclitus kennen we als de Duistere, inspiratiebron van Hegel, Nietzsche, en wie niet al. Zijn panta rhei wordt nog wel eens aangehaald.
'Het is nog steeds zo, er is niks veranderd in de wereld. Maar ik ben niet bang, want ik heb toch wel vertrouwen in de mensen en ik hoop dat ze op een gegeven moment wel tot hun gezonde verstand komen, en wel ontroering toelaten en emoties. Want het is echt niet alleen rekenen en meten en wegen. Er is echt veel meer in het mens-zijn, en dat eruit te halen daar ben je voor, om dat te voorschijn te roepen.'
(Simon Vinkenoog, in een docu van NOVA)
Vorige maand heb ik nog over hem geblogd, en nu is hij dood: Simon Vinkenoog. Toen schreef ik dat de geest van de sixties (want dat was Simon voor mij) nog springlevend is. De kop is vergrijsd en het been trekt, maar de idealen zijn ongebroken en de betrokkenheid is ongeslagen (enfin, als Hector aan de zegewagen)
En vervolgens sterft hij op een achternamiddag. Een flauwe grap, verborgen boodschap? Of gewoon de loop der dingen, een oude dichter die na een rijk en bewogen leven nu eenmaal net als iedereen het leven los moet laten. Zo erg zou ik het niet gevonden hebben, als hij niet nog zo vol met plannen en gedachten zat.
Simon, ik weet dat je geest daar ergens zweeft (misschien wel over de wateren) maar dat hij niet verdwenen is. Ik hoop met Einstein te mogen concluderen dat alles van vorm verandert, maar dat niets ooit verdwijnt: het universum is een gesloten systeem. Materie is energie en energie verdwijnt niet. Nothing lasts, but nothing is lost schijnt William Blake al ooit gezegd te hebben. Je bent er dus nog.
Je blijft een lichtend voorbeeld. Bij leven was je letterlijk een lopend vuurtje. Je luciferische praktijken waren groots van geest en van gevoel. Voor mij was je een lichtbrenger, verbonden met de prometheus-mythe. Iemand die de mensen het vuur van nieuw inzicht komt brengen.
Je eeuwig optimisme, geloof in het uiteindelijke goede in de mens en de kracht van de liefde zijn een blijvende inspiratiebron.
Goede raad is vuur!
"This world, the same for all, neither any of the gods nor any man has made, but it always was, and is, and shall be, an ever living fire, kindled in due measure, and in due measure extinguished."
(Heraclitus)
Deventer op stelten
kunst, 2009, deventer op stelten, fotografie, theater, surrealisme
De vaste lezer van deze rubriek zal het zich misschien herinneren: enkele maanden geleden stuurde ik een licht geborneerde maar redelijk geestige brief naar een ambtenaar, die me al enkele maanden had geplaagd met een verzoek om 'RMC-registratie'.
En zowaar: deze week kreeg ik een antwoord terug:
(klik op de afbeelding voor een groter formaat)
Dus, bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug geen duffe dorknopers, maar vermogen tot zelfspot en vileine ironie (zie de laatste zin in de brief).
Als die geest zich tot in de hoge haagse bestuurslagen voortzet, is er zowaar nog hoop voor dit land ;).
Breaking news: sixties nog springlevend
kunst, sixties, vinkenoog, simon
Geest van de Sixties spreekt:
"luctor sed emergo!"
(ik worstel maar kom teboven)
Simon Vinkenoog, die momenteel herstelt van een beenoperatie in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis.
Zolang die geest leeft, is er hoop...
...is mijn bescheiden mening.
Waarom? Ik zal hem zelf aan het woord laten:
De man heeft eenvoudigweg gelijk. Ik mag hem trouwens (met grote schroom) geloofsgenoot noemen, want we zijn zowaar allebei priester van de Universal Life Church, al stamt zijn certificaat uit 1966 en het mijne uit 2009.
Bloemen, kaarten en cadeaus kunt u sturen naar:
Simon
Vinkenoog
Onze
Lieve Vrouwe Gasthuis 9
Afdeling
A5, kamer 2
1090
HM Amsterdam
Eindessay voor de UU-cursus Liever de gifbeker, deel 3
Post-morele seks
Tijdens de counterculture revolutie van de jaren '60 ontstond een tegenbeweging. Seksuele bevrijding werd een van de belangrijkste doelen die je als zich ontwikkelend mens na moest streven. Vrije liefde (zelf bepalen hoe vaak en met wie je het deed) werd een recht en later een must. Mensen die op die tijd reflecteren maken dan ook vaak gewag van het dwingende karakter van die vrijheid: alles moest kunnen, en seksualiteit was iets om met veel mensen te delen. Wie zich jaloers voelde moest zich daar eigenlijk voor schamen. Dan was je blijven hangen in de voorgaande decennia, en werd het hoog tijd je te emanciperen.
Wat de onderdrukking van jaloezie in het bovengenoemde voorbeeld mij leert is dat er een verband is tussen seks en de behoefte de ander voor onszelf te hebben. De behoefte aan exclusiviteit, aan bezit bijna is volgens mij iets heel natuurlijks. Als we seks hebben met een partner maken we oxycitine aan, een instant-hechtingshormoon (hetzelfde gebeurt trouwens als we goede MDMA nemen). Die oxycitine maakt dat we ons veilig voelen bij de andere persoon. En dat is ook nodig, om de ander in die meest intieme sfeer van ons lichaam binnen te laten. Maar het maakt ook dat we die intimiteit en veiligheid niet willen laten verstoren door een derde. Als we in een relatie geen zekerheid en veiligheid ervaren zijn we al snel geneigd ons er uit terug te trekken.. of (en hierin lijkt de moderne relatie op het ouderwetse huwelijk) elders op zoek te gaan naar geborgenheid.
Bij mijn weten is de mens het enige dier bij wie de zo ontstane binding zo sterk is dat we werkelijk fysieke pijn kunnen ervaren als we door de ander verlaten zijn. Recent psychologisch onderzoek laat dat ook zien: de emotionele 'wond' van verlaten worden door iemand van wie we houden kan net zo verstorend en pathologisch zijn als een fysieke wond: inclusief een lange genezingstijd. Seks is een motor voor relaties omdat het uiteindelijk tot nestdrang leidt: wij samen tegen de wereld. Dat dit gevaarlijk is blijkt wel uit het feit dat we volledig emotioneel afhankelijk kunnen raken van een ander persoon in een relatie: loverboys maken hier dankbaar gebruik van. Wie wel eens een one night stand heeft gehad (en dan bedoel ik niet 1 minuut straalbezopen op-en-neer op een goor matras, maar een ontmoeting gevolgd door seks) weet bovendien dat je die niet zomaar ongeschonden verlaat. Ook als je niet verliefd bent op die ander zullen je gedachten onwillekeurig afdwalen en zul je zijn of haar gezien weer voor je zien, die aanraking weer voelen en een gemis ervaren. Seks leidt tot binding.
En dat besef ontbreekt volgens mij nog in hoe we over seks denken en spreken. Het lijkt alsof we altijd ofwel terecht komen in een Christelijk-Victoriaans moralisme (zo ondertekenen sommige Christelijke meisjes in de VS tegenwoordig ‘geen seks voor het huwelijk-contracten’ waar begrippen als reinheid en zuiverheid over de pagina buitelen) of een beschrijving van seksualiteit in de platte technische termen die overbleven na de seksuele revolutie. Mijn voorlichting bij biologie op de middelbare school was daar een voorbeeld van: we leren alles over menstruatie, clitoris en condooms maar niets over de gevoelskant van seksualiteit, en de balans tussen liefde en lust.
Hoofden schuddend (it’s quite a sight) kijkt Janus hoe een vrouw voor de klas een condoom uit een pakje haalt en om een banaan uitrolt. Wat een treurnis. Ze denken er niet eens aan, eens even de blik naar het verleden te richten, of na te denken over de toekomst van seksualiteit. ‘Ze hebben toch verdorie niet voor niets een hele maand naar mij vernoemd’, moppert hij. ‘Ze hadden toch kunnen bedenken dat..’
Wat veel belangrijker is dan moralisme, dat een zogenaamd tegenwicht zou moeten bieden aan de seksualisering of de seksuele ‘bevrijding’ door pure informatieverstrekking: inzicht in het wezen van seks. Seks is ten diepste verbonden met de ontwikkeling van affectie, binding en openheid tussen mensen. Als we die affectieve banden die gepaard gaan met seksuele activiteiten kwijt willen gaat dat altijd gepaard met een bepaalde afstomping: ofwel moeten we verharden en de andere persoon uit onze gevoelens bannen (en dus ver buiten onze emoties plaatsen), ofwel moeten we onszelf verdoven door allerlei vormen van afleiding te zoeken of de ene persoon voortdurend in te ruilen voor de andere. Drift zelf is niet moreel of immoreel (eerder amoreel: ieder wezen wil zich immers voortplanten). Maar doordat bij ons mensen onze seksualiteit ten diepste verbonden is met onze emoties en gedachten is het zaak naar een zekere mate van zelfcontrole te streven.
Niet omdat we dat aan een hogere instantie verplicht zouden zijn of omdat het ons anders tot een slecht mens maakt, maar omdat we voor onszelf zouden moeten zorgen. Ik meen dat het gebrek aan zelfrespect dat de meisjes in de kelderboxen laten zien hier verband mee houdt. Wie een notie heeft van zijn eigen waarde als persoon zal zich willen beschermen tegen de negatieve effecten van al te snelle binding aan personen die we niet vertrouwen kunnen of die niet het beste met ons voor hebben. Ik wil dan ook pleiten voor lessen emotionele zuiverheid en zelfbescherming op middelbare scholen, in aanvulling op het behandelen van de technische kwesties Het inzicht dat het in ons eigen belang is goed te weten met wie we in zee (pardon in bed) gaan dient om te vermijden dat we ons aan de verkeerde persoon binden. En dat zou best eens een revolutie in de seksuele ontwikkeling van individuen kunnen zijn.. om over de maatschappelijke impact nog maar te zwijgen.
Voor mij is dit de methode Janus: de wetenschap en ratio in verbinding stellen met het gevoel en de ervaring, het niet-reduceerbare belang van beide zien en te zoeken naar wat ze van elkaar leren kunnen. Om zo uiteindelijk een beslissing te nemen die het geheel in overweging heeft genomen. Dat is dan ook wat mij, naast alle feiten en weetjes, van de cursus het meeste bij zal blijven.
Janus kijkt tevreden. ‘Niet slecht voor een amateur’, mompelt hij, ‘je betrekt gevoel en verstand in je analyse, en denkt er bovendien aan naar verleden, heden en toekomst te kijken. Maar denk nu niet dat je er al bent. Je hebt nog maar net een enkele voet over mijn drempel gezet. Je hebt nog een lange weg te gaan voordat je het Janische echt begrijpen zult’. En met die woorden doet hij een stap terug en verandert weer in een oud en bemost stenen beeld. Dat met eindeloze ironie de wereld bekijkt.
Met veel dank aan André Klukhuhn. Schrijver van 'Alle mensen heten Janus - het verbond tussen filosofie, wetenschap kunst en godsdienst' en docent van de cursus.
Eindessay voor de UU-cursus Liever de gifbeker, deel 2
Hersenen en drift
Laten we proberen een actuele kwestie te analyseren, en ons daarbij door onze gids Janus te laten leiden. Een proeve van bekwaamheid. Langs welke paden zal hij ons leiden, en kan hij ons uiteindelijk ergens brengen? Plots komt het beeld van de god tot leven, rekt zich uit en komt ons met mantel en pelgrimsstaf tegemoet. Een ironisch glimlachje speelt om zijn lippen.
Zoals gezegd zijn wij mensen behept met een rijk driftleven: we willen allemaal eten, slapen en ons voortplanten - daarin onderscheiden we ons nauwelijks van onze soortgenoten. Niet voor niets hebben we de driften gekoppeld aan een intellectuele constructie: de primaire levensbehoeften. Blijkbaar zijn deze behoeften zo belangrijk dat ze voorafgaan aan alle anderen. Op dit punt verschillen we weinig van andere diersoorten. Het grote verschil is dat we beschikken over een brein dat volstrekt uit zijn krachten gegroeid is. De hersenmassa vormt 2% van het totale lichaamsgewicht, maar roomt ongeveer 25% af van onze totale energieopname. Vanuit het perspectief van het lichaam levert dat weinig op: het deel van de hersenen dat nodig is om in leven te blijven is minimaal. Om ons hart te laten kloppen en ons zenuwstelsel te laten functioneren hebben we niet meer hersenmassa nodig dan andere zoogdieren. De rest kost energie, maar levert geen directe voordelen op. Het lijkt alsof ons brein zich ten opzichte van ons lichaam gedraagt als een parasitair gezwel. Er wordt veel meer energie van de gastheer afgetapt dan er uiteindelijk weer in de vorm van voordelen naar hem terugvloeit.
Gelukkig biedt die parasiet ons dan weer wel bepaalde evolutionaire voordelen, waardoor wij zelf weer onze parasitaire functie op de planeet uit kunnen oefenen. Onderwijl maakt het ook dat we van onszelf kunnen zeggen dat we de kroon op de schepping zijn. Die zelfoverschatting komt dan ook voor rekening van de hersenen: ons lichaam ‘weet’ heel goed dat het in de pikorde ergens in de middenmoot eindigt. Ga maar na: geen vacht, dus we kunnen geen hitte of kou verdragen. Voortdurend zuurstof nodig, dus geen tripjes in de oceaan. En enkel die suffe voeten om ons voort te bewegen: geen snelle ontsnappingsroute in de lucht, en de meeste roofdieren lopen ons er moeiteloos uit. Maar dankzij de enorme hersenen weten we van alles te maken om met die nadelen om te gaan.
Gids Janus grinnikt: als god kent hij die nadelen niet, want hij kan zijn uiterlijk steeds naar eigen keuzen bepalen. En om het te bewijzen staat daar plots een tweekoppige panter voor ons, die vervaarlijk gromt. Vlug slaan we een andere weg in.
Een van de vreemde bijeffecten van ons parasitaire brein is dat we de neiging hebben bepaalde biologische functies enorm ingewikkeld te maken in vergelijking met andere dieren. Seks in het bijzonder lijkt altijd meer te zijn dan een simpele voortplantingsdaad.
Hoeveel tijd we wel niet besteden aan lezen, schrijven en ons boos maken over seks.
Neem de klassieke vraag: leven we in een seksueel ontspoorde maatschappij? Als je de kranten mag geloven wel. Het schijnt dat kinderen van 12 zich voor een breezer laten gangbangen, in een vochtige kelderbox ergens in de Bijlmer. Dat dit bij de meeste lezers voorspelbare verontwaardiging oproept laat wel zien dat het botst met zekere culturele normen. De EO maakt een programma over mensen die het vreselijk moeilijk vinden om 40 dagen zonder one night stands door het leven te gaan. En wie de televisie aanzet na 1 uur ’s nachts wordt door alle zenders, de publieken uitgezonderd, overspoeld met reclame voor sekslijnen.
Maar is dat geen oud nieuws? De menselijke obsessie, de eindeloze gerichtheid op wat in de kern toch niets meer is dan nature's way of spreading genes is al zo oud als de weg naar rome, waarop dan ook menig straathoertje rondslofte. De hetaeren (dure intellectuele hoeren) lieten zich natuurlijk rijden. Toch deed men niet zo moeilijk over seks: er was nog geen zedenpolitie die op grond van religie of public order het seksueel verkeer aan banden probeerde te leggen. Seks vond plaats in relatieve openbaarheid en tussen alle seksen en leeftijden. Vooral als man had je een rijkelijke keuze: homoseksualiteit was een deugd (want de eros tussen mannen was van een hoger niveau dan tussen man en vrouw). Pederastie werd aangemoedigd en had een educatieve functie: in ruil voor het aanbieden van zijn bips werd een jongeman door zijn oudere geliefde opgevoed en gevormd tot een goede burger (idealiter, tenminste). Ook in de middeleeuwen deden ze niet zo moeilijk over seks. De privacy was nog niet uitgevonden, dus je kreeg elkaars edele delen voortdurend te zien. Lichamelijke behoeften werden gewoon op straat gedaan en vervuld.
En naarmate we verder teruggaan wordt het progressief eenvoudiger.
In de droomtijd waarin we over de savanne huppelden hadden ze immers nog niet van huwelijken en echtscheidingen gehoord. Ook monogame liefde was nog geen ideaal, want de kinderen werden door de hele stam opgevoed.
Toch zijn er verschillen tussen toen en nu. En die houden vooral verband met de mate van hypocrisie en ontkenning die we ten aanzien van het onderwerp ten toon spreiden.
De Grieken kenden ook wel bezorgdheid en moralisme op het gebied van seksualiteit, maar dan omdat men moest vermijden al te zeer op te gaan in lustgevoelens. Niet alleen de lagere, maar vooral ook de hogere vormen van eros moesten beleden worden. De hogere vormen van liefde waren een praxis waarmee je jezelf tot een beter mens kon maken. Liefde als een poort die naar het goede kon leiden (de fameuze Platoonse liefde). Voor wie te veel gericht was op de vleselijke lusten lag het gevaar dus eerder in scheefgroei van de persoonlijkheid en het verliezen van de macht over zichzelf dan in het idee van corruptie en zonde.
Hier voelt Janus zich thuis. Ook hij heeft in zijn jonge jaren van menig aards herderinnetje het kersje geplukt, om haar daarna in te wijden in de geheimen van heden, verleden en toekomst. Wat tijdens dit zoete liefdesspel de voordelen waren van zijn tweekoppigheid laat hij graag over aan de fantasie van de lezer. ‘Bovendien’, zegt hij, ‘het feestje duurde niet lang…’
Want sinds het Victoriaanse tijdperk is seksualiteit omgeven geraakt met een ingewikkeld complex van ge- en verboden met bijbehorende methoden van disciplinering. Seks werd meer dan een biologische behoefte. Iets dat gereguleerd moest worden door het huwelijk. Iets dat exclusief met een persoon gedeeld moest worden. Wie buiten de deur neukte was een echtbreker en dus een immoreel persoon. En met een beetje pech een misdadiger, voor wie sociale uitsluiting en reputatieschade nog wel de minste straf was. Deze ontwikkeling houdt verband met het feit dat het huwelijk zich ontwikkelde van een economisch-juridisch contract voor de hogere klassen (een manier om bezittingen te vergroten of te bestendigen) tot een instituut dat voortplanting en opvoeding in goede banen moest leiden. In de eeuwen daarvoor was 'overspel' immers een geijkte praktijk, omdat gehuwden helemaal niet geacht werden van elkaar te houden, alle romantisering ten spijt. De schade die het vreemdgaan op zou kunnen leveren lag in de sfeer van reputatie en aanzien, niet van gekwetste gevoelens.
Het huwelijk kreeg steeds meer een performatieve functie toebedeeld: het huwelijk als bestendiging van de romantische liefde, met eeuwige (seksuele) trouw als bewijsmateriaal.
De driften van Janus
Eindessay voor de UU-cursus Liever de gifbeker, deel 1
Deel twee en drie volgen vrijdag en zondag.
De waarheid van Janus
De mens is een bijzonder dier. Hij bevindt zich voortdurend op het snijvlak van verschillende werelden. Een mooie denkmetafoor die hier bij past is die van de Januskop. Deze Romeinse drempelgod was tweekoppig: het ene hoofd keek naar het verleden, en het andere hoofd naar de toekomst. Hij is staat symbool voor zowel het begin als het einde van de dingen, en vooral ook de overgang daartussen (de drempel). Onderwijl lijkt hij ons met een vilein lachje te wijzen op de fundamentele gespletenheid van ons bestaan: we leven voortdurend in het verleden (middels ons vermogen tot herinnering) en in de toekomst (dankzij ons vermogen tot anticipatie) We beschouwen de wereld met een blik die naar schoonheid en zin zoekt, en tegelijkertijd proberen we haar met gebruik van rationaliteit en wetenschap te onttoveren en beheersbaar te maken.
Maar bovenal zijn we gezegend met zekere dubbelzinnigheid als het gaat om de vraag tot welke categorie wezens we eigenlijk behoren: we zijn zoogdieren, en waar het onze lichamelijke behoeften aangaat zijn we niets meer of minder dan de andere soorten die tot deze familie behoren. Tegelijkertijd hebben we de beschikking over iets extra’s: ons vermogen tot (zelf)bewustzijn, dat we te danken hebben aan onze unieke hersenen. Ergens in de evolutie van het brein zijn we over een keerpunt gegaan, en is ons vermogen onszelf te beschouwen (denken-over-denken) ontstaan. Deze dubbelzinnigheid noem ik niet zonder reden gezegend. Het is namelijk heel verleidelijk om van dit gelijktijdig bestaan in verschillende werelden een probleem te maken: een fundamentele tegenstelling, een logische tegenspraak die vreedzaam ligt te wachten tot er iemand komt die slim en sluw genoeg is om haar op te lossen. Hij zal op de proppen komen met een intellectuele panacee die onze emoties en driften voor eens en voor altijd in harmonie zal brengen met onze ratio en denkwereld. Wat een mooie verlossingsmythe.
In mijn ogen is deze wonderdokter een kwakzalver. Een charlatan die met een wagen vol zalfjes (kippenstront) en brouwseltjes (rioolwater) het dorp binnenkomt en met grote gebaren op het marktplein staat te oreren. Het begint ermee dat hij de mensen vertelt dat er iets mis met ze is, en de volgende stap is dat hij zijn wondermiddel voor een zacht prijsje aanbiedt, de weldoener. Wie niet oud of ziek genoeg is om opzichtig te lijden komt wel in aanmerking voor een mooiere huid of haar, een beter verstand of vrolijker stemming, en natuurlijk kan je het beste ook maar van alles slikken ter voorkoming van klachten (de oplettende lezertjes zien parallellen met de industrieën rond plastische chirurgie en farmaceutica).
Nee, de tegenstelling tussen drift- en verstand is geen kwaal, geen kwade eigenschap die moet worden uitgebannen. Het komt er niet op aan zich te vormen tot een dorre geleerde (de apollinische extreme) of wezenloze barbaar (het dionysische uiterste). Het komt er op aan dat ze elkaar moeten doordringen en doordrenken, om zo tot wil te worden. Het gaat erom. zoals de grote Nietzsche schreef, de vormloze en afgrondelijke dionysische drift in het apollinische te objectiveren en zo in een vorm te gieten. [1] Maar het dionysische moet ons ook beschermen tegen de verkalkende bijeffecten van de logica, de beweeglijkheid houden in het ‘ontzaglijke balk- en plankenwerk van begrippen’ dat de wetenschap vormt. Alleen zo kunnen we komen tot wat Nietzsche ‘tragische kennis’ noemt. [2] Een kennis die begrip heeft voor de beperkingen van het logische en ook het irrationele bestaansrecht haar bestaansrecht gunt. Niet om de wetenschap te ontmantelen, te stellen dat feiten geen meer feiten zijn maar enkel gesitueerde en door machtsbelangen bepaalde uitspraken. Of dat de waarheid enkel op straat te vinden is en niet in de collegebanken (denkfouten die door niet de minsten door de jaren heen gemaakt zijn)
Nee, het gaat er juist om de ene pool niet hoger te achten dan de andere, maar in te zien dat het juist hun onderlinge spanning is die het geheel levend en vitaal houdt. Drift en ratio bezitten een wederzijdse afhankelijkheid. Daar kan geen kwakzalver iets aan veranderen, hoewel door de eeuwen heen (te) veel denkers zich hebben laten verleiden tot een poging.
Ze verhouden zich als goede vrienden die het nooit eens zullen worden omdat ze zo verschillend zijn, maar een eindeloze en vruchtbare dialoog blijven voeren en bovendien inzien dat hierin de kracht van hun vriendschap schuilt. In mijn ogen is dít de waarheid van Janus: we moeten ons emanciperen van de totaliserende drang van zowel verstand als gevoel en ruimte openhouden voor de voortdurende creatieve spanning tussen beiden. Ze zijn beide zowel een bron van kennis als een leidsman op ons levenspad. Een tweekoppige reisgids die ons steeds grijnzend de weg wijst.
Noten
[1] Klukhuhn, A. (2008) Alle mensen heten Janus, Amsterdam: Bert bakker pp. 563
[2] Klukhuhn, A. (2008) Alle mensen heten Janus, Amsterdam: Bert bakker pp. 565
Slaap maar door
De haan is gestorven
Vogeltjes zingen van zwavel en vuur
't Water is dood, het brood is bedorven
Adem zo zacht als je kunt
Want de lucht is te duur
Slaap maar door
De zon wil niet schijnen
Moeder natuur laat haar kindertjes gaan
Bomen en bloemen en vlinders verdwijnen
De reis is voorbij
Want de mensen zijn stil blijven staan
"Koning Robot heeft de wereld in z'n macht
We hebben allemaal een nummertje gekregen
Er hoeft niets meer, er wordt voor je gedacht
En wie iets anders wil wordt tijdig doodgezwegen"
Slaap maar door
Het zal je niet raken
Hier in je bed merk je nergens iets van
Morgen zal ik een slaapliedje maken
En ik zal zingen
Zolang je nog luisteren kan...
(Elly en Rikkert, toen ze nog christ-curious waren)
Departed or gone,
They were waiting for me when I thought
That I just cant go on,
And they brought me their comfort
And later they brought me this song.
O I hope you run into them
You whove been traveling so long.
Yes, you who must leave everything
That you cannot control;
It begins with your family,
But soon it comes round to your soul.
Well, Ive been where youre hanging
I think I can see how youre pinned.
When youre not feeling holy,
Your loneliness says that youve sinned.
Well they lay down beside me
I made my confession to them.
They touched both my eyes
And I touched the dew on their hem.
If your life is a leaf
That the seasons tear off and condemn
They will bind you with love
That is graceful and green as a stem.
When I left they were sleeping,
I hope you run into them soon.
Dont turn on the light
You can read their address by the moon;
And you wont make me jealous
If I hear that they sweeten your night
We werent lovers like that
And besides it would still be all right
We werent lovers like that
And besides it would still be all right.
(Leonard Cohen)
Voor alle vrouwen die een sister of mercy durven te zijn.
It's Alright, Ma (I'm Only Bleeding)
Darkness at the break of noon
Shadows even the silver spoon
The handmade blade, the child's balloon
Eclipses both the sun and moon
To understand you know too soon
There is no sense in trying.
Pointed threats, they bluff with scorn
Suicide remarks are torn
From the fool's gold mouthpiece
The hollow horn plays wasted words
Proves to warn
That he not busy being born
Is busy dying.
Temptation's page flies out the door
You follow, find yourself at war
Watch waterfalls of pity roar
You feel to moan but unlike before
You discover
That you'd just be
One more person crying.
So don't fear if you hear
A foreign sound to your ear
It's alright, Ma, I'm only sighing.
As some warn victory, some downfall
Private reasons great or small
Can be seen in the eyes of those that call
To make all that should be killed to crawl
While others say don't hate nothing at all
Except hatred.
Disillusioned words like bullets bark
As human gods aim for their mark
Made everything from toy guns that spark
To flesh-colored Christs that glow in the dark
It's easy to see without looking too far
That not much
Is really sacred.
While preachers preach of evil fates
Teachers teach that knowledge waits
Can lead to hundred-dollar plates
Goodness hides behind its gates
But even the president of the United States
Sometimes must have
To stand naked.
An' though the rules of the road have been lodged
It's only people's games that you got to dodge
And it's alright, Ma, I can make it.
Advertising signs that con you
Into thinking you're the one
That can do what's never been done
That can win what's never been won
Meantime life outside goes on
All around you.
You lose yourself, you reappear
You suddenly find you got nothing to fear
Alone you stand with nobody near
When a trembling distant voice, unclear
Startles your sleeping ears to hear
That somebody thinks
They really found you.
A question in your nerves is lit
Yet you know there is no answer fit to satisfy
Insure you not to quit
To keep it in your mind and not fergit
That it is not he or she or them or it
That you belong to.
Although the masters make the rules
For the wise men and the fools
I got nothing, Ma, to live up to.
For them that must obey authority
That they do not respect in any degree
Who despise their jobs, their destinies
Speak jealously of them that are free
Cultivate their flowers to be
Nothing more than something
They invest in.
While some on principles baptized
To strict party platform ties
Social clubs in drag disguise
Outsiders they can freely criticize
Tell nothing except who to idolize
And then say God bless him.
While one who sings with his tongue on fire
Gargles in the rat race choir
Bent out of shape from society's pliers
Cares not to come up any higher
But rather get you down in the hole
That he's in.
But I mean no harm nor put fault
On anyone that lives in a vault
But it's alright, Ma, if I can't please him.
Old lady judges watch people in pairs
Limited in sex, they dare
To push fake morals, insult and stare
While money doesn't talk, it swears
Obscenity, who really cares
Propaganda, all is phony.
While them that defend what they cannot see
With a killer's pride, security
It blows the minds most bitterly
For them that think death's honesty
Won't fall upon them naturally
Life sometimes
Must get lonely.
My eyes collide head-on with stuffed graveyards
False gods, I scuff
At pettiness which plays so rough
Walk upside-down inside handcuffs
Kick my legs to crash it off
Say okay, I have had enough
What else can you show me?
And if my thought-dreams could be seen
They'd probably put my head in a guillotine
But it's alright, Ma, it's life, and life only.
Voor een interessant artikel over de astrologische achtergrond van Dylan en zijn betekenis, zie de site van Wim Duzijn.





















